BIJL. 3 Bestemmingsplan Molenpark toelichting NL.IMRO.1931.BP2302DK064-VG01
Tekst van het document
Met de beoogde ontwikkeling wordt het beeld behouden. De woningen die aan de Molenlaan worden gerealiseerd zullen passen bij de omliggende lintbebouwing. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'Landelijk gebied', 'Polderlinten' en 'Bedrijventerreinen'. Ontwikkelingen moeten een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de hooforiëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Om de ruimtelijke kwaliteit van voorliggend plan te borgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Buro SRO, d.d. 28 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). Dit beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld en zal het welstandskader bij de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen vormen.
28
4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er zal gezien de totale grootte van het plangebied en aantal woningen niet voldaan worden aan de
29
gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 ha of meer. In dat geval kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect zijn hierbij aan bod gekomen. Er kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag heeft een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen (gemeente Krimpenerwaard, d.d. 12 december 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 13).
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In het plangebied is onder andere een wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming beoogd. Dit betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Derhalve is er voor het oostelijke deel van de planlocatie een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (ADCIM, d.d. 11 mei 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Voor het westelijke deel, gelegen Molenlaan 9-11, is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd.
Oostelijk deel Ter plaatse van de onderzoekslocatie in de voormalige watergang achter Molenlaan 3 is een sterke asbestverontreiniging (>100 mg/kg) aangetroffen. Gezien de aard van de verontreiniging betreft het hoogstwaarschijnlijk een geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan voor 1987, die verband houdt met het dempingsmateriaal van de voormalige watergang. Er heeft geen nader asbestbodemonderzoek door middel van sleuven plaatsgevonden. Aanbevolen wordt een nader asbestbodemonderzoek door middel van sleuven uit te voeren of direct over te gaan tot sanering, omdat het een duidelijke verontreinigingscontour betreft, het oppervlak relatief beperkt is en er voor nader onderzoek relatief hoge kosten zijn. De sanering van de asbestverontreiniging kan plaatsvinden op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurde BUS melding of saneringsplan. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een aantal sterke verontreinigingen aangetroffen die geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreffen, te weten:
•
Deellocatie A: een sterke zinkverontreiniging ter plaatse van de voormalige watergang (boring S02 en S02.1 op een diepte van circa 1,0-1,5 m -mv met een geschatte omvang van 18 m³.
30
•
Deellocatie D: een sterke zinkverontreiniging ter plaatse van boring N15/15/15.1 en een matige zinkverontreiniging ter plaatse van boring 15.2 op een diepte van circa 0,0-0,80 m -mv met een geschatte omvang van 15 m³.
Deze verontreinigingen betreffen geen ernstig geval van bodemverontreiniging >25 m³ en in die zin niet saneringsplichtig. Aanbevolen wordt bij herinrichting deze grond gescheiden te ontgraven en deze grond na keuring af te voeren naar een geschikte toepassingslocatie of erkende verwerker. Daarnaast zijn er in het plangebied enkele beschoeiingen met asbesthoudend golfplatenmateriaal aanwezig. Van deze beschoeiingen steekt circa 0,4 meter boven het water uit. De beschoeiing zijn gedeeltelijk ingegraven en in de bodem vastgezet. Geadviseerd wordt om ter hoogte van de beschoeiingen de sloot droog te leggen, zodat het asbest gesaneerd kan worden in combinatie met een nader asbestbodemonderzoek om uit te sluiten dat geen restanten achtergebleven zijn. Westelijk deel Voor de locatie gelegen achter Molenlaan 9-11 is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd (ADCIM, d.d. 13 mei 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Op basis van het onderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd:
•
De voormalige watergang is gedempt met gebiedseigen grond; er is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen. Uit de analyses blijkt dat de grond licht verontreinigd is met enkele zware metalen en PAK.
• •
De aangetroffen bijmenging in de bovengrond bevat zowel visueel als analytisch geen asbest. Uit de analyses van de bovengrond rondom de uitbreiding van de materiaalopslag blijkt dat de grond licht verontreinigd is met lood, zink, minerale olie en PAK.
Uit het actualiserend onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden op de onderzoekslocatie die geleid hebben tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen ontwikkeling vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de bodem na sanering van de asbestverontreiniging geschikt is voor het beoogde gebruik. De initiatiefnemer heeft in zijn exploitatie rekening gehouden met de kosten voor sanering. Het plan is daarmee uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
31
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 124 extra woningen gerealiseerd. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (monitoringsronde 2023) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2022 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18,0 μg/m³, 9,8 μg/m³ en 16,5 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM 10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
verpleeghuizen,
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt. Woningen worden conform de Wet geluidhinder (Wgh) gezien als gevoelige objecten. Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de N207 en de Benedenberg. Het is noodzakelijk om een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uit te voeren.
32
Geluidbelasting op beoogde woningen Er is een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, d.d. 4 juli 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Hieruit volgt dat geluidbelasting door wegverkeer op de N207 bedraagt ten hoogste 61 dBna aftrek van 2 dB ex artikel 110-g Wgh op de hoogst geluidbelaste gevel (rekenpunt 1-2). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de gevels van een aantal woningen. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt voor de woningen niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Benedenberg ligt in alle rekenpunten beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is deels niet mogelijk als gevolg van wringend verkeer en deels financieel niet haalbaar; ook wordt de voorkeursgrenswaarde niet bereikt. Afscherming van alle woonlagen van de woningen is op deze locatie niet haalbaar door aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Een hogere waarde kan worden verleend, omdat wordt voldaan aan de beleidsregel hogere waarden 2018, Omgevingsdienst Midden Holland.
• • •
Alle woningen hebben een geluidluwe gevelzijde. De buitenruimte van de woningen kan eenvoudig aan de geluidluwe zijde worden gerealiseerd. De woningen in de eerste lijn hebben de functie van een geluidscherm voor de achterliggende woningen. Daardoor daalt de geluidbelasting op de woningen vanaf de tweede lijn.
Voor de woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de N207 van 49-61 dB. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de beleidsregel hogere waarden. Aan dit toetsingskader kan, ook voor de 30 km wegen, worden voldaan. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Er zijn geluidwerende voorzieningen noodzakelijk voor alle gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt ten hoogste GA;k 30 dB. Geluideffecten op bestaande woningen Tevens is onderzocht wat het effect is van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de beoogde woningen op de geluidbelasting van de bestaande woningen aan de Molenlaan (Adviesburo Van der Boom, d.d. 4 juli 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3a). De geluidbelasting op de zijgevel van de woning aan de Molenlaan 1a (rekenpunt 100) bedraagt 57 dB zonder aftrek. Deze geluidbelasting ligt ver beneden de maximale geluidbelasting van 68 dB zonder aftrek voor gezoneerde wegen binnen de bebouwde kom. Er zal sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat.
Omdat geen hogere waarde wordt vastgesteld voor de nieuwe 30 km weg, stelt het Bouwbesluit ook geen eisen aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde in de bestaande woning. Uit de berekeningen blijkt dat het verschil in geluidbelasting op de overige woningen door alle wegen samen ten hoogste 0,4 dB bedraagt. Een klein verschil van minder dan 1 dB is voor het menselijk oor niet waarneembaar. Er zal ook voor de overige woningen dus sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. In toelichting paragraaf 4.5 is aandacht voor geluid vanwege bedrijven in de omgeving. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect geluid.
33
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek In en nabij het plangebied bevinden zich het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk (timmerwerkplaats) en het gemengde bedrijfsterrein aan de Molenlaan 9-11. Aan de westzijde ligt de provinciale weg N207, die tot de hoofdinfrastructuur van de gemeente Krimpenerwaard behoort. Gezien de ligging nabij linten met bedrijven en woningen, aan de provinciale weg N207, kan de omgeving van het plangebied aangemerkt als een gemengd gebied. Daarmee kunnen de richtafstanden, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie.
Er dient onderzocht te worden welke milieubelastende activiteiten binnen en in de omgeving van het plangebied toegestaan/aanwezig zijn, of deze milieubelastende activiteiten een belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en of deze milieubelastende activiteiten beperkt (kunnen) worden in hun mogelijkheden. Daarom is aan de hand van de geldende bestemmingsplannen in het gebied bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. In de navolgende tabel zijn de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven.
