CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL5 Bijlagen bij de regels Bijlage 4 Inrichtingsplan Krimpenerwaard

Raadsvergadering 9 januari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: ​​(B) Bestemmingsplan NNN-compensatie Kattendijk Gouderak​23.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het landschap was dooraderd met houtkaden die op de meeste plaatsen de landscheiding vormden; de verst van de boerderijen gelegen en daarmee rustigste plekken van de polder. Deze houtkaden vormden voor veel dieren een belangrijk nestel- en foerageergebied. De graslanden vormden geschikt biotoop voor weidevogels. Grote delen van de Krimpenerwaard bestonden rond 1850 uit schrale hooilanden die niet of nauwelijks bemest en beweid werden. ‘s Winters stond het water hier aan of óp het maaiveld, ‘s zomers zakte het peil tot maximaal 40 à 50 cm onder maaiveld. Door hun blauwige kleur werden

37

deze hooilanden ‘blauwgraslanden’ genoemd. Karakteristieke soorten zijn blonde zegge, blauwe zegge en Spaanse ruiter. Plaatselijk komen ook zeer soortenrijke gemeenschappen voor, met aansprekende plantensoorten zoals verschillende orchideeën, klokjesgentiaan, kievitsbloem, harlekijn, tormentil en moerasviooltje. Ze vormden het habitat van kritische weidevogels zoals kemphaan, watersnip en tureluur, maar ook van ongewervelden zoals dagvlinder- en mierensoorten die inmiddels zeer zeldzaam zijn of zelfs uit ons land verdwenen. Er is in deze periode sprake van homogene vlakten van schraallanden afgewisseld met moerasvegetaties in de tussenliggende verlande sloten. Halverwege de 20ste eeuw wordt het gebruik van het land intensiever en neemt het gebruik van dierlijke meststoffen toe. Een grotere variatie van meer voedselrijke graslanden en schralere (nattere) graslanden ontstaat. Onder invloed van de toegenomen bemesting en uitbreiding van het areaal grasland beleven de weidevogels hun hoogtepunt in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Thans zeldzame of inmiddels verdwenen soorten als grutto, veldleeuwerik, watersnip, gele kwikstaart en kemphaan waren wijdverspreid aanwezig in de Krimpenerwaard.

Samenvattend kan men stellen dat de onverveende poldergebieden van de Krimpenerwaard rond de vorige eeuwwisseling een hoge biodiversiteit bezitten; ze bestaan uit soortenrijke schraallanden dooraderd met wateren moeraslevens-gemeenschappen in de sloten en weteringen en langs de boezemwateren. In deze tijd vormden de veenpoldergebieden een rijk leefgebied voor veel dieren en planten van het laagveenmoeras. Het is deze historische biodiversiteit die wordt nagestreefd binnen de NNNgebieden van de Krimpenerwaard.

4.2 Botanische graslanden, historische en huidige natuurwaarden De hooilandgemeenschappen van de Krimpenerwaard waren vroeger (rond 1900) vergelijkbaar met de heischrale graslanden op de grens van beekdal en heide. Er konden drie verschillende typen onbemest hooiland worden onderscheiden (Scheygrond en De Vries, 1940):  Blauwgraslanden;  Drogere en rijkere hooilanden;  Boezemlanden.

Blauwgrasland Het merendeel van de Krimpenerwaard was lange tijd (vanaf de ontginning tot het begin van de 20e eeuw) bedekt met blauwgrasland. Dit schraalland is blauwgroen van kleur met vrij kort en ijl gras en is opmerkelijk

38

soortenrijk, vooral wat betreft de flora. De blauwe kleur wordt veroorzaakt door de belangrijkste soorten uit deze gemeenschap: pijpestrootje, blauwe zegge, tandjesgras en Spaanse ruiter. Met name pijpestrootje trad vrijwel overal op de voorgrond en domineerde de vegetatie regelmatig.

Hooilanden Het tweede type werd op de veenkaden, waardoor de polders onderling gescheiden zijn en op een aantal percelen in de voormalige Lekkerkerkse Boezem (tegenwoordig het Loetbos) aangetroffen. Deze terreinen waren minder schraal dan de blauwgraslanden en werden ook wel nabeweid en de hooiopbrengst was hoger. Voornaamste grassen in de kruidlaag betroffen kruipend struisgras, echte witbol, reukgras en rood zwenkgras (Husson, 1983 en 1984).

Boezemlanden Het derde type was landbouwkundig van ondergeschikte betekenis en kwam voor in de voormalige boezems van Gouderak. De begroeiing van de boezemlanden bestond voor de opheffing (in 1880 – 1881 en voor Middelblok al eerder in 1850) vooral uit riet, biezen en lisdodde (Scheygrond, 1932 in Husson 1983 en 1984). Na de opheffing van de boezemfunctie werden de kaden rondom de percelen grotendeels geslecht, waardoor het waterpeil op het veel lagere niveau van de polders kwam te liggen. De boezemlanden vielen hierdoor grotendeels droog. Veenvorming werd hierdoor versneld en er ontstonden uitgestrekte rietlanden. Door verschraling van de bodem (door jarenlang riet snijden) en verzuring van het milieu (veroorzaakt door isolement ten opzichte van het voedselrijke polderwater) kwam in een groot deel van de voormalige boezems veenmosrietland tot ontwikkeling met (op de drogere stukken) overgangen naar nat schraalland (Husson, 1983 en 1984). In de Veerstalblokboezem leidde de verzuring zelfs tot aanwezigheid van soorten die een uitgesproken voorkeur hebben voor vochtige heidevelden en hoogvenen: dopheide, struikheide, rode en blauwe bosbes en kraaiheide (Westhoff et al, 1971). Zie Bijlage E voor een verder beschrijving van de soortensamenstelling van de historische hooilanden en blauwgraslanden in de Krimpenerwaard.

Huidige botanische waarden In de huidige situatie zijn er van de eens zo grote botanische rijkdom in de Krimpenerwaard slechts nog een paar relicten over. Het gaat hierbij om enkele boezemlandjes in de Veerstalblokboezem en Gouderakse en Stolwijkse boezem en het blauwgrasland naast de eendenkooi ‘Kooilust’. Daarnaast heeft er in de loop der jaren binnen de natuurreservaten op enkele plaatsen herstel plaatsgevonden van de schralere vegetaties door

39

inrichtingsmaatregelen en verschralingsbeheer. Op basis van gegevens uit het vegetatiemeetnet van de provincie Zuid-Holland is echter vast te stellen dat over de gehele Krimpenerwaard tussen 1975 en nu de kruidenrijkdom en aantallen zeldzame soorten in grasland is achteruitgegaan (zie figuur 4.1). Binnen het reeds ingerichte deel van het NNN-gebied zijn de natuurwaarden van de vegetatie gelijk gebleven of toegenomen. De trofiegraad en verzuring is in het grootste deel van het gebied toegenomen.

Natuurwaarde grasland 45,0 40,0 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 75-81

82-90

91-96

97-00

Deelgebieden incl res. (rood)

01-04

05-08

Overig NNN

09-12

13-17

geen NNN

Figuur 4.1 Natuurwaarde graslanden. Op de X-as zijn de opname-jaren te zien op de y-as staat de natuurwaarde. De natuurwaarde is een getal dat wordt berekend op basis van de zeldzaamheid en de achter/vooruitgang van de aanwezige soorten in de vegetatieopname. Het is een logaritmische schaal; dus 3 verschil is halvering of verdubbeling (van Heerden, 2018).

Er is, in het algemeen, een verschil aan te merken tussen gebieden binnen en buiten het NNN. Ondanks het feit dat de meeste hectares binnen de NNN-begrenzing nog niet zijn omgevormd naar natuur, is de afname van soorten buiten het NNN sterker dan binnen het NNN. Vanaf de jaren ’90 is, ten behoeve van weidevogels en vegetatie, vooral binnen de NNNbegrenzing een minder intensief beheer gevoerd. Dat is terug te vinden door bijvoorbeeld een lichte toename in kropaar en vossenstaart in de graslanden. De natuurwaarde van de deelgebieden blijft echter ver achter op de natuurwaarde in de reeds ingerichte delen van de NNN in de Krimpenerwaard (in de grafiek: ‘Overig NNN’). Opvallend is dat in de Krimpenerwaard vooral de oevers relatief soortenrijk zijn en dit ook zijn gebleven door de jaren heen (zie figuur 4.2). Met name

40

het niet bemesten van de oevers (ook door invoering van mestinjectie) speelt hierbij een rol3. Kritische soorten als dotterbloem en echte koekoeksbloem zijn echter wel achteruitgegaan, waarschijnlijk heeft dat te maken met het toenemen van de trofiegraad en het maaibeheer4.

Natuurwaarde oevers 55,0 50,0 45,0 40,0 35,0 30,0 75-81 82-90 91-96 Deelgebieden incl res

97-00

01-04 05-08 Overig NNN

09-12 13-17 geen NNN

Figuur 4.2 Verloop van natuurwaarde van de oevers in de Krimpenerwaard vanaf 1975 tot nu. ‘Overig NNN’ betreft hier de reeds ingerichte gebieden van het NNN, ´deelgebieden incl res.´ betreft de gebieden die worden behandeld in dit inrichtingsplan (zie ook deel B van dit plan).

Midden jaren ’90 zijn in de Berkenwoudse driehoek enkele botanische graslandjes aangelegd door middel van het plaggen van (delen van) percelen. Dit is terug te zien in de toename van de natuurwaarde van de schraallanden binnen de ingerichte delen van het NNN. Dit geeft aan dat de inrichtingsmaatregelen in het verleden succesvol zijn geweest (zie ook Kerkhof, 2006). Ook de actuele vegetaties in kopse einden van percelen die vanaf de jaren ’90 als proef zijn geplagd door ZHL (o.a. in Veerstalblok en Oudeland) tonen de potenties van inrichtingsmaatregelen aan (zie figuur 4.4 en 4.5).

3

In 1994 is de mestinjectie verplicht gesteld waardoor de oevers makkelijker en preciezer kunnen worden ontzien. Het lijkt er op dat het invoeren van de mestinjectie (en daardoor minder mest in de oevers) een gunstig effect heeft gehad op oevervegetaties. 4 Sloot(kanten)beheer wordt steeds meer uitgevoerd met een maaikorf in plaats van een maaibalk. Specifiek voor dotterbloem lijkt het jaarlijks maaibeheer met een maaikorf ongunstig te zijn, doordat het maaisel (inclusief zaden en wortelstokken) te hoog op de kant wordt teruggezet waar een geschikte groeiplaats ontbreekt (mondelinge mededeling R. Terlouw).

41

Natuurwaarde schraalland (binnen NNN, buiten de deelgebieden)

2500 2000 1500 1000 500 0 75-81

82-90

91-96

97-00

01-04

05-08

09-12

13-17

Figuur 4.3 Het verloop van de natuurwaarden van de schraallanden binnen het NNN van de Krimpenerwaard van af 1975 tot nu. Vanaf midden jaren ’90 is een duidelijke toename van de natuurwaarden van de schraallanden te zien. Dit is waarschijnlijk te danken aan de nieuw ingerichte (afgeplagde) percelen in Berkenwoudse driehoek.

Figuur 4.4 Perceel in Berkenwoudse Driehoek door ZHL geplagd (circa 25 jaar geleden) waar nat schraalland tot ontwikkeling is gekomen. In figuur 4.5 is de vegetatie in meer detail weergegeven.

42

Figuur 4.5 Detailweergave vegetatie geplagd perceel in Berkenwoudse driehoek (zie ook figuur 4.4) met kenmerkende soorten als ronde zonnedauw, gewone waternavel en teer guichelheil.

4.3 Kleinschalige landschapselementen, historische en huidige natuurwaarden Het landschap van de Krimpenerwaard wordt mede bepaald door pest- en geriefhoutbosjes, knotbomen, veenputten, eendenkooien, polderkaden, tiendwegen en boezems. Deze en andere elementen zijn cultuurhistorisch, landschappelijk en ecologisch waardevolle elementen die bijdragen aan het karakteristieke landschap van de Krimpenerwaard. De landschapselementen hebben vooral een cultuurhistorische achtergrond: de invloed van de mens in het verleden op het landschap is er in terug te vinden. Ze zorgen daarnaast voor variatie in het open veenweidegebied en zijn van belang voor flora en fauna. Vroeger hadden landschapselementen een belangrijke gebruiksfunctie. Ze leverden bijvoorbeeld geriefhout en brandhout. Tegenwoordig hebben veel landschapselementen geen gebruiksfunctie meer. Veel (houtige) landschapselementen uit de Krimpenerwaard zijn dan ook verdwenen. Zo zijn er veel windsingels tussen de percelen verdwenen. Doordat de akkerbouw bijna geheel uit het gebied is verdwenen, was bescherming van de gewassen tegen weerselementen niet meer nodig. Op basis van oude kaarten kan worden afgeleid dat circa een derde van het aantal landschapselementen sinds het midden van de 19e eeuw is verdwenen. Er zijn sindsdien niet alleen maar elementen verdwenen, er zijn ook

43

elementen bijgekomen. Een vijfde deel van de bestaande landschapselementen in de Krimpenerwaard is ouder dan 150 jaar (Buis en Kruk, 2006).

4.4 Weidevogels, historische en huidige natuurwaarden Al sinds de ontginning bestaat de Krimpenerwaard grotendeels uit grasland (zie ook paragraaf 3.3). Deze graslanden vormden gezien de abiotische omstandigheden (hoog (grond)waterpeil, veenbodem en het extensieve agrarische gebruik) lange tijd geschikt weidevogelbiotoop en er mag vanuit worden gegaan dat er een omvangrijke weidevogelpopulatie in het gebied aanwezig is geweest. Door Buisman en Terlouw (2014) is de ontwikkeling van de weidevogelpopulatie in de Krimpenerwaard in beeld gebracht. Hoewel gebiedsbrede gegevens over een langere periode slechts beperkt aanwezig zijn, is duidelijk dat er (overeenkomstig de landelijke trend) sprake is geweest van sterke afname van aantallen weidevogels voor het merendeel van de soorten. Zo was de veldleeuwerik ooit één van de talrijkste broedvogels van de graslanden in de Krimpenerwaard en bedroeg de gemiddelde dichtheid aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw 25 – 30 paar per 100 ha in het gebied. Inmiddels is de soort vrijwel geheel uit de Krimpenerwaard verdwenen en kan deze worden gerekend tot de schaarse broedvogels (er is een afname vastgesteld van meer dan 90%). Ook de grutto, die bij uitstek afhankelijk is van de Nederlandse open graslanden als broed- en foerageergebied en dus kwetsbaar is voor veranderingen daarin, is sterk afgenomen.

Van de grutto werd eind jaren ’70 van de vorige eeuw voor de Krimpenerwaard een gemiddelde dichtheid vastgesteld van 14 paar per 100 ha, welke in goede polders kon oplopen tot meer dan 40 paar per 100 ha. In 2010 werd de populatie voor het gebied nog geschat op gemiddeld 6 paar per 100 ha, terwijl meer recente gegevens een voortgaande afname laten zien. Voor enkele weidevogelsoorten, zoals tureluur en scholekster, is aanwezige populatie in de Krimpenerwaard daarentegen stabiel te noemen of is hooguit sprake van een geringe afname. Het gaat hierbij om minder kritische soorten. Voor de polders Kattendijksblok, Middelblok en Veerstalblok zijn over langere periode broedvogelgegevens beschikbaar die de hiervoor beschreven ontwikkeling als referentie goed in beeld brengen. In figuur 4.6 t/m figuur 4.8 is voor enkele typische weidevogelsoorten het aantalsverloop in deze gebieden vanaf 1985 weergegeven.

44

60 grutto

50 40

kievit 30 20

slobeend veldleeuwerik

10

2015

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1987

1986

tureluur 1985

0 -10

Figuur 4.6 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Kattendijksblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle jaren en getelde soorten zijn weergegeven. 35 30

grutto kievit

25

slobeend

20 15

veldleeuwerik

10 5 0

tureluur 1985

1990

1994

1995

2000

2004

2005

2009*]

2010

2015

-5 Figuur 4.7 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Middelblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle getelde soorten zijn weergegeven.

45

60 kievit 50

40 slobeend 30 grutto 20 veldleeuwerik 10

0

tureluur 1985

1990

1994

1995

1996

1997

2000

2003

2006

2009

2012

2015

Figuur 4.8 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Veerstalblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle getelde soorten zijn weergegeven.

