CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL5 Bijlagen bij de regels Bijlage 4 Inrichtingsplan Krimpenerwaard

Raadsvergadering 9 januari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: ​​(B) Bestemmingsplan NNN-compensatie Kattendijk Gouderak​23.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

05-03-2019

INRICHTINGSPLAN KRIMPENERWAARD DEEL A

Versie: Datum:

9.0 5 maart 2019

1

Colofon Titel Projectnummer Fase Bestuurlijk OG Programmamanager Projectleider van Telefoon Bureauhoofd Auteurs

Inrichtingsplan Krimpenerwaard DOS-2017-0006333 Definitiefase

R.J.M. Ligtenberg Stuurgroep Veenweiden Krimpenerwaard

A.M. Bijlmer (Programmabureau Veenweide) en W. Stempher (Arcadis)

Bestandnaam Status

2

Inhoudsopgave 1 Aanleiding project ........................................................................... 5 1.1 Kader ................................................................................... 5 1.2 Historie van de natuuropgave in de Krimpenerwaard.................. 6 1.3 Doelen ................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................ 7 2 De natuuropgave ........................................................................ 8 2.1 Uitwerking van de natuuropgave in de Krimpenerwaard .............

8 2.2 Uitwerking naar doelen..........................................................15 2.3 Wordt voldaan aan de opgave?...............................................17 3 Gebiedsbeschrijving....................................................................20 3.1 Ligging ................................................................................20 3.2 Begrenzing en ligging deelgebieden ........................................21 3.3 Ontstaansgeschiedenis Krimpenerwaard ..................................23 Ontstaan van het natuurlijk landschap ..........................................23 Bewonings- en ontginningsgeschiedenis ........................................24 Bodemdaling .............................................................................25 Waterbeheer .............................................................................26 Bemaling...................................................................................26 Ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt ...................................27 3.4 Beschrijving huidige situatie en knelpunten ..............................28 Watersysteem ...........................................................................28 Waterkwaliteit ...........................................................................30 Bodem(daling) ...........................................................................32

Natuur ......................................................................................34 4 Natuur ......................................................................................37 4.1 Historisch landschapsbeeld ....................................................37 4.2 Botanische graslanden, historische en huidige natuurwaarden ....38 4.3 Kleinschalige landschapselementen, historische en huidige natuurwaarden ..............................................................................43 4.4 Weidevogels, historische en huidige natuurwaarden ..................44 4.5 Waternatuur, historische en huidige natuurwaarden ..................51 5 Natuurdoelen en -beheertypen.....................................................54 5.1 Natuurdoelen .......................................................................54 Natuurdoelen op landschapsniveau...............................................54 Weidevogelnatuur ......................................................................55 Botanische natuur ......................................................................55 Kleinschalige landschapselementen ..............................................56 Waternatuur ..............................................................................56 Ecologische verbinding................................................................63 5.2 Natuurbeheertypen

...............................................................64 6 Inrichtingsprincipes en uitgangspunten .........................................66 6.1 Weidevogelnatuur: inrichting en beheer ..................................66 6.1.1 Sturende factoren voor een goed weidevogelgebied .........66 6.1.2 Inrichtingsmaatregelen en uitgangsprincipes...................75 6.2 Botanische natuur: ontwikkeling van soortenrijke graslanden .....80 6.2.1 Sturende factoren........................................................80 6.2.2 Inrichtingsmaatregelen en uitgangsprincipes...................83 6.3 Kleinschalige landschapselementen .........................................91 6.4 Waternatuur: variatie in fysische chemie, inrichting en beheer ...91 6.4.1 Fysische-chemie ..........................................................92 6.4.2 Inrichting ...................................................................95

3

6.5 Watersysteem: aan- en afvoer en peilbeheer ......................... 101 Toekomstbestendigheid ............................................................ 104 Peilbeheer ............................................................................... 104 6.6 Ecologische verbinding ........................................................ 108 6.7 Aandachtspunten bij de uitvoering ........................................ 110 Inventarisatie huidige (beschermde) natuurwaarden .................... 110 Inventarisatie houtige landschapselementen ................................ 110 Gefaseerde uitvoering plaggen ................................................... 110 Gefaseerde peilopzet en verplaatsen dotterbloemen ..................... 111 Voorbeeld van een gefaseerde uitvoering op deelgebiedniveau ...... 112 7 Beheer.................................................................................... 113 7.1 Natuurbeheer zonder extensief agrarisch medegebruik............ 113 7.2 Natuurbeheer met extensief agrarisch medegebruik ................ 121 Literatuur ...................................................................................... 125

4

1 Aanleiding project In het Groene Hart, in de driehoek tussen Gouda, Krimpen aan de IJssel en Schoonhoven, ligt het eeuwenoude polderlandschap van de Krimpenerwaard. Al vanaf begin jaren negentig ligt er in dit gebied een substantiële opgave voor het realiseren van 2.250 ha natuur. Partijen in de Krimpenerwaard en de provincie Zuid-Holland werken al langere tijd samen aan de toekomst van het polderlandschap in de Krimpenerwaard. Ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben geleid tot een nieuwe aanpak voor het gebied. Vanaf eind 2014 hebben de regionale overheden uit de Krimpenerwaard aangegeven dat zij zelf deze natuuropgave wil realiseren en dat zij dat wil doen met behulp van agrariërs en beheerders uit het gebied. Dit is vastgelegd in de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard (2014). Het voorliggend inrichtingsplan is een uitwerking van de natuuropgave door het gebied waarin ook extensief agrarisch medegebruik uitdrukkelijk een plek heeft gekregen. Dit inrichtingsplan vormt daarmee een uitwerking van het nieuwe bestemmingsplan voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de gemeente Krimpenerwaard.

1.1

Kader

Ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelen uit de Gebiedsovereenkomst wordt er in 2018 door de gemeente Krimpenerwaard een nieuw bestemmingsplan voor de nog te ontwikkelen NNN-gebieden opgesteld. Hierin wordt beschreven waar er natuurontwikkeling zal plaatsvinden en in welke delen natuur gerealiseerd en beheerd kan worden middels extensief agrarisch medegebruik en in welke delen alleen natuurontwikkeling mogelijk is middels regulier natuurbeheer. Parallel daaraan stelt het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard een peilbesluit op waarin de (nieuwe) peilen voor het NNN worden vastgelegd. Beide documenten vragen om een inhoudelijke onderbouwing: het inrichtingsplan. Het inrichtingsplan zal als bijlage worden opgenomen in het bestemmingsplan. Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard worden de inrichtingskaarten uit het inrichtingsplan opgenomen in het Natuurbeheerplan van de provincie Zuid-Holland. Het inrichtingsplan leidt daarnaast tot wijziging van het watersysteem (watersysteemgrenzen, waterstromen, hoeveelheid oppervlaktewater). Deze wijzigingen zullen naar verwachting leiden tot bijstelling van de KRW-waterlichamen en de

5

doelen die daar bij horen. De wijzigingen worden meegenomen bij de totstandkoming van het volgende KRW-plan (2022-2027). In het inrichtingsplan wordt, per gebied en natuurtype, de randvoorwaarden voor beheer en inrichting weergegeven. Als zodanig biedt dit plan een kader voor de verdere uitvoering van het NNN (uitwerking van het inrichtingsplan tot een definitief ontwerp en uiteindelijk een bestek) en voor zelfrealisatieplannen van particulieren uit het gebied.

Historie van de natuuropgave in de Krimpenerwaard 1.2

De landinrichting Krimpenerwaard heeft een lange geschiedenis. Aanvankelijk was deze vooral gericht op verbetering van de landbouwkundige status. Begin van de jaren negentig werd er een substantiële natuuropgave aan de plannen toegevoegd. Deze is later gespecificeerd als 2.250 ha nieuw ter ontwikkelen natuur in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, later: Natuurnetwerk Nederland). Deze landinrichting Krimpenerwaard mondde uit in het Veenweidepact Krimpenerwaard dat eind 2005 door vijftien partijen is gesloten. In het pact werkten overheden en maatschappelijke organisaties samen aan de toekomst van de Krimpenerwaard. Eind 2014 hebben de Provincie Zuid-Holland, de voormalige gemeenten van de Krimpenerwaard en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard 20142021 vastgesteld en ondertekend. In deze overeenkomst staan de afspraken over het aanleggen en beheren van het NNN in de regio met de verschillende partijen. De partijen trekken samen op om de natuurdoelen te realiseren in de Krimpenerwaard.

