BIJL Uitspraak Raad van State inzake bestplan Natuurgebieden
Tekst van het document
Het belang van een verbindingszone is onder meer gelegen in een genetische uitwisseling van doelsoorten in de verschillende gebieden. Dit is niet in geschil. Ter hoogte van het perceel van Baas-Blanken ligt een buitendijkse structuur, een zogenoemde gors. Via deze gors kunnen doelsoorten, zoals de Ringslang en de Groene Glazenmaker, vanuit het NNN Krimpenerwaard de Lek oversteken naar een vergelijkbaar leefgebied dat onderdeel is van het NNN Alblasserwaard. Baas-Blanken, op zitting vertegenwoordigd door A.N. de Keijzer, werkzaam als ecoloog bij Econsultancy, heeft niet betwist dat genoemde doelsoorten van deze oversteek gebruik kunnen maken. Voorzover Baas-Blanken op de zitting heeft gewezen op de mogelijkheid dat genetische uitwisseling door een oost-west
201903001 /1 /R3
22
12 mei 2021
verbinding kan plaatsvinden, heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat dit een geschikt alternatief is. Gelet op de ligging van het perceel van BaasBlanken ten opzichte van de gors en de noodzaak van een robuuste verbinding om de belemmeringen langs de dijk te kunnen passeren, heeft de raad het perceel van Baas-Blanken terecht als noodzakelijk onderdeel van een migratieroute voor doelsoorten tussen het NNN Krimpenerwaard en het NNN Alblasserwaard beschouwd en daarom als noodzakelijk aangemerkt om de doelstellingen van het NNN te behalen. Dat de raad aan percelen dichtbij de Lek wel een agarische bestemming heeft toegekend en niet aan gronden van Baas-Blanken die verder van de Lek liggen vindt de Afdeling niet inconsistent. De door Baas-Blanken bedoelde gronden zijn ingericht met paardenbakken en grenzen aan woonpercelen langs de dijk, zodat deze minder geschikt zijn voor de verbindingszone. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het perceel van Baas-Blanken een natuurbestemming kan toekennen. Extensief agrarisch medegebruik 22. Baas-Blanken betoogt dat de raad ten onrechte niet de mogelijkheden heeft onderzocht om, uitgaande van een natuurbestemming, aan haar gronden de bestemming "Natuur- Extensief agrarische medegebruik" toe te kennen, zodat zij het bestaande gebruik kan voortzetten. 23.
De raad heeft niet gemotiveerd waarom dergelijk extensief agrarisch medegebruik voor de gronden van Baas-Blanken niet mogelijk is. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt. HET BEROEP VAN HEUVELMAN 24. Heuvelman is eigenaar van gronden met een oppervlakte van ongeveer 0,8 ha in deelgebied De Nesse. Hij gebruikt zijn gronden hobbymatig als weidegrond voor paarden, hooiland, viswater en voorziening van biomassa. Met het plan is aan deze gronden de bestemming "Natuur" toegekend. In het voorheen geldende plan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard, deelgebieden De Nesse en Oudeland" hadden deze gronden de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "wetgevingszone- wijzigingsgebied". Heuvelman kan zich niet met de bestemming "Natuur" verenigen. Daartoe voert hij het volgende aan. Milieu-effectrapportage 25. Heuvelman betoogt dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan voor zijn gronden ten onrechte geen afzonderlijk m.e.r.beoordelingsbesluit is genomen. Hierdoor is volgens hem niet voldaan aan de in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). neergelegde verplichting om de daar genoemde artikelen uit
201903001/1/R3
23
12 mei 2021
de Wet milieubeheer (hierna: Wm) toe te passen. Dat aan het plan een MER ten grondslag is gelegd, doet hier volgens hem niet aan af. Deze MER was al ten grondslag gelegd aan het bestemmingsplan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard, deelgebieden de Nesse en Oudeland", waarbij aan zijn gronden een agrarische bestemming was toegekend met een bevoegdheid tot wijziging naar een natuurbestemming. Bovendien betreft deze MER een planMER, terwijl een projectMER had moeten worden gemaakt. In dat verband wijst hij op artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r. Daarnaast wordt volgens hem ook niet voldaan aan de eisen die aan een projectMER worden gesteld. Daarvoor acht hij van belang dat in de Robuustheidsanalyse MER de effecten van de omzetting van de agrarische bestemming in een natuurbestemming voor zijn gronden in deelgebied De Nesse niet volledig in kaart zijn gebracht. Er is volgens hem alleen beoordeeld in hoeverre de Robuustheidsanalyse MER ten opzichte van de andere twee MER-en moest worden aangevuld, terwijl een vergelijking tussen alle huidige en oude eindbestemmingen vereist is. Tot slot is niet inzichtelijk gemaakt waarom agrarisch medegebruik niet meer mogelijk zou zijn. Volgens hem veroorzaakt het verdwijnen van dit gebruik verlies aan landschap van historisch en cultureel belang. 25.1.
Aan het plan zijn het "InrichtingsMER natuuropgave Krimpenerwaard" van 2 september 201 O (hierna: lnrichtingsMER), het lnrichtingsMER natuuropgave Krimpenerwaard - Aanvulling Grutto en dotter" van 22 juni 2015 (hierna: Aanvulling MER) en de "Natuurontwikkeling Krimpenerwaard Robuustheidsanalyse MER" van 15 augustus 2018 (hierna: Robuustheidsanalyse MER) ten grondslag gelegd. In het lnrichtingsMER zijn naast de effecten van de autonome ontwikkeling twee alternatieven omschreven: het alternatief 'Grutto en Otter' met drie subalternatieven en het alternatief 'Groeiend Veen'. Omdat het natuurbeleid van het Rijk en de provincie sinds de opstelling van het lnrichtingsMER was gewijzigd, zijn in de Aanvulling MER de effecten van een derde alternatief 'Grutto en dotter' omschreven. Bij het lnrichtingsMER en de Aanvulling MER zijn de inrichtingsmaatregelen bij de verschillende alternatieven beschreven. In de Robuustheidsanalyse is onderzocht of zich in verband met het tijdsverloop aanmerkelijke wijzigingen hebben voorgedaan die een actualisatie noodzakelijk maken en of het na 2015 in 2017 verrichte bodemchemisch en ecologisch onderzoek van invloed kan zijn op de in het lnrichtingsMER en de Aanvulling MER verrichte effectbeoordeling. 25.2.
De Afdeling stelt voorop dat hier niet de vaststelling van een wijzigingsplan aan de orde is, zodat wat Heuvelman in dat verband heeft aangevoerd buiten beschouwing kan blijven. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat een milieueffectrapport nogmaals ten grondslag kan worden gelegd aan een bestemmingsplan dat ziet op gronden waarvoor al eerder, na het opstellen van dat milieueffectrapport, een bestemmingsplan is vastgesteld. Wel moeten in het milieueffectrapport de effecten zijn beschreven van de ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet. Het lnrichtingsMER en de Aanvulling MER zijn opgesteld ten behoeve van het vaststellen van een bestemmingsplan dat onder meer voorziet in de ontwikkeling van natuur. Gelet op de kaarten in
201 903001/1/R3
24
12 mei 2021
deze rapporten, waarbij de gronden van Heuvelman als "grasland: weidevogels", respectievelijk "zone met hoogwaardige natuur (botanisch/aquatisch) en kansrijke weidevogelgebieden" zijn aangeduid, is uitgegaan van een natuurbestemming voor zijn gronden. De aan zijn gronden toegekende bestemming "Natuur" is geen wijziging naar een gebruik waarvan de effecten niet al in deze rapporten zijn beoordeeld. Daarom is voor het vaststellen van een bestemmingsplan waarbij aan de gronden van Heuvelman de bestemming "Natuur" is toegekend niet opnieuw een MER of een mer-beoordeling vereist. Niet in geschil is dat voor de voorbereiding van het bestemmingsplan een zogenoemd projectMER moest worden opgesteld. In wat Heuvelman heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het lnrichtingsMER en de Aanvulling MER niet voldoen aan de eisen die de Wm in artikel 7 .23, eerste lid, aan een projectMER stelt. Anders dan Heuvelman stelt, bevatten de milieueffectrapporten een vergelijking van het huidige agrarische gebruik en het beoogde natuurgebruik, terwijl met het nulalternatief de effecten van behoud van het agrarische gebruik zijn beschreven. Ook zijn in het kader van verschillende alternatieven de effecten van natuurgebruik beschreven.
In effectentabellen is de beoordeling weergegeven van de effecten van alle alternatieven voor verschillende aspecten, waaronder landschap en cultuurhistorie en de landbouw, waarbij de mogelijkheid tot agrarisch medegebruik is betrokken. Verder is niet vereist dat in een MER inzichtelijk wordt gemaakt waarom agrarisch medegebruik niet meer mogelijk zou zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:201 1:B02688) wordt het milieueffectrapport opgesteld om voldoende milieu-informatie te verzamelen om tot zorgvuldige besluitvorming over een project over te kunnen gaan. De raad maakt vervolgens, na een belangenafweging, een keuze welke gebruiksmogelijkheden hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toelaatbaar acht. Het betoog slaagt niet. Ten onrechte geen agrarisch (mede)gebruik 26. Heuvelman betoogt dat ten onrechte niet is voorzien in een mogelijkheid voor agrarisch (mede)gebruik. Volgens Heuvelman leent het beoogde natuurbeheertype voor zijn gronden, namelijk vochtig weidevogelgrasland, zich bij uitstek voor agrarisch medegebruik. Dit volgt volgens hem uit p. 15 van het inrichtingsplan. Ook is ten onrechte niet onderzocht of de omringende natuurinrichting ter plaatse het beoogde natuureffect sorteert, zodat agrarisch medegebruik op de percelen van Heuvelman kan worden gehandhaafd.
Daarbij leidt het verlies aan mogelijkheden voor agrarisch medegebruik niet tot uitvoering van het mozaïekbeheer. Dat er op grond van het voorheen geldende plan een wijzigingsbevoegdheid gold, volstaat volgens Heuvelman niet als motivering voor de natuurbestemming als eindbestemming. Het gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid diende immers nog te worden gemotiveerd en daarbij gold als voorwaarde dat een anterieure overeenkomst over de
201903001 /1 /R3
25
12 mei 2021
natuurinrichting moest worden gesloten, terwijl deze voorwaarde nu zonder toelichting niet meer wordt gesteld. 26. 1. Ingevolge artikel 6.4. 1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend. 26.2. Uit de plantoelichting volgt dat is beoogd de gronden van Heuvelman in te richten voor natuurbeheertype 'vochtig weidevogelgrasland'. 26.3. Voor zover Heuvelman wijst op de voorwaarden die in het hiervoor geldende bestemmingsplan waren gesteld aan het wijzigen van de agrarische bestemming naar een natuurbestemming, overweegt de Afdeling dat hier geen toepassing is gegeven aan de in dat bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Dit neemt niet weg dat de keuze voor een natuurbestemming in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening, waarbij het belang van Heuvelman bij voortzetting van het huidige gebruik van zijn gronden moet worden betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Natuur" in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
De raad heeft hierbij van belang mogen achten dat de gronden rondom die van Heuvelman al eerder zijn bestemd en ook daadwerkelijk zijn ingericht als natuur, waardoor het behoud van een agrarische bestemming, dan wel agrarisch medegebruik niet voor de hand ligt. De omstandigheid dat op de omliggende gronden ingevolge artikel 4, lid 4. 1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard, deelgebieden De Nesse en Oudeland" agrarisch medegebruik wel is toegestaan, maakt dat niet anders. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de omliggende gronden in beheer en eigendom zijn van het Zuid-Hollands Landschap en dat deze zijn ingericht als weidevogelgebied. Het gebied functioneert inmiddels als brongebied voor weidevogels. De raad heeft belang mogen toekennen aan deze inmiddels feitelijke ontstane situatie. Ook heeft de raad hierbij mogen betrekken dat de gronden van Heuvelman feitelijk onbruikbaar zijn als agrarische grond. In dat verband heeft de raad toegelicht dat het deelgebied De Nesse voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) prioritair is, zodat het waterpeil in dit deelgebied wordt verhoogd. Het inrichtingsplan waarnaar Heuvelman verwijst doet hier niet aan af.
Hierin staat immers niet dat agrarisch medegebruik altijd mogelijk is bij de natuurbeheertypen vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland, maar dat, in het geval agrarisch medegebruik wordt toegestaan, alleen vochtig en weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland hiervoor geschikt zijn. De Afdeling ziet in wat Heuvelman heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad aan de belangen van natuurontwikkeling geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. Het betoog slaagt niet.
201903001/1/R3
26
12 mei 2021
HET BEROEP VAN HOOGHART (overige gronden) 27. Hoog hart is eigenaar van gronden met een oppervlakte van ongeveer 38 ha. Daarvan ligt ongeveer 23 ha in het plangebied (deelgebieden Kadijk-West en Den Hoek). Aan ongeveer 22 ha is een natuurbestemming toegekend. Voor de gronden in het deelgebied KadijkWest is dit de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" en voor de gronden in deelgebied Den Hoek is dat grotendeels de bestemming "Natuur". Voor de overige gronden van Hooghart in het plangebied blijft een agrarische bestemming gelden. Hooghart gebruikt de gronden bedrijfsmatig voor het weiden van jong rundvee van andere boeren vanaf half april/1 mei tot 1 november en hobbymatig voor het weiden van enkele paarden. Hooghart kan zich niet verenigen met de natuurbestemming die aan zijn gronden is toegekend. Daartoe voert hij het volgende aan. Natuurbestemming 28. Hooghart betoogt dat hij door de aanwijzing van zijn gronden als NNN en de bestemmingen "Natuur" en "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik", onevenredig wordt benadeeld, in het bijzonder voor wat betreft de gronden in het deelgebied Kadijk-West. Daarvoor acht Hooghart van belang dat met de aanwijzing het beoogde doel, te weten het realiseren van een ecologische verbindingszone, niet wordt gerealiseerd, nu de gronden in deelgebied Kadijk-West géén onderdeel van deze zone worden.
Daarnaast stelt hij dat de schade voor zijn bedrijfsvoering door de natuurbestemming groot is. Zo wordt met het plan het gebruik van meststoffen tot strijdig gebruik gerekend. Hierdoor tellen deze gronden niet of nog maar nauwelijks mee voor het mestquotum, waardoor zijn klanten zullen afhaken en een bedrijf zullen zoeken waar de gronden wel volwaardig mee mogen tellen voor de mestboekhouding. Hooghart meent dat de aanwijzing tot NNN en de toekenning van een natuurbestemming nog niet hadden mogen plaatsvinden zolang er geen duidelijkheid bestaat over de compensatie. 28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de percelen in deelgebied Kadijk-West vanwege de ligging en omvang hiervan, onmisbaar zijn voor de natuurdoelen en waterkwaliteit die in deze gebieden worden nagestreefd. Anders dan uit de verbeelding lijkt te volgen, staat dit deelgebied volgens de raad niet op zichzelf maar staat dit in verbinding met de rest van het NNN Krimpenerwaard via een provinciale ecologische verbindingszone langs de Reevliet. Daarbij leiden maatregelen in het gebied tot het tegengaan van de afname van weidevogels, die belang hebben bij het netwerk, en is voor een groot deel van de percelen in het deelgebied al begonnen met het beoogde natuurherstel en -beheer. 28.2.
Uit kaart 7 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland volgt dat het deelgebied Kadijk-West en stroken gronden die aan de noordkant grenzen aan dit deelgebied zijn aangeduid als NNN. Stroken grond direct ten noordwesten van het deelgebied zijn aangeduid als ecologische verbindingszone.
201903001 /1 /R3
27
12 mei 2021
28.3. De Afdeling ziet in wat Hooghart heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan, voor zover daarin de bestemmingen "Natuur" en "Natuur - Extensief agrarisch gebruik" zijn toegekend aan de gronden van Hooghart, na een afweging van de belangen, in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dit geval in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de natuurontwikkeling dan aan het door Hooghart gestelde belang om zijn bedrijfsvoering ongewijzigd te kunnen voortzetten. Daarbij betrekt de Afdeling dat in paragraaf 8. 7 van het inrichtingsplan in bijlage 4 van de planregels staat dat het deelgebied KadijkWest weliswaar geen schakel binnen het NNN vormt voor de gewenste doelsoorten van het inrichtingsplan, maar dat dit deelgebied met het omliggende agrarische gebied wel een belangrijk vogelweidegebied vormt. Ook staat hierin dat aan de noordzijde van het deelgebied een provinciale ecologische verbindingszone ligt. De raad heeft toegelicht dat het deelgebied Kadijk-West met deze verbindingszone langs de Reevliet in verbinding staat met de rest van het NNN en daarom in belangrijke mate bijdraagt aan de ontwikkeling van het netwerk. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
De omstandigheid dat op het moment van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt met Hooghart over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering kunnen worden weggenomen, betekent niet dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling van het plan heeft kunnen overgaan. Daartoe acht de Afdeling redengevend dat - indien Hooghart er niet voor kiest de natuurontwikkeling zelf te realiseren - de realisatie van de natuurontwikkeling mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving dan wel onteigening van de hiervoor benodigde gronden. Hierbij is minnelijke verwerving van de gronden, gelet op het bepaalde in artikel 17 van de Onteigeningswet, het uitgangspunt. Indien de gronden echter niet minnelijk kunnen worden verworven en tot onteigening wordt overgegaan, zal Hooghart volledig schadeloos moeten worden gesteld. Omdat het betoog van Hooghart niet leidt tot het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld , ziet de Afdeling in het verlengde daarvan evenmin aanleiding voor het oordeel dat de Omgevingsverordening, waarin de gronden zijn aangewezen voor het NNN, op dit punt - bij wijze van exceptieve toetsing - in strijd is met een goede ruimtelijke ordening te actiten. Dit betoog slaagt niet. Strijd met de rechtszekerheid 29. Hooghart betoogt dat het plan rechtsonzeker is.
Volgens hem is onduidelijk wat onder extensief agrarisch medegebruik wordt verstaan. Zo is hem niet duidelijk hoeveel pinken per hectare maximaal zijn toegestaan, of beweiden door paarden wel of niet mogelijk is en vanaf wanneer beweiding mag plaatsvinden. Ook is niet duidelijk waar het standweiden mogelijk is en welke beweiding per perceel mogelijk is, aldus Hooghart. 29.1. De raad betwist dat het plan rechtsonzeker is. Volgens de raad moeten de gronden waaraan de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch
201903001 /1 /R3
28
12 mei 2021
medegebruik" is toegekend, bijdragen aan het behalen van de diverse natuurdoelen die zijn uitgewerkt in het inrichtingsplan in bijlage 4 van de planregels. Extensief agrarisch medegebruik staat ten dienste van het behalen van die natuurdoelen. Hieruit volgt dat de inhoud van het extensief agrarisch medegebruik per deelgebied kan verschillen, omdat deze afhankelijk is van het natuurbeheertype waaraan dit gebruik ten dienste staat. Dit kan zich volgens de raad concreet vertalen naar het aantal dieren dat op het desbetreffende perceel mag grazen. 29.2. Het behoort tot de beleidsruimte van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Of een bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, moet per geval op basis van de feiten en omstandigheden die zich voordoen, worden beoordeeld. Uit artikel 8, lid 8.1, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.39, waarin het begrip extensief agrarische medegebruik is omschreven, en artikel 1, lid 1.45, waarin het begrip graasdieren is omschreven, volgt dat de gronden agrarisch en als hobbyboer mogen worden gebruikt voor het houden van graasdieren, waaronder runderen en paarden.
Wel dient dit gebruik ten dienste te staan van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van, onder meer, natuurwaarden van het veenweidelandschap, in de vorm van een natuurgebied met uitsluitend de natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen als bedoeld in 8.1. Uit de planregels volgt dus welke vormen van gebruik zijn toegestaan. Het plan biedt daarmee voldoende rechtszekerheid. In wat Hooghart heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond te oordelen dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om de door Hooghart gewenste, meer gedetailleerde invulling in het plan vast te leggen. Hierbij betrekt de Afdeling ook de totale omvang van het plangebied. Het betoog slaagt niet. Strijd met gelijkheidsbeginsel 30. Hooghart betoogt verder dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. In dat verband voert hij aan dat alle gronden in deelgebied Kadijk-West zijn aangewezen voor "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik", maar dat volkstuinen, waar ook tuinhuisjes gerealiseerd mogen worden, wel mogen blijven. De negatieve effecten hiervan, zoals geluidbelasting als gevolg van verkeersbewegingen en mensen, en de kans dat roofvogels door aanwezige bomen worden aangetrokken, waardoor weidevogels wegblijven, zijn in het geheel niet meegenomen. 30. 1.
De raad heeft over de volkstuinen toegelicht dat deze deel uitmaken van een complex dat ligt tegen de weg Kadijk en geen deel uitmaken van het NNN, terwijl de gronden van Hooghart midden in het NNN-gebied liggen. Gelet hierop is van een verstorende uitstraling van de volkstuinen op de rest van het gebied dan ook nauwelijks sprake. 30.2. Het deelgebied Kadijk-West ligt ten noorden van de weg Kadijk. De door Hooghart bedoelde volkstuinen liggen ten zuiden van die weg, buiten het deelgebied. Gelet op wat Hooghart heeft aangevoerd is de Afdeling van
201903001/1/R3
29
12 mei 2021
oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie niet met die van hem te vergelijken is. Ook ziet de Afdeling niet dat de raad meer onderzoek naar de effecten van de volkstuinen had moeten doen dan hij heeft gedaan. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN DE JONG EN VAN VLIET (overige gronden) 31. De Jong exploiteert een melkveebedrijf aan de Provincialeweg West 61 te Haastrecht. Hij heeft daarvoor gronden in gebruik met een oppervlakte van in totaal ongeveer 69 ,5 ha, waarvan 41 ha in eigendom en 28,5 ha in pacht. Ongeveer 3,5 ha van de gronden in eigendom ligt binnen het plangebied (deelgebied Veerstalblok). Van Vliet exploiteert een veehandel aan de Provincialeweg West 51 a te Haastrecht. Hij gebruikt daar 11 ha voor, geheel in eigendom. Ongeveer 2,5 ha van die gronden ligt binnen het plangebied (deelgebied Veerstalblok). Aan hun gronden is de bestemming "Natuur" toegekend. Zij kunnen zich niet verenigen met de toegekende bestemming, omdat zij vrezen voor negatieve gevolgen voor hun bedrijven. Nut en noodzaak 32. De Jong en Van Vliet betogen dat het toekennen van een natuurbestemming zonder agrarisch medegebruik niet nodig is voor de ontwikkeling van natuur op hun gronden. Ook met een agrarische bestemming of agrarisch medegebruik kunnen deze doelen worden bereikt.
De Jong en Van Vliet voeren aan dat de ter uitvoering van de bestemming voorgestelde maatregelen als afplaggen en verhoging van het waterpeil buitenproportioneel zijn. De noodzaak en de effecten van deze maatregelen zijn onvoldoende door een onafhankelijk adviseur onderbouwd en ten onrechte niet gebaseerd op lokaal onderzoek. De maatregelen worden te snel ingevoerd en hebben zelfs een negatief effect. 32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de beoogde natuurontwikkeling in het deelgebied Veerstalblok een natuurbestemming nodig is. De gronden van De Jong liggen aan de rand van het deelgebied, midden in het gebied tussen de N207 en de Gouderakse Tiendweg binnen het gebied waar het waterpeil zal worden verhoogd. De gronden van Van Vliet liggen midden in het natuurgebied dat een belangrijk onderdeel vormt van een weidevogelkern. Het gebruik van deze gronden voor regulier agrarisch gebruik heeft een negatieve invloed op de weidevogelkern en de waterkwaliteit ter plaatse. Uit wetenschappelijk onderzoek, het advies van het Deskundigen Advies Team (DAT) van 26 maart 2018 en uit onderzoek op de percelen blijkt dat het verwijderen van een voedselrijke bovenlaag door afplaggen een voorwaarde is om de natuur- en waterdoelen te kunnen halen, aldus de raad. 32.2.
Ingevolge artikel 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend.
201903001/1/R3
30
12 mei 2021
32.3. Uit de plantoelichting volgt dat wordt beoogd de gronden van De Jong in te richten voor natuurbeheertype "kruiden- en faunarijk grasland" en de gronden van Van Vliet voor "nat schraalland" en "vochtig hooiland". 32.4. Zoals hiervoor onder 25.1 is beschreven, zijn aan het plan de lnrichtingsMER, de Aanvulling Mer en de Robuustheidsanalyse ten grondslag gelegd. In het lnrichtingsMER zijn naast het nulalternatief meer alternatieven in beschouwing genomen. Onderzocht is het alternatief "Grutto en Otter" met drie subalternatieven, waarbij is gezocht naar een optimalisatie van de realisatie van de natuurdoelstellingen en het alternatief "Groeiend Veen", dat is gericht op het maximaal tegengaan van bodemdaling. De subalternatieven hebben betrekking op de verschillen in de wijze en snelheid waarop het waterpeil wordt aangepast, waarbij wordt uitgegaan van het afplaggen van de bovenlaag. Bij het alternatief "Groeiend Veen" is niet uitgegaan van afplaggen omdat het bodemdaling tot gevolg heeft. Daarbij zijn ook de neveneffecten, waaronder die op de landbouw, betrokken. In het lnrichtingsMER is gezocht naar de combinatie van inrichtingsmaatregelen die de gestelde projectdoelen realiseert en tevens de grootste milieuwinst heeft. Het alternatief "Grutto en Otter" is gekozen als voorkeursalternatief.
In de Aanvulling MER is een nieuw voorkeursalternatief "Grutto en dotter" in beschouwing genomen, waarbij is gekozen voor diverse typen grasland met natuurwaarden voor weidevogels en andere voor het gebied karakteristieke planten en diersoorten. In 2017 heeft bodemchemisch onderzoek per deelgebied plaatsgevonden. Daarbij is de haalbaarheid van de ontwikkeling van botanisch waardevolle graslanden op basis van bodemtype en bodemchemische samenstelling in beeld gebracht. De inrichtingsmaatregelen, waaronder afvoer van nutriënten door verschralen en plaggen en vernatten door plaggen, zijn daarbij betrokken. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat beschreven dat centraal binnen het deelgebied Veerstalblok een weidevogelkern aanwezig is en dat het doel is om deze kern te versterken. Het gebied is daarom grotendeels aangewezen als vochtig weidevogelgrasland, afgewisseld met enkele botanische percelen die ook van belang zijn voor weidevogels. Hier is ook sprake van een peilopzet, wat bijdraagt aan de ontwikkeling van het gewenste natuurbeheertype. In de plantoelichting staat verder beschreven dat in 2017 onder meer in het deelgebied Veerstalblok bodemchemisch onderzoek heeft plaatsgevonden door middel van bemonstering met het oog op de te ontwikkelen natuurbeheertypes. Op een kaart staat het onderzoeksgebied met de bemonsterde plekken weergegeven.
Uit deze kaart volgt dat een deel van het onderzoeksgebied in deelgebied Veerstalblok ligt. In het inrichtingsplan staat beschreven dat botanische waarden in de huidige situatie zeer beperkt aanwezig zijn en dat deze aanwezig zijn op enkele plaglocaties die als proef in de jaren '90 zijn uitgevoerd. Ook staat in het inrichtingsplan dat uit een analyse op basis van het Beheer op Maat-model van de Wageningen University & Research (Melman& Visser, 2018) blijkt dat de voorgenomen maatregelen in Veerstalblok, verhoging van het waterpeil en plaggen, leiden tot een verbetering en uitbreiding van het weidevogelgebied. In het advies van het DAT Krimpenerwaard van 26 maart 2018 staat dat
201903001 /1 /R3
31
12 mei 2021
plaggen nodig is om de natuurdoelen met hoge botanische biodiversiteit te verwezenlijken. 32.5. De Afdeling ziet geen aanleiding te oordelen dat het bestemmingsplan voor de gronden van De Jong en Van Vliet niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Uit het voorgaande volgt, anders dan De Jong en Van Vliet stellen, dat lokaal onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het DAT bestaat uit prof. dr. L. P.M. Lamers van Rad boud Universiteit Nijmegen, dr. B.P.H. Peeters en dr. J.W. van der Schans, beiden van Wageningen University. In wat De Jong en Van Vliet hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om aan de deugdelijkheid van dat advies te twijfelen. Uit het voorgaande volgt ook dat het nemen van maatregelen, onder meer bestaande uit het afvoeren van nutriënten (meststoffen) door verhoging van het waterpeil en het deels afplaggen van gronden, nodig zijn om de ter plaatse beoogde natuurdoelen te bereiken. De Jong en Van Vliet hebben dit niet onderbouwd bestreden. Ook hebben zij niet concreet gemaakt op welke wijze de beoogde natuurdoelen ook met agrarisch gebruik kunnen worden bereikt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bestemming "Natuur", waar agrarisch (mede)gebruik niet is toegestaan, nodig is om de gestelde natuurdoelen te bereiken. Het betoog slaagt niet.
Gebruik chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen. 33. De Jong en Van Vliet betogen dat een regeling voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen niet thuishoort in het bestemmingsplan. 33.1. Artikel 6.4.1, aanhef en onder b en c, van de planregels bevat een regeling over het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. De Afdeling acht deze regeling, anders dan De Jong en Van Vliet, ruimtelijk relevant en daarmee passend in een bestemmingsplan. Het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen heeft immers invloed op de ontwikkeling van de in het bestemmingsplan aan de gronden toegekende bestemming "Natuur". Het betoog slaagt niet. Bedrijfsvoering 34. De Jong en Van Vliet betogen dat het toekennen van een natuurbestemming aan hun gronden, zonder de mogelijkheid van agrarisch (mede)gebruik en het daarbij behorende verbod op gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen, hun bedrijfsvoering onaanvaardbaar schaadt. 34. 1 . De Afdeling stelt voorop dat een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor nieuwe natuurontwikkeling niet uitsluitend wordt gekeken naar de belangen die gediend zijn met de realisatie van de natuurontwikkeling. Een goede
201903001 /1 /R3
32
12 mei 2021
ruimtelijke ordening vereist dat ook de belangen van daardoor benadeelden, zoals het melkveebedrijf van De Jong en het veehandelsbedrijf van Van Vliet, in die belangenafweging worden betrokken. Uit de zienswijzennota volgt dat de raad heeft onderkend dat de natuurontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van De Jong en Van Vliet. De omstandigheid dat zij als gevolg van de realisatie van de natuurontwikkeling niet langer een deel van hun gronden agrarisch kunnen gebruiken, betekent echter niet dat de raad niet in redelijkheid bij de planvaststelling een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de realisatie van die natuurontwikkeling, dan aan de bedrijfsbelangen van De Jong en Van Vliet. Dat op het moment van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering kunnen worden weggenomen, betekent evenmin dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling heeft kunnen overgaan. Indien De Jong en Van Vliet er niet voor kiezen de natuurontwikkeling zelf te realiseren, dan zal de natuurontwikkeling alleen mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving, dan wel onteigening van de gronden. Hierbij is minnelijke verwerving van de gronden het uitgangspunt.
Als die niet minnelijk kunnen worden verworven en tot onteigening wordt overgegaan, dan zullen De Jong en Van Vliet volledig schadeloos moeten worden gesteld, waarbij rekening gehouden moet worden met eventuele waardevermindering van resterende gronden die niet nodig zijn voor de realisatie van de gebiedsontwikkeling. Ook inkomstenderving is bij de schadeloosstelling inbegrepen. Hiermee zijn de belangen van De Jong en Van Vliet afdoende gewaarborgd (vergelijk ook overweging 83.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLl:NL:RVS:2016: 1072). Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN KRAMER EN VAN DER LAAN 35. Kramer en Van der Laan zijn eigenaar van gronden aan de Gouderakse Tiendweg 3. Hun gronden liggen binnen het plangebied (deelgebied Veerstalblok). Aan een deel van deze gronden is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend en aan de gronden ten zuidoosten daarvan de bestemming "Natuur". Op hun perceel exploiteren zij een opvang voor katten onder de naam Wetland-Cats. Zij kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij voeren het volgende aan. 36. Kramer en Van der Laan betogen dat de raad ten onrechte niet de met de gemeente gemaakte afspraak in het bestemmingsplan heeft opgenomen. 36. 1.
De raad stelt zich op het standpunt dat aan het perceel ten westen van het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" niet ook deze bestemming kon worden toegekend, omdat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet werd voldaan aan de voorwaarde dat Kramer en Van der Laan juridisch eigenaar zijn van dat perceel. 36.2. De Afdeling begrijpt het betoog van Kramer en Van der Laan zo dat de raad ten onrechte aan gronden ten westen van hun perceel niet de bestemming "Maatschappelijk" heeft toegekend, waardoor deze gronden niet
201903001 /1 /R3
33
12 mei 2021
gebruikt kunnen worden als uitloopgebied voor de katten. In de brief van 9 april 2019 is de eerder met Kramer en Van der Laan gemaakte afspraak neergelegd, waarin het college aangeeft onder voorwaarden bereid te zijn om mee te denken met de ontwikkeling van een uitloopmogelijkheid op het moment dat zij juridisch eigenaar zijn van het deel van het perceel, gelegen ten westen van het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" van Gouderakse Tiendweg 3 te Gouderak. Uit de stukken blijkt dat Kramer en Van der Laan ten tijde van de vaststelling nog geen juridisch eigenaar waren van die gronden. Dit wordt ook niet door hen betwist. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten aan die gronden niet de bestemming "Maatschappelijk" toe te kennen. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN MAATSCHAP HOGENDOORN (overige gronden) 37. Maatschap Hagendoorn exploiteert een melkveebedrijf aan de Veerstalblok 7 in Gouderak. Voor haar bedrijf maakt zij gebruik van ongeveer 26,5 ha waarvan ongeveer 25 ha binnen het plangebied (deelgebied Veerstalblok) ligt. Aan deze gronden is de bestemming "Natuur" toegekend. Zij kan zich niet verenigen met deze bestemming. Daartoe voert zij het volgende aan. Bedrijfsvoering 38. Maatschap Hagendoorn betoogt dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor haar bedrijfsvoering.
Zij stelt dat er al dertig jaar gesprekken worden gevoerd over eventuele aankoop van de gronden en opstallen, maar dat er tot op heden nog geen duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering zullen worden gecompenseerd. De raad had daarom het plan nog niet mogen vaststellen. Daarbij komt dat niet van alle percelen de bestemming wordt gewijzigd, terwijl die percelen behoren bij de gronden die voor verwerving of onteigening in aanmerking komen. Deze resterende gronden kunnen dan niet meer agrarisch worden gebruikt. Daarnaast is onduidelijk of die gronden na 2021 agrarisch blijven of niet. Als gevolg hiervan is het niet mogelijk om plannen voor de toekomst te maken. 38.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend. 38.2. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, moet de raad naast de belangen van de natuurontwikkeling ook de belangen van daardoor benadeelden, zoals Maatschap Hagendoorn, in zijn afweging betrekken. Gelet op de toegekende bestemming en artikel 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, is agrarisch gebruik niet toegestaan. Verder blijkt uit de Gebiedsovereenkomst en de Uitvoeringsovereenkomst dat de uitvoering gericht is op het realiseren van de natuur in 2021.
Uit de zienswijzennota volgt dat de raad heeft onderkend dat de natuurontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van Maatschap Hagendoorn. Dat Maatschap Hagendoorn hierdoor niet langer een
201903001/1/R3
34
12 mei 2021
melkveehouderij kan exploiteren, betekent echter niet dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de realisatie van de natuurontwikkeling dan aan de bedrijfsbelangen van Maatschap Hagendoorn. Dat op het moment van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt met Maatschap Hagendoorn over de wijze waarop de negatieve gevolgen kunnen worden weggenomen, betekent niet dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft kunnen overgaan. Zoals hiervoor eerder is overwogen kan Maatschap Hagendoorn de natuurontwikkeling zelf te realiseren, dan wel door minnelijke verwerving, dan wel onteigening van de gronden aanspraak maken op volledige schadeloosstelling, waarbij ook rekening gehouden zal worden met eventuele waardevermindering van resterende gronden die niet nodig zijn voor de realisatie van de gebiedsontwikkeling. Ook inkomstenderving is bij de schadeloosstelling inbegrepen. Hiermee zijn de belangen van Maatschap Hagendoorn afdoende gewaarborgd (vergelijk ook overweging 83.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLl:NL:RVS:2016: 1072). Ter zitting heeft de raad overigens expliciet toegezegd dat hij bij bedrijfsbeëindiging ook de resterende agrarische gronden van Maatschap Hagendoorn zal aankopen. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN OUDIJK-HESSELINK V.O.F. (overige gronden) 39.
Oudijk-Hesselink V.O.F. exploiteert een melkveebedrijf met ongeveer 150 melkkoeien en 100 stuks jongvee in Moordrecht. Ongeveer 30 ha van de 100 ha die zij in gebruik heeft voor haar bedrijf ligt in het landelijk gebied van de Krimpenerwaard. Het grasland wordt gebruikt voor beweiding van vee, bemesting en het creëren van een wintervoorraad gras. Hiervan ligt ongeveer 3,5 ha in het plangebied (deelgebied Bilwijk). Aan een perceel van 3,3 ha is, naar aanleiding van zijn zienswijze, de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. In het ontwerpplan hadden deze gronden nog de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik". Aan 0,2 ha is de bestemming "Natuur - Bestaand" toegekend. Oudijk-Hesselink V.O.F. kan zich niet met het plan verenigen, met name niet omdat zij vreest voor negatieve gevolgen voor haar bedrijfsvoering als gevolg van de beoogde natuurontwikkeling op omliggende gronden. Plangrens 40. Oudijk-Hesselink V.O.F. betoogt dat de raad bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan haar perceel ten onrechte binnen het plangebied heeft gelaten en daaraan de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft toegekend. De bij deze bestemming horende planregels hebben een andere invulling gekregen in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Zij voert aan dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom dit vanuit een goede ruimtelijke ordening nodig is.
Ook betoogt zij dat de raad ten onrechte een bestaande houtsingel binnen het plangebied heeft gelaten en niet heeft gemotiveerd waarom dit aan het natuurgebied moet worden toegevoegd om het te verwerven.
201903001/1/R3
35
12 mei 2021
40.1. Ingevolge het hiervoor ter plaatse van het perceel geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (voormalige gemeente Vlist), rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden" en deels de functieaanduiding "ecologische verbindingszone". Ingevolge artikel 3.1.16 van de regels van dat bestemmingsplan waren deze gronden mede bestemd voor de ontwikkeling van natuur. Aan de door Oudijk-Hesselink V.O.F. bedoelde houtsingel in het zuiden van haar perceel is in het plan de bestemming "Natuur-Bestaand" toegekend. Ingevolge het hiervoor geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" rustte hierop de bestemming "Natuur". 40. 2. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat natuurontwikkeling op het perceel van Oudijk-Hesselink V.O.F. niet meer wordt voorgestaan, zodat de regeling op grond van het bestemmingsplan "Landelijk' Gebied", waarbij aan het perceel een functieaanduiding "ecologische verbindingszone" was toegekend, niet meer passend is. Wat betreft de bestaande houtsingel heeft de raad toegelicht dat deze deel uitmaakt van de houtsingel aan de Schenkelkade en dat deze houtsingel voor diverse doelsoorten een verbindende functie heeft binnen het NNN.
Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling in wat OudijkHesselink V.O.F. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet.
Nut en noodzaak 41. Oudijk-Hesselink V.O.F. betoogt dat het toekennen van een natuurbestemming aan de gronden in het plangebied niet nodig is voor de ontwikkeling van natuur. Ook met een agrarische bestemming of agrarisch medegebruik kunnen deze doelen worden bereikt. Oudijk-Hesselink V.O.F. voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de beoogde natuurontwikkeling past binnen de natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de Krimpenerwaard. Ook voert zij aan dat een natuurbestemming ook niet nodig is om bodemdaling tegen te gaan en om uitstoot van CO te voorkomen. Oudijk-Hesselink V.O.F. stelt in dit verband dat het afplaggen juist leidt tot bodemdaling. Verder blijkt volgens haar uit het toestaan van cranberryteelt dat voor het tegengaan van bodemdaling een natuurbestemming niet nodig is. 41. 1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de beoogde natuurontwikkeling, waarbij het vergroten van de biodiversiteit en het tegengaan van een achteruitgang van planten centraal staat, een natuurbestemming nodig is. 41.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend.
201903001 /1/R3
36
12 mei 2021
41.3. Uit de plantoelichting volgt dat wordt beoogd in het plangebied gronden in te richten voor, onder meer, natuurbeheertype "kruiden- en faunarijk grasland", "vochtig weidevogelgrasland", "vochtig hooiland" en "Moeras. 41 .4. Zoals hiervoor onder 25. 1 is beschreven, zijn aan het plan de lnrichtingsMER, de Aanvulling Mer en de Robuustheidsanalyse ten grondslag gelegd. In het lnrichtingsMER zijn naast het nulalternatief meer alternatieven in beschouwing genomen. Onderzocht is het alternatief "Grutto en Otter" met drie subalternatieven waarbij is gezocht naar een optimalisatie van de realisatie van de natuurdoelstellingen en het alternatief "Groeiend Veen" dat is gericht op het maximaal tegengaan van bodemdaling. De subalternatieven hebben betrekking op de verschillen in de wijze en snelheid waarop het waterpeil wordt aangepast, waarbij wordt uitgegaan van het afplaggen van de bovenlaag. Bij het alternatief "Groeiend Veen" is niet uitgegaan van afplaggen omdat het bodemdaling tot gevolg heeft. Daarbij zijn ook de neveneffecten, waaronder die op de landbouw, betrokken. In het lnrichtingsMER is gezocht naar de combinatie van inrichtingsmaatregelen die de gestelde projectdoelen realiseert en tevens de grootste milieuwinst heeft. Het alternatief "Grutto en Otter" is gekozen als voorkeursalternatief.
In de Aanvulling MER is een voorkeursalternatief "Grutto en dotter" in beschouwing genomen, waarbij is gekozen voor diverse typen grasland met natuurwaarden voor weidevogels en andere voor het gebied karakteristieke planten en diersoorten. In deze aanvulling zijn ook de effecten op het landschap en de cultuurhistorie beschreven. Bij een vergelijking van de effecten met alternatief "Grutto en otter" scoort het alternatief "Grutto en dotter" beter op alle criteria van landschap en cultuurhistorie, waaronder het behoud van de karakteristieke landschapselementen en de openheid. In 2017 heeft bodemchemisch onderzoek per deelgebied plaatsgevonden. Daarbij is de haalbaarheid van de ontwikkeling van botanisch waardevolle graslanden op basis van bodemtype en bodemchemische samenstelling in beeld gebracht. De inrichtingsmaatregelen, waaronder afvoer van nutriënten door verschralen en plaggen en vernatten door plaggen, zijn daarbij betrokken. In paragraaf 3.5.1 van de plantoelichting staat beschreven dat de natuuropgave bestaat uit de realisatie van ongeveer 2.250 natuur van het NNN, gecombineerd met een bijpassend robuust en duurzaam watersysteem in het kader van de KRW en het tegengaan van bodemdaling. Het halen van de doelstellingen in het kader van het NNN en de KRW heeft prioriteit, het tegengaan van bodemdaling betreft een meekoppelend belang.
In de plantoelichting staat verder in paragraaf 4.3 de voorgenomen inrichting beschreven. Daar staat dat het bij de natuuropgave gaat om het herstellen van grote zelfstandig functionerende leefgebieden voor weidevogels en karakteristieke flora en fauna die van oudsher thuishoren in het veenweidegebied. De leefgebieden vormen een robuuste ecologische structuur door verbinding met elkaar. Weidevogelnatuur op gebiedsniveau bevat de natuurtypen: "vochtig weidevogelgrasland", "kruiden- en faunarijk grasland" en "vochtig hooiland. De gewenste botanische natuur in de Krimpenerwaard bestaat uit verschillende graslandtypen op voedselarme tot matige voedselrijk grond. In het inrichtingsplan staat bij de deelgebieden dat
201903001/1/R3
37
12 mei 2021
uit analyse op basis van het Beheer Op Maat-model van Wageningen University & Research (Melman&Visser, 2018) blijkt dat peilverhoging en plaggen leiden tot een (lichte) verbetering en uitbreiding van de weidevogelgebieden in die deelgebieden. In het advies van het DAT Krimpenerwaard van 26 maart 2018 staat dat plaggen nodig is om de natuurdoelen met hoge botanische biodiversiteit te verwezenlijken. In paragraaf 2.3 van de plantoelichting is ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het gebied bestaande uit een verkavelingspatroon met karakteristieke langgerekte percelen en poldersloten en in paragraaf 2.4 op de landschapswaarden van het gebied bestaande uit de verkaveling structuur en de openheid. Ook is in hoofdstuk 3 van de plantoelichting het rijks- en provinciaal beleid hierover beschreven. 41.5. Gelet op het voorgaande zijn bij de voorbereiding en vaststelling van het plan de gevolgen voor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden betrokken. Wat Oudijk-Hesselink V.O.F. heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de toegekende natuurbestemming leidt tot aantasting van die waarden, zoals in de plantoelichting is beschreven. Uit het voorgaande volgt ook dat maatregelen zoals het afvoeren van nutriënten (meststoffen) door verhoging van het waterpeil en het deels afplaggen van gronden, nodig zijn om de beoogde natuurdoelen te bereiken.
Oudijk-Hesselink V.O.F. heeft dit niet onderbouwd bestreden. Ook heeft zij niet geconcretiseerd op welke wijze de beoogde natuurdoelen ook met agrarisch gebruik kunnen worden bereikt. Verder blijkt uit de plantoelichting dat het voorkomen van bodemdaling, anders dan natuurontwikkeling, geen hoofddoel is. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bestemming "Natuur", waar agrarisch (mede)gebruik niet is toegestaan, nodig is om de gestelde natuurdoelen te bereiken. Het betoog slaagt niet. Bufferzone 42. Oudijk-Hesselink V.O.F. betoogt dat ten onrechte in het plan geen bufferzone van ongeveer 60 m is opgenomen tussen haar gronden met een agrarische bestemming en gronden met een natuurbestemming. Zij voert aan dat het toekennen van een natuurbestemming aan de gronden direct grenzend aan haar perceel negatieve effecten heeft in de vorm van onkruid bestuiving. Daarnaast vreest zij voor een toename van onwenselijk wild zoals ganzen en zwanen, die eerder het voedingrijke gras van haar percelen eten en voor een toename van mollen. Verder heeft zij bezwaar tegen de komst van hobbyboeren die geen verstand hebben van dierziekten.
Zij wijst er in dit verband op dat de in artikel 8, leden 8.4.1, onder d, en 8.5.2, opgenomen regels over onkruidbestrijding aan een adequaat en snel optreden tegen ongewenste gewassen en ziektes in de weg staat. Een adequaat en snel optreden is ook in het belang van de natuur. Bovendien is deze regeling niet ruimtelijk relevant. 42.1. Aan gronden ten westen van de gronden van Oudijk-Hesselink V.O.F. is de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik "
201903001/1/R3
38
12 mei 2021
toegekend. Aan gronden ten zuiden van zijn gronden, een strook van ongeveer 20 m, is de bestemming "Natuur- bestaand" toegekend en aan de gronden ten zuiden van die strook de bestemming "Natuur". 42. 2. De raad stelt zich op het standpunt dat een bufferzone niet nodig is, omdat er geen redenen zijn om te verwachten dat de door OudijkHesselink V.O.F. gevreesde ontwikkelingen zich zullen voordoen. Daarnaast wijst de raad op de faunaschaderegeling bij schade door ganzen of zwanen. Wat betreft de regeling voor gewasbeschermingsmiddelen stelt de raad zich op het standpunt dat deze regeling niet in de weg staat aan een adequaat optreden tegen een uitbraak van storingssoorten, zoals Akkerdistel, Jacobskruiskruid en Ridderzuring. Een daarvoor vereiste omgevingsvergunning kan al worden aangevraagd als een uitbraak dreigt. Verder zijn er geen gewasziekten in graslanden als gevolg van natuurontwikkeling bekend. 42.3. In artikel 8, lid 8.4.1, aanhef en onder d, van de planregels wordt voor de bestemming "Natuur-Extensief agrarisch medegebruik" het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot strijdig gebruik gerekend. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor het gebruik van die middelen tot 1 januari 2024, als aan de daar genoemde voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 8, lid 8.5.2, van de planregels bevat de bevoegdheid om van de eerder genoemde artikelen af te wijken voor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na 2024, als aan de daar genoemde voorwaarden wordt voldaan. 42.4. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting staat dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan op gronden met de bestemming "Natuur" en "Natuur -Extensief agrarisch medegebruik" vanwege het belang van de natuurontwikkeling. Omdat gebleken is dat natuurontwikkeling in de fase van overgangsbeheer nogal eens te kampen heeft met hardnekkige storingssoorten, staat verder in de plantoelichting dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de natuurgebieden tot 1 januari 2024, onder voorwaarden, is toegestaan voor de bestrijding van Akkerdistel, Jakobskruiskruid en Ridderzuring. Na deze datum is het gebruik alleen toegestaan bij omgevingsvergunning, indien een uitbraak van de storingssoorten dreigt. Verder staat in de plantoelichting beschreven waaruit een dreiging van een uitbraak kan worden afgeleid, zoals uit historische gegevens en algemene verwachtingen, gelet op storingssoortenverspreiding, bodemgesteldheid, klimaat, en dergelijke.
Anders dan Oudijk-Hesselink V.O.F., acht de Afdeling de in artikel 8, leden 8.4.1, aanhef en onder d, en 8.5.2, van de planregels neergelegde regeling over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ruimtelijk relevant en daarmee passend in een bestemmingsplan. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen heeft invloed op de ontwikkeling van de in het bestemmingsplan aan de gronden toegekende bestemming "NatuurExtensief agrarisch medegebruik". Verder volgt uit de planregels dat al een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd en verleend als een uitbraak van storingssoorten dreigt en niet pas als een uitbraak zich voordoet. Om tijdig te kunnen inspelen op een uitbraak en deze te voorkomen zijn de planregels bij amendement gewijzigd vastgesteld. Oudijk-Hesselink V.O.F. heeft deze wijziging niet onderkend.
201903001 /1 /R3
39
12 mei 2021
De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze regeling geen onevenredige nadelige gevolgen op de naastgelegen grond van Oudijk-Hesselink V.O.F. door ongewenste gewassen zullen ontstaan. Het standpunt van de raad dat geen gewasziekten bekend zijn als gevolg van natuurontwikkeling, heeft Oudijk-Hesselink V.O.F. niet bestreden. 42.5. De Afdeling ziet in wat Oudijk-Hesselink V.O.F. heeft aangevoerd geen grond voor de verwachting dat zich als gevolg van de naastgelegen natuurontwikkeling nadelige invloeden voordoen op het agrarische gebruik van zijn gronden, met uitzondering van schade door ganzen of zwanen. De raad heeft zich echter in redelijkheid, onder verwijzing naar de faunaschaderegeling, op het standpunt kunnen stellen dat de natuurontwikkeling niet leidt tot onevenredig nadelige gevolgen op gronden van Oudijk-Hesselink V.O.F. 42.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bufferzone niet nodig is. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN VERSTOEP (overige gronden) 43. Verstoep woont aan de Dorpsstraat 114 in Gouderak. Verstoep heeft een groothandel in levend vee, vlees, wild en gevogelte. Hij is eigenaar van gronden in het plangebied (deelgebied Middelblok). Als bedrijfsmatige nevenactiviteit fokt hij schapen, die hij op deze gronden houdt.
