CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen, toelichting en regels, 16-04-2024

Raadsvergadering 16 april 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen33.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Klimaatverandering, zorgdragen voor voldoende passende woningen voor een vergrijzende samenleving, tekort aan starterswoningen, verschillende (zorg)doelgroepen die langer zelfstandig thuis (moeten) wonen, de groeiende groep mensen die een beroep moet doen op de sociale huursector en een groot tekort aan woningen, zijn maar enkele voorbeelden. De gemeente zal niet in de termijn van één woonvisie alle opgaves die in het verleden zijn ontstaan het hoofd kunnen bieden. Maar door kaders en duidelijke doelen te stellen, wil zij een grote stap vooruit zetten. Het bouwen van woningen draagt eraan bij dat inwoners in hun geliefde Krimpenerwaard kunnen blijven wonen. Jongeren hoeven niet te vertrekken om een passende woning te vinden. Jonge gezinnen blijven of verhuizen op latere leeftijd terug naar onze gemeente. De gemeente heeft te maken met een ouder wordende bevolking en dat brengt nieuwe behoeften aan verschillende woonvormen en soms ook een zorgvraag met zich mee. Ook zijn er andere doelgroepen die zorg behoeven en een eigen plek nodig hebben. Het hebben van een dak boven je hoofd is een basisbehoefte. Maar er is nog zoveel meer dat bijdraagt aan prettig kunnen wonen en goed in je vel zitten. Een sterke sociale basis met een laagdrempelig aanbod van activiteiten stimuleert ontmoeting en voorkomt eenzaamheid.

De woonvisie heeft niet alleen aandacht voor stenen, maar ook voor het sociale gedeelte van wonen en de zorg die sommige mensen nodig hebben. De woonvisie is daarom niet alleen een woonvisie, maar tegelijkertijd ook een woonzorgvisie. Tot slot is er ook aandacht klimaatverandering en duurzaamheid in de woonvisie. De gemeente moet zorgen voor klimaatadaptieve, natuurinclusieve en duurzame woonwijken. Dit geldt voor nieuwbouw, maar ook voor bestaande wijken. Veel woningen staan er immers al. Uitvoeringsprogramma Wonen 2023-2028 In de woonvisie heeft de gemeente haar visie vastgelegd voor de komende jaren. Om het hoofddoel te behalen heeft de gemeente, per thema, meerdere subdoelen geformuleerd. De gemeente heeft daarbij telkens per subdoel aangegeven welke acties zij onderneemt om de visie uit te voeren. Deze acties zijn samengevat in het Uitvoeringsprogramma Wonen 2023-2028. Pijler 1: beschikbaarheid en betaalbaarheid De gemeente zet in op de bouw van 4.000 woningen tot 2040. De gemeente zet bij ieder nieuwbouwplan in op 75% betaalbaar. De gemeente zet in op nieuwbouw gericht voor de doorstroming van ouderen. Pijler 2: aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw Er worden kwalitatief goede en levensloopbestendige woningen toegevoegd. De gemeente zet in op de bouw van zoveel mogelijk levensloopbestendige woningen binnen 500 meter rondom voorzieningen.

De gemeente realiseert met nieuwbouw en doorstroming kansen voor jongeren en jonge gezinnen. De gemeente zet in op flexwonen als kans voor jongeren en spoedzoekers. De gemeente blijft aandacht houden voor andere bijzondere doelgroepen. In de komende jaren wordt er naar gestreefd om in alle kernen woningen te bouwen. Om ruimte voor groen en klimaatadaptatie te maken wordt binnenstedelijk hoogbouw voorgestaan. Pijler 3: wonen, zorg en welzijn

Toelichting

27

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

De gemeente faciliteert aanpassingen in de bestaande voorraad. De gemeente faciliteert en stimuleert geclusterde woonzorginitiatieven voor ouderen en zorgbehoevenden. De gemeente zet in op een leefomgeving die past bij een toenemende zorgvraag. De gemeente zet in op een passend voorzieningenniveau per kern om de sociale basis te versterken. De gemeente zet in op voldoende geschikte woningen en een grote woondiversiteit voor kwetsbare doelgroepen. Pijler 4: duurzaamheid Het verduurzamen van de bestaande particuliere voorraad (huur en koop). Het verduurzamen van de corporatievoorraad. Duurzame, toekomstbestendige en betaalbare nieuwbouw (geen actiepunten). Toekomstbestendige wijken met aandacht voor groen (geen actiepunten). Conclusie Dit bestemmingsplan maakt alleen de vervangende nieuwbouw van twee bedrijfswoningen mogelijk in de dure koopsector. De woningen worden duurzaam gebouwd. Er is geen strijd met de doelstellingen van de Woonvisie. 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment vervallen de Welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist.