1.3

Doelen

In de Krimpenerwaard ligt een natuuropgave in het kader van de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Het gaat om het realiseren van doelen voor (weide)vogels en kwetsbare flora en fauna die van oudsher thuishoren in het veenweidelandschap. Deze natuurtypen vormen samen een logische robuuste ecologische structuur en ecologische verbinding. De aanleg vindt plaats in combinatie met de realisatie van een bijpassend robuust en ecologisch duurzaam watersysteem in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het tegengaan van bodemdaling. De NNN opgave in de Krimpenerwaard staat niet op zichzelf. Doordat in nabijgelegen (veenweide)gebieden eveneens natuurontwikkeling/-herstel plaatsvindt, wordt een groter (landelijk) netwerk van natuur gecreëerd. De

6

opgave is om de oorspronkelijk hoge biodiversiteit van het veenweidegebied robuust te herstellen. Dit is noodzakelijk omdat de biodiversiteit, met name in landbouwgebieden, de afgelopen 30 jaar substantieel is afgenomen (Wereld Natuurfonds, 2015 en CBS, 2016). Ook in de Krimpenerwaard is de biodiversiteit sterk afgenomen. Door herstel van leefgebieden en het creëren van een robuust netwerk van natuurgebieden is uitwisseling tussen populaties mogelijk en zijn populaties in de toekomst beter bestand tegen calamiteiten als droogtestress of strenge winters. Naast de NNN-natuuropgave kent het gebied een KRW-opgave die stelt dat het water een ‘goede ecologische toestand’ moet hebben. Dit wordt uitgedrukt in een chemische doelstelling en een ecologische doelstelling van het water. De biologische kwaliteit is het belangrijkste onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van de KRW voor de ecologische toestand. De meeste waterlichamen in Nederland voldoen niet aan de gewenste 1 biologische kwaliteit in de KRW beoordeling , ook de watergangen in de Krimpenerwaard niet (Schipper e.a., 2016). Nevendoelen van de natuur- en wateropgave is het vertragen en/of waar mogelijk stoppen van de bodemdaling en het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik van het gebied (ook de gebieden buiten de NNNbegrenzing).

In het voorliggend inrichtingsplan wordt hoofdzakelijk ingegaan op de natuur- en wateropgave.

1.4

Leeswijzer

Dit plan bestaat uit 3 delen: beschrijving van het kader en de gevolgde lijn in uitwerking van de opgaven en doelen (hoofdstuk 1 en 2), de inhoudelijke onderbouwing van de natuur- en waterdoelen en hun plaatsing in het landschap (hoofdstuk 3 t/m 5) en de praktische uitwerking van de doelen in het gebied (hoofdstuk 6 t/m 7). In Deel B van het inrichtingsplan, worden de verschillende deelgebieden en hun toekomstige inrichting beschreven.

1

http://www.clo.nl/indicatoren/nl1420-krw-biologische-kwaliteit-oppervlaktewater

7

2 De natuuropgave In Nederland bestaat een groot deel van het landoppervlak al eeuwenlang uit agrarisch gebied. De agrarische activiteit is gedurende die periode op verschillende manieren veranderd maar het landschap heeft altijd plaats geboden aan verschillende soorten die profiteerden van het menselijk gebruik van het landschap (zie verder hoofdstuk 3). Toen echter in de loop van de 20ste eeuw de landbouw veel intensiever werd en het landschap eenvormiger, zijn veel van deze natuurwaarden afgenomen in aantal en diversiteit. Uit onderzoek blijkt dat de afgelopen tussen 1990 en 2013 de biodiversiteit in het agrarisch gebied in Nederland tot 40% is afgenomen (Wereld Natuurfonds, 2015). Ook buiten de agrarische gebieden neemt de biodiversiteit af. Om deze afname te stoppen en de biodiversiteit weer te herstellen, zijn op Rijks- en Europees niveau beleidsprogramma’s gestart. In de jaren ’90 werd de Ecologische Hoofdstructuur (later het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het Natura 2000-programma opgetuigd. Begin deze eeuw werd vanuit Europa de Kaderrichtlijn Water ingesteld die tot doel heeft de waterkwaliteit te verbeteren. De beleidsprogramma’s zijn vertaald naar opgaven per provincie en per gebied.

Een deel van de NNN- en KRW-opgave is in de Krimpenerwaard terecht gekomen in de vorm van 2.250 hectare te realiseren natuur met een goede ecologische en chemische waterkwaliteit in de sloten.

2.1 Uitwerking van de natuuropgave in de Krimpenerwaard In de Krimpenerwaard hebben de gemeente en het Hoogheemraadschap de uitvoering van de natuuropgave op zich genomen. In 2012 is in opdracht van de toenmalige strategiegroep Krimpenerwaard2 een visiedocument opgesteld voor de natuuropgave in de Krimpenerwaard: Grutto en Dotter (DLG, 2012). Op basis van de landschappelijke eigenschappen, abiotische potenties, huidige natuurwaarden en historische referenties van het gebied en op basis van de bedreigde status van bepaalde (veenweide)natuur, is hierin een procentuele oppervlakteverdeling van natuurtypen opgesteld. Deze bestaat uit: • 50% weidevogelnatuur; • 35% botanische natuur; • 15% kleinschalige landschapselementen.

2

waarin de publieke partijen zitten die het Veenweidepact zijn aangegaan.

8

Hoewel de procentuele onderverdeling van deze natuurtypen de indruk wekt dat ze strikt gescheiden zijn, zal er op landschapsniveau een overlap plaatsvinden tussen de typen en versterken ze elkaar. Het is een landschappelijk samenhangend systeem en van een strikte ruimtelijke scheiding van de natuurtypen is in praktijk dan ook geen sprake. De percentages worden als richtlijn gevolgd. De verdeling van natuurtypen kent een wenselijke ruimtelijke configuratie in het landschap (zie hoofdstuk 5). Historische referenties en ecologische eisen van de natuurtypen geven aanwijzingen voor keuzes voor de plaatsing in het landschap van de verschillende natuurtypen. Eén van de belangrijkste randvoorwaarden die bij de realisatie van de natuuropgave is gesteld, is om het agrarisch gebruik binnen de NNNbegrenzing te behouden en te combineren met de natuuropgave. Dit is een politieke wens en geen noodzaak vanuit de natuur- en waterdoelen. Een tweede randvoorwaarde bij de realisatie van de natuuropgave is om een robuust watersysteem te realiseren dat gekenmerkt wordt door grote peilvakken, een efficiënt beheer en zo veel mogelijk afstroming onder vrij verval. In het licht van deze randvoorwaarden zijn enkele kaderstellende besluiten genomen over de indeling van het NNN-gebied in de Krimpenerwaard.

Zo zijn er binnen de NNN-begrenzing delen aangewezen waarbinnen natuurdoelen middels extensief agrarisch medegebruik kunnen worden gerealiseerd en beheerd. Daarnaast zijn er delen waarbinnen alleen natuurbeheer mogelijk is en (extensief) agrarisch medegebruik niet is toegestaan (zie figuur 2.1). In combinatie hiermee zijn er ook uitgangspunten geformuleerd over het peilbeheer in deze gebieden (zie figuur 2.2). De locatie van de gebieden met extensief agrarisch medegebruik zijn mede gebaseerd op de ‘kern – schil’ benadering uit Grutto en Dotter (DLG, 2012). De ligging van de gebieden met extensief agrarisch medegebruik is strategisch gekozen: zoveel mogelijk dicht bij de boerderijlinten en bij voorkeur op de hoger gelegen, meer kleiige gebieden. Hiermee wordt de historische ‘gebruiksgradiënt’ van het oude veenweidelandschap nagebootst: een meer intensief gebruik nabij de boerderij en meer extensief beheer in het (meer venige en nattere) achterland (zie figuur 2.3). Deze ruimtelijke onderverdeling in extensief agrarisch medegebruik en natuurbeheer en de principekeuzes in peilbeheer zijn vastgelegd in de Natuur- en Waterkaders (2014).

