CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL Uitspraak Raad van State inzake bestplan Natuurgebieden

Oordeelsvorming R&F (RZ) 29 juni 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Opnieuw vaststelling bestemmingsplan Natuurgebieden inzake het perceel Opperduit 78, Lekkerkerk (5 min)21.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raad vanState 201903001 /1 /R3. Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51 d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen: 1.

2. 3. 4. 5. 6. 7.

8.

Agrarisch bedrijf De Groot, gevestigd te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, en G.C. de Groot en J. de Groot-Halling, beiden wonend te Goudenrak, gemeente Krimpenerwaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: De Groot), J.M. Baas-Blanken, wonend te Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, R.J. Boers en anderen, allen wonend te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, R. Ernst en anderen, allen wonend te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, A. Faaij en anderen, allen wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, G.K. Heuvelman, wonend te Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Krimpenerwaard, S.C. Hoog hart en T.A.J. Hooghart, beiden wonend te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Hoog hart), T.M. de Jong V.O.F., gevestigd te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, waarvan de vennoten zijn T.M. de Jong en P.H. de Jong-Marelis, beiden wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, en V.O.F. Van Vliet, gevestigd te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, waarvan de vennoten zijn F. van Vliet en

201903001/1/R3

2

12 mei 2021

P.J. van Vliet-van der Mark, beiden wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard (hierna: De Jong en Van Vliet), 9. W. Kramer en A.W. van der Laan, beiden wonend te Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard (hierna: Kramer en Van der Laan), 1 O. Maatschap Hagendoorn, gevestigd te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, waarvan de maten zijn G.M. Hagendoorn en G.C. Hogendoorn-Godwaldt, beiden wonend te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard (hierna: Maatschap Hogendoorn), 11. T. Oskam en anderen, allen wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, 12. Oudijk-Hesselink V.O.F, gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas, waarvan de vennoten zijn P. Oudijk, wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas, en anderen (hierna: Oudijk-Hesselink V.O.F.), 13. D.A. Verstoep en A. Verstoep-Trouwborst, beiden wonend te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Verstoep), 14. S.C. Vonk-van der Laan, wonend te Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard, 15. A. Weerman en anderen, allen wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard. appellanten, en de raad van de gemeente Krimpenerwaard, verweerder.

201903001/1/R3

3

12 mei 2021

Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard" gewijzigd vastgesteld. Tegen dit besluit zijn de beroepen gericht. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2021, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen. Overwegingen INLEIDING 1. Het plan heeft als doel de ontwikkeling van natuur en een duurzaam watersysteem in de Krimpenerwaard. Het plan voorziet, onder meer, in de aanleg van natuur op gronden die nu nog in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. De te ontwikkelen natuur zal onderdeel worden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Deze ontwikkeling vloeit voort uit de Gebiedsovereenkomst Veenweiden Krimpenerwaard 2014-2021 (hierna: Gebiedsovereenkomst), die in 2014 is gesloten tussen de provincie ZuidHolland, het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist (tegenwoordig gezamenlijk: gemeente Krimpenerwaard). Om de natuurontwikkeling van in totaal ongeveer 2. 250 ha planologisch mogelijk te maken, zijn de benodigde bestemmingsplannen voor een aantal deelgebieden van het NNN al vastgesteld.

Dit plan maakt voor de overige deelgebieden, te weten, Den Hoek, het noordelijk deel van Oudeland, het deel van Achterbroek dat nog tot het NNN behoort, Kattendijksblok, Middelblok, Veerstalblok, Bilwijk en Kadijk-West het resterende, grootste deel van de natuurontwikkeling mogelijk. Ook zijn enkele wijzigingsgebieden in de deelgebieden Berkenwoudse Driehoek en De Nesse in het plangebied opgenomen. Tot slot is in het plan het deelgebied Bergambacht-West meegenomen, waarmee de daar gerealiseerde natuurontwikkeling planologisch is geborgd. Het Inrichtingsplan Krimpenerwaard van 5 maart 2019 (hierna: het inrichtingsplan) bevat een uitwerking van de natuuropgave. Daarin worden per deelgebied en natuurtype de randvoorwaarden voor beheer en inrichting weergegeven. In de plantoelichting is deze uitwerking overgenomen. 2. Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

201903001 /1 /R3

4

12 mei 2021

TOETSINGSKADER 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. ONTGRENZINGEN DEELGEBIEDEN BILWIJK EN MIDDELBLOK 4. Faaij en anderen en Weerman en anderen wonen aan het Beemdgras in Haastrecht. Oskam en anderen wonen aan de Schaatsenrijder in Haastrecht. Zij kunnen zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van het plan, voor zover daarbij de bestemming van de gronden achter hun woningen in het deelgebied Bilwijk ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd van "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" in "Agrarisch met waarden". Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep wonen aan en/of hebben gronden ter plaatse van het deelgebied Middelblok in Gouderak.

Zij kunnen zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van het plan, voor zover daarbij de bestemming van de gronden in dit deelgebied ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd van "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" in "Agrarisch met waarden". Zij voeren hierover het volgende aan. De Afdeling zal eerst ingaan op de algemene beroepsgronden die door alle hiervoor genoemde appellanten zijn aangevoerd. Daarna worden de beroepsgronden per deelgebied behandeld. Procedure 5. Faaij en anderen, Oskam en anderen, Weerman en anderen, Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep betogen dat het plan ten onrechte gewijzigd is vastgesteld zonder opnieuw een ontwerpplan ter inzage te leggen. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen wijzen in dat verband op de gewijzigde bestemming van de gronden in deelgebied Bilwijk. Volgens Oskam en anderen is als gevolg van de bestemmingswijziging sprake van een wezenlijk ander plan, te meer nu aan deze wijziging beoogde woningbouw ten grondslag ligt. Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep wijzen op de gewijzigde bestemming van de gronden in deelgebied Middelblok. Omdat niet opnieuw de wettelijke procedure is doorlopen, hebben zij niet de mogelijkheid gehad om alsnog een inspraakreactie en/of zienswijze over de wijzigingen naar voren te brengen. Verder stelt Verstoep dat de wijziging van de

201903001 /1 /R3

5

12 mei 2021

begrenzing van het NNN ten onrechte via het bestreden plan is vastgesteld, terwijl dit in strijd is met de rechtszekerheid. 5.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. 5. 2. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd heeft vastgesteld. De wijziging waarnaar Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen verwijzen betreft een bestemmingswijziging van "Natuur - Extensief Agrarisch medegebruik" naar "Agrarisch met waarden" van het plandeel ten zuiden van de kern van Haastrecht in het deelgebied Bilwijk. Deze wijziging is het gevolg van het amendement A19-15. De wijziging waarnaar Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep verwijzen betreft de bestemmingswijziging van "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" naar "Agrarisch met waarden" van het plandeel ten oosten van de kern van Gouderak in zuidelijke richting in het deelgebied Middelblok. Deze wijziging is het gevolg van het amendement A19-16.

Hoewel het plan door de aanvaarding van de beide amendementen door de raad niet meer voorziet in de door appellanten gewenste natuurbestemmingen, zijn deze wijzigingen naar het oordeel van de Afdeling naar aard en omvang echter niet zo groot dat moet worden geoordeeld dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat de wijziging van "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" naar "Agrarisch met waarden" in deelgebied Bilwijk ziet op een gebied met een omvang van ongeveer 5 ha en in deelgebied Middelblok op een gebied van ongeveer 3,5 ha, terwijl het totale plangebied 2.250 ha beslaat. De omstandigheid dat eventuele woningbouwplannen aan de bestemmingswijziging ten grondslag liggen, zoals door Oskam en anderen is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat het plan gelet op artikel 3, lid 3.1, van de planregels op de desbetreffende gronden niet voorziet in woningbouw. De conclusie is daarom dat de raad niet opnieuw een ontwerpplan ter inzage hoefde te leggen. 5.3. Voor zover Verstoep stelt dat met het plan de begrenzing van het NNN is gewijzigd en dat dit in strijd is met de rechtszekerheid omdat hiervoor een aparte procedure moet worden gevolgd, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de raad met het plan de bestemmingen van de desbetreffende gronden in het deelgebied Middelblok gewijzigd van "Natuur - Extensief Agrarisch medegebruik" naar "Agrarisch met waarden". Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland is bevoegd om de definitieve begrenzing van het NNN vast te stellen en aan te passen op grond van artikel 6.24, derde lid, van de Verordening van provinciale staten van Zuid-Holland van 20 februari 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (hierna: de Omgevingsverordening Zuid-Holland). Hierbij wijst de Afdeling erop dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 9 april 2019 de begrenzing van het NNN ook daadwerkelijk heeft aangepast. In

201903001 /1 /R3

6

12 mei 2021

tegenstelling tot wat Verstoep stelt, is met het plan de begrenzing van het NNN dus niet aangepast. 5.4.

De betogen slagen niet.

Vertrouwensbeginsel 6. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen, betogen dat de raad met zijn keuze om aan de gronden in deelgebied Bilwijk toch geen natuurbestemming toe te kennen, heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Volgens hen zijn er al sinds de jaren negentig concrete plannen voor de aanleg van een grootschalig natuurgebied aan de zuidkant van Haastrecht, ten zuiden van hun woningen. Deze plannen zijn neergelegd in verschillende overeenkomsten die door de gemeente zijn getekend, zoals het Veenweidepact Krimpenerwaard en de Gebiedsovereenkomst. Zij mochten er, gelet op deze plannen, van uitgaan dat hun wijk direct zou grenzen aan het NNN en dat zij daarom hun vrije uitzicht zouden behouden. De gemeente en de raad hebben die verwachting volgens Oskam en anderen altijd gewekt en nooit ontkracht. Ook Ernst en anderen betogen dat de raad met zijn keuze om aan de gronden in deelgebied Middelblok toch geen natuurbestemming toe te kennen, heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij wijzen erop dat de familie Van der Post, de familie Van der Vlist en de familie De Zwart hun percelen hebben verkocht aan het Bureau Beheer Landbouwgronden, respectievelijk aan de provincie Zuid-Holland, onder de voorwaarde dat de percelen worden ingezet ten behoeve van de ontwikkeling van de natuur en deel uit zullen gaan maken van het NNN. 6.1.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. 6.2. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de met de gemeente gesloten overeenkomsten, namelijk het Veenweidepact Krimpenerwaard en de Gebiedsovereenkomst, ten opzichte van hen door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat hun wijk direct zou grenzen aan het NNN, noch dat zij daarom ook hun vrije uitzicht zouden behouden. Vaststaat dat uit de Gebiedsovereenkomst volgt dat met de daarin opgenomen afspraken het Veenweidepact Krimpenerwaard is vervallen.

In de Gebiedsovereenkomst staat dat de natuuropgave van de gemeente Krimpenerwaard de realisatie van ongeveer 2.250 ha van de Ecologische Hoofdstructuur, thans het NNN, voor 2021 betreft en dat onder meer de uitvoering en de daarbij behorende

201903001/1/R3

7

12 mei 2021

taakverdeling, verdere verantwoordelijkheden en de aansprakelijkheden worden uitgewerkt en vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst. De Gebiedsovereenkomst bevat geen toezegging het NNN mogelijk te maken, grenzend aan de wijk van appellanten. Verder volgt uit de Uitvoeringsovereenkomst Krimpenerwaard 2015-2021 (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) dat onderdeel van deze overeenkomst is om de definitieve begrenzing van het NNN in het gebied uit te werken, maar dat provinciale staten van Zuid-Holland sinds 2013, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bevoegd heeft gemaakt om over de definitieve begrenzing van het NNN te besluiten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om over de begrenzing van het NNN te besluiten ook volgt uit artikel 6.24, derde lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een ontwerpplan geen rechten kunnen worden ontleend. De raad kan en mag op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen, zoals deze bijvoorbeeld uit zienswijzen naar voren zijn gekomen, andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Daarnaast konden Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen gelet op het vorenstaande aan het Veenweidepact Krimpenerwaard, de Gebiedsovereenkomst en de Uitvoeringsovereenkomst wel de verwachting ontlenen dat hun wijk direct zou kunnen gaan grenzen aan het NNN en zij hun vrije uitzicht zouden kunnen blijven behouden, maar bood de raad hierover ten tijde van de planvaststelling nog geen zekerheid. De overeenkomsten boden namelijk aan de raad en aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland de ruimte dat de precieze invulling op onderdelen anders zou kunnen uitvallen. De Afdeling kan uit de stukken niet opmaken dat de raad of het college van gedeputeerde staten van ZuidHolland zich heeft willen vastleggen om deze gronden een natuurbestemming te geven. Voor zover Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen ook wijzen op de omstandigheid dat in de "Nota van Uitgangspunten. Bestemmingsplan Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard" van oktober 2017 (hierna: de nota van uitgangspunten) en in het ontwerpplan de gronden van hun wijk wel zouden grenzen aan het NNN, overweegt de Afdeling dat zij uit de nota van uitgangspunten en het ontwerpplan niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen verkrijgen dat de raad de bestemming voor deze gronden niet zou wijzigen.