De nota bevat de beleidsregels met daarin de criteria die de gemeente toepast bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. Met de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” is gekozen voor harmonisering en deregulering van het welstandsbeleid met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Een groot aantal woongebieden en bedrijventerreinen hebben een soepel toetsingsniveau waarbij verbouwingen welstandsvrij zijn. Om onaanvaardbare situaties tegen te gaan is een excessenregeling opgenomen. De eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ kan aangeschreven worden om die strijdigheid op te heffen. Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. De invulling van de beleidskaarten zijn een vertaling van de hoofdlijnen van de ruimtelijke kwaliteit in de Krimpenerwaard ten behoeve van de toetsen van het uiterlijk van bouwwerken op zichzelf en in hun omgeving. De deelgebieden maken in de Nota onderdeel uit van een bijzonder niveau. Dit betreft gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst.

De nota ruimtelijke kwaliteit bevat voor gebieden met een bijzonder niveau een uitgebreide set criteria, die in woordkeuze en bandbreedte aanstuurt op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen in het gebied. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld. Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Per gebied is een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Conclusie Bij uitwerking van nieuwe bouwplannen wordt rekening gehouden met de in de Nota vastgelegde gebiedsgerichte criteria. Aanvragen omgevingsvergunning zullen te zijner tijd om advies worden voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Aan de door de commissie te maken opmerkingen zal worden voldaan.

28

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

3.4.4 Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. In de waterparagraaf (Hoofdstuk 4) wordt hierop ingegaan. Tevens zal hierin aandacht worden besteed aan waterhuishoudelijke aspecten. Duurzame gemeente In de door de gemeenteraad van Krimpenerwaard op 9 mei 2017 vastgestelde 'Woonvisie gemeente Krimpenerwaard; kerngericht!' is tevens aandacht besteed aan duurzaamheid. Als gemeente wil zij de lat van verduurzamen hoog leggen. Als landelijke gemeente gaat zij een stevige bijdrage leveren aan een verstandig klimaatbeleid.

De gemeente beseft dat rond 2050 het aardgas zo'n beetje op zal zijn en dat zij daarom vanaf heden moet toewerken naar een energieneutrale woningvoorraad die niet langer met aardgas verwarmd hoeft te worden. Zij wil een duurzame ontwikkeling stimuleren door ook in te zetten op energiezuinige woningen en energiebesparing. Conclusie De te herbouwen bedrijfswoningen worden duurzaam gebouwd. Deze worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. Bij uitwerking van de plannen wordt gestreefd naar het bouwen van bijna energie neutrale woningen. Bij uitwerking van nieuwbouw wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen.

Toelichting

29

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

30

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Hoofdstuk 4 4.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2

Beleidskader rijk en provincie

4.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 4.2.2 Provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.

Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen

Toelichting

31

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

4.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen.

Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.

Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk.

32

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

4.4

Waterhuishouding

In deze paragraaf wordt de waterhuishouding beschreven van deelgebied 4 waar een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, te weten: Schuwacht 150. In dit deelgebied vindt vervangende nieuwbouw plaats van twee bedrijfswoningen. In de overige deelgebieden wordt alleen de bestemming voor een woning geschrapt in de regels en op de verbeelding, zodat een bespreking van de waterkwantiteit achterwege is gelaten. 4.4.1 Beschrijving watersysteem De deelgebieden aan de Noord liggen in de Polder Krimpen aan de Lek, terwijl het deelgebied aan de Schuwacht in de Polder Schuwacht liggen. De IJsseldijk West 26 in Ouderkerk aan den IJssel ligt in de Polder Kromme, Geer en Zijde. De watergangen in het gebied zijn belangrijk voor de aan- en afvoer van water in de polders. 4.4.2 Veiligheid en waterkeringen De deelgebieden aan de Noord, Schuwacht en IJsseldijk West liggen grotendeels in een regionale waterkering op grond van de Legger van de primaire waterkeringen van het Hoogheemraadschap. Overeenkomstig de vigerende bestemmingsplannen wordt hiervoor de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' opgenomen, zodat de waterstaatkundige belangen worden beschermd. Van het Hoogheemraadschap is een watervergunning op grond van de Keur nodig voor zover bebouwing plaatsvindt binnen deze zone. 4.4.3 Waterkwantiteit Toekomstige situatie Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water.

Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² is een Watervergunning nodig. Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk Dit deelgebied grenst aan de bedrijvenbestemming. Momenteel zijn de gronden in gebruik als grasland. De bestemmingswijziging voorziet in een bouwmogelijkheid voor twee bedrijfswoningen. Hier is sprake van vervangende nieuwbouw in verband met sanering van twee woningen aan de Schuwacht 150, 152 en en 154a. Per saldo blijft het verhard oppervlak gelijk. Dit betekent dat op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap geen watercompensatie nodig is. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de (nieuwe) woningen wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.

Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

Toelichting

33

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de nieuwe woningen zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Afvalwater is aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. 4.4.4 Wateradvies Het ontwerpbestemmingsplan is om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. 4.4.5 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

34

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Het betreft hier alleen het deelgebied Schuwacht 150 (deelgebied 4) waar vervangende nieuwbouw van twee bedrijfswoningen plaatsvindt. In de overige deelgebieden wordt alleen de bestemming voor een woning geschrapt in de regels en op de verbeelding. Voor deze deelgebieden kan daarom een bespreking van de omgevingsaspecten achterwege worden gelaten.

5.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.

In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/besluit Dit bestemmingsplan voorziet in vervolgfuncties door 12 woningen te schrappen en twee bedrijfswoningen te herbouwen. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 5.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde functiewijzigingen. Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.2.

De vervolgfuncties liggen evenmin binnen de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Er is voorts geen sprake van toename van stikstofdepositie. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.3. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering gelet

Toelichting

35

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

op de omvang van het plangebied. Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. 5.1.1.1 Niet gesprongen explosieven (NGE) Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied Schuwacht 146 ten met 154a verdacht is op ontplofbare oorlogsresten. De locatie is verdacht op het voorkomen van afwerpmunitie in de categorie 250, 500 en 1000 lbs als gevolg van een bombardement. Circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog is als blindganger in de bodem achtergebleven. Bij graafwerk in de bodem kan dit gevaar opleveren. Door de Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht (EOCKL) worden, wat betreft het risico van een ondergrondse bomexplosie als gevolg van trillingen veroorzaakt door heien, de volgende afstanden gehanteerd: Heien op een afstand van minder dan 10 meter van een mogelijke blindganger kan zeer wel mogelijk detonatie van die blindganger veroorzaken.

Het effect daarvan is desastreus voor zowel personeel als materieel. Het is onwaarschijnlijk dat heien op een afstand tussen 10 en 50 meter van een mogelijke blindganger detonatie van die blindganger veroorzaakt. Het effect van die detonatie is zeer ernstig voor zowel personeel als materieel. Het is praktisch onmogelijk dat heien op een afstand van meer dan 50 meter van een mogelijke blindganger detonatie van die blindganger veroorzaakt. Het effect van die detonatie neemt af met het kwadraat van de afstand. In het 'Adviesrapport Conventionele Explosieven Dijkversterking Nederlek' van Saricon B.V. (rapport van 7 mei 2009 met documentcode 72503-AR-01) is beoordeeld dat er geen verhoogd risico is op een ongecontroleerde explosie als de werkzaamheden regulier worden uitgevoerd. Dit betekent dat het onderzoeksgebied in munitie-technische zin wordt vrijgegeven voor vervolgwerkzaamheden. Saricon adviseert de werkzaamheden zonder verder explosieven onderzoek uit te laten voeren. Verder onderzoek naar NGE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit.

Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd.

36

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Onderzoek/ beoordeling In alle deelgebieden komen in de (directe) omgeving naast woningen ook agrarische bedrijven en niet-agrarische functies voor. Voorts liggen alle deelgebieden aan een gebiedsontsluitingsweg. Sprake is van een gebied met een matige functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 5.1). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk De twee bedrijfswoningen komen op het uit te breiden bedrijfsperceel staan. In de (directe) omgeving liggen geen agrarische bouwvlakken. Verder zijn er geen overige milieubelastende activiteiten in de directe omgeving, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen zijn. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat.

Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. 5.1.3

Geluid

5.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante weg in de directe omgeving van deelgebied 4 is de Schuwacht. Op deze weg is de maximum snelheid 60 km/h. De weg is buitenstedelijk en heeft een zonebreedte van 250 meter. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en twee nieuwe bedrijfswoningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 58 (dB) Lden. Indien de gemeten belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.