Huidige natuurwaarden van de weidevogelgebieden De Krimpenerwaard staat binnen de provincie Zuid-Holland (nog) te boek als een goed weidevogelgebied (Buisman en Terlouw, 2014, Groen, 2015). Uit recente telgegevens (2015 – 2017) blijkt dat er nog steeds relatief hoge dichtheden aan weidevogels voorkomen in de verschillende polders. In figuur 4.9 wordt de potentiële kwaliteit van het NNN-gebied in de Krimpenerwaard voor weidevogels weergegeven in de huidige situatie. De ligging van de weidevogelkernen in de Krimpenerwaard wordt vooral bepaald door de hoogteligging van de percelen (bepalend voor de mate van drooglegging en daarmee bereikbaarheid van bodemleven), kruidenrijkdom van de grasvegetatie en mate van intensiviteit van het agrarisch beheer (vooral percelen met extensief beheer of specifiek weidevogelbeheer genieten de voorkeur). Daarnaast speelt openheid en mate van verstoring (met name afkomstig van wegen, bebouwingslinten en hoogspanningsleidingen) een rol.

46

Figuur 4.9 De potentiële kwaliteit van het NNN-gebied voor weidevogels op basis van openheid van het gebied, bodemvochtigheid, verstoring en zwaarte van het gewas. Rood=zeer lage potentie, geel = lage potentie, licht groen= redelijke potentie, donkergroen= goede potentie (kennissysteem Beheer op Maat, WUR, Visser & Melman, 2018).

Over het geheel van de Krimpenerwaard genomen komen in de huidige situatie in de natuurreservaten gemiddeld de hoogste dichtheden aan weidevogels voor. Agrarische gebieden met weidevogelbeheer (beheercontracten) nemen een tussenpositie in, terwijl in agrarische gebieden zonder weidevogelbeheer de laagste dichtheden aan weidevogels worden waargenomen (o.b.v. telgegevens broedvogelmonitoring R. Terlouw en ZHL, 2015 - 2017 en Groen, 2015). Polder Kromme, Geer en Zijde (bij Oudenkerk aan Den IJssel) en Polder Vlist-Westzijde (nabij Stolwijk) vormen binnen de Krimpenerwaard in de huidige situatie de beste weidevogelgebieden. Beide polders zijn in agrarisch gebruik, maar op veel percelen vindt weidevogelbeheer (agrarisch natuurbeheer) plaats. In figuur 4.10 is een overzicht gegeven van de huidige weidevogelkernen binnen de betrokken deelgebieden. De weidevogelkernen zijn weergegeven door middel van een dichtheidskaart (ofwel een heatmap) die weergeeft in welke gebiedsdelen de territoriumdichtheid het hoogst is. Uit tabel 4.1 blijkt dat in alle deelgebieden nog substantiële aantallen territoria aanwezig. Met name deelgebied De Hoek herbergt een omvangrijke weidevogelpopulatie. Kattendijksblok en Kadijk-West maken daarnaast onderdeel uit van een grotere weidevogelkern die ook de aangrenzende agrarische polder(s) omvat.

47

Figuur 4.10 Heatmap van alle territoria van weidevogels in 2015 in de betrokken deelgebieden Krimpenerwaard. Hoe donkerder paars, hoe groter de concentratie territoria op deelgebiedniveau: per deelgebied is gekeken waar, binnen dat gebied, de grootste dichtheid weidevogels zit. De dichtheden zoals in deze figuur weergegeven, zeggen niets over het aantal weidevogels in het deelgebied of het relatieve belang van het gebied binnen de Krimpenerwaard. Territoria in aangrenzende gebieden zijn niet altijd volledig weergegeven of ontbreken.

48

Veerstalblok (2015)

Den Hoek (2016)

Middelblok (2015)

Kattendijksblok (2015)

Oudeland (2015)

Kadijk-West (2016)

Soort Bergeend Gele kwikstaart Graspieper Grutto Kievit Kleine plevier Kluut Krakeend Kuifeend Scholekster Slobeend Smient Steltkluut Tureluur Veldleeuwerik Watersnip Zomertaling

Bilwijk (2017)

Tabel 4.1 Aantallen weidevogels binnen de verschillende deelgebieden. Niet alle deelgebieden worden in dezelfde jaren gemonitord, er is in dit tabel per deelgebied uitgegaan van de laatste broedvogelmonitoring. Tussen haakjes is het jaar waarin deze heeft plaatsgevonden vermeld.

3 0 10 25 19 0 0 17 5 11 11 0 0 7 0 0 1

1 0 5 30 27 2 0 13 1 12 16 0 0 8 1 1 5

8 4 15 65 56 3 1 30 3 13 31 1 1 26 16 2 4

1 0 2 15 20 0 0 7 9 5 13 0 0 9 0 0 5

2 0 5 24 17 0 0 8 3 12 13 0 0 7 1 1 4

0 0 0 25 22 0 0 9 3 7 10 0 0 10 0 0 0

1 1 8 28 10 0 0 16 0 6 15 0 0 9 8 0 3

De zwarte stern is geen uitgesproken weidevogel, maar wordt beschouwd als een karakteristieke soort van het waterrijke veenweidelandschap van de Krimpenerwaard. De soort is afhankelijk van sloten met helder water en waterplanten, gevarieerde oevers en structuur- en soortenrijke kruidenvegetaties. Door het gebrek aan nestgelegenheid (drijvende waterplanten) in voedselrijke wateren, met name door het grotendeels verdwijnen van krabbenscheer, is de soort afhankelijk van nestvlotjes als broedlocatie. In figuur 4.11 is een overzicht gegeven van de locaties waar in 2017 nestvlotjes zijn uitgelegd in de Krimpenerwaard en het aantal broedparen op deze locatie. In figuur 4.12 is een overzicht gegeven van het aantal broedparen in de periode 2007 – 2017.

49

Figuur 4.11 Aantal vlotjes en broedparen van de zwarte sten in de Krimpenerwaard in 2017. Zwarte cirkels geven aan hoeveel nestvlotjes er laten en de groene stippen het aantal broedparen. De symbolen zijn op km-hok niveau gecentreerd en geven dus niet de exacte locatie weer (Van der Winden, 2017).

Figuur 4.12 Aantal broedparen zwarte stern in de Krimpenerwaard in terreinen van ZHL en de rest van het gebied in de periode 2007 – 2017. Max = marge van paren die voor de simultaantelling weer vertrokken waren (Van der Winden, 2017).

50

4.5 Waternatuur, historische en huidige natuurwaarden Concrete gegevens over hoe de waternatuur er in het verleden precies uit zag zijn niet beschikbaar. Op basis van het landgebruik en het slootonderhoud wordt verwacht dat – net als voor de natuurwaarden op het land – er een duidelijke ruimtelijke gradiënt aanwezig was van (relatief) voedselrijke omstandigheden nabij de erven naar voedselarme omstandigheden verder van de boerderij af. Dit zal als gevolg hebben gehad dat nabij de erven kroos en draadalgen meer voorkwamen en dat dit meer landinwaarts overging in een uniforme begroeiing met soorten als smalle waterpest en grof hoornblad en vervolgens naar een gevarieerde begroeiing met diverse soorten fonteinkruiden, waterranonkel en kranswieren. Door het extensieve onderhoud zal er een meer geleidelijke overgang geweest zijn van land- naar oever- en waterbegroeiing en zal er in ruimte en tijd vaker verlandingsvegetatie aanwezig geweest zijn met krabbenscheervelden en drijfbladplanten zoals gele plomp. Deze variatie in plantenbegroeiing zal daarbij gezorgd hebben voor een gevarieerde macrofauna en visgemeenschap. De natuurwaarde van de begroeiing met waterplanten is in de huidige situatie in veel watergangen laag.

Dit komt doordat de watervegetatie nagenoeg geheel ontbreekt, de waterlaag gedomineerd wordt door draadalgen en kroos of dat de soortenrijkdom van de waterplanten laag is (zie figuur 4.13). Waardevolle vegetaties met meerdere soorten waterplanten of veel krabbenscheer komen nog wel voor, maar dan slechts in een paar procent van alle wateren. Ook de natuurwaarde van de natte oevervegetatie (helofytenzone) is vaak beperkt Dit komt onder andere doordat de zone erg smal is en daardoor weinig toegevoegde waarde heeft voor de ecologie van het watersysteem en/of omdat eutrofe soorten zoals liesgras domineren. Dotterbloemen zijn lokaal nog aanwezig, maar zijn achteruitgegaan. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het toenemen van de trofiegraad en het maaibeheer (zie ook paragraaf 4.2). Vanuit de droge oevers groeien er wel allerlei moerassoorten het water in, waaronder diverse soorten van vochtig hooiland. De beoordeling van de water- en oevervegetatie conform de landelijk KRW maatlatten is daarom ook vaak slecht of ontoereikend.

