CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL TOELICHTING Bestemmingsplan IJsselgaarde

Raadsvergadering 2 november 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan IJsselgaarde, Ouderkerk aan den IJssel22.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Kwantitatieve behoefte Gezien de grote vraag naar woningen is in het huidige Coalitieakkoord 2022 – 2026 opgenomen dat om de vitaliteit van de kernen te versterken, vol wordt ingezet op het tenminste ontwikkelen van de 3000 woningen uit de woonvisie, in én aansluitend aan de randen van de bestaande kernen. De aantallen uit de woonvisie gelden daarbij als ondergrens. De beoogde woningen geven invulling aan de grote vraag naar woningen en passen binnen de beschikbare plancapaciteit. In kwantitatief opzicht beoogt de gemeente in haar woningbouwbeleid om 3000 woningen tot 2030 te realiseren. In de huidige bouwplannen zijn reeds 1655 woningen opgenomen. Een deel van deze plannen zijn ‘zachte’ plannen en zijn nog niet vastgelegd in vastgestelde bestemmingsplannen of vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Voor de kern Ouderkerk aan den IJssel blijkt dat in de afgelopen jaren (tot 2018) veel minder woningen zijn gebouwd dan op basis van een evenredige verdeling van de verwachte toename van het aantal huishoudens in de periode tot 2030 mocht worden verwacht op basis van de omvang van de kern. Voor de periode tot 2030 zal het aantal huishoudens in Ouderkerk aan den IJssel volgens prognoses (Primos 2017) toenemen met 204 huishoudens in totaal. Voor de kern Ouderkerk aan den IJssel is een plancapaciteit van 99 woningen voor de periode tot 2024 opgenomen.

Tot 2030 zijn er op basis van de huishoudensprognose aanvullend 105 extra woningen nodig om in voldoende woningen te kunnen voorzien. Voor de kern Ouderkerk aan den IJssel betekent dit dat het zoeken naar geschikte plekken voor deze aanvullende bouwlocaties een opdracht vormt in het kader van de Omgevingsvisie (zie tevens Uitgangspunt 9 Notitie uitwerking woonvisie 2019).

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

26

Figuur 10

Notitie Uitwerking woonvisie naar kernen (Tabel 9: P18)

Kwalitatieve behoefte Het woningbouwprogramma is gericht op het bieden van een wooncarrière. Woningbouwinitiatieven dienen onder meer bij te dragen aan differentiatie in woningtypen, doelgroepen en prijsklassen. Een belangrijke doelstelling van de gemeente is het realiseren van een betaalbare en beschikbare woningvoorraad. Om voor de lange termijn voldoende betaalbare woningen te behouden, is met name voldoende doorstroming binnen de woningmarkt van belang. Door passende woningen voor verschillende doelgroepen te realiseren, kan ‘scheefwonen’ worden verminderd. Behalve het toevoegen van starterswoningen kan ook het toevoegen van woningen in een aantrekkelijk woonmilieu hieraan bijdragen. Woningbouw wordt gericht op de lokale doelgroepen en groen wonen. Voor de vitaliteit van het dorp is een gedifferentieerde bevolkingsopbouw van belang. Nieuwe ontwikkelingen dienen hieraan bij te dragen. De doelgroepen in het gemeentelijk woningbouwbeleid bestaan uit: starters, gezinnen, ouderen en nieuwkomers uit andere gemeenten. Verschillende doelgroepen hebben andere woonbehoeften (woningtype en prijsklasse) en mogelijkheden. In kwalitatieve zin is er binnen de gemeente met name behoefte aan grondgebonden woningen (vrijstaand en tweekappers) en appartementen met lift. Als gevolg van de vergrijzing is er een grote vraag naar nultredenwoningen en geclusterde zorgwoningen in de huursector.

Voor starters en doorstromers uit de huursector is de beschikbaarheid van betaalbare koopwoningen van belang. Tevens is een geschikt aanbod nodig van gezinswoningen om het vestigingsoverschot op te vangen. De omgeving van Ouderkerk aan den IJssel is een aantrekkelijke vestigingslocatie voor gezinnen. Binnen de kern Ouderkerk aan den IJssel is tot 2030 met name behoefte aan betaalbare koopwoningen en nultredenwoningen. Aanvullende woningbouw is gericht op een goede bevolkingsmix en groen wonen. Voor de kern geldt onder meer de doelstelling om eengezinskoopwoningen te realiseren, bij voorkeur in het betaalbare prijssegment. Uit bijlage 5 van de notitie uitwerking woonvisie per kern blijkt binnen de kern een behoefte te bestaan aan koopwoningen in het middensegment van 300.000 tot 400.000 euro. In beperkte mate is er binnen de kern een aanvullende behoefte aan dure koopwoningen. De gemeente beoogt de bestaande 11 kernen en 27 buurtschappen als uitgangspunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te houden. Nieuwe woningen worden in beginsel gerealiseerd binnen of aan de rand van bestaande kernen. Transformatie heeft de voorkeur boven uitbreiding. Doelstelling is om het omliggende landschap open te houden en de verbinding tussen kern en landschap te versterken. Woningbouw in het buitengebied is onder voorwaarden mogelijk.

In het woningbouwbeleid zijn eveneens de ambities van de gemeente voor de verduurzaming van de Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

27

bestaande woningvoorraad en het organiseren van zorg opgenomen.

Uitsnede Bijlage 3 Notitie uitwerking woonvisie 2019: Woningtekorten en overschotten (negatief getal is woningtekort)

Figuur 11

Plangebied Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de transformatie van een voormalig bedrijfsperceel in een woonlint naar een dorpse woonlocatie. De planlocatie ligt (overwegend) binnen bestaand stedelijk gebied en voor een klein gedeelte aan de kernrand in het buitengebied. In de nieuwe situatie worden kenmerkende landschapselementen voor het weidegebied en de contactzone tussen verstedelijkt en open landschap teruggebracht. Met het initiatief wordt bijgedragen aan het realiseren van een gedifferentieerde woningvoorraad. De beoogde woningen hebben verschillende

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

28

prijsklassen, zijn grondgebonden en worden gerealiseerd in de vorm van vrijstaande woningen, drieonder-één-kapwoningen, halfvrijstaande woningen en rijwoningen. Binnen het plangebied worden woningen in het betaalbare segment, het middensegment en in het hogere segment aangeboden. Binnen het programma wordt voorzien in 7 starterswoningen die via een koopinstapregeling in het goedkope segment worden aangeboden (prijsindicatie € 250.000), 6 rijwoningen in het lagere segment (tot circa € 450.000), 12 rijwoningen in het middeldure segment (van circa €450.000- circa €600.000) en 6 woningen in het dure segment (vanaf € 600.000). Het plangebied wordt vormgegeven als woonerf met een gezamenlijke speelweide en een doorzicht naar het open buitengebied. De beoogde ontwikkeling past binnen de gemeentelijke ambities van een aantrekkelijk groen en dorps woonmilieu. De woningen worden duurzaam (gasloos) gerealiseerd volgens de geldende bouwregelgeving. De locatie sluit door de bestaande afstand tot voorzieningen in de kern Ouderkerk aan den IJssel minder aan op de wensen van de doelgroep ouderen of zorgbehoevenden uit het woonbeleid. De grondgebonden woningen sluiten aan bij de woonbehoefte van de doelgroep gezinnen uit het woonbeleid. Om tegemoet te kunnen komen aan de financieringsmogelijkheden voor starters, wordt een ruimere financieringsvorm aangeboden door de ontwikkelende partij.

Met de ontwikkeling van grondgebonden woningen wordt bijgedragen aan het behouden en ontwikkelen van een vitale kern met een gedifferentieerde bevolkingsopbouw in een landelijke en groene omgeving. Conclusie Met de beoogde realisatie van 31 woningen wordt invulling gegeven aan de kwantitatieve en kwalitatieve ambities uit de woonvisie.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

29

4.

OMGEVINGSASPECTEN

4.1

Cultuurhistorie en archeologie

4.1.1 Cultuurhistorie Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de richting die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingeslagen verder voortgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Plangebied In de cultuurhistorische atlas van de Provincie Zuid-Holland maakt het plangebied onderdeel uit van de verloopcontouren van de Oude Hollandse Waterlinie. Het omliggende gebied heeft een hoge waardering als historisch landschappelijk vlak. De IJsseldijk-Noord is aangemerkt als een historisch landschappelijke lijn met een hoge waarde. De ontwikkeling van het plangebied aan de IJssellaan heeft geen invloed op het verloop of de herkenbaarheid van de IJsseldijk. Het plangebied valt tevens gedeeltelijk binnen de molenbiotoop van molen ‘Windlust’ in Kortenoord.

Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de omgevingsvisie. Op basis van artikel 6.25 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie 7 augustus 2021) gelden bouwbeperkingen ter bescherming van de vrije windvang en het zicht op de molen in Kortenoord. Binnen bestaand dorpsgebied betekent dit dat de bouwhoogte van bouwwerken is beperkt tot 1/30 van de afstand tot de molen. De bestaande afstand bedraagt ca 300 meter. Met de beoogde ontwikkeling worden grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. De bouwhoogte van de woningen in de planregels bedraagt maximaal 10 meter (+10%). De nieuwe woningen hebben geen effect op de windvang van de molen.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

30

Figuur 12

Uitsnede cultuurhistorische atlas Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland) met plangebied zwart

omkaderd

Lagenbenadering gebiedskwaliteit Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in aard en schaal te passen binnen de identiteit van het landschap. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het dijklint aan de IJsseldijk-Noord zijn criteria opgesteld in de ‘Nota ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017’. Structuurbepalende elementen zijn de IJsseldijk-Noord als landschapselement, de openheid van het veenweidegebied en de doorzichten vanaf de dijk. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen op basis van het geldende gemeentelijke beleid te voldoen aan de gebied specifieke kaders uit de nota ruimtelijke kwaliteit. De provincie heeft de gebiedsprofielen verder uitgewerkt in een kwaliteitskaart (www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl). De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking. De kwaliteitskaart is opgebouwd op basis van de lagenbenadering. Deze maakt onderscheid in de volgende lagen: laag van de ondergrond; cultuur- en natuurlandschappen; stedelijke occupatie en de beleving. Laag van de Ondergrond De natuurlijke ondergrond van het gebied bestaat uit rivierklei op veen (Rivierdeltacomplex). De IJssellaan maakt onderdeel uit van de oude stroomrug van de IJssel. Dit gebied heeft een bijzondere aardkundige waarde. Bij nieuwe ontwikkelingen in deze gebieden is het van belang om de herkenbaarheid van het verschil tussen lagere komgronden en hogere oeverwallen te behouden.

Water is een belangrijke structuurdrager. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de duurzame werking van (een samenhangend) watersysteem. Ontwikkelingen vergroten de zichtbaarheid en toegankelijkheid van oppervlaktewater.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

31

Met de ontwikkeling van 31 grondgebonden woningen (hoofdzakelijk) binnen het voormalige bedrijfsterrein, wordt aangesloten op de bebouwingsstructuur van het bestaande buurtschap aan de IJssellaan. Ondanks de kleinschalige aanvullende bouwmogelijkheden in landelijk gebied, wordt met de ontwikkeling het bestaande contrast tussen bebouwd gebied en open veenweidegebied gerespecteerd. De contactzone tussen bebouwd gebied en open gronden wordt ingericht door het terugbrengen van een watergang en een groene rand met knotwilgen. Laag van Cultuur- en natuurlandschappen Kenmerkend voor het cultuurlandschap van het veenweidegebied zijn de langgerekte verkavelingsstructuren, lange zichtlijnen, smalle kavels, overwegend agrarisch gebruik, het contrast tussen hogere bewoningslinten, lage open gebieden, dijken en kaden. Linten hebben als contrasterende structuur een sterke bepalende positie in het ontstaan van het landschapstype. De rand tussen dorp en veenweide volgt de verkaveling van woonpercelen. Woonbebouwing staat traditioneel met vóór of achterkant naar het landschap. De achterkant van het dorp wordt meestal begrensd door een weg of wetering. Van belang bij ontwikkelingen is het behoud van zachte waterrijke en groene overgangen tussen dorp en landschap. Ambitie bestaat uit behoud en versterking van verweving door toegankelijke kades, landschappelijke patronen en/ of zichtlijnen.