9

Waterpeil Voor de realisatie van de KRW- en natuurdoelen is het noodzakelijk om het peil op te zetten en een flexibel (natuurlijk) peilverloop te geven. Een goede waterkwaliteit is sturend voor het behalen van de natuurdoelen. Voor het tegengaan van bodemdaling is peilopzet of peilfixatie een manier om bodemdaling te vertragen. De historische gebruiksgradiënt volgend, komen de meer droge gebieden direct achter de boerderijen te liggen en de meer natte gebieden verder naar het achterland. Dit is vertaald naar het onderscheidt tussen gebieden met extensief agrarisch medegebruik en gebieden met natuurbeheer en leidt daarmee tot een verschil in peilbeheer tussen deze gebieden (zie figuur 2.1). In de gebieden waar alleen natuurbeheer plaatsvindt, gaat het peil (in de meeste gevallen) omhoog en kent het een natuurlijk (neerslag gestuurd) peilverloop. In de gebieden waar extensief agrarisch medegebruik mogelijk is, zal het peil in de meeste gevallen niet omhoog gaan. In sommige van deze gebieden wordt het peil echter wel gefixeerd. Door bodemdaling zullen deze gebieden op den duur een kleinere drooglegging krijgen. De verwachting is dat de bodemdaling zal vertragen als gevolg van deze peilfixatie (zie figuur 2.2).

Zelfrealisatie van natuur Omdat extensief agrarisch medegebruik mogelijk blijft in een deel van het NNN en particulier natuurbeheer een speerpunt is in de realisatie van het NNN, worden particulieren en agrarische bedrijven zo veel mogelijk gefaciliteerd bij hun planontwikkeling voor natuur. Hiervoor is een instrumentenkoffer samengesteld met regelingen en middelen die de grondeigenaar kunnen helpen de natuur te realiseren binnen zijn eigen bedrijfsvoering. Eén van de middelen is het ter beschikking stellen en/of financieren van een ecologisch adviseur. De opgestelde particuliere natuurplannen zijn zoveel als mogelijk meegenomen in dit inrichtingsplan.

10

Figuur 2.1 Delen van het NNN binnen de Krimpenerwaard waar extensief agrarisch medegebruik mogelijk is en delen waar uitsluitend natuurbeheer mogelijk is.

Figuur 2.2 Delen van het NNN binnen de Krimpenerwaard waar geen wezenlijke peilverhoging plaatsvindt (en geen flexibel peilbeheer wordt ingesteld) en delen waar wel een peilverhoging plaatsvindt (en flexibel peilbeheer wordt ingesteld).

11

Figuur 2.3 Een schematisch voorstelling van de historische gebruiksgradiënt waarbij links de meer drogere en voedselrijkere delen van het landschap liggen en naar rechts het vochtiger en voedselarmer wordt (Van Gemeren et al., 2015).

Landschappelijk beeld Met de hierboven genoemde uitgangspunten en met de historische referenties en abiotische randvoorwaarden van de soorten, kan er vanuit de natuuropgave een samenhangend landschappelijk beeld gevormd worden waarin alle natuurdoelen een plek hebben en door hun ligging elkaar versterken. Het landschappelijk beeld heeft (in het grootste deel van het NNN-gebied) de gebruiksgradiënt (zie figuur 2.3) als basis. Dat betekent dat dichtbij de boerderijen er voornamelijk voedselrijkere en drogere natuur te vinden is en meer naar ‘achteren’ (van de boerderij af) de percelen voedselarmer en vochtiger worden. Dit is onder andere terug te vinden in het verschil in beheerrichtlijnen voor terrestrische natuur en het verschil in peilbeheer tussen het voor- en achterland die in dit inrichtingsplan worden beschreven. Weidevogels gebruiken in dit model zowel voor- als achterland waarbij het achterland meer als broed- en kuikenbiotoop wordt benut en het voorland meer als foerageergebied voor de adulte vogels. De hoge botanische waarden, zoals schrale graslanden en verlande sloten, worden met name gevonden in het meer vochtige en schralere achterland waar ook een betere waterkwaliteit in de sloten is te vinden. In de gebieden dichterbij de boerderij, waar extensief agrarisch medegebruik is toegestaan, ontwikkelen ook botanische waarden.

Door gefaseerd sloot- en maaibeheer en minder intensieve bemesting (ten opzichte van de huidige situatie) worden graslanden bloemrijker en gevarieerder. Deze botanische graslanden bevatten meer algemenere soorten dan de botanische graslanden in het achterland. De ontwikkeling van de meer algemenere waarden is echter van belang voor o.a. de insectenrijkdom en een positieve ontwikkeling van het bodemleven.

12

Door minder intensieve bemesting, het (pleksgewijs) vergraven van oevers en het fixeren en/of opzetten van het waterpeil neemt de ecologische kwaliteit van het water toe. De gebieden waar het peil wordt opgezet krijgen een eigen, gescheiden, wateraanvoer waardoor er geen ‘besmetting’ met voedselrijk landbouwwater plaatsvindt. Drijfplanten en onderwatervegetatie nemen hierdoor toe waardoor ook een meer diverse (water)fauna ontwikkelt. Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is het wegnemen van eventuele baggerachterstanden en fosfaatrijke baggerlagen in de sloten (kwaliteitsbaggeren). Een ecologische verbinding voor typische veenweidesoorten zoals groene glazenmaker, waterspitsmuis en ringslang, loopt via de meest natte en schrale percelen in het achterland. Doelsoorten van de ecologische verbinding zoals kamsalamander en heikikker geven de voorkeur aan vochtige, soortenrijke graslanden en een soort als groene glazenmaker volgt de watergangen met krabbenscheer. Kleinschalige landschapselementen liggen verspreid door het gebied. Het zijn vaak wat ruigere delen, overhoekjes, eendenkooien, landscheidingskades en pestbosjes, met een cultuurhistorische oorsprong. Het beheer van deze elementen is in de loop van de afgelopen jaren verwaarloosd waardoor ze nog verder zijn verruigd en het hakhout is doorgeschoten.

Vanuit hun cultuur-historische oorsprong liggen deze elementen meestal meer achter in het landschap. De nattere landschapselementen (veenputjes, moeraselementen) vormen in het landschap een onderdeel in de ecologische verbinding voor typische veenweidesoorten terwijl de meer bosachtige elementen als eendenkooien en pestbosjes een habitat vormen voor kleine zoogdieren en vogels. In figuur 2.4 en 2.5 is, ter verbeelding van het hiervoor geschetste landschappelijke streefbeeld, de toekomstige inrichting (conform dit inrichtingsplan) van respectievelijk deelgebied Den Hoek en Middelblok op schetsniveau weergegeven.

13

Figuur 2.4 Toekomstig landschappelijk beeld (schetsontwerp) deelgebied Den Hoek.

Figuur 2.5 Toekomstig landschappelijk beeld (schetsontwerp) deelgebied Middelblok.

14

2.2

Uitwerking naar doelen

Om het landschappelijk beeld te kunnen realiseren, wordt in dit inrichtingsplan gebruik gemaakt van de bestaande ‘natuurtaal’ in Nederland: de SNL en KRW. SNL-typen (natuurbeheertypen) staan beschreven in de index Natuur en Landschap. De KRW kent een soortgelijke verdeling in Rivier- en Meertypen (R- en M-typen) die uitgaat van de natuurlijke toestand van een watertype. Voor uitvoering van de natuuropgave is het dus noodzakelijk om het beeld en de natuurtypen te vertalen naar de SNL-systematiek en de KRW-typen. De SNL- en KRW-typen vormen de bouwstenen voor de realisatie van het NNN-gebied. Deze vertaling is verder uitgewerkt in hoofdstuk 5. Bij de uitwerking van het landschappelijk beeld blijkt dat de combinatie van verschillende natuur- en waterdoelen en de randvoorwaarden die zijn gesteld vanuit de politiek, leiden tot een aantal beperkingen in locatiekeuze voor natuurbeheertypen. Dit heeft gevolgen voor natuurbeheertypen in gebieden met extensief agrarisch medegebruik en voor de locatie in het landschap van typen waternatuur.

