CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 3 t_NL.IMRO.1931.BP2202DK057-VG01 (par. 4.8 aangevuld met ecologisch onderzoek)

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht23.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het beheersbaar houden van de gevolgen van bodemdaling is uitgangspunt in het gemeentelijk beleid bij de beoordeling van plannen voor de aanleg van wegen en de inrichting van openbare ruimte (Handboek Openbare Ruimte). De gemeentelijke richtlijnen op dit gebied gelden ook voor het gemeentehuis en vormen uitgangspunt bij het ontwerp van de buitenruimte. Op grond van de huidige inzichten is het de verwachting dat, met de beoogde maatregelen gericht op het beperken van de verwachte restzetting over de ontwerplevensduur, de gevolgen van bodemdaling voor de locatie van het gemeentehuis (kosten)technisch beheersbaar zullen zijn. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard Op 14 juli 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard de omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van

24

de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:

• • • • • • • • • • •

sociale verbinding bevorderen; toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; passende maatschappelijke voorzieningen; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toeristische en recreatieve voorzieningen ontwikkelen; klimaat adaptieve inrichting in de kernen; samenwerken aan goede waterkwaliteit; toekomstbestendige winkelgebieden.

Planspecifiek Een van de speerpunten voor vitale keren in de omgevingsvisie is 'passende maatschappelijke voorzieningen'. Voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de Krimpenerwaard is een passend aanbod van bereikbare maatschappelijke voorzieningen van belang. De gemeente Krimpenerwaard is een relatief jonge gemeente die in 2015 ontstaan is door de fusie van de gemeenten Nederlek, Ouderkerk, Vlist, Bergambacht en Schoonhoven. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuw gemeentehuis op een centrale locatie in de gemeente. Het gemeentehuis krijgt een prominente plek op de kruising tussen de N207 en de N210, de twee belangrijkste hoofdwegen in de gemeente. Het gemeentehuis krijgt een multifunctioneel gebruik met de raadzaal, trouwzaal, kantoor, werkplekken, vergaderruimte, etc. Het nieuwe gemeentehuis maakt onderdeel uit van het cluster van brandweer, politie, gemeentewerf en vrachtwagenparkeerplaats. Hierdoor ontstaat er een goede combinatie van overheidsdiensten op een duidelijk herkenbare locatie. Duurzaamheid speel tevens een belangrijke rol in de gemeente. Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere duurzaamheidsmaatregelen getroffen. Dit is nader verwoord in toelichting paragraaf 4.12. Het gemeentehuis wordt zo duurzaam mogelijk gebouwd waarbij wordt gekeken naar mogelijkheden van nieuwe energievormen en het toepassen van groene daken en gevels.

Tevens wordt het gemeentehuis circulair gerealiseerd. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Krimpenerwaard. Op 5 juli 2022 heeft de gemeenteraad positief besloten over de locatie en het concept stedenbouwkundig plan. Hiermee heeft de gemeenteraad een richtinggevend kader bepaald voor een goede stedenbouwkundige inpassing van de nieuwe ontwikkeling. 3.3.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen.

25

Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een 'gewoon' welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'landelijk gebied'. De welstandsnota bevat voor gebieden met een 'gewoon' welstandsniveau een set criteria, die stuurt op inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen. Voor het 'landelijk gebied' is het uitgangspunt dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Om de ruimtelijke kwaliteit van voorliggend plan te borgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Buro SRO, d.d. 25 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Dit beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld en zal het welstandskader bij de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen vormen. Daarnaast is er een inpassingsplan opgesteld (Buro SRO, d.d. 14 december 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Dit is in toelichting paragraaf 2.2 nader toegelicht.

