BIJL 2A Toelichting bestemmingsplan Dikke Boom
Tekst van het document
Conclusie In het voorliggend plan is er sprake van het toevoegen van drie nieuwe woningen en de herbouw van een bestaande woning, zodat de ontwikkeling als NIBM kan worden beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 32
4.2.2
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2016). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken.
Beoordeling en conclusie Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de NSL-monitoringstool. De IJsseldijk-Noord is opgenomen in deze tool. Uit de NSL-monitoringtool blijkt dat de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 19 µg/m3 , 18 µg/m3 en 11 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het initiatief
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 33
4.3
GELUID
Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). Behalve langs 30 km/uurwegen en woonerven bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wgh aan weerszijden van een weg een geluidzone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat een nieuwe woning binnen deze zone dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buiten stedelijk gebied). Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt binnen de akoestische zone van de van IJsseldijk-Noord en de Groenendijk. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de geluidbelasting te worden beoordeeld als gevolg van cumulatie van alle geluidsbronnen. Door AGEL adviseurs is in juli 2022 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de grens van de bouwvlakken waar binnen de 4 woningen gerealiseerd worden (vrij veld situatie). Uit de rekenresultaten blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB als gevolg van de IJsseldijk Noord ter plaatse van alle bouwvlakken wordt overschreden.
Ter plaatse van de 3 noordelijke woningen wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 58 dB die voor de zuidelijke woning (herbouw woning) geldt, wordt niet overschreden. De 3 noordelijke woningen moeten beschikken over een dove voorgevel. Daarnaast moeten delen van de zijgevels van deze 3 woningen doof worden uitgevoerd. Daarnaast is het vaststellen van een hogere waarde noodzakelijk om de woningen te kunnen realiseren. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB als gevolg van de Groenendijk wordt ter plaatse van de bouwvlakken niet overschreden. Conform het ontheffingenbeleid van de gemeente Krimpenerwaard zijn de mogelijkheden om de geluidbelasting te reduceren m.b.t. stedenbouwkundige, bron- en overdrachtsmaatregelen nader onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat maatregelen om de geluidbelasting te verlagen leiden tot een geringe reductie. Daarnaast beschikken de woningen als gevolg van de eigen afscherming, over een geluidluwe gevel en buitenruimte en heeft het bevoegd gezag ingestemd met een afwijking van de beleidsregel betreffende dove gevels. Op basis van de onderzoeksresultaten bij burgemeester en wethouders van de gemeente een hogere waarde kan worden aangevraagd.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 34
In de onderhavige situatie vindt alleen overschrijding als gevolg van 1 geluidbron plaats zodat op grond van de Wgh cumulatie niet aan de orde is. Verder blijkt dat naar verwachting aanvullend gevelmaatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de eisen uit Bouwbesluit 2012. In dit stadium van het plan geen gedetailleerde gegevens omtrent de gevelindeling beschikbaar. Op grond van de hoogte van de geluidbelastingen kan er van worden uitgegaan dat het voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidwering technisch mogelijk is. Dit onderzoek kan daarom worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Omdat sprake is van een nieuwe geluidgevoelige ontwikkeling is de geluidbelasting ter plaatse van de ontwikkeling vanuit het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Hierbij is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit de berekening blijkt dat de voorkeursgrens van 48 dB ter plaatse van alle bouwvlakken wordt overschreden als gevolg van de IJsseldijk Noord. Ter plaatse van de bouwvlakken geldt dat de geluidbelasting tussen de 46 en 53 dB bedraagt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het vaststellen van een hogere waarde is noodzakelijk om de woningen te kunnen realiseren.
4.4
GEUR
Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden) en binnen of buiten de bebouwde kom.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 35
Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Krimpenerwaard heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de ‘Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017’ op te stellen. In deze verordening wordt de afstand voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor verkleind: binnen de bebouwde kom van 100 meter naar 50 meter en buiten de bebouwde kom van 50 meter naar 25 meter. De afstand kan alleen worden verkleind als sprake is van een melding inzake het Activiteitenbesluit milieubeheer of een aanvraag omgevingsvergunning indien deze melding of aanvraag bedoeld is voor het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij. De ODMH is op controle geweest in het kader van het activiteitenbesluit.
De vaste afstanden kunnen worden verlaagd naar 25 meter. Onderzoek Woningen zijn geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. In de directe omgeving komen enkele veehouderijen voor met dieren zonder geuremissiefactor.
IJsseldijk Noord 148 (melkveehouderij); Groenendijk 275 (melkveehouderij).
De veehouderijen met vaste afstanden van de IJsseldijk Noord 148 en Groenendijk 275 zijn ruimschoots op meer dan 50 meter gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening.
Conclusie Woningen zijn geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wgv. Om te beoordelen of in het plangebied sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat zijn de omliggende veehouderijen beschouwd. Voor het plangebied geldt dat een goed verblijfklimaat gegarandeerd kan worden, omdat de veehouderijen op voldoende afstand gelegen zijn.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 36
Daarnaast geldt dat de omliggende veehouderijen niet beperkt worden door de komst van de woningen. Derhalve gelden er vanuit agrarische geurhinder geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Deze richtafstanden gelden voor een gemiddeld bedrijf binnen de betreffende branche. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming is gelegen. De VNG-publicatie gaat uit van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied of van een gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van invloeden van wegverkeer. Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. De richtafstanden genoemd in de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied.
Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd. Voor het aspect gevaar wordt hierbij wel de kanttekening geplaatst dat mogelijke specifieke regelgeving van toepassing kan zijn zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Vuurwerkbesluit. Beoordeling omgevingstype plangebied Het plangebied ligt op een korte afstand van de IJsseldijk-Noord. Deze weg betreft een relatief drukke gebiedsontsluitingsweg, waardoor sprake is van enige verstoring ten opzichte van een rustige woonwijk. Dit blijkt ook uit het akoestisch onderzoek, waar de berekende geluidsbelasting tussen de 48 en 53 dB bedraagt. Op basis van deze gebiedskenmerken wordt in de voorliggende situatie uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 37
Onderzoek Het bestemmingsplan betreft de realisatie van woningen. Om die reden dient beschouwd te worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en/of omliggende bedrijven en (maatschappelijke) voorzieningen niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. In de directe omgeving van het plangebied komen geen bedrijfsfuncties of (maatschappelijke) voorzieningen voor. In paragraaf 4.1 is nader ingegaan op het aspect geur en blijkt dat aan de afstand in het kader van geur wordt voldaan. Op grond van de VNG-brochure geldt voor het kinderdagