CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2a.toelichting en regels bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan IJsseldijk Noord 244 en 244a, Ouderkerk aan den IJssel32.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

46

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Krimpenerwaard. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "IJsseldijk-Noord 2005" van gemeente Krimpenerwaard en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Naar aanleiding van de periode van terinzagelegging als ontwerpbestemmingsplan, is de een Nota van Beantwoording van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen opgesteld. De Nota is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Als bijlage 4 is de Nota van beantwoording vooroverlegreacties toegevoegd.

47

5.3

Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Krimpenerwaard vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

48

Bijlagen bij de toelichting

49

Bijlage 1

Situatietekening op schaal

50

252a

252a

251a-251b 251

251

251c

251a-251b

251c

250

250

247-248

247-248

244a

244a

245

245

d Noor

d Noor

ldijk-

ldijk-

IJsse

IJsse

244

244

242

242

241

241 239

239

237

237 240

240

236a

236a

d oor k-N

235a

236

d oor -N dijk sel IJs

l se IJs

dij sel IJ s

l se IJs

e sch nd lla Ho

e sch nd lla Ho

236

235a

235

bestaande situatie

235

gewenste situatie Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal

www.dlvadvies.nl Benaming:

Situatietekening

Schaal:

Bestaande en gewenste situatie

Formaat:

1 : 1000

A2

DLV ADVIES

&RESULTAAT

Datum:

Opdrachtgever:

A.S. Vonk Noordegraaf IJsseldijk Noord 244a 2935 BP Ouderkerk aan den IJssel Telefoon: 06 - 49 49 79 62 Mobiel: info@hoevelinquenda.nl E-mail:

DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden

Bouwlocatie:

Projectleider:

IJsseldijk Noord 244 en 244a 2935 BP Ouderkerk aan den IJssel

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

E-mail:

13-07-2023

RD

Wijzigingen: A

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl

Marissa ten Hagen 06-82673662 m.tenhagen@dlvadvies.nl

05-06-2024

B

AvdR E F

C

G

D

H

Klantnummer:

308698

Werknummer:

B190072-92

Blad:

S10

Bijlage 2

Bodemonderzoek

52

RAPPORT Verkennend bodem- en asbestonderzoek IJsseldijk-Noord 244 te Ouderkerk aan den IJssel

Opdrachtgever

:

DLV Advies Lage Biezenweg 5a 4131 LV VIANEN

Projectnummer

:

21KL056

Datum

:

29 maart 2021

Auteur

:

ing. R.J. Wijma

Paraaf

:

Projectleider

:

Paraaf

:

ing. F.M. Bouma

Klijn Bodemonderzoek B.V. EG-Weg 1, 9636 HX Zuidbroek Telefoon 0598 – 23 20 35 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2

Rapport 21KL056

INHOUD 1.

BLAD

1.1. 1.2.

INLEIDING Algemeen Opbouw

3 3 3

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8. 2.9. 2.10.

VOORONDERZOEK Algemeen Ligging onderzoekslocatie Historisch en huidig gebruik Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie Bodemonderzoek Bodemkwaliteitskaart Toekomstig gebruik van het terrein Financieel/juridisch Regionale opbouw en geohydrologie Onderzoekshypothese

3 3 4 5 5 6 7 7 7 8 8

ONDERZOEKSPROGRAMMA

9

4.1. 4.2. 4.3.

BODEMGEGEVENS Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Samenstelling grondmengmonsters Concentratieberekening plaatmateriaal

11 11 11 12

5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES Meetgegevens grondwater Toetsingskader Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Uitsplitsing mengmonsters MM1 en MM4 Toelichting analyseresultaten

13 13 14 15 16 17 20

6.1. 6.2. 6.3.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES Samenvatting Conclusies en aanbevelingen Slotopmerking

22 22 23 24

2.

3. 4.

5.

6.

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

3

Rapport 21KL056

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van DLV Advies is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie IJsseldijk-Noord 244 te Ouderkerk aan den IJssel. De aanleiding tot het verkennend bodem- en asbestonderzoek vormt de geplande bestemmingswijziging van het perceel. Het doel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de grond, puin en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Klijn Bodemonderzoek B.V. is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6).

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (paragraaf 2.2) o historisch en huidig gebruik (paragraaf 2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10)

4

Rapport 21KL056

Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  Locatie-inspectie (d.d. 18 februari 2021);  Informatie opdrachtgever;  Gemeente Krimpenerwaard;  Omgevingsdienst Midden-Holland (d.d. 8 maart 2021)  Internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  Internetsite Dinoloket (https://dinoloket.nl);  Internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  Kadastrale kaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen. 2.2.

Ligging onderzoekslocatie Het perceel ligt aan de IJsseldijk-Noord 244 te Ouderkerk aan den IJssel en is kadastraal bekend als Gemeente Ouderkerk aan den Ijssel, sectie A, nr. 4290. De onderzoekslocatie betreft het hele kadastrale perceel en heeft een oppervlakte van 2.239 m2. De locatie bevindt zich aan de lintbebouwing langs de Hollandsche IJssel binnen de bebouwde kom van Ouderkerk aan den IJssel. In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving. Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving Onderzoekslocatie

In de omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk woningen (bebouwd gebied). Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5.

5 2.3.

Rapport 21KL056

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie aan de IJsseldijk-Noord 244 te Ouderkerk aan den IJssel heeft een oppervlakte van circa 2.239 m². Het perceel is direct naast het Hollandsche IJssel gelegen, waarbij een gedeelte van het maaiveld, hoger ligt op de dijk. Het perceel is bebouwd met een woning met daaraan vast een schuur, welke is gerealiseerd omstreeks 1950. In het verleden was de locatie in gebruik als veehouderijbedrijf. Achter de schuur is een overkapping aanwezig. Aan de voorzijde van het perceel, aan de zijde van de openbare weg, is een schuur aanwezig welke is gerealiseerd omstreeks 1881. Op de schuur liggen asbesthoudende golfplaten zonder een dakgoot. Aan de voorzijde is er een betonverharding aanwezig. Aan de voorkant van de woning bevindt zich de tuin welke in gebruik is als grasveld en direct rondom de woning bevindt zich grind. Naast de woning bevindt zich de inrit, welke deels is verhard middels klinkers en deels met puin/grind en beton. De kwaliteit van het puin en grind in de oprit is niet bekend. Van het materiaal zijn geen kwaliteitscertificaten beschikbaar. Aan de noord en oostkant van het perceel is een sloot gelegen, deze is onderhavige onderzoek niet onderzocht.

Uit de informatie, welke is verkregen uit het historisch onderzoek conform NEN 5725, is tevens gebleken dat over de aanwezigheid van onder- of bovengrondse opslagtanks of in het verleden uitgevoerde dempingen geen gegevens bekend zijn. Tevens is niet bekend of op de onderzoekslocatie in het verleden een bodemonderzoek is uitgevoerd.

2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: woning met tuin - Oostzijde: agrarisch erf en/of bedrijfsterrein - Zuidzijde: woning met tuin - Westzijde: IJsseldijk-Noord en Hollandsche IJssel De activiteiten die plaatsvinden en/of plaats hebben gevonden op de belendende percelen worden weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Activiteiten die plaatsvinden / plaats hebben gevonden op de belendende percelen Adres

Historische activiteit

Periode

IJsseldijk-Noord 244a

Demping met baggerspecie tank (onbekend)

1975 onbekend

IJsseldijk-Noord 242

Bovengrondse dieseltank 2.000 l Erfverharding Gedempte sloot Veehouderij

onbekend onbekend onbekend onbekend

IJsseldijk-Noord 250

Ondergrondse dieseltank

onbekend

Vooralsnog wordt niet verwacht dat de activiteiten van de belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie.

6 2.5.

Rapport 21KL056

Bodemonderzoek Voor zover bekend is er niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie en/of directe omgeving. IJsseldijk-Noord In 2017 is aan het tracé van de IJsseldijk-Noord door Grondslag een historisch onderzoek, met kenmerk 25916 d.d. 13 maart 2017, verricht. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie een veehouderij gevestigd was. Daarnaast bleek dat er in om omliggende adressen een aantal (verdachte) activiteiten waren, zie hiervoor tabel 1. IJsseldijk-Noord 242 Aan de IJsseldijk-Noord is door Verhoeve Milieu b.v. in 2001 een verkennend bodem- en nader bodemonderzoek uitgevoerd met kenmerk 351902, d.d. 1 oktober 2001. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat: Verkennend bodemonderzoek Omgeving loods/stal Ter plaatse van de loods/stal is in de bovengrond een sterk verhoogd gehalte aan PAK geconstateerd. Daarnaast zijn matig verhoogde gehalten aan minerale olie, lood en zink aangetoond. Verder zijn er licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper en kwik aangetoond. Omgeving stal en loods/stal In de omgeving van de stal en loods/stal is naast licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, kwik, zink, PAK, EOX en minerale olie, een matig verhoogd gehalte aan lood geconstateerd in de bovengrond. In de ondergrond zijn licht verhoogd gehalten aan koper, kwik, lood, PAK en EOX geconstateerd.

De noordelijke rand van de locatie In de bovengrond is een matig verhoogd gehalte aan koper en zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, PAK, EOX en zink aangetoond. Omgeving schuur In de bovengrond is naast licht verhoogde gehalten aan arseen, cadmium, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en minerale olie, een matig verhoogd gehalte aan koper geconstateerd. Omgeving machineschuur en caravan In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan koper geconstateerd. In het grondwater is ter plaatse van de stal een licht verhoogd aan xylenen geconstateerd. Ter plaatse van de bovengrondse olietank is in het grondwater naast een licht verhoogd gehalte aan naftaleen, een matig verhoogd gehalte aan minerale olie geconstateerd. Ter plaatse van de slootdemping zijn sterk verhoogde gehalten aan minerale olie en lood aangetroffen. Daarnaast zijn er licht tot matig verhoogde gehalten aan vluchtige aromatische koolwaterstoffen geconstateerd. Verder zijn er in de slootdemping licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond in het grondwater. Ter plaatse van het weiland zijn in het grondwater licht verhoogde gehalten aan chroom en minerale olie aangetoond. Ter plaatse van de machine schuur is een matig verhoogd gehalte aan chroom en een licht verhoogde gehalten aan arseen, nikkel en minerale olie aangetoond.

7

Rapport 21KL056

Nader bodemonderzoek Tijdens het nader bodemonderzoek zijn de matig tot sterk verhoogde gehalten uit het verkennend onderzoek nader onderzocht. Erf Ter plaatse van het erf zijn licht tot zeer sterk verhoogde waarden gemeten aan zware metalen, PAK, EOX en minerale olie. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat de verontreinigingen in de bovengrond van het erf heterogeen verspreid zijn. De omvang van de verontreiniging, kan niet exact worden in kaart worden gebracht, in ieder geval gaat het om een ernstig geval groter dan 25 m3. Omgeving bovengrondse tank in de schuur Het aangetroffen matig verhoogd gehalte aan lood is niet meer geconstateerd. Er zijn alleen licht verhoogde gehalten aan koper en kwik geconstateerd. Machine schuur Ter plaatse van de machine schuur is het matig verhoogde aan chroom niet meer geconstateerd. Het grondwater was alleen nog maar licht verhoogd met chroom. Bovengrondse olietank in de schuur De verontreiniging met minerale olie uit verkennend bodemonderzoek is niet meer geconstateerd. De verontreiniging ter plaatse van de tank en slootdemping zijn niet gerelateerd aan elkaar. De exacte omvang van de grondwater verontreiniging kon worden vastgesteld.

De sloot demping is verder in het nader onderzoek niet onderzocht vanwege een bodembeheerovereenkomst Verder zijn er aan de IJsseldijk-Noord 242 nog een aantal onderzoekrapporten bekend, echter is ten tijde van het opstellen van onderhavige rapportage de inhoudelijke resultaten van ondergenoemde rapporten niet bekend. In 2003 is door Amos Milieutechniek een nader onderzoek verricht met kenmerk 03.21.002.BC.04.MG,d.d. 15 juli 2003. In 2014 is een verkennend onderzoek door Grondslag B.V. verricht met kenmerk 22661, d.d. 30 september 2014. Hierop volgend is in 2016 wederom door Grondslag B.V. een nader onderzoek verricht met hetzelfde kenmerk 22661, d.d. 25 augustus 2016. Vooralsnog wordt niet verwacht dat de aangetroffen gehalten in de uitgevoerde bodemonderzoeken op belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. 2.6.

Bodemkwaliteitskaart Uit gemeentelijke informatie is gebleken dat de bovengenoemde locatie binnen zone 11 (Dijkbebouwing Krimpenerwaard) van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart ligt. In deze zone worden in de boven- en ondergrond licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PAK aangetroffen. Op basis van de 95-percentielwaarden kunnen in de boven- en ondergrond maximaal boven de interventiewaarden worden verwacht.

2.7.

Toekomstig gebruik van het terrein De bestemming van de onderzoekslocatie zal worden gewijzigd. Het voornemen is om de bestemming te wijzigingen naar een woonbestemming.

2.8.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

8 2.9.

Rapport 21KL056

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Regionale bodemopbouw diepte m-mv

0 – 12,5 12,5-23,5 23,5-36,8 36,8– 43,8 43,8 +

doorlatendheid

formatie

opmerking

matig goed goed matig matig

Holocene afzettingen formatie van Kreftenheye formatie van Urk formaties van Peize en Waalre formatie van Waalre

Zandig klei, midden, fijn zand, klei en veen Midden en grof zand, fijn zand en grind Midden en grof zand Midden, fijn en grof zand, weinig zandige klei Zandige klei, klei en midden zand

Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie ligt tussen 3 m+ en 1,8m- NAP. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt voornamelijk beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en watergangen. De stromingsrichting van het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is vermoedelijk in oostelijke richting. De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket heeft een noordwestelijke richting 2.10.

Onderzoekshypothese Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, voorafgaand aan de uitvoering van het veld- en laboratoriumonderzoek, op basis van de verkregen informatie een hypothese te worden opgesteld. Het betreft hierbij een aanname met betrekking tot het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op de te onderzoeken locatie. Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 Druppelzone schuur Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie (druppelzone) beschouwd als “verdachte” locatie ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest in de toplaag.

Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kgds= 50 mg/kgds). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest onverdacht met een verdachte toplaag” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.

9

Rapport 21KL056

Puin/grindpad Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5798. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “onverdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of de geldende interventiewaarde. Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kgds= 50 mg/kgds). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest onverdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie onderverdeeld in drie deellocaties: 1. Overig terrein (ca. 2.239 m²), 2. Druppelzone schuur (ca. 25 m2), 3. Puin/grindpad (60 m2).

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met diffuse bodembelasting (VED-HE-NL) is gehanteerd. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met enige spreiding in de analyseresultaten evenals de ruimtelijke verdeling van de verontreinigde stof(fen) binnen de onderzoekslocatie. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 Druppelzone schuur De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.4) voor verdachte toplaag met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern.

Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen boven de grenswaarde dan wel onder 0,5 maal de interventiewaarde. Puin/grindpad De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat (NEN 5897, paragraaf 6.5.3.3) voor kleinschalige onverdachte locaties. Volgens de NEN 5897+C1 (versie augustus 2016, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in het granulaat concentraties aan asbest worden aangetroffen onder 0,5 maal de interventiewaarde.

10

Rapport 21KL056

Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses (deel-)locatie

oppervlakte m2

monsternamepunten1)

Chemische analyses grond2) grondwater3)

Overig terrein, boringen 1 t/m 14

2.239

11 boringen tot 0,5 m-mv 2 boringen tot 2,0 m-mv 1 boring met peilbuis

3 x NEN-bovengrond 1 x NEN-ondergrond

1 x NEN-grondwater

Druppelzone schuur, gaten 101 t/m 108

25

8 gaten4) tot 0,5 m-mv

1 x asbest in grond

n.v.t.

Puin/grindpad, gaten 201 t/m 204

60

4 gaten/boringen4) tot 1,0 m-mv

1 x asbest in puin/granulaat

n.v.t.

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) NEN-grond =

zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK -VROM vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen 4) inspectiegaten = minimaal 0,3 m bij 0,3 m 3) NEN-grondwater = zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn);

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratorium van AL-West B.V. te Deventer. AL-West B.V. beschikt over een accreditatie volgens NEN-ENISO 17025.

11

Rapport 21KL056

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 18 februari 2021 een veldonderzoek uitgevoerd door J.A. Post (erkend monsternemer volgens certificaat K44009) en R.J. Wijma (monsternemer in opleiding). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 28% waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is de grond is gemeten.

Op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen, geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten ter plaatse van de druppelzone handmatig gegraven 50 bij 50 centimeter tot 0,1 m-mv. Daarna zijn de gaten doorgezet tot 0,5 m-mv met afmeting van 30 bij 30 centimeter. De inspectiegaten ter plaatse van het puin/grindpad zijn handmatig gegraven 30 bij 30 cm tot 0,5 m-mv. Daarna zijn de gaten (onder het puin) doorgezet tot 1,0 m-mv met een edelman boor met een diameter van 12 centimeter. De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over de betreffende deellocaties. Het onderzoeksgebied bestaat uit twee RE`s. De opgegraven grond en/of puin uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op 95%. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is geen asbestverdacht materiaal geconstateerd. De overige veldwaarnemingen zijn samengevat in tabel 4. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 4: Veldwaarnemingen

4.2.

Boring/gat

Traject (m-mv)

Waarneming

201 t/m 204

0,0-0,5

volledig grind, resten baksteen, resten beton

Samenstelling grondmengmonsters Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd voor chemische analyse. Bij het samenstellen van de grondmengmonsters is als uitgangspunt gehanteerd dat een mengmonster kan worden samengesteld uit individuele grondmonsters, indien het bodemmateriaal min of meer dezelfde samenstelling heeft. De samenstelling van de grond(meng)monsters is vermeld in tabel 5.

12

Rapport 21KL056

Tabel 5: Samenstelling grond(meng)monsters

4.3.

Grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

NEN 5740 Overig terrein MM1 MM2 MM3 MM4

1 t/m 4 5 t/m 8 9+10+12+13 1 t/m 3

0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,5-2,0

-

NEN 5707 Druppelzone schuur RE1

101 t/m 108

0,0-0,1

-

NEN 5897 Puin/grind pad RE2

201 t/m 204

0,0-0,5

Volledig grind, resten baksteen, resten beton

Concentratieberekening plaatmateriaal Voor het berekenen van het gehalte asbestmateriaal in grond, met een diameter groter dan 20 mm, is het noodzakelijk om de door het laboratorium gerapporteerde gehalten te corrigeren aan de inspectie efficiëntie en de massa van het uitgegraven materiaal. Het gehalte wordt berekend met de onderstaande formule. Cm,i = ∑ (Mk x %k,i / 100) / Mlok Cm,i = het gehalte asbest per asbestsoort is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen, in mg/kg ds.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in mg; %k,i = het percentage asbest van het asbestsoort i in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op de locatie, in kg.

Gezien het feit dat een groot monster is geïnspecteerd, is weging van het monster niet mogelijk waardoor het drooggewicht van het monster is afgeleid van de volgende formule. Mlok = (1000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva V = het volume van de geïnspecteerde deelpartij in m³; Ns = het stortgewicht van het materiaal, in kg/dm³; %E = een schatting van de inspectie efficiëntie, in %; Ma = de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva = de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg.

Formeel dient de bulkdichtheid (ns) van het materiaal worden bepaald conform NEN 5926, echter op basis van ervaringscijfers kan worden aangenomen dat het gewicht van het materiaal (puin en grond) is gelegen tussen de 1,5 en 1,9 ton/m³. In onderhavig onderzoek is een bulkdichtheid van 1,65 ton/m³ aangehouden. Tijdens het onderzoek is gerekend met een inspectie efficiëntie van 95%. Ten tijde van het onderzoek voldeden de weersomstandigheden aan de gestelde randvoorwaarden voor asbestonderzoek. Dit betekent: o het maaiveld is vrij inspecteerbaar; o het maaiveld is droog, vorstvrij en onbesneeuwd; o geen regenval van meer dan 100mm/h; o geen hagel of sneeuwval; o onderzoek is uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang; o geen mist met een zicht van minder dan 50 meter. Gezien het feit dat in de opgeboorde/opgegraven grond en puin geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is in onderhavig onderzoek geen concentratie berekening uitgevoerd.

13

Rapport 21KL056

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES

5.1.

Meetgegevens grondwater Voordat de peilbuis is bemonsterd, is de waterstand in de peilbuis gemeten. Tevens zijn het elektrisch geleidingsvermogen (EC), troebelheid (NTU) en de zuurgraad (pH) van het water bepaald. De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk, gefiltreerd en geconserveerd. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5744. De resultaten van de metingen zijn weergegeven in tabel 6. De watermonstername is op 25 februari 2021 uitgevoerd door J.A. Post (erkend monsternemer volgens certificaat K44009). Tabel 6: Meetgegevens grondwater Peilbuis

01

Filterdiepte

Waterstand

m-mv

m-mv

2,0-3,0

1,38

zuurgraad (pH)

elektrisch geleidingsvermogen µS/cm

Troebelheid NTU

Afgepompt liter

Toestroming

Monster belucht?

6,8

2.380

12,03

8

matig

nee

De gemeten pH en EC zijn normale waarden voor een natuurlijke situatie in deze omgeving. In het grondwater is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). Het grondwater heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is het grondwater zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤0,1 l/min) afgepompt voorafgaand aan de bemonstering, zodat de grondwaterstand slechts gering is gedaald tijdens het afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens de monsterneming. Tevens wordt aangenomen dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrix-storingen bij de analyse en ab- en adsorptie van organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. De meetresultaten van het grondwater hebben geen aanleiding gegeven tot het bijstellen van het onderzoeksprogramma.

14 5.2.

Rapport 21KL056

Toetsingskader Om de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst aan de richtlijnen die zijn opgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). Ten behoeve van deze toetsing wordt gebruik gemaakt van de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarde. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wèl en waaronder géén sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.

In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt (overschrijding voormalige tussenwaarde). Afhankelijk van de specifieke situatie kan dit aanleiding geven voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek.

Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de toetsing worden de gemeten gehalten aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organische stof en lutum met BOTOVA-gevalideerde software omgerekend naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden vergeleken met de vaste normwaarden. Door een aantal wijzigingen in de Regeling Bodemkwaliteit zijn per 1 april 2009 de normen voor barium in grond tijdelijk buiten werking gesteld. Als blijkt dat verhoogde gehalten aan barium worden veroorzaakt door antropogene bronnen, kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen aan de voormalige interventiewaarden. Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter vanuit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000).

15 5.3.

Rapport 21KL056

Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 De resultaten zijn getoetst aan het integrale beleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat). De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Met “gewogen” wordt bedoeld de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest. Indien de grens van 0,5 maal de interventiewaarde van 100 mg/kg ds. (= 50 mg/kg d.s) aan asbest wordt overschreden is nader onderzoek gewenst. In tabel 7 is de totale hoeveelheid asbest in grond en puin opgenomen. In de analyserapporten (bijlage 3) zijn de gemeten concentraties aan asbest in de fijne fractie (delen kleiner dan 20 mm) weergegeven. Tabel 7: Totale hoeveelheid asbest in mg/kg ds. per RE Monster

Omgerekend gewicht asbest in mg/kg ds.

Geanalyseerd gewicht asbest in mg/kg ds.

Totaal gewicht asbest in mg/kg ds.

Druppelzone schuur RE1

n.v.t.

42

42

Puin/grindpad RE2

n.v.t.

20

20

De norm schrijft voor dat er circa 10 g materiaal <500 μm (wat ongeveer overeenkomt met 0,1 % w/w bij een totaal van 10 kg) onderzocht dient te worden op de aanwezigheid van losse vezels (microscopisch klein), enkel indien er niet-hechtgebonden asbest wordt aangetroffen in de bovengelegen (grotere fracties). Deze gehalten worden onderzocht met behulp van een SEM analyse. In het, met de optische lichtmicroscoop, onderzochte deel van het grondmonster RE1, van de fractie <500 μm is een aantal van 5 asbestverdachte vezels chrysotiel aangetroffen. Daarnaast is er 38 mg/ kg ds in de fractie >20 mm aan niet-hechtgebonden asbest aangetroffen. Na een aanvullende SEM analyse voor RE1 is gebleken dat er <1,3 mg kg ds respirabele vezels (fractie <500 μm) zijn aangetroffen. Gezien het feit er ter plaatse van het puin/grindpad geen niet-hechtgebonden asbest is aangetroffen is de fractie <500μm bij de monsters niet onderzocht.

16 5.4.

Rapport 21KL056

Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 In bijlage 4 zijn de toetsingstabellen opgenomen met alle analyseresultaten, de omgerekende analyseresultaten (GSSD) en de bijbehorende toetsingsresultaten (waarden kleiner dan de detectielimiet zijn niet omgerekend). Tevens is in de toetsingstabel de indicatieve waarde voor hergebruik, conform de toetsing Besluit Bodem Kwaliteit, opgenomen. In de tabellen 8 en 9 wordt een samenvatting weergegeven van de toetsingsresultaten van respectievelijk grond en grondwater. De analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 8: Samenvatting toetsingsresultaten grond(meng)monsters (gehalten in mg/kg ds., tenzij anders vermeld) MM1 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 1 t/m 4

MM2 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 5 t/m 8 MM3 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 9+10+12+13

MM4 (0,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 1 t/m 3

AW I GSSD T-index Toets oordeel Toetsing BBK Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

Parameters

Resultaat GSSD

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) som 10 PAK som 7 PCB overige parameters NEN-pakket

0,64 0,34 9,8 290 26 1,8 230 780

0,69 0,44 34,1 516 75,2 1,8 292 1114 1,95 78,7 -

0,6 0,15 15 140 35 1,5 50 40 1,5 20 -

13 36 190 720 100 190 530 190 40 1000 -

0,0073 0,008 0,1 0,65 0,62 0,0016 0,5 7,16 0,012 0,06 -

> AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > T en <= I > T en <= I > AW en <= T > AW en <= T >I > AW en <= T > AW en <= T < AW

Wonen Wonen Wonen Industrie Industrie Wonen Industrie

2,49

1,5 -

40 -

0,026 -

> AW en <= T < AW

Wonen <Achtergrondwaarde

-

som 10 PAK overige parameters NEN-pakket

Wonen Industrie <Achtergrondwaarde

Kwik (Hg) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Lood (Pb) Koper (Cu) som 10 PAK overige parameters NEN-pakket

0,16 10 130 29 68 27

0,2 23,1 227 60,4 91,3 42,3 3,06

0,15 15 140 35 50 40 1,5 -

36 190 720 100 530 190 40 -

0,0014 0,046 0,15 0,39 0,086 0,015 0,04 -

> AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T < AW

Wonen Wonen Industrie Industrie Wonen Wonen Wonen <Achtergrondwaarde

Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) som 10 PAK overige parameters NEN-pakket

11 150 35

23,8 221 69,2 2,15

15 140 35 1,5 -

190 720 100 40 -

0,05 0,14 0,53 0,017 -

> AW en <= T > AW en <= T > T en <= I > AW en <= T < AW

Wonen Industrie Industrie Wonen <Achtergrondwaarde

Achtergrondwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Achtergrondwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' Indicatieve waarden voor hergebruik van de geanalyseerde grond, conform toetsing Besluit Bodem Kwaliteit GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK som 10

17

Rapport 21KL056

Tabel 9: Samenvatting toetsingsresultaten grondwatermonster (gehalten in µg/l, tenzij anders vermeld) Peilbuis 1 Filterstelling: 2,0-3,0 m-mv

SW I GSSD T-index Toets oordeel Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

5.5.

Parameters

Resultaat GSSD

SW

I

T index

Toets oordeel

Barium (Ba) overige parameters NEN-pakket

200 -

50 -

625 -

0,26 -

> SW en <= T < SW

200 -

Streefwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Streefwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' GStandaard < SW GStandaard ligt tussen de SW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de streefwaarden zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen

Uitsplitsing mengmonsters MM1 en MM4 In mengmonster MM1 van de bovengrond zijn naast licht verhoogde gehalten aan cadmium, kwik, kobalt, molybdeen, lood, PAK en PCB, matig verhoogde gehalten aan zink en nikkel en is een sterk verhoogd gehalte aan koper geconstateerd. In mengmonster MM4 van de ondergrond is naast licht verhoogde gehalten aan kobalt, zink en PAK, een matig verhoogd gehalte aan nikkel geconstateerd. Om na te gaan wat het gehalte per deelmonster van mengmonster MM1 aan zink, nikkel en koper is, is besloten de deelmonsters van MM1 separaat te laten analyseren op zware metalen. Om na te gaan wat het gehalte per deelmonster van mengmonster MM4 aan nikkel is, is besloten de deelmonsters van MM4 separaat te laten analyseren op het gehalte aan nikkel. De samenstelling van de grondmonsters is vermeld in tabel 10. De tabellen 11 en 12 geven een overzicht van de toetsingsresultaten van de grondmonsters. In bijlage 3 zijn de analyserapporten van de grondmonsters opgenomen. Tabel 10: Samenstelling grondmonsters Oorspronkelijk grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

MM1

1 (M5) 2 (M6) 3 (M7) 4 (M8)

0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5

-

MM2

1 (M9) 1 (M10) 1 (M11) 2 (M12) 2 (M13) 2 (M14) 3 (M15) 3 (M16) 3 (M17)

0,5-1,0 1,0-1,5 1,5-2,0 0,5-1,0 1,0-1,5 1,5-2,0 0,5-1,0 1,0-1,5 1,5-2,0

-

18

Rapport 21KL056

Tabel 11: Samenvatting toetsingsresultaten grond(meng)monsters (gehalten in mg/kg ds., tenzij anders vermeld)

M5 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 1

M6 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 2

M7 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 3

M8 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 4

Parameters

Resultaat GSSD

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Barium (Ba) Kwik (Hg)

0,47 170 25 < 1,5 96 46 9,8 120 0,26

0,5 303 72,3 1,05 122 65,7 34,1 459 0,34

0,6 140 35 1,5 50 40 15

13 720 100 190 530 190 190

-1 0,28 0,57 -1 0,15 0,17 0,1

<= AW > AW en <= T > T en <= I <= AW > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T

<= Achtergrondwaarde Industrie Industrie <= Achtergrondwaarde Wonen Industrie Wonen

0,15

36

0,0053

> AW en <= T

Wonen

Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Barium (Ba) Kwik (Hg)

0,72 270 20 < 1,5 210 73 6,3 170 0,41

0,78 481 57,9 1,05 266 104 21,9 651 0,53

0,6 140 35 1,5 50 40 15

13 720 100 190 530 190 190

0,015 0,59 0,35 -1 0,45 0,43 0,039

> AW en <= T > T en <= I > AW en <= T <= AW > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T

Wonen Industrie Industrie <= Achtergrondwaarde Industrie Industrie Wonen

0,15

36

0,01

> AW en <= T

Wonen

Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Barium (Ba) Kwik (Hg)

0,61 260 27 < 1,5 170 52 12 180 0,29

0,66 463 78,1 1,05 216 74,3 41,7 689 0,38

0,6 140 35 1,5 50 40 15

13 720 100 190 530 190 190

0,0048 0,56 0,66 -1 0,35 0,23 0,15

> AW en <= T > T en <= I > T en <= I <= AW > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T

Wonen Industrie Industrie <= Achtergrondwaarde Industrie Industrie Industrie

0,15

36

0,0064

> AW en <= T

Wonen

Cadmium (Cd) Zink (Zn) Nikkel (AS3000) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Kobalt (Co) Barium (Ba) Kwik (Hg)

0,7 370 21 1,7 190 66 8,2 150 0,39

0,76 659 60,7 1,7 241 94,3 28,5 574 0,5

0,6 140 35 1,5 50 40 15

13 720 100 190 530 190 190

0,013 0,89 0,4 0,001 0,4 0,36 0,077

> AW en <= T > T en <= I > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T

Wonen Industrie Industrie Wonen Industrie Industrie Wonen

0,15

36

0,0098

> AW en <= T

Wonen

19

Rapport 21KL056

Tabel 12: Samenvatting toetsingsresultaten grond(meng)monsters (gehalten in mg/kg ds., tenzij anders vermeld) Parameters

Resultaat GSSD

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

M9 (0,5-1,0 m-mv) Samenstelling: 1

Nikkel (AS3000)

19

37,6

35

100

0,04

> AW en <= T

Wonen

M10 (1,0-1,5 m-mv) Samenstelling: 1

Nikkel (AS3000)

31

61,3

35

100

0,4

> AW en <= T

Industrie

M11 (1,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 1

Nikkel (AS3000)

41

81,1

35

100

0,7

> T en <= I

Industrie

M12 (0,5-1,0 m-mv) Samenstelling: 2

Nikkel (AS3000)

30

59,3

35

100

0,37

> AW en <= T

Industrie

M13 (1,0-1,5 m-mv) Samenstelling: 2

Nikkel (AS3000)

42

83,1

35

100

0,74

> T en <= I

Industrie

M14 (1,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 2

Nikkel (AS3000)

31

61,3

35

100

0,4

> AW en <= T

Industrie

M15 (0,5-1,0 m-mv) Samenstelling: 3

Nikkel (AS3000)

31

61,3

35

100

0,4

> AW en <= T

Industrie

M16 (1,0-1,5 m-mv) Samenstelling: 3

Nikkel (AS3000)

33

65,3

35

100

0,47

> AW en <= T

Industrie

M17 (1,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 3

Nikkel (AS3000)

32

63,3

35

100

0,44

> AW en <= T

Industrie

AW I GSSD T-index Toets oordeel Toetsing BBK Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 -

Achtergrondwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Achtergrondwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' Indicatieve waarden voor hergebruik van de geanalyseerde grond, conform toetsing Besluit Bodem Kwaliteit GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden

20 5.6.

Rapport 21KL056

Toelichting analyseresultaten Op basis van de veldwaarnemingen en de analyseresultaten kan de bodemkwaliteit als volgt worden toegelicht: Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 Druppelzone schuur In de opgegraven en bemonsterde grond ter plaatse RE1 zijn zintuigelijk geen asbest verdachte materialen waargenomen. Analytisch (42 mg/kg droge stof) zijn wel asbest verdachte materialen aangetoond. Na een aanvullende SEM-analyse is gebleken dat er <1,3 mg/kg droge stof respirabele vezels aangetoond. Puin/grindpad In de opgegraven puin en bemonsterde puin ter plaatse van RE2 zijn zintuigelijk geen asbest verdachte materialen waargenomen. Analytisch (20 mg/kg droge stof) zijn wel asbest verdachte materialen aangetoond. De gewogen asbestconcentratie van RE1 en RE2 (42 en 20 mg/kg ds.) liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.). Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Grond, overig terrein In mengmonster MM1 (0,0-0,5 m-mv) zijn de gehalten aan cadmium, kwik, kobalt, molybdeen, koper, PAK en PCB verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast zijn de gehalten aan zink en nikkel verhoogd aangetoond ten opzichte van de tussenwaarden.

Tevens is het gehalte aan koper verhoogd aangetoond ten opzichte van de interventiewaarde In mengmonster MM2 (0,0-0,5 m-mv) is het gehalte aan PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In mengmonster MM3 (0,0-0,5 m-mv) zijn de gehalten aan kwik, kobalt, zink, nikkel, lood, koper en PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In mengmonster MM4 (0,5-2,0 m-mv) zijn de gehalten aan kobalt, zink en PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast is het gehalte aan nikkel verhoogd aangetoond ten opzichte van de tussenwaarde. Na separate analyse van deelmonsters van mengmonster MM1 van de bovengrond op zware metalen is gebleken dat: In monster M5 (boring 1: 0,0-0,5 m-mv) is naast verhoogde gehalten aan enkele zware metalen ten opzichte van de achtergrondwaarden, een verhoogd gehalte aan nikkel ten opzichte van de tussenwaarde aangetoond. In monsters M6 (boring 2: 0,0-0,5 m-mv) en M8 (boring 4: 0,0-0,5 m-mv) zijn naast enkele verhoogde gehalten aan zware metalen ten opzichte van de achtergrondwaarden, verhoogde gehalten aan zink ten opzichte van de tussenwaarde aangetoond. In monster M7 (boring 3: 0,0-0,5 m-mv) zijn naast verhoogde gehalten aan zware metalen ten opzichte van de achtergrondwaarden, verhoogd gehalten aan zink en nikkel ten opzichte van de tussenwaarde aangetoond.

21

Rapport 21KL056

Opvallend is dat het geanalyseerde gehalte aan koper in MM1 boven de interventiewaarde niet is bevestigd tijdens de separate analyse van de deelmonsters M5 t/m M8. Vermoed wordt dat tijdens het analyseproces bij MM1 een koper deeltje is meegenomen waardoor het gehalte onbedoeld hoger is gerapporteerd dan daadwerkelijk aanwezig in de bodem. Hierdoor wordt verwacht dat de gehalten aan koper tijdens de heranalyse van de deelmonsters M5 t/m M8 de juiste waarden zijn. Na separate analyse van de deelmonsters van mengmonster MM4 van de ondergrond op nikkel is gebleken dat: In monsters M11 (boring 1: 1,5-2,0 m-mv) en M13 (boring 2: 1,0-1,5 m-mv) zijn de gehalten aan nikkel verhoogd aangetoond ten opzichte van de tussenwaarde. In de overige geanalyseerde separate deelmonsters (M9, M10 (boring 1: 0,5-1,5 m-mv), M12 (boring 2: 0,5-1,0 m-mv), M14 (boring 2: 1,5-2,0 m-mv), M15, M16 en M17 (boring 3: 0,5-2,0 m-mv)) zijn de gehalten aan nikkel verhoogd aangetoond ten opzichte van achtergrondwaarde. De verhoogde gehalten met zware metalen, PAK en PCB hangen vermoedelijk samen met het langdurig menselijk gebruik van het terrein. Echter kan de oorzaak van de licht tot matig verhoogde gehalten aan nikkel in de boven- en ondergrond ook een natuurlijke oorzaak hebben.

Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen. Grondwater Analytisch is in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, ten opzichte van de streefwaarde, een verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater kan mogelijk worden toegeschreven aan de natuurlijke samenstelling van regionaal aanwezige sedimenten. In de loop der tijd is het sedimentmateriaal verweerd waarbij het aanwezige barium is uitgespoeld naar het grondwater, waar het momenteel als een van nature verhoogde achtergrondconcentratie wordt aangetroffen. De gemeten zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend voor het plaatselijke bodemtype.

22

Rapport 21KL056

6.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

6.1.

Samenvatting In opdracht van DLV Advies is een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd op de locatie IJsseldijk-Noord 244 te Ouderkerk aan den IJssel. In het uitgevoerde bodemonderzoek is door middel van de bemonstering en analyse van grond en grondwater de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is het volgende beeld verkregen: Druppelzone schuur  Ter plaatse van RE1 zijn zintuiglijk geen asbest verdachte materialen waargenomen. Analytisch is een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. De gemiddeld gewogen asbestconcentratie van RE1 (42 mg/kg ds.) ligt onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.);  Na SEM-analyse is gebleken dat er <1,3 mg/kg ds respirabele vezels zijn aangetoond. Het aantal gemiddeld gewogen respirabele vezels ligt onder (10 mg/kg ds) waardoor er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico. Puin/grindpad  Zintuiglijk zijn ter plaatse van het puin/grind pad tot 0,5 m-mv grind, beton en baksteen resten waargenomen;  Ter plaatse van RE2 zijn zintuiglijk geen asbest verdachte materialen waargenomen. Analytisch is een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. De gemiddeld gewogen asbestconcentratie van RE2 (20 mg/kg ds.) ligt onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.).

Overig terrein  Zintuiglijk zijn er geen verontreinigingen waargenomen  Analytisch zijn in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) licht verhoogde gehalten aan zink, cadmium, nikkel, lood, kwik, kobalt, molybdeen, koper, PAK en PCB geconstateerd;  Plaatselijk (ter plaatse van de boringen 2, 3 en 4) zijn in de bovengrond matig verhoogde gehalten aan zink geconstateerd;  Plaatselijk (ter plaatse van de boringen 1 en 3) zijn in de bovengrond matig verhoogde gehalten aan nikkel geconstateerd;  Analytisch zijn in de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) licht verhoogde gehalten aan kobalt, zink en PAK geconstateerd.  Plaatselijk (ter plaatse van de boringen 1 en 2) zijn in de ondergrond matig verhoogde gehalten aan nikkel geconstateerd;  Analytisch is in het grondwater een licht verhoogd gehalte aan barium geconstateerd.

23 6.2.

Rapport 21KL056

Conclusies en aanbevelingen Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en NEN 5897 Druppelzone schuur Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “locatie met verdachte toplaag”, juist is. Er is immers in de bodem ter plaatse van RE1 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, een verhoogde concentratie aan asbest aangetroffen. Na een aanvullende SEM-analyse is gebleken dat er <1,3 mg/kg droge stof respirabele vezels aangetoond. Puin/grind pad Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “onverdachte locatie”, onjuist is. Er is immers in het puin ter plaatse van RE2 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, een verhoogde concentratie aan asbest aangetroffen. Echter de geconstateerde verhoogde concentraties liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.) en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader en of aanvullend asbestonderzoek. Tevens is met de SEM analyse bevestigd dat het aantal gemiddeld gewogen respirabele vezels onder 10 mg/kg ds ligt waardoor er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico.

Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het perceel en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “verdachte locatie”, juist is. Er zijn immers op de locatie licht tot matig verhoogde gehalten aangetroffen. Na separate analyse zijn maximaal matig verhoogde gehalten aan zware metalen (nikkel en zink) aangetroffen in de boven- en ondergrond. Daarnaast wordt verwacht dat de verontreiniging, gezien het gebruik van het perceel, zijn ontstaan voor 1987 door het jarenlange gebruik van het terrein. Deels wordt vermoed dat de gehalten aan nikkel mogelijk een natuurlijke oorsprong hebben. De verhoogde gehalten zijn aanwezige verspreid over het terrein waardoor de verhoogde gehalten vermoedelijk heterogeen verdeeld zijn over het gehele perceel. Aangezien de geconstateerde verhoogde gehalten aangetroffen zijn in separate deelmonsters en allen liggen onder de interventiewaarde, vormen de gehalten géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de geplande bestemmingswijziging. Hergebruik van grond Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat de grond naar verwachting niet als schone grond kan worden hergebruikt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het uitgevoerde onderzoek betreft immers geen partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1001.

24 6.3.

Rapport 21KL056

Slotopmerking Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de huidige inzichten en algemeen gebruikelijke methoden. Hoewel het verrichte veldonderzoek, zoals ieder milieutechnisch onderzoek, steekproefsgewijs is uitgevoerd, is ernaar gestreefd om representatieve monsters te verkrijgen. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de bodem voorkomen. Klijn Bodemonderzoek B.V. acht zich niet aansprakelijk voor de schade die hieruit voort kan vloeien. Het uitgevoerde onderzoek is een momentopname, waardoor de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheid hebben. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van een onderzoek, bijvoorbeeld door het bouwrijp maken van de locatie, aanvoer van grond van elders zonder kwaliteitsgegevens of verspreiding van verontreinigingen van verder gelegen terreinen via het grondwater. Naarmate de periode tussen uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van de gegevens. De conclusies zijn deels gebaseerd op de analyse van gegevens die door de opdrachtgever en derden zijn verstrekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=88ea92d0-a5e7-4d21-abfe-8a514365a37f