CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL - toelichting BP Winveld Rodenhuis.pdf

Raadsvergadering 13 december 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan winveld Rodenhuis, Bergambacht27.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Witteveen+Bos, ‘NNN-toets en Weidevogelgebied-toets’, 24 maart 2017 Witteveen+Bos, ‘Oplegnotitie natuurtoets Rodenhuis’, 21 december 2020

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

52

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

jaar plaatsvindt. Mits gedurende het maaien van het winveld rekening wordt gehouden met broedende weidevogels, wordt het landgebruik ter plekke van het puttenveld gunstiger voor weidevogels. De winputten worden op ongeveer 100 meter ten noorden van de huidige winputten gelegd. De behuizing van de winputten (puthuisjes) krijgen hetzelfde uiterlijk als de huidige winputten. Dit zijn behuizingen van 1,5 meter hoog en 2 bij 1 meter breed en diep. In de huidige situatie worden de winputten niet gebruikt als uitkijkposten door roofvogels. Op basis hiervan wordt aangenomen dat ook de nieuwe winputten niet door roofvogels worden gebruikt om te jagen op weidevogels en zodoende geen negatief effect hebben op de weidevogelstand. Door de aanleg van de nieuwe putten en het onderhoudspad, vindt een gering oppervlakteverlies plaats van het weidevogelgebied. In totaal gaat het om 0,31 ha weidevogelgebied. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de delen van het plangebied waar geen ruimtebeslag plaatsvindt een functie blijft houden voor weidevogels. Compensatie In de nieuwe situatie blijft het grootste deel van het winveld geschikt als broed- en foerageergebied voor weidevogels.

Ter compensatie van het verlies van 0,31 hectare zal het hele winveld beheerd worden als weidevogelgebied (inclusief beheerpakket) en zal het beheer- en onderhoud aan de winputten waar mogelijk zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaatsvinden. Hierdoor vindt er een optimalisatie plaats van het gebied als broed- en foerageergebied voor de weidevogels ten opzichte van de huidige situatie waarin de percelen onder regulier agrarisch weidebeheer vallen. Met inachtneming van deze (beheer)maatregelen is van significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied geen sprake. 5.8.5 Conclusie gebiedsbescherming De gebiedsbescherming levert geen belemmeringen op voor het plan, mits de hierboven beschreven compenserende maatregelen voor het NNN en het belangrijke weidevogelgebied in acht worden genomen. De provincie ZuidHolland heeft ingestemd met deze maatregelen. Zie paragraaf 8.1. 5.8.6 Soortenbescherming in relatie tot het plangebied Witteveen+Bos9 heeft onderzoek verricht naar de gevolgen van de herinrichting van winveld Rodenhuis voor beschermde soorten. Het rapport met de resultaten van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij de toelichting. In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de gevolgen van de herinrichting voor de verschillende soortgroepen en is aangegeven hoe met deze gevolgen dient te worden omgegaan.

9

Witteveen+Bos, ‘Natuurtoets wijziging grondwaterwinning Rodenhuis’, 24 maart 2017

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

53

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Overzicht van mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied (bron: Witteveen+Bos)

Uit de tabel blijkt dat de herinrichting van het winveld gevolgen heeft voor de volgende beschermde soorten:  broedvogels Het verkrijgen van een ontheffing voor het verstoren van broedvogels is echter niet mogelijk. Daardoor dienen negatieve effecten te worden voorkomen door mitigerende maatregelen te treffen: de aanleg en inrichting van het winveld dient buiten het broedseizoen plaats te vinden;

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

54

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

amfibieën De aanwezigheid van de zwaar beschermde rugstreeppad in de omgeving van het plangebied kan niet worden uitgesloten. De soort is op enkele honderden meters van het plangebied aangetroffen en kan zich snel verspreiden. Ondanks dat er in de huidige situatie voor de soort geen geschikte omstandigheden aanwezig zijn in het plangebied, kunnen op het werkterrein voor de soort geschikte voortplantingswateren ontstaan in de vorm van regenwaterplasjes. Geadviseerd wordt gedurende werkzaamheden te voorkomen dat geschikte biotopen voor de soort ontstaan in het plangebied zodat de soort het plangebied niet zal betreden en geen negatieve effecten ondervindt van de werkzaamheden. Hiervoor dient het ontstaan van regenwaterplasjes op het werkterrein te worden voorkomen zodat er geen geschikte voortplantingswateren ontstaan in het plangebied. vissen Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper in de sloten rondom het plangebied. Indien de grote modderkruiper in de sloten in en rondom het plangebied aanwezig is, en de soort verstoort raakt als gevolg van de werkzaamheden, dient een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd.

Zorgplichtmaatregelen Voorts dienen de volgende zorgplichtmaatregelen te worden getroffen bij de uitvoering van de werkzaamheden: Vleermuizen Maatregelen met betrekking tot verlichting gelden voor de mogelijke vliegroute van vleermuizen langs de N210. Maatregelen met betrekking tot tijdelijke verlichting:  uitvoering van de werkzaamheden nabij de vliegroute (afstand =<100 meter van de vliegroute) overdag uitvoeren (tussen zonsopkomst en zonsondergang);  indien werkzaamheden 's nachts uitgevoerd worden in de periode van maart tot en met september, dan dient het gebruik van licht te worden beperkt en uitstraling op de mogelijke vliegroute te worden voorkomen;  het beperken van lichtverstoring/lichtintensiteit kan door: o het aantal lampen te minimaliseren; o het toepassen van een fysieke afscheiding tussen lichtbron en de voor de vleermuizen mogelijk belangrijke bomenrij langs de weg. Met toepassing van een lichtdicht scherm kan theoretisch de verlichting geheel worden afgeschermd; o te werken met dynamische verlichting die reageert op de aanwezigheid op de aanwezigheid van mensen of voertuigen om zo het branden van de verlichting en de intensiteit te regelen.