26

4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er zal gezien de totale grootte van het plangebied en aantal woningen niet voldaan worden aan de

27

gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 ha of meer. In dat geval kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat er geen relatie met andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied is waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht genomen moeten worden. Daarbij komt dat de ontwikkeling van het gemeentehuis zich beperkt tot een terrein met een oppervlakte van circa 2 ha, waarbij de productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt is. De belangrijkste effecten van het project ontstaan in de (tijdelijke) aanlegfase. Tijdens de aanlegfase is tijdelijk sprake van een toename aan verkeer en werkzaamheden. Hierbij zijn luchtverontreiniging en geluidhinder relevant. Door de tijdelijke aard van de aanlegfase heeft dit geen belangrijke nadelige gevolgen. Verder wordt bij de werkzaamheden voor het aanleggen van de fundering gegraven in de bodem. Voor de bouw worden daarnaast de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal. Het gebruik van deze hulpbronnen heeft geen permanente nadelige gevolgen. Bouwafval wordt conform wet- en regelgeving afgevoerd.

Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Ook afvalstoffen die in de gebruiksfase vrijkomen zullen conform wet- en regelgeving verwerkt worden. De planlocatie ligt in of nabij gevoelige gebieden. Uit toelichting paragraaf 4.8 volgt dat het plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt dat het voorliggende plan positieve gevolgen heeft op de potentiële waarden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. In het onderstaande overzicht wordt per milieuaspect beknopt aangegeven of belangrijke negatieve milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. - Bodem. Voor de locatie is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Voor gedempte sloten, dammen en te dempen sloten (waterbodem) wordt in het vervolg een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Eventuele verontreinigingen worden in het vervolg gesaneerd. Met een eventuele sanering wordt het risico op belangrijke nadelige milieueffecten verkleind. Bij de toekomstige activiteiten (gemeentehuis, parkeervoorzieningen, groen, water, wegen, etc.) is er geen verhoogde kans op nieuwe verontreinigingen. Belangrijke milieugevolgen kunnen uitgesloten worden. - Luchtkwaliteit.

Voor dit plan is sprake van een plan dat 'niet in betekende mate' (<1.500 woningen) bijdraagt aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit. De wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit worden daarnaast niet overschreden. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige milieueffecten zijn. - Geluid. Het beoogde gemeentehuis is geen geluidgevoelig object. Desondanks is bepaald wat de gevelwering van het gemeentehuis moet zijn om sprake te laten zijn van een goede werkplek. Omdat de verkeersgeneratie als gevolg van het gemeentehuis beperkt toeneemt, worden er vanuit het aspect geluid geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. - Bedrijven en milieuzonering. Omliggende bedrijven en activiteiten veroorzaken geen milieugevolgen voor het beoogde gemeentehuis. De planontwikkeling levert tevens geen belangrijke milieugevolgen op, omdat de hinder als gevolg van het gemeentehuis beperkt van aard en omvang is. - Externe veiligheid. Nabij het plangebied bevinden zich een LPG-tankstation en een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico is berekend en verantwoord. De veiligheidsrisico's

28

worden aanvaardbaar geacht. Daarnaast bevat het plan geen (nieuwe) risicobronnen. Daarmee zijn er geen belangrijke milieugevolgen vanuit het aspect externe veiligheid. - Waterhuishouding. De planontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Watercompensatie is daarmee vereist. Dit is binnen het projectgebied voorzien. Het hemelwater van het nieuwe gemeentehuis wordt gescheiden van het gemeentelijk rioleringsstelsel afgevoerd. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. De ontwikkeling veroorzaakt geen belangrijke nadelige gevolgen voor het watersysteem. - Ecologie. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het plangebied geschikt is voor beschermde soorten. Er is aanvullend onderzoek nodig naar vleermuizen, heikikkers en grote modderkruipers. Er dient daarnaast voldaan te worden aan de algemene zorgplicht. Naast gevolgen voor beschermde soorten kan het project ook negatieve effecten hebben op beschermde natuurgebieden. Gezien de afstand tot Natura 2000gebieden en de omvang van het project is een berekening naar de neerslag (depositie) van stikstof in de gebruiksfase uitgevoerd. In de gebruiksfase zal de depositie op Natura 2000-gebieden niet meer dan 0,00 mol/ha/j zijn. Belangrijke milieugevolgen zijn daarmee vanuit het aspect ecologie uitgesloten. - Archeologie.

Uit het archeologische onderzoek blijkt dat uitsluitend in de zuidelijke helft van het plangebied archeologische resten verwacht worden. Hier zal de oost-west georiënteerde zandrug waarschijnlijk doorlopen. Voor het overige deel van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Dit houdt in dat voor de bouw van het gemeentehuis geen verder archeologisch onderzoek nodig is. Belangrijke milieugevolgen kunnen daarmee uitgesloten worden. - Cultuurhistorie. In het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Tevens bevindt het plangebied zich niet in een gebied van hoge cultuurhistorische waarde. De beoogde ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten voor het aspect cultuurhistorie. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag heeft op basis van deze plantoelichting een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen (gemeente Krimpenerwaard, d.d. 10 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 22).

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In het plangebied is onder andere een wijziging van een agrarische bestemming naar een maatschappelijke bestemming beoogd. Dit betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Derhalve is er voor de planlocatie een historisch onderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Land, d.d. 2 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4).

Bodem en asbest Uit de beschikbare voorinformatie blijkt dat verspreid over de onderzoeklocatie licht verhoogde gehalten kunnen worden verwacht voor de bodem en het grondwater. Omdat uit het vooronderzoek is gebleken dat er gedempte sloten en dammen aanwezig zijn binnen de onderzoekslocatie, is de onderzoekslocatie verdacht op de aanwezigheid van verhoogde gehalten van parameters uit het standaardpakket en asbest. Voor de overige gebieden is er geen reden om aan te nemen dat ter plaatse van het onderzoeksgebied sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien ongedefinieerd puin wordt aangetroffen, wordt aanbevolen een verkennend asbestonderzoek uit te voeren.

29

Waterbodem De watergangen binnen het onderzoeksgebied zijn allemaal ‘lintvormige watergangen’ in onderhoud bij de aangrenzende eigenaren. De afvoersituatie is in zuidelijke richting en vervolgens in zuidwestelijke richting naar gemaal Krimpenerwaard. De kwaliteit van het water en de baggerspecie uit de bermsloten (voor afwatering van de wegen) en watergangen tussen de weilanden is onbekend. Ter plaatse van monstervak 01 kan een lichte onderzoeksinspanning (LL) gehanteerd worden. Ter plaatse van monstervak 02 wordt aanbevolen een normale onderzoeksinspanning (LN) te hanteren vanwege de ligging nabij bebouwing/bedrijvigheid. Conclusie Het bodemonderzoek geeft aanleiding om een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uit te voeren. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in kader van de bouw moet deze worden bijgesloten. De gemeente Krimpenerwaard heeft in de exploitatie rekening gehouden met eventuele saneringskosten.

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuw gemeentehuis gerealiseerd met een oppervlakte van circa 7.200 m². Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling is het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. NIBM kent een grens voor kantoorlocaties van 100.000 m² bvo voor één ontsluitingsweg en 200.000 m² bvo voor twee ontsluitingswegen. De ontwikkeling blijft daarmee ver onder deze grens. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.

30

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,9 μg/m³, 9,3 μg/m³ en 17,1 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met de ontwikkeling worden een gemeentehuis en andere maatschappelijke voorzieningen, niet zijnde geluidgevoelige functies, mogelijk gemaakt. Een gemeentehuis is geen geluidgevoelig object conform de Wet geluidhinder (Wgh). Desalniettemin wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de geluidbelasting op het beoogde gemeentehuis. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen geluidgezoneerd bedrijventerrein aanwezig. In het kader van het bedrijven en milieuzonering is wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.5. Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszones van onder andere de N207, N210 en N478 voor geluidgevoelige bestemmingen, die met het voorliggende bestemmingsplan niet mogelijk wordt gemaakt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en om in een later stadium na te kunnen gaan welke geluidwering nodig is voor een goede werkplek (NPR 3438) is voor de locatie een onderzoek naar de geluidbelasting wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, d.d. 28 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5).

Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting door alle wegen samen ten hoogste 63 dB bedraagt door alle wegverkeer samen. De geluidbelasting door wegverkeer op de N210 is daarbij veruit maatgevend. De gebruikelijke toetsingskaders of sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening' zijn de Wet geluidhinder en de beleidsregel hogere waarden. Deze toetsingskaders zijn echter niet van toepassing bij niet geluidgevoelige gebouwen. De geluidbelasting van ten hoogste 63 dB zonder aftrek is echter zodanig dat daarvoor in een stedelijke omgeving in geval van een geluidgevoelige bestemming een hogere waarde kan worden verleend. De geluidbelasting kan niet eenvoudig worden teruggebracht, omdat op de maatgevende N210 al een stil wegdek ligt en het toepassen van een scherm leidt tot stedenbouwkundige en landschappelijke bezwaren.

31

Er zal daarom voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor het gemeentehuis wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering voor een goed werkklimaat. Volgens het Bouwbesluit moet de zogenaamde karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een kantoor ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 40 dB, met een minimum van 20 dB. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex artikel 110-g Wgh. De hoogste geluidbelaste kantoren ondervinden een geluidbelasting van 63 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels bedraagt dan G A;k 23 dB. Voor de geluidbelaste gevels met een geluidbelasting van meer dan 60 dB zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Om na te gaan welke geluidwering nodig is voor een goede werkplek kan tevens gebruik worden gemaakt van de NPR 3438. Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen in de geluidzone van een geluidgezoneerde spoorweg. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en

32

andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Gezien de ligging nabij bedrijven en woningen, aan de provinciale wegen N207 en N210, kan de omgeving van het plangebied aangemerkt als een gemengd gebied. Daarmee kunnen de richtafstanden, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verlaagd. Milieubelastende activiteit Uitgaande van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' geldt er voor een gemeentehuis een milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Omdat het plangebied is gelegen in gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandstap worden verminderd. Derhalve geldt er een richtafstand van 0 meter. Het gemeentehuis bevindt zich niet direct aan een gevoelige bestemming. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemmingen, te weten de bedrijfswoningen aan de Groene Kerkweg 5 en 7, bevinden zich aan de noordzijde van de Provincialeweg. Deze bevinden zich op 65 meter van het beoogde gemeentehuis. De woningen ten oosten van de Veerweg bevinden zich op 140 meter afstand van het beoogde gemeentehuis. Het nieuwe gemeentehuis vormt geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving.

Milieugevoelige activiteit Met de beoogde ontwikkeling wordt geen geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt. De ontwikkeling betreft, vanuit de richtlijn ‘Bedrijven en Milieuzonering’ bezien, geen gevoelige activiteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter wel gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied die van invloed kunnen zijn. De onderstaande tabel tonen de verschillende relevante bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied. Bedrijf

Adres

SBI2008

Milieucat.

Richtafstand gemengd gebied (m)

Minimale afstand tot het plangebied (m)

Agrarisch bedrijf

Groene Kerkweg 3

n.v.t.

n.v.t.

50

70

Agrarisch bedrijf

Groene Kerkweg 5

n.v.t.

n.v.t.

50

70

Politie

Veerweg 2

8425

3.1

30

70

Brandweer

Veerweg 6

8525

3.1

30

130

Provinciaal steunpunt

Veerweg 8

3.1

30

190

Vrachtwagenparkeerplaats

n.v.t.

5221

3.2

50

210

Waterwinbedrijf

Provincialeweg 1

36

3.2

50

+250

Zoals voorgaande tabel laat zien wordt aan de richtafstanden voldaan. Hieronder zijn de relevante bedrijfsactiviteiten nader toegelicht.

33

Brandweerkazerne, politie, provinciaal steunpunt, vrachtwagenparkeerplaats en gemeentewerf Ten oosten van het plangebied zijn meerdere overheidsdiensten gevestigd. De richtafstand verschilt per activiteit. Zoals in de bovenstaande tabel is af te lezen wordt bij alle bedrijfsactiviteiten voldaan aan de richtafstand. In de huidige situatie is er ook een afvalbrengstation aanwezig. Aangezien deze in de toekomst zal verdwijnen is deze niet meegenomen in de beschouwing. In het kader van industrielawaai is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om de invloed van de overheidsdiensten op het beoogde gemeentehuis in beeld te brengen (Adviesbureau van der Boom, d.d. 14 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Er is bepaald welke geluidbelasting ontstaat op het beoogde gemeentehuis als gevolg van de overheidsdiensten. Het gaat daarbij om de volgende bedrijven/activiteiten:

•

Veerweg 2, politiebureau (onlangs gerealiseerd direct ten noorden van Veerweg 4), maatschappelijke bestemming, milieucategorie 2.

• • •

Veerweg 4, buitendienst gemeente, maatschappelijke bestemming, milieucategorie 3.1. Veerweg 6, brandweer, maatschappelijke bestemming, milieucategorie 3.1. Veerweg 8, huidig steunpunt provincie, toekomstig centrale huisvesting buitendienst gemeente, milieucategorie 3.1.

De geluidbelasting op de omgeving is bepaald met een rekenmodel. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op de rand van het kavel waarop het gemeentehuis is voorzien ten gevolge van alle activiteiten bij de inrichtingen bedraagt hooguit 40 dB(A) overdag, 37 dB(A) in de avond en 32 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden conform de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering (VNG) niet overschreden. Groene Kerkweg 3 en Groene Kerkweg 5 Aan de locatie Groene Kerkweg en Groene Kerkweg 5 bevinden zich agrarische bedrijven. Op de locatie Groene Kerkweg 3 zijn 2 jongvee en 20 schapen vergund. Op de locatie Groene Kerkweg 5 zijn ongeveer 150 koeien vergund waar vaste afstanden voor gelden. Deze afstand bedraagt 50 meter. Voor jongvee geldt tevens een vaste afstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Voor de 20 schapen gelden geuremissiefactoren en moet door middel van een Vstacks berekening de geurbelasting worden berekend. Derhalve is er voor de Groene Kerkweg 3 een geuronderzoek uitgevoerd (De Milieuadviseur, d.d. 3 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Op basis van de afstandsnormen uit het gemeentelijke geurbeleid moet de afstand tussen een dierenverblijf (stal) en nieuwe geurgevoelige objecten minimaal 25 meter bedragen.

Het gemeentehuis (geurgevoelige object) wordt gerealiseerd op een grotere afstand dan 25 meter van een dierverblijf, namelijk op een afstand van 70 meter. Uit de berekening naar de voorgrondbelasting blijkt dat de milieukwaliteit ter plaatse van het plangebied goed is. De norm van 8,0 ouE/m³ uit de Wgv wordt niet overschreden bij het gemeentelijke geurbeleid. Op basis van de Wgv en het gemeentelijke geurbeleid kan worden gesteld dat bij het gemeentehuis een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De realisering van onderhavig plan heeft geen gevolgen voor de huidige bedrijfsvoering van deze twee veehouderijen aan de Groene Kerkweg 3 en 5. De geuremissie van de veehouderij Groene Kerkweg 3 kan ten opzichte van de huidige situatie nog sterk groeien voordat de voorgrondbelasting hoger is dan de norm van 8,0 ou E/m³. Met de beoogde realisatie van het gemeentehuis worden de veehouderijen aan de Groene Kerkweg 3 en 5 niet in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt. In zoverre staat de aanwezigheid van de veehouderij de voorgenomen wijziging van het planologisch regime niet in de weg. Waterwinbedrijf Dunea Ten westen van het plangebied is een pompstation aanwezig van het waterwinbedrijf Dunea.