De IJssellaan betreft een polderlint. De bebouwing ligt op hetzelfde niveau met de omgeving. De bebouwingsstructuur van de IJssellaan heeft in de uitgangssituatie een compact karakter als gevolg van de perceelsgewijze inbreiding. De bestaande hoofdgebouwen liggen op korte afstand van de openbare weg (IJssellaan). De oriëntatie van de woningen, de bouwstijl en het bebouwingsoppervlak van de woningen door aan- en uitbouwen verschilt sterk. De percelen zijn aan de zuidzijde van de IJssellaan zeer diep (tot ca 80 meter) en veelal tot zeker halverwege de kavel bebouwd. De bebouwingsstructuur aan de westzijde van de IJssellaan is vergroeid met het dijklint van de IJsseldijk- Noord waardoor het lint het karakter van een cluster heeft gekregen. De ontwikkeling blijft in hoofdopzet binnen de bestaande bebouwingsstructuur. Door het omvormen van een bestaand en volledig verhard bouwvlak met grootschalige bedrijfsbebouwing tot een woonomgeving met grondgebonden gezinswoningen met tuin in een erfopzetting, wordt beter aangesloten op de bestaande kleinschalige woonomgeving. In het deel van het plangebied dat buiten het bestaand stedelijk gebied valt, wordt voor de helft voorzien in de aanleg en uitbreiding van water- en natuurfuncties waar geen bebouwing meer mogelijk is. Onderdeel van het plan is de aanleg van open water en het behoud van een zichtpunt naar het open buitengebied.

De inrichting sluit aan op de bestaande structuren, waaronder het verkavelingspatroon, de bestaande bebouwde structuur en de waterstructuur. In de nieuwe situatie worden zichtlijnen, een groene afbakening en contrasten tussen bebouwde oeverwal en open komgronden teruggebracht. Bij de woningen is in beperkte mate het oprichten van bijbehorende bouwwerken buiten de huidige begrenzing van het bestaand stedelijk gebied mogelijk. Hiermee is sprake van (een beperkte) aanpassing van de bestaande landschappelijke karakteristiek. Laag van de Stedelijke occupatie Het voormalige bedrijfsterrein maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Om het bestaand stedelijk gebied heen ligt een overgangszone: ‘de stads- of dorpsrand’. Een deel van het plangebied ligt binnen deze dorpsrandzone. Van belang in deze zone is een passende overgangskwaliteit tussen bebouwd gebied en onbebouwd landschap (de ‘contactkwaliteit’). Juist de raakvlakken tussen verschillende landschapstypen bieden kansen voor het versterken van de landschappelijke kwaliteit.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

32

Als gevolg van de voorgestane ontwikkeling wordt grootschalige bebouwing van een bedrijfsfunctie gesloopt en vervangen voor grondgebonden gezinswoningen. De schaal en functie van de nieuwe bebouwing sluit veel beter aan op de bestaande dorpse woonomgeving. Met de beoogde herontwikkeling van een grootschalig terrein naar een dorpse woonomgeving is sprake van een verbetering van de ruimtelijke structuur. Laag van de beleving Ter hoogte van het plangebied gelden geen bijzondere doelstellingen ten aanzien van het ontwikkelen of ontsluiten van recreatieterreinen of natuurgebieden. De ontwikkeling heeft geen invloed op recreatieve mogelijkheden of natuurgebieden in de omgeving. Met de ontwikkeling wordt in algemene zin invulling gegeven met het beleefbaar maken van het open polderlandschap door een zichtpunt aan te leggen op de grens tussen woonerf en open veenweidegebied. De huidige groene afbakening van het plangebied wordt ook in de nieuwe situatie teruggebracht. Conclusie Er is sprake van een ontwikkeling die in schaal en aard past binnen de kenmerken van het veenweidegebied. Het herontwikkelen van een grootschalig bedrijventerrein naar een groene en dorpse woonwijk past binnen de stedenbouwkundige structuur van het polderlint. Er wordt zorggedragen voor het aanleggen van goede contactkwaliteit tussen bebouwd gebied en open veenweidegebied.

Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.2 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld die in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet die een wijziging omvat van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Op grond hiervan moeten overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening houden met het behoud van archeologische waarden. De gemeente Krimpenerwaard heeft het archeologiebeleid vastgelegd in de Archeologienota Krimpenerwaard (in werking vanaf 17 december 2016). De archeologische verwachtingswaarden zijn inzichtelijk gemaakt in de archeologische beleidskaart. Per categorie is aangegeven voor welke grondwerkzaamheden archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Plangebied De planlocatie is aangemerkt als ‘WA-3’.

Voor grondwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 0,3 m-mv dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het plangebied is reeds in gebruik geweest als bedrijfslocatie. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie In de planregels is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. In alle gevallen dienen toevalsvondsten te worden gemeld bij het bevoegd gezag volgens artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De bescherming van archeologische waarden is hierbij voldoende geborgd.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

33

Figuur 13

Uitsnede archeologische beleidskaart Krimpenerwaard (RAAP 2016) plangebied zwart

omkaderd.

4.2

Duurzaam bouwen

Het begrip ‘duurzaam bouwen’ is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen en de te onderscheiden processen te waarborgen. Een belangrijk wettelijk instrument hiervoor is het Bouwbesluit waarin onder meer de energieprestatie zijn opgenomen. Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd. De ambities van overheden, projectontwikkelaars en maatschappelijke organisaties zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Om nieuwbouwlocaties zoveel mogelijk bestand te laten zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering is een Programma van Eisen opgesteld waar bouwaanvragen aan getoetst zullen worden. Op basis van het Programma van Eisen wordt gestuurd op: -

Minder wateroverlast; Minder hittestress; Vermindering nadelige gevolgen langdurige droogte en bodemdaling;

-

Verbetering biodiversiteit.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

34

Beoordeling Bij het bouwen van de woningen wordt uitgegaan van duurzaamheidsaspecten zoals gasloos bouwen, gebruik van duurzame energievoorzieningen (zonnepanelen/warmtepompen) en duurzaam ruimtegebruik (aansluiten op bestaande structuren). De ontwikkeling zal hydrologisch neutraal worden gerealiseerd. De wijze waarop binnen het plangebied wordt omgegaan met overtollig hemelwater is weergegeven in paragraaf 4.8. Conclusie De omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen zal voldoen aan de duurzaamheidscriteria van het uitwerkingsplan alsmede de vereisten voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit en aan de richtlijnen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Hiermee is duurzaam bouwen gewaarborgd.

4.3

Geluid

Geluid is van belang vanwege mogelijke geluidsoverlast van wegverkeer. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan zoals bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Wro dient inzichtelijk gemaakt te worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is noodzakelijk indien binnen de geluidzones van spoorof verkeerswegen sprake is van projectie van geluidsgevoelige bebouwing. Uitgezonderd hierop zijn woonerven, 30 km zones en op basis van een geluidsniveaukaart gedezoneerde wegen. Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder gelden de onderstaande normen voor geluidzones: Tabel 1: Geluidszone wegverkeerslawaai

Gebied

Aantal rijstroken

Breedte

geluidzone

in

meters Stedelijk Buitenstedelijk

1 of 2

200

3 of meer

350

1 of 2

250

3 of 4

400

5 of meer

600

De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzones is 48 dB. Voor binnenstedelijke gebieden geldt bij nieuwbouw een maximale ontheffingswaarde tot 63 dB op de gevel van de woning. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting op de gevel binnen de maximaal toelaatbare waarde blijft, kan het College van B&W via een besluit tot vaststelling hogere waarden een ontheffing verlenen. Ontheffing kan alleen worden verleend indien maatregelen die gericht zijn op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanuit stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel oogpunt redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Bovendien dienen maatregelen genomen te worden om zeker te stellen dat de geluidsbelasting op de binnengevel van de woningen maximaal 33 dB bedraagt. Beoordeling Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. De woningen worden gesitueerd binnen de bebouwde structuur van de IJssellaan. Voor de IJssellaan geldt maximumsnelheid van 30 km/uur. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de IJsseldijk-Noord. Voor deze weg geldt ter hoogte van het plangebied een maximumsnelheid van 60 km/ uur.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

35

Resultaten akoestisch onderzoek Door De Roever Omgevingsadvies is in mei 2022 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor de nieuwe situatie. De geluidsbelasting op de gevel van de woningen als gevolg van verkeersbewegingen over de IJssellaan bedraagt maximaal 40,3 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op geen enkel punt binnen het plangebied overschreden. De gecumuleerde geluidsbelasting binnen het plangebied bedraagt ten hoogste 54,1 dB. Deze waarde is berekend op de grens van het woongebied. De vereiste standaard gevelwering uit het Bouwbesluit 2012 is ruim voldoende om een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat binnen te woningen te kunnen garanderen. Een nader onderzoek naar de geluidwerendheid van de gevels danwel een toetsing aan het hogere waarden beleid van de gemeente wordt niet noodzakelijk geacht. Aangezien de geluidsniveaus bij de woningen variëren van 35 tot 54dB is op basis van de methode Miedema sprake van een ‘zeer goede’ tot ‘redelijke’ milieukwaliteit. Conclusie De invloed van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De onderzoeksresultaten zijn toegevoegd in bijlage 2 van de toelichting.

4.4

Luchtkwaliteit

Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Om doorgang te vinden dient een ruimtelijke ontwikkeling: a. de grenswaarde niet te overschrijden; b. luchtverontreinigende stoffen dienen in concentratie (per saldo) niet toe te nemen; c. Niet In Betekenende Mate bij te dragen volgens de in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden; d. Onderdeel uit te maken van een vastgesteld onderdeel binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) en dus is gericht op het aan de grenswaarden laten voldoen van grote ruimtelijke ontwikkelingen. Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wet milieubeheer). Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen (Bijlage 2 Wet milieubeheer). Binnen de kaders van de Wet luchtkwaliteit werken Rijk, provincies en gemeenten samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren door middel van de gebiedsgerichte benadering van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Op basis van artikel 5.16 van de Wet Luchtkwaliteit voldoen ruimtelijke ontwikkelingen aan de luchtkwaliteitseisen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de ontwikkeling: niet leidt tot overschrijdingen van een in Bijlage 2 (Wm) opgenomen grenswaarde voor luchtverontreinigende stoffen; -

per saldo leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit danwel niet leidt tot een verslechtering; niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een luchtverontreinigende stof zoals opgenomen in Bijlage 2 (Wm);

-

is opgenomen in een vastgesteld programma van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit of het NSL.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

36

Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor een aantal categorieën van projecten is op basis van getalsmatige grenzen vastgesteld wanneer er sprake is van een ontwikkeling welke op voorhand NIBM bijdraagt aan luchtverontreiniging. De ondergrens voor onderzoek bedraagt voor woningbouw: 1500 woningen netto bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling De ontwikkeling van 31 woningen is kleinschalig en valt ruimschoots binnen de getalsmatige grenswaarden voor woningbouw. De verkeersbewegingen van personenwagens zullen in de nieuwe situatie licht toenemen. Daar staat tegenover dat de verkeersbewegingen die samenhangen met de activiteiten van het voormalige bouwketenbedrijf ter plaatse zullen vervallen. De ontwikkeling draagt echter niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Uit de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit zijn voor het jaar 2020 de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen onderzocht. Uit de monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het plangebied de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Voor een goede ruimtelijke ordening dient er voldoende afstand te bestaan tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 staan richtafstanden opgenomen voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. De richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. Indien aan de richtafstanden wordt voldaan, kan zonder verdere toetsing worden aangenomen dat er sprake zal zijn van een goed woon-en leefklimaat. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten (inclusief de maximale planologische ruimte). De richtafstanden uit de VNG- handreiking zijn gebaseerd op de omgevingskwaliteit die vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. Voor gevoelige functies in een gemengd gebied kan de richtafstand met één niveau worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

37

Tabel 2: Richtafstandentabel VNG milieu-categorieën

Milieucategorie

Richtafstand in meters tot gevoelige bestemmingen Rustige woonwijk

Gemengd gebied

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

Bovenstaande tabel geeft (VNG 2009) per milieucategorie aan welke afstand tussen verschillende functies wordt aangehouden. Van de algemene richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer milieuonderzoek naar de specifieke situatie een andere mate van milieubelasting aantoont. Plangebied Het plangebied bevindt zich binnen een bebouwingslint met burgerwoningen, een sportvoorziening (ijsbaan), de verkeersweg de IJssellaan en een aantal bedrijfsmatige functies aan het lint. Er is sprake van enige menging van functies in een woonomgeving. Naar de gebiedstypering is advies gevraagd bij de Omgevingsdienst. De omgeving van het plangebied is in het kader van de gebiedstypering gekarakteriseerd als rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende bedrijven: Natuurijsbaan IJssellaan 38a Op deze locatie is een ijsvereniging gevestigd. Het clubgebouw is bestemd voor recreatieve doeleinden in het vigerende bestemmingsplan. De afstand tussen het clubhuis en de beoogde woningen (gevel) bedraagt ca 20 meter. De seizoensgebonden ijsbaan grenst direct aan het plangebied. In bijlage 1 van het vigerende bestemmingsplan is in de Staat van Bedrijfsactiviteiten een buurt- en clubhuis aangemerkt als milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter op basis van het bepalende milieueffect geluidhinder.