In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz B.V. te Zoetermeer (rapport van 19 oktober 2023, rapportnummer H 7408-2-RA-003, Bijlage 1). De resultaten van het onderzoek worden hieronder beschreven. Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk

Toelichting

37

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in het kader van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden ten gevolge van de Schuwacht niet wordt overschreden voor de nieuwe woningen. De maximale waarde bedraagt voor de woningen 44 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. In het kader van het Bouwbesluit zal voor deze woningen nog een onderzoek uitgevoerd worden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Bij realisatie van de bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. 5.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader Op 1 juli 2012 is regeling voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.

Onderzoek/ beoordeling De planontwikkeling ligt buiten een onderzoekzone van een spoorlijn, zodat er vanuit railverkeerslawaai geen beperkingen zijn. Conclusie Het plangebied ligt buiten gezoneerde spoorwegen. Spoorweglawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 5.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde in het bestemmingsplan voor realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone voor industrielawaai. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 5.1.2).

In de nabijheid van de deelgebied 4 (Schuwacht 150) in Lekkerkerk liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er vanuit industrielawaai geen beperkingen zijn. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

38

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

5.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013. Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen.

Onderzoek/ beoordeling In verband met onderhavige planontwikkeling zijn verkennende bodemonderzoeken overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde vooronderzoeken is de relevante bodeminformatie van de onderzoekslocaties verkregen. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt over de kans op een bodemverontreiniging. Op basis van zowel het bodemgebruik, -informatie als de – opbouw is er geen aanleiding op de onderzoekslocaties een bodemverontreiniging te verwachten. Gezien de vooronderzoeken zijn de onderzoekslocaties ‘onverdacht’ op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De resultaten worden hierna besproken. Deelgebied Schuwacht 150 en 152, Lekkerkerk Geofoxx te Gouda heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 30 april 2020, Bijlage 2). Uit de resultaten kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn in de bodem geen bodemvreemde materialen waargenomen. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond is geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in een gehalte boven de achtergrondwaarde. In het grondwater is, behoudens een verhoogde concentratie aan barium en marginale verhoging van naftaleen en xylenen ten opzichte van de streefwaarde, geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in een concentratie boven de streefwaarde.

De aangetoonde gehaltes worden gezien als verhoogde achtergrondgehaltes. Op basis van de analyseresultaten voor grond en grondwater kan de hypothese ‘onverdacht’ worden aangenomen. De resultaten komen overeen met de verwachte bodemkwaliteit in dit gebied. Daarmee is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik en zijn er vanuit de Wet Bodembescherming geen consequenties voor de geplande werkzaamheden. Conclusie De milieuhygiënische bodemkwaliteit is in voldoende mate bepaald. De onderzoekslocaties zijn geschikt voor het voorgenomen gebruik. Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot onderhavige planontwikkelingen. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

Toelichting

39

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

5.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 5.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 3 NO2 40 µg/m 200 µg/m3

PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

24-uursgemiddelde Opmerkingen n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek/ beoordeling In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald.

Ten behoeve hiervan is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties en EC-concentratie langs de Schuwacht. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Project is NIBM Het plan omvat het oprichten (vervangende nieuwbouw) van twee bedrijfswoningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

40

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Conclusie De twee te vervangen woningen vallen onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een onderzoek naar luchtkwaliteit achterwege kan blijven. In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit overigens in het plangebied aan de grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk De zuidelijk gelegen Lek is in het Basisnet water aangeduid als zwarte vaarweg. Dit betekent dat langs de Lek geen nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen zijn toegestaan binnen de waterlijn.

Bij bouwplannen in het plasbrandaandachtsgebied van 25 meter vanaf de waterlijn en binnen de uiterwaarden moet rekening worden gehouden met een plasbrandscenario vanaf het water. Als daar sprake van is moet dit in de verantwoording van het groepsrisico aan de orde komen. Ook bestaande (woon)bebouwing binnen het plasbrandaandachtsgebied moet hierbij worden betrokken. Hierbij geldt bijzondere aandacht voor bestemmingen voor verminderd zelfredzame groepen. Het deelgebied Schuwacht 150 in Lekkerkerk ligt op circa 130 m afstand van de Lek. Er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen toegevoegd, de woning wordt verplaatst. Het groepsrisico blijft gelijk. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van de het plangebied geen spoorbaan. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van de drie deelgebieden (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. Transport per buisleiding

Toelichting

41

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een gastransportleiding. Er zijn geen beperkingen voor deze ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van de deelgebieden zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 2) zijn in de directe nabijheid van de deelgebieden geen risicovolle bedrijven gevestigd. Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in de ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden.