Algemeen beschermde amfibieën en algemene vissen  bij het dempen van sloten worden conform de zorgplicht alle vissen en amfibieën (in dit geval zijn dit niet-beschermde vissen en algemeen beschermde amfibieën) weggevangen en overgeplaatst;  bij het gedeeltelijk dempen van watergangen wordt naar open water toe gewerkt, zodat vissen en overige soorten in de richting van open water kunnen ontsnappen;

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

55

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

bij het dempen van een watergang waarbij vissen ingesloten raken moeten de volgende maatregelen worden genomen: o afhankelijk van de lengte van de te dempen watergang is het nodig om deze op te delen in compartimenten van 100 à 200 meter; o het waterpeil moet door middel van leegpompen tot 20 à 30 cm verlaagd worden, waarna de watergang wordt leeggevist en verder leeggepompt; o de weggevangen vissen en amfibieën worden uitgezet in een watergang in de directe omgeving van het projectgebied waar geen werkzaamheden (meer) plaatsvinden, in voor de soort geschikte biotopen, dit dient zo snel mogelijk te gebeuren; o het materieel dat gebruikt wordt bij de werkzaamheden aan de watergang moet zodanig gekozen worden dat de hoeveelheid slachtoffers zo beperkt mogelijk zal zijn; o de ecologische begeleiding wordt uitgevoerd door deskundig personeel op het gebied van onder andere vissen en amfibieën.

Algemene zorgplicht maatregelen (alle soortgroepen)  maaiwerkzaamheden worden van binnen naar buiten uitgevoerd; er wordt in het midden van het terrein begonnen met maaien waarna er getemporiseerd naar buiten wordt gewerkt. Op deze manier kunnen algemeen beschermde soorten ontsnappen. Indien men te maken heeft met stroken dan wordt er 1 richting op gewerkt, zodat dieren een ontsnapmogelijkheid hebben;  als het gaat om graven van sleuven ten behoeve van bijvoorbeeld leidingwerk, moet voorkomen worden dat dieren (muizen, egels, padden, et cetera) tijdens de migratie in de sleuf kunnen vallen en er niet meer uit kunnen komen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door het plaatsen van rasters of door in de nachten geen sleuven en gaten open te laten liggen. Gaten kunnen bijvoorbeeld worden afgedicht met rijplaten;  wanneer na het graven nog andere werkzaamheden moeten plaatsvinden op de vergraven locatie, dan kunnen maatregelen genomen worden om te voorkómen dat hervestiging van overige en streng beschermde soorten op het terrein kan optreden. Dit gebeurt als volgt: o het vrijhouden van het terrein van beplantingen, bijvoorbeeld door het terrein kaal te houden of dagelijks te gebruiken.

Dit voorkomt voor een belangrijk deel de kolonisatie van het terrein door overige en streng beschermde soorten; o plaatsen waar de kans bestaat dat overige en streng beschermde amfibieën (bijvoorbeeld rugstreeppad) het bouwrijpe terrein (opnieuw) kunnen koloniseren, worden uitgerasterd (met amfibieënraster); o andere methoden om te zorgen dat beschermde soorten zich niet (opnieuw) vestigen zijn het terrein tijdelijk kaal en vlak houden, het voorkomen van stagnatie van water of dagelijks te verstoren. Verstoren mag alleen worden toegepast ter voorkoming van de vestiging van soorten, maar niet ter bestrijding van al aanwezige soorten; o bij de tijdelijke opslag van grond moet worden voorkomen dat soorten als oeverzwaluw gaan nestelen in de taluds. Dit kan door middel van het toepassen van flauwe taluds (>1:3).

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

56

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Nader onderzoek grote modderkruiper en rugstreeppad Witteveen+Bos10 heeft een nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper en rugstreeppad in de sloten in en rondom het plangebied. Hiervoor is een eDNA analyse uitgevoerd. De notitie met de onderzoeksresultaten is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Grote modderkruiper De resultaten van het eDNA onderzoek hebben uitgewezen dat de grote modderkruiper niet voorkomt in het slotennetwerk in en rond het plangebied. Van een aantasting/vernietiging van vaste onderdelen van het leefgebied of het doden van individuen van deze soort als gevolg van de herinrichting van het winveld is dan ook geen sprake. Een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van deze soort is daarmee niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Rugstreeppad Ook voor rugstreeppad geldt dat er geen eDNA sporen werden gevonden in het slotennetwerk in en rond het plan gebied. Van een aantasting of vernietiging van voortplantingsplaatsen van deze soort als gevolg van de werkzaamheden is dan ook geen sprake. Het is echter niet uit te sluiten dat individuen van deze soort als gevolg van de uitvoering van het plan worden verstoord en/of gedood.

Hoewel de soort momenteel niet voorkomt binnen het plangebied kan immers niet worden uitgesloten, dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden individuen van deze soort opduiken in het plangebied. In de uitvoeringsfase wordt mogelijk tijdelijk geschikt leefgebied voor rugstreeppadden gecreëerd. Zo wordt de grond plaatselijk kaal gemaakt (open, vergraafbare bodem), kunnen ondiepe poelen in de bandensporen van de werktuigen ontstaan (voortplantingswater) en wordt werkmateriaal zoals hout en platen op het werkterrein opgeslagen (schuilplaatsen). De rugstreeppad is een zeer mobiele soort die makkelijk enkele kilometers om het huidige leefgebied kan opduiken op zoek naar dergelijke dynamische milieus. Individuele rugstreeppadden die sporadisch in het plangebied aanwezig zijn, kunnen worden verwond of gedood wanneer zij tijdens de werkzaamheden het gebied betreden en bijvoorbeeld onder de machines terechtkomen. Het dient te worden voorkomen dat individuen van rugstreeppad als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord/gedood. Hiervoor zijn er verschillende mogelijkheden: 1. de werkzaamheden geheel uitvoeren binnen de winterrustperiode van de rugstreeppad (eind oktober tot en met maart). In deze periode is de soort immers niet actief en is het uit te sluiten dat de soort in het plangebied gaat opduiken.