De nota van uitgangspunten is opgesteld in het kader van het voornemen om het bestreden plan vast te stellen. Uit de nota van uitgangspunten zelf volgt al dat het bestreden plan een globaal bestemmingsplan zou worden. 6.3. Voor zover Ernst en anderen stellen dat er sprake is van contractbreuk en daarmee ook een schending van het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat de raad krachtens zijn publiekrechtelijke bevoegdheden, na afweging van alle betrokken belangen, bestemmingen en voorschriften voor gronden kan vaststellen in een bestemmingsplan. Eigendomsverhoudingen staan hieraan in beginsel niet in de weg. Dat de raad zich omwille van de contracten heeft vastgelegd over hoe hij zijn bevoegdheden zou uitoefenen - wat daar verder ook van zij - is niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk dat in dat verband

201903001 /1 /R3

8

12 mei 2021

toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit Ernst en anderen dit redelijkerwijs konden en mochten afleiden. Overigens was de gemeente ook geen partij bij de contracten voor de verkoop van de percelen van de desbetreffende families aan het Bureau Beheer Landbouwgronden, respectievelijk de provincie Zuid-Holland. Dat daarin zou zijn overeengekomen dat de percelen moesten worden ingezet ten behoeve van de ontwikkeling van de natuur en deel uit zullen maken van het NNN bindt de raad dan ook niet. Dat de toegekende agrarische bestemming contractbreuk is, - wat hier verder ook van zij - betreft dit een privaatrechtelijke kwestie, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Overigens merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken dat de koopovereenkomst met familie De Zwart is ontbonden en dat deze familie haar gronden weer terug in eigendom heeft, terwijl de familie Van der Post en de familie Van der Vlist een civiele procedure zijn gestart tegen het Bureau Beheer Landbouwgronden respectievelijk de provincie Zuid-Holland. 6.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. De betogen slagen niet. 7. De Afdeling bespreekt hierna eerst de gronden over amendement A19-15, die naar voren zijn gebracht door Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen.

Vervolgens bespreekt de Afdeling de gronden over amendement A19-16, die naar voren zijn gebracht door Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep. Amendement A19-15 (deelgebied Bilwijk) Ten onrechte woningbouwplannen als onderbouwing 8. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen betogen dat de raad ten onrechte voornemens tot realisering van woningbouw ten zuiden van hun woningen aan de wijziging ten grondslag heeft gelegd. Volgens hen stelt de raad ten onrechte dat de gronden ten zuiden van hun woningen de enige beschikbare locatie voor woningbouw zijn, aangezien er op andere locaties al concrete woningbouwplannen zijn. Daarnaast liggen deze gronden volgens Faaij en anderen en Oskam en anderen in het buitengebied, waar in principe niet mag worden gebouwd. Oskam en anderen wijzen er in dat verband op dat een motivering als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) ontbreekt. Ook gaat de raad ten onrechte voorbij aan de molenbiotoop die in het gebied ligt, aldus Oskam en anderen. 8.1. Met het plan is aan de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. De Afdeling stelt op grond van artikel 3, lid 3.1, van de planregels vast dat deze bestemming niet voorziet in de mogelijkheid tot woningbouw. 8.2.

Uit de aanvaarding van het amendement A19-15 volgt dat de raad heeft afgezien van de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" omdat - kort samengevat - met die bestemming uitbreiding

201903001 /1 /R3

9

12 mei 2021

van de kern van Haastrecht aan deze zijde niet meer mogelijk is, terwijl het voor de korte en middellange termijn noodzakelijk is om ruimte voorhanden te hebben met het oog op de woningbehoefte en een uitbreiding aan de zuidzijde daarvoor de enige reële mogelijkheid is. De raad heeft in dit verband toegelicht dat het volgens hem niet past om, ondanks die voorzienbare behoefte, daarvoor geschikte gronden aan te wijzen als natuurgronden. Als de bouwgrond in de nabije toekomst daadwerkelijk nodig blijkt, is het volgens de raad niet alleen inefficiënt om de natuurbestemming weer ongedaan te moeten maken, maar bovendien de vraag of dat zonder aantasting van het NNN wel mogelijk is. 8.3. In het licht van de bovenstaande motivering bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zijn keuze om aan de gronden niet de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" toe te kennen onvoldoende heeft gemotiveerd. De door appellanten gestelde omstandigheden dat er ook andere locaties voor woningbouw beschikbaar zijn of al zijn aangewezen en dat de gronden in het buitengebied en deels binnen de molenbiotoop liggen, leiden niet tot een ander oordeel.

Niet uitgesloten is immers dat in de toekomst op de betreffende gronden, al dan niet onder beperkende voorwaarden, woningbouw zou kunnen worden toegestaan Dat niet is gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de woningbouwbehoefte kan worden voorzien, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, is niet relevant, nu deze bepaling niet van toepassing is. Het plan voorziet niet in een woningbouwlocatie en maakt ook anderszins geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1 .1 .1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro mogelijk. De betogen slagen niet. Ten onrechte geen onderzoek naar gevolgen van het NNN 9. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen betogen verder dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de ontgrenzing voor het NNN. De stukken die aan het plan ten grondslag liggen, zoals de Gebiedsovereenkomst, het inrichtingsplan, de ecologische onderzoeken en analyses en het planMER, voldoen volgens hen niet meer, omdat hierin is uitgegaan van een natuurbestemming. Deze stukken kunnen volgens hen niet zonder nader onderzoek worden aangepast overeenkomstig de bestemmingswijziging. Volgens hen kunnen de natuurdoelen als gevolg van de gewijzigde vaststelling niet worden behaald.

In dit verband achten zij van belang dat in de plantoelichting onder meer staat dat de grootschaligheid en robuustheid van de aan te leggen natuur essentieel zijn en dat verzoeken van andere betrokkenen om géén natuurbestemming toe te kennen ook om deze reden zijn afgewezen. Daarnaast wijzen Faaij en anderen en Weerman en anderen op het memo van 8 december 2017, waaruit volgens hen volgt dat door deze wijziging het gehele gebied "Achterpoort" van circa 20 ha ongeschikt wordt voor weidevogels. Tot slot wijzen zij op een notitie van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn van 28 februari 2019, waarin wordt afgeraden om de amendementen aan te nemen vanwege alle risico's, aldus appellanten. Volgens Oskam en anderen is gelet hierop de uitvoerbaarheid van

201903001/1/R3

10

12 mei 2021

het plan in het geding, en zijn ook de financiële en economische haalbaarheid ten onrechte niet nader beschouwd. Zij wijzen in dat verband op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro. 9.1. Uit de plantoelichting volgt dat met de natuurontwikkeling van ongeveer 2.250 ha natuur wordt beoogd om grote zelfstandig functionerende leefgebieden voor weidevogels en karakteristieke flora en fauna die van oudsher thuishoren in het veenweidegebied te herstellen. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat er wordt gestreefd naar 50% weidevogelnatuur, 35% botanische natuur en 15% kleinschalige landschapselementen. Blijkens het inrichtingsplan bij het ontwerpplan werd voor de gronden achter de woningen van appellanten ingezet op de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland. 9.2. In amendement A19-15 staat dat de ontgrenzing van 5 ha nabij de woningen van appellanten geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de natuurontwikkeling, zoals afgesproken in de Gebiedsovereenkomst. Volgens het amendement ziet de ontgrenzing op O, 7% van het totale gebied met een botanische doelstelling en liggen de desbetreffende gronden niet op een strategische plek binnen de natuurbegrenzing, maar wel ver genoeg van de percelen met een weidevogeldoelstelling ten zuiden van de Bilwijkerweg, zodat er geen sprake is van een verstorende werking op deze percelen.

