CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Nog toegevoegd op verzoek college: Rapport 1990 deel 1.pdf

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Bolderkade, Ouderkerk aan den IJssel24.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Indien in de vaargeul in verband met het in suspensie geraken van sedimentatiemateriaal door scheepvaartactiviteiten 1,0 m extra, in plaats van 0,50 m, wordt ontgraven dan hoeven volgens een globale inschatting geen aanvulwerkzaamheden met klasse 2 materiaal plaats te vinden in de vakken 2 t/m 5A.

-40-

Mafitregelea c_ojaf o_rm d.e_do_eAs£ellAngen y.an. h.e£ £u£se_njaiy.ea.u De maatregelen bestaan hierbij uit het verwijderen van alle materiaal van klasse 3 en 4, dus tot op de klasse 3-contour. In paragraaf 3.5.1 is de geschatte gemiddelde diepteligging van de klasse 3-contour aangegeven. In die gevallen waarbij de klasse 3-contour ondieper ligt dan 0,75 m, wordt ter plaatse van de droogvallende platen toch gemiddeld 0,75 m ontgraven teneinde de contactrisico's voldoende te reduceren. Dit komt globaal overeen met 0,50 m beneden de gemiddelde laagwaterlijn. Bij deze variant zijn aanvullingen om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk.

Maatregelen £Oflfo_rm jd.e_dp_els£ellAngeja y.an. hei maximum fliv.ea,u Ten behoeve van deze variant moet de waterbodem worden ontgraven tot op de klasse 2-contour. Uit het verontreinigingsonderzoek kon de ligging van deze contour niet worden vastgesteld. Aangenomen is een gemiddelde diepteligging van 2,0 m onder het waterbodemoppervlak. Bij de maximumvariant zijn aanvullingen om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk.

Uit een beschouwing van de diverse kwaliteitsgegevens van zowel de waterbodem als het oppervlaktewater wordt ervan uitgegaan dat maatregelen conform het basisniveau reeds een zodanig effect hebben, dat de kwaliteitsontwikkeling van het oppervlaktewater niet in negatieve zin wordt beïnvloed. Met een voorbehoud ten aanzien van de eutrofiërende parameters sluit het minimumniveau voor de kwaliteit van het oppervlaktewater aan op de overeenkomstige kwaliteitsdoelstelling voor de waterbodem.

Belangrijk in het kader van de saneringsstrategie is het moment waarop de verwijdering van het waterbodemmateriaal dient plaats te vinden. In figuur 3.7 is het verloop van de kwaliteitsontwikkeling van het oppervlaktewater weergegeven zoals dit op basis van de resultaten van het Rijnactieplan (RAP) en de voorgestelde saneringsmaatregelen in paragraaf 3.6.2 kan worden verondersteld.

- minimum variant - tussen variant k w a I i t e i t w a t e r

b o d e

m

maximum variant k w a 1 i

t e i t

waterkwaliteit incl. zwevende stof waterbodemkwaliteit

w a t e r b o d e m

k w a I i t e

i t o P P e r v I a k t e w a t e r

figuur 3.7 : kwaliteitsontwikkeling watersysteem H.IJ.

-41-

Uit deze figuur kan worden afgeleid dat een vroegtijdige sanering van de waterbodem kan leiden tot een zodanige oplading van de waterbodem met verontreinigende stoffen na sanering dat een verwijdering van verontreinigd sedimentatiemateriaal in de toekomst niet kan worden uitgesloten. Om doelmatigheidsredenen dient dit te worden voorkomen. Echter de sanering mag daarentegen niet zodanig lang worden uitgesteld, dat er als gevolg van de interactie tussen de waterbodem en het oppervlaktewater een remmend effect ontstaat op de waterkwaliteitsontwikkeling. In de vervolgfase dient speciale aandacht te worden besteed aan de bepaling van het optimale saneringsmoment van de waterbodem. Bij een sanering uitgaande van het maximumniveau, dient wel rekening te worden gehouden met een uitvoering in meerdere stappen.

In tabel 3.7 zijn de hoeveelheden te verwijderen verontreinigd waterbodemmateriaal aangegeven voor de maatregelen behorende bij de verschillende kwaliteitsniveaus. Het betreffen indicatieve hoeveelheden gebaseerd op de in dit stadium beschikbare gegevens. Hoewel voor de maatregelen behorende bij het tussenniveau en het maximumniveau aanvullingen om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk zijn, is deze hoeveelheid indicatief in de tabel opgenomen. Deze hoeveelheden zijn nodig om de rivier op het, volgens de huidige inzichten, gewenste nautische profiel te brengen.

Het verwijderen van het waterbodemmateriaal kan op verschillende wijzen plaatsvinden. In het hoofdrapport II zijn verschillende baggertechnieken besproken en beoordeeld aan de hand van milieuhygiënische criteria. Dit heeft geleid tot een aantal aan het baggerproces te stellen milieuhygiënische eisen die bij de uitvoering in acht moeten worden genomen.

Uit een evaluatie van de gegevens met betrekking tot de fysische en chemische samenstelling van het waterbodemmateriaal is geconcludeerd dat een reiniging van dit materiaal op dit moment om uitvoeringstechnische en financiële redenen niet haalbaar is.

Tabel 3 . 7 : Overzicht saneringsvarianten waterbodem Hol!andsche IJssel (hoeveelheden afgerond op 1.000 ra )

Uitgangssituatie: februari/maart 1989

MINIMUMVARIANT Aanbrengen nautisch profiel Onder nautisch profiel, buiten 1.3 Ter plaatse van zandbanen, onder 1.1 Droogvallende platen Overige oppervlakken

2 TUSSENVARIANT 2.1 Vak 1 2.2 Vak 2 2.3 Vak 3 2.4 Vak 4 2.5 Vak 5A 2.6 Vak 5B 2.7 Droogvallende platen vak 5A (extra) Totaal verwijderen tussenvariant

MAXIMUMVARIANT Vak 1 Vak 2 Vak 3 Vak 4 Vak 5A

Vak 58 Totaal verwijderen maximumvariant

VERW

DIEPTE

OPPERVLAK

<»)

(m 2 )

-

1.163.442 1.036.855 421.955 172.017 1.506.877

-

213.452 645.839 498.347 800.241 196.653 487.804 5.398

1,0 0,9 0,9 0,9 0,8 0,9 1,0

0,5 0,5 0,75 0,50

2,0 1,5 1,0 0,8 0,5 2,0 0,25

2,0 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

213.452 645.839 498.347 800.241 196.653 487.804

FACTOR

IJ

D E R E N

HOEVEELHEID

(m 3 )

1,0 0,3 0,9 0,9

1,0 0,9 0,9 0,9 0,8 0,9

A A N V U L L E N

KWALITEIT (klasse)

475.000 518.000 64.000 116.000 678.000 1.850.000

2 + 3 + 4

427.000 872.000 448.000 576.000 79.000 878.000 1.000 3.281.000

3 + 4 3 + 4 3 + 4 3 + 4 3 + 4 3 + 4 (2+)3 + 4

427.000 1.163.000 897.000 1.440.000 315.000 878.000 5.120.000**

3 + 4 2 + 3 + 4 2 + 3 + 4 2 + 3 + 4 2 + 3 + 4 2+3 + 4

HOEVEELHEID (m3)

3 + 4

518.000

2 + 3+4 (2+)3 + 4 3 + 4

64.000 77.000

2 +

678.000 337.000

KWALITEIT (klasse)

2, slecht doorlatend 2 2 (vak 5A = 79.000) = 1.258.000

PM PM PM PM PM PM PM ca.2.806.000*

PM PM PM PM PM PM ca.4.645.000*

* Aan te v u l l e n hoeveelheid berekend u i t ( t o t a a l verwijderde hoeveelheid) - (nautische hoeveelheid = 475.000 m ) ** waarvan 3.281.000 m3 klasse 3/4-materiaal en 1.839.000 m3 klasse 2 materiaal

1 1 1 1 1 1

-42-

In het hoofdrapport II zijn de te onderscheiden verwerkingsroutes van het waterbodemmateriaal zoals gepresenteerd in de figuren 3.8 t/m 3.10 nader uitgewerkt.

Voor berging in depots buiten de regio worden de locatie-aanduidingen Papegaaiebek en Slufter uitsluitend gebruikt om inzicht te geven in het benodigde voorzieningenniveau bij dergelijke locaties. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat deze voorzieningen zijn gebaseerd op de potentiële milieuhygiënische risico's bij het ontstaan van emissies naar de omgeving.

De hoeveelheden te bergen specie zijn van dien aard, dat daadwerkelijke berging in de Papegaaiebek, zeker indien het saneringsmoment daarbij in beschouwing wordt genomen niet tot de mogelijkheden zal behoren.

In tabel 3.8 is een overzicht gegeven van de kosten van de waterbodemsanering, uitgewerkt voor de drie saneringsvarianten en voor de diverse te onderscheiden procesroutes zoals aangegeven in de figuren 3.8 t/m 3.10. Deze kostenramingen zijn tot stand gekomen op basis van door Rijkswaterstaat beschikbaar gestelde eenheidsprijzen ten aanzien van baggeren, be- en verwerken en storten. Deze bedragen zijn gebaseerd op de huidige inzichten ten aanzien van saneringsbaggerwerkzaamheden.

minimum variant tussen variant

bergen in de regio \ met beperkte voorzieningen )

bergen in de Slufter o.i.d.

bergen in de regio \ met speciale voorzieningen J

bergen in de Papegaaiebek o.i.d.

verwerkingsroutes o.n. 89-0461-13/811

-90

figuur 3.8

- maximum variant

specie klasse 2, 3 en 4

n

2

in V

onbehandeld bergen in de regio

onbehandeld bergen in Slufter o.i.d.

A

li

/

scheiden

/

2 zand water

<h

\L

indikken en mechanisch ontwateren <F

specie <60 urn

B bergen in regio met speciale voorzieningen

=7

scheiden

bergen in de Papegaaiebek o.i.d. water

ï

specie >20 urn

ï

bergen in regio met beperkte voorzieningen

JZ bergen in de Slufter o.i.d.

JL

indikken en mechanisch ontwateren

i 1

F=

specie <20 um

a£

ï

bergen in de regio \ met speciale voorzieningen )

bergen in de Papegaaiebek old.

verwerkingsroutes o.n. 89-0461-13/812

-90

figuur 3.9

maximum variant M. 2 apart ontgraven

n

I

specie klasse 2

specie klasse 3 en 4

III V

SL f onbehandeld bergen in de regio\ l met speciale voorzieningen J

onbehandeld bergen i in de Papegaaiebek Ld. o.i.c

\

J

u

/

scheiden

L

I

onbehandeld bergen ^ in de regio

/

tL

4

zand water

<J

indikken en mechanisch ontwateren <F

specie <60 urn

B bergen in regio met speciale voorzieningen

onbehandeld bergen in Slufter old.

=j

scheiden

bergen in de Papegaaiebek old. water

specie <20 um

specie >20 um

tL

5.

bergen in de regio met beperkte voorzieningen

bergen in de Slufter old.

JL

indikken en mechanisch ontwateren

Iz 1

/=

a£

IZ

bergen in de regio \ met speciale voorzieningen J

bergen in de Papegaaiebek old.

verwerkingsroutes o.n. 89-0461-13/814-90

figuur 3.10

-43-

Tabel 3 . 8 : Globale kosten waterbodemsanering Hollandsche Proces Basisniveau

Tussenniveau

IJssel

Maximumniveau

route

Maximumniveau

klasse 2 in regio o

o

klasse 2 in Slufter o

o

Totaal

ƒ per m

Totaal

ƒ per nr

Totaal

ƒ per nr

Totaal

ƒ per m

(milj. ƒ)

(in situ)

(milj. ƒ)

(in situ)

(milj. ƒ)

(in situ)

(milj. ƒ)

(in situ)

I

124,1-168,9 67-91

139,0-218,4 42-67

189,2-268,6 37-52

195,1-274,5 38-54

II

128,1

143,7

193,8

199,8

lila

185,6-209,7 100-113

249,1-291,9 76-89

299,2-342,1 58-67

305,1-348,0 60-68

Illb

187,7

251,6

301,7

307,7

69

101

44

77

38

59

39

60

Illcla 175,9-189,0 95-102

250,4-273,6 76-83

291,1-314,3 57-61

297,1-320,3 58-63

Illclb 188,4

251,8

292,5

298,4

102

77

57

58

IIIc2a 185,6-198,7 100-107

245,3-268,5 75-82

295,5-318,7 58-62

301,4-324,6 59-63

IIIc2b 186,7

246,7

296,8

302,8

101

75

58

59

Procesroutes: I Onbehandeld bergen in regio II Onbehandeld bergen buiten regio in bestaand depot lila Éénmaal fractioneren, berging in regio Illb Éénmaal fractioneren, berging buiten regio in bestaand depot Illcla Tweemaal fractioneren, tweemaal berging in regio Illclb Tweemaal fractioneren, berging in resp. regio en daarbuiten IIIc2a Tweemaal fractioneren, berging resp. buiten en in regio IIIc2b Tweemaal fractioneren, tweemaal berging buiten regio . Gebruikte eenheidsprijzen op voordracht van RWS . Aanname: baggerverdunning 10% bij gebruikte techniek . Maximumvariant gescheiden ontgraven, klasse 2 storten (regio dan wel Slufter), klasse 3/4 zie procesroutes

-44-

3.5.3

Inxentarisstie_nazflrgma.atre_gale.n

Nazorgmaatregelen voor de waterbodem na sanering betreffen; peillodingen noodzakelijk bij het basisniveau, in verband met isolatie van verontreinigd materiaal en het handhaven van een voldoende dikke schone toplaag; bemonstering en analyse van waterbodem om de ontwikkeling van de waterbodemkwaliteit als gevolg van de, zich langzaam verbeterende, oppervlaktewaterkwaliteit te kunnen volgen. Voor het basisen het tussenniveau kan hierbij volstaan worden met een qua frequentie relatief extensieve campagne; bij het maximumniveau dient een meer intensieve bemonsteringscampagne te worden uitgevoerd met hetzelfde doel.

Op basis van een aantal aannamen is een ruwe kostenschatting voor het uitvoeren van de nazorg voor de gesaneerde waterbodem gedaan. In verband met het feit dat de waterbodemkwaliteit een afgeleide is van de eveneens te saneren oppervlaktewaterkwaliteit zijn de kosten voor een relatief korte periode van 20 jaar berekend. De thans te reserveren kosten worden voor de minimale variant op 0,3, voor de tussenvariant op 0,2 en voor de maximale variant op 0,6 miljoen gulden geraamd.

Het verdient een nadere overweging te beoordelen in hoeverre planten of dieren kunnen functioneren als indicatororganisme voor de waterbodemkwaliteit. Met name enkele vissoorten die veel in de waterbodem verblijven kunnen verontreinigingen consumeren en accumuleren. Nader onderzoek behoeft eveneens het effect van nalevering van fosfaat en stikstof aan het oppervlaktewater. Het is niet uitgesloten dat na sanering alsnog algenbloei kan ontstaan. Monitoring van de grondwaterkwaliteit bij isolatie van verontreinigde waterbodem (basisniveau) is vooralsnog in dit stadium buiten beschouwing gebleven. Dergelijke monitoringsactiviteiten kunnen met name noodzakelijk zijn bij de aanwezigheid van direct onder de waterbodem gelegen zandgeulen en een verontreiniging met relatief mobiele stoffen. Concretisering van deze activiteiten dient plaats te vinden na de vaststelling van de exacte situering van de betreffende geulen.

Beïnvloeding van het oppervlaktewater door uitstroming uit landlocaties

Beïnvloeding van het oppervlaktewater door polderwater

-45-

Het pppervlaktewater Iny.efitarisatie„ve.rantre.ifii3iagssitiiatie.

Het niet-gekanaliseerde gedeelte van de Hollandsche IJssel, dat in deze studie is bestudeerd, wordt bovenstrooms begrensd door de Waaiersluis bij Gouda. Deze is normaal gesloten, zodat bovenstrooms geen water wordt aangevoerd. De monding van de Hollandsche IJssel in de Nieuwe Maas bij Krimpen wordt bij storm, calamiteiten of bij grote kans op verzilting gesloten door middel van een stormvloedkering.

De Hollandsche IJssel wordt met name gevoed met water dat via poldergemalen wordt uitgeslagen op de rivier. Het Rijnlandgemaal in de monding van de Gouwe is hiervan de grootste. Daarnaast fungeert de Hollandsche IJssel door de getijdewerking als een tijdelijke berging voor water afkomstig uit de Nieuwe Maas. In het studiegebied wordt de hoofdwaterstroom gevormd door Gouwe-Hollandsche IJssel-Nieuwe Maas. Een netto waterstroom kan optreden in beide richtingen. Deze is seizoensafhankelijk. In droge zomerperioden, wanneer water in de Gouwe wordt ingelaten om Rijnland van voldoende water te voorzien, treedt een netto stroming op richting Gouwe. De grootte hangt af van de mate van waterinlaat. In de winterperiode wordt water afgevoerd naar de Nieuwe Maas. Deze afvoer vindt echter niet ongehinderd plaats. In de monding overheerst namelijk de getijde-invloed, die als een soort barrière de waterstroom periodiek afremt en een sterke bezinking van slibdeeltjes veroorzaakt. De stroomsnelheden van het rivierwater in de Hollandsche IJssel zijn het grootst in de monding en nemen stroomopwaarts af. Tussen de monding van de Gouwe en de Waaiersluis staat het water praktisch stil.

Uit een inventarisatie van recente kwaliteitsgegevens van het rivierwater van de Hollandsche IJssel is gebleken dat het water voor een groot aantal stoffen voldoet aan de normen die voor oppervlaktewateren zijn geformuleerd (basiskwaliteit en algemene milieukwaliteit), echter voor een aantal stoffen niet. Het water voldoet, wat betreft fosfaat, stikstof, lindaan, PAK en PCB's niet aan de basiskwaliteit, terwijl het daarnaast voor een aantal zware metalen niet voldoet aan de algemene milieukwaliteit.

-46-

De totaal-fosfaatconcentraties in de Hollandsche IJssel zijn het hoogste van het gehele rivierengebied. Echter, ondanks de grote hoeveelheid voedingsstoffen in het rivierwater is er maar weinig algengroei in de Hollandsche IJssel.

Als gevolg van de opwerveling van slib door het drukke scheepvaartverkeer is het zuurstofgehalte in delen van de rivier met weinig of geen stroming regelmatig erg laag. Veel opgewervelde slibdeeltjes maken het water troebel.

Op de Hollandsche IJssel lozen bedrijven, niet-gerioleerde woningen, vijf rioolwaterzuiveringsinstallaties, vijf poldergemalen op de Westoever, negen poldergemalen op de oostoever, het boezemgemaal van Rijnland bij Gouda en de stadswateren van Gouda. Daarnaast is de instroming vanuit de Nieuwe Maas van belang. Polderwater, Gouwe, Nieuwe Maas en lozingen (waaronder begrepen de haven en werfactiviteiten) vervuilen de Hollandsche IJssel met voedingsstoffen, zware metalen, PAK, PCB's en pesticiden. Olieverontreiniging wordt veroorzaakt door bedrijven en uit zellingen afstromend grondwater. De belasting van de Hollandsche IJssel met voedingsstoffen en milieuverontreinigende stoffen door instromend oppervlaktewater en uitgemalen polderwater is zeer groot. De belasting door het polderwater is seizoensgebonden en vindt alleen plaats in tijden van wateroverschot, dat is in de winter en natte zomerperioden.

De totale vracht aan verontreinigingen, die als gevolg van lozingen in de Hollandsche IJssel terecht komt, is voornamelijk afkomstig van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Overige lozingen en het uit de zellingen afstromende grondwater zijn wat betreft hun omvang minder belangrijk, maar kunnen wel als gevolg van de hoge concentraties in dit water plaatselijk de oorzaak zijn van een sterke verontreiniging van de waterbodem. Lokaal komen zeer hoge gehalten aan PCB's, PAK's en zware metalen voor in de waterbodem.

-47-

Dit geldt vooral in het bovenstroomse deel van de rivier. Het directe verband tussen deze verontreinigingen en de betreffende lozingen is echter, met de in het kader van dit onderzoek verzamelde gegevens, niet of nauwelijks aan te tonen. Ruimtelijk gezien wordt de Hollandsche IJssel niet overal even zwaar belast. Uit de Gouwe wordt water in het bovenstroomse deel bij Gouda uitgeslagen. De monding van de Hollandsche IJssel staat het sterkst onder invloed van de Nieuwe Maas. Ook ten aanzien van lozingen, met name effluentlozingen van zuiveringen, blijken de riviermonding en het gedeelte bij Gouda de zwaarst belaste trajecten te zijn. Bovenstrooms van de plaats waar de Gouwe uitmondt in de Hollandsche IJssel stroomt het rivierwater nauwelijks. Verontreiniging van het rivierwater door instroming en lozingen zal hier juist grotere nadelige gevolgen hebben dan in rivierdelen waar grotere stroomsnelheden voorkomen. Bijvoorbeeld in de riviermonding. In rustig water krijgen slibdeeltjes met daaraan gehechte verontreinigende stoffen de gelegenheid te bezinken en veroorzaken een sterke vervuiling van de waterbodem.

De veronteiniging van de Hollandsche IJssel heeft er toe geleid dat ook in paling en blankvoorn dusdanig hoge gehalten aan verontreinigingen worden aangetroffen, dat deze officieel ongeschikt zijn voor consumptie. Daar aangrenzende polders in droge perioden in hun waterbehoefte voorzien door IJsselwater in te laten, worden op deze wijze verontreinigende stoffen in omliggende gebieden verspreid. 3.6.2

ln\,ren.ta.risatie_sa.ngringsme£hfidên

Het onderzoek naar de mogelijkheden voor sanering van het rivierwater in de Hollandsche IJssel laat zien dat door een weliswaar grote inspanning een substantiële verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit kan worden bereikt.

-48-

De sanering van de instromende wateren, zoals de Nieuwe Maas, wordt voor de nabije toekomst aangegeven door de reductiedoelstellingen geformuleerd in het Rijn Actie Programma (RAP). Hierdoor zal de waterkwaliteit van de Nieuwe Maas en van de Hollandsche IJssel verbeteren, maar zullen stikstof en fosfaat daarbij nog niet voldoen aan de basiskwaliteit. Naast de Nieuwe Maas veroorzaken de effluenten van rioolwaterzuiveringsinstallaties de grootste stikstof- en fosfaatbelasting van de Hollandsche IJssel. Daarom is een sanering van de lozingen afkomstig van de afvalwaterzuiveringsinstallaties, verdergaand dan de doelstelling geformuleerd in het RAP noodzakelijk. Niet uitgesloten wordt, dat in de Nieuwe Maas eveneens een verdergaande sanering van lozingen door afvalwaterzuiveringsinstallaties plaats dient te vinden evenals een aanpak van de industriële lozingen via de Wet verontreiniging oppervlaktewater, teneinde de basiskwaliteit in het oppervlaktewater te bereiken. Door combinatie van genoemde maatregelen zal in de Hollandsche IJssel een basiskwaliteit kunnen worden bereikt. Ten aanzien van stikstof en fosfaat vergt dit in de tijd een gefaseerde aanpak.

Deze gefaseerde aanpak betekent voor de nabije toekomst: het hanteren van normen voor lozingen zoals geformuleerd in het Rijn Actie Programma (RAP) en het Noordzee Actie Plan (NAP); het formuleren van verdergaande lozingseisen zodanig dat de achtergrondconcentratie in de Hollandsche IJssel met niet meer dan 0,5% wordt verhoogd.

In het kader van het RAP dient op de afvalwaterzuiveringsinstallaties alleen defosfatering plaats te vinden. Teneinde de achtergrondconcentraties in de Hollandsche IJssel met niet meer dan 0,5% te verhogen, zal ook een verdergaande stikstofverwijdering noodzakelijk zijn. Indien het instromende Nieuwe-Maaswater voldoet aan de basiskwaliteit kan met deze maatregelen de waterkwaliteitsdoelstelling van het basisniveau worden gehaald. De waterkwaliteitsniveaus van het tussenniveau en het maximumniveau vereisen verdergaande maatregelen, omdat dan de concentraties in de effluenten moeten voldoen aan de basiskwaliteit respectievelijk de algemene milieukwaliteit.

-49-

Ten aanzien van fosfaatverwijdering dienen de afvalwaterzuiveringsinstallaties in dat geval minimaal te worden uitgerust met een vlokfiltratie. Op dit moment is dit een techniek waarmee de in de praktijk bewezen laagste concentraties aan totaal-fosfaat in het effluent kunnen worden bereikt (0,2-0,5 mg/l). Voor voldoende stikstof verwijdering zal een laagbelast actief subsysteem noodzakelijk zijn, waar in voldoende mate nitrificatie en denitrificatie kan plaatsvinden.

Naast sanering van de afvalwaterzuiveringsinstallaties zullen ook ten aanzien van alle overige emissiebronnen maatregelen moeten worden genomen, waarbij elke haalbare inspanning zal moeten worden verricht. Deze overige bronnen krijgen des te meer betekenis, naarmate de afvalwaterzuiveringsinstallaties en het instromende oppervlaktewater worden gesaneerd. Daarnaast zal ook het eventuele toekomstige gebruik van de Hollandsche IJssel als zwemwater, stopzetting van alle faecale lozingen vereisen. De volgende maatregelen dienen te worden genomen: beëindiging van alle rechtstreekse lozingen (scheepvaart, industriële lozingen), overeenkomend met het beleid van Rijkswaterstaat; riolering van woningen, welke rechtstreeks lozen op de Hollandsche IJssel, eventueel in combinatie met riolering van de lintbebouwing in de achterliggende polders; beperking van het gebruik van meststoffen via het bestaande wettelijk kader.

In tabel 3.9 en 3.10 worden de kosten van de benodigde saneringsmaatregelen ten behoeve van een fosfaat- en stikstofverwijdering, voor zover dit voor de basissaneringsdoelstellingen noodzakelijk is, indicatief weergegeven. De kosten voor de maatregelen in het kader van de beëindiging van alle rechtstreekse lozingen van bedrijven, woningen, scheepvaart e.d. zijn in dit kader van ondergeschikt belang.

-50-

Tabel 3.9: Investeringen in guldens voor de aanpassing van de AWZI's

Kralingse Veer Groenendijk Kortenoord Gouda

Defosfatering

N-verwijdering

23.000.000,3.000.000,3.000.000,5.000.000,-

35.000.000,-* 7.500.000,7.500.000,28.000.000,-

Tabel 3.10: Exploitatie AWZI's in guldens per jaar

Kralingse Veer Groenendijk Kortenoord Gouda

Defosfatering

N-verwijdering

800.000,350.000,350.000,650.000,-

PM** 200.000,200.000,750.000,-

* gerelateerd aan de maatregelen van Groenendijk ** ter indicatie dient te worden gedacht aan ƒ 1.000.000,3.6.3

lny.estarisatie_nazflr$miaJa£re.ge_le_n De nazorgmaatregelen voor gesaneerde lozingen bestaan uit: een handhaving van het verbod op directe lozingen van de scheepvaart, woningen en bedrijven; een voorlichting omtrent dit lozingsverbod; een periodieke bemonstering en analyse van het effluent van communale en industriële AWZI's. De geraamde kosten, op basis van een aantal aannamen voor nazorg van de lozingen voor de eerste 10 jaar (korte termijn doelstellingen) na realisatie van de saneringsmaatregelen, bedragen 4,6 miljoen gulden. Maatregelen en kosten zijn niet onderscheidend voor de verschillende stappen binnen het basisniveau. Omdat echter voor de eerste stap stringentere eisen aan de effluentkwaliteit worden gesteld, dan in het kader van het RAP, is het echter wel zo dat eerder geconcludeerd zal gaan worden dat een AWZI faalt en de zuiveringsinstallatie dient te worden aangepast.

-51-

Inventarisatie berginasmogelijkheden inleiding;

Bij de sanering van de Hollandsche IJssel komt verontreinigd ophoogmateriaal van de zellingen en verontreinigd rivierbodemmateriaal vrij, dat (binnen afzienbare tijd) niet kan worden gereinigd. Dit betekent dat dit materiaal (deels) zal moeten worden opgeslagen. Voor het realiseren van een integrale sanering van de Hollandsche IJssel is de beschikbaarheid van (voldoende) bergingscapaciteit voor de vrijkomende verontreinigde grond van respectievelijk de opgehoogde zellingen en de waterbodem (baggerspecie) daarom van essentiële betekenis . Voor beide categorieën zijn primair de bergingsmogelijkheden onderzocht in de regio. Dat wil zeggen, binnen de grenzen van de zes aan de Hollandsche IJssel grenzende gemeenten (Capelle aan den IJssel, Gouda, Krimpen aan den IJssel, Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Ouderkerk). Daarnaast zijn ook de bestaande en de geplande mogelijkheden elders (buiten de regio) voor het bergen van zowel het vrijkomende rivierbodemmateriaal als het ophoogmateriaal van de zellingen onderzocht. Voordat wordt ingegaan op het locatie-onderzoek, worden eerst de voorwaarden besproken waar de berging van verontreinigd materiaal aan moet voldoen. Vervolgens wordt een aantal bergingsvormen besproken en worden hydrologische en grondmechanische randvoorwaarden aan de berging gesteld.

Uit een algemene voorbeschouwing met betrekking tot de aard en hoeveelheden te bergen verontreinigd materiaal in relatie tot de geologische en geohydrologische situatie in het gebied is geconcludeerd dat voor berging van afvalmateriaal en verontreinigde grond moet worden uitgegaan van berging in een monodeponie op het land en voor berging van het waterbodemmateriaal onder water in een in te richten onderwaterdepot.

-52-

Voor de berging van materiaal in een monodeponie dient daarbij voor de maximum-variant te worden uitgegaan van een oppervlakte van 25 a 40 ha, bij een storthoogte van 10 a 15 m. Voor de berging van het waterbodemmateriaal dient maximaal te worden uitgegaan van een oppervlakte van 50 ha. 2

Tec_hn.i£che_v£0£zieai]agÊn De noodzakelijke technische voorzieningen voor de landlocaties die in Hoofdrapport II in hoofdlijnen zijn uitgewerkt, zijn gebaseerd op de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) zoals vastgelegd in de Richtlijn gecontroleerd storten. Voor de berging van het waterbodemmateriaal is uitgegaan van algemene gegevens uit het rapport "IBC-criteria baggerspeciedepots" van Rijkswaterstaat (juni 1989), terwijl bij de nadere uitwerking in de vervolgfase de resultaten van de in voorbereiding zijnde beleids-m.e.r. "Berging baggerspecie" in beschouwing moeten worden genomen.

3

Selec_tie_van_bêrgiiig£lo.catie£

Het locatie-onderzoek heeft in een aantal fasen plaatsgevonden, opdat een getrapte keuze mogelijk was. De verschillende fasen worden in het kort besproken. In de eerste fase van het locatie-onderzoek heeft een negatieve selectie plaatsgevonden. Daarbij worden alle gebieden aangegeven die op basis van hun huidige of toekomstige functie niet in aanmerking komen als bergingslocaties. De negatieve selectie is toegespitst op het grondgebied van de bij de problematiek van de Hollandsche IJssel betrokken gemeenten. Bij de negatieve selectie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: locaties met de functie woongebied, bedrijfsterrein, recreatiegebied, natuurgebied, A.N.L.-gebied (agrarisch gebied met natuuren landschapswaarden), glastuinbouw, waterwingebied of stiltegebied komen niet in aanmerking als bergingslocatie; de locaties hebben bij voorkeur een omvang, die stort/verwerking van alle grond mogelijk maakt.

-53-

In de tweede fase zijn de resterende gebieden aan een nadere beschouwing onderworpen. Daarbij bleken de locaties in de niet-verveende gebieden zoals de Krimpenerwaard, Hitland en de Oostpolder bij Gouda ongeschikt te zijn voor het realiseren van een bergingslocatie. De veengebieden hebben namelijk een vrij slechte draagkracht van de bodem. Bovendien is er in deze gebieden, wat betreft de geohydrologische gesteldheid, sprake van een inzijgingssituatie, hetgeen ongeschikt is voor een berging van verontreinigd materiaal. Tegen een locatie in de Krimpenerwaard bestaan bovendien grote landschappelijke bezwaren; de Krimpenerwaard is namelijk aangewezen als Grote Landschapseenheid (G.L.E.). De gebieden ten westen van de spoorlijn Rotterdam-Gouda komen eveneens niet in aanmerking als bergingslocatie vanwege de slechte bereikbaarheid. Een goede bereikbaarheid van een bergingslocatie is namelijk van groot belang in verband met de omvang van de vervoersstromen (over meerdere jaren).

Het gebied dat na de tweede fase resteert, is in de derde fase onderverdeeld in een vijftal mogelijke bergingslocaties (figuur 3.11). Deze locaties zijn getoetst aan een aantal beoordelingscriteria, zoals: visueel-ruimtelijke inpasbaarheid; nabijheid van gevoelige bestemmingen (bebouwing, natuurgebieden e. d.); oppervlakte. Uit deze afweging blijken de locaties 1 en 5 als meest geschikte locaties te kunnen worden geclassificeerd. Dat geldt zowel voor de berging van ophoogmateriaal van de zellingen, van rivierbodemmateriaal als voor een gecombineerde berging. Locatie 1 ligt binnen het werkgebied van de Randstadgroenstructuur. Aan de RGS-doelstelling van het gebied van de verstedelijking kan worden voldaan, indien wordt uitgegaan van uitbreidingen (op de lange termijn) van Moordrecht in westelijke of van Nieuwerkerk aan den IJssel in oostelijke richting. Na afwerking kan de locatie stedelijke functies opnemen, die naar hun aard in de groene ruimte een plaats kunnen krijgen.

Fig. 3.11. Mogelijke bergingslocaties

Integrale sanering HoUandsche Ussel schaal 1:50.000

Grontmij

'[(M'^^M^'k

-54-

De openheid van de Zuidplaspolder zal bij realisering van een deponie op locatie 1 in aanzienlijke mate worden aangetast. Om een eventuele uitbreiding van Gouda in westelijke richting niet op voorhand onmogelijk te maken, dient een eventuele deponie op locatie 4 of 5 in samenhang met de uitbreidingsplannen van Gouda te worden overwogen. De stortplaats kan daar op termijn een functie vervullen als stedelijk uitloopgebied voor de mogelijk te realiseren nieuwe woonwijk. Door de situering tegen de randen van de droogmakerij (5) of tegen de randen van toekomstige woongebieden (4) raakt de Zuidplaspolder niet versnipperd. Daardoor blijft een hoge gebruikswaarde van deze polder gehandhaafd. De locatie, waar uiteindelijk een deponie zal worden gerealiseerd, dient nader te worden uitgewerkt. De definitieve vorm van de deponie alsmede de eindbestemming dienen, onder meer afhankelijk van de hoeveelheid materiaal die bij de sanering vrijkomt, in een later stadium nader te worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat de bergingslocatie zodanig wordt gesitueerd en wordt vormgegeven, dat een zichtbare relatie tussen bergingslocatie(s) en rivier wordt gerealiseerd. Voor de duidelijkheid en de herkenbaarheid van het landschap is het kunnen verklaren of begrijpen van de aanwezigheid van een deponie namelijk essentieel.

Wanneer het gebruik van de locatie als deponie is beëindigd, wordt de locatie afgewerkt en kan deze een andere bestemming krijgen. Bij het toekennen van een andere functie aan een deponie is het van belang dat men zich realiseert dat de stortplaats, afhankelijk van het gekozen scenario, 5 a 15 jaar in gebruik is en dat het daarna nog enkele jaren duurt voordat de locatie gereed is voor een ander gebruik. Veel stortplaatsen in Nederland hebben een recreatieve bestemming gekregen. Er is een aantal golfbanen op stortplaatsen aangelegd en soms is een stortplaats in gebruik als wandelgebied. Een stortplaats kan ook een (semi-)agrarische functie krijgen, bijvoorbeeld als een plaats waar graszoden worden gekweekt of als een tuincentrum. Als laatste kan een bestemming als natuurgebied worden genoemd.

-55-

3.7.4fiexgingsmogeli.jkhed.eabuiten_.de. regio. Bestudering van de mogelijkheden buiten de regio leidt tot de conclusie dat er geen grote locaties in de provincie Zuid Holland beschikbaar zijn of op korte termijn ontwikkeld worden ten behoeve van het gemengd storten van hetzij materiaal vallend onder de Afvalstoffenwet (Aw) en de Wet chemische afvalstoffen (Wca) dan wel baggerspecie vallend binnen klasse 3 en klasse 4.

Voor het ophoogmateriaal van de voormalige zellingen steekt het stort van de Verwerking Bedrijfsafvalstoffen Maasvlakte (VBM) op de Maasvlakte relatief gunstig af met uitzondering van de mogelijkheid om een grotere hoeveelheden Wca-stoffen te storten. Wellicht kan ook na verloop van enkele jaren op locatie Lickebeart Aw-stoffen, al dan niet parallel aan de 3 e Merwedehaven, worden toegestaan. Voor het vrijkomende Wca-materiaal van de opgehoogde zellingen bestaan ook op termijn slechts zeer geringe perspectieven.

De verwerking van het waterbodemmateriaal is thans alleen nog in gescheiden vorm mogelijk: de Slufter voor klasse 3- en de Papegaaiebek voor klasse 4-specie. In de Papegaaiebek is slechts in beperkte mate opslagcapaciteit beschikbaar. De Slufter daarentegen biedt voor klasse 3 materiaal ook op termijn voldoende perspectief. Op termijn kan de te ontwikkelen locatie in het Hollandsen Diep, voorzover ook specie klasse 4 in de plannen worden opgenomen, mogelijk een oplossing bieden voor dit sterk verontreinigde materiaal.

-56-

4

RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSLIJN

4.1

Inleiding Een sanering van de gebieden die in de huidige situatie verontreinigd zijn, betekent dat beperkingen aan de gebruiksmogelijkheden worden opgeheven of worden verminderd. Een sanering van de Hollandsche IJssel kan derhalve, naast het elimineren of reduceren van risico's voor de volksgezondheid en het milieu, eveneens een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijk/functionele ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur en landschap, recreatie en toerisme. De in dit hoofdstuk gepresenteerde ontwikkelingslijn is bedoeld om een gewenste toekomstige ontwikkeling te schetsen, en de ontwikkelde scenario's te toetsen op de mogelijkheden om die ontwikkeling te realiseren (figuur 4.1). Daarnaast is de gewenste ruimtelijke ontwikkeling sturend voor de scenario's, in die zin dat de te nemen saneringsmaatregelen worden afgestemd op de in de toekomst gewenste bestemming van gebieden.

4.2

Inventarisatie

4.2.1

iii£to.rAs.c.he_ _s.ch.eis

De Hollandsche IJssel is een getijderivier, hetgeen betekent dat de waterstand van de rivier fluctueert onder invloed van de eb- en vloedbeweging van de zee. Oorspronkelijk vielen bij eb delen van het buitendijkse gebied droog. Op deze zogenaamde slikken werd bij laagwater slib gewonnen, dat gebruikt werd voor de baksteenindustrie (17e-19e eeuw). Om het slib beter te kunnen verzamelen, werden (delen van) slikken afgezet met riet. Een dergelijk afgezet stuk noemde men een zelling.

In een later stadium werd de Hollandsche IJssel steeds belangrijker als vaarverbinding en ontstonden scheepswerven op de oevers van de rivier. Als gevolg van de slechte draagkracht van het achterliggende veengebied was goede bouwgrond schaars.