In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring Lopiker- en Krimpenerwaard, waardoor grote aantallen inwoners en vee geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring Lopiker- en Krimpenerwaard en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak aan de kant van de IJssel. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampbestrijdingsplan '(Dreiging) dijkdoorbraak Lopiker- en Krimpenerwaard Dijkring 15' opgesteld wat de mogelijke dijkdoorbraken, algemene en ondersteunende processen, bron en effectbestrijding, geneeskundige hulpverlening, rechtsorde en verkeer en bevolkingszorg beschrijft. Overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap zal minimaal 1,3 m drooglegging voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. De bouwwijze zal hierop worden afgestemd.

Figuur 2: Uitsnede Risicokaart (deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk zwart omlijnd).

42

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

5.1.6.1 Hoogspanningsverbindingen Algemeen Op grond van het Beleidsadvies VROM uit 2005 ten aanzien van hoogspanningsleidingen, is het onwenselijk om nieuwe ontwikkelingen toe te staan waarin mogelijkerwijs kinderen langdurig verblijven (waaronder bijvoorbeeld een woonbestemming), binnen de zone rond de hoogspanningsleiding waarin het magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Het RIVM heeft naar aanleiding hiervan een kaart opgesteld met een indicatieve zone per hoogspanningsleiding waarin deze nieuwe ontwikkelingen niet gewenst zijn. Het voormalige ministerie van VROM adviseert in situaties om geen of zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen te situeren binnen de specifieke magneetveldzone. Tevens wordt geadviseerd om bij nieuwe gevoelige bestemmingen of hoogspanningslijnen te onderzoeken welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de specifieke zone te versmallen. Bij het voorgaande acht de Minister op basis van het redelijkerwijs-criterium acceptabel dat voor kleinschalige concentraties van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld apart gelegen bedrijfswoningen of boerderijen) uitzonderingen worden gemaakt. Wijzigingen aan bestaande lijnen of bestemmingsplannen, waardoor het aantal gevoelige bestemmingen in de specifieke zone niet toeneemt, zijn daarbij ook niet bezwaarlijk.

Bij brief van 4 november 2008 heeft de minister van VROM enkele in de brief van 2005 gebruikte begrippen en van de achtergronden van het advies verduidelijkt. De Minister realiseert zich dat het ook met deze verduidelijking niet altijd eenvoudig is om de afwegingen op lokaal niveau te maken. Het zal echter nodig blijven, en dit is ook de strekking van het advies, in de praktijk voorkomende situaties per geval te beoordelen. Deze beoordeling en daaraan gerelateerde besluitvorming kan alleen op lokaal niveau gedaan worden. Daarbij is het belangrijk dat deze helder en inzichtelijk gemaakt werden, Het gaat om een afweging, op basis van het redelijkheidcriterium, van de verschillende belangen, rekening houdend met de onzekerheden van de gezondheidseffecten. Hoogspanningsverbindingen TenneT Er liggen verschillende hoogspanningsverbindingen van TenneT binnen het invloedsgebied van het bestemmingsplan. Dit betekent dat voor de twee nieuwe woningen met een berekening moet worden onderbouwd dat de grenswaarde van 0,4 microtesla niet wordt overschreden. In verband hiermede heeft Energy Solution de specifieke magneetveldzone bepaald voor de nieuwe woonlocatie (rapport van 15 maart 2018, kenmerk ENSOL-RPT-2018.023, Bijlage 3). Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk Ten westen van het plangebied ligt een hoogspanningsleiding van TenneT (380 kV Krimpen - Dordrecht).

Deze strook heeft ter plaatse aan de westzijde een contour van 135/139 m en aan de oostzijde een contour van 136/162 m uit het hart van de hoogspanningsverbinding). Ten opzichte van de bestaande situatie komen de twee woningen op een grotere afstand te liggen van de hoogspanningsleiding. Gelet op het feit dat het noodzakelijk is dat de huidige eigenaren bij het bedrijf blijven wonen zijn er geen overwegende bezwaren hier twee nieuwe bedrijfswoningen toe te staan, omdat er sprake is minder straling en de woningen uitsluitend mogen worden bewoond door werknemers van het bedrijf. Het aantal gehinderde neemt om die reden in ieder geval niet toe. Om te waarborgen dat ook toekomstige eigenaren van dit beleid op de hoogte zijn, wordt in de notariële akte van de grondtransactie met de eigenaren een kettingbeding opgenomen over de aanwezige straling en het voorzorgsbeleid. Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten (bedrijfs)woningen worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. Dit is opgenomen in het huidige beleid Externe Veiligheid van de gemeente.