Aan deze gronden is de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" toegekend. Verstoep wil zelf de beoogde natuurontwikkeling op zijn gronden in het plangebied realiseren. Hij kan zich toch om de volgende redenen niet met de toegekende bestemming verenigen. Natuurbestemming 44. Verstoep betoogt dat een natuurbestemming voor de realisatie van de beoogde natuur niet noodzakelijk is, omdat het huidige grasland al natuur is. Ook had de raad deze bestemming nog niet mogen toekennen onder druk van onteigening, zolang nog geen duidelijkheid bestond over de financiële vergoedingen bij zelfrealisatie. 44. 1. Uit de plantoelichting volgt dat wordt beoogd de gronden van Verstoep in te richten voor het natuurbeheertype "kruiden- en faunarijk grasland". Verder staat in de plantoelichting dat zich in het zuidwesten van het deelgebied Middelblok een belangrijke weidevogelpopulatie bevindt. Beschreven wordt welke natuurbeheertypen in het kerngebied worden nagestreefd. In combinatie met de omliggende percelen met kruiden- en faunarijk grasland kan de bestaande weidevogelpopulatie worden behouden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bestemming "Natuur- Extensief agrarisch medegebruik" waar het door Verstoep gewenste
201903001 /1 /R3
40
12 mei 2021
agrarisch gebruik niet is toegestaan, noodzakelijk is om de gestelde natuurdoelen te bereiken. Hierbij betrekt de Afdeling dat Verstoep niet heeft onderbouwd dat de beoogde natuurdoelen ook met het door hem gewenste agrarische gebruik al zijn bereikt. De enkele omstandigheid dat zijn gronden grasland zijn, is daarvoor onvoldoende. 44.2. De raad heeft toegelicht dat ontwikkeling van de beoogde bestemming ook plaatsvindt door de grondeigenaren zelf, door middel van zelfrealisatie met behoud van eigendom. Wil of kan de eigenaar dit niet, dan wordt overgegaan tot verwerving van de gronden of wordt een onteigeningsprocedure gestart. De Afdeling constateert dat hieruit volgt dat zelfrealisatie geen verplichting is. De omstandigheid dat de regels en de financiële vergoedingen voor zelfrealisatie volgens Verstoep onduidelijk zijn, kan daarom niet afdoen aan de rechtmatigheid van het plan. Verder acht de Afdeling van belang dat - indien Verstoep er niet voor kiest de natuurontwikkeling zelf te realiseren - realisatie alleen mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving, dan wel onteigening van de gronden, waarbij minnelijke verwerving het uitgangspunt is. Indien de gronden niet minnelijk kunnen worden verworven en tot onteigening wordt overgegaan, zal Verstoep volledig schadeloos moeten worden gesteld.
Gelet op de beoogde einddatum voor het inrichten van de natuur van het NNN op rijksniveau van 2027 heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen aan het belang bij een voortvarende realisering van het natuurnetwerk in de Krimpenerwaard dan aan het belang van Verstoep om zonder druk van een mogelijke onteigening tot zelfrealisatie over te gaan. Het betoog slaagt niet. Berging 45. Verstoep betoogt dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet de bouw van een berging met een oppervlakte van 50 m? mogelijk is gemaakt op alle gronden die door zelfrealisatie voor natuur worden ontwikkeld, zoals wel is mogelijk gemaakt voor de gronden met de specifieke vorm van agrarisch gebruik voor cranberryteelt. 45.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een berging voor gereedschap en machines van 50 m2 nodig bleek voor de cranberryteelt. Daarbij heeft de raad betrokken dat de bestaande cranberryteelt in de polder Middelblok mogelijk is gemaakt bij wijze van proefproject om te onderzoeken in hoeverre natte teelten samen kunnen gaan met natuurontwikkeling. 45.2.
Ingevolge artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder d, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch cranberryteelt" één gebouw voor de berging van gereedschap en machines ten behoeve van de cranberryteelt toegestaan, met een oppervlakte van maximaal 50 m? en een bouwhoogte van maximaal 3 meter. Deze aanduiding is toegekend aan een deel van de gronden in deelgebied Middelblok met de bestemming "Natuur". 45.3. De raad heeft evenwel in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om ook voor percelen met de bestemming "Natuur - Extensief agrarische
201903001 /1 /R3
41
12 mei 2021
medegebruik" de bouw van een berging van 50 m? mogelijk te maken. Verstoep heeft overigens niet onderbouwd waarom ook voor het agrarisch medegebruik van gronden met die bestemming een berging nodig zou zijn. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN VONK-VAN DER LAAN 46. Vonk-van der Laan is eigenaar van het perceel Groeneweg 1 in Stolwijk. Zij woont op dit perceel en gebruikt het achtergelegen weiland voor het hobbymatig houden van paarden. Haar perceel heeft een oppervlakte van in totaal 1.55.50 ha, daarvan ligt ongeveer 1 ha in het plangebied (deelgebied Bilwijk). Aan deze gronden is grotendeels de bestemming "Natuur" toegekend en aan een klein deel de bestemming "Agrarisch met waarden" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatiepaardenbak". Zij kan zich niet verenigen met de bestemming "Natuur". Daartoe voert zij het volgende aan. 4 7. Vonk-van der Laan betoogt dat de raad ten onrechte aan een deel van haar perceel een natuurbestemming heeft toegekend. Zij voert aan dat het daardoor niet meer mogelijk is de paardenstallen en paardenbak op het overige deel van haar perceel in overeenstemming met de daarop rustende bestemming te gebruiken. Verder heeft de raad volgens haar onvoldoende gemotiveerd dat de natuurwaarden en/of waterkwaliteit in het gebied in het gedrang komen, indien het perceel buiten het plan blijft.
De raad had gebruik kunnen maken van de mogelijkheid die de Omgevingsverordening ZuidHolland biedt om de begrenzing aan te passen. 4 7. 1. De raad heeft zich op het standpunt geteld dat het vanuit de natuurwaarden en waterkwaliteit die in het gebied worden nagestreefd en vanuit waterhuishoudkundige motieven niet aanvaardbaar is om de agrarische bestemming te handhaven. Daarbij heeft de raad betrokken dat het perceel van Vonk-van der Laan met een breedte van 60 m en een lengte van ongeveer 300 m midden in het natuurgebied ligt waar het waterpeil wordt aangepast. 47.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend. 47.3. Niet in geschil is dat het college van gedeputeerde staten onder voorwaarden kan instemmen met het ontgrenzen van de NNN. Dit is mogelijk als i) het ontgrenzen de realisatie van het NNN efficiënter en effectiever kan doen verlopen, ii) als de NNN-doelstellingen ook zonder de bewuste gronden kunnen worden gehaald en iii) als de oppervlakte van het NNN per saldo gelijk blijft, met een marge van 1 %. 4 7.4. Uit de plantoelichting volgt dat wordt beoogd de gronden in te richten voor natuurbeheertype "kruiden- en fauna rijk grasland".