51

Figuur 4.13 Aandeel van diverse typen waterplantbegroeiing binnen de Krimpenerwaard (op basis van meetgegevens HHSK).

Figuur 4.14 KRW-beoordeling van water- en oevervegetatie op basis van de landelijke meetlat van gebufferde veensloten of van een veenkanaal (bron: HHSK).

Er lijkt vooralsnog geen duidelijk ruimtelijk patroon aanwezig in de kwaliteit van de watervegetatie binnen de Krimpenerwaard, behalve wat betreft het voorkomen van krabbenscheer. Op basis van oude verspreidingskaarten van HHSK (vanaf 1991) kan worden geconcludeerd dat de soort in delen van het gebied (o.a. Middelblok) sterk is afgenomen. De soort wordt echter nog in de noordwesthoek van de Krimpenerwaard gevonden. De reden waarom de soort zich hier (nog) heeft kunnen handhaven is niet geheel duidelijk, maar heeft mogelijk te maken met

52

minder invloed van inlaat van rivierwater en/of met een lagere sulfaatbelasting vanuit de aanliggende veengronden. De beschikbare informatie over de huidige kwaliteit van de kleine waterdieren (macrofauna) en vissen is beperkt tot de zogenaamde KRWwaterlichamen. Dat zijn in de huidige situatie deels de afvoerwatergangen richting de gemalen, maar betreft ook een groot gebied met poldersloten rond Berkenwoude. Het vermoeden is daarom dat de toestand in de waterlichamen wel redelijk overeenkomt met die van de watergangen elders in de Krimpenerwaard, ook omdat er geen duidelijke ruimtelijke verschillen in de vegetatie bestaat. De KRW-beoordeling voor de kleine waterdieren is meestal ‘matig’ en voor vis meestal ‘goed’ (zie figuur 4.14).

Figuur 4.15 Indicatieve verspreiding van krabbenscheer in de Krimpenerwaard (bron: meetgegevens HHSK).

53

5 Natuurdoelen en -beheertypen In dit hoofdstuk wordt het in het vorig hoofdstuk geschetste streefbeeld vertaald naar concrete natuurdoelen en vertaald naar ‘beleidstaal’ zoals Natuurbeheertypen en Kaderrichtlijn Water-typen. De provincie Zuid-Holland heeft in de Krimpenerwaard een natuuropgave van 2.250 ha in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gaat om het herstellen van grote zelfstandig functionerende leefgebieden voor weidevogels en karakteristieke flora en fauna die van oudsher thuis hoorden in het veenweidegebied. De leefgebieden vormen een robuuste ecologische structuur doordat ze verbonden zijn met elkaar. De aanleg van deze leefgebieden wordt gecombineerd met een bijpassend robuust en duurzaam watersysteem in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het tegengaan van bodemdaling (zie paragraaf 1.3). De natuurlijke en landschappelijke situatie aan het begin van de vorige eeuw vormt het referentiebeeld. Dit is een veenweidegebied waarin door eeuwenlang extensief agrarisch beheer de verscheidenheid van natuurlijke processen en omstandigheden van het laagveengebied heeft vergroot (zie paragraaf 3.3).

5.1

Natuurdoelen

Natuurdoelen op landschapsniveau De natuurontwikkeling in de Krimpenerwaard is onderdeel van een gebiedsproces waarin (natuur)doelen zijn gesteld die op landschapsniveau een bepaalde ruimtelijke samenhang vereisen. Voor de NNN in de Krimpenerwaard is in de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard (2014) en het Natuurbeheerplan van de Provincie Zuid-Holland (2018) een bepaalde verhouding in natuurtypen ten doel gesteld. Deze verhouding is grofweg in te delen in:  50% weidevogelnatuur;  35% botanische natuur;  15% kleinschalige landschapselementen. Waternatuur komt binnen alle natuurtypen voor in de vorm van sloten, vaarten, plassen en poelen. Van belang is bij de lokalisatie van de verschillende natuurtypen de beste potenties te benutten, maar ook de ecologische verbinding voor soorten in het oog te houden. Veel soorten van vochtige en natte graslanden, zowel flora als fauna, zijn namelijk slechte verspreiders. Uiteindelijk dient er een natuurlint te ontstaan die kan dienen als leefgebied en voor (genetische) uitwisseling.

54

Hoewel de procentuele onderverdeling van de natuurtypen de indruk wekt dat ze strikt gescheiden zijn, vindt er op landschapsniveau overlap plaatst tussen de typen. Zo profiteren weidevogels van botanische graslanden en komen er in de oude beboste blokboezems vaak ook botanische graslanden voor. De onderverdeling tussen de natuurtypen is dan ook een theoretische onderverdeling. In praktijk overlappen en versterken de verschillende natuurtypen elkaar. Bij plaatsing van de natuurtypen in het landschap, proberen we de historische en ecologische context te volgen. Hierna volgt een toelichting van de verschillende natuurtypen die ten doen zijn gesteld, evenals de waterdoelen en beoogde verbindingsfunctie van het NNN in de Krimpenerwaard.

Weidevogelnatuur De gewenste weidevogelnatuur in de Krimpenerwaard bestaat uit grootschalige, open gebieden waar graslanden worden beheerd ten behoeve van grote aantallen weidevogels. Weidevogelgrasland omvat een mix van droge en vochtige graslanden, met beperkt ook wat natte graslanden. Het betreft hier zowel kruidenrijke, licht voedselrijke graslanden als meer productieve en soortenarmere voedselrijke graslanden. Het grasland bestaat uit ijler gras met veel bloemen en insecten. Jonge weidevogels kunnen gemakkelijk schuilen en foerageren in deze graslanden en de grond is vaak wat natter zodat de volwassen weidevogels o.a. makkelijk wormen kunnen vangen. De eisen die de weidevogels stellen, maakt dat vogelgraslanden niet (meer) passen in het reguliere agrarisch bedrijf. Bij de inrichting en het beheer van weidevogelnatuur staat het voeren van een mozaïekbeheer centraal. De diverse onderdelen van het mozaïek zijn verschillend qua beheer, de opbrengst en inpasbaarheid in de agrarische bedrijfsvoering wat kansen biedt voor combinaties met andere functies. Weidevogelnatuur op gebiedsniveau bevat in ieder geval de volgende natuurbeheertypen: vochtig weidevogelgrasland (N13.01), kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en vochtig hooiland (N10.02).

Botanische natuur De gewenste botanische natuur in de Krimpenerwaard bestaat uit verschillende graslandtypen op voedselarme tot matig voedselrijke grond en omvat zowel kruidenrijk hooi- en weiland als vochtige schraalgraslanden. Deze graslanden hebben bijna altijd een verleden als boerengrasland. Van oudsher kwamen schrale soortenrijke graslanden veel voor in de Krimpenerwaard (zie paragraaf 4.2). Het overgrote deel van de

55

vroegere vochtige schraalgraslanden heeft de intensivering van de landbouw niet overleefd en is hedendaags beperkt tot reservaten. Botanische natuur op gebiedsniveau bevat in elk geval de volgende natuurbeheertypen: veenmosrietland en moerasheide (N06.01), nat schraalland (N10.01), vochtig hooiland (N10.02), en kruiden- en faunarijk grasland (N12.02).

Kleinschalige landschapselementen Van oudsher komen in de Krimpenerwaard natuurwaarden voor die aansluiten bij de cultuurhistorie en het agrarisch gebruik zoals dat tot minstens een halve eeuw geleden werd uitgeoefend. Karakteristieke, cultuurhistorische elementen zoals eendenkooien, pestbosjes, blokboezems en veenputten zijn het behouden en verbinden waard. Veel bijzondere soorten, zoals de groene glazenmaker, waterspitsmuis en ringslang, vinden hier hun biotoop. Sinds het midden van de 19e eeuw zijn veel landschapselementen uit de Krimpenerwaard verdwenen en is de samenhang tussen deze elementen achteruitgegaan. Door meer samenhang en verbinding te creëren tussen deze gebieden kunnen deze soorten terugkeren. Het gaat bij de kleinschalige landschapselementen dus om behoud en herstel, maar ook om het verbeteren van samenhang met de rest van het landschap. Tot de kleinschalige landschapselementen binnen de Krimpenerwaard behoren in ieder geval de volgende natuurbeheer- en landschapstypen: eendenkooi (N17.04), moeras (N05.01), gemaaid rietland (N05.02), vochtig hakhout en middenbos (N17.01), trilveen (N06.02), hoog- en laagveenbos (N14.02), ruigteveld (N12.06), natuurvriendelijke oever (L01.15), houtwal en houtsingel (L01.02) en poel en klein historisch water (L01.01). Dit zijn meestal landschapselementen die reeds aanwezig zijn in het landschap.

