CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2a.toelichting en regels bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a, Ouderkerk aan den IJssel32.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het dichtsbij gelegen gevoelige object (nummer 242) ligt op een afstand van ongeveer 4 meter vanaf het toegangspad. Ten opzichte van de huidige situatie verandert er niets voor de nummer 242. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De om te schakelen bedrijfswoning zal een plattelandswoning worden. Omdat plattelandswoning geen onevenredige hinder aan de omgeving veroorzaken zal de omschakeling niet leiden tot een onevenredige (toename van de) milieuhinder. De plaatelandswoning blijft formeel bij het agrarisch bedrijf behoren waardoor deze niet behoeft te worden getoetst aan geluid- en geurhinder afkomstig van het agrarisch bedrijf. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object.

De naar plattelandswoning om te schakelen bedrijfswoning is reeds een bestaande woning en geniet eenzelfde 26

bescherming als een woning. De omliggende functies hebben altijd al rekening moeten houden met deze woning. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwbouw en/of een toename van het aantal dieren.

Tevens is geen sprake van het uitvoeren van nieuwe activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toenemende geurhinder aan de omgeving moet, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten. De oorspronkelijke bedrijfswoning van het agrarische bedrijf op Ijsseldijk Noord 244 wordt omgezet naar een plattelandswoning. Voor de plattelandswoning blijft in planologische zin de agrarische bestemming gelden. Daarom hoeft ter plaatse van deze woning niet te worden getoetst aan geluid- en geurhinder als gevolg van het agrarische bedrijf. De oorspronkelijke bedrijfswoning is wel meegenomen in de geurberekening in de laatst verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

Bron: Uitgevoerde geurberekening in het kader van de OBM uit 2018. Hieruit blijkt dat er sprake is van een geurbelasting van 3,1 odeur bij een norm van 8 odeur. Daarmee wordt ruimschoots binnen de norm gebleven. Hiermee kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat.

27

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. Toetsing plattelandswoning Bij het agrarisch bedrijf is de volgende veestapel aanwezig: 35 zoogkoeien (RAV-nummer A2.100) en 200 stuks schapen (RAV-nummer B1.100).

Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij, bedraagt de de fijnstofemissie: 35 x 86 g/dier/jaar = 3.010 g/jaar. * Voor schapen is geen fijnstofemisssiefactor vastgesteld. De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel grenswaarden fijnstof op verschillende afstanden. Bron: ECN. De fijnstofbelasting van het totale bedrijf is maximaal 3.010 gram per jaar. De emissie is daarmee lager als de maximale emissie die geldt als grenswaarde voor de status NIBM. De fijnstofbelasting van het gehele 28

bedrijf geeft een bijdrage die beoordeeld mag worden als Niet In Betekende Mate. Nevenactiviteiten Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van maximaal 30 extra verkeersbewegingen per week. Dit is een gemiddelde van 4,3 per dag. Dit is voor de berekening naar boven afgerond. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. 29

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. De woning wordt alleen belast door het wegverkeerslawaai op diverse wegen. Omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, wordt bij de toetsing van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 niet in rekening gebracht. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer maximaal 59 dB bedraagt. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ter hoogte van de plattelandswoning matig is.

Omdat geen nieuwe woonbestemming wordt gerealiseerd, levert geluid geen belemmeringen op voor de omzetting naar plattelandswoning. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de woning aan de IJsseldijk- Noord 244 de bestemming plattelandswoning krijgen. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk. Dit kan zonder belemmeringen in de bedrijfsvoering voor het agrarisch bedrijf waartoe de woning behoorde. Een plattelandswoning is geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wabo (artikel 1.1a) en het Activiteitenbesluit (artikel 1.3c). Vanuit het oogpunt van geluid bestaat geen bezwaar tegen de omzetting van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Bij het omzetten gelden geen wettelijke eisen. Voor deze procedure hoeft dus geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties.

Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Beoordeling akoestische situatie in het kader van de Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder is aangegeven dat voor nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) akoestisch onderzoek nodig is. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de nieuwbouw van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. De om te schakelen agrarische woning naar een plattelandswoning betreft een reeds bestaande woning. De aanwijzing als plattelandswoning betreft geen wijziging van het gebruik en ook niet van het beschermingsniveau van de woning.Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van industrie-, spoorweg- en wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige geluidshinder als gevolg van de bovengenoemde geluidsbronnen. Derhalve is de Wet geluidhinder voor deze wijziging in het bestemmingsplan niet van toepassing. Beoordeling akoestische situatie in het kader van Activiteitenbesluit Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de woning aan de IJsseldijk- Noord 244 de bestemming plattelandswoning krijgen. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk.

Dit kan zonder belemmeringen in de bedrijfsvoering voor het agrarisch bedrijf waartoe de woning behoorde. Een plattelandswoning is geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wabo (artikel 1.1a) en het Activiteitenbesluit (artikel 1.3c). Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige bjecten in de omgeving. 30

Beoordeling in het kader van de goede ruimtelijke ordening Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Om de milieukwaliteit ter hoogte van de bestaande bedrijfswoning (toekomstige plattelandswoning) te bepalen is de gangbare rekenmethode van ‘Miedema’ toegepast. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. Bij deze methode wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB, zie onderstaande tabel.

De woning wordt alleen belast door het wegverkeerslawaai op diverse wegen. Omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, wordt bij de toetsing van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 niet in rekening gebracht. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer maximaal 59 dB bedraagt. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ter hoogte van de plattelandswoning matig is. Omdat geen nieuwe woonbestemming wordt gerealiseerd, levert geluid geen belemmeringen op voor de omzetting naar plattelandswoning. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid bestaat geen bezwaar tegen de omzetting van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Bij het omzetten gelden geen wettelijke eisen. Voor deze procedure hoeft dus geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. 4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Er is sprake van een plattelandswoning en daarom ter plaatse van die woning niet hoeft te worden getoetst aan geluid en geur ten aanzien van het agrarisch bedrijf waar de woning bij hoort 4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, maar van het planologisch bestemmen van een bestaande bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Derhalve kan een waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. Omdat sprake is van een plattelandswoning behoeft niet te worden getoetst aan het onderdeel geur en geluid van het agrarisch bedrijf.

31

4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

32

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). In de directe omgeving van de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Aan de overzijde van de Hollandsche IJssel is een bedrijf gelegen dat is aangemerkt als risicovolle inrichting. Op dit bedrijf zijn twee propaantanks aanwezig, waardoor het betreffende bedrijf als risicovolle inrichting wordt aangemerkt. Voor propaantanks geldt geen invloedsgebied voor wat betreft het groepsrisico. Wel is aan propaantanks, afhankelijk van de grootte en de inhoud ervan, een plaatsgebonden risicocontour vastgelegd. De maximale plaatsgebonden risicocontour van een propaantank bedraagt 25 meter. De locatie is niet binnen 25 meter van de betreffende tanks gelegen. De locatie is daarmee niet binnen de risicocontour van een risicovolle inrichting gelegen. Omdat in de omgeving geen andere risicobronnen zijn gelegen is de locatie eveneens niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen. 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen, over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het Bevb en het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

33

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als grasland. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de projectlocatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend. Hiermee kan worden aangenomen dat de projectlocatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachte verontreiniging. Bij de voorgenomen uitbreiding is geen sprake van nieuwe bebouwing.

Er is geen sprake van bebouwing met een functie waarbinnen personen meer dan twee uur verblijven. De melkstal is gesitueerd binnen de bestaande bebouwing. Het gebruik van de gronden is reeds agrarisch en zal niet wijzigen. De om te schakelen bedrijfswoning is reeds in gebruik als woning, waarmee ook het feitelijk gebruik van de woning niet zal wijzigen. Om de geschiktheid van de bodem voor de gewenste omschakeling aan te tonen is er een bodemonderozek uitgevoerd. Uit dit bodemonderzoek blijkt:

34

Hiermee kan worden gesteld dat er geen belemmering is voor de gewenste ontwikkeling. Zie voor het volledige onderzoek Bijlage 2 Bodemonderzoek. Omdat geen nieuwbouw is voorzien is in het kader van de bestemmingsplanherziening is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

35

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een uitbreiding van het aantal dieren of een wijziging van een inrichting waarin dieren worden gehouden. Ook is geen sprake van het bouwen van nieuwe woningen. Wel wordt een bedrijfswoning omgeschakeld naar een plattelandswoning. Vanuit de C-lijst en de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt geen drempelwaarde wanneer geen sprake is van toename van het aantal dieren, het wijzigen van een inrichting waarin dieren worden gehouden en/of het bouwen van nieuwe woningen. Hiermee kan een verdere toetsing achterwege blijven.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

36

4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Boezems Kinderdijk) is gelegen op een afstand van ongeveer 7,5 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren en/of het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. De initiatiefnemer heeft daarnaast reeds een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming in de vorm van een Verklaring van Geen Bedenkingen (VvGB) bij een omgevingsvergunning met datum 31 oktober 2018 en kenmerk ODH-2018-00131094. De voorgenomen ontwikkeling blijft binnen de vergunde rechten uit deze vergunning, waarmee geen sprake zal zijn van een toename van de vergunde emissie van ammoniak. Daarmee zal geen sprake zijn van een toenemende depositie op de betreffende gebieden. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

37

4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij je te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te 38

beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch grasland en gronden behorende bij een agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde soorten planten bevinden.

Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van sloop van bebouwing en/of het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in bebouwing en/of sloten hebben gevestigd. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 15 meter.

39

Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Zuid-Holland. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren. Tevens is geen sprake van nieuwe bebouwing en/of sloop. Er worden geen nieuwe activiteiten uitgevoerd die de natuurwaarden van het gebied kunnen aantasten. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar 40

mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Krimpenerwaard voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. In de volgende figuur is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Krimpenerwaard opgenomen. Het voorste gedeelte van de locatie, waarop de woning met nummer 244 is gelegen, is aangemerkt als gebied 'WA-3'. Het deel waarop het bouwvlak wordt samengevoegd is grotendeels gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'WA-4'. Een deel van het uit bouwvlak is gelegen in het gebied dat is aangemerkt als 'WA-7' en een klein deel van het bouwvlak is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'WA-3'. De gehele locatie is gelegen in een gebied dat volgens de verwachtingskaart reeds is onderzocht.

Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Krimpenerwaard. Voor de betreffende gebieden gelden de volgende richtlijnen: WA-3: Behoud in situ. Indien niet mogelijk geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen van meer dan 30 centimeter onder maaiveld en groter dan 100 m². WA-4: Er geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen van meer dan 30 centimeter onder maaiveld en groter dan 1.000 m². WA-7: Er geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen van meer dan 3 meter onder maaiveld en groter dan 10.000 m². Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken. Daarnaast is geen sprake van sloop van bebouwing. Er worden geen bodemingrepen uitgevoerd, waarmee geen sprake is van een mogelijke verstoring van de bodem. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling daarom geen nader onderzoek nodig. Gezien het voorgaande is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

41

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn door de provincies in kaart gebracht en worden door de provincies beheerd. De locatie is gelegen in een verloopcontour van de Oude Hollandse Waterlinie. Dit wordt gezien als een erfgoedlijn met historische waarde. De Oude Hollandse Waterlinie hield Holland veilig toen het werd aangevallen door Frankrijk, Engeland en enkele Duitse bisdommen. De linie werkt door het onder water zetten van grote stukken polderland. Het is van belang dat de historische waarde van de erfgoedlijnen, in dit geval de verloopcontour van de Oude Hollandse Waterlinie, behouden blijft en niet wordt aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het bouwen van nieuwe bebouwing en/of het slopen van bebouwing. Er is geen sprake van een aanpassing van de structuur van het landschap. Hiermee zal de verloopcontour van de Oude Hollandse Waterlinie niet worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de erfgoedlijnen met historische waarden.

Het voorste deel van de locatie is aangemerkt als historische nederzetting met zeer hoge historische waarde. Het betreft een dijklint van voor 1850. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Er zijn verschillende typen linten te onderscheiden. Het lint waarin de locatie is gelegen betreft een dijklint. In een dijklint is de bebouwing op of tegen de dijk gelegen. Er is in het lint weinig ruimte voor uitbreiding van de bebouwing. Daarnaast dienen linten als onderscheidende bouwvorm herkenbaar te blijven in het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt de geen uitbreiding plaats in het lint. Het lint zal daarmee met de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. De omschakeling van de bedrijfswoning vindt wel plaats in het lint, maar daarbij wordt niet gebouwd en/of gesloopt. De structuur van het lint blijft in zijn geheel en ongewijzigd behouden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een aantasting van het lint. De schuur gelegen op het dijkniveau en behorende bij nummer 244 is als karakteristiek aan te merken. Deze voormalige agrarische schuur is in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project Ouderkerk geselecteerd als karakteristiek gebouw. Aan dit gebouw zal niets veranderen.

Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de historische nederzetting. Het achterste deel van de locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als nederzetting met hoge waarde. Het gaat daarbij om de relatie tussen de nederzetting en het achterliggende landschap. Binnen deze gebieden, eigenlijk meer de uitlopers van het lint met zeer hoge waarde, is met name de bebouwingsstructuur van belang. De historische structuur met huispercelen, rooilijnen, weg- en perceelsloten en bruggetjes dient zoveel mogelijk te worden behouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van wijzigingen aan de structuur van de bebouwing en/of het landschap. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige aantasting van de historische bebouwingsstructuur. De historische nederzetting met hoge waarde zal met de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet onevenredig worden aangetast. De locatie is verder gelegen in een veenontginningenlandschap met hoge historische waarde. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik.

Het agrarisch gebruik overheerst in deze gebieden. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn 42

het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het samenvoegen van twee losse bouwvlakken bij een bestaand agrarisch bedrijf om het toekomstbestendig te maken voor een duurzaam en volwaardig bedrijf. De gewenste uitbreiding is relatief kleinschalig van aard en wordt zodanig vormgegeven dat het verkavelingspatroon herkenbaar blijft in het landschap en niet wordt aangetast. Tevens is geen sprake van nieuwe bebouwing en/of sloop. De impact op het landschap blijft daarmee zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het veenontginningenlandschap. De IJsseldijk-Noord is aangemerkt als historische rivierdijk. De rivieren zijn vanaf Middeleeuwen bedijkt. Vóór aanleg van de deltadammen stonden de rivieren in open verbinding met zee, waardoor zee- en rivierdijken in profiel lang niet altijd duidelijk van elkaar verschillen.

Zeker rivierdijken die in het kader van de Deltawerken verbeterd zijn verschillen nauwelijks van zeedijken. De dijken geven een goed beeld van de historie van de strijd tegen het water en dienen derhalve zoveel mogelijk te worden behouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen ingrepen op of aan de dijk plaats. De betreffende dijk zal daarmee niet worden aangetast. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de IJsseldijk-Noord. Zowel het agrarische bedrijf IJsseldijk Noord 244a als de plattelandswoning IJsseldijk Noord 244 hebben elk een eigen op-/uitrit op de IJsseldijk Noord. Dit betekent dat de op-/uitrit behorende bij de plattelandswoning dus uitsluitend is te gebruiken als ontsluiting voor het perceel met de plattelandswoning en bijbehorende bijgebouwen IJsseldijk Noord 244 en de in-/uitrit behorende bij het agrarische bedrijf IJsseldijk Noord 244a uitsluitend in het kader van de bedrijfsvoering op dit deel van het perceel. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

43

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie in het geldende bestemmingsplan. Daarbij wordt het bouwvlak ter plaatse samengevoegd om te voorzien in een toekomstbestendig bouwvlak voor een duurzaam en volwaardig bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Er is geen sprake van het bouwen van bebouwing en/of het uitbreiden van het aantal gehouden dieren. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijf. De huidige bedrijfswoning met nummer 244 zal worden omgeschakeld naar een plattelandswoning. De woning is reeds in gebruik als woning en zal als woning in gebruik blijven. Het aantal verkeersbewegingen van deze woning zal daarmee eveneens niet in onevenredige mate toenemen. In de toekomst wenst de initiatiefnemer enkele nevenactiviteiten uit te voeren. Deze nevenactiviteiten worden door de initiatiefnemer zelf uitgevoerd. Er is geen sprake van een toename van het personeel ter plaatse. Er is daarmee geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het personeel. Wel is mogelijk sprake van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van bezoekers aan de locatie.

Alleen de gewenste verkoop van streekproducten en eigen agrarische producten en de gewenste verblijfsrecreatie zal leiden tot een toename van bezoekers op het bedrijf. De verblijfsrecreatieve voorziening zal gemiddeld maximaal 1 maal per week gedurende gemiddeld 3 dagen in gebruik zijn. Dit zal in de worst-case situatie leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen per week met 12 verkeersbewegingen per week met personenvervoer (dit is nog geen 2 verkeersbewegingen per dag). De verkoop van streekproducten is zeer kleinschalig van aard en zal niet leiden tot meer dan 10 bezoekers per week. Dit zal gemiddeld leiden tot maximaal gemiddeld 3 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer. Dit betreft geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarbij zullen de verkeersbewegingen voor het hoveniersbedrijf een toename inhouden van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per week. Dit betekent totaal 30 verkeersbewegingen per week. Dat is 4,5 per dag en dat is niet onevenredig te noemen. Voor de nevenactiviteiten die bij recht en onder voorwaarden zijn toegestaan is geen onevenredige hinder te verwachten. Het gaat om een situatie, waarbij geen sprake meer is in van twee agrarische bedrijven maar één agrarisch bedrijf met nevenactiviteiten.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het waterschap). Het beheergebied van het waterschap strekt zich uit tussen Rotterdam, Schoonhoven en Zoetermeer.

De missie van het waterschap wordt aangeduid met "schoon water en droge voeten". het waterschap beheert het systeem van watergangen, boezems, stuwen, gemalen en inlaten in het beheersgebied. Het 44

hoogheemraadschap zorgt voor een goed waterpeil en een goede kwaliteit van het oppervlaktewater met daarin een gevarieerd planten- en dierenleven. Het beheersgebied van het waterschap ligt beneden NAP. Zonder waterkeringen zou dit gebied dus onder water staan. Het waterschap zorgt ervoor dat de waterkeringen in het beheersgebied op hoogte zijn en stabiel blijven. Een van de taken van de waterbeheerder omvat het realiseren en onderhouden van een goed werkend watersysteem nu en in de toekomst anticiperend op klimaatsveranderingen. Het regionale watersysteem moet zijn afgestemd op de bestaande functies in het gebied waarbij het waterpeil gehandhaafd wordt door onder andere het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Neerslag dat op onverhard terrein valt, blijft op het land staan en zal vervolgens grotendeels infiltreren in de bodem en deels verdampen. Dit is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, zoals bodemsamenstelling, verzadigingsgraad van de bodem en terreinhelling. Een (klein) deel van het water zal over het maaiveld afstromen en uiteindelijk zal het water terecht komen in het oppervlaktewater of de riolering. De waterafvoer van onverharde gebieden kenmerkt zich door twee elementen: een door de bodempassering veroorzaakte vertraging ten opzichte van de regenbui en een kleiner afvoervolume doordat een belangrijk deel van de regen niet tot afstroming komt.

De afvoer van een bepaald terrein verandert en versnelt door het terrein te verharden, af te koppelen of door drainering aan te leggen (drie aspecten die vaak voorkomen bij ruimtelijke ontwikkelingen). Het regenwater kan niet (optimaal) infiltreren in de bodem vanwege de aangebrachte verharding. De waterafvoer van verharde, gedraineerde en afgekoppelde gebieden kenmerkt zich door een versnelde afvoer met een grotere piek over het maaiveld naar het oppervlaktewater of naar de riolering. Door geen voorzieningen te treffen, zoals het aanleggen van extra open water, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen dus leiden tot een versnelde afvoer en eventuele onacceptabele hoge peilstijgingen. Daarnaast is in het verleden open water gedempt voor onder andere stedelijke uitbreiding en agrarische herverkaveling, waardoor sommige delen van het regionale watersysteem te weinig ruimte hebben voor het bergen en afvoeren van water en er knelpunten ontstaan. Met alternatieve vormen van water bergen en vasthouden worden alle effectieve vormen van het vertragen van de waterafvoer door maatregelen gericht op water vasthouden dan wel water bergen bedoeld, anders dan de reguliere waterberging in de vorm van open water. Alternatieve vormen van bergen en vasthouden is een onderwerp waar meerdere partijen mee te maken hebben en voordeel van kunnen hebben.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het samenvoegen van twee bestaande bouwvlakken. Er zal daarbij geen sprake zijn van nieuwbouw en/of sloop van bebouwing. Het bouwvlak wordt samengevoegd omdat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De initiatiefnemer wenst de feitelijke situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan te brengen. Daarnaast zal de huidige bedrijfswoning met nummer 244 van het bedrijf worden afgesplitst en, met de daarbij behorende bijgebouwen, worden omgeschakeld naar een plattelandswoning. Ook hierbij is geen sprake van nieuwbouw en/of sloop van bebouwing. Omdat deze woning reeds in gebruik is als woning wenst de initiatiefnemer de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen.

Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe het waterschap omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen. 1. Kleine plannen : Plannen met een verhardingstoename tot 500 m². 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. 45

3. Grote plannen : Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak. Omdat sprake is van een plan waarbij geen sprake is van een toename van de verharding is sprake van een klein plan. Hierover stelt het waterschap het volgende: "Kleine plannen: Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van het waterschap." Voor kleine plannen is geen compenserende waterberging nodig. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee eveneens geen compensatie nodig. Wanneer in de toekomst alsnog zal worden gebouwd dan zal bij de bouwaanvraag worden bekeken op welke wijze een passende compensatie nodig is en zal worden gerealiseerd.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=88ea92d0-a5e7-4d21-abfe-8a514365a37f