Ook staat in het amendement dat het verleggen van de grens van de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" geen onevenredige afbreuk doet aan de natuurdoelen, de waterkwaliteit en de landschappelijke waarden die in het gebied worden nagestreefd. In dit kader stelt de raad in zijn verweerschrift dat het plan op deze gronden niet voorziet in activiteiten waarvan enige milieugevolgen te verwachten zijn, omdat er conserverend wordt bestemd. Ook vormen de percelen niet een essentieel onderdeel van het NNN, noch waren deze nodig om nadelige milieugevolgen elders in het plangebied te compenseren voor het behalen van natuurdoelen, aldus de raad. De in dit opzicht gewijzigde vaststelling leidt er dus niet toe dat er nadelige milieugevolgen kunnen optreden die niet in het planMER zijn betrokken, aldus de raad. 9.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad, gelet op deze uiteenzetting, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gewijzigde vaststelling met betrekking tot de gronden in het deelgebied Bilwijk niet tot gevolg heeft dat de natuurdoelen in het plan niet langer kunnen worden behaald. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

Daarvoor is redengevend dat de omvang van het gebied in verhouding tot het totale tot natuur te ontwikkelen gebied beperkt is en niet cruciaal is voor het bereiken van de natuurdoelen van het NNN. Dit wordt ook bevestigd in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 9 april 2019, waarbij het college de begrenzing van het NNN dienovereenkomstig heeft aangepast. Daarbij heeft de raad ter zitting nader toegelicht dat het amendement is opgesteld door ecoloog A. Bijlmer, werkzaam bij de provincie Zuid-Holland, die de eventuele gevolgen van een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan voor het deelgebied Bilwijk voor het NNN heeft onderzocht. Verder kan aan het memo van 8 december

201903001 /1 /R3

11

12 mei 2021

2017 niet de betekenis worden toegekend die appellanten daaraan gehecht willen zien, aangezien dit memo ingaat op de gevolgen van woningbouw in het gebied Achterpoort, terwijl het plan daar niet in voorziet en de gronden waarop het memo betrekking heeft niet zijn beperkt tot die waarop het amendement betrekking heeft. Dit geldt ook voor de notitie van 28 februari 2019, alleen al omdat deze notitie geen ecologische analyse bevat, maar alleen de juridische aspecten van de ontgrenzing uiteenzet. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zowel het memo als de notitie zijn opgesteld in het kader van het voornemen om 20 ha grond te ontgrenzen, terwijl de ontgrenzing in het deelgebied Bilwijk een omvang van ongeveer 5 ha heeft. Gelet op het vorenstaande bestaat ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de rapportages en onderzoeken die aan het plan ten grondslag liggen. De stelling van Oskam en anderen dat de economische en financiële haalbaarheid in het geding is door de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan voor het deelgebied Bilwijk is niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Daardoor valt niet in te zien waarom de economische en financiële haalbaarheid van het plan in het gedrang komt. De raad mocht dan ook van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan uitgaan. 9.4.

De betogen slagen niet.

Gevolgen omwonenden 1 O. Faaij en anderen, Oskam en anderen en Weerman en anderen stellen dat zij schade lijden als gevolg van het plan. Zo leidt het plan tot een aantasting van hun woongenot. Zij hebben nu vrij zicht over weilanden en zij zijn er altijd van uitgegaan dat dit in de toekomst een natuurgebied zou worden, terwijl nu een woonwijk wordt beoogd. Daarbij leidt het plan tot waardedaling van hun woningen. Volgens hen dient de gemeente deze schade te vergoeden. Oskam en anderen voeren in dat verband aan dat de keuze om toch geen natuurbestemming aan deze gronden toe te kennen, op het moment dat zij hun woningen kochten niet voorzienbaar was. Weerman en anderen en Oskam en anderen betogen voorts dat een deugdelijke belangenafweging ontbreekt. Er wordt wel gesteld dat met de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan voor het deelgebied Bilwijk een algemeen belang wordt gediend, maar wat dat belang is, wordt niet duidelijk. Daarbij merken zij op dat verzoeken van andere betrokkenen op andere locaties om geen natuurbestemming toe te kennen juist niet worden gehonoreerd vanwege de natuurbelangen. 10.1.

Uit wat hiervoor is overwogen onder 9.3 volgt dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen het bestemmingsplan voor het deelgebied Bilwijk gewijzigd vast te stellen, in die zin dat aan circa 5 ha geen natuurbestemming is toegekend en de agrarische bestemming te handhaven, teneinde op die wijze eventuele toekomstige woningbouwplannen niet op voorhand te frustreren. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad aan dat belang geen groter gewicht mocht toekennen dan aan de belangen van omwonenden bij een natuurbestemming. De Afdeling volgt appellanten dan ook niet in hun stelling dat dit plan leidt tot aantasting van het woongenot, aangezien deze gronden in het

201903001/1/R3

12

12 mei 2021

voorheen geldende plan eveneens een agrarische bestemming hadden. Daarnaast is de Afdeling niet gebleken dat de door appellanten gestelde financiële schade zo groot is dat de raad in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van de natuurbestemming, reeds omdat de bestaande agrarische bestemming van de gronden ten zuiden van hun woningen is blijven gelden. De Afdeling acht verder niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde waardevermindering van de woningen van appellanten zodanig zal zijn dat de raad hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Ook de omstandigheid dat de raad er op andere locaties voor heeft gekozen niet af te zien van de natuurbestemming, leidt niet tot het oordeel dat de raad in dit geval eveneens een doorslaggevend gewicht aan de natuurbelangen had moeten toekennen. De betogen slagen niet. Amendement A 19-16 (deelgebied Middelblok) Ten onrechte plannen voor woningbouw en sportvelden als onderbouwing 11. Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep betogen dat de raad ten onrechte plannen voor de aanleg van sportvelden en woningbouw ten zuidoosten van hun woningen respectievelijk gronden aan de wijziging ten grondslag heeft gelegd, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom het algemeen belang gediend is met de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan het daarvoor opofferen van natuur.

Volgens Boers en anderen stelt de raad ten onrechte dat de sportvelden moeten worden verplaatst naar de gronden achter hun woningen, omdat de huidige locatie van de sportvelden in de nabijheid van de dijk leidt tot verkeersonveilige situaties op en bij de dijk. Boers en anderen wijzen er op dat de gemeente al jaren bezig is met het verminderen van (vracht)verkeer op de dijk en dat fietsers de huidige sportvelden fietsend door de polder kunnen bereiken waar geen gemotoriseerd verkeer mag komen. Daarnaast stellen Boers en anderen dat de huidige sportvelden beter kunnen worden verplaatst naar de gronden achter het zwembad, omdat op die locatie niemand er last van heeft. Volgens Ernst en anderen draagt het verplaatsen van de sportvelden niet bij aan een toename van de verkeersveiligheid. Ernst en anderen wijzen erop dat vanuit ecologisch en landschappelijk oogpunt de uitbreiding van de sportvelden aan de zuidzijde van het dorp veel aantrekkelijker is dan aan de oostzijde. Verder stellen Boers en anderen, Ernst en anderen en Verstoep dat de raad ten onrechte meent dat de gronden achter hun woningen de enige beschikbare locatie voor woningbouw zijn, omdat er op andere plekken in de dorpskern voldoende ruimte is.

Daarbij wijzen Ernst en anderen erop dat in het zuiden of het westen naast de Stolwijksche Boezem op z'n minst gelijkwaardige mogelijkheden zijn tot uitbreiding, omdat de bestemming op deze gronden ook van "Agrarisch met waarden" kan worden omgezet naar "Natuur - Extensief agrarisch beheer". Ernst en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte betoogt dat die gronden in de Structuurvisie Ouderkerk 2030 als bouwlocatie zijn aangewezen en daarom niet behoren tot het NNN. Volgens Ernst en anderen liggen de gronden waar amendement A 19-16 op ziet buiten de in de Structuurvisie aangegeven bouwlocatie en is het amendement daarom in

201903001/1/R3

13

12 mei 2021

strijd met de Structuurvisie. Tot slot wijzen Boers en anderen erop dat de bestemming "Agrarisch met waarden" te breed is en dat daaronder niet de aanleg van sportvelden of woningbouw vallen. Daarnaast wijst Verstoep erop dat er in het bestreden plan ten onrechte niets is opgenomen over de financiële haalbaarheid en de aanpak van stikstof voor de aanleg van de sportvelden en/of de woningbouw. 11 . 1. Met het plan en de aanvaarding van amendement A 19-16 is aan de betreffende gronden in het deelgebied Middelblok alsnog de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. De Afdeling stelt vast dat deze bestemming, gelet op artikel 3, lid 3.1, van de planregels niet voorziet in de mogelijkheid tot woningbouw of de aanleg van sportvelden. 11 . 2. Uit de aanvaarding van het amendement A19-16 volgt dat de raad heeft afgezien van de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" omdat - kort samengevat - daarmee uitbreiding van de kern van Gouderak in de vorm van woningbouw of de aanleg van sportvelden niet meer mogelijk is, terwijl het voor de leefbaarheid en vitaliteit van de kern voor de middellange termijn noodzakelijk is om ruimte voorhanden te hebben buiten de bestaande kern en buiten de aangewezen bouwlocatie GouderakOost, om zo sturing te kunnen geven aan sociaal-maatschappelijke vraagstukken, zoals de verplaatsing van de sportvelden.

Daarbij verwijst de raad ook naar de "Gemeente Ouderkerk Structuurvisie 2030" van 16 mei 2011 (hierna: de Structuurvisie), waarin staat dat voor de leefbaarheid van de kern Gouderak de eigen woningbehoefte in en aansluitend op Gouderak dient te worden opgevangen en waarin een mogelijke bouwlocatie is gesitueerd aan de oostkant van Gouderak, aansluitend op en evenwijdig aan het dijkvak Middelblok. De raad stelt dat de hiervoor genoemde bouwlocatie geheel is gesitueerd buiten de begrenzing van het NNN en dat de raad daarom aan deze gronden, voor zover deze binnen het plangebied van het ontwerpplan waren gesitueerd, de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft toegekend. De raad heeft toegelicht dat het niet past om, ondanks de voorzienbare behoefte, daarvoor geschikte gronden aan te wijzen als natuurgronden. Als de bouwgrond in de nabije toekomst daadwerkelijk nodig is, is het volgens de raad niet alleen inefficiënt om de natuurbestemming ongedaan te maken, maar bovendien de vraag of dat zonder aantasting van het NNN wel mogelijk is. 11.3. In het licht van deze motivering bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zijn keuze om aan de gronden niet de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch gebruik" toe te kennen in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd.

De door appellanten gestelde omstandigheden dat er ook andere locaties voor woningbouw beschikbaar zijn en andere geschiktere locaties voor de verplaatsing van de huidige sportvelden, leiden niet tot dat oordeel. Niet uitgesloten is immers dat in de toekomst op de betreffende gronden, al dan niet onder beperkende voorwaarden, woningbouw of de aanleg van sportvelden zouden kunnen worden toegestaan Voor zover Ernst en anderen stellen dat het amendement in strijd is met de Structuurvisie, omdat de gronden van amendement A19-16 buiten de in de Structuurvisie aangegeven bouwlocatie zijn gesitueerd, overweegt de Afdeling dat het plan

201903001/1/R3

14

12 mei 2021

niet voorziet in een woningbouwlocatie, zodat van een strijdigheid met de Structuurvisie geen sprake is. Nu het plan niet voorziet in woningbouw of de aanleg van sportvelden slaagt het betoog dat "Agrarisch met waarden" te breed is voor woningbouw en sportvelden en dat ten onrechte niets is opgenomen over de financiële haalbaarheid en de aanpak van stikstof ook niet. Ruil van percelen in strijd met het Veenweidepact Krimpenerwaard 1 2. Boers en anderen stellen dat de gronden achter hun woningen ten onrechte zijn uitgeruild tegen een stuk grond aan de Kattendijk. De grond aan de Kattendijk behoorde al toe aan het Veenweidepact Krimpenerwaard en dus aan het NNN, zodat de gronden achter hun woning ten onrechte een andere bestemming krijgen dan is afgesproken in het Veenweidepact Krimpenerwaard. 12.1. Uit wat hiervoor is overwogen onder 6.2 volgt dat het Veenweidepact Krimpenerwaard is overgegaan in de Gebiedsovereenkomst en dat uit de daarbij behorende Uitvoeringsovereenkomst volgt dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bevoegd is de definitieve begrenzing van het NNN vast te stellen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze bevoegdheid ook volgt uit artikel 6.24, derde lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Gelet op het vorenstaande stelt de raad zich terecht op het standpunt dat het Veenweidepact Krimpenerwaard noch de Gebiedsovereenkomst de definitieve begrenzing van het NNN vaststellen, nu dat deze bevoegdheid bij het college van gedeputeerde staten van ZuidHolland rust. Van een ruil van percelen die tot het NNN zouden behoren in strijd met het Veenweidepact Krimpenerwaard is dan ook geen sprake. Het betoog slaagt niet. Ten onrechte geen onderzoek naar gevolgen van het NNN 13. Ernst en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de aanvaarding van amendement A19-16 en de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan voor het NNN. De raad heeft volgens hen niet inzichtelijk gemaakt of de bestreden bestemmingswijziging in lijn is met de natuurdoelen. Volgens Ernst en anderen kunnen de natuurdoelen als gevolg van de ontgrenzing niet worden behaald. In dit verband achten zij van belang dat in de plantoelichting onder meer staat dat de grootschaligheid en de robuustheid van de aan te leggen natuur essentieel zijn en dat verzoeken van andere betrokkenen om géén natuurbestemming toe te kennen ook om deze zijn reden afgewezen. Daarbij wijzen zij ook op het behoud en de bescherming van de biodiversiteit van het gebied.

Daarnaast wijzen Ernst en anderen erop dat voor de impact op de natuur verder moet worden gekeken dan de grenzen van het NNN en dat de invloed van het aanleggen van sportvelden en wegen en het bouwen van gebouwen niet ophoudt bij de grens van het NNN. 13.1. Uit de plantoelichting volgt dat met de natuurontwikkeling van ongeveer 2.250 ha natuur wordt beoogd het herstellen van grote zelfstandig

201903001/1/R3

15

12 mei 2021

functionerende leefgebieden voor weidevogels en karakteristieke flora en fauna die van oudsher thuishoren in het veenweidegebied. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat er wordt gestreefd naar 50% weidevogelnatuur, 35% botanische natuur en 15% kleinschalige landschapselementen. Blijkens het inrichtingsplan bij het ontwerpplan werd voor de gronden achter de woningen van appellanten ingezet op de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland. 13.2. Uit wat hiervoor is overwogen onder 11.1, voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie of de realisatie van sportvelden. 13.3. In amendement A19-16 staat dat de ontgrenzing geen onevenredige afbreuk doet aan de natuurdoelen, de waterkwaliteit en de landschappelijke waarden die in het gebied worden nagestreefd. Zo staat in het amendement dat de ontgrenzing van ongeveer 3,5 ha nabij de woningen van appellanten geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de natuurontwikkeling, zoals afgesproken in de Gebiedsovereenkomst. Volgens het amendement ziet de ontgrenzing op 0,49% van het totale gebied met een botanische doelstelling, zodat de impact van de verkleining van het oppervlak minimaal is. Daarbij ligt deze locatie niet op een strategische plek binnen de natuurbegrenzing en wordt hiermee geen extra randlengte gecreëerd, zodat de toename van verstoring naar het overblijvende natuurgebied beperkt is.

Verder staat in het amendement dat het verleggen van de grens vanuit een ruimtelijk oogpunt een logische en aanvaardbare keuze is, omdat de gronden grenzen aan de bestaande kern Gouderak en de bouwlocatie Gouderak-Oost en dat door de clustering met de bestaande kern en bouwlocatie landschappelijke waarden zo min mogelijk worden geschaad en de beleefbaarheid vanuit het open veenweidegebied zoveel mogelijk behouden blijft. Verder stelt de raad in zijn verweerschrift dat de ontgrenzing niet zonder oog voor het belang van het NNN heeft plaatsgevonden. De raad stelt dat de ontgrenzing op onder meer natuurwaarden is getoetst en dat is vastgesteld dat de ontgrensde locaties niet op een strategische plek binnen de natuurbegrenzing liggen, omdat de ontgrenzing niet de bestaande weidevogelkerngebieden raakt en geen uitstralende werking heeft op de gronden van het NNN met een weidevogeldoelstelling. In dit kader stelt de raad ook in zijn verweerschrift dat het plan op de desbetreffende gronden niet voorziet in activiteiten waarvan enige milieugevolgen te verwachten zijn, omdat er conserverend wordt bestemd. Ook vormden de ontgrensde percelen vóór de ontgrenzing niet een essentieel onderdeel van het NNN en waren de gronden niet nodig om nadelige milieugevolgen elders in het plangebied te compenseren, aldus de raad. 13.4.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontgrenzing niet tot gevolg heeft dat de natuurdoelen in het plan niet langer kunnen worden behaald. Er bestaat dan ook geen grond voor oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. De omvang van het gebied waarop de ontgrenzing betrekking heeft is, in verhouding tot het totale gebied waarop de natuurontwikkeling plaatsvindt, beperkt en deze gronden zijn niet cruciaal

201903001/1/R3

16

12 mei 2021

voor het NNN. Dit wordt bevestigd in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 9 april 2019. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting nader heeft toegelicht dat het amendement is opgesteld door de ecoloog A. Bijlmer. De betogen slagen niet. Gevolgen omwonenden 14. Boers en anderen en Ernst en anderen stellen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woongenot. Zij hebben vanuit hun woningen vrij zicht over weilanden en zij zijn er altijd van uitgegaan dat dit in de toekomst een natuurgebied zou worden, terwijl nu er een woonwijk en sportvelden zullen worden gerealiseerd. De plannen voor de aanleg van sportvelden en de bouw van woningen doet volgens hen enorme afbreuk aan de landschappelijke waarden van het gebied. Volgens Boers en anderen zal er als gevolg van het voorgaande ook geluidsoverlast ontstaan en zal er overlast zijn doordat er een grote toeloop zal zijn van mensen die hun auto's in de wijk zullen parkeren. Daarbij leidt het plan volgens hen tot waardedaling van hun woningen. 14.1. Uit wat hiervoor is overwogen onder 11.3 volgt dat de raad aan zijn keuze om geen natuurbestemming mogelijk te maken in redelijkheid eventuele toekomstige woningbouwplannen en de eventuele toekomstige aanleg van sportvelden ten grondslag heeft kunnen leggen.

De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan deze belangen dan aan de belangen van omwonenden bij behoud van hun uitzicht en een natuurbestemming op de nabij hun woningen gelegen gronden. De Afdeling volgt appellanten niet in hun stelling dat dit plan leidt tot aantasting van het woongenot, aangezien deze gronden in het voorheen geldende plan eveneens een agrarische bestemming hadden. Daarnaast is de Afdeling niet gebleken dat de door appellanten gestelde financiële schade door het behoud van die agrarische bestemming zo groot is dat de raad in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van de natuurbestemming. De betogen slagen niet. NATUURBESTEMMING ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 15. Hooghart, Maatschap Hoogendoorn, De Groot en Oudijk-Hesselink V.O.F. betogen dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is. Oudijk-Hesselink V.O.F voert aan dat deze uitvoerbaarheid niet is onderbouwd, omdat niet duidelijk is hoe de nieuwe bestemmingen financieel worden ontwikkeld en uitgevoerd en na ontwikkeling worden beheerd en onderhouden.

De Groot voert aan dat in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) onvoldoende inzicht is gegeven in de financiële uitvoering, in het bijzonder de kosten van aankoop van gronden die buiten het plangebied liggen. Maatschap Hoogendoorn voert aan dat de financiële middelen voor aankoop, inrichting

201903001/1/R3

17

12 mei 2021

en toekomstig onderhoud niet zijn gegarandeerd. Hooghart stelt dat de kosten voor compensatie hoog zullen oplopen. 15.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving is neergelegd van de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 15.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieeleconomische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieeleconomische of andere reden niet uitvoerbaar is. Een financiële garantie is dus niet vereist. In hoofdstuk 7 van de plantoelichting is de economische uitvoerbaarheid van het plan onderbouwd. Hierin wordt onder meer ingegaan op de verschillende subsidies voor uitvoering en beheer die beschikbaar zijn wanneer de eigenaar van de gronden kiest voor zelfrealisatie. Ook staat hierin dat eventuele verwerving van de gronden zal plaatsvinden door de provincie Zuid-Holland. Daarbij is uitgegaan van volledige schadeloosstelling. Deze afspraak is neergelegd in artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsovereenkomst Krimpenerwaard. Ook staat in de plantoelichting dat er een sluitende business case is.

Bij herijking van de business case is gebleken dat het beschikbare budget op basis van de prognose, berekend volgens de meest actuele uitgangspunten, nog steeds voldoende is om de realisatiestrategie in het hele natuurgebied volgens plan uit te kunnen voeren. Verder staat in de plantoelichting dat de provincie Zuid-Holland in haar meerjarenbegroting voldoende middelen heeft gereserveerd voor beheervergoedingen. In de plantoelichting wordt geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. Gelet op het voorgaande is inzicht gegeven, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro. Verder ziet de Afdeling in wat Hooghart, Maatschap Hoogendoorn en V.O.F. Oudijk-Hesselink hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Dat het onderhoud en beheer van de natuur op de lange termijn niet zou zijn verzekerd, behoefde de raad niet te betrekken bij de uitvoerbaarheid van het plan. Voor de uitvoerbaarheidsvraag wordt bezien of het plan op het moment van vaststelling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit ziet niet op de vraag of de gerealiseerde natuur ook in de verdere toekomst op de voorziene wijze kan worden onderhouden en beheerd (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLl:NL:RVS:2019:3027, onder 5.3).

Het betoog slaagt niet. UITVOERING 16. De Jong en Van Vliet, Hooghart, maatschap Hagendoorn, De Groot en Verstoep hebben gronden naar voren gebracht over de wijze van communiceren over, invulling geven aan en de vergoeding van kosten bij de

201903001 /1 /R3

18

12 mei 2021

ontwikkeling van natuur in eigen beheer. Ook hebben zij gronden naar voren gebracht over de wijze van communiceren bij het minnelijk overleg over de verwerving van gronden, de aangeboden bedragen voor die verwerving en over de aangeboden ruilgronden. Hoewel de Afdeling begrijpt dat vooral de handelswijze rond de ontwikkeling van natuur in eigen beheer en de minnelijke verwerving bezwaren oproept bij genoemde appellanten, stelt de Afdeling vast dat deze gronden geen betrekking hebben op de inhoud van het bestemmingsplan of de procedure van totstandkoming ervan. Zij hebben betrekking op de uitvoering van het plan. Dit kan niet in deze procedure aan de orde komen. De Afdeling zal deze gronden daarom verder niet inhoudelijk bespreken. HET BEROEP VAN DE GROOT (overige gronden) 17. De Groot exploiteert een melkveebedrijf aan de Kattend ijk 4 7 te Gouderak. Van de 130 ha die hij voor zijn bedrijf in gebruik heeft, ligt ongeveer 1 21 ha binnen het deelgebied Kattendijksblok. De Groot heeft daarvan ongeveer 46 ha in eigendom en ongeveer 54 ha in pacht. Aan deze gronden is voor een deel de bestemming "Natuur - Extensief agrarisch medegebruik" en deels de bestemming "Natuur" toegekend. Aan een klein deel van de gronden die grenzen aan de huiskavel en deels als erf zijn ingericht, is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. De Groot kan zich niet met deze bestemmingen verenigen.

Daartoe voert hij het volgende aan. Bedrijfsvoering 18. De Groot betoogt dat hij door de toegekende bestemmingen zijn bedrijf niet kan voortzetten. Ook heeft de omstandigheid dat niet aan al zijn gronden een natuurbestemming is toegekend nadelige gevolgen. Hierdoor houdt hij stukjes grond over waarmee hij niets kan. Hij voert aan dat zijn belangen niet zorgvuldig zijn meegewogen. De verwijzing naar zelfrealisatie, minnelijke verwerving en onteigening zijn hem te vrijblijvend. 1 8. 1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de belangen die zijn gediend bij natuurontwikkeling in het kader van het NNN (bevordering biodiversiteit, doorgaande verbinding, en dergelijke) in combinatie met de realisatie van een robuust watersysteem en het tegengaan van bodemdaling zwaarder wegen dan het belang van De Groot bij voorzetting van het gebruik van de gronden voor een agrarische functie. De raad merkt hierbij op dat een groot deel van deze gronden onderdeel zijn van de natuurverbinding binnen het netwerk tussen polder Kattendijk en Middelblok. Ook heeft de raad gewezen op de mogelijkheden van zelfrealisatie, de totale aankoop van het bedrijf of volledige schadeloosstelling op basis van onteigening.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om de agrarische bestemming die aan een deel van de gronden van De Groot is toegekend te wijzigen in een woonbestemming, zodat deze resterende gronden nuttig kunnen worden gebruikt. 18.2. De Afdeling stelt voorop dat een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor nieuwe

201903001 /1 /R3

19

12 mei 2021

natuurontwikkeling niet uitsluitend wordt gekeken naar de belangen die gediend zijn met de realisatie van de natuurontwikkeling. Een goede ruimtelijke ordening vereist dat ook de belangen van daardoor benadeelden, zoals het melkveebedrijf van De Groot, in de belangenafweging worden betrokken. Uit de zienswijzenota volgt dat de raad heeft onderkend dat de natuurontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van De Groot. Dat De Groot door realisatie van de natuurontwikkeling niet langer een melkveebedrijf kan exploiteren, betekent echter niet dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan die natuurontwikkeling dan aan de bedrijfsbelangen van De Groot. Dat er op het moment van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt met De Groot over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering kunnen worden weggenomen, betekent evenmin dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft kunnen overgaan. Daartoe acht de Afdeling redengevend dat de natuurontwikkeling, indien De Groot er niet voor kiest dit zelf te realiseren, alleen mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving, dan wel onteigening van de benodigde gronden. Hierbij is minnelijke verwerving, gelet op het bepaalde in artikel 17 van de Onteigeningswet, het uitgangspunt.