Extensief agrarisch medegebruik Omdat er bij de relevante natuurbeheertypen twee typen zijn (vochtig weidevogelgrasland (N13.01) en kruiden- en faunarijk grasland (N12.01)) die een relatief grote differentiatie toestaan in voedselrijkdom en vochttoestand van de bodem, worden in gebieden met extensief agrarisch medegebruik in voornamelijk deze twee typen toegepast (zie verder paragraaf 7.2). Binnen de gebieden met extensief agrarisch medegebruik zullen de natuurbeheertypen vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland dan ook in een meer droge en meer voedselrijke vorm voorkomen dan in de gebieden waar alleen natuurbeheer mogelijk is. Omdat de gebieden met extensief agrarisch medegebruik en met natuurbeheer meestal aan elkaar grenzen, ontstaat er op deze manier op landschapsniveau een differentiatie van vochtige en droge en voedselarme en (in beperkte mate) voedselrijke gebieden.

Waternatuur Een KRW doelstelling is de ecologische toestand die verwacht mag worden na het nemen van alle mogelijke verbetermaatregelen voor zover dit niet leidt tot onacceptabele schade aan andere functies van een gebied en het overige milieu. Het is een bestuurlijke afweging in hoeverre KRW maatregelen schade mogen brengen aan overige functies in het gebied. In dit inrichtingsplan zijn alle verbetermaatregelen voor de waternatuur zo gekozen dat ze te combineren zijn met de overige natuurdoelen en met de beheerbaarheid van land en water.

15

Over het algemeen wordt per KRW-waterlichaam, dat wil zeggen voor een netwerk aan watergangen, 1 natuurdoel aangewezen. Waternatuur in de Krimpenerwaard omvat het KRW watertype gebufferde laagveensloot (M8) of het watertype laagveen vaart (M10). Deze watertypen zijn in de praktijk slechts beperkt geschikt om de gewenste ruimtelijke differentiatie in de vele kilometers sloten en oevers mee vast te leggen. Voor het kiezen van inrichtings- en beheermaatregelen is daarom een differentiatie aan waterdoelen benoemd in plaats van één KRW-doel. Met name oeverinrichting en –beheer is hierbij belangrijk. Per natuurbeheertype en locatie in het landschap, zijn er keuzes gemaakt over welke oevers hierbij passen: 

  

De voedselarme en daarmee soortenrijke water- en oeverbegroeiing zijn vooral te verwachten/te combineren met de voedselarmere (botanische) natuurbeheertypen; Opgaande oeverbegroeiing is beter te combineren met de ecologische verbinding en moeraselementen; Weinig begroeide sloten zijn goed te combineren met hoofdwatergangen; Diepe, weinig begroeide sloten met 50% lage en 50% hoge helofyten oevers passen bij elk natuurtype.

De natuurdoelen op land en in het water zijn van invloed op elkaar. De differentiatie van de natuurdoelen en oevers op het land leidt tot een differentiatie in natuurdoelen in het water. Bijvoorbeeld: nabij percelen waar geplagd gaat worden – en nalevering van meststoffen niet meer speelt – zijn de meest ambitieuze waternatuurdoelen te verwachten. Voor de overige watergangen zijn doelen gekozen die op korte termijn meer reëel zijn. Van tijd tot tijd zal geëvalueerd moeten worden of deze doelen aangepast kunnen worden naar de meer ambitieuze doelen. Deze variatie aan doelen moeten worden gezien als werkdoelen en is geen vervanging van het officiële KRW-doel.

Inrichtingsmaatregelen De inrichting voor natuur en water zijn samen te vatten in 2 typen maatregelen:  Grondverzet;  Watersysteem verandering. Voor de verschillende natuurtypen zijn deze te specificeren naar de volgende ingrepen: Waternatuur • •

Waterpeil verhogen; Afplaggen;

16

• Natuurvriendelijke oevers; • Eigen watersysteem; • Kwaliteitsbaggeren. Botanisch gebied • Afplaggen (na onderzoek); • Waterpeil verhogen; • Oevers afgraven. Weidevogelgebied • Greppels graven; • Oevers afgraven; • Plas-dras creëren; • Waterpeil verhogen.

2.3

Wordt voldaan aan de opgave?

Na de vertaling van de opgave naar doelen zijn alle afzonderlijke doelen samengebracht op één kaart. Hierdoor werd duidelijk waar doelen elkaar in de weg zitten en waar doelen elkaar kunnen versterken. Zo is het ontwikkelen van rietoevers of andere hoog opgaande elementen in een weidevogelgebied niet gewenst, wat betekent dat de ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen en weidevogelgebieden vaak niet samen gaat. Botanische ontwikkeling en weidevogels gaan daarentegen vaak wel samen. Praktische knelpunten zoals hoogteligging en beheerbaarheid hebben geleid tot pragmatische keuzes waardoor in sommige gevallen niet het optimale (theoretische) doelbereik is gehaald. Het landschappelijk beeld wordt echter wel benaderd en naar verwachting is de voorgestelde inrichting uitvoerbaar en beheerbaar (zie ook Figuur 2.6).

17

Figuur 2.6 Het totaalbeeld van de voorgestelde inrichting van de nog te realiseren NNN-opgave in de Krimpenerwaard. Zie voor een groter formaat van deze kaart, bijlage A.

De opgave voor de NNN-ontwikkeling in het NNN van de Krimpenerwaard zoals genoemd in Grutto en Dotter en de gebiedsovereenkomst is: 1/2 weidevogelnatuur; 1/3 botanische natuur; 1/6 kleinschalige landschapselementen

 • •

Na de uitwerking van deze opgave op basis van bestaande natuur, abiotische potenties van het gebied, praktische uitvoerbaarheid en (politiek) draagvlak, komen we tot de volgende verdeling op kaart (zie ook figuur 2.7):   

55% weidevogelnatuur; 34% botanische natuur; 11% kleinschalige landschapselementen

De berekening van de verdeling is bij benadering en dus geen absoluut gegeven. Dat ligt aan het feit dat de grens tussen botanisch en weidevogelgebied en tussen botanisch en kleinschalig landschapselement niet altijd eenduidig is. Daarnaast zijn niet alle landschapselementen weergegeven. De procentuele verdeling van de natuurtypen benadert de opgave met een marge van maximaal 6%.

18

Figuur 2.7 De verdeling van de 3 natuurtypen, weidevogelnatuur, botanische natuur en kleinschalige landschapselementen over de NNN-gebieden in de Krimpenerwaard. Zie voor een grotere versie van deze kaart, bijlage A

19

3 Gebiedsbeschrijving De Krimpenerwaard wordt gekenmerkt door unieke landschappelijke kwaliteiten met daarbij behorende karakteristieke natuurwaarden. Een veenweidelandschap van dit formaat is zeer bijzonder in Nederland. Anders dan veel andere veenweidegebieden, is de ontginnings- en verkavelingsstructuur en de lintbebouwing nog onaangetast. Hierdoor zijn lange kavels met rustige achtereinden nog steeds intact. Ook de openheid van het gebied, het vele water en de (relatief) hoge waterpeilen zijn bijzonder (Feddes et al., 2014). In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ligging, ontstaansgeschiedenis en het unieke karakter van de Krimpenerwaard. Er vindt tevens een systeemanalyse plaats en de huidige problematiek en knelpunten in het gebied worden toegelicht.

3.1

Ligging

De Krimpenerwaard is gelegen in het Groene Hart, in de driehoek tussen Gouda, Krimpen aan de IJssel en Schoonhoven. Het gebied omvat de gemeenten Krimpenerwaard (uitgezonderd een gedeelte van de Lopikerwaard) en Krimpen aan de IJssel. De Krimpenerwaard wordt begrensd door de Hollandsche IJssel in het noorden, de Lek in het zuiden, de Nieuwe Maas in het westen en de Vlist aan de oostkant. Ten oosten van de Vlist begint de Lopikerwaard (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 Begrenzing en ligging Krimpenerwaard.

20

3.2

Begrenzing en ligging deelgebieden

In figuur 3.2 is de begrenzing van het NNN in de Krimpenerwaard weergegeven. Het NNN is opgedeeld in verschillende deelgebieden: • Bilwijk; • Veerstalblok (Het Beijersche); • Middelblok; • Kattendijksblok; • De Nesse*; • Berkenwoudse Driehoek*; • Oudeland; • Den Hoek; • Bergambacht-West (Nespolder)*; • Kadijk-West. (*al ingericht) Deze deelgebieden vormen ieder een schakel in het NNN in de Krimpenerwaard en vormen een ecologische verbinding met aangrenzende gebieden. Een aantal deelgebieden zijn al (grotendeels) ingericht. Het gaat hierbij om De Nesse, Berkenwoudse Driehoek en een aaneengesloten verworven blok in Oudeland Zuid. In december 2011 heeft de toenmalige Strategiegroep Krimpenerwaard besloten om deze deelgebieden reeds in te richten. Inmiddels is in deze deelgebieden in totaal 500 ha natuur gerealiseerd. Het natuurgebied is in juni 2017 officieel geopend. Ook de Nespolder bij Bergambacht-West is reeds ingericht (2012-2013). Voorliggend inrichtingsplan is van toepassing op de deelgebieden die nog ingericht moeten worden, daarnaast wordt ingegaan op enkele restopgaven in de deelgebieden De Nesse en Berkenwoudse Driehoek (zie figuur 3.2). Alle deelgebieden tezamen (ook de al eerder ingerichte gebieden) vormen één geheel en een ecologische verbinding in het kader van het NNN.

21

Figuur 3.2 Deelgebieden voorliggend inrichtingsplan.

22

3.3

Ontstaansgeschiedenis Krimpenerwaard

Ontstaan van het natuurlijk landschap Veenvorming Voor de bodemvorming in de Krimpenerwaard is het Holoceen, de geologische periode na de ijstijden zo’n 10.000 jaar geleden, bepalend. De gronden die in deze periode gevormd zijn, liggen op het pleistocene zand. Door klimaatverandering begon de zeespiegel te stijgen. Daardoor werd de afwatering van de oost-west stromende rivieren aan de kust gestremd. Als gevolg van het stagnerende water kon achter de kust veenvorming optreden op het Pleistocene zand. Er ontstond een zoet, moerassig milieu waarin de ene laag afgestorven planten op de andere zonk. Door gebrek aan zuurstof in deze lagen verteerde het materiaal maar voor een deel en aldus werd een veenlaag gevormd. In het gebied van de Krimpenerwaard is de veengroei niet onderbroken geweest door latere afzettingen (onder invloed van een verder stijgende zeespiegel), zoals dit in andere veengebieden in het westen van het land wel veelal is gebeurd. Hierdoor is in de loop van duizenden jaren een dikke veenlaag ontstaan (Van Groningen, 1996). In de Krimpenerwaard vinden we vooral bos- en zeggeveen aan de oppervlakte en geen veenmosveen. Voor de turfwinning is juist het veenmosveen het meest geschikt, omdat het goed brandt en er weinig of geen as overblijft. Daarom zijn er in de Krimpenerwaard geen grootscheepse verveningen geweest.

Wel is er in de hele waard door individuele boeren op kleine schaal turf gestoken, de vele brede sloten en veenputjes getuigen hiervan. Rivierafzettingen Door de veengebieden in het westen van het land stroomden enkele wat grotere rivieren en een aantal veenstroompjes. Aanvankelijk was de sedimentatie van de rivieren beperkt en de veenvorming werd er niet door aangetast. Rond het begin van de jaarwisseling nam de activiteit van de rivieren periodiek sterk toe, terwijl ook de rivierlopen veranderen. Onder invloed van de getijdewerking van de zee vonden kleiafzettingen plaats. Bij hoog water aan de kust werd het slibhoudende rivierwater over de rivieroevers en in de veenstroompjes gestuwd en van daar uit vond sedimentatie op het omringende land plaats. Het veengebied raakte in het westen van het rivierengebied gedeeltelijk onder een kleilaag bedekt. Er ontstond een klei-op-veenbodem met overslibde oeverafzettingen. Hiertoe behoren de langs de Hollandsche IJssel en de Lek gelegen randen van de Krimpenerwaard. Het veen in het centrale deel van het gebied bleef vrij van overslibbing. Het uiteindelijke resultaat van de genoemde processen was in de Krimpenerwaard een uitgestrekt veenlandschap, met aan de randen klei-op-veen en kleioevers (Van Groningen, 1996).

23

Bewonings- en ontginningsgeschiedenis De huidige inrichting van de Krimpenerwaard vindt zijn oorsprong in de 10e eeuw. In deze eeuw begon de bevolking van Holland zodanig toe te nemen, dat het nodig werd om nieuwe woonplekken te zoeken. Daarbij werden ook de minder aantrekkelijke gebieden ontgonnen: de veengebieden en komgronden van de rivieren. Vanaf de hoger gelegen oeverwallen langs de rivieren is begonnen met de ontginning van het achterliggende veengebied. Eerst in onregelmatige verkaveling (de vrije opsteek). Vandaar uit werd vervolgens de kern van de waard ontgonnen, in de vorm van regelmatige cope-ontginningen vanaf de Vlist. Tenslotte werd de overgangszone tussen het middengebied en de randen in cultuur gebracht door middel van restverkavelingen (zie figuur 3.3). Verkaveling In de Krimpenerwaard ontstond in de 10e eeuw geleidelijk aan een nederzettingspatroon van langgerekte dorpen met loodrecht daarop de lange, smalle kavels. Aanvankelijk hadden de bewoners het recht hun kavels onbeperkt naar achteren te verlengen; de vrije opsteek. De percelen reikten tot steeds verder in het veengebied totdat men op een andere ontginning stuitte. In het westelijk deel van het gebied (o.a. in Polder Den Hoek) zijn hierdoor kavels van meer dan 3 km lengte ontstaan.

Op de achtergrens van dergelijke lange kavels werd een kade opgeworpen; de landscheiding (voorbeelden zijn de Oudekerkse en Gouderakse landscheiding). In de 11e eeuw begonnen de cope-ontginningen en kwam een einde aan het recht van de bewoners om hun kavels steeds verder in het veengebied uit te breiden. Er werden regelmatig gevormde ontginningsblokken vanaf de Vlist in het nog onontgonnen veen uitgezet. Een cope-ontginning is een planmatige ontginning op basis van een contract. Het nog niet ontgonnen gebied werd volgens een vaste maatvoering door de grondeigenaren uitgegeven, waarna deze gronden door een zogenaamde coper in kavels werden verdeeld. Deze ontginningen waren minder diep dan de ontginningen vanaf de rivier en de ontginningslinten en achterkaden kwamen hier dichter op elkaar te liggen. Daardoor heeft het middengebied een meer kleinschalig karakter gekregen dan de randen van de Krimpenerwaard. Dit verschil in schaal is nog steeds goed herkenbaar in het landschap en geeft de Krimpenerwaard een eigen onderscheidende identiteit binnen het rivierengebied. Tenslotte werd tussen 1250 en ongeveer 1600 de overgangszone tussen het middengebied en de randen in cultuur gebracht, de zogenaamde restverkavelingen. Deze zogeheten ‘bloklanden’ werden bij reeds bestaande polders toegevoegd of het werden afzonderlijke polders.

De ontginningen van Achterbroek en Berkenwoude zijn de belangrijkste van deze restverkavelingen (Haartsen, 2009).

24

Ondanks de gefaseerde ontginning is een min of meer gelijkvormig ontginningspatroon ontstaan met lange, smalle noord-zuid georiënteerde kavels en brede sloten. In het middengebied liggen achter de lintbebouwing brede vaarsloten en zones met veenputten, ontstaan door de kleinschalige veenwinning (Feddes et al., 2014). De oriëntatie op de rivieren is in het huidige landschap nog goed zichtbaar.

Figuur 3.3 Ontginningsgeschiedenis Krimpenerwaard (Feddes et al., 2014).

Bodemdaling Om het land te kunnen bewerken, moest het eerst ontwaterd worden. Er werden sloten gegraven om het regenwater af te voeren en het grondwaterpeil te laten zakken. Veen bestaat echter voor een belangrijk deel uit water en als gevolg van de ontginning begon het maaiveld te dalen. Bodem- of maaivelddaling wordt veroorzaakt door klink en oxidatie. Klink ontstaat wanneer bij een verlaging van het grondwater, het water uit het veen wegstroomt. Hierdoor neemt het volume van het veen af en daalt het land. Dit proces wordt versneld door oxidatie. Na ontwatering vullen de poriën in de veenbodem zich met lucht en worden de niet-verteerde plantenresten geleidelijk omgezet in kooldioxide en water: het veen begint te verteren (Haartsen, 2009).

25

Door inklinken en oxideren kan een maaiveld wel tot twee centimeter per jaar dalen. Hoeveel de bodem in de Krimpenerwaard inmiddels is gedaald is niet precies bekend. Verondersteld wordt dat het oppervlak vroeger op de hoogste delen van het veen ongeveer vier meter boven NAP heeft gelegen (Haartsen, 2009). In de huidige situatie treedt de sterkste daling in de Krimpenerwaard op in de noordwestrand tegen de Hollandsche IJssel aan, door wegzijging naar de Zuidplaspolder (zie verder paragraaf 3.4).

Waterbeheer Door de ontwatering en oxidatie als gevolg van het landbouwkundig gebruik begon de slappe veenbodem te dalen en kwamen grote delen van het gebied ongunstig te liggen ten opzichte van het rivierwater. Om zich tegen het water te beschermen legden de laatmiddeleeuwse bewoners terpen, kades en dijken aan. De oudste dijken dateren uit de eerste helft van de 12e eeuw, vanaf de 13e eeuw werden de doorgaande dijken langs de grote rivieren aangelegd. Door de aanleg van dijken en kaden moest het afwateringssysteem worden aangepast. In het begin van de ontginning waterden de sloten vanaf het dikke veenpakket rechtstreeks af op de rivieren. Omdat het noordelijke deel van de Krimpenerwaard, langs de Hollandsche IJssel, lager ligt dan het zuidelijke deel kreeg het gebied een natuurlijke afwatering naar de Hollandsche IJssel. Na aanleg van de dijken werd het water uit een gebied verzameld in een wetering die het water op één punt door de dijk voerde en via een klepduiker op de rivier loosde. Lange tijd bleef de afwatering per dorpsgebied of per dorpspolder geregeld. De afdamming van de Hollandsche IJssel bij Vreeswijk omstreeks 1285 betekende een belangrijke verbetering van de waterwaterhuishouding. Al het water van de Neder-Rijn moest nu via de Lek stromen. In tijden van hoogwater op de Lek waren de waterstanden op de IJssel daardoor steeds lager.

Veel polders, waaronder ook polders die direct langs de Lek liggen, hebben hun uitwatering dan ook verlegd naar de Hollandsche IJssel (Haartsen, 2009).

Bemaling In de 15e en 16e eeuw werden er, ter verbetering van de productiemethoden en agrarische bedrijfsvoering, steeds meer windmolens gebouwd om de waterstand in het lager gelegen veenweidegebied beter in de hand te kunnen houden. Na verloop van tijd kreeg vrijwel ieder ontginningsblok polderkaden en een poldermolen om het water te lozen. Voor de afwatering werden weteringen en boezems gegraven en vanuit de boezem werd het water rechtstreeks in de rivier gemalen. Later, toen door verdere maaivelddaling ook dat moeilijk werd, werden langs de Hollandsche IJssel haaks op de rivier zogeheten blokboezems aangelegd, die tijdelijk water konden bergen als de waterstand in de rivier te hoog was

26

om op te lozen. In de loop van de 19e en begin 20e eeuw werden de poldermolens vervangen door stoomgemalen. Door de komst van het stoomgemaal verloren de blokboezems hun functie en raakten gedeeltelijk bebost. De modernisering zette door en in het begin van de 20e eeuw deden de eerste dieselgemalen hun intrede in het gebied, uiteindelijk gevolgd door elektrische gemalen (Haartsen, 2009).

Ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt Reeds lang geleden bestond de Krimpenerwaard hoofdzakelijk alleen uit grasland. Deze graslanden zijn lange tijd van weinig betekenis geweest. Voor de landbouw is de hennepcultuur eeuwenlang het belangrijkst geweest. De veehouderij was hier tot in het midden van de 19e eeuw ondergeschikt aan, ondanks het feit dat het oppervlak aan grasland vele malen groter was dan het met hennep beteelde oppervlak. De veeteelt was slechts een hulpmiddel en diende als productiebron van mest voor de hennepakkers, waarop de boer zijn stalmest van de winter bracht. De graslanden kregen in de regel niet meer mest dan excretie van het vee tijdens het weiden. Hierdoor zijn de graslanden eeuwenlang verschraald. Tot ver van de boerderijen strekten de schraalgraslanden (blauwgrasland) zich uit. Sloten langs deze schraallanden werden daarbij verwaarloosd en groeiden veelal dicht (Husson, 1983 en 1984). Na de ondergang van de hennepteelt in het midden van de 19e eeuw werd de melkveehouderij, en in het verlengde daarvan de kaasmakerij, de voornaamste inkomstenbron in de Krimpenerwaard. De gronden waren door het eeuwenlange (onbedoelde) verschralingsbeheer echter van slechte kwaliteit voor agrarisch gebruik. Net als in de henneptijd werd er veel gebaggerd. De stalmest werd met bagger gemengd (toemaak) en op de weilanden dicht bij de boerderijen en dorpen gebracht.

De verder van de boerderij gelegen hooilanden bleven in deze periode nog onbemest en dus schraal. Onder invloed van de slechte economische situatie in die tijd bleef deze situatie tot het einde van de 19e eeuw bestaan (Husson, 1983 en 1984). Door het opkomen van de kaasmakerij en het beschikbaar komen van meer meststoffen (zie ook navolgend tekstkader), werd aan het begin van de 20ste eeuw niet alleen het akkerland omgezet in grasland, door het opbrengen van grote hoeveelheden dierlijke mest verdwenen ook de schrale (onbemeste) hooilanden en maakten plaats voor voedselrijke (bemeste) weilanden. Hierdoor onderging het landschap aan het begin van de 20ste eeuw in een periode van nauwelijks 25 jaar een grote verandering, waarbij het oppervlak schraalland werd gedecimeerd tot slechts enkele tientallen hectaren (Vink, 1926).

27

Toename meststoffen Aan het begin van de 20e eeuw was er sprake van een forse groei van veestapel door het beschikbaar komen van krachtvoer dat vanuit de haven van Rotterdam werd aangevoerd. Ook de stichting van het stoomgemaal bij Gouderak even daarvoor (in 1880) betekende een stimulans voor de melkveehouderij. Als gevolg hiervan was sprake van een toename van de beschikbare hoeveelheid dierlijke mest, die geheel gebruikt werd voor het grasland. Met name varkensmest werd gebruikt, terwijl later ook kunstmest werd gebruik (maar deze is van relatief beperkte betekenis geweest in de Krimpenerwaard). Varkensmest was ruim(er) voorhanden, doordat het kaasmaken de varkenshouderij bevorderde: Voorheen werden varkens uitsluitend voor eigen gebruik gehouden, maar in het begin van de 20e eeuw stond de varkenshouderij geheel in dienst van de melkveehouderij en de kaasmakerij, die op haar beurt de varkenshouderij weer ondersteunde. De wei, nevenproduct van de kaasmakerij, was namelijk zeer geschikt als varkensvoer. De varkensmest werd vervolgens gebruikt als voedingsstof voor de graslanden waar de koeien graasden (Husson, 1983 en 1984).

3.4

Beschrijving huidige situatie en knelpunten

In deze paragraaf wordt een globale beschrijving van het (eco)systeem van de Krimpenerwaard gegeven waarbij wordt ingegaan op de belangrijkste knelpunten die aanleiding geven voor de natuuropgave en het opstellen van dit inrichtingsplan.

Watersysteem Het huidige watersysteem van de Krimpenerwaard heeft als hoofdinlaatpunt het gemaal Krimpenerwaard aan de zuidzijde van het gebied. Het gemaal ligt aan de Lekdijk aan de zuidzijde van het deelgebied Den Hoek (zie figuur 3.4). Het water wordt vanuit de rivier de Lek ingelaten onder vrij verval (240 m3 /minuut). Omdat de Krimpenerwaard aan de noordzijde lager ligt dan aan de zuidzijde, loopt het water onder vrij verval door het gebied heen. In periodes van neerslag fungeert het gemaal ook als uitslag naar de Lek.

28

Figuur 3.4 Watersysteem Krimpenerwaard huidige situatie met verschillende bemalingsgebieden, aan- en afvoerroutes en gemalen (bron figuur: HHSK).

De Krimpenerwaard bestaat uit vijf bemalingsgebieden (zie figuur 3.4):  Verdoold: het grootste bemalingsgebied, met het grootste gemaal (450 m3/min); dit bemaalt de peilgebieden Stolwijk en Berkenwoude, Middelblok, Kattendijksblok en Achterbroek;  Veurink: is het westelijke bemalingsgebied, en omvat de peilgebieden Krimpen, Den Hoek en Schuwacht en Kromme, Geer en Zijde;  Krimpenerwaard: is het bemalingsgebied voor zuidelijke (peilgebied Bergambacht) en oostelijke peilgebieden (Vlist-westzijde) en slaat uit op de Lek;  De Nesse is een kleine polder in het noorden van de Krimpenerwaard en slaat uit op de (gekanaliseerde) Hollandsche IJssel;  Beneden-Haastrecht is een kleine polder in het noordoosten en slaat uit op de Hollandsche IJssel; Het watersysteem van de Krimpenerwaard is in de huidige situatie primair ingesteld op het agrarisch gebruik en - waar relevant – op eventuele bebouwing (uitgezonderd de reeds ingerichte en bestaande natuurgebieden). De waterpeilen zijn afgestemd op de drooglegging die het beste past bij de huidige functie en de peilfluctuaties worden om dezelfde reden beperkt gehouden. Voor de agrarische gebieden met een veenbodem is het peil tot op heden steeds naar beneden aangepast aan de maaivelddaling (zie ook hierna onder het kopje “bodemdaling”). In Bijlage

29

A is overzicht gegeven van het huidige watersysteem met peilvakken en vigerende peilen. Het huidige watersysteem en peilbeheer is niet passend bij de nieuwe functie natuur en de gewenste natuur- en waterdoelen (zie hoofdstuk 5) en moet worden aangepast. Om bodemdaling tegen te gaan en de waterkwaliteit te verbeteren is peilopzet nodig en een apart watersysteem (scheiding natuur en agrarisch).

Waterkwaliteit Het water is voedselrijk, vooral wat betreft fosfaat, wat hoofdzakelijk toe te schrijven is aan de afbraak van veen (veenoxidatie), historisch en huidig mestgebruik en inlaat van (rivier)water (Schipper e.a., 2016, zie ook figuur 3.5). Ook sulfaat concentraties kunnen hoog zijn door ontwatering van het veen en inlaat van rivierwater. Als gevolg hiervan bestaat de waterplantenbegroeiing vooral uit eutrofe soorten zoals grof hoornblad, smalle waterpest, draadalgen en kroos (zie ook paragraaf 4.5). De helofytenzone is smal en bestaat vaak uit eutrofe soorten zoals liesgras. In sommige gebieden komen nog wel krabbenscheervelden voor (zie figuur 4.15); dit is vermoedelijk op plaatsen waar de sulfaatbelasting laag is en/of het rivierwater niet of nauwelijks komt.

30

Figuur 3.5 Overzicht oorzaken voedselrijkdom oppervlaktewater (Schipper e.a., 2016).

Het onderhoud van de sloten is in de huidige situatie vooral gericht op de aan- en afvoerfunctie van water en de toegankelijkheid van oevers voor drinkend vee (veedrenking). Het jaarlijks geheel opschonen (van sloot en oevers) is hierbij geen uitzondering. Onderhoudsbaggeren vindt daarnaast (ondanks een periodieke uitvoering) vaak grootschalig plaats. Structuurrijke oevers en aanwezigheid van voldoende vegetatie zijn van groot belang voor flora en fauna, maar het aanbod hiervan is door het intensieve onderhoudsregime beperkt. De aanwezige watervegetatie is daarnaast uniform als gevolg van de eutrofe omstandigheden (zie hiervoor). Met name soorten die permanent (jaarrond) of een meerjarige fase aquatische doorlopen verdwijnen als eerste bij een te intensief onderhoudsregime. De sloten in de Krimpenerwaard worden dan ook gekenmerkt door een lage diversiteit aan flora en fauna (zie ook paragraaf 4.5).

31

Bodem(daling) De bodem van de Krimpenerwaard bestaat uit slappe klei- en veenlagen (zie figuur 3.6). Vrijwel de gehele veenbodem in de Krimpenerwaard is gevoelig voor bodemdaling als gevolg van veenoxidatie. Door het verlagen van het grondwaterpeil voor het landbouwkundig gebruik oxideert het ‘drooggemaakte’ veen: het verbindt zich met zuurstof waardoor het in feite verdampt of verteert. Als gevolg hiervan daalt het niveau van de bodem, komt het maaiveld dichter bij het grondwater en wordt het te nat voor het landbouwkundig gebruik, waardoor weer verlaging van het grondwaterpeil nodig is (zie ook paragraaf 3.3). Het proces van maaivelddaling en verlaging van het polderpeil is al sinds de ontginning in de middeleeuwen gaande, waardoor het maaiveld al enkele meters ingeklonken is. In de huidige situatie varieert de drooglegging, afhankelijk van de locatie tussen de 40 en 60 cm. Voor de agrarische gebieden met een veenbodem is het peil tussentijds naar beneden aangepast aan de maaivelddaling. Bij voorzetting van het huidig beheer en gebruik daalt de bodem door veenoxidatie gemiddeld 1 cm per jaar. Het betreft een onomkeerbaar proces met een onzekere en ongecontroleerde impact en beheersbaarheid in de toekomst (Provincie Zuid-Holland, 2016).

Figuur 3.6 Bodemkaart Krimpenerwaard.

Doordat er langs de rivieren een dik zandig kleidek is afgezet, is de bodem aan de rand van de Krimpenerwaard aanzienlijk minder gedaald dan meer landinwaarts waar een veel minder dikke kleilaag is afgezet en waar vooral

32

veen aanwezig. In de loop der tijd heeft hierdoor een omkering van het reliëf (inversie) plaatsgevonden. Het centrum van de waard, oorspronkelijk het hoogste gedeelte, ligt thans veel lager dan de randen (Husson, 1983 en 1984). De gronden met de sterkste gevoeligheid voor bodemdeling, tegelijk ook de laagst gelegen gronden, liggen in de noordwestrand tegen de Hollandsche IJssel aan (zie figuur 3.7). Hier is sprake van wegzijging van (grond)water naar de lager gelegen Zuidplaspolder. Uit meetgegevens van HHSK blijkt dat in de periode 1984 – 2014 de bodem hier lokaal tot wel een halve meter is gedaald (zie ook Bijlage A).

Figuur 3.7 Overzicht bodemdalingsgevoeligheid: de afbeelding geeft de hoogteligging in relatie tot de mate van daling weer. In rood de gebieden die het laagst liggen en het snelst zakken (categorie I) en in groen de gebieden de relatief hoog liggen en het minst snel zakken (categorie IV). De gebieden met de sterkste gevoeligheid liggen aan de noordwestrand (bron figuur: HHSK).

33

Bodemdaling Bodemdaling is een langzaam en langdurig proces, dat bij ongewijzigd gebruik en beheer doorgaat met een onzekere en ongecontroleerde impact en beheersbaarheid in de toekomst. De effecten van bodemdaling zijn divers en treden wisselend in omvang, tijd en ruimte op. Het betreft veelal een onomkeerbaar proces met negatieve impact op duurzaamheid:  Veenoxidatie in heel Nederland draagt circa 2 – 4% bij aan de nationale CO2 emissie;  Beheer en onderhoud van de openbare ruimte in gemeenten met een slappe veen/kleibodem is 4x zo duur als in gemeenten met stabielere bodems;  Zonder aanvullende maatregelen ligt de funderingsschade voor huizen op slappe veen/kleigrond in Nederland, in de periode 2013 – 2050, rond de € 25 – 40 miljard;  Bodemdaling leidt tot toenemende waterbeheerkosten: door de peilen telkens mee te laten zakken met de bodemdaling (peilindexatie) liggen in 2050 de totale waterbeheerkosten (stuwen, pompen, keringen etc.) in Zuid-Holland circa 25% hoger dan bij peilfixatie;  Andersom zal peilfixatie leiden tot daling van de landbouwproductie met circa 30% in 2050 (Alterra, 2010; PBL, 2015 en 2016 en Deltares, 2013 in Provincie Zuid-Holland, 2016).

Natuur De Krimpenerwaard bestaat al eeuwenlang uit agrarisch gebied (zie paragraaf 3.3). De agrarische activiteit is gedurende die tijd op verschillende manieren veranderd maar het landschap is altijd open en waterrijk geweest en heeft, in combinatie met de agrarische activiteit altijd plaats geboden aan verschillende soorten van het veenweidegebied (zie verder hoofdstuk 4). Toen in de loop van de 20ste eeuw de landbouw intensiever werd en het landschap eenvormiger, zijn veel van deze natuurwaarden afgenomen in aantal en diversiteit. Kenmerkend is de afname van areaal blauwgrasland in de Krimpenerwaard. Tot aan het begin van de 20ste eeuw was de Krimpenerwaard nog grotendeels bedekt met soortenrijke schraalgraslanden (met name blauwgrasland). Door een forse groei van de veestapel en daarmee gepaard gaande toename van de beschikbare hoeveelheid dierlijke mest (zie ook paragraaf 3.3 onder het kopje “ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt”) is het areaal schraalland in een periode van nauwelijks 25 jaar gedecimeerd tot slechts enkele tientallen hectaren (Vink, 1926). In de

34

huidige situatie is van het oorspronkelijke schraalland blauwgrasland nog slechts enkele hectare over op een aantal percelen bij eendenkooi Kooilust in de Berkenwoudse Driehoek (zie verder paragraaf 4.2). In de huidige situatie bestaan de (agrarische) graslanden veelal uit soortenarme beemdgras- en raaigraslanden. Dit is het direct gevolg van de toegenomen voedselrijkdom van de bodem als gevolg van grotere mestgiften en het actief verlagen van het waterpeil. Op de (agrarische) graslanden komen vrijwel alleen nog soorten van voedselrijke en droge omstandigheden voor. In de slootkanten komen op enkele plaatsen nog wel vegetaties voor met dotterbloemen en moeras-vergeet-me-nietje, daarnaast zijn op enkele plekken nog krabbenscheervelden aanwezig. De vegetatiegegevens uit het provinciaal meetnet van de afgelopen 30 jaar in de Krimpenerwaard zijn geanalyseerd, de uitkomsten hiervan worden in hoofdstuk 4 nog kort toegelicht aan de hand van enkele figuren. Uit de gegevens blijkt een duidelijke afname van de botanische diversiteit in het agrarisch gebied alsook een duidelijk verschil tussen reservaten en agrarisch gebied. De omzetting van hennepteelt naar kaasproductie begin vorige eeuw en de daarmee gepaard gaande toename van de beschikbaarheid van dierlijke mest, was in eerste instantie gunstig voor de ontwikkeling van weidevogels in de Krimpenerwaard.

Meer en voedselrijker grasland zorgde voor meer voedsel en broedgelegenheid. De intensivering van de landbouw bleef echter aanhouden waardoor de aanvankelijke gunstige verandering te ver doorzette en leidde tot een te eentonig en te voedselrijk landschap voor weidevogels. Door de toegenomen voedselrijkdom van de graslanden en lagere waterstanden, is de eerste maai-snede van het seizoen steeds vroeger mogelijk. Dit heeft een negatief effect op de weidevogels die door die steeds vroegere eerste snede niet meer in staat zijn om hun jongen groot te brengen op reguliere agrarische percelen (door verlies aan broedsels en beperkt aanbod van voedsel). Dit is een probleem dat overigens niet specifiek is voor de Krimpenerwaard maar wat op veel plekken in het agrarisch gebied in Nederland speelt. Ook het steeds verder verlagen van het waterpeil heeft een negatief effect gehad op de weidevogels omdat de wormen in de bodem steeds minder goed bereikbaar zijn waardoor de voedselbeschikbaarheid voor de vogels afneemt. Niet alleen typische weidevogels zoals de grutto en watersnip zijn afgenomen. Ook de veldleeuwerik, ooit één van de talrijkste broedvogels van de Krimpenerwaard, is sterk afgenomen. De gemiddelde dichtheid aan het eind van de jaren ’70 van de vorige eeuw bedroeg 25 – 50 paar per 100 ha in het gebied.

Inmiddels is de soort uit veel polders verdwenen en wordt de veldleeuwerik tot de schaarse broedvogels gerekend (Buisman en Terlouw, 2014).

35

In de Krimpenerwaard liggen een aantal natuurreservaten die onder beheer zijn van het Zuid-Hollands Landschap. Deze natuurreservaten bevatten o.a. waardevolle natuur- en cultuurhistorische elementen als eendenkooien, hooilanden en houtkades. Naast deze reservaten bezit het ZHL ook percelen in het (vooralsnog) agrarisch gebied binnen de NNN-begrenzing. Op veel van deze percelen vindt weidevogelbeheer plaats. Deze percelen zijn van belang voor de weidevogelpopulatie in het gebied. Zie voor een verdere beschrijving van de huidige en historische natuurwaarden hoofdstuk 4.

36

4 Natuur In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de historische en huidige natuurwaarden in de Krimpenerwaard. Als referentie voor het landschapsbeeld en de natuurdoelen, wordt de situatie zoals die voorkwam aan het begin en midden van de vorige eeuw, vóór de intensivering van de landbouw en het grondgebruik door bebouwing en infrastructuur, aangehouden. Dit landschapsbeeld is sterk gebonden aan het (historische) agrarisch gebruik van het gebied. Hieronder volgt een beschrijving van het historisch landschapsbeeld van de Krimpenerwaard van midden 19de eeuw en midden 20ste eeuwen. Daarna volgt per natuurtype een beschrijving van het historisch en huidig voorkomen van de natuurtypen in de Krimpenerwaard.

4.1

Historisch landschapsbeeld

Het landschap in veenweidegebieden wordt bepaald door de ontginningslinten: boerderijen staan op de hoger gelegen delen in een lintbebouwing (meestal nabij de rivier) en langgerekte, smalle kavels lopen naar ‘achteren’, naar het midden van het gebied. Vanaf de boerderij-linten naar het achterland liep vroeger een ‘gebruiksgradient’ van een meer intensief gebruik, op de drogere en meer voedselrijkere gronden nabij de boerderijen, naar het extensieve gebruik op het nattere, schralere en meer venige achterland. Op en nabij de huiskavels werd het vee geweid en werden ook de schaarse meststoffen gebracht. De vegetatie was hierdoor wat voedselrijker en werd gedomineerd door grassoorten zoals gestreepte witbol, reukgras en kamgras. De sloten waren hier waarschijnlijk beter geschoond. Het water was helder en vrij voedselarm. Het was weelderig begroeid met vegetaties van krabbenscheer, kleine fonteinkruiden, grote fonteinkruiden en andere water- en moerasplanten. Open water kwam daarnaast ook voor in plaatselijke veenputjes, ontstaan door kleinschalige particuliere turfwinning. Andere elementen van het ‘schone cultuurlandschap’ waren eendenkooien, geriefbosjes en veepestbosjes, die vooral in bepaalde gebiedsdelen het landschap stoffeerden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f0df1dcf-f6ec-46fe-b39d-b01a08869bde