Belangrijk hierbij is wel dat de werkzaamheden ook worden afgerond voordat de soort opnieuw actief wordt (voor eind maart); 2. indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden binnen de winterrustperiode van de rugstreeppad af te ronden, dienen volgende bijkomende maatregelen te worden genomen om te voorkomen dat de soort het gebied gaat betreden:  het zoveel mogelijk voorkomen dat geschikte biotopen voor de soort ontstaan in het plangebied: voorkom het ontstaan van bv. diepe 10

Witteveen+Bos, ‘Notitie Ecologisch onderzoek’, 30 juli 2019

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

57

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

bandensporen of andere regenplasjes (voortplantingsplaats), opstapeling van materiaal (schuilplaatsen), et cetera; én het plaatsen van paddenschermen (plastic scherm met hoogte van 50 cm boven grond en 10 cm onder grond) rond de meest kansrijke locaties voor het opduiken van de rugstreeppad (zoals ondiepe poelen en plassen, opgestapeld materiaal, zandophopingen, et cetera) om te voorkomen dat rugstreeppadden het plangebied kunnen bereiken. En het plaatsen van emmers aan de binnenzijde van het paddenscherm om eventuele rugstreeppadden die binnen de begrenzing van de werkzaamheden aanwezig zijn op te vangen en te verplaatsen naar de andere kant van het scherm; kort houden (maaien) van vegetatie binnen een strook van één meter rond het scherm om te voorkomen dat amfibieën via de vegetatie het plangebied binnen komen.

Oplegnotitie Na de uitvoering van het onderzoek naar beschermde soorten en het nader onderzoek naar de grote modderkruiper en rugstreeppad is het ontwerp voor de herinrichting van het winveld enigszins gewijzigd. Witteveen+Bos11 heeft daarom een oplegnotitie opgesteld waarin de gevolgen van de wijzigingen voor beschermde soorten zijn beoordeeld. De oplegnotitie is opgenomen als bijlage bij de toelichting. In de notitie wordt geconcludeerd dat de conclusies uit de eerder uitgevoerde ecologische onderzoeken ten aanzien van beschermde soorten nog steeds geldig zijn onder het huidige ontwerp voor de herinrichting van het winveld. Voor de uitvoering van het plan dient ten aanzien van beschermde soorten dan ook rekening te worden gehouden met de conclusies uit het eerder verrichte soortenonderzoek (opgenomen in de natuurtoets 2017) en het nader onderzoek naar grote modderkruiper en rugstreeppad (opgenomen in de notitie ecologisch onderzoek 2019). Ten aanzien van vogels wordt 1 bijkomende actie aanbevolen, namelijk een extra nestencheck voorafgaand aan de start van de werkzaamheden waarbij een deskundig ecoloog (de omgeving van) het plangebied controleert op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten.

Indien geen jaarrond beschermde nesten worden aangetroffen kunnen de werkzaamheden in gang worden gezet, mits wordt voldaan aan de maatregelen ten aanzien van de overige broedvogels (zie hierna). In het geval dat er wel een jaarrond beschermd nest aanwezig is in of rondom het plangebied, dient te worden bepaald of er verstoring plaatsvindt. Wanneer verstoring van wezenlijke invloed aan de orde is, zijn in sommige gevallen maatregelen mogelijk waardoor werkzaamheden (deels-) kunnen door gaan. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld door binnen een ruime zone rondom het betreffende nest (buiten de verstoringscontour) geen werkzaamheden te laten plaatsvinden. De grootte van de verstoringscontour is afhankelijk van de vogelsoort. Ten aanzien van overige broedvogels (waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn), geldt dezelfde conclusie als in het eerder verrichte

11

Witteveen+Bos, ‘Oplegnotitie natuurtoets Rodenhuis’, 21 december 2020

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

58

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

soortenonderzoek (opgenomen in de natuurtoets 2017). Namelijk dat verstoring van broedende individuen dient te worden voorkomen door:  buiten het broedseizoen te werken, daarmee rekening houdend met het feit dat sommige vogels tot in september kunnen broeden;  de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt. 5.8.7 Conclusie soortenbescherming De soortenbescherming levert geen belemmeringen op voor de uitvoering van het plan, mits de bovenbeschreven maatregelen ten aanzien van jaarrond beschermde nesten, overige broedvogels en de rugstreeppad alsmede de bovenbeschreven zorgplichtmaatregelen in acht worden genomen.

5.9

Archeologie

5.9.1 Beleid en regelgeving Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologisch erfgoed. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die is geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De wet regelt:  Bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem;  Inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening  Financiering onderzoek: de veroorzaker betaalt Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. Naar verwachting treedt de Omgevingswet niet eerder dan 2023 in werking. Om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Krimpenerwaard een archeologische beleidskaart vastgesteld die onderdeel uitmaakt van de Nota archeologie. Op de beleidskaart staan gebieden met archeologische waarden en verwachtingswaarden aangegeven die de basis vormen voor de bescherming van archeologische (verwachtings) waarden in bestemmingsplannen.