MILIEUHYGIËNISCHE ONTWIKKELINGSLIJN

RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSLIJN

INVENTARISA TlE VERONTREINIGINGSSITUA TlE

ANALYSE VANHETGgmm

zellingen

waterbodems

verspreidingsoppervlaktewater +lozingen mogelijkheden

INVENTARISA TlE SANERINGSMETHODEN zellingen

waterbodems

lozingen +instroming

maatregelenpakket zellingen -1

maatregelenpakket waterbodem -1

maatregelenpakket lozingen +instroming-1

maatregelenpakket zellingen -2

maatregelenpakket waterbodem - 2

maatregelenpakket lozingen +instroming -2

*

maatregelenpakket zellingen -3

maatregelenpakket waterbodem - 3

maatregelenpakket lozingen +instroming -3

•• optimale gebruiksmogelijkheden 3

optimale gebruiksmogelijkheden 1

optimale gebruiksmogelijkheden 2

X INVENTARISATIE NAZORGMAATREGELEN zellingen

waterbodems

lozingen +instroming

Fig. 4.1. De ruimtelijke ontwikkelingslijn

-57-

Omdat de meeste bedrijven bovendien aan de rivier gebonden waren, wekt het nauwelijks verbazing dat de zellingen in de loop der tijd zijn opgehoogd om als vestigingsplaats voor bedrijven te dienen. Ging het hierbij oorspronkelijk om scheepswerven en andere riviergebonden bedrijven, de afgelopen decennia kwamen hiervoor steeds meer niet-riviergebonden bedrijven in de plaats. Tot halverwege deze eeuw werden de zellingen voornamelijk opgehoogd met baggerspecie uit de rivier. Daarna is een groot deel van de zellingen opgehoogd met afvalmateriaal van Rotterdamse industrieën. Volgens de vergunningen ging het om stadsvuil van de gemeente Rotterdam en zwaar vuil van een aantal havenbedrijven. Het storten van schadelijke stoffen als oliën en chemicaliën was expliciet verboden, maar naar later bleek is een aantal zellingen toch met dergelijk afval opgehoogd.

4.2.2

HuAdig_geJbr.uik_en firablemaiigk In figuur 4.2 is het huidige grondgebruik in de bij de problematiek van de Hollandsche IJssel betrokken gemeenten aangegeven (Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Nieuwerkerk aan den IJssel, Ouderkerk, Moordrecht en Gouda). De voornemens van de regionale en lokale overheden zijn aangegeven in figuur 4.3. Onderscheidend is (binnen het gekozen studiegebied) de sterke verstedelijking aan het begin en het einde van de Hollandsche IJssel en een vrij landelijk karakter van het tussenliggende gebied. De Krimpenerwaard is vrijwel geheel agrarisch in gebruik en valt op door de grote natuur- en landschapswaarden die aan het gebied zijn toegekend. Een ander groot agrarisch gebied is de Zuidplaspolder. Deze droogmakerij is voor het grootste deel in gebruik als grasland. Aan de zuidzijde verschijnt in toenemende mate glastuinbouw.

Rond de grotere bebouwingskernen is de afgelopen jaren een aantal bos- en recreatiegebieden aangelegd (onder andere Rottemeren, Zevenhuizerplas, recreatiegebied Hitland en het Loetbos in de Krimpenerwaard).

-58-

Aan de westzijde van de Hollandsche IJssel liggen een autosnelweg (A-20) en een spoorlijn evenwijdig aan de rivier. De Hollandsche IJssel is drager van een groot aantal functies zoals waterafvoer, infrastructurele voorziening voor de beroeps- en recreatievaart, werken, wonen, recreatie e.d. Deze functies kunnen elkaar zowel positief als negatief beïnvloeden. Momenteel is er bij de Hollandsche IJssel voornamelijk sprake van een negatieve beïnvloeding.

Voor de recreatievaart is de rivier een belangrijke verbinding tussen de Deltawateren en het IJsselmeer. Méér dan een verbinding is de rivier voor de watersport momenteel echter niet. Er zijn geen aanlegmogelijkheden of voorzieningen langs de oevers, die de vaarrecreant uitnodigen tot een bezoek. Ook voor toeristen en recreanten die zich met de fiets of auto op de dijk bevinden, zijn weinig recreatiemogelijkheden aanwezig.

Een rivier kan naast een prettige recreatie-omgeving ook een aantrekkelijke woonomgeving zijn. Bouwlocaties langs het water zijn veelal erg in trek. In de huidige situatie nodigt de rivier daar echter nauwelijks toe uit. De woonbebouwing langs de Hollandsche IJssel is veelal van het water afgekeerd. Tussen het wonen en het water bestaat nauwelijks een relatie, terwijl het water in principe de mogelijkheid biedt voor aantrekkelijke bouwwijzen. Het recreatieve gebruik van de omgeving van de Hollandsche IJssel is aangegeven in figuur 4.4. Het huidige gebruik van de opgehoogde voormalige zellingen is aangegeven in figuur 4.5. De zellingen langs de Hollandsche IJssel zijn voor het grootste deel in gebruik als bedrijventerrein of liggen braak. De industrie heeft in veel gevallen geen of weinig binding meer met de rivier. De bedrijven zijn echter belangrijk voor het gebied, vanwege de betekenis voor de werkgelegenheid. Hoewel bedrijvigheid langs de rivier een belangrijk onderdeel is van de identiteit van de Hollandsche IJssel, is de verhouding met andere functies van de rivier en zijn oevers in de huidige situatie scheefgegroeid.

99JD

88'9

Toekomstige woongebieden (omstreden) Toekomstige bos- en recreatiegebieden (onomstreden) Toekomstige bos- en recreatiegebieden (omstreden)

Integrale sanering Hollandse IJssel

Geplande (auto-)vegen

M V////M

Toekomstige bedrijfsterreinen (onomstreden) j

Toekomstige bedrijfsterreinen (omstreden)

schaal 1:50.000 datum 19-04-1990

Grontmij

Figuur 4.3. (Mogelijk) toekomstig gebruik van de regio

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=8f548c8a-3785-4e17-86e9-b35b8ce5bad0