CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL Uitspraak Raad van State inzake bestplan Natuurgebieden

Oordeelsvorming R&F (RZ) 29 juni 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Opnieuw vaststelling bestemmingsplan Natuurgebieden inzake het perceel Opperduit 78, Lekkerkerk (5 min)21.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

201903001/1/R3

42

12 mei 2021

47.5. Voor de gronden waarop de paardenbak en stallen staan, geldt het volgende. Ingevolge artikel 3, lid 3. 1, aanhef onder b en j, van de planregels mogen gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-paardenbak" onder meer worden gebruikt voor agrarisch aanverwant gebruik en een paardenbak. Op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (voormalige gemeente Vlist) rust op het perceelsgedeelte waarop de stallen staan de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 22, lid 22.1.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" mogen die gronden onder meer voor wonen worden gebruikt. 4 7 .6. Door de toekenning van de bestemming "Natuur" mogen de gronden met die bestemming niet langer worden gebruikt voor het weiden van paarden. Vonk-van der Laan heeft niet aannemelijk gemaakt dat daardoor de paardenbak en stallen op haar perceel niet meer kunnen worden gebruikt voor het houden van haar paarden. Zij heeft niet onderbouwd dat voor het hobbymatig houden van paarden een weidegang op aangrenzende gronden nodig is. De Afdeling ziet in wat Vonk-van der Laan heeft aangevoerd daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zij de paardenbak en stallen niet meer kan gebruiken overeenkomstig de toegekende bestemmingen, zoals zij stelt. 4 7. 7.

De Afdeling stelt vast dat het perceel van Vonk-van der Laan midden in het deelgebied Bilwijk ligt. Uit paragraaf 4.2 van de plantoelichting blijkt dat het perceel en de omliggende gronden liggen in een zogenoemd blauw gebied. De KRW-doelen hebben daar het primaat. Dit betekent dat de ambities voor het gebied erop zijn gericht om 100% van het doelbereik voor de KRW te realiseren, waarbij wordt geschat dat het doelbereik voor andere natuurdoelen, zoals weidevogelnatuur of botanisch grasland 80-90% zal zijn, zogenoemde hoge natuurdoelen. Daarover staat in de plantoelichting dat die hoge eisen stellen aan de inrichting en het beheer, zoals voedselrijkdom, waterpeil-/fluctuatie en de waterkwaliteit. Die kunnen niet samengaan met een agrarische bedrijfsvoering volgens de toelichting. In paragraaf 4.3 staat over de voorgenomen inrichting van de polder Laag Bilwijk, waar het perceel in ligt, dat voor het bereiken van de doelen ter plaatse het peil omhoog gaat en alleen natuurbeheer plaatsvindt. Dit sluit aan bij de potenties ten aanzien van botanische graslanden, waaronder natuurbeheertype "kruiden- en faunarijk grasland". Gelet op de ligging van het perceel midden in het natuurgebied en op de beoogde doelen voor dit gebied, heeft de raad deugdelijk gemotiveerd waarom een agrarische bestemming op het perceel niet kan worden gehandhaafd.

Anders dan Vonk-van der Laan naar voren brengt, heeft het standpunt dat een agrarische bestemming hier niet kan worden gehandhaafd niet tot gevolg dat feitelijk nooit gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om van de NNN-begrenzing af te wijken. De raad stelt terecht dat de omstandigheden die hier aan de orde zijn en die aan ontgrenzing in de weg staan, zoals de ligging midden in het gebied, niet overal spelen. Uit de zienwijzennota volgt dat de raad heeft onderkend dat het

201903001/1/R3

43

12 mei 2021

plan negatieve gevolgen heeft voor Vonk-van der Laan. In wat zij heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de realisatie van een duurzaam watersysteem en de natuurontwikkeling in het deelgebied, dan aan haar belang bij het voortgezet gebruik van die gronden voor het hobbymatig houden van paarden. Het betoog slaagt niet. EINDCONCLUSIE 48. De beroepen van De Groot, R.J. Boers en anderen, R. Ernst en anderen, A. Faaij en anderen, G.K. Heuvelman, Hooghart, De Jong en Van Vliet, Kramer en Van der Laan, Maatschap Hagendoorn, T. Oskam en anderen, Oudijk-Heeselink, Verstoep, S.C. Vonk-van der Laan en A. Weerman en anderen zijn ongegrond. Voor hun beroepen is deze uitspraak de einduitspraak en is daarmee voor hen een einde gekomen aan deze procedure. 49. In wat Baas-Blanken heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het perceel aan de Opperduit 78 te Lekkerkerk, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling een zogenoemde bestuurlijke lus toepassen. Voor het beroep van Baas-Blanken is deze uitspraak een tussenuitspraak.

Dit betekent dat de procedure voor haar nog niet is beëindigd. Het onder 21.3 geconstateerde gebrek behoeft geen herstel meer, omdat Baas-Blanken inmiddels op het Memo heeft gereageerd. De raad krijgt wel de opdracht het door de Afdeling onder 23 geconstateerde gebrek te herstellen. Baas-Blanken zal hier op mogen reageren. Daarna zal de Afdeling einduitspraak doen over het beroep van Baas-Blanken. De raad zal alsnog toereikend moeten motiveren waarom binnen een natuurbestemming de bestemming "Natuur- extensief agrarisch medegebruik" voor het hiervoor genoemd plandeel niet mogelijk is of voor dit plandeel een gewijzigd besluit moeten nemen. PROCESKOSTEN 50. De raad hoeft aan De Groot, R.J. Boers en anderen, R. Ernst en anderen, A. Faaij en anderen, G.K. Heuvelman, Hooghart, De Jong en Van Vliet, Kramer en Van der Laan, Maatschap Hagendoorn, T. Oskam en anderen, Oudijk-Heeselink, Verstoep, S.C. Vonk-van der Laan en A. Weerman en anderen geen proceskosten te vergoeden. 51. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht ten aanzien van Baas-Blanken.

201903001/1/R3

44

12 mei 2021

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.

II.

verklaart de beroepen van Agrarisch bedrijf De Groot en anderen, R.J. Boers en anderen, R. Ernst en anderen, A. Faaij en anderen, G.K. Heuvelman, S.C. Hooghart en T.A.J. Hooghart, T.M. de Jong V.O.F. en V.O.F. van Vliet, W. Kramer en A.W. van der Laan, Maatschap Hagendoorn, T. Oskam en anderen, Oudijk-Hesselink V.O.F., D.A. Verstoep en A. Verstoep-Trouwborst, S.C. Vonk-van der Laan en A. Weerman en anderen ongegrond. draagt de raad van de gemeente Krimpenerwaard op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak: - met inachtneming van wat onder 23 en 49 is overwogen het gebrek in het besluit van 5 maart 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard" te herstellen, en - de Afdeling en J.M. Baas-Blanken de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021 867-270. Verzonden: 12 mei 2021

201903001 /1 /R3

45

12 mei 2021

BIJLAGE

Onteigeningswet Artikel 1 7 luidt: De onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Artikel 40 luidt: De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Wet milieubeheer Artikel 7 .23, eerste lid, luidt: a. een beschrijving van de activiteit met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van de activiteit; b. een beschrijving van de, zonder de onder c bedoelde maatregelen, waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; c. een beschrijving van de kenmerken van de activiteit en, voor zover van toepassing, de geplande maatregelen om de waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolge te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren; d. een beschrijving van de redelijke alternatieven, die relevant zijn voor de activiteit en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, n het licht van de milieueffecten van de activiteit: e. een niet-technische samenvatting van de gegevens, bedoeld onder a tot en met d; en f.

alle aanvullende informatie, bedoeld in bijlage IV van de mer-richtlijn, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaalde activiteit of activiteittype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed. Besluit milieueffectrapportage Artikel 2, derde lid, luidt: Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7 .2, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onder D van de bijlage zijn omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het vierde lid, en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid. Artikel 2, vijfde lid, luidt: Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van

201903001/1/R3

46

12 mei 2021

gevallen zijn aangegeven, geldt: [. .. ] b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7. 16, 7. 17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 1.1.1, eerste lid, luidt: In dit besluit en de hierop rustende bepalingen worden verstaan onder: [. .. ] i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;

[ ... l Artikel 3.1.6, luidt: 1 . Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd: [. .. ] f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. [ ... ] Omgevingsverordening Zuid-Holland Artikel 6.24, derde lid, luidt: De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, heeft een voorlopig karakter voor zover deze gronden zijn gelegen binnen de Krimpenerwaard en het voormalige landinrichtingsproject Bodegraven-Noord, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II. Gedeputeerde staten stellen de definitieve begrenzing vast van het Natuurnetwerk Nederland.

Bestemmingsplan Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard Artikel 1 Begrippen Artikel 1, lid 1.39, luidt: extensief agrarisch medegebruik: een agrarisch gebruik van gronden door grondgebonden graasdierbedrijven of hobbyboeren die graasdieren houden, dat ten dienste staat van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap in de vorm van een natuurgebied, met uitsluitend de natuurbeheertypen en

201903001 /1 /R3

47

12 mei 2021

landschapsbeheertypen zoals genoemd in 8.1. Artikel 1, lid 1.45, luidt: graasdieren: runderen, uitgezonderd andere vleeskalveren dan rosékalveren, schapen, geiten, paarden, ezels, Midden-Europese edelherten, damherten en waterbuffels. Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 3, lid 3.1, luidt: De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. reële grondgebonden graasbedrijven, niet zijnde een geitenhouderij; b. agrarisch aanverwant gebruik, zoals het beweiden van dieren, al dan niet in het kader van de agrarische bedrijfsvoering; c. één bedrijfswoning per bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning', twee bedrijfswoningen per bouwvlak zijn toegestaan; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon; e. karakteristieke landschapselementen; f. ondergeschikte nevenactiviteiten, zoals aangegeven in lid 3.4.3; g. watergangen en andere waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers, dammen en bruggen; h. extensief recreatief medegebruik; alsmede voor: i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch paardenpension', een paardenpension; j.

ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie paarden bak' en 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak nieuw', een paarden bak; k. ter plaatse van de aanduiding 'bos', bos; I. bij deze bestemming behorende; 1 . tuinen, erven en parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak; 2. voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, perceelsontsluitingen, (ontsluitings)wegen en paden. Artikel 3, lid 3.7.2, luidt: Burgemeester en wethouders kunnen, indien is komen vast te staan dat in een bouwvlak op gronden aangewezen als "Agrarisch met waarden" gen agrarisch bedrijf meer kan worden gevestigd, de bestemming van de gronden wijzigen in "Wonen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: [. .. ]

201903001/1/R3

48

12 mei 2021

Artikel 6 Natuur Artikel 6, lid 6.2, luidt: Voor het bouwen gelden de volgende regels: Toegestaan zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde met dien verstande dat: [ ... ] d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch cranberryteelt' één gebouw voor de berging van gereedschap en machines ten behoeve van cranberryteelt is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 50 m2 en een bouwhoogte van maximaal 3 meter; [. .. ] Artikel 6, lid 6.4.1, luidt: Tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. (extensief) agrarisch (mede)gebruik, waaronder begrepen aquatische landbouw, met uitzondering van cranberryteelt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-cranberryteelt'; b. het gebruik van meststoffen met uitzondering van het gebruik van meststoffen op gronden met natuurbeheertypen kruiden- en faunarijk grasland en vochtig weidevogelgrasland als bedoeld in lid 6. 1 en waarbij geldt dat uitsluitend compost, kalkmeststoffen en dierlijke meststoffen, niet zijnde drijfmest, als meststoffen mogen worden gebruikt; c. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van het gebruik onder voorwaarden van gewasbeschermingsmiddelen tot 1 januari 2024, waarbij geldt dat: 1. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend is toegestaan voor de bestrijding van storingssoorten; 2.

het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat niet is toegestaan; 3. gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend pleksgewijs mogen worden toegepast; 4. Oevers tot 3 meter afstand van de waterlijn gevrijwaard dienen te blijven van gewasbeschermingsmiddelen; [ ... ] Artikel 8 Natuur-Extensief agrarisch medegebruik Artikel 8, lid 8.1, luidt: De voor 'Natuur - Extensief agrarisch medegebruik' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon, in de vorm van een natuurgebied met uitsluitend de volgende: 1 . natuurbeheertypen zoals beschreven in Bijlage 1 : ( ... )

2. landschapsbeheertypen zoals beschreven in Bijlage 2: ( ... )

201903001/1/R3

49

12 mei 2021

b. extensief agrarisch medegebruik; ( ... )" Artikel 8, lid 8.4.1, luidt: Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: [. .. ] d. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot 1 januari 2024 waarbij geldt dat: 1. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend is toegestaan voor de bestrijding van storingssoorten; 2. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat niet is toegestaan; 3. gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend pleksgewijs mogen worden toegepast; 4. Oevers tot 3 meter afstand van de waterlijn gevrijwaard dienen te blijven van gewasbeschermingsmiddelen; [. .. ] Artikel 8, lid 8.5.2, luidt: Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.4.1 onder d om na 1 januari 2024 het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toe te staan indien een uitbraak van storingssoorten dreigt, mits: a. aangetoond is dat de inzet van andere middelen niet toereikend is voor de bestrijding van storingssoorten; b. er vooraf door het bevoegd gezag schriftelijk advies is ingewonnen bij deskundigen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en natuur; c. de gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend worden gebruikt voor de bestrijding van de storingssoorten; d.

er geen gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat worden gebruikt; e. de gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend pleksgewijs worden toegepast; f. oevers tot 3 meter afstand van de waterlijn gevrijwaard blijven van gewasbeschermingsmiddelen. Bestemmingsplan "Landelijk Gebied", voormalige gemeente Vlist Artikel 3, lid 3.1.16, luidt: Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' zijn de in lid 3.1 .1. bedoelde gronden tevens bestemd voor natuurontwikkeling; Artikel 22, lid 22. 1. 1, luidt: De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b, erven, tuinen, water en groenvoorzieningen; c. beroepsmatige activiteiten aan huis; d. parkeervoorzieningen.

201903001/1/R3

50

12 mei 2021

Bestemmingsplan "Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard, deelgebieden De Nesse en Oudeland" Artikel 4, lid 4.1, luidt: De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor: [. .. ] c. agrarisch medegebruik; [. .. ]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=94696d6c-e172-4a14-a8a7-df85ff499d75