Op basis van de archeologische beleidskaart zijn 8 categorieën te onderscheiden, elk met een ‘eigen’ beschermingsregime. 1. Archeologische monumenten (WA-1) Dit betreft de terreinen van provinciaal belang die op de Archeologische MonumentenKaart zijn opgenomen (AMK-terreinen). In de gemeente Krimpenerwaard komen terreinen voor van (zeer) hoge archeologische waarde. Deze terreinen zijn beschermd in de provinciale Verordening Ruimte uit 2016. Dit betekent dat de AMK-terreinen geen vrijstelling in oppervlakte kennen. Het beleid van de gemeente Krimpenerwaard is hierop afgestemd. Voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv dient

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

59

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

archeologisch onderzoek plaats te vinden. 2. Vindplaatsen, historische kernen, kerkterreinen en begraafplaatsen, dagzomende rivierduinen (WA-2) Deze categorie betreft terreinen en/of zones waar de aanwezigheid van archeologische resten is vastgesteld of de verwachting voor de aanwezigheid hiervan (zeer) hoog is. Het gaat hierbij enerzijds om de historische dorpskernen met kerkterreinen en begraafplaatsen. Deze categorie betreft anderzijds ook de archeologische en historisch geografische vindplaatsen, waarvoor nog geen begrenzing en waardering is vastgesteld. Ook de dagzomende rivierduinen – donken – vallen in deze categorie, aangezien uit onderzoek blijkt dat deze toppen (vrijwel) altijd bewoond zijn geweest vanaf de Prehistorie en er derhalve sprake is van een zeer hoge archeologische verwachting. Voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en groter dan 50 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. 3. Historische bewoningslinten, dijken (WA-3) Deze categorie betreft de middeleeuws bewoningslinten langs de Lek, Hollandsche IJssel en in de binnengebieden (zone van 100 m), waarvoor een (zeer) hoge verwachting geldt ten aanzien van verspreide bewoning uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd (met name huisplaatsen en boerderijen). Voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en groter dan 100 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. 4.

Afzettingen van Hollandsche IJssel, Lek, Vlist, Lopikerwetering en afgedekte rivierduinen (WA-4) In deze categorie vallen de oever-, overslag- en crevassezones van de Hollandsche IJssel en de Lek. Deze liggen aan en dicht onder het maaiveld en kennen een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Late IJzertijd-Middeleeuwen. Voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en groter dan 1000 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. 5. Afgedekt holoceen rivierenlandschap (Graaf riviersysteem) en dieper gelegen afgedekte rivierduinen (WA-5) Deze categorie bestaat uit de afgedekte afzettingen van de stroomgordels van het Graaf riviersysteem en uit rivierduinafzettingen die niet binnen WA-2 of WA-3 vallen. Voor de rivierduinafzettingen geldt een zeer hoge tot hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen vanaf het Laat Paleolithicum. Voor bodemingrepen dieper dan 1,5 m –mv en groter dan 2.500 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. 6. Afgedekt holoceen rivierenlandschap (Benschop riviersysteem) en zeer diep gelegen afgedekte rivierduinen (WA-6) Deze categorie omvat de stroomgordels die behoren tot het Benschopriviersysteem. Dit riviersysteem heeft een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit het Neolithicum en Bronstijd.

Tot deze categorie behoren tevens de afgedekte rivierduinen die buiten de overige categorieën vallen. De verwachting voor deze landschappelijke eenheden is zeer hoog voor het Laat Paleolithicum en

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

60

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Mesolithicum. Voor bodemingrepen dieper dan 3 m –mv en groter dan 2.500 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. 7.

Zones met een lage verwachting (WA-7) Deze categorie betreft de zones met een lage archeologische verwachting in de komgebieden buiten de bewoningszones en/of overige verwachtingszones waarvoor een vrijstellingsgrens met een grotere diepte geldt. Voor bodemingrepen dieper dan 3 m –mv en groter dan 10.000 m² dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.

8.

Waterbodems (WA-8) De Lek en (gekanaliseerde) Hollandsche IJssel zijn aangemerkt als Rijkswater. Formeel betekent dit dat Rijkswaterstaat (die geadviseerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) de waterbeheerder is. Bij ingrepen in de waterbodems dient archeologisch onderzoek onder water uitgevoerd te worden conform de vigerende KNA-waterbodems.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat diverse uitzonderingen gelden voor de bovengenoemde plicht tot het verrichten van archeologisch onderzoek. Dit geldt o.a. voor gronden waarvan kan worden aangetoond dat reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag of als bijvoorbeeld de bestaande fundering wordt gebruikt. 5.9.2 Relatie met het plangebied Bijgaand is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart voor het plangebied. Hieruit blijkt dat de volgende archeologische categorieën in het plangebied voorkomen: Beleidscategorieën Afzettingen van Hollandsche IJssel, WA-4 Lek, Vlist, Lopikerwetering en afgedekte rivierduinen Afgedekt holoceen rivierenlandschap (Graaf WA-5 riviersysteem) en dieper gelegen afgedekte rivierduinen Afgedekt holoceen rivierenlandschap (Benschop WA-6 riviersysteem) en zeer diep gelegen afgedekte rivierduinen WA-7 Zones met een lage verwachting

Criterium Criterium Dubbelbestemming oppervlakte diepte 1.000 m²

0,3 m

Waarde – Archeologie 4

2.500 m²

1,5 m

Waarde – Archeologie 5

2.500 m²

3m

Waarde – Archeologie 6

10.000 m²

3m

Waarde – Archeologie 7

Archeologische beleidscategorieën in het plangebied met de criteria voor het verrichten van archeologisch onderzoek

Het grootste deel van het plangebied behoort tot categorie WA-7. De categorieën WA-4, WA-5 en WA-6 beslaan kleinere delen van het plangebied. De bodemingrepen die in het plangebied plaatsvinden bestaan in hoofdzaak uit het verplaatsen van 15 winputten, het aanleggen van een onderhoudspad, het aanleggen van een nieuwe ontsluiting op de rotonde in de N210, het aanpassen van ondergrondse infrastructuur en het graven van een watergang. Bij deze bodemingrepen zullen de ondergrenzen voor het doen van archeologisch onderzoek niet worden overschreden. Ter plaatse van de archeologische

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

61

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard met ligging plangebied

beleidscategorieën WA-5, WA-6 en WA-7 zullen de bodemingrepen namelijk niet dieper gaan dan 1,5 meter (WA-5) of 3 meter (WA-6 en WA-7). De oppervlakte van de bodemingrepen die wel dieper gaan (het boren van nieuwe winputten), zal kleiner zijn dan 2.500 m² (WA-5 en WA-6) of 10.000 m² (WA-6). Slechts een heel klein deel van het plangebied behoort tot beleidscategorie WA-4. De oppervlakte van de bodemingrepen die hier dieper gaan dan 0,3 meter zal kleiner zijn dan 1.000 m². Zelfs voor het aan te leggen onderhoudspad wordt namelijk niet dieper gegraven dan 0,3 meter. Uit het voorgaande volgt dat voor de herinrichting van het winveld geen archeologisch onderzoek nodig is. Tevens is uit geohydrologisch onderzoek (zie paragraaf 5.7.3) gebleken dat er geen effecten op archeologische waarden worden verwacht door grondwaterstandsverandering als gevolg van de herinrichting van het winveld. Het bestemmingsplan biedt wel bescherming aan de archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Vertaling in het bestemmingsplan De gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde zijn in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Deze bestemming biedt bescherming aan de archeologische (verwachtings) waarden en heeft voorrang op de onderliggende enkelbestemming.