Indien toch tot onteigening wordt overgegaan, zal De Groot ingevolge het bepaalde in artikel 40 van de Onteigeningswet volledig schadeloos moeten worden gesteld. Bij deze schadeloosstelling wordt ook rekening gehouden met eventuele waardevermindering van resterende gronden die niet nodig zijn voor de realisatie van de gebiedsontwikkeling. Ook eventuele inkomstenderving is bij de schadeloosstelling inbegrepen. Hiermee zijn de belangen van De Groot afdoende gewaarborgd (vergelijk overweging 83.2 van de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLl:NL:RVS:2016: 1072). De Afdeling stelt vast dat in artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de bestemming "Agrarisch met waarden" te wijzigen in "Wonen", als is komen vast te staan dat er geen agrarisch bedrijf meer kan worden gevestigd. De raad heeft er daarom vanuit kunnen gaan dat de resterende gronden nuttig kunnen worden gebruikt. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid 19. De Groot betoogt dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestaande gebruik binnen 1 O jaar zal worden beëindigd. 19.1. Ter beoordeling staat of de raad op het moment dat het plan werd vastgesteld op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. In paragraaf 7.2 van de plantoelichting is de realisatiestrategie beschreven.

Ter zitting heeft de raad nog opgemerkt dat de Kroon bij besluit van 29 oktober 2020 een groot aantal percelen ter onteigening heeft aangewezen met het oog op de uitvoering van het bestemmingsplan. De Groot heeft geen omstandigheden genoemd die ten tijde van de vaststelling van het plan reden gaven om zodanig aan het realiteitsgehalte van het plan te twijfelen, dat de raad het plan op voorhand niet uitvoerbaar

201903001 /1 /R3

20

12 mei 2021

had mogen achten. Het betoog slaagt niet. HET BEROEP VAN BAAS-BLANKEN 20. Baas-Blanken is eigenaar van een perceel aan de Opperduit 78 te Lekkerkerk in het deelgebied Den Hoek. Zij woont op dit perceel en gebruikt het achtergelegen weiland hobbymatig voor het houden van maximaal 6 paarden en 1 O tot 15 schapen. Aan een deel van deze gronden met een oppervlakte van ongeveer 1,4 ha is de bestemming "Natuur" toegekend. Zij kan zich niet met deze bestemming verenigen. Zij voert daartoe het volgende aan. Natuurbestemming 21. Baas-Blanken betoogt dat ten onrechte aan een deel van haar gronden een natuurbestemming is toegekend, omdat daardoor het huidige gebruik niet meer mogelijk is terwijl deze bestemming niet noodzakelijk is. Zij voert aan dat de doelstelling zonder haar gronden kan worden bereikt. Het door de raad verrichte onderzoek is onzorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk. Anders dan waarvan in dat onderzoek is uitgegaan, is het maken van een ecologische verbinding richting de Lek geen doelstelling van het NNN Krimpenerwaard en als die doelstelling er al is, dan moet een verbinding niet bij haar perceel in het westen van het deelgebied worden gerealiseerd, maar in het oosten. Het zogenoemde ontgrenzen van haar perceel zal geen negatief effect hebben op de robuustheid van het NNN Den Hoek.

BaasBlanken wijst daarbij op de second opinion van 2 mei 2019 van Econsultancy (hierna: notitie Econsultancy) en de reactie van 11 maart 2020 van Econsultancy (hierna: reactie Econsultancy). Ook zonder haar perceel zal nog aan de taakstelling van 2.250 ha natuurontwikkeling worden voldaan, omdat 1 % afwijking mogelijk is. 21. 1. De raad stelt zich op het standpunt dat het NNN zoals dat door de provincie is bepaald in het bestemmingsplan moet worden overgenomen, tenzij aan de criteria voor ontgrenzing is voldaan. Onder verwijzing naar het Memo ecologische beoordeling van 27 februari 2019 van Tom van den Broek-Ecologie (hierna: het Memo) heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het perceel van Baas-Blanken nodig is om een robuuste ecologische verbinding te realiseren en dat dit daarmee een essentieel onderdeel is van het NNN, zodat niet aan de criteria is voldaan. 21.2. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was de begrenzing van het NNN nog niet definitief vastgesteld. Niet in geschil is dat het college van gedeputeerde staten onder voorwaarden kan instemmen met het aanpassen van de NNN-begrenzing. In geschil is of voldaan wordt aan het criterium voor ontgrenzing dat de NNN-doelstellingen ook zonder de bewuste gronden kunnen worden gehaald. 21.3.

De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van Baas-Blanken onderzoek laten doen of voor haar perceel aan het hiervoor genoemde ontgrenzingscriterium werd voldaan. De uitkomst van dit onderzoek is

201903001 /1 /R3

21

12 mei 2021

neergelegd in het Memo, welke memo blijkens de datering - 27 februari 2019- zes dagen voor de vaststelling van het bestemmingsplan op 5 maart 2019 tot stand is gekomen. Dit stuk was van aanmerkelijk belang voor het ten aanzien van het perceel van Baas-Blanken te nemen besluit. Uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding had de raad hierin aanleiding moeten zien Baas-Blanken een reële mogelijkheid te bieden om op het Memo te reageren voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Het besluit is op dit punt in strijd met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Omdat Baas-Blanken inmiddels, onder andere met de notitie Econsultancy, op het Memo heeft gereageerd, zal de Afdeling in het kader van een definitieve geschilbeslechting de beroepsgrond over het Memo inhoudelijk beoordelen. 21.4. Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend, agrarisch (mede)gebruik tot strijdig gebruik gerekend. Het perceelsgedeelte met de bestemming "Natuur" ligt aan de west-rand van het deelgebied Den Hoek, heeft een breedte van 40 m en een lengte van 350 m. 21.5.

De Afdeling stelt vast dat geen ecologische verbindingszone is aangegeven op kaart 7 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en evenmin op de afbeelding in de plantoelichting waarop de beoogde inrichting van het deelgebied Den Hoek is weergegeven ter hoogte van het perceel van Baas-Blanken. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling nog niet dat het deelgebied Den Hoek, als onderdeel van het NNN Krimpenerwaard, daar niet ook als doel heeft een ecologische verbinding te vormen met daarbuiten gelegen natuurgebieden. Het maakt immers onderdeel uit van het NNN. Op kaart 7 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn gronden aan de overzijde van de Lek in de Alblasserwaard aangewezen voor het NNN. Volgens het Memo is met het oog op een robuuste verbinding bij knelpunten als de dijk en de Lek, het perceelsgedeelte van Baas-Blanken van groot belang vanwege de goede ligging ten opzichte van de relatieve openheid richting de dijk en de aanwezigheid van een buitendijks gebied in verband met migratieroutes. Zonder het perceelsgedeelte wordt de afstand tot de open zone vergroot waardoor de functionaliteit van de route wordt aangetast. In verband met de belemmeringen langs de dijk is een robuuste zone nodig, aldus het Memo. De Afdeling begrijpt uit de namens de raad op zitting gegeven toelichting door A. Bijlmer, werkzaam als ecoloog bij de provincie Zuid-Holland, het volgende.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=94696d6c-e172-4a14-a8a7-df85ff499d75