De richtafstanden voor milieuzonering zijn opgesteld voor gemiddelde bedrijven. De ijsbaan ter plaatse betreft echter een seizoensgebonden activiteit. Een natuurijsbaan is geen milieubelastende activiteit. Indien ter plaatse meer dan 100 personen aanwezig zullen zijn, is op basis van de gemeentelijke ‘APV Krimpenerwaard 2018’ een evenementenvergunning noodzakelijk. De omvang van de activiteit is hiermee via het bezoekersaantal reeds gereguleerd. Op evenementen zijn tevens de ‘Beleidsregels evenementen Krimpenerwaard 2018-2022’ van toepassing. In de beleidsregels zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de omvang van het toegestane evenement, openingstijden en het gebruik van muziekinstallaties. In de directe omgeving bevinden zich reeds andere woonbestemmingen aangrenzend aan de locatie van de ijsbaan (IJsseldijk Noord 334 tot en met 338a). De omvang van de seizoensevenementen is hiermee reeds beperkt. De herontwikkeling van het voormalige bedrijventerrein naar een woonomgeving leidt niet tot een verdere inperking van de recreatieve activiteiten van de ijsbaan. Het door het seizoen reeds beperkte gebruik van de ijsbaan leidt niet tot een onaanvaardbare woonen leefkwaliteit voor de nieuwe bewoners van het plangebied. Bedrijfslocatie IJssellaan 2-4 Aan de locatie is in het vigerende bestemmingsplan de bestemming Bedrijfsdoeleinden II toegekend.

Op basis van artikel 8 van de voorschriften zijn ter plaatse bedrijfsactiviteiten tot ten hoogte milieucategorie 2 toegestaan volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 1 van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan IJsseldijk-Noord 2005. Bedrijven onder milieucategorie 2 kennen een richtafstand van maximaal 30 meter ten opzichte van gevoelige

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

38

bestemmingen. De afstand van de plangrens tot de bedrijfslocatie bedraagt meer dan 60 meter (ten opzichte van de IJssellaan 2-4). Deze afstand is voldoende groot. Bedrijfslocatie IJsseldijk-Noord 341a Ter hoogte van deze locatie is de bestemming Bedrijfsdoeleinden III van toepassing. Binnen het bedrijfsperceel zijn activiteiten toegestaan tot maximaal milieucategorie 3.2 met een bijbehorende richtafstand van 100 meter. Ter plaatse is een constructiewerkplaats gevestigd. Tussen de bedrijfslocatie en het plangebied bevinden zich reeds woningen. De afstand tot het plangebied bedraagt ca 85 meter. De milieu-uitstraling van de bestaande activiteiten op de omgeving wordt reeds gereguleerd op basis van de geldende milieuwetgeving. De reeds aanwezige woningen aan de IJssellaan die dichter bij het bedrijf zijn gelegen dan de woningen binnen de planlocatie, zijn bepalend voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Uit gegevens van de Omgevingsdienst van december 2022 blijkt dat binnen de constructiewerkplaats sinds 2020 geen bedrijfsactiviteiten meer heeft plaatsgevonden. De bedrijfsactiviteiten leidt niet tot een onaanvaardbare woon- en leefkwaliteit voor de nieuwe bewoners van het plangebied en de nieuwe woningen vormen geen belemmering voor het bedrijf.

Begraafplaats Lageweg Op een afstand van ca 300 meter ten westen van het plangebied is een begraafplaats gelegen behorende bij de kern Lageweg. Aan een begraafplaats is op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit het vigerende bestemmingsplan milieucategorie 1 toegekend. De bijbehorende richtafstand bedraagt 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Kadastraal perceel sectie A 4277 Een deel van de gronden waarop de oorspronkelijke bedrijfsbestemming met bouwvlak van kracht is, is doorverkocht. De nieuwe eigenaar heeft vervolgens in 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een loods binnen dit perceel. Binnen het perceel blijft de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden II’ van kracht. Binnen de loods worden op kleine schaal werkzaamheden uitgevoerd en vindt opslag plaats. Er is door de aard van de activiteiten (opslag) en beperkte oppervlakte van de bedrijfsfunctie geen sprake van activiteiten met een grote milieuuitstraling naar de omgeving. De activiteiten binnen de geldende bedrijfsbestemming zijn kleinschalig. Binnen de geldende bedrijfsbestemming (Bedrijfsdoeleinden II) zijn activiteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Binnen het plangebied worden via een afwijkingsbevoegdheid bedrijfsmatige activiteiten aan huis mogelijk gemaakt tot en met milieucategorie 2.

De mogelijkheden binnen de bedrijfsbestemming zijn hiermee vergelijkbaar. In de uitgangssituatie worden de activiteiten binnen de bedrijfsbestemming reeds beperkt door de aanwezigheid van de woningen aan de IJssellaan. De woonbestemming inclusief de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen (artikel 2 bijlage 2 BOR) aan de IJssellaan 24a bevindt zich op een afstand van circa 2 meter van de bedrijfsbestemming. In de beoogde situatie wordt tussen de bedrijfsbestemming en de bouwmogelijkheden binnen de woonbestemmingen binnen het plangebied minimaal 2 meter afstand aangehouden. Deze 2 meter is voorzien van een verkeersbestemming. Transformatorgebouw Binnen het plangebied wordt een trafohuisje gerealiseerd in een gesloten gebouw op circa 7 meter van de gevel van een woning. Een transformator voor de elektriciteitsvoorziening met een vermogen tot 10 MVA in een gesloten gebouw heeft een minimale geluidsuitstraling naar de omgeving. In het kader van het magneetveld van een trafohuisje is advies gevraagd aan de GGD. Geadviseerd wordt om uit voorzorg tussen de nutsvoorziening en een woning (inclusief mogelijke uitbreiding) een afstand van 1,5 tot 4 meter aan te houden zodat met name kinderen niet langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

39

Conclusie De nieuwe woningen vormen geen nieuwe belemmering voor de ontwikkeling van omliggende bedrijven. Tevens is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe gebruikers.

4.6

Bodem

In het kader van de planologische procedure dient inzichtelijk gemaakt te worden of de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem ter plaatse in principe geschikt is voor het beoogde gebruik. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een ruimtelijk plan de uitvoerbaarheid van het plan te worden aangetoond. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Indien er binnen een planperceel sprake is van een verontreiniging van de bodem, dan is de uitwerking en uitvoering van een eventuele saneringsmethode geregeld in milieuregelgeving. Resultaat Om vast te stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor de nieuwe woonfunctie is in februari 2021 door Adverbo BV een verkennende bodeminventarisatie uitgevoerd. In september- november 2021 is een aanvullend verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Voor een volledige weergave wordt verwezen naar de bodemrapportage in bijlage 7. In de onderzoeksopzet is uitgegaan van een verdachte locatie vanwege bekende verontreinigingen uit het verleden en de uitvoering van activiteiten met een verhoogd risico op bodemverontreiniging. Uit eerder bodemonderzoek was reeds bekend dat de bodem op enkele plaatsen verontreinigd is met minerale olie. Deze locaties zijn in 2011 teruggesaneerd tot de tussenwaarde.