Voor een pompstation hangt de richtafstand af van het pompvermogen. Onder de 1 MW is het categorie 2, tussen de 1 MW en 15 MW is het categorie 3.2 en boven de 15 MW is het categorie 4.2. De afstand van het

34

pompstation tot aan het gemeentehuis bedraagt ruim 300 meter. Derhalve wordt het pompstation niet als belemmering gezien. Conclusie Gezien het voorgaande is ter plaatse van het beoogde gemeentehuis sprake van een goed leefklimaat en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet beperkt in hun mogelijkheden als gevolg van de planontwikkeling. Daarnaast vormt het beoogde gemeentehuis geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

35

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.

Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied is één relevante risicovolle inrichting aanwezig. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een LPG-tankstation. Vanwege de ligging van het beoogde gemeentehuis, dat een kwetsbaar object is, binnen het invloedsgebied wordt een risicoberekening voor het groepsrisico uitgevoerd en een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Uit de groepsrisicoberekening (AVIV, d.d. 22 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8) blijkt dat het plangebied buiten de vastgestelde PR 10-6-contouren rond de LPG-installaties ligt en dat het groepsrisico toeneemt van 0.20 keer de oriëntatiewaarde in de huidige situatie tot 0.21 in de toekomstige situatie. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Het te realiseren gemeentehuis bevindt zich gedeeltelijk binnen de 160 meter effectafstand (explosieaandachtsgebied onder de Omgevingswet). Voor de realisatie van het nieuwe gemeentehuis op de gekozen locatie is een nadere motivatie niet nodig.

Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen aanwezig zijn.

36

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Uit raadpleging van de risicokaart blijkt het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de N210. Het plaatsgebonden risico van deze transportroute vormt geen belemmering. Het groepsrisico is en blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Een verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Het plangebied is niet gelegen in nabijheid van andere transportroutes van gevaarlijke stoffen. Verantwoording groepsrisico De verantwoording van het groepsrisico (AVIV, d.d. 2 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9) is als bijlage bij de voorliggende toelichting gevoegd. Gezien het lage groepsrisico, de geringe toename ervan door de ontwikkeling en het feit dat er geen zeer kwetsbare personen in het plangebied komen, kan het groepsrisico in relatie tot het LPG-tankstation verantwoord worden. Ook de Veiligheidsregio Hollands Midden ziet geen nieuwe belemmeringen bij de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling. Overleg met de veiligheidsregio over de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen nabij het plangebied wordt wel uitdrukkelijk aangeraden.

Omdat het groepsrisico vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de N210 kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde, kan conform artikel 8 van het Bevt de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierover geldt hetzelfde als bij het LPGtankstation. De Veiligheidsregio Hollands Midden ziet geen nieuwe belemmeringen bij de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan geschikte uitvalswegen, bluswatervoorzieningen en de aanbevolen opkomsttijd. Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke uitvalswegen. Aan de voorzijde (noordzijde) via het viertakskruispunt en aan de achterzijde (zuidzijde) via de ontsluiting vanaf de parkeerplaats, beide richting de Veerweg. Voor bluswatervoorzieningen kan gebruik worden gemaakt van het oppervlaktewater in de omgeving.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen, zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie. In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt ervan uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe doordat er (nood)uitgangen en vluchtroutes aan de westzijde van het gebouw worden gerealiseerd. Op die manier kunnen personen wegvluchten van de LPG-bron. Advies veiligheidsregio Door de Veiligheidsregio Hollands Midden is een adviesrapport uitgebracht (d.d. 16 mei 2022, kenmerk: D2022-04-004291).

Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, adviseert de veiligheidsregio het volgende:

37

•

De risicocontouren van het nabijgelegen LPG-tankstation reiken tot voorbij het plangebied. De fysieke veiligheid wordt dan ook in belangrijke mate door dit scenario bepaald. Met aanvullende maatregelen kunnen de effecten worden beperkt. Dit brengt echter wel aanvullende maatregelen en extra kosten met zich mee. Het invoeren van een tijdslot van bevoorrading van LPG is echter niet wenselijk. Buiten kantoortijden zijn er in de nabijgelegen woonwijk meer personen aanwezig.

•

Ook een overstroming is een relevant scenario. Met aanvullende maatregelen kunnen ook deze effecten worden beperkt. Bij vroegtijdige keuzes hoeven de bouwkosten niet hoger uit te vallen. Bij een verdere uitwerking is het ook wenselijk in samenwerking met de politie aandacht te besteden aan de sociale veiligheid in/om het kantoorgebouw.

• •

Ook de bereikbaarheid en bluswaterwinning kan tegen die tijd verdere invulling worden gegeven. Voor een locatiekeuze zijn deze onderwerpen niet bepalend.

Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, worden de volgende maatregelen getroffen: 1.

2. 3.

Een (ophaal)bruggetje voor voetgangers aan de west- of zuidzijde over één van de drie sloten, zodat mensen in geval van een calamiteit kunnen vluchten uit de richting van het LPG-tankstation. Dit bruggetje is ook aangegeven op het inrichtingsplan dat als bijlage bij de regels zit. Een meer gesloten oostgevel en verblijfsruimten aan de ‘veiligere’ westzijde. Het aanleggen van een extra verkeersverbinding tussen het parkeerterrein bij het gemeentehuis en de gemeentewerf. Dit is als calamiteitenroute voor de toegankelijkheid van de hulpdiensten, in geval ‘eigen’ hulpdiensten onderdeel zijn van de calamiteit en in geval van wegreconstructies.

In het vervolg zullen met de veiligheidsregio afspraken gemaakt worden over risicocommunicatie, opdat de personen in het gemeentehuis weten hoe zij moeten handelen in het geval van een calamiteit. In november 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden met een vertegenwoordiger van het LPG-tankstation om te bespreken hoe zij de toekomst zien. Er is afgesproken dat de gemeente en het LPG-tankstation in gesprek blijven over het verkleinen van de veiligheidsrisico's voor zowel het gemeentehuis als de nabijgelegen woonwijk.

4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

38

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:

• • • •

het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.

Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:

•

een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;

• •

een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.

Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

39

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan:

• •

onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. 4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Met de beoogde ontwikkeling wordt op momenteel onbebouwde gronden een gemeentehuis gerealiseerd en verharding aangebracht. Voor de beoogde ontwikkeling is een verhardingsbalans opgesteld (Buro SRO, d.d. 6 december 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Deze verhardingsbalans richt zich uitsluitend op het beoogde gemeentehuis en de bijbehorende parkeervoorzieningen.

Daar de beoogde natuurontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de waterhuishouding, is die niet meegenomen in de verhardingsbalans. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename in verharding. In totaal neemt de verharding toe met 6.060 -384 / 2 (halfverharding) = 5.868 m², wat voor 5% gecompenseerd wordt in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Tevens wordt er met de beoogde ontwikkeling 934 m² aan watergangen gedempt. De totale watercompensatieopgave bedraagt 5.868 * 0,05 + 934 = 1.227 m². Binnen het plangebied wordt 1.493 m² aan nieuw oppervlaktewater aangelegd. Daarmee is er een overschot aan 266 m² aan nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Waterkeringen en watergangen Uit het raadplegen van de legger van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard blijkt er binnen en in de directe omgeving van de planlocatie geen regionale en/of primaire waterkeringen aanwezig is. Tevens bevindt zich binnen het plangebied of aan het plangebied geen hoofdwatergang. Wel zijn er meerdere overige watergangen in het plangebied aanwezig. Een deel van de watergangen wordt met de beoogde ontwikkeling gedempt. Riolering en afkoppeling Het nieuwe gemeentehuis wordt voor de afvoer van afvalwater aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem en/of afgevoerd naar de naastgelegen sloten.

Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

40

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=bc54ba9e-02b0-4d59-8199-746837d33b67