De bovengenoemde categorieën archeologische (verwachtings)waarden zijn vertaald in de volgende dubbelbestemmingen:  Waarde – Archeologie 4 (WA-4);  Waarde – Archeologie 5 (WA-5);  Waarde – Archeologie 6 (WA-6);

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

62

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Waarde – Archeologie 7 (WA-7).

De dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 4 t/m 7’ waarborgen dat voor bodemingrepen die de ondergrenzen overschrijden eerst archeologisch onderzoek verricht moet worden. Nogmaals wordt benadrukt dat er diverse uitzonderingen gelden voor de plicht tot het doen van archeologisch onderzoek, zoals voor gronden waarvan kan worden aangetoond dat reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. 5.9.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect archeologie.

5.10 Cultuurhistorie 5.10.1 Beleid en regelgeving Goede ruimtelijke ordening betekent dat er, onder meer bij het opstellen van bestemmingsplannen, een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is daarbij een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Door wijziging per 1 januari 2012 van het Besluit ruimtelijke ordening (art. 3.1.6) dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierdoor wordt de bescherming van cultuurhistorische waarden niet meer alleen geregeld via de Monumentenwet 1988, maar ook via het proces van de ruimtelijke ordening. Cultuurhistorische waarden kunnen geborgd worden via de ruimtelijke ordening en het bestemmingsplan. Naast rijks- en gemeentelijke monumenten kunnen nu ook de waardevolle elementen, niet zijnde monumenten, beschermd worden, zoals structuren, objecten en patronen die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. 5.10.2 Relatie met het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht. Ook zijn in het plangebied geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.

Wel maakt het plangebied deel uit van het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap. De cultuurhistorische waarden van dit landschap zijn gelegen in:  het verkavelings- en slotenpatroon;  de openheid;  karakteristieke landschapselementen. De cultuurhistorische waarden van het landschap blijven met de herinrichting van het winveld behouden. Het karakteristieke verkavelings- en slotenpatroon blijft aanwezig op het winveld. Er wordt wel een nieuwe watergang gegraven aan de noordzijde van het plangebied, maar deze zal vanaf de provinciale weg nauwelijks zichtbaar zijn en het langgerekte verkavelings- en slotenpatroon zal nog steeds worden ervaren, omdat dit patroon op het winveld behouden

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

63

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

blijft. Een hekwerk, het alternatief voor een watergang, zou gezien de benodigde lengte, hoogte en dichtheid, een veel grotere impact hebben op de cultuurhistorische waarden, waaronder de openheid. De puthuisjes hebben een geringe omvang en blijven in aantal gelijk. Hierdoor blijft de openheid intact. Door de herinrichting van het winveld gaan er ook geen karakteristieke landschapselementen verloren. 5.10.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect cultuurhistorie.

5.11

Bedrijven en milieuzonering

5.11.1 Beleid en regelgeving Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van een aantal milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties.

Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. Hoe gevoelig een gebied is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De in de bedrijvenlijst geadviseerde afstanden zijn gericht op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een ‘rustig buitengebied’. Een rustige woonwijk heeft weinig verkeer en er zijn praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra; het is daarmee een van de gevoeligste omgevingstypen. Naast het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ wordt ook het omgevingstype ‘gemengd gebied’ onderscheiden. Bij een gemengd gebied kunnen kleinere afstanden tussen bedrijven en woningen worden aangehouden. Bij een gemengd gebied zijn dus kleinere milieuzones van toepassing. Een gemengd gebied is een gebied dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit betekent dat de eisen in gemengde gebieden minder streng zijn dan in rustige woonwijken.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

64

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

5.11.2 Relatie met het plangebied Invloed omgeving op plangebied Een winveld voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van drinkwaterproductie betreft geen milieugevoelige functie. Bedrijven in de omgeving van het plangebied leveren derhalve geen belemmeringen op voor de herinrichting van het winveld. Bedrijven in de omgeving zullen ook niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de herinrichting van het winveld. Invloed plangebied op omgeving Een winveld voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van drinkwaterproductie komt niet voor in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hierdoor kan deze brochure niet worden toegepast. Het winveld levert echter geen stof- of geuremissie op. Ook is er geen geluidsemissie. De pompen waarmee het grondwater wordt opgepompt zijn elektrisch en werken geruisloos. Bovendien worden deze afgeschermd door de puthuisjes. Tot slot wordt er op het winveld niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Gelet op dit alles kan worden gesteld dat de milieubelasting van het winveld nihil is. De beoogde herinrichting van het winveld is daarom vanuit het oogpunt van milieuzonering inpasbaar. Het winveld is geen milieugevoelige functie. Bedrijven in de omgeving van het plangebied worden dan ook niet belemmerd in hun bedrijfsvoering door herinrichting.