Een deel van de grond was verontreinigd met asbest. Het terrein is in het verleden opgehoogd met verontreinigd materiaal. Op de locatie zijn tevens enkele gedempte watergangen aanwezig waarvan niet duidelijk is met welk materiaal dit is gebeurd. Op de locatie is een laag schoon zand aangebracht en vervolgens afgedekt met stelconplaten. Op het terrein zijn bijmengingen aangetroffen en een asbesthoudend dak. Uit laboratoriumanalyses blijkt dat ter hoogte van de locaties waar verontreinigd materiaal is gebruikt, sprake is van matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen, minerale olie en PCB. In het grondwater is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan Barium, molybdeen en xylenen aangetroffen. Op één locatie is een asbestconcentratie in de bodem hoger dan de interventiewaarde gemeten. Er is sprake van een ernstige bodemverontreiniging met asbest. Indien gebruik wordt gemaakt van bemaling, dan kan het grondwater niet zonder meer worden geloosd of afgevoerd naar het vuilwaterriool. Het grondwater dient eerst te worden gezuiverd. Op basis van de resultaten uit de bodeminventarisatie is ter plaatse sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging zoals bedoeld in artikel 29 lid 1 van de Wet bodembescherming. De bodem is in de uitgangssituatie niet geschikt voor een woonfunctie.

Voorafgaand aan het bouwrijp maken van het plangebied dient een saneringsplan te worden opgesteld en een beschikking op basis van een ernstig geval van bodemverontreiniging te zijn verkregen. Voor de locatie is op basis van de uitgevoerde onderzoeken een saneringsplan opgesteld. De provincie Zuid- Holland heeft door middel van een beschikking op basis van de Wet bodembescherming ingestemd met de beoogde saneringsmethode. In de beschikking is de situatie beoordeeld als een ernstig geval van bodemverontreiniging. Er is door de aanwezigheid van stelconplaten geen sprake van een zodanige verontreiniging of mate van verspreiding dat er sprake is van een spoedeisende situatie. De sanering dient uitgevoerd te worden volgens de werkwijze zoals vastgelegd in de beschikking. De bodemkwaliteit wordt op basis van het saneringsplan en het saneringsbesluit gesaneerd tot wordt voldaan aan de bodemkwaliteit voor een woonfunctie. Tijdens de sanering zal een milieukundig begeleider aanwezig zijn en toezicht houden.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

40

In april 2022 zijn omwonenden door de initiatiefnemer geïnformeerd over de voorgenomen werkwijze in een informatiebijeenkomst. Naar aanleiding van een bezwaarschrift op de beschikking is in mei 2022 aanvullend nader onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater ter hoogte van de loods. Ter plaatse blijkt sprake van een verhoogd gehalte aan zink en koper (circa 200 m3). De verontreinigde grond zal met de sanering van het terrein worden ontgraven. Hiervoor wordt een wijzigingsmelding ingediend. De sanering van de bodem zal worden uitgevoerd op basis van een aan te leggen tijdelijke bouwweg die vanaf het plangebied rechtstreeks aansluit op de IJsseldijk-Noord. Conclusie De bestaande milieuhygiënische gesteldheid van de bodem is niet geschikt voor een woonfunctie. Voor de benodigde bodemsanering is een beschikking verleend op basis van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Het uitvoeren van de benodigde bodemsanering is via een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van onderliggend bestemmingsplan. Hiermee wordt de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem voor de nieuwe functie geborgd. De bodeminventarisatie is opgenomen in bijlage 7.

4.7

Flora en fauna

De soortenbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn), voorheen de Flora- en Faunawet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende beschermde diersoorten, planten en houtopstanden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Bescherming van soorten en leefgebieden Uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat handelingen die leiden tot (opzettelijke) verstoring of schade aan leefgebieden van beschermde soorten zijn verboden. Alle vogels worden op basis van de Europese Vogelrichtlijn beschermd en zijn in de Wn opgenomen in artikel 3.1 Wn. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren opzettelijk beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Voor soorten die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern/Bonn worden beschermd, geldt artikel 3.5 van de Wn.

Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn geldt voor soorten die via artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden beschermd, dat ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van de in gebruik zijnde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. Voor een aantal soorten geldt een specifieke gedragscode. Natura 2000-gebieden De bescherming van

natuurgebieden

is

sinds

1

januari

2017

vastgelegd

in

de

Wet

Natuurbescherming. Bovengenoemde wet regelt de bescherming van de in Europees verband vastgelegde Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en de op nationaal niveau beschermde natuurgebieden. Met de Wet Natuurbescherming worden de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet geïntegreerd. In de wet staat het behoud en herstel van soorten en natuurlijk habitat in samenhang met een duurzame economische ontwikkeling centraal. Het Besluit natuurbescherming wijst gebieden aan waar maatregelen worden getroffen die de gunstige staat van instandhouding van habitat en soorten zoals opgenomen in bijlage I en II van de Habitatrichtlijn waarborgen. Gedeputeerde Staten (GS) stelt

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

41

noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen per gebied vast en dragen zorg voor de daadwerkelijke uitvoering hiervan (artikel 2.2 Wnb). Natuur Netwerk Nederland De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (thans Natuur Netwerk Nederland) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. De Ecologische Hoofdstructuur (thans Natuurnetwerk Nederland: NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee-tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd.

Figuur 14

Uitsnede

Omgevingsverordening

Zuid-Holland

Natuurnetwerk

Krimpenerwaard

en

Bodegraven-Noord (buitendijks gebied): Natuur Netwerk Nederland

Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Omgeving plangebied In de omgeving van het plangebied komen een aantal beschermde natuurgebieden voor. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft het Vogelrichtlijngebied ‘Boezems Kinderdijk’ op een afstand van circa 8,8 kilometer. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

42

gebieden die deel uitmaken van het NNN. In de directe omgeving van het plangebied betreffen dit buitendijkse percelen langs de IJsseldijk-Noord. Effecten ontwikkeling Het plangebied bevindt zich op een voormalig bedrijfsterrein in een bebouwingslint. Naar de aanwezigheid van beschermde soorten is in juli 2021 door Florauna Natuuradvies een verkennend flora en faunaonderzoek uitgevoerd ter hoogte van het voormalige bedrijfsterrein. De planlocatie is in de huidige situatie niet geschikt als biotoop. De aanwezigheid van enkele algemene soorten kan niet worden uitgesloten. In alle gevallen geldt de algemene zorgplicht. Ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. De planlocatie ligt buiten het NNN en heeft geen directe verbinding met omliggende verbindingszones. Er is sprake van een grote afstand tussen het plangebied en de omliggende Natura- 2000 gebieden. Effecten als gevolg van onder meer geluid, licht en versnippering kunnen op voorhand worden uitgesloten. De onderzoeksrapportage is toegevoegd in bijlage 4. In maart 2022 is door Veldbiologische Werken BV een aanvullend verkennend onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van aanpassingen aan het programma.