Waternatuur Belangrijkste wateren in de Krimpenerwaard zijn de sloten. De natuur van de sloten en vaarten in de Krimpenerwaard is van groot belang voor de karakteristieke natuur. Doel is in deze sloten waterplanten en dieren terug te brengen die van oudsher thuishoren in de Krimpenerwaard. De oevers bieden kansen voor flora en fauna die gebonden zijn aan vochtige en natte omstandigheden, zoals waterspitsmuis en slobeend. Door weinig bemesting via het land en de beperkte drooglegging (waardoor weinig voedingsstoffen via oxidatie beschikbaar komen) kan het water binnen de hydrologisch geïsoleerde natuurgebieden een goede waterkwaliteit krijgen. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor ontwikkeling van soortenrijke watervegetaties

56

met ander andere krabbenscheer, waterlelie en fonteinkruiden. Waterplanten nemen het voedsel uit het water op, waardoor algen geen kans krijgen om te groeien. De watervegetaties zorgen er zodoende voor dat het water helder blijft. Ook biedt het ruimte aan kenmerkende fauna zoals de kleine modderkruiper, bittervoorn, groene glazenmaker en zwarte stern en draagt zo bij aan de ecologische verbinding door het gebied. Eén van de kenmerkende planten die in de veensloten thuishoort is de krabbenscheer. Deze plant is uitermate belangrijk voor onder andere gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en zwarte stern. Ook voor vissen is het belangrijk dat er veel waterplanten zijn. Zo kunnen jonge visjes schuilen voor bijvoorbeeld snoeken. In de waterplanten zitten ook veel (onderwater)insecten die weer het voedsel vormen voor veel vissen. Waternatuur in de Krimpenerwaard omvat de KRW-watertypen gebufferde laagveensloot (M8) en laagveen vaart (M10) en de natuurbeheer- en landschapstypen zoete plas (N04.02), moeras (N05.01), poel en klein historisch water (L01.01) en natuurvriendelijke oever (L01.15). Deze water/doeltypen zijn in de praktijk slechts beperkt geschikt om de ruimtelijke gewenste differentiatie in de vele kilometers sloten en oevers mee vast te leggen.

Voor dit inrichtingsplan en het nog geplande beheerplan is met oog op deze differentiatie speciaal een aantal “slootbeheertypen” omschreven gekoppeld aan de belangrijkste stuurvariabelen: de voedselrijkdom, de dimensies en het onderhoud. Hieronder worden de sloottypen omschreven. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Kroos en of draadalgen (geen doeltype); Diepe, weinig begroeide sloot; Uniform submers (waterpest); Gevarieerd submers (kranswieren en fonteinkruiden); Krabbenscheerveld (e.e.a drijvende vegetatie zoals gele plomp); Verlanding met helofyten.

1. Kroos en of draadalgen Geen doeltype maar kan voorkomen op puntlocaties met hoge voedselrijkdom (bv rondom erven).

57

Figuur 5.1 Sloot met draadalgen.

2. Diepe, weinig begroeide sloot Sloten die niet of nauwelijks begroeid zijn met planten die relatief breed en diep zijn. Vaak hoofdwatergangen of sloten met een belangrijke doorvoerfunctie. Kunnen een belangrijke functie hebben voor de overleving van vis bij warm of koud weer. Streven is behoud van voldoende diepte. Enige begroeiing is geen probleem. Dit type heeft vooral nut in polderdelen waar een diepe hoofdwatergang van meer dan 750 meter ligt.

58

Figuur 5.2 Diepe en weinig begroeide sloot.

3. Uniform submers (waterpest) Sloten met ondergedoken waterplanten zoals hoornblad of waterpest die in een lage soortendiversiteit de hele waterkolom vullen. Dit type is vooral te vinden in relatief smalle en ondiepe sloten en watergangen met een voedselrijke bodem nabij landbouwpercelen. Door nalevering vanaf de percelen door bemesting is het oppervlaktewater en de waterbodem (baggerlaag) eutroof. Door restricties aan het mestgebruik en goed slootbeheer kan een relatief gevarieerde sloot ontstaan met onder andere soorten uit de krabbenscheer associatie (5Bb1) zoals gele plomp, krabbenscheer, kikkerbeet, veenwortel, waterlelie en glanzend fonteinkruid en de associatie van gewoon kransblad (4Bb1) met veelwortelig kroos en gewoon kransblad.

59

Figuur 5.3 Uniforme submerse vegetatie.

4. Gevarieerd submers (kranswieren en fonteinkruiden) Het meest gevarieerde sloottype met zuurstofrijk water en een variatie van ondergedoken en drijfbladplanten. Vooral te vinden in de wat bredere en diepere sloten nabij voedselarme (vaak geplagde) percelen. In de waterkolom komen minstens 5 verschillende soorten emerse en submerse vegetatie voor. De volgende plantassociaties zijn kenmerkend voor deze sloten:  Associatie van gewoon kransblad;  Associatie van krabbenscheer;  Associatie van groot blaasjeskruid;  Associatie van waterviolier en kransvederkruid;  Associatie van pijlkruid en egelskop.

60

Figuur 5.4 Voorbeeld gevarieerd submerse vegetatie.

5. Krabbenscheerveld (e.e.a. drijvende vegetatie zoals gele plomp) Sloten met krabbenscheervelden die daardoor ook geschikt zijn voor groene glazenmaker en voor broedende zwarte sterns. Het type komt vaak voor in aaneengesloten velden achterin het watersysteem en lijkt gevoelig voor gebiedsvreemd water. Het is te vinden in allerlei ondiepe, stilstaande wateren met een voedselrijke bodem, in de Krimpenerwaard voornamelijk in sloten en vaarten. Het water is van nature rijk aan minerale voedingsstoffen door chemische uitwisseling met de bodem. Krabbenscheervegetaties zijn gevoelig voor interne eutrofiering (fosfaatmobilisatie en versnelde afbraak van organisch materiaal) en de aanvoer van sulfaatrijk water (leidend tot ijzertekort, sulfide- en ammoniumtoxiciteit en toename van kroosdekken en flab). Het type kent een 60 -70% bedekking van het wateroppervlak met krabbenscheer met aanvullend ook soorten als kikkerbeet, puntkroos, eendenkroos, gele plomp en grof hoornblad. Het sloottype komt over het algemeen niet gebiedsdekkend voor (zoals type 2 en 3) maar kan wel afzonderlijke watergangen geheel bedekken.

61

Figuur 5.5 Krabbenscheerveld in de Krimpenerwaard.

6. Verlanding met helofyten Sloten waarin langere tijd geen onderhoud is gedaan, waardoor er een dichte begroeiing van oever- en drijfbladplanten ontstaat. Dergelijke sloten zijn waardevol voor libellen en voor specifieke vissoorten zoals modderkruipers. Verlanding kan plaatsvinden door ingroeien van oevers (vaak met helofyten als riet en lisdodde) maar ook met drijfplantvegetaties als krabbenscheer. Verlanding in voedselarme sloten gaat langzamer maar kent wel een hogere biodiversiteit en vaak een hoger zuurstof verzadiging van de waterkolom waardoor vissen en macrofauna beter kunnen overleven. Deze sloten vormen, samen met de krabbenscheervelden, een belangrijk onderdeel van de ecologische verbinding.

62

Figuur 5.6 Verlanding met helofyten.

Ecologische verbinding Binnen en tussen de deelgebieden is een ecologische verbinding beoogd die geschikt is als leefgebied en als migratieroute voor verschillende van oudsher voorkomende soorten van het veenweidelandschap binnen de Krimpenerwaard en/of omgeving. In tabel 5.1 is een overzicht gegeven van de karakteristieke versnipperingsgevoelige soorten die doelsoort zijn voor de ecologische verbinding. Het gaat hierbij om van oudsher voorkomende soorten zoals kamsalamander, groene glazenmaker, waterspitsmuis, ringslang en een aantal matig verspreidende plantensoorten. Deze soorten profiteren van een aaneengesloten lint van geschikte leefgebieden. Hierbij spelen soortenrijke graslanden en water een heel belangrijke rol. De verbinding bestaat vooral uit verschillende typen soortenrijke botanische graslanden, doorsneden door sloten. Het zijn over het algemeen de wat nattere, voedselarme bloemrijke graslanden, dotterbloemhooilanden en natte schraallanden. De populaties van de doelsoorten staan in meer of mindere mate onder druk. Dat hangt deels samen met het ontbreken van geschikt leefgebied en deels met het ontbreken van voldoende leefgebied en verbindingen daartussen.

De doelsoorten zijn, met uitzondering van de Noordse woelmuis en aardbeivlinder, karakteristiek voor de Krimpenerwaard, omdat hun natuurlijk habitat er voorkomt en populaties van deze soorten (soms tot voor kort) aanwezig zijn. Voor zover bekend is de kamsalamander inmiddels niet meer aanwezig binnen de Krimpenerwaard (Nationale

63

Databank Flora en Fauna (NDFF) en waarnemingen ZHL en R. Terlouw/Ecologisch adviesbureau Bui-tegewoon). De aanwezige ringslangpopulatie is daarnaast vermoedelijk een (in de jaren 30 van de vorige eeuw) uitgezette, maar zichzelf handhavende populatie (De Wijer et al., 2009 in Creemers & Van Delft, 2009). Al voor het begin van de jaartelling tot in de middeleeuwen moet de ringslang van nature echter in Zuid-Holland zijn geweest, getuige subfossiele vondsten bij opgravingen in het rivierengebied waaronder bij Gouda (Wijngaarden-Bakker & Troostheide, 2003). Door meer samenhang en verbinding te creëren tussen gebieden kunnen de doelsoorten terugkeren. In zijn totaliteit vormt het NNN-gebied van de Krimpenerwaard een waardevolle schakel binnen het geheel van belangrijke veenweidegebieden van de provincies Noord-Holland, ZuidHolland en Utrecht die met elkaar verbonden worden. Tabel 5.1 Doelsoorten van de ecologische verbinding binnen de Krimpenerwaard. Slechte en matige verspreidende soorten in de Krimpenerwaard (enige honderden meters tot max. 5 km)

Bittervoorn Vetje Kleine modderkruiper Kamsalamander Groene glazenmaker Ringslang Rugstreeppad Dwergmuis Waterspitsmuis Slecht en matig verspreidende plantensoorten, bijvoorbeeld zeggesoorten, orchideeën, klokjesgentiaan e.d. Versnipperingsgevoelige soorten waarvoor de Krimpenerwaard een rol kan spelen: Noordse woelmuis (komt voor in Nieuwkoop) Bever (komt vooral voor in de omgeving, maar inmiddels ook in de Krimpenerwaard) Aardbeivlinder (komt voor in Nieuwkoop)

5.2

Natuurbeheertypen

In de vorige paragraaf zijn de natuurtypen en KRW-watertypen beschreven die ten doel zijn gesteld voor het NNN in de Krimpenerwaard. In deze paragraaf wordt een omschrijving gegeven van de verschillende natuurbeheertypen (conform de Index Natuur en Landschap) die tot deze

64

natuurtypen worden gerekend (zie Bijlage B voor een nadere afbakening en toelichting van de abiotische kenmerken) en worden nagestreefd. Het gaat hierbij om de volgende natuurbeheertypen en KRW watertypen:  N04.02 Zoete plas;  N05.01 Moeras;  N05.02 Gemaaid rietland;  N06.01 Veenmosrietland en moerasheide;  N10.01 Nat schraalland;  N10.02 Vochtig hooiland;  N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland;  N12.06 Ruigteveld;  N13.01 Vochtig weidevogelgrasland;  N14.02 Hoog- en laagveenbos;  N17.04 Eendenkooi;  M8: Gebufferde laagveensloten;  M10: Laagveen vaarten en kanalen. Los van bovenstaande natuurbeheertypen kunnen er in de huidige situatie over kleine arealen ook andere typen voorkomen, zoals N14.04 haagbeuken- en essenbos (klein areaal in Middelblok) en N17.06 Vochtig en hellinghakhout (klein areaal in Oudeland). Deze natuurbeheertypen vormen echter geen doelstelling van dit inrichtingsplan en worden niet verder beschouwd.

65

6 Inrichtingsprincipes en uitgangspunten 6.1

Weidevogelnatuur: inrichting en beheer

Conform het Natuurbeheerplan 2018 (Provincie Zuid-Holland, 2017) dient circa 50% van het NNN in de Krimpenerwaard uit weidevogelnatuur te bestaan. In het inrichtingsplan wordt de kern van deze weidevogelnatuur gevormd door het natuurbeheertype vochtig weidevogelgrasland (N13.01). Botanische graslanden (vochtige schraalgraslanden en kruiden- en faunarijk grasland) zorgen voor extra variatie en aanbod van kruidenrijke stukken en zijn daarmee (in samenhang) ook van belang voor weidevogels.

6.1.1 Sturende factoren voor een goed weidevogelgebied Een goed weidevogelgebied wordt bepaald door de factoren 1. grootte; 2. openheid (en rust); 3. predatie; 4. vochttoestand; 5. bodemleven en 6. mozaïekbeheer. Hierna wordt nader ingegaan op deze sturende factoren en hoe hiermee rekening is gehouden in het inrichtingsplan. Daarna wordt specifiek ingegaan op de inrichting van vestigingsbiotoop en kuikenbiotoop, deze kunnen worden gevormd door een combinatie van inrichtings- en beheermaatregelen. 1. Grootte van het weidevogelgebied Voor een levensvatbare populatie van verschillende soorten weidevogels is een gebied van enkele honderden ha aaneengesloten grasland nodig dat redelijk tot goed voldoet aan de hierna beschreven factoren. In de huidige situatie bestaat de Krimpenerwaard grotendeels uit grasland. Op een groot deel van de percelen van ZHL vindt reeds weidevogelbeheer plaats. Het merendeel van de weidevogels is in de huidige situatie gebonden aan percelen waar extensief agrarisch beheer of weidevogelbeheer plaatsvindt. Het inrichtingsplan heeft als doelstelling om 2.250 ha NNN te realiseren. Hiervan komt het merendeel (circa 85%) uit graslanden te bestaan (weidevogelgrasland en botanisch grasland) die kunnen dienen als leefgebied voor weidevogels (zie ook paragraaf 5.1). Hiermee wordt ruimschoots aan dit uitgangspunt voldaan.

Per deelgebied met een weidevogeldoelstelling (alle deelgebieden behalve Oudeland) is tenminste één weidevogelkern aangewezen. Een

66

weidevogelkern wordt gevormd door een groot blok van percelen met het beheertype vochtig weidevogelgrasland (N13.01) waar mozaïekbeheer wordt toegepast (zie ook hierna bij punt 6). Dit blok met percelen heeft een omvang van tenminste 50 - 100 ha, aangevuld met botanische graslanden. Deze botanische graslanden zijn eveneens van belang voor weidevogels, met name als kuikenland. In figuur 6.1 is als voorbeeld het beoogde kerngebied voor weidevogels in deelgebied Bilwijk globaal weergegeven.

Figuur 6.1 Beoogde weidevogelkern binnen deelgebied Bilwijk (rood omcirkeld). Het kerngebied wordt gevormd door een groot blok (50 – 100 ha) van percelen met N13.01, aangevuld met botanische graslanden (vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland).

Op (deel)gebiedsniveau vormt het opzetten van het peil de voornaamste inrichtingsmaatregel om het gebied geschikter te maken voor weidevogels. Daarnaast voorzien inrichtingsmaatregelen op perceelsniveau in voldoende vestigings- en kuikenbiotoop, vooral wanneer een peilopzet op gebiedsniveau niet mogelijk is (zie ook hierna). Het beoogde kerngebied ligt zoveel mogelijk binnen de gebieden waar een peilverhoging plaatsvindt en/of ter hoogte van bestaande weidevogelpopulaties. Een hogere grondwaterstand dan in regulier agrarisch grasland is namelijk een belangrijke voorwaarde voor het natuurbeheertype vochtig weidevogelgrasland, alsook voor de botanische graslanden (zie ook hierna bij punt 4). Voor zover dit niet mogelijk is

67

kunnen inrichtingsmaatregelen in de percelen (aanleg van o.a. greppels, natuurvriendelijke oevers e.d.) alsnog te voorzien in de juiste vochtige omstandigheden die benodigd zijn voor weidevogels (met name ten behoeve van kuikenland). In de huidige situatie zijn de weidevogels vooral gebonden aan de lager gelegen, kruidenrijke percelen met een extensief agrarisch beheer of weidevogelbeheer. Hieruit blijkt temeer het belang van de juiste omstandigheden. 2. Openheid (en rust) Bekend is dat weidevogels bebouwing, wegen, opgaande beplanting en ook hoogspanningsleidingen vermijden. Uit literatuur zijn verstoringsafstanden tot enkele honderden meters bekend. In de Krimpenerwaard zijn in de huidige situatie verschillende elementen aanwezig die tot verstoring leiden van aanwezige weidevogels (zie figuur 6.2 voor een voorbeeld hiervan).

Figuur 6.2 Verstoringscontour (aangehouden is een gemiddelde verstoringsafstand van 150 meter op basis van Krijgsveld et al., 2008) rondom een vrij recent aangeplant bosje in deelgebied Den Hoek en de ligging van broedvogelterritoria. Duidelijk te zien is dat er binnen de verstoringscontour vrijwel geen broedterritoria aanwezig zijn, terwijl het beheer van de graslandpercelen binnen deze contour niet (wezenlijk) verschilt met daarbuiten.

In de afgelopen decennia zijn een groot aantal (groene) landschapselementen en structuren uit de Krimpenerwaard verdwenen (zie ook paragraaf 4.3). Aan de andere kant worden de wegen intensiever gebruik, zijn er hoogspanningsleidingen aangelegd en is de kwetsbaarheid van de weidevogelpopulaties vergroot door een toename van predatoren en afname van de weidevogels zelf, waardoor deze zich minder goed

68

kunnen verdedigen. Voldoende landschappelijke openheid in het inrichtingsplan en dan in het bijzonder de centrale delen is dan ook nodig. In het inrichtingsplan is bij de ligging van de kern van het weidevogelgebied, bestaande uit percelen met vochtig weidevogelgrasland (N13.01), vooral gekeken naar de bestaande, resterende weidevogelpopulaties in de Krimpenerwaard (zie ook paragraaf 4.4) en de toekomstige grondwaterstand. Daarnaast is rekening gehouden met de aanwezigheid van bestaande, verstorende elementen. Met name bebouwingslinten, wegen en houtige landschapselementen (pest- en geriefhoutbosjes, houtsingels) kunnen binnen de Krimpenerwaard voor verstoring zorgen. Deze zijn dan ook zoveel mogelijk vermeden door de weidevogelgraslanden op percelen te situeren op voldoende afstand van dergelijke verstorende objecten en elementen. Binnen de weidevogelkerngebieden kan de openheid worden vergroot door bestaande houtige landschapselementen, zonder cultuurhistorische, landschappelijke of ecologische waarde, te verwijderen. Het gaat hierbij met name om vrij recent aangeplante bosschages met niet streekeigen beplanting en exoten of bosschages die recent zijn ontstaan als gevolg van een gebrek aan beheer (zie figuur 6.3). Het verwijderen van dergelijke bosschages draagt tevens bij aan het verlagen van predatie (zie ook hierna).

Daarnaast kan het beheer van houtige elementen (met waarde) worden geoptimaliseerd. In sommige gevallen is sprake van achterstallig onderhoud. Door het toepassen van regulier beheer (in de vorm van gefaseerd hakhoutbeheer) neemt de mate verstoring van dergelijke elementen ook af. Om in de komende jaren de juiste maatregelen te kunnen nemen en het beheer te optimaliseren is het wenselijk de gebiedskenmerken te inventariseren. In Kattendijksblok heeft in het verleden al een inventarisatie plaatsgevonden (Terlouw, 2013) en is op basis daarvan door de Natuur Coöperatie Krimpenerwaard het achterstallig onderhoud aangepakt en zijn enkele elementen verwijderd. Een dergelijke inventarisatie zal ook aan het definitief ontwerp ten grondslag moeten liggen.

69

Figuur 6.3 Voorbeeld van een ongewenst element zonder cultuurhistorische of landschappelijke waarde. De geschiktheid van het noordelijk deel van polder Den Hoek als weidevogelgebied wordt door dit element sterk verminderd. De ecologische waarde is daarnaast beperkt doordat de bosschage (deels) bestaat uit niet-streekeigen beplanting en exoten (bron luchtfoto: globespotter.cyclomedia.com).

3. Predatie Onder natuurlijke omstandigheden, bij een stabiele populatie is predatie een normaal verschijnsel. Predatie kan echter op gebiedsniveau een bepalende factor zijn voor weidevogels. In de Krimpenerwaard komt geen hoge predatiedruk voor vanwege de landschappelijke openheid en doordat het niet in verbinding staat met een gebied dat rijk is aan (grond)predatoren. Ten opzichte van de provinciale en landelijke resultaten is de nestpredatie laag te noemen. Predatie wordt niet als actueel knelpunt voor de weidevogeldoelen in de Krimpenerwaard gezien (Terlouw, 2014). Om de predatie niet (onnodig) toe te laten nemen is het zorg dat voldoende openheid van het landschap wordt gegarandeerd. Een toename van landschapselementen bestaande uit hoog opgaande (houtige) beplanting (die rust en beschutting kunnen bieden aan met name vliegende predatoren) ter hoogte van weidevogelgebieden is dan ook niet gewenst. In de afgelopen jaren hebben het Zuid-Hollands Landschap en de Natuur Coöperatie Krimpenerwaard al de nodige solitaire bomen en kleine houtige elementen (zonder cultuurhistorische, landschappelijke of ecologische waarde) verwijderd of achterstallig onderhoud uitgevoerd in centrale polderdelen die van belang zijn voor weidevogels. Voorzetting van dit beheer ter hoogte van de belangrijke weidevogelgebieden is dan ook van belang.

70

Verder is het zorg dat het aantal toegangsdammen in het gebied niet (in betekenende mate) toenemen. De vele sloten in de Krimpenerwaard zorgen er in de huidige situatie voor dat veel percelen slecht toegankelijk zijn voor grondpredatoren. Toegangsdammen maken een perceel niet alleen bereikbaar voor agrarische bewerking, maar geven ook grondpredatoren toegang tot een perceel. Grondposities en eigendommen in de Krimpenerwaard zullen als gevolg van het inrichtingsplan wijzigen. Voor de ontsluiting en beheerbaarheid van percelen zijn daarom mogelijk nieuwe dammen nodig. Bij nadere uitwerking en positionering van toegangsdammen dienen de mogelijke gevolgen ten aanzien van predatie dan ook in ogenschouw te worden genomen. Een peilopzet kan ook bijdragen aan het verminderen van predatie. Muizen vermijden percelen met een hoge grondwaterstand, deze percelen trekken daardoor ook minder grondpredatoren (mondelinge mededeling J. van der Winden). In het merendeel van de weidevogelgraslanden vindt een peilopzet plaats. 4. Vochttoestand Het grondwaterpeil is (samen met de bodemgesteldheid) van invloed op het bodemleven, met name op hoeveelheid voedsel en beschikbaarheid daarvan. Door teveel indroging van de toplaag in het voorjaar kan het voedsel in de bodem (vooral regenwormen) onbereikbaar worden voor de volwassen weidevogels.

In de huidige situatie lijkt de grondwaterstand en de invloed daarvan op de voedselbeschikbaarheid overigens een beperkte rol te spelen bij de vestiging van weidevogels in het agrarisch gebied van Krimpenerwaard. Dit komt waarschijnlijk omdat de drooglegging in de gehele Krimpenerwaard, voor agrarische begrip, al redelijk klein is. De huidige weidevogelpopulatie lijkt vooral gebonden te zijn aan kruidenrijke percelen met een extensief agrarisch beheer of weidevogelbeheer. De nieuw ingerichte natuurgebieden binnen de Krimpenerwaard met een hogere grondwaterstand hebben een grote aantrekkingskracht op weidevogels. Dit hoeft overigens niet direct samen te hangen met de bereikbaarheid van regenwormen in de bodem. De grondwaterstand lijkt een grotere invloed te hebben op de vestiging van weidevogels dan de voedselbeschikbaarheid, doordat een hogere grondwaterstand voor een betere habitatkwaliteit voor kuikens kan zorgen. Percelen met een hoge grondwaterstand in de kuikenperiode, leiden (onafhankelijk van de bemestingsgraad) tot vegetaties met een open vegetatiestructuur en een hoge dichtheid aan kuikenvoedsel in de vorm van insecten. De habitatkwaliteit voor kuikens lijkt doorslaggevend te zijn bij de nestplaatskeuze van weidevogels (Klein et al., 2009).

71

Een beperkte drooglegging in combinatie met (kleine) verschillen in hoogteligging van het maaiveld leidt tot verschillen in grasgroei en daarmee aan broedgelegenheid voor verschillende weidevogelsoorten. Ook in de kuikenperiode zal de grasvegetatie een structuur hebben die veel geschikter is om in te foerageren, dan die van vegetaties op gangbaar beheerde percelen (Klein et al., 2009). In het inrichtingsplan zijn de kerngebieden voor weidevogels (bestaande uit de percelen met het natuurbeheertype N13.01 vochtig weidevogelgrasland, inclusief botanische graslanden) daarom vooral gesitueerd binnen de peilvakken waar een peilverhoging plaatsvindt. Een beperkte drooglegging zorgt voor een relatief trage groeisnelheid van het gras in het voorjaar, waardoor het gras ook voor de weidevogelkuikens een geschikt opgroeigebied is. Hier wordt uitgegaan van een redelijke drooglegging (gemiddeld 20 – 40 cm in de zomer, in de winter natter (gemiddeld 15 – 30 cm). Zie voor een nadere toelichting van de gewenste drooglegging ook paragraaf 6.5 (onder het kopje peilbeheer). Op perceelsniveau kunnen inrichtingsmaatregelen de kwaliteit van het weidevogelhabitat verder optimaliseren. In het inrichtingsplan wordt niet in de gehele NNN in de Krimpenerwaard een peilverhoging voorzien.

Niet alle weidevogelkerngebieden zullen daarom op percelen met een peilverhoging zijn gelegen, doordat bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met bestaande populaties. In drogere gebieden kan via de fysieke inrichting op perceelsniveau de kwaliteit van het weidevogelhabitat worden verbeterd. Het gaat hierbij vooral om maatregelen ten gunste van vestigings- en kuikenbiotoop (zie ook hierna). 5. Bodemleven De bodem van de weidevogelgraslanden dient voldoende voedselrijk en gebufferd te zijn, zodat het bodemleven zich goed kan ontwikkelen. Hiervoor kan bemesting, in de vorm van ruige mest of vaste mest, worden toegepast. Drijfmest is in veengebieden nadelig voor het bodemleven vanwege de zuurgraad en de ongeschiktheid als voedselbron voor rode wormen (zie Bijlage D) en wordt dan ook tot het minimum beperkt. Onderzoek van mestgift in relatie tot aantallen weidevogels suggereert dat voor het optimaliseren van condities voor weidevogels een relatief beperkte mestgift voldoende is. Teveel bemesting leidt tot een dichte en minder diverse grasmat, hetgeen ongunstig is voor met name kuikens (Groenendijk et al., 2012). In combinatie met hoge waterpeilen kan op zure gronden daarnaast ook de fosfaatbeschikbaarheid toenemen wat kan leiden tot verpitrussing (Lamers et al., 2008). Percelen met veel pitrus zijn voor weidevogels minder interessant.

Daarnaast kan bemesting ook tot eutrofiëring van het oppervlaktewater leiden, wat ongewenst is gezien de waterdoelen. Er dient dan ook terughoudend met bemesting om te worden

72

gegaan. In hoofdstuk 7 wordt er verder in gegaan op voorwaarden voor bemesting. Jaarlijks bemesten is zeker niet noodzakelijk voor het in stand van houden van geschikt weidevogelgrasland. Een frequentie van eens per 3 tot 6 jaar kan volstaan mits de pH van de bodem niet te laag (onder de 5) komt, in dat geval dient frequenter te worden bemest (Groenendijk et al., 2012). Gestreefd moet worden om een mozaïek van bemesting te realiseren. Bemesting in combinatie met een verhoging van de grondwaterstand heeft als voordeel dat het de voedselbeschikbaarheid van oudervogels verhoogt, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het foerageerhabitat van de kuikens. Het aanwenden van mest speelt in de optimalisering van de weidevogelgraslanden een relatief klein rol vergeleken met het maairegime en het waterpeil. 6. Mozaïek Een mozaïek in inrichting en beheer draagt bij aan de instandhouding van goede weidevogelgebieden door een grotere overlevingskans van weidevogels. Mozaïekbeheer betreft een zodanige afwisseling in beheer (brede range van maaidata en verschillende typen beweid land) dat het weidevogelgebied voldoende perspectief biedt voor vestiging, legsels en kuikenoverleving. Hierdoor ontstaat voldoende uitvliegsucces voor het minimaal in stand kunnen houden of groeien van de populatie.

Voor de gebieden met extensief agrarisch medegebruik is het verder van belang om de (overige) agrarische activiteiten (rollen, slepen, bemesten etc.) af te stemmen op de weidevogels (zie hoofdstuk 7). Van belang is om bij het mozaïek aandacht te hebben voor een goede inpassing van vestigingsbiotoop en kuikenbiotoop. Onderlinge afstanden mogen hierbij niet te groot zijn gezien de beperkte actieradius van kuikens. In gebieden zonder peilopzet worden deze gevormd door een combinatie van inrichtings- en beheermaatregelen (zie hierna). Vestigingsbiotoop Voor een goed weidevogelgebied is de aanwezigheid van vestigingsbiotoop in de vorm van plas-draspercelen van groot belang. Dit zijn percelen die grotendeels onder water staan in de periode dat de weidevogels in Nederland aankomen en wanneer ze zich weer verzamelen om te gaan trekken. In het voorjaar fungeren plas-draspercelen als verzamelplekken van waaruit de weidevogels hun broedlocaties in de omgeving opzoeken. Het zijn wormenrijke percelen waar net aangekomen weidevogels kunnen opvetten en ze doen dienst als slaapplaatsen waar de weidevogels zich ’s nachts veilig kunnen verzamelen. Tijdens het broedseizoen zijn de randen daarnaast belangrijk opgroeigebied voor de kuikens. Na afloop van het broedseizoen functioneren plas-draspercelen als foerageerplek. Jonge en

73

volwassen weidevogels foerageren hierbij o.a. op muggenlarven om zich voor te bereiden op de trek. In de huidige situatie zijn al diverse plas-draspercelen in de Krimpenerwaard aanwezig. Insteek is om deze plas-draspercelen in het inrichtingsplan te behouden. Door de peilverhoging zullen er daarnaast in het voorjaar enkele ‘natuurlijke’ plas-drassituaties ontstaan. Om voldoende vestigingsbiotoop te garanderen, met name in gebieden waar geen peilopzet plaatsvindt, zijn inrichtingsmaatregelen nodig. Kuikenbiotoop Aanbod van voldoende kuikenbiotoop is essentieel binnen de levenscyclus van de grutto. Kuikens zijn afhankelijk van voldoende insecten en larven in de nabije omgeving. Dat betekent dat een niet te dicht, maar wel redelijk hoog, soortenrijk grasland met kruiden (zie ook hiervoor) moet voorkomen binnen loopafstand van de kuikens die varieert van 75 meter van jonge kuikens tot maximaal 500 meter voor oudere kuikens. In de Krimpenerwaard is deze laatste afstand kleiner door de vele sloten en kan beter 300 meter worden aangehouden. In veenweidegebieden zijn laat gemaaide graslanden vaak te dicht van structuur. Geschikt kuikenbiotoop kan hier worden gecreëerd door een niet te grote voedselrijkdom van de bodem, zodat een soortenrijk grasland ontstaat, gecombineerd met een hogere grondwaterstand in het perceel (of gedeelte daarvan), zodat de grasgroei wordt vertraagd.

In het inrichtingsplan wordt hieraan grotendeels voldaan door de beoogde weidevogelkernen (inclusief natuurbeheertype N13.01) vooral op percelen te situeren waar een peilverhoging plaatsvindt. In dezelfde peilvakken worden ook de botanische graslanden nagestreefd. Deze botanische graslanden zijn door hun kruidenrijkdom ook van belang voor weidevogels. Daarnaast zijn voorwaarden aan bemesting gesteld ten aanzien van het extensief agrarisch medegebruik (zie paragraaf 7.2). Vooral in gebieden waar geen optimaal waterpeil kan worden gerealiseerd voor weidevogels zijn inrichtingsmaatregelen op perceelsniveau, in de vorm van greppels (zie figuur 6.4) en natuurvriendelijke oevers, nodig om voldoende aanbod van kuikenbiotoop te realiseren binnen de actieradius van kuikens. Van dergelijke inrichtingsmaatregelen is bekend dat deze van belang zijn als kuikenbiotoop (o.a. Visser et al., 2017).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f0df1dcf-f6ec-46fe-b39d-b01a08869bde