34
Bedrijf
Adres
SBI2008
Milieucat.
Richtafstand gemengd gebied (m)
Grondverzetbedrijf Timmerwerkplaats
Molenlaan 911 Kadijk 4a en 6
3.1
30
3.2
50
40
Horeca
Molenlaan 14 en 16 Kadijk 8 Hoofdstraat 110 Benedenberg 21a Benedenberg achter 23 en 25 Kadijk 15
41, 42, 43 41, 42, 43 162 5510 561 931 D 471
Minimale afstand tot bestemming Wonen' (m) 18
1
0
30
3.1 1
30 0
35 80
4752
2
10
140
91041
2
10
180
0141, 0142
3.2
50
350
Kadijk 23 en 23a
0141, 0142
3.2
50
350
Tussenlanen 18a Kadijk 7 en 11
3700 A1 0143
4.1
100
350
3.1
30
400
IJsbaan Supermarkt Tuincentrum Kinderboerderij
Grondgebonden graasdierbedrijven Grondgebonden graasdierbedrijven Rioolwaterzuiveringsinstallatie Paardenhouderij
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen (o.a. woningen) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er dient in principe voldaan te worden aan de richtafstand van bedrijven in de omgeving. In de bovenstaande tabel is te lezen dat vrijwel alle bedrijfsactiviteiten zich buiten de richtafstand bevinden. Direct ten noorden van het plangebied ligt het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk. In het westelijke gedeelte van het plangebied (Molenlaan 11) zijn diverse bedrijfsactiviteiten toegestaan. Beide bedrijfsterreinen worden navolgend afzonderlijk toegelicht. Bedrijfsterrein Adriaan van Erk Het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk met onder andere een timmerwerkplaats ligt ten noorden van het plangebied. Na de uitbreiding van het bedrijfsterrein zoals die beoogd is met het bestemmingsplan 'Kadijk 4a-6, Bergambacht' komen de beoogde woningen in noorden van het plangebied op circa 40 meter van de inrichtingsgrens te liggen, gemeten vanaf de bestemmingsgrens 'Bedrijf'. Hiermee wordt er niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. Geluid is het maatgevende aspect bij een timmerfabriek. Omdat niet aan de richtafstand voor geluid wordt voldaan, is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Dethmers geluidadvies, d.d. 31 augustus 2022, bijlagen bij toelichting, bijlage 4).
Met dit onderzoek is aangetoond dat er voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en voor de piekgeluiden kan worden voldaan aan de door de VNG opgestelde norm van 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en 70 dB(A) etmaalwaarde voor de piekniveaus. Hiermee kan er worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en het betreffende bedrijf niet wordt beperkt in de mogelijkheden. Bedrijfsterrein Molenlaan 9-11 In het westelijke gedeelte van het plangebied, aan de Molenlaan 9-11, is een bedrijfsterrein aanwezig. In het geldende bestemmingsplan heeft dit bedrijfsterrein de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf grondverzetbedrijf'. Voor een dergelijke activiteit geldt milieucategorie 3.1 met een richtafstand in gemengd gebied van 30 meter. In het voorgenomen plan wordt het bedrijfsterrein afgewaardeerd en verkleind. Zonder de verkleining (en afwaardering) van het bedrijfsterrein is het niet mogelijk om het beoogde appartementengebouw ten noorden van het bedrijfsterrein te realiseren.
35
Het voorliggende bestemmingsplan staat op het bedrijfsterrein bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toe. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Hieraan wordt voldaan. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het gebouw aan de Molenlaan 9-11 geen gevelopeningen aan de zijde van de beoogde woningen heeft en dat het gebouw een afschermende werking heeft voor de activiteiten die ten westen van het gebouw plaatsvinden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
36
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
37
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)
Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn twee risicovolle inrichtingen aanwezig. Ten noorden en ten westen van het plangebied staan bovengrondse propaantanks. Deze propaantanks vallen onder het invloedsgebied van het Activiteitenbesluit/Besluit activiteiten leefomgeving. De veiligheidsafstanden reiken niet tot in het plangebied. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen lopen. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Ondanks dat dit niet is aangegeven op de risicokaart en de N207 niet tot het Basisnet behoort, kunnen er gevaarlijke stoffen vervoerd worden over de N207. Het plaatsgebonden risico van deze transportroute reikt niet tot de beoogde woningen. Het groepsrisico neemt (mogelijk) toe. Daarom is een verantwoording van het groepsrisico nodig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N207. - Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan geschikte uitvalswegen, bluswatervoorzieningen en de aanbevolen opkomsttijd.
Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten via twee wegen, te weten via de nieuwe aansluiting op de Molenlaan (ter hoogte van Molenlaan 3) en via de calamiteitenontsluiting die over het terrein van Molenlaan 9 loopt. Voor bluswatervoorzieningen kan gebruik worden gemaakt van het oppervlaktewater in de omgeving. Verder worden er brandkranen in het plangebied geprojecteerd. De opkomsttijd(prognosetijd) bedraagt circa 8 minuten, terwijl de referentiewaarde voor een buurt met de classificatie ‘categorie 2’ met het overheersende kenmerk ‘Woningen’/‘Gebouwen voor zelfredzame personen’ 10 minuten is. Daarmee scoort het beoogde initiatief ‘Goed’.
38
- Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen, zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie. In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Personen kunnen bij een calamiteit met het vervoer van toxische stoffen over de N207 vluchten in de gebouwen. De woningen moeten voorzien zijn van uitschakelbare mechanische ventilatie. Dit is geregeld in artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt ervan uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe doordat (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af mogelijk zijn.
Op die manier kunnen personen wegvluchten van de N207. - Advies veiligheidsregio Het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft een advies uitgebracht waaruit volgt dat externe veiligheid geen belemmering is voor het plan. Behoudens enkele aandachtspunten (voor de uitwerking), zoals de breedte van de wegprofielen en de bluswaterwinning, stelt de veiligheidsregio dat er in het kader van de fysieke veiligheid geen verdere advisering noodzakelijk is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
39
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
• • • •
het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.
Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:
•
een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;
• •
een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.
Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;
40
Maar ook aan:
• •
onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. 4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Met de beoogde ontwikkeling worden op momenteel onbebouwde gronden woningen gerealiseerd, verharding aangebracht en watergangen gedempt. Voor de beoogde ontwikkeling is een waterbalans (Buro SRO, d.d. 4 december 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5) opgesteld. Het verhardingsoppervlak neemt met de beoogde ontwikkeling met 16.283 m² toe, dat voor 10% gecompenseerd moet worden in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Er wordt 4.495 m² aan watergangen gedempt.
De te dempen watergangen moeten voor 100% gecompenseerd worden. De totale wateropgave bedraagt 16.283 * 0,10 + 4.495= 6.123 m². In het plangebied wordt 2.749 m² aan nieuw oppervlaktewater aangelegd. Dit is echter niet voldoende om de volledige verhardingstoename en demping van watergangen binnen het plangebied te compenseren. In totaal dient er nog 3.374 m² buiten het plangebied gecompenseerd te worden vanwege de woningbouwontwikkeling Molenpark. In aanvulling op het bovenstaande is 637 m² extra watercompensatie benodigd vanwege de aanleg van ecologische eilanden op gronden waar met het bestemmingsplan 'Kadijk 4a-6, Bergambacht' nieuw wateroppervlak was voorzien. De resterende wateropgave die buiten het plangebied gecompenseerd moet worden bedraagt daarmee 3.374 + 637 = 4.011 m² aan nieuw wateroppervlak. Dit oppervlak wordt aangelegd op de percelen die kadastraal bekend zijn onder gemeente Bergambacht, sectie B, nummers 4108, 4665, 5194, 5195 en 5198. Deze percelen liggen benedenstrooms ten opzichte van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Afvoer De nieuwe woningen worden voor de afvoer van afvalwater aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem en/of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
41
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een nieuwe woonbuurt ten noorden van Bergambacht gerealiseerd. De planlocatie is momenteel onbebouwd en bestaat grotendeels uit grasland. De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 13 februari 2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Soortenbescherming Uit de quickscan volgt dat het plangebied mogelijk geschikt is voor de heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Vanwege de ingrepen aan de woning Molenlaan 3 dient in het vervolg ook onderzoek naar huismus en vleermuizen plaats te vinden. Vanwege de ingrepen aan de sloten, slootkanten en grasweide in de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied dient aanvullend onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper plaats te vinden. Mogelijk kan kolonisatie door rugstreeppadden optreden gedurende de sloop en bouwwerkzaamheden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, vissen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Het aanvullend onderzoek naar de huismus, vleermuizen, grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad is reeds uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 13 september 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Er zijn op de locatie geen verblijfplaatsen voor de huismus en vleermuis aangetroffen. Wel is op de locatie het leefgebied van de grote modderkruiper en heikikker vastgesteld. Vervolgstappen en een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn noodzakelijk. De ontheffing van de Wet natuurbescherming is reeds verleend. Vanwege de sloop van de woning gelegen aan de Molenlaan 3 is in 2022 nogmaals een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 22 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen of andere essentiële leefgebieden van vleermuizen vastgesteld. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.
Effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) kunnen, met uitzondering van stikstofdepositie, op voorhand uitgesloten worden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
42
Stikstofberekening Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn is een onderzoek naar stikstofdepositie middels AERIUS Calculator (Buro SRO, d.d. 28 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9) uitgevoerd. Bij de gebruiksfase is uitgegaan van 917 voertuigbewegingen per etmaal, die vallen onder de categorie ‘licht verkeer’, en 2,5 voertuigbewegingen per etmaal aan zwaar vrachtverkeer. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in de gebruiksfase in totaal sprake is van een NOx-emissie van 17,4 kg/j en een NH3-emissie van 1,1 kg/j. Bij de bouwfase is het effect van de verkeersgeneratie en het gebruik van mobiele werktuigen berekend. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx-emissie van 229,1 kg/j en een NH3-emissie van 8,9 kg/j. Uit de berekeningen volgt dat er zowel in de gebruiksfase als in de bouwfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect stikstofdepositie. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Conclusie Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar, waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden die volgen uit de verleende ontheffing van de Wet natuurbescherming.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gemeente Krimpenerwaard heeft een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied op laten stellen. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de Atlas Archeologie van de Omgevingsdienst Midden-Holland.
43
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied globaal zwart omkaderd)
Uit bovenstaande kaart is te zien dat het plangebied tot de categorieën 6 en 7 behoort. In deze zone is er een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 3 meter -Mv en groter dan respectievelijk 2.500 m² en 10.000 m². De gronden in het plangebied zijn in het voorliggende bestemmingsplan, conform de archeologische beleidskaart, voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 6' en 'Waarde - Archeologie 7'.
4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Ten zuiden van het plangebied is molen Den Arend (Molenlaan 14 te Bergambacht) gesitueerd. De molenbiotoop van deze reikt tot in het plangebied. Molenbiotopen zijn in artikel 6.25 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland beschermd om voldoende windvang en zicht op de molen te waarborgen. Binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting. Voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. De betreffende molen en de gronden tussen de molen en het plangebied behoren in de huidige situatie tot het bestaand stads- en dorpsgebied. Derhalve wordt uitgegaan van de regeling voor een molenbiotoop binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. De afstand van het zuidelijke deel van het plangebied tot het
44
middelpunt van de molen is 100 meter. De maximale hoogte van bebouwing en beplanting op 100 meter afstand van de molen bedraagt volgens artikel 6.25 van de Omgevingsverordening 100/30 = 3,3 meter. De stellinghoogte van de betreffende molen bedraagt 8,3 meter. Daarmee is de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek minimaal 8,3 meter boven het maaiveld. Omdat de maaiveldhoogte in het plangebied ten minste gelijk is aan de maaiveldhoogte ter plaatse van de molen, kan de maximale hoogte die volgt uit de molenbiotoopformule vermeerderd worden met de stellinghoogte. In dat geval bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting aan de zuidzijde van het plangebied 3,3 + 8,3 = 11,6 meter. Deze hoogte wordt niet overschreden, waarmee er geen belemmeringen zijn. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de hoogte van bebouwing en beplanting, volgens de regeling uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland, meer richting het noorden hoger mag zijn. Op circa 210 meter van de molen is het meest zuidelijk gelegen appartementengebouw beoogd. Op een afstand van 210 meter is een bouwhoogte van 210/30 + 8,3 = 15,3 meter toegestaan. Het appartementengebouw zal niet hoger dan deze hoogte gebouwd worden. Derhalve zal de molenbiotoop tevens geen belemmering vormen voor het beoogde appartementengebouw aan de zuidzijde.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeersgeneratie Met de voorgenomen ontwikkeling worden 125 woningen gerealiseerd, naast de bestaande woning aan de Molenlaan 1a. Het plangebied bevindt zich in een 'niet stedelijk' woonmilieu, in de 'rest bebouwde kom'.
Aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is de verkeersgeneratie berekend voor een werkdagetmaal. De navolgende tabel toont de verkeersgeneratie van de ontwikkeling.
45
In totaal heeft de beoogde ontwikkeling een verkeersgeneratie van afgerond 917 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Goudappel heeft een verkeersonderzoek uitgevoerd (Goudappel, d.d. 13 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10), dat vooral is gericht op de ontsluiting op de Molenlaan en een advies over een verkeersveilige ontsluiting van de planontwikkeling bevat. Capaciteit ontsluitingsweg Met een wegenscan is de verkeersveilige wegvakcapaciteit van de ontsluitingsweg bepaald. Een ontsluitingsweg met een breedte van 5,5 meter heeft een capaciteit van 4.000-5.300 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom heeft een capaciteit van 4.000-6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor een weg waar fietsers en gemotoriseerd verkeer gebruik maken van dezelfde rijbaan zijn maximaal 7.300 motorvoertuigbewegingen per etmaal mogelijk. Er bestaat tevens de kans dat er kinderen op straat zullen spelen. Voor een dergelijke weg geldt een criterium van 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De maatgevende capaciteit van deze weg is daarmee 1.000 van de weg. De verwachte verkeersdruk in de plansituatie (917 motorvoertuigbewegingen per etmaal) wordt daarmee passend geacht. Capaciteit kruispunt Het plangebied sluit aan op de Molenlaan.
Het is relevant is of er sprake is van een goede afwikkeling van het verkeer op het toekomstige kruispunt in de drukste ochtend- en avondspitsuren. Met een kruispuntberekening is dit bepaald. Niet ver ten westen van de planlocatie sluit de Molenlaan aan op de N207. Daarom is in de kruispuntenberekening ook de rotonde met de N207 meegenomen. De basis voor de kruispuntberekeningen vormen de verwachte verkeersstromen op de Molenlaan. Hiervoor is het verkeersmodel van de regio Midden-Holland gebruikt (versie 3.2) voor het prognosejaar 2030. Uit de berekening blijkt dat in de planvariant sprake is van een redelijke tot een goede doorstroming op de kruispunt met de Molenlaan en de rotonde met de N207. Dit betekent dat er slechts gering tijdsverlies is. Het merendeel van de motorvoertuigen hoeft niet te wachten. Er is sprake van een acceptabele situatie. Aansluiting op de Molenlaan Het verkeer kan op een adequate wijze afgewikkeld worden via de Molenlaan. Het is mogelijk om de voorrang te regelen op het kruispunt. Dit kan bijvoorbeeld door het vormgeven van een uitritconstructie. Alhoewel de voorrang doorgaans niet wordt geregeld in een 30 km/u zone, wordt elders op de Molenlaan dit principe ook toegepast (bijvoorbeeld op het kruispunt Molenlaan – Hoofdstraat – Tussenlanen – Kadijkselaan). Om een eenduidig wegbeeld te creëren wordt aanbevolen een uitritconstructie te realiseren.
Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
46
4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden.