CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2a.toelichting en regels bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a, Ouderkerk aan den IJssel32.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

OUDERKERK AAN DEN IJSSEL, IJSSELDIJK-NOORD 244 EN 244A bestemmingsplan

Ouderkerk aan den IJssel, IJsseldijk-Noord 244 en 244a bestemmingsplan

Datum: 06-06-2024

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Situatietekening op schaal Bodemonderzoek Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Nota van beantwoording vooroverlegreacties

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Groen - Berm Artikel 5 Water Artikel 6 Waterstaat - Waterkering Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

6 6 7 7 8 10 10 11 13 13 15 22 26 26 36 40 43 44 47 47 47 48

49 50 52 152 157

163 164 164 171 172 172 181 182 183 184 184 185 186 187 188 188 189 2

Bijlagen bij de regels Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

191 192

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "IJsseldijk-Noord 2005" van gemeente Krimpenerwaard ten behoeve van het afsplitsen van de bedrijfswoning met nummer 244 en het omschakelen van deze woning naar een plattelandswoning en het samenvoegen van de agrarische bouwvlakken behorende bij het agrarisch bedrijf op nummer 244a. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer heeft het agrarisch bedrijf ter plaatse overgenomen van diens vader. Om het bedrijf toekomstbestendig te maken is een meer efficiënte indeling van het bouwvlak gewenst. Het huidige bouwvlak is opgesplitst in 4 verschillende vlakken die middels koppeltekens met elkaar zijn verbonden. De bouwvlakken van de twee agrarische bedrijven worden samengevoegd, met daarbij de mogelijkheid voor nevenactiviteiten. Het gaat hier niet om een nieuw bouwvlak, maar om een voorzetting van agrarische activiteiten, van één bedrijf, binnen twee bouwvlakken. De boerderij bestaat uit schapen en zoogkoeien van het ras Hereford. Deze koeien worden ingezet voor natuurbegrazing in de Krimpenerwaard en lopen vanaf het voorjaar tot diep in de herfst buiten. De kalfjes krijgen 100% natuurgras en kruiden.

De groeisnelheid gaat langzaam hierdoor is het vlees van uitmuntende kwaliteit. Ook de schapen worden ingezet voor natuurbeheer. Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond welke tot dat bedrijf behoort zoals een akkerbouwbedrijf, een grondgebonden veehouderij en een weidebouwbedrijf, met uitzondering van een intensieve kwekerij en glastuinbouwbedrijven; Volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat naar aard en omvang en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt en waarvan de continuïteit voor een periode van tenminste 10 jaar redelijkerwijs is te verwachten. Het bedrijf dient te voorzien in het hoofdinkomen van het bedrijfshoofd. De arbeidsbehoefte en –omvang dienen tenminste één arbeidskracht te omvatten die qua tijdsbesteding volledig (voltijds) werkzaam is en zal zijn in het bedrijf; Daarnaast exploiteert mijn cliënt een hoveniersbedrijf als nevenactiviteit. Deze nevenactiviteit wordt middels dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt (zie paragraaf 2.2).

De huidige bedrijfswoning met nummer 244 is in het verleden verkocht aan familieleden van de vader van de initiatiefnemer welke niet bij de bedrijfsvoering zijn betrokken. De betreffende woning is daarmee niet langer in gebruik als bedrijfswoning bij het bedrijf van de initiatiefnemer. Om de situatie goed te regelen in het bestemmingsplan wenst de initiatiefnemer de betreffende woning en de daarbij behorende bijgebouwen van het bedrijf kadastraal af te splitsen en om te schakelen naar een plattelandswoning. Het bestemmingsplan komt daarmee niet meer overeen met de feitelijke situatie, waardoor de initiatiefnemer het bestemmingsplan wil actualiseren. Daarmee wordt de feitelijke situatie weer in overeenstemming met het bestemmingsplan gebracht. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft, per brief van 17 februari 2020, aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

6

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 244 en 244a en ligt aan de noordkant van Ouderkerk aan den IJssel in het landelijk gebied van gemeente Krimpenerwaard. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Ouderkerk aan den IJssel, sectie A, nummers 3610, 3611, 4156, 4157, 4289, 4290, 4291 en 4292. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "IJsseldijk-Noord 2005" van de gemeente Krimpenerwaard, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2007, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemmingen 'Agrarisch gebied', 'Waterhuishoudkundige doeleinden' en 'Groendoeleinden berm' en de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'één bouwvlak vormend', 'bedrijfswoning' en 'karakteristieke bebouwing' van toepassing.

7

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan IJsseldijk-Noord 2005. Bron: Gemeente Krimpenerwaard. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. 8

9

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Krimpenerwaard. De locatie is gelegen in een bebouwingslint dat deel uitmaakt van het veenweidelandschap. De verkaveling van het landschap kenmerkt zich door lange smalle kavels die begrensd worden door watergangen. Het bebouwingslint kent een gemengd karakter met woonfuncties en (agrarische) bedrijfsfuncties. Aan weerszijden van de projectlocatie zijn burgerwoningen gelegen. Op de locatie is momenteel een schapen- en rundveehouderij gevestigd. Het bedrijf heeft een OBM voor het houden van 200 schapen en 35 stuks zoogkoeien. Deze vergunning is verleend op 5 november 2018. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning, diverse bedrijfsgebouwen en voer- en mestopslagen aanwezig. De nokrichting is evenwijdig aan de verkaveling. Het huidige totale bouwvlak ter plaatse (alle delen samen), welke onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf aan de IJsselijk Noord 244a, is ongeveer 0,69 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De woning met nummer 244 is in het verleden verkocht aan familieleden van de vader van de initiatiefnemer. Deze hebben geen relatie met het bedrijf van de initiatiefnemer, waardoor de betreffende woning niet langer in gebruik is als agrarische bedrijfswoning. De initiatiefnemer wenst deze situatie weer in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. De initatiefnemer exploiteert op de locatie een grondgebonden agrarisch bedrijf. De tekst op de website van de initatiefnemer geeft goed de activiteiten weer: "Hoeve Linquenda is een veelzijdig veehouderij bedrijf met daarnaast activiteiten in de groene en ecologische dienstverlening, dat geleid wordt door Ab en Tiny Vonk Noordegraaf- Kaptijn. Op onze boerderij hebben we Noord Hollander schapen en enkele vleeskoeien. De weilanden waar onze dieren de meeste tijd van het jaar op grazen is voor het grootste gedeelte natuurgebied. In dit gebied staat de weidevogel centraal. 10

Daarnaast krijgen ook andere flora en fauna uitgebreide aandacht, zodat wij bijdragen aan het in stand houden van de biodiversiteit. Met onze Noord Hollander schapen streven wij ernaar om goede nakomelingen te fokken die geschikt zijn om als fokooi of dekram verkocht te worden.Daarnaast wordt een deel van onze kudde gebruikt om vleeslammeren mee te fokken. Hierbij streven wij naar een goed lam met de beste kwaliteit vlees: fijn vlees met weinig vet. Het vlees van deze lammeren is bij ons te koop als vleespakket. De koeien die wij op dit moment hebben zijn een kruising tussen een roodbonte koe en een Belgische witblauwe. Ook hierbij streven we naar de beste kwaliteit vlees, wat bij ons te koop is als vleespakket. Naast de boerderij zijn wij actief in de groene en ecologische dienstverlening.U kunt hierbij denken aan advisering, maar ook de uitvoering is bij ons in goede handen. Of het nu gaat om een tuin, erf, park, (woon)boerderij of natuurgebied. Hiervoor bent u bij ons aan het juiste adres." Zie ook: https://hoevelinquenda.nl/ De hoofdactiviteiten zijn momenteel reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De nevenactiviteiten, zoals het hoveniersbedrijf (advies, ontwerp/beplantingsplannen, aanleg en onderhoud van tuinen) is op het grond van het bestemmingsplan nog niet toegestaan, maar wordt middels dit plan mogelijk gemaakt.

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse te voorzien in een doelmatig en toekomstbestendig bouwvlak. Daarnaast wenst de initiatiefnemer de woning met nummer 244 om te schakelen naar een plattelandswoning. De woning is niet meer in eigendom van de initatiefnemer en kan daardoor dus niet meer ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden ingezet. Hiermee wordt het huidige gebruik, waarbij de woning reeds in gebruik is voor bewoning door derden, positief bestemd. Ten slotte wenst de initiatiefnemer enkele nevenactiviteiten uit te voeren.

Situatietekening hoofdgebouw + bijgebouw van de plattelandswoning (huidige + toekomstige situatie in het bouwvlak) De hoofdactiviteit blijft het houden van 200 schapen en 35 stuks zoogkoeien. Hieraan wordt de meeste tijd besteed en zorgt voor de hoofdinkomsten van het bedrijf. Omdat het een kleinschalig bedrijf waar op een duurzame manier het vee wordt gehouden is er behoefte aan neveninkomsten. Deze nevenactiviteiten wenst de initiatiefnemer in de toekomst uit te gaan voeren om neveninkomsten te genereren. Daarmee waarborgt de initiatiefnemer een duurzame en toekomstbestendige bedrijfsvoering. Het gaat daarbij om de volgende nevenactiviteiten: Natuurbeheer, onder andere door extensieve begrazing. De runderen grazen in natuurgebieden en hebben zodoende een positieve invloed in het gebied; Hoveniersbedrijf, deze activiteiten bedragen 1 á 2 dagen per week. Deze activiteiten zijn altijd op 11

locatie van de klant en voorzien in het ontwerpen, uitvoeren en onderhouden van hoveniersactiviteiten. Machines die gebruikt worden bij het agrarisch bedrijf kunnen ook hier worden ingezet. Verkoop van eigen geproduceerde producten en streekproducten, waaronder producten die vrijkomen uit het natuurbeheer; Het ontvangen van mensen op het bedrijf in het kader van studiebijeenkomsten en educatieve doeleinden; Het realiseren van logeerkamers op de zolder van de stal voor verblijfsrecreatie; Met uitzondering van het ontvangen van mensen op het bedrijf in het kader van studiebijeenkomsten en educatieve doeleinden, zijn de activiteiten op grond van artikel 3.4.1 aan te merken als kleinschalige nevenactiviteiten. Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in een toekomstbestendig bouwvlak om het bedrijf op duurzame en volwaardige wijze te kunnen blijven uitvoeren, ook in de toekomst. Vooralsnog is geen sprake van het bouwen van nieuwe gebouwen en/of bouwwerken. Het gewenste bouwvlak zal met het deel van het agrarisch bouwvlak dat voorheen behoorde bij het agrarisch bedrijf van IJsseldijk Noord 244 een omvang krijgen van ongeveer 1 hectare. De feitelijke situatie is nu al het agrarisch bedrijf wordt geexploiteerd op twee agrarische bouwvlakken. De feitelijke situatie verandert derhalve niet.

Op een dergelijk bouwvlak heeft de initiatiefnemer voor nu en voor op termijn voldoende ruimte voor het uitvoeren van een duurzaam en volwaardig bedrijf. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies.

12

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 13

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Nationale Omgevingsvisie" (paragraaf 3.1.1). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 14

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Omgevingsvisie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan. Glastuinbouw en boom- en sierteelt worden alleen in de daarvoor toegewezen gebieden 15

toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van intensieve veehouderij, glastuinbouw en/of boom- en sierteelt. Het gewenste initiatief betreft geen uitbreiding van een schapen- en melkveehouderij. De historische bouwvlakken worden gemoderniseerd. Eventueel toekomstige bebouwing zal volgens de huidige of dan geldende duurzaamheids- en kwaliteitseisen worden gebouwd. Dit komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit ter plaatse. Het ruimtebeslag van de voorgenomen uitbreiding is relatief kleinschalig en beperkt. De toename van bebouwing in het buitengebied blijft daarmee eveneens beperkt. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart.

Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: De locatie is vanuit de laag van de ondergrond gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. Het buitengebied van Zuid-Holland is relatief plat. Binnen het relatief platte landschap zijn nog een aantal bijzondere natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. In het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' dienen ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand te houden. Daarnaast dienen, waar mogelijk, archeologische waarden herkenbaar te worden gemaakt bij nieuwe ontwikkelingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt de uitbreiding van het bouwvlak vrijwel geheel plaats in het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. De impact van de ontwikkeling op het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' blijft daarmee zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling heeft, mede omdat geen sprake is van het bouwen en/of slopen van bebouwing en geen bodemverstorende ingrepen plaatsvinden, geen nadelige gevolgen op het reliëf of de mogelijk voorkomende archeologische waarden in het betreffende gebied. Daarnaast staat de voorgenomen ontwikkeling de instandhouding van het reliëf en het herkenbaar maken van mogelijke archeologische waarden niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten voor het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. In het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen' heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van het gebied. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Bij ontwikkelingen in dit gebied dient het verschil tussen de komgronden en oeverwallen herkenbaar te blijven.

16

Ten opzichte van de huidige situatie wordt er geen bouwvlak vergroot maar 2 gescheiden bouwvlakken samengevoegd. De historische situatie wordt gemoderniseerd. De impact op het landschap is daarmee hetzelfde als nu ook mogelijk is. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een mogelijke aantasting van het herkenbare reliëf en/of het herkenbare verschil tussen de komgronden en oeverwallen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en/of een onevenredige aantasting van de herkenbaarheid van de landschappelijke elementen in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten voor het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: De locatie is vanuit de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'lint' en als 'veen(weide)landschap'. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Er zijn verschillende typen linten te onderscheiden. Het lint waarin de locatie is gelegen betreft een dijklint.

In een dijklint is de bebouwing op of tegen de dijk gelegen. Er is in het lint weinig ruimte voor uitbreiding van de bebouwing. Daarnaast dienen linten als onderscheidende bouwvorm herkenbaar te blijven in het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt de gewenste uitbreiding niet plaats in het lint, maar in de achtergelegen polder. In de huidige situatie is dit ook reeds toegestaan. Het lint zal daarmee met de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. De omschakeling van de bedrijfswoning naar plattelandswoning vindt wel plaats in het lint, maar daarbij wordt niet gebouwd en/of gesloopt. De structuur van het lint blijft in zijn geheel en ongewijzigd behouden. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten die zijn opgenomen voor linten. De structuur in de veen(weide)gebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst in deze gebieden.

Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van uitbreiding van het bouwvlak bij een bestaand agrarisch bedrijf maar om het toekomstbestendig maken van het bouwvlak voor een duurzaam en volwaardig bedrijf. De gewenste ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en wordt zodanig vormgegeven dat het verkavelingspatroon herkenbaar blijft in het landschap en niet wordt aangetast. Tevens is geen sprake van nieuwe bebouwing en/of sloop. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het veen(weide)gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. 17

Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een drietal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. De locatie is gelegen in het gebied met beschermingscategorie 3 'Buitengebied' De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) zal de emissie van ammoniak met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen.

Daarnaast zal, zoals beschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. De stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet toenemen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie, welke tegelijkertijd met de Omgevingsverordening is opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn in de Omgevingsverordening de volgende bepalingen opgenomen: "Artikel 6.18 Agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voorwaarden: a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; b. in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; c. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; d. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; e.

nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 6.15, 6.16 en 6.17, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m² per bedrijf; f. nieuwe boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 6.16, wordt uitgesloten; g. nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; h. verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; i. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; 18

j.

uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; k. nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een bestemmingsplan voorzien in een oppervlak van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m² kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits: a. tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat: in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; of een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid; b. de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd; c.

de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II; d. de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014; e. gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, geen reële mogelijkheid is; en f. de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad. 3. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: a. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; b. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en c. de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd." Het eerste lid bevat algemene bepalingen ten behoeve van (het uitvoeren van) agrarische bedrijven en is derhalve van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad.

6.18, lid 1, onder a: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van samenvoeging van twee agrarische bouwpercelen, zonder nieuwe bebouwing, om een toekomstbestendig en duurzaam bedrijf te kunnen waarborgen. Het bouwvlak krijgt een omvang van 1 hectare. Dit past ruimschoots binnen de maximaal toegelaten omvang van 2 hectare. Alle voorzieningen en alle bebouwing zal binnen het bouwperceel gelegen zijn. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder b: Er is geen sprake van samenvoeging van twee of meer bedrijven. Er is immers sprake van één inrichting. Tevens is een grotere omvang niet noodzakelijk. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder c: Middels deze ontwikkeling zal geen bebouwing worden toegevoegd. Twee aan elkaar grenzende bouwvlakken worden samengevoegd. Hierdoor wordt er niet meer mogelijk gemaakt dan nu reeds mogelijk is. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder d: 19

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe bedrijfswoningen en/of het toevoegen van extra wooneenheden. Wel zijn ter plaatse reeds twee bedrijfswoningen legaal aanwezig en vergund, waarbij de woning met nummer 244 wordt omgeschakeld naar een plattelandswoning. Dit betreft echter een reeds bestaande, legaal aanwezige bedrijfswoning. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van nieuwe woningen. Het aantal woningen zal daarmee niet toenemen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder e: Er is geen sprake van het oprichten van kassen. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder f: Er is geen sprake van boom- en sierteelt. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder g: Er is geen sprake van intensieve veehouderij, ook niet als neventak. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder h: Er is geen sprake van (verplaatsing van) een intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder i: Er is geen sprake van een uitbreiding en/of het in gebruik nemen van bebouwing voor een hoofdtak intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad.

6.18, lid 1, onder j: Er is geen sprake van een uitbreiding en/of het in gebruik nemen van bebouwing voor een neventak intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder k: Er is geen sprake van een geitenhouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande kan aan de voorwaarden uit het eerste lid worden voldaan. Het tweede lid gaat over het mogelijk maken van een grotere oppervlakte aan kassen bij een glastuinbouwbedrijf. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het tweede lid is daarom niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Het derde lid gaat over het uitvoeren van verbredingsactiviteiten bij een agrarisch bedrijf. De initiatiefnemer wenst mogelijk op termijn verbredingsactiviteiten uit te voeren. Het gaat daarbij om de volgende activiteiten: Natuurbeheer, onder andere door extensieve begrazing; Verkoop van eigen geproduceerde producten en streekproducten, waaronder producten die vrijkomen uit het natuurbeheer; Het ontvangen van mensen op het bedrijf in het kader van studiebijeenkomsten en educatieve doeleinden; Het realiseren van logeerkamers op de zolder van de stal voor het huisvesten van stagiairs en voor verblijfsrecreatie; Het bepaalde in het derde lid is daarmee van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad.

6.18, lid 3, onder a: 20

Er is vooralsnog geen sprake van nieuwe bebouwing. Mocht dit op termijn wenselijk zijn dan zal het bepaalde in artikel 6.18, lid 3, onder a en/of het bepaalde in het op dat moment geldende beleid in acht worden genomen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 6.18, lid 3, onder b: De voorgenomen activiteiten betreffen uitsluitend kleinschalige nevenactiviteiten bij een volwaardig agrarisch bedrijf. De inkomsten uit de nevenactiviteiten zijn aanzienlijk kleiner dan die uit de agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast zal ook de arbeidsintensiteit van de nevenactiviteiten aanzienlijk lager zijn dan die van het agrarisch bedrijf. Ten slotte zullen de nevenactiviteiten over en aanzienlijk kleinere oppervlakte plaatsvinden dan de agrarische activiteiten op de locatie. De nevenactiviteiten zijn daarmee op het gebied van inkomsten, arbeid en oppervlakte ondergeschikt aan de agrarische hoofdactiviteit. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 6.18, lid 3, onder c: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven en/of functies. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Gezien het voorgaande kan aan de voorwaarden uit het derde lid worden voldaan.

Zoals blijkt uit het voorgaande voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de regels die zijn gesteld ten behoeve van (het uitvoeren van) agrarische bedrijven. Voor omschakeling van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen. Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit de verordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen); 3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren). De erfdeling van het bedrijf volgt de bestaande structuur van het landschap. Het kavelpatroon en de aanwezige watergangen bepalen in belangrijke mate deze structuur. Ten behoeve van dit project is het niet noodzakelijk om bestaande watergangen te dempen.

Gelet op het voorgaande is er sprake van een zorgvuldige inpassing van het project waarbij voldoende aandacht is besteed aan beeldkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en zal een (zeer) beperkte impact hebben op de omgeving. De toetsing aan de kwaliteitskaart heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Omgevingsvisie Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.1). Daaruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Op de locatie is reeds de bestaande schapen- en rundveehouderij (zoogkoeien) aanwezig. De ontwikkeling past binnen de schaal van het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, die niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau en die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). 21

Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1, beschermingscategorie 2 en beschermingscategorie 3. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van specifieke waarden. De locatie is gelegen in het gebied met beschermingscategorie 3 'Buitengebied'. De voorgenomen ontwikkeling mag de waarden van het agrarisch landschap niet aantasten en evenmin de ruimtelijke kwaliteit op her gebied van het groene en open karakter niet verslechteren. Van beide is geen sprake. Er staan een aantal gezichtspunten centraal in de beoordeling van de beschermingscategorie. a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; Er is geen sprake van aantasting van de openheid van het landschap, omdat er geen aanvullende bebouwing wordt gerealiseerd met dit bestemmingsplan. Het doel is het afscheiden van een plattelandswoning en het creeëren van mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij het bestaande agrarische bedrijf. b.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; Deze ontwikkeling ziet op het aanbrengen van een wijziging op een agrarisch kavel. Desondanks is het een bestendiging van een reeds bestaande erfsituatie. Daarmee is op het erf al sprake van een agrarisch kavel. Dat is een functie die typerend is voor het buitengebied. c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; Er wordt met deze ontwikkeling geen groen verwijderd, zelf een gedeelte aan de wegzijde juist als groen bestemd. Daarmee wordt het groene karakter niet aangetast, maar juist versterkt. d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. De locatie heeft die typische kavelvorm die wordt gescheiden door een watergang. De ligging aan de dijk maakt afwatering van oudsher ook belangrijk, en die herkenbaarheid wordt niet aangetast met deze ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige aantasting van het landschap en/of de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg hebben. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard De gemeente Krimpenerwaard heeft op 25 oktober 2012 de Omgevingsvisie Krimpenerwaard vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft richting aan beleid, initiatieven en ontwikkelingen. De Omgevingsvisie richt zich vooral op initiatieven en ontwikkelingen die niet passen binnen de geldende bestemmingsplannen (straks Het Omgevingsplan Krimpenerwaard). Bij deze initiatieven, nieuwe ontwikkelingen of nieuw Beleid worden de volgende stappen doorlopen: 1. Past het bij de waarden van het gebied uit deel 2: Krimpener-waarden? 2. Past het bij de hoofdlijnen van de visie en de speerpunten uit deel 3: Visie en speerpunten? Deel 2: De IJsselstreek: Traditioneel, agrarisch en saamhorig De IJsselstreek is het gebied rond de Hollandsche IJssel, die ten oosten van Haastrecht de Krimpenerwaard binnen stroomt. Langs de Hollandsche IJssel liggen de kernen Haastrecht, Gouderak, Ouderkerk aan den Ijssel, de buurtschappen Boven-Haastrecht, Beneden-Haastrecht, Stolwijkersluis, 22

Lageweg en een aantal bedrijventerreinen. Ook de polders langs de Hollandsche IJssel horen bij dit deelgebied. Het deel tussen Krimpen aan den IJssel en Gouda heeft een ander karakter dan het deel tussen Gouda en Oudewater. Waarden IJsselstreek Eén lang woon- en werklint langs de IJssel met lange, smalle kavels vanaf de rivierdijk; Kleinschalige, slingerende rivier met hechte gemeenschappen; Vanaf de dijk uitzicht over het landschap. Eén lang woon- en werklint langs de IJssel met lange, smalle kavels vanaf de rivierdijk Langs de Hollandsche IJssel ligt tussen Gouda en Krimpen aan den IJssel een vrijwel aaneengesloten lint van woningen, boerderijen, bedrijfsgebouwen en bedrijventerreinen. Dit bebouwingslint heeft grotendeels een kleinschalig, landelijk en agrarisch karakter. Tussen de woonlinten liggen werkgebieden met een grootschaliger karakter. Langs de IJsseldijk is de bereikbaarheid een aandachtspunt. Verkeer moet over de dijk en door de kernen. Dit brengt risico’s met zich mee. Grotere bedrijven met meer verkeer zijn hier niet wenselijk. Wel liggen hier kansen om fijn te wonen in bijzondere woonmilieus. Dit is één van de gebieden waar het opwekken van duurzame energie mogelijk kansrijk is vanwege de ligging ten opzichte van het nabijgelegen hoogspanningsstation in Krimpen aan den IJssel.

De gemeente zet hier in op de volgende speerpunten: Speerpunt: vergroten verkeersveiligheid; Speerpunt: versterken van de linten; Speerpunt: een diverser woningaanbod; Speerpunt: duurzaam energie opwekken.

23

bron: Structuurvisie pagina 41 Voor deze ontwikkeling is het speerpunt versterken van de linten van belang. S p e e r p u n t : ve r s t e r k e n va n d e l i n t e n We willen de linten behouden voor de toekomst door ze te versterken. De linten zijn belangrijk voor het beeld van de Krimpenerwaard. De linten vertellen het verhaal van het ontstaan van de Krimpenerwaard door het ontginnen van het landschap. In de linten is zicht op het landschap belangrijk. Door ontwikkelingen in het buitengebied verandert het gebruik van bebouwing, erven en wegen. Ontwikkeling in de linten draagt bij aan het behoud van de linten. Bij voorkeur komen nieuwe functies (zoals wonen, recreatie en toerisme, andere agrarische verdienmodellen en duurzame ontwikkelingen) in bestaande (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing of in plaats van bestaande bebouwing. Nieuwe bebouwing versterkt de lokale identiteit. Ieder lint heeft zijn eigen karakter en kwaliteiten. Daarom zijn ontwikkelingsmogelijkheden per lint verschillend. W a a r z e t t e n we o p i n ? Toekomstgerichte linten. Duurzame agrarische ontwikkelingen (zoals circulaire/adaptieve landbouw, biodiversiteit); Kleinschalige opwek van duurzame energie op het erf; Haalbaarheid en toekomstperspectief van ontwikkelingen in het lint.

Ruimte voor ontwikkelingen in de linten die de kwaliteiten en identiteit van het betreffende lint behouden en versterken. Belangrijk hierbij is: 1. Wat passend en gebiedseigen is voor de plek en het lint zoals een passende maat en schaal; 2. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid; Omgevingskwaliteit zoals lucht, geluid, veiligheid, gezondheid, leefbaarheid; 24

Landschappelijke waarden zoals erfinrichting, kavelstructuur, openheid, doorzichten; Cultuurhistorische, monumentale en architectonische waarden; Herbestemming. Behoud van (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing door passende herbestemming (zoals wonen, recreatie en toerisme, andere agrarische verdienmodellen en duurzame ontwikkelingen). W e l k e o n t wi k k e l i n g e n s p e l e n e r ? Energietransitie; Ontwikkelingen in de landbouw zoals schaalvergroting, verbreding en bedrijfsbeëindigingen; Vrijkomend agrarisch vastgoed; De bevolking van Krimpenerwaard groeit. Het CBS verwacht dat de bevolking in ieder geval tot 2030 blijft groeien. Hierdoor neemt de vraag naar woningen toe. Conclusie: Deze ontwikkeling past in een duurzame agrarische ontwikkeling. De boerderij bestaat uit schapen en zoogkoeien van het ras Hereford. Deze koeien worden ingezet voor natuurbegrazing in de Krimpenerwaard en lopen vanaf het voorjaar tot diep in de herfst buiten. De kalfjes krijgen 100% natuurgras en kruiden. De groeisnelheid gaat langzaam hierdoor is het vlees van uitmuntende kwaliteit. Ook de schapen worden ingezet voor natuurbeheer. De nevenactiviteiten passen goed de ontwikkeling van verbreding. Het herbestemmen van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning past in de ontwikkeling van vrijkomend agrarisch vastgoed.

Hierdoor krijgt de bedrijfswoning een tweede leven en blijft het karakteristieke gebouw behorende bij de bedrijfswoning bewaard.

25

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van uitbreiding van het bouwvlak bij een schapen- en rundveehouderij. Echter zal bij de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend sprake zijn van het samenvoegen van de losse delen van het bouwvlak. Er is geen sprake meer van twee agrarische bedrijven maar van één agrarisch bedrijf met nevenactiviteiten. Voor de nevenactiviteiten die bij recht en onder voorwaarden zijn toegestaan is geen onevenredige hinder te verwachten. De grenzen van het bouwvlak komen niet dichterbij omliggende gevoelige objecten te liggen. Daarnaast is geen sprake van nieuwbouw en/of een toename van het aantal gehouden dieren. De richtafstand voor het fokken en houden van rundvee is 100 meter voor geur. Gelet op het feit dat sprake is van een niet rustig buitengebied (gemengd gebied) mag één afstandsstap terug worden genomen; dus 50 meter. De richtafstand geldt enerzijds tussen de grens van de agrarische bestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrije bouw mogelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=88ea92d0-a5e7-4d21-abfe-8a514365a37f