Als gevolg van het vergraven van de bodem binnen het plangebied, het verleggen van een watergang, het kappen van opgaande beplanting en de aanleg van de tijdelijke bouwweg waarvoor een schuur zal worden gesloopt, kunnen effecten optreden op ter plaatse gevestigde beschermde soorten. In de te slopen schuur is in het verleden door de Vogelwerkgroep een nestkast voor een Kerkuil geplaatst. In de omgeving van het plangebied komt de Buizerd en de Rugstreeppad voor. In de omgeving van het plangebied is geschikt habitat voor bovenstaande soorten aanwezig. Aangezien de bomen rondom het plangebied worden gerooid, de schuur met nestkast wordt gesloopt en ingrepen aan de omliggende kavelsloten plaatsvinden, is nader onderzoek naar Buizerd, Kerkuil en Rugstreeppad noodzakelijk. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek blijkt of er mogelijk negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden kunnen optreden waarvoor een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming of de Omgevingsverordening Zuid-Holland vereist is. De onderzoeksrapportage is toegevoegd in bijlage 4. Resultaten nader onderzoek Uit nader onderzoek naar Buizerd, Kerkuil en Rugstreeppad blijkt het volgende. Uit nader onderzoek blijkt dat het aangetroffen vogelnest in de bomenrij wordt gebruikt door een zwarte kraai. Het nest van een zwarte kraai is niet jaarrond beschermd.

Werkzaamheden dienen buiten de broedperiode plaats te vinden. Voor de kap van de bomenrij dient een kapvergunning te worden aangevraagd. Uit nader onderzoek naar aanwezigheid van de kerkuil ter hoogte van de schuur binnen de aan te leggen bouwweg, is geen kerkuil of sporen van een kerkuil waargenomen. De kerkuil heeft in het verleden incidenteel gebruik gemaakt van de nestkast, maar heeft elders nestgelegenheid gevonden. Geadviseerd wordt om de nestkast te (laten) verplaatsen (door de Vogelwerkgroep) naar een voor de kerkuil optimaal leefgebied in de omgeving van het plangebied. De Rugstreeppad is in het nader onderzoek aangetroffen binnen het plangebied. Verschillende delen van het plangebied vormen geschikt habitat. De sloot aan de oostzijde is geschikt als voortplantingswater en overwinteringsbiotoop door de aanwezigheid van een oever met flauw talud, plaatselijk hoogteverschillen en met struweel. De dammen met oeverzone hebben een flauw talud en zijn geschikt als zomerverblijf. De te slopen schuur vormt geschikt overwinteringsbiotoop. Het traject van de bouwweg en het plangebied vormen geschikt leefgebied. Het traject van de bouwweg beïnvloedt het functioneel leefgebied. De rugstreeppad komt voor op de nationale Rode lijst van zeldzame soorten en de Bijlage 4 van de Europese Habitatrichtlijn.

De soort inclusief de voortplantings- en rustplaatsen zijn beschermd binnen het kader van de Wet natuurbescherming.

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

43

De staat van instandhouding is ‘zeer ongunstig’. De soort kent een ‘gunstige’ verspreiding, ‘zeer ongunstige’ populatieaantal ontwikkeling, ‘zeer ongunstige’ staat van het leefgebied en ‘zeer ongunstig’ toekomstperspectief. Ten aanzien van de effecten op voortplantingswater, zomerverblijf en overwinteringsmogelijkheden van de rugstreeppad door de ontwikkeling dient een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Voor de ontwikkeling is een ontheffingsaanvraag ingediend op basis van een activiteitenplan waarin tevens mitigerende en compenserende maatregelen zijn opgenomen. Compensatie zal plaatsvinden door de nieuw te graven sloot dusdanig vorm te geven dat geschikt voortplantingsbiotoop en overwinteringsbiotoop wordt gecreëerd voor de rugstreeppad. Het verlies aan open water zal 1 op 1 worden gecompenseerd. De watergang krijgt een natuurvriendelijke oever met een flauw talud (1:4) aan de oostzijde. Door volgens een ecologisch werkprotocol gefaseerd te werken, buiten de kwetsbare perioden om, volgens een Activiteitenplan en onder ecologische begeleiding, wordt beoogd om effecten te minimaliseren en zodoende negatieve effecten op de staat van instandhouding van de populatie Rugstreeppadden te voorkomen.

De afweging tussen maatschappelijk belang, de effecten van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van de soort en de compenserende maatregelen worden in het kader van de ontheffingsaanvraag beoordeeld door de Gedeputeerde Staten van de provincie. De beoogde ontwikkeling kan alleen doorgang vinden wanneer een ontheffing wordt verkregen. Stikstofdepositie Als gevolg van de bouw en het gebruik van de woningen vindt uitstoot van stikstof plaats. Een toename van de stikstofdepositie op natuurgebieden kan van invloed zijn op de beschermde soorten aldaar. Op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn bouwwerkzaamheden sinds 1 juli 2021 vanwege het kortstondige karakter vrijgesteld van de vergunningplicht. Door de Roever Omgevingsadvies is in maart 2023 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd op basis van het voorgeschreven rekenmodel Aerius Calculator. Het model gaat uit van een worstcasescenario waarbij de aanlegactiviteiten en de voertuigenbewegingen van de toekomstige bewoners zijn betrokken. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de depositie van stikstof als gevolg van de aanleg en het gebruik van de woningen wel/ niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde natuurgebieden. De depositieberekening is toegevoegd in bijlage 3.

Conclusie Voor de ontwikkeling is een kapvergunning noodzakelijk en zal een ontheffing worden aangevraagd van de Wet natuurbescherming ten aanzien van benodigde mitigerende en/ of compenserende maatregelen voor de Rugstreeppad. De ontwikkeling kan doorgang vinden indien er door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid- Holland een ontheffing wordt verleend. Hiermee is de bescherming van beschermde soorten voldoende geborgd. Op basis van de afstand tot kwetsbare natuurgebieden en de resultaten van een stikstofdepositieberekening zijn er geen effecten te verwachten op omliggende natuurgebieden.

4.8

Water

Centraal in het waterbeleid staat dat water een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening is. Het plangebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

44

naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. Algemene leidende principes binnen de waterwetgeving met betrekking tot waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn: Waterkwantiteit: Stap 1- voorkomen van hemelwaterafvoer (vasthouden); Stap 2- benutten of infiltreren van hemelwater (bergen); Stap 3- vertraagd afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater (afvoeren). Waterkwaliteit: Stap 1- Voorkomen Stap 2- Scheiden Stap 3- zuiveren Centraal in het waterbeleid staat dat waterhuishoudkundige aspecten een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening vormen. Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden.

Sinds 2003 vormt volgens het Besluit op de Ruimtelijke Ordening de Watertoets een verplicht onderdeel van de afweging van elk ruimtelijk plan. In de toelichting van een bestemmingsplan dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Met de watertoets krijgt het onderwerp water een volwaardige rol binnen de planvorming. Hierbij vindt ook afstemming met de waterbeheerder plaats. Om te bepalen of voor de geplande werkzaamheden een vergunning of ontheffing vereist is, dient er getoetst te worden aan de regels uit de Keur oppervlaktewateren. Sinds 2012 is het ‘Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen’ van toepassing. Middels dit beleid worden effecten op het watersysteem door het versneld afvoeren van hemelwater voorkomen. Een toename van het areaal verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd met de aanleg van compenserende waterberging zoals een retentievijver. Het Hoogheemraadschap maakt in de compensatieopgave onderscheid in kleine, middelgrote en grote plannen. Voor kleinschalige ontwikkelingen is een vrijstellingsgrens vastgesteld. Kleinschalige ruimtelijke plannen met een toename aan verhard oppervlak tot 500m2 hebben geen compenserende waterberging nodig.

Gemeentelijk waterbeleid In het gemeentelijk rioleringsplan Krimpenerwaard 2017-2021 wordt beschreven hoe de gemeente wenst om te gaan met stedelijk afvalwater, overtollig hemelwater en overtollig grondwater. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd. Doelstelling in het beleid is om hemelwater en huishoudelijk afvalwater zo veel mogelijk te scheiden. Schoon hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geïnfiltreerd. Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de IJsseldijk. De IJsseldijk betreft een primaire waterkering. Het plangebied bevindt zich buiten de binnenbeschermingszone van de primaire waterkering. De

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

45

beoogde ontwikkeling heeft geen effect op het functioneren van de waterkering en daarmee op de waterveiligheid. De locatie is volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland niet gelegen in een boringsvrije zone of in een grondwaterbeschermingsgebied. Aangrenzend aan het plangebied bevinden zich een aantal leggerwatergangen welke in de Keur zijn aangeduid als ‘overig water’ met een bijbehorende beschermingszone van 2 meter aan weerszijden (OWA-23076 en OWA-23074). Het onderhoud aan de watergang dient plaats te vinden door de aangrenzende eigenaar. De watergang aan de oostzijde van het plangebied wordt gedempt en circa 10 meter verderop weer aangelegd. De nieuwe watergang heeft een breedte van circa 12 meter. Vanuit het plangebied wordt een steiger aangelegd met een uitkijkpunt naar het open agrarisch gebied. Voor de werkzaamheden (dempen en vergraven) van een watergang gelden binnen de Keur algemene regels. Het dempen van een (als zodanig aangemerkte ‘overige’) watergang is onder de voorwaarden van algemene regel 2 mogelijk. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden ingediend. Een verlies aan bergend vermogen dient te worden gecompenseerd, (hemelwater)afvoeren van aanliggende percelen dienen in stand te blijven. Voor het graven van een watergang gelden de bepalingen uit de Keur zoals gesteld in algemene regel 1.

De breedte en diepte van het aan te leggen water dient te voldoen aan de bepalingen in de legger, de taludverhouding is minimaal 1:4. Woningen aan de IJssellaan zijn deels niet onderheid. De veenbodem heeft een beperkte drooglegging en de agrarische gronden hebben een slechte ontwatering waardoor deze niet zonder meer begaanbaar zijn voor zware machines. Voor het vrachtverkeer wordt een tijdelijke bouwweg aangelegd over de agrarische percelen. Met de bouwweg kan vrachtverkeer rechtstreeks vanaf het plangebied aansluiten op de IJsseldijk-Noord. De bouwroute volgt de bestaande dammen. De bouwweg bestaat uit gebroken puin op doek en wordt aangelegd op het maaiveld. De bestaande schuine aansluiting op de IJsseldijk-Noord wordt vervangen voor een haakse aansluiting. Voor het aanleggen van een weg binnen de begrenzing van de primaire waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de dubbelbestemming ‘Waterkeringsdoeleinden’ is op basis van het geldende bestemmingsplan tevens het aanlegstelsel van de gemeente van toepassing. In de bestaande situatie is het voormalige bedrijfsperceel vrijwel volledig verhard met bebouwing en bedrijfsverharding (verhard oppervlak bedraagt ca 6300m2). In de nieuwe situatie zal het bedrijfsareaal plaatsmaken voor woningen met tuin.

Het plangebied wordt vergroot met 8,5 meter woonbestemming, 1 meter brede groenbestemming en 12 meter brede watergang ten opzichte van de uitgangssituatie om meer ruimte te kunnen maken voor de aanleg van parkeerplaatsen aan de voorzijde van het plangebied. Hiervoor zullen een bestaande groenstrook (6 meter breed) en watergang (3 meter breed) verdwijnen. In de huidige situatie is het uitbreidingsgebied buiten het bestaande stedelijk gebied onverhard en in gebruik als agrarisch productieperceel. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd met waterdoorlatende bestrating (grastegels). Het netto areaal verhard oppervlak zal niet toenemen boven de vrijstellingsgrens ten opzichte van de uitgangssituatie. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het bouwpeil voor de woningen zal aansluiten bij het peil van omliggende kavels. Het vloerpeil van de woningen komt te liggen op een hoogte tot circa 20 cm boven het huidige maaiveldniveau. Hiermee wordt voldoende drooglegging bereikt. Het huidige maaiveld wordt zo veel mogelijk als uitgangspunt genomen. Het plangebied wordt geëgaliseerd voor een goede technische aansluiting op de omgeving. Er wordt niet opgehoogd of voorbelast. Er wordt bij de bouw van de woningen zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. Het huishoudelijk afvalwater wordt

Bestemmingsplan ‘IJsselgaarde Ouderkerk aan den IJssel’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=b96c4216-0123-4ed5-a045-04d65e4598dd