CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL. 3 Bestemmingsplan Molenpark toelichting NL.IMRO.1931.BP2302DK064-VG01

Raadsvergadering 4 juni 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Molenpark Bergambacht19.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Molenpark, Bergambacht Gemeente Krimpenerwaard

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.BP2302DK064-VG01

Datum:

2024-03-04

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R van der Made | dhr. F. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR210382

Opdrachtgever:

Adriaan van Erk Ontwikkeling

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 17 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 19 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 26

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 29 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 29 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 30 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 31 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 32 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 34 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 36 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................

39 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 42 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 43 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 44 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 45

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 49 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 49 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 49 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 49 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 50

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 53 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 53 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 53

3

4

1 Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de locatie Molenpark ten noorden van Bergambacht te ontwikkelen tot nieuwe woonbuurt. Het voornemen bestaat om circa 125 woningen te realiseren op de nu nog onbebouwde gronden. De woningen zullen bestaan uit diverse woontypologieën, waaronder rijwoningen, vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementen. Op 8 maart 2022 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard de ruimtelijke uitgangspunten voor de ontwikkeling Molenpark vastgesteld. De planlocatie is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Dorpsgebied', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Bergambacht op 25 oktober 2011 en het bestemmingsplan 'Kadijk 4a-6, Bergambacht' vastgesteld op 17 november 2020 door de raad van gemeente Krimpenerwaard. Op de gronden van het plangebied geldt voor een groot deel een agrarische bestemming. Het realiseren van de woningen is in het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig, waarin een bestemmingswijziging naar onder andere 'Wonen' wordt doorgevoerd en de beoogde functies mogelijk worden gemaakt. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van beoogde initiatief is gelegen tussen de Molenlaan, de Kadijkselaan, de N207 en het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk. Het plangebied is ten noorden van de kern Bergambacht gelegen. Bergambacht is onderdeel van de gemeente Krimpenerwaard. De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Dorpsgebied', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Bergambacht op 25 oktober 2011. Voor het noordelijk deel van het plangebied heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 17 november 2020 het bestemmingsplan 'Kadijk 4a-6, Bergambacht' vastgesteld. Tevens geldt voor het plangebied het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard, vastgesteld door de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 29 januari 2019.

6

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Dorpsgebied', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het bestemmingsplan 'Dorpsgebied' heeft het plangebied meerdere bestemmingen. De percelen in het plangebied hebben de bestemmingen ‘Agrarisch’, 'Groen', 'Bedrijf', 'Water', 'Recreatie - Dagrecreatie', 'Wonen' en 'Tuin'. Daarnaast geldt voor vrijwel geheel het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Hiervoor gelden hoogtebeperkingen voor nieuwe bebouwing. In toelichting paragraaf 4.10 is dit in verband met de beoogde ontwikkeling nader toegelicht. De herontwikkeling van het plangebied en de wijziging naar een woonbestemming is in strijd met het geldende bestemmingsplan. De aanleg van de ecologische eilanden aan de noordzijde van het plangebied is niet mogelijk binnen het bestemmingsplan 'Kadijk 4a-6, Bergambacht'. Derhalve dient een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in de gemeente Krimpenerwaard nabij de kern Bergambacht. Bergambacht heeft circa 5.000 inwoners en is in de nabijheid van de Lek gelegen. Het plangebied zelf is gelegen ten noordwesten van Bergambacht en betreft een veenweidegebied dat tussen bebouwing en wegen is gelegen. De navolgende afbeelding toont de huidige ruimtelijke en functionele structuur.

8

Huidige ruimtelijk en functionele structuur (bron: Buro SRO)

9

Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het plangebied gezien vanaf de N207.