In verband hiermee zijn in artikel 4.3.1 en 7.4.4 specifieke gebruiksregels opgenomen dat een nieuwe (bedrijfs)woning pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning kan worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners. Conclusie

Toelichting

43

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 5.2.1 CultuurhistorischeHoofdstructuurZuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid.

Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het deelgebied Schuwacht 150 ligt aan een rivierdijk in stroomgordels en geulafzettingen van de Formatie van Echteld. De plankaart laat zien dat er in het bebouwd gedeelte een grote trefkans op archeologische sporen is op dieper dan 5 m onder maaiveld. In figuur 3 is deelgebied 4 aangeduid.

44

Toelichting

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Figuur 3: Gecombineerde Waardenkaart CHS Zuid-Holland (deelgebied 4 met rode stip aangeduid). 5.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart zijn de archeologische waarden opgenomen. In figuur 4 is een uitsnede hiervan opgenomen van deelgebied 4.

Figuur 4: Uitsnede archeologische beleidskaart. Onderzoek/ beoordeling

Toelichting

45

bestemmingsplan Uitkoopregeling hoogspanningsverbindingen

Deelgebied Schuwacht 150, Lekkerkerk De gronden direct achter het lintbebouwing heeft een trefkans met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 4', waarbij een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 1.000 m². Een archeologisch onderzoek kan achterwege worden gelaten, omdat de twee nieuwe woningen een oppervlakte krijgen van circa 300 m². Om de archeologische waarden te beschermen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Deelgebied Schuwacht 152, Lekkerkerk De te slopen woning aan de Schuwacht 152 heeft in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Hier is in principe een onderzoek nodig wanneer de sloopwerkzaamheden dieper gaan dan 30 cm onder het maaiveld en het te slopen oppervlak groter is dan 100 m². Er is géén onderzoek nodig wanneer uit vooroverleg is gebleken dat op basis van bureauonderzoek van het bevoegd gezag blijkt dat de archeologische waarden van het terrein niet onevenredig (kunnen) worden geschaad (artikel 25.3 sub e van de specifieke gebruiksregels). Archeologische verwachting Ter hoogte van de te slopen woning geeft de kadastrale minuut (1811-1832) de locatie weer van een grote boerderij. Deze woning is rond 1985 gesloopt en de funderingen zijn verwijderd. Vervolgens is hier de huidige (onderheide) woning gebouwd.

“Archeologievriendelijke sloop” Wanneer de locatie zou worden herbouwd, is het eerste uitgangspunt dat er een archeologisch onderzoek nodig is voor de ondergrondse sloop van de bestaande funderingen en het vervolgens uitgraven van de nieuwe restanten. Aangezien er geen herbouw komt maar sloop wel noodzakelijk is, kan de sloop (in archeologisch opzicht) op twee manieren uitgevoerd worden zonder dat er verdere graafwerkzaamheden nodig zijn: 1. De funderingsresten worden tot net onder het maaiveld gesloopt (tot 30 cm). 2. De funderingsresten worden, onder begeleiding van een gemeentelijke toezichthouder, gesloopt tot de bovenkant van de heipalen. Hiermee blijven de werkzaamheden strikt beperkt tot de onderkant van de bestaande funderingen. De heipalen blijven in de grond. Met de bovengenoemde sloopwijze wordt er geen grond onder de te slopen woning verder uitgegraven en kunnen eventueel nog aanwezige oudere resten onverstoord in de bodem achterblijven. Advies archeologie Voor de sloop van Schuwacht 152 te Lekkerkerk is geen archeologisch onderzoek nodig wanneer de funderingsresten onder de bovengenoemde voorwaarden worden verwijderd. Om de archeologische waarden te beschermen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen.

Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. Daar waar nog onderzoek nodig is wordt dit geborgd door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archelogie'. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient aanbeveling om de uitvoerder van toekomstig grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. 5.2.3 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De bestaande bebouwing in het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarde. De gebouwen zijn evenmin aangemerkt als gemeentelijk monument, dan wel rijksmonument.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f27e2838-119b-4d95-aafa-cf824af17353