In het geohydrologisch effectrapport (zie paragraaf 5.7.3) zijn de effecten van de herinrichting van het winveld op de landbouw beoordeeld. Een grondwaterstandverandering kan effect hebben op de landbouwkundige opbrengst. Het effect van de herinrichting op de landbouwgronden is verkend op basis van de verandering van de grondwaterstand, het bodemtype en gewassoorten. Uit berekeningen van opbrengstveranderingen blijkt dat onafhankelijk van het type gewas er geen effect tot mogelijk een theoretisch positief effect kan optreden (van ca. 5%). Immers, door de verplaatsing van winputten treedt bij de percelen een daling op van de grondwaterstand, waardoor de natschade afneemt en de opbrengst daardoor toeneemt. 5.11.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect milieuzonering. 5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.12.1 Regelgeving De milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit mer en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een:  C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden;  D-lijst met m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

65

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.-procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling. Bij de m.e.r.-beoordeling moet er volgens bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden getoetst aan de 3 volgende hoofdcriteria: o de kenmerken van het project; o de plaats van het project; o de kenmerken van de potentiële effecten. 5.12.2 Relatie met het plangebied In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater (categorie D 15.2) m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m³ of meer per jaar. Indien de hoeveelheid water 10 miljoen m³ of meer per jaar bedraagt is sprake van een m.e.r.-plicht (categorie C 15.1). De herinrichting van winveld Rodenhuis voorziet erin dat een deel van de winputten wordt vervangen en verplaatst naar aangrenzende percelen ten noorden van het huidige winveld.

De totale hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt, blijft gelijk. Op het bestaande winveld zal na de herinrichting circa 60% van de wincapaciteit overblijven. Er is dus sprake van een verschuiving van de capaciteit, waarbij 6,4 miljoen m³/jaar wordt verschoven naar de nieuwe winpercelen. De wijziging betreft meer dan 1,5 miljoen m³/ jaar, maar minder dan 10 miljoen m³/jaar. Hierdoor valt het plan voor de herinrichting van het winveld onder categorie D 15.2. Dit betekent dat voor besluiten, zoals een watervergunning, een m.e.r.-beoordeling nodig is. Voor een plan, zoals een bestemmingsplan, geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan)m.e.r.-plicht. Dit omdat het bestemmingsplan kaderstellend kan zijn voor latere besluiten. In het onderhavige geval is het bestemmingsplan echter niet kaderstellend voor latere besluiten. Op 16 oktober 2017 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland namelijk al een watervergunning verleend voor de herinrichting van het winveld. Deze vergunning is inmiddels onherroepelijk. Aan deze vergunning is een m.e.r.-beoordeling ten grondslag gelegd. De m.e.r.beoordelingsnotitie12 is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

Uit de m.e.r.beoordeling blijkt dat op basis van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten van het project, er geen belangrijke nadelige effecten worden verwacht van het project waarvoor het volgen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk wordt geacht. Ook aard, plaats, potentiële effecten en cumulatieve effecten in samenhang beschouwend zijn er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten. Gedeputeerde Staten van ZuidHolland hebben daarom op 16 mei 2017 besloten dat geen MER hoeft te worden opgesteld omdat er als gevolg van de activiteit geen belangrijke 12

Witteveen+Bos, ‘M.e.r.-beoordelingsnotitie’, 24 maart 2017

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

66

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu13. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit vaste jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat in gevallen waar eerst een vergunning is verleend waarvoor een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen is waaruit volgt dat er geen belangrijke milieugevolgen te verwachten zijn, er voor het plan geen m.e.r.-procedure meer nodig is. Dit betekent dat voor het onderhavige bestemmingsplan geen MER hoeft te worden opgesteld. 5.12.3 Conclusie Voor dit bestemmingsplan hoeft geen MER te worden gemaakt.

13

ODMH (namens Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland), ‘M.e.r.-beoordelingsbesluit’, 16 mei 2017

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

67

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

6

6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Inleiding

6.1.1 Algemeen Dit hoofdstuk geeft inzicht hoe de nieuwe situatie is vertaald in juridisch bindende regels, met hieraan gekoppeld een verbeelding. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van deze regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het belangrijkste onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Aan alle in het plan begrepen gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Zo nodig worden aan deze bestemmingen regels gekoppeld omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. Aanduidingen zijn terug te vinden op de (analoge) verbeelding en hebben een juridische betekenis in het bestemmingsplan.

Alle overige op de (analoge) verbeelding voorkomende zaken worden verklaringen genoemd. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn op de (analoge) verbeelding opgenomen om deze beter leesbaar te maken (bijvoorbeeld topografische ondergrond). Verklaringen worden in de digitale verbeelding niet uitgewisseld, waardoor die informatie de burger via de digitale weg niet zal bereiken. 6.1.2 Digitaliseringsvereisten Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn ook digitaliseringsverplichtingen aan een bestemmingsplan gesteld. De regels en de verbeelding dienen daarom te zijn opgesteld volgens IMRO en SVBP, onderdeel van de zogenaamde RO Standaarden. IMRO staat voor Informatie Model Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisaties op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

68

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012, als opvolger van de RO Standaarden 2008, verplicht. Concreet betekent dit dat nieuwe bestemmingsplannen vanaf die datum volgens deze nieuwe standaard opgesteld en gepubliceerd moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan is overeenkomstig deze nieuwe vereisten opgesteld en is hiermee gereed om digitaal beschikbaar te stellen voor een ieder.

6.2

Opbouw regels en verbeelding

6.2.1 Regels De planregels zijn opgesteld volgens het SVBP2012 en voldoen tevens aan de eisen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De systematiek van de regels sluit zoveel mogelijk aan op de regels van het aangrenzende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Waar nodig zijn aanpassingen/aanvullingen gedaan om de met het voorliggende plan beoogde ontwikkeling mogelijk te maken en om regels te verduidelijken en/of af te stemmen op de meest recente regelgeving/jurisprudentie/beleid. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met Inleidende regels (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de bestemmingsregels, de algemene regels (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de overgangs- en slotregels. Daarbij staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: - Bestemmingsomschrijving; - Bouwregels; - Nadere eisen; - Afwijking van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels; - Afwijking van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Wijzigingsbevoegdheid. Opgemerkt wordt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten, dit verschilt per bestemming.

6.2.2 Analoge verbeelding (plankaart) Uit de SVBP2012 volgen diverse verplichtingen voor wat betreft de verbeelding, zoals de kleur van de ondergrond (grijs) en minimaal weer te geven aspecten op de ondergrond. Ook de diverse kleuren van de bestemmingen, alsmede de verhouding van de op de verbeelding voorkomende lijndiktes zijn verplicht voorgeschreven. Voor wat betreft de ondergrond van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), aangevuld met de kadastrale kaart. In de legenda van de verbeelding is de versie van het bestemmingsplan vermeld (voorontwerp/ontwerp/vastgesteld). Verder staat de noordpijl in de legenda aangegeven.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

69

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

6.3

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1 en 2 Begrippen en wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP2012 en de begrippen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening De bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – waterwinbedrijf’ is toegekend aan de gronden van winveld Rodenhuis. Gronden met deze bestemming en aanduiding zijn bestemd voor waterwinwerken en bijbehorende voorzieningen, zoals onderhoudspaden. Tevens zijn deze gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon, en voor agrarisch medegebruik. Op deze gronden zijn ook watergangen, (natuurvriendelijke) oevers, dammen en bruggen toegestaan. De ecologische verbindingszone van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) die in het plangebied aanwezig is, is voorzien van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’. Hierdoor zijn deze gronden ook bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van een ecologische verbindingszone. Binnen de bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ mogen geen gebouwen worden gebouwd. Uitzondering hierop vormen maximaal 2 transformatorhuisjes (binnen het plangebied) met een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter en een oppervlakte van maximaal 20 m².

Er zijn wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals hekwerken en puthuisjes, toegestaan. De maximale hoogte is afhankelijk van het soort bouwwerk. Voorwaardelijke verplichting In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat de oostelijke oever ter plaatse van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’ dient te worden ingericht als natuurvriendelijke oever. Tevens bepaalt deze dat onder de brug over de watergang ten oosten van de zone dient te worden voorzien in een loopstrook of dat stapstenen in de vorm van poelen moeten worden aangebracht aan weerszijden van het onderhoudspad. Hiermee is de totstandkoming en instandhouding van de natuurvriendelijke oever, en daarmee de compensatie in het kader van het NNN, zeker gesteld (zie ook paragraaf 5.8.4). De voorwaardelijke verplichting houdt in dat het gebruiken van de gronden als winveld uitsluitend is toegestaan als de natuurvriendelijke oever en de loopstrook of stapstenen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. Dit betekent dat er sprake is van strijdig gebruik als het winveld gebruikt wordt, terwijl er geen natuurvriendelijke oever en loopstrook of stapstenen zijn gerealiseerd. Ook ontstaat er strijdig gebruik op het moment dat de natuurvriendelijke oever, loopstrook of stapstenen verwijderd worden, terwijl het gebruik van het winveld wordt voortgezet.

Dit biedt de mogelijkheid om handhavend op te treden tegen de verwijdering van deze elementen. De natuurvriendelijke oever, loopstrook of stapstenen dienen binnen 1 jaar na herinrichting van het winveld gerealiseerd te zijn. Zo kan de aanleg in de meest geschikte periode van het jaar worden gedaan. Artikel 4 Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is gebruikt voor de nieuwe ontsluiting van het

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

70

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

winveld op de rotonde in de N210. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wegen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers en bruggen. Dit maakt de realisatie van de nieuwe ontsluiting middels een brug mogelijk. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ kunnen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Artikel 5 Leiding - Water Deze dubbelbestemming is gegeven aan de drinkwatertransportleiding die het plangebied doorsnijdt. De voor ‘Leiding - Water’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een drinkwatertransportleiding. Het is verboden om op deze gronden te bouwen, uitgezonderd bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de leiding. Op deze wijze wordt de leiding beschermd. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit verbod, mits de bouw verenigbaar is met de belangen van de drinkwatertransportleiding en de beheerder van de leiding daarover heeft geadviseerd. Tevens geldt op gronden met de bestemming ‘Leiding - Water’ een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde. Er kan alleen een vergunning worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden verenigbaar zijn met de belangen van de drinkwatertransportleiding en de leidingbeheerder daarover heeft geadviseerd.

Een uitzondering op deze vergunningplicht geldt voor werken en/of werkzaamheden die tot het normale onderhoud worden gerekend, die noodzakelijk zijn voor de drinkwatervoorziening of die worden uitgevoerd ten behoeve van de herinrichting van het winveld. Aangezien Oasen de leidingbeheerder en tevens de initiatiefnemer van de herinrichting is, zijn de plannen voor de herinrichting reeds afgestemd op de ligging van de leidingen. Een uitzondering is daarom op zijn plaats. Artikel 6 Waarde - Archeologie 4 De voor ‘Waarde-Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met oever- en crevasseafzettingen Hollandse IJssel en Lek, Vlist, Lopikerwetering en afgedekte ondiepe rivierduinen (< ca. 2 m -Mv). De bestemming ‘WaardeArcheologie 4’ is toegekend aan de gronden waar ingevolge de gemeentelijke archeologische beleidskaart sprake is van de archeologische zone WA-4. In de regels van deze bestemming is bepaald dat voor het oprichten van bouwwerken eerst archeologisch onderzoek moet worden verricht, tenzij de bodemingrepen niet dieper gaan dan 30 cm onder het bestaande maaiveld of de betreffende bodemingrepen een oppervlakte hebben van niet meer dan 1.000 m².

In de bestemming geldt ook een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarden. Alleen als er archeologisch onderzoek is verricht kan een vergunning worden verkregen. Uitgezonderd van de vergunningplicht zijn onder meer werken en

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

71

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud van de gronden, evenals werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 cm onder het bestaande maaiveld of die een oppervlakte hebben van niet meer dan 1.000 m². Artikel 7 Waarde - Archeologie 5 De voor ‘Waarde-Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met holoceen afgedekt rivierenlandschap en stroomgordels Graaf riviersysteem. De bestemming ‘Waarde-Archeologie 5’ is toegekend aan de gronden waar ingevolge de gemeentelijke archeologische beleidskaart sprake is van de archeologische zone WA-5. Voor het oprichten van bouwwerken of het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op deze gronden gelden dezelfde regels als in de bestemming ‘Waarde-Archeologie 4’, zij het dat hier een diepteondergrens van 1,5 meter en een oppervlakteondergrens van 2.500 m² geldt.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 6 De voor ‘Waarde-Archeologie 6’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met holoceen afgedekt rivierenlandschap, stroomgordels Benschop riviersysteem, en zeer diep gelegen afgedekte rivierduinen (onbekende verwachting). De bestemming ‘Waarde-Archeologie 6’ is toegekend aan de gronden waar ingevolge de gemeentelijke archeologische beleidskaart sprake is van de archeologische zone WA-6. Voor het oprichten van bouwwerken of het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op deze gronden gelden dezelfde regels als in de bestemming ‘Waarde-Archeologie 4’, zij het dat hier een diepteondergrens van 3 meter en een oppervlakteondergrens van 2.500 m² geldt. Artikel 9 Waarde - Archeologie 7 De voor ‘Waarde-Archeologie 7’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van te verwachten archeologische waarden van gronden met een lage archeologische verwachting. De bestemming ‘Waarde-Archeologie 7’ is toegekend aan de gronden waar ingevolge de gemeentelijke archeologische beleidskaart sprake is van de archeologische zone WA-7.

Voor het oprichten van bouwwerken of het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op deze gronden gelden dezelfde regels als in de bestemming ‘Waarde-Archeologie 4’, zij het dat hier een diepteondergrens van 3 meter en een oppervlakteondergrens van 10.000 m² geldt.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

72

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening is hiervoor een standaard bepaling opgenomen. Het Bro verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen. Artikel 11 Algemene bouwregels In dit bestemmingsplan zijn binnen de bestemmingen regels opgenomen voor de maatvoering van bouwwerken. Er kunnen echter overschrijdingen voorkomen, waarvoor in het verleden omgevingsvergunningen voor het bouwen (voorheen bouwvergunningen) zijn verleend. Deze vergunde overschrijdingen zijn hier positief bestemd. Anders dan onder het overgangsrecht geldt voor deze positief bestemde overschrijdingen dus niet de beperking dat slechts een gedeeltelijke vervanging mag plaatsvinden. Sloop en vervangende nieuwbouw is gewoon toegestaan. Artikel 12 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan (zonder omgevingsvergunning) is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wabo. Bij de algemene gebruiksregels is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt. Naast de algemene gebruiksregels, die voor elke bestemming gelden, bevat het bestemmingsplan ook specifieke gebruiksregels. Deze zijn opgenomen in de bestemming waar ze van toepassing zijn.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen die behoren bij de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Er is uitsluitend bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding tevens de provinciale milieuverordening van toepassing is. Derhalve heeft de aanduiding alleen een signaleringsfunctie. Artikel 14 Algemene afwijkingsregels Hier zijn algemene afwijkingsregels (onder voorwaarden) opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Het betreft onder meer een afwijkingsmogelijkheid om maximaal 10% van de voorgeschreven maatvoering af kunnen te wijken en voor het bouwen van bouwwerken voor kleinschalige nutsvoorzieningen. Artikel 15 Algemene wijzigingsregels Op grond van de hier opgenomen regels kunnen Burgemeester en wethouders het plan onder voorwaarden wijzigen, onder meer voor een enigszins andere situering van bestemmingsvlakken en aanduidingsgrenzen. Artikel 16 Overige regels In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen. Deze zijn overgenomen uit het op 29 januari 2019 vastgestelde parapluplan ‘Parkeren Krimpenerwaard’. Door de inwerkingtreding van de 'Reparatiewet BZK 2014' (Staatsblad 2014, 458) per 29 november 2014 is de bouwverordening voor het bestemmingsplan niet meer van toepassing. Regelingen met betrekking tot parkeren dienen daarom in het bestemmingsplan te worden opgenomen.

In het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van de toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

73

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

werking van de bouwverordening mogelijk was. Omdat de gemeente Krimpenerwaard (nog) niet over een eigen parkeernota beschikt, wordt in de regels verwezen naar CROW-publicatie 317. Artikel 17 Overgangsrecht Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. De grootste verandering ten opzichte van de tot voor kort gebruikelijke overgangsregels is dat de peildatum voor bouwen en gebruik, gelijk is getrokken. Ook voor het bouwen is nu de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan beslissend. Dat was voorheen de datum van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De wetgever heeft met die gelijkschakeling beoogd eenduidigheid te scheppen. Indien bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen teniet gaan ten gevolge van een calamiteit, dan bestaat de mogelijkheid om terug te bouwen. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten schuld van de indiener van de bouwaanvraag veroorzaakt onheil. Artikel 18 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Gemeente Krimpenerwaard Bestemmingsplan Winveld Rodenhuis mRO b.v. / TOE / 99.407 / v6 / oktober 2022

74

NL.IMRO.1931.BP2202BG053-VG01 Vast te stellen

7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 6.12 van de Wro is de gemeenteraad verplicht voor gronden waarvoor een bestemmingsplan wordt vastgesteld tegelijkertijd een exploitatieplan vast te stellen. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Eveneens hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld als:  Er geen sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro;  Het totaal der exploitatiebijdragen dat met toepassing van artikel 6.19 van de Wro kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,-;  Er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f, van het Bro;  De verhaalbare kosten, bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f, van het Bro, uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de herinrichting van winveld Rodenhuis mogelijk. Hierbij zijn er geen verhaalbare kosten als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f van het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. De herinrichting van winveld Rodenhuis betreft een initiatief van drinkwaterbedrijf Oasen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=07563317-7692-4728-9e72-c946679c9e2d