Impressie plangebied (bron: Google streetview, mei 2021)

Ten noorden grenst het plangebied aan het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk. In 2021 is het bedrijfsterrein uitgebreid en is er een nieuwe waterpartij tussen het plangebied en de timmerfabriek aangelegd. Ten oosten grenst het plangebied aan het bebouwingslint van de Kadijkselaan. De Kadijkselaan is een oude kerkweg die een verbinding vormt tussen het lint en de dorpskerk. Aan de Kadijkselaan staan voornamelijk vrijstaande woningen. Het plangebied grenst aan de achtertuinen van deze woningen. Ten zuiden van het plangebied grenst het plangebied aan het lint van de Molenlaan en de woningen die hieraan zijn gelegen. De Molenlaan is een veenlint met vrijstaande woningen. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de locatie van de toekomstige entree van het plangebied gezien vanaf de Molenlaan. In het westen grenst het plangebied aan de provinciale weg N207, een weg die Bergambacht verbindt met Stolwijk en Gouda.

Entree plangebied vanaf Molenlaan 3 (bron: Google streetview, juni 2021)

10

Het plangebied zelf is vrijwel geheel onbebouwd. Op het zuidelijke deel van het plangebied, dat grenst aan de Molenlaan, staan twee woningen. In het westelijke deel van het plangebied is momenteel een bedrijf actief. Hier staat de bedrijfsloods ‘De Stelling’. Ten noorden hiervan ligt een verhard terrein. Onderstaande afbeelding toont de loods van 'De Stelling' en het achtergelegen verharde terrein.

Loods van 'De Stelling' en achtergelegen verhard terrein (bron: Google streetview, mei 2021)

Momenteel is het plangebied bereikbaar via een onverharde weg langs de woning gelegen aan de Molenlaan 3 en via het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk. Met de komst van de waterpartij zal deze laatste aansluiting verdwijnen.

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht als een nieuwe woonbuurt van Bergambacht. In totaal worden er met de ontwikkeling 125 woningen gerealiseerd, wat een planologische toevoeging van 124 woningen betreft. In totaal maakt het voorliggende bestemmingsplan 127 woningen mogelijk. De bedrijfswoning aan de Molenlaan 9 blijft met de beoogde ontwikkeling behouden, net als de woning aan de Molenlaan 1a. De woning gelegen aan de Molenlaan 3 wordt gesloopt en herbouwd. In totaal worden er 43 grondgebonden woningen en 82 appartementen gerealiseerd.

11

De onderstaande afbeelding tonen het stedenbouwkundig plan en een 3D-beeld van de beoogde ontwikkeling.

Stedenbouwkundig plan (bron: Buro SRO, d.d. 12 juni 2023)

12

3D-beeld beoogde ontwikkeling (bron: Buro SRO, d.d. 12 juni 2023)

Voor de planontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit plan gaat uit van de realisatie van 125 woningen in verschillende typologieën voor verschillende doelgroepen, waaronder starters en ouderen.

13

Het plangebied wordt ontsloten via de Molenlaan. Hier maakt één van de bestaande woningen plaats om een goede entree te maken voor de toekomstige woonbuurt. Ter plaatse wordt het bestaande lint met een nieuwe vrijstaande woning aangeheeld, passend binnen de aanwezige structuur en beeldkwaliteit. Direct daarachter is een viertal vrijstaande lintwoningen voorzien, passend binnen de aanwezige lint- en waterstructuur. De beoogde bebouwing begeleidt voor een groot deel de openbare ruimte en is hierop georiënteerd. Een tweetal accenten, die op een groene voet staan, draagt bij aan de herkenbaarheid van de buurt. Eén accent is voorzien nabij de entree en één accent zorgt voor de overgang, samen met een aantrekkelijke groene en waterrijke ruimte, naar het noordelijke gelegen bedrijfsterrein. Het nieuwe appartementengebouw aan de zuidzijde, bestaande uit vier bouwlagen en een kap, bepaalt het beeld van de entree van de nieuwe woonbuurt. Onder dit gebouw bevindt zich een halfverdiepte parkeerkelder. De woningen in dit appartementencomplex vallen in het dure segment. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een bebouwingsstrook, bestaande uit vrijstaande en twee-ondereen-kapwoningen, voorgesteld. Tussen deze en de bestaande woningen aan de Kadijkselaan is een groenstrook gelegen met aan weerszijden een sloot.

Daarmee wordt afstand gecreëerd en een aantrekkelijk groen beeld gerealiseerd voor de bestaande en nieuwe woningen. De woningen krijgen een vlonder aan de oostelijk gelegen sloot als overgang van tuin naar water. Aan de westzijde van het plangebied wordt een appartementengebouw van drie bouwlagen en een kap voorgesteld, evenwijdig aan de provinciale weg. Dit gebouw draagt in een belangrijke mate bij aan de afscherming van het verkeerslawaai afkomstig van de N207. Daarmee ontstaat een geluidluw binnengebied. Aan de zijde van de N207 is het parkeren voor de appartementen voorzien. Tussen de appartementengebouwen aan de noordzijde is ruimte voor een speelvoorziening. Aan de binnenzijde van het plan is binnen het groene carré een woonveld voorgesteld waar aan de binnenzijde en uit het zicht wordt geparkeerd. Het binnengebied wordt omrand door een ‘groen kader’. Dit groene kader is voor een deel geënt op de bestaande polderstructuur en begeleid, voor een belangrijk deel, de aanwezige woonstraten. In dit groen is tevens ruimte voor bewegen en spelen. Aan de noordzijde staat een appartementengebouw aan het water en in het groen. Dit gebouw bestaat uit drie woonlagen en een kap, met een halfverdiepte parkeerkelder er onder. Ten zuiden hiervan wordt een drietal rijenblokken voorgesteld met grondgebonden en beneden-bovenwoningen rondom een parkeerhof.

14

De onderstaande afbeelding toont een impressie van de bouwhoogte van de beoogde woningen en het woonprogramma.

Bouwhoogte en woonprogramma(bron: Buro SRO, d.d. 12 juni 2023)

Bebouwing en doelgroep Met de ontwikkeling wordt een mix van woningen gerealiseerd ten behoeve van verschillende doelgroepen, waaronder starters en ouderen. De onderstaande tabel toont de woningentypen die met de ontwikkeling zijn beoogd. Woningtype

Aantal woningen

Vrijstaande woningen

2

Twee-onder-een-kapwoningen

14

Rij- en hoekwoningen

22

Sociale huurwoningen

16

Middeldure huurwoningen

15

Koopappartementen onder NHG

13

Koopappartementen duur (vrije sector)

38

Lintwoningen (vrijstaand of geschakeld)

5

Totaal

125

Openbare ruimte en groeninrichting In het noorden van het plangebied wordt een nieuwe waterpartij aangelegd. Deze zal deels dienen ter compensatie voor de verharding die in het plangebied wordt aangelegd en de watergangen die worden gedempt. Een deel van de waterpartij was al voorzien vanwege de uitbreiding van het bedrijfsterrein van Adriaan van Erk. De waterpartij wordt met de onderhavig ontwikkeling vergroot en verbonden met de andere sloten in de omgeving van het plangebied. In het plangebied is de heikikker waargenomen (zie toelichting paragraaf 4.8). Deze komt in deze regio vaker voor. Met de ontwikkeling wordt de groene strook en de waterpartij aan de noordzijde geschikt gemaakt als leefomgeving voor de heikikker door te midden van het water eilanden aan te leggen.

15

Duurzaamheid Het plan wordt in het kader van een duurzame ontwikkeling duurzaam uitgevoerd en ingericht. Dit moet ook bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Daarbij gaat het om diverse maatregelen waarop ingezet kan worden. Naast de woningen, die als BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw) of energieneutraal worden gerealiseerd, wordt ook de openbare ruimte duurzaam ingericht. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan klimaatadaptatie (o.a. minder verharding, het tegengaan van hittestress, zo lang mogelijk vasthouden van water, etc.), inzetten op verrijking van de biodiversiteit en het maximaal vergroenen door bijvoorbeeld parkeerplaatsen met grasbetonstenen. Gebouwen worden zo duurzaam mogelijk gemaakt. Daarbij wordt onder andere gekeken naar mogelijkheden van nieuwe energievormen en het toepassen van groene daken en gevels. Gebouwen worden zo mogelijk voorzien van maatregelen om zo de biodiversiteit te stimuleren en nestgelegenheid/onderkomen te bieden. Daarbij kan worden gedacht aan nestkastjes, vegetatiedaken, etc. Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de Molenlaan. Met een voldoende brede weg wordt op de Molenlaan aangetakt. Via het terrein aan de Molenlaan 9 is een calamiteitenontsluiting voorzien, die met een aanduiding op de verbeelding is aangegeven. Vanaf de entree is een woonstraat rondom het binnengebied voorzien.

De woningen zijn hierop georiënteerd en worden hiermee ontsloten. Om aan de parkeerbehoefte te voldoen worden er in het plangebied circa 224 parkeerplaatsen gerealiseerd. In toelichting paragraaf 4.11.2 wordt de parkeerbehoefte nader toegelicht.

16

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren van nieuwe woningen en het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

17

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

•

•

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In totaal maakt het voorliggende bestemmingsplan 127 woningen mogelijk, wat een planologische toevoeging van 124 woningen is. Dit wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve dient beoordeeld te worden of de stedelijke ontwikkeling in een behoefte voorziet. Kwantitatieve behoefte De Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland is het document waarin de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas het regionale beleid met betrekking tot wonen hebben opgenomen. In de regio Midden-Holland is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende periode zal stijgen met circa 15.000 huishoudens van 2015 tot 2030. In de gemeente Krimpenerwaard is de verwachting dat het aantal huishoudens tot 2030 zal stijgen met 2.536.

Uit de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard (zie toelichting paragraaf 3.3.2) volgt dat de gemeente tot 2040 een woningbouwambitie heeft om 4.000 nieuwe woningen te realiseren. Hieruit volgt dat het voorgenomen plan in kwantitatieve zin tegemoet komt aan de woningbouwbehoefte. Kwalitatieve behoefte In de Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland wordt onder andere aandacht besteed aan het vergroten van de beschikbaarheid van goedkope huurwoningen. Volgens het woningbehoefteonderzoek van de gemeente Krimpenerwaard (2022) is er in de gemeente Krimpenerwaard tussen 2022 en 2032 een behoefte aan 710 extra sociale huurwoningen. Krimpenerwaard beschikt over een sociale huurvoorraad die lager is dan het landelijk gemiddelde. Ook het middeldure huursegment is nauwelijks aanwezig in de gemeente. Lage- en middeninkomens komen, zeker wanneer ze op dit moment niet al beschikken over een woning, lastig aan de bak op de woningmarkt in Krimpenerwaard. Met de ontwikkeling worden 31 goedkope en middeldure huurwoningen gerealiseerd. Verder is voorzien in goedkope koopwoningen onder de NHG-grens. Om in te spelen op demografische veranderingen die onder andere resulteren in kleinere huishoudens, is er behoefte aan kleinere woningen.

Naast het feit dat er vanwege kleinere huishoudens behoefte is aan kleinere woningen, is het voor de betaalbaarheid van woningen gewenst dat er kleinere woningen gebouwd worden. Vanwege de vergrijzing is er ook behoefte aan gelijkvloerse woningen. Daarnaast zal de doorstroming voor ouderen naar aantrekkelijke, passende

18

woonruimte moeten worden bevorderd, waardoor meer aanbod vrijkomt voor starters en jonge gezinnen. Met de beoogde ontwikkeling worden er onder andere 82 appartementen, waaronder benedenbovenwoningen, gerealiseerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in speelt op de kwalitatieve behoefte binnen de regio en de gemeente. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied is in het Bro als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. De kwalificatie bestaand stedelijk gebied hangt onder andere af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging en de aard van de omgeving. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen bestaand stedelijk gebied. De gronden aan de zuid- en westzijde van het plangebied, die in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’ hebben en ook als zodanig in gebruik zijn, worden als bestaand stedelijk gebied beschouwd. De rest van het plangebied, dat grotendeels de bestemming 'Agrarisch' heeft, behoort niet tot het bestaand stedelijk gebied.

Voor dit deel van het plangebied dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte naar woningen kan worden voorzien. De ruimte voor de realisatie van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied in de gemeente Krimpenerwaard is schaars. Indien mogelijk worden locaties binnen het bestaand stedelijk gebied benut. Hoewel de stedelijke ontwikkeling gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied is voorzien, is de impact op de onbebouwde ruimte op de betreffende locatie beperkt. De aansluiting op het bestaand stedelijk gebied is een belangrijke reden om op de betreffende locatie gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied in de behoefte naar woningen te voorzien. Daarnaast is de ligging op korte afstand van kern Bergambacht aanleiding om gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe woningen mogelijk te maken. Deze ligging draagt bij aan een duurzaam ruimtegebruik, wat de wetgever met artikel 3.1.6 van het Bro heeft beoogd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

19

2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.

20

Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. Het plangebied wordt aan alle kanten omringd door bebouwing. De verschillen tussen komgronden en oeverwallen zijn in het plangebied niet meer aanwezig. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is op de kwaliteitskaart aangewezen als 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:

•

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

• • •

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.

•

Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woonbuurt ten noorden van Bergambacht gerealiseerd. In de huidige situatie is het plangebied vrijwel geheel omsloten door bebouwing en door wegen. Om die reden zijn de waarden die horen bij het veen(weide)landschap' in de huidige situatie beperkt aanwezig. In het stedenbouwkundig plan is het verkavelingspatroon desondanks zoveel mogelijk behouden gebleven. In het oosten van het plangebied wordt een groene strook behouden en om het plangebied heen worden sloten behouden en uitgebreid, waarmee aangesloten zal worden bij het huidige verkavelingspatroon. Het zuidelijke deel van het plangebied is gelegen aan het lint van de Molenlaan. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Met de beoogde ontwikkeling wordt het lint in stand gehouden. De huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van het lint worden in stand gehouden. Laag van stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in stads- en dorpsranden. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.

Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Rondom het plangebied komt een watergang en in het oosten van het plangebied wordt een groenstrook aangelegd. De woningen in het oosten zullen in verschijningsvorm passend zijn bij de woningen aan de Kadijkselaan. In het zuiden worden woningen tevens gebouwd bij het karakter van de Molenlaan. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart:

21

Herkenbaar waterrijk veen(weide) Het plangebied is gelegen in veenweidegebied. Het hele middengebied van de Krimpenerwaard is veenweidegebied. Dit is vermeld in de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Eén deel in het noorden van het plangebied is bodemdalingsgevoelig. Ontginning van het gebied is al sinds de middeleeuwen gaande, waardoor het maaiveld al enkel meters ingeklonken is. Hier dient met de beoogde ontwikkeling rekening mee gehouden te worden. Molen met vrije windgang In de Krimpenerwaard staan een aantal molens, vooral langs de Hollandsche IJssel en de Vlist. De molens vormen net als kerktorens oriëntatiepunten in het landschap. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het zicht op de molen open gehouden en de vrije windvang gegarandeerd. In toelichting paragraaf 4.10 wordt dit nader toegelicht. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling van het plangebied past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen.

De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van transformeren, omdat het beoogde plan niet past bij de gebiedsidentiteit van de huidige veenweiden. Derhalve dient een integraal ontwerp opgesteld te worden. In toelichting paragraaf 2.2 is het stedenbouwkundig plan weergegeven en beschreven. Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan is aandacht geweest voor de inpassing in en de overgang naar de omgeving. In aanvulling hierop zijn de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan zoveel mogelijk voldoet aan de richtpunten.

22

Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: 1. 2. 3. 4.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

In toelichting paragraaf 3.1.3 is gemotiveerd waarom er is gekozen voor een locatie buiten bestaand staden dorpsgebied. De hoofdopzet van de beoogde ontwikkeling is geënt op het onderliggende polderlandschap. Het beoogde woonmilieu is een gevarieerde buurt met een dorpse schaal, afgestemd op de ligging aan het open agrarische landschap enerzijds en het lint van de Molenlaan en de provinciale weg (N207) anderzijds. Een afwisseling in een traditionele eigentijdse Hollandse architectuur is daarbij passend. Daarbij wordt gerefereerd aan het agrarische karakter van het gebied met een eigentijdse twist en een informeel karakter. De huidige watergangen en polderslagen worden met de beoogde ontwikkeling zo veel mogelijk behouden. Hiermee wordt rekening gehouden met de structuur van het landschap, maar ook met de herkenbaarheid van het landschap. De beoogde ontwikkeling betreft de invulling van een gebied dat wordt omsloten door de timmerfabriek in het noorden, de woningen aan de Kadijkselaan in het oosten, de kern Bergambacht in het zuiden en de N207 ten westen van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee vrij geïsoleerd en er is slechts beperkt sprake van vergezichten. Het plangebied wordt ingericht als een aantrekkelijke groene en waterrijke ruimte. Het groene carré vormt de hoofdstructuur van het plan en de verbinding met de groene- en waterrijke randen.

Dit carré wordt versterkt door boombeplanting, waarmee een meer formeel beeld ontstaat. De randen aan de buitenzijde krijgen een meer informeel beeld bestaande uit groene oevers, enkele solitaire bomen en knotwilgen. Aan de oostzijde vormt de bestaande watergang met weiland en enkele bomen de overgang met de achtertuinen van de woningen aan de Kadijkselaan. Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling de openheid en het groene karakter van de het landschap niet onevenredig aantast. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking, waaruit volgt dat de stedelijke ontwikkeling in een behoefte voorziet. De stedelijke ontwikkeling is deels buiten het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien. Er wordt voldaan aan sub b, omdat de omvang van het plandeel waar een stedelijke ontwikkeling is voorzien en dat buiten het bestaand stads- en dorpsgebied ligt kleiner dan 3 hectare is. De oppervlakte van dit plandeel bedraagt namelijk circa 2,7 ha. De gronden aan de zuid- en westzijde van het plangebied, die in het geldende

23

bestemmingsplan de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’ hebben en ook als zodanig in gebruik zijn, worden als bestaand stads- en dorpsgebied beschouwd. Op de gronden aan de noordzijde van het plangebied, waaraan met het bestemmingsplan de bestemming ‘Natuur’ wordt toegekend (o.a. ten behoeve van het creëren van een leefomgeving voor de heikikker) en die deels de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Groen’ hebben, is geen stedelijke ontwikkeling voorzien. Er kan geconcludeerd worden dat er minder dan 3 hectare aan nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stads- en dorpsgebied wordt mogelijk gemaakt. Daarmee voldoet het bestemmingsplan aan artikel 6.10 lid 1 onder b van de Omgevingsverordening ZuidHolland. Milieubeschermingsgebied voor water De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in artikel 1.2 lid 2 sub a van de Wet milieubeheer. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, en boringsvrije zones. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent. In de Omgevingsverordening worden geen eisen gesteld aan bestemmingsplannen ten aanzien van de ligging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland worden wel beperkingen opgelegd aan een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In een boringsvrije zone is onder andere voor boorputten, het graven dieper dan 4 meter onder het maaiveld, het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die de weerstand van de bodem kunnen aantasten een ontheffing van de Provinciale milieuverordening nodig. In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die toeziet op de kwaliteit van het grondwater en die beperkingen oplegt aan bodemingrepen dieper dan 4 meter onder het maaiveld. Cultureel erfgoed - molenbiotoop Kaart 15 van de omgevingsverordening laat zien dat het plangebied is gelegen binnen een molenbiotoop. Vrijwel het gehele plangebied is gelegen tussen 100 en 400 meter vanaf de molen Den Arend, die ten zuiden van het plangebied is gelegen. Alleen het noordelijke deel van het plangebied valt buiten de molenbiotoop. In toelichting paragraaf 4.10 wordt de beoogde ontwikkeling met betrekking tot de molenbiotoop nader toegelicht. Hieruit blijkt dat de molenbiotoop geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Kansen voor biodiversiteit Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.

In het plangebied wordt in combinatie met een groen-blauwe structuur een habitat gecreëerd voor minimaal drie soortgroepen, waaronder een gebouwbewonende en water-/oevergebonden soort. Over de aanleg van de groenstructuur zijn afspraken gemaakt met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer stelt hiervoor in het vervolg een inrichtings- en beplantingsplan en natuurrapportage op en legt deze ter goedkeuring voor aan de gemeente. Voor de benodigde ontheffing van de Wnb voor de heikikker en de grote modderkruiper is een mitigatie- en compensatieplan opgesteld. In het mitigatieplan is aandacht voor de wijze waarop een geschikt alternatief leefgebied voor de heikikker aangelegd dient te worden. In dit kader is afgewogen dat de locatie aan de noordzijde van het plangebied het meest passend is. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

24

Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen ten noorden van Bergambacht. Het plangebied is gelegen in een veenweidegebied en rondom het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. De initiatiefnemer en de gemeente werken in het vervolg, aan de hand van de Klimaatadaptatiestrategie gemeente Krimpenerwaard en het Convenant klimaatadaptief bouwen, verder uit welke maatregelen er worden genomen in het kader van de waterberging en ter voorkoming van wateroverlast. Daarbij is het streven om een groot deel van de neerslag op het terrein op te vangen en vertraagd af te voeren. Verder is de ambitie dat er geen schade optreedt aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Daarmee is de kans op overstromingen klein. Bij een overstroming vanuit de primaire kering van de Lek (rivier gedomineerd) kan de waterdiepte ter plaatse oplopen tot 5 m.

De beoogde woongebouwen in het plangebied betreffen grondgebonden en gestapelde woningen die minimaal uit twee bouwlagen met een kap of drie bouwlagen bestaan. Met deze hoogten is er bij elk gebouw de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen. Het is voor het thema overstromingen, gelet op de kans en de effecten, niet doelmatig en noodzakelijk om extra maatregelen te treffen. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. De openbare ruimte in het plangebied wordt zo groen mogelijk ingericht om hittestress tegen te gaan. Het groene carré vormt de hoofdstructuur van het plan en de verbinding met de groene- en waterrijke randen. Dit carré wordt versterkt door boombeplanting, waarmee een meer formeel beeld ontstaat. De randen aan de buitenzijde krijgen een meer informeel beeld bestaande uit groene oevers, enkele solitaire bomen en knotwilgen. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress, zodat de bebouwde omgeving ook bij hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving is. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft.

Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, het oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied. Door het plangebied verder groen in te richten en door de inrichting van een waterpartij ten noorden van het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water en aanvulling van het grondwater. Het advies is om de inrichting van het plangebied af te stemmen op de verwachte grondwaterstanden en zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

25

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:

• • • • • •

toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toekomstbestendige winkelgebieden.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woonbuurt ontwikkeld ten noorden van de kern Bergambacht. In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat ze per kern ruimte willen bieden aan woningbouw zodat er voorzien kan worden in woningen waaraan behoefte is. De nieuwe woningen van de beoogde ontwikkeling dienen in en nabij de kern van Bergambacht te worden gebouwd. De beoogde ontwikkeling is gesitueerd aan de rand van Bergambacht. In totaal worden er 125 woningen gerealiseerd van verschillende woontypen voor verschillende doelgroepen. Er worden sociale huurwoningen gerealiseerd, appartementen, rijwoningen, vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen. Hierdoor wordt ingespeeld op een brede doelgroep. De gemeente wil graag dat de mensen binnen Krimpenerwaard kunnen blijven wonen. De beoogde ontwikkeling speelt hier een rol in bij door een passende woning te bieden voor verschillende doelgroepen.

26

Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie Krimpenerwaard. 3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 4 juli 2023 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard 'Vitale kernen in het groen' vastgesteld. In deze woonvisie zet de gemeente in op het versterken van de vitale kernen, zodat iedereen beschikt over een passende woning en kan wonen in een prettige en passende woon- en leefomgeving. De gemeente wil tot 2040 4.000 woningen bouwen. Locaties binnen de kernen zijn schaars. En waar er nog ruimte is wil de gemeente ook groen behouden. Daarom zal de gemeente vooral aan de randen van de kernen moeten bouwen. Hierbij heeft de gemeente de aandacht voor de ruimtelijke en groene structuur. Van de 4.000 woningen zet de gemeente in op 30% sociale huurwoningen. Ook zet de gemeente in op de bouw van middenhuur en betaalbare koopwoningen. In totaal moet 75% van de woningen in nieuwbouwplannen betaalbaar zijn. De Omgevingsvisie geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeente in samenspraak met de gemeenschap de toekomst van de gemeente Krimpenerwaard ziet. Daarbij is rekening gehouden met de kwaliteiten en waarden van Krimpenerwaard. De hoofddoelstelling is uitgewerkt aan de hand vier pijlers. Samen zorgen zij ervoor dat de hoofddoelstelling behaald kan worden:

• • • •

Pijler 1 - Beschikbaarheid en betaalbaarheid Pijler 2 - Aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw Pijler 3 - Wonen, zorg en welzijn Pijler 4 - Duurzaamheid

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden 125 woningen gerealiseerd, in aansluiting op de kern Bergambacht. Er is in de gemeente Krimpenerwaard een kwantitatieve woningbouwbehoefte van 4.000 woningen tot 2040. Doordat er met de beoogde ontwikkeling 125 woningen worden gerealiseerd wordt er een bijdrage geleverd aan deze ambitie. Eén belangrijk onderdeel van de woonvisie gaat over de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen. Met de ontwikkeling worden meerdere woningen gerealiseerd met een woningbouwprogramma dat verschillende doelgroepen kan bedienen, waaronder jongeren, een- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen (met jonge kinderen) en senioren. Hiermee wordt ingespeeld op de ambitie doorstroming te stimuleren en wordt een tegemoet gekomen aan de woningbehoefte vanwege de toenemende vergrijzing. Er is in de gemeente voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Uitgaande van de recente verhuismobiliteit (gedrag) is er met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Doorrekening van de behoefte op basis van de verhuiswensen laat een gevarieerder beeld zien, met ongeveer evenveel interesse in het goedkope prijssegment als in het wat duurdere segment. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen.

Met voorliggend plan zijn goedkopere, middeldure en dure appartementen en rijwoningen beoogd, die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen, waaronder senioren en starters. Op 8 maart 2022 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard de uitgangspunten voor de ontwikkeling 'Molenpark' vastgesteld. Hierin zijn ook uitgangspunten voor het woningbouwprogramma opgenomen. Eén van de door de raad vastgestelde uitgangspunten is het realiseren van een divers woningbouwprogramma waarvan minimaal 25% dient te bestaan uit huurwoningen in de categorie sociaal en huurwoningen in de categorie midden. De overige 75% dient te voorzien in (minimaal 12) koopwoningen tot de NHG-grens en koopwoningen in de categorie duur. Hieraan wordt voldaan in dit plan. De eerder gemaakte afspraken op dit vlak worden gerespecteerd. Voor aanpassing van de beoogde ontwikkeling aan de nieuwe woonvisie, alsmede aan de Regionale realisatieagenda/Woondeal Midden-Holland, is het plan al te ver gevorderd. Desondanks voorziet het plan in 125 woningen van verschillende typologieën voor verschillende

27

doelgroepen, waaronder starters, een- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen (met jonge kinderen) en senioren. Duurzaamheid Bij grotere projecten bespreekt de gemeente Krimpenerwaard met de ontwikkelaar hoe er duurzaam gebouwd kan worden. Daarbij wordt ingezet op ketensamenwerking en energieneutrale nieuwbouw. Ook bij voorliggend plan is dit aan de orde. Daarnaast worden de beoogde gebouwen conform het Bouwbesluit 2012 gebouwd en voldoen ze aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De ambitie is om een deel van de woningen energieneutraal uit te voeren. Verdere duurzame maatregelen worden nader afgestemd met de gemeente Krimpenerwaard. 3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen.

Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Uit het raadplegen van de niveaukaart is gebleken dat voor het plangebied alle drie de welstandsniveaus relevant zijn. Voor het westelijke deel van het plangebied geldt een 'soepel niveau'. Hiervoor geldt dat nieuwbouwplannen geen afbreuk mogen doen aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt een 'Gewoon' niveau. Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Voor het deel aan de Molenlaan geldt een 'bijzonder welstandsniveau'. De Molenlaan is een bijzonder lint. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=44b67537-fdf2-4592-8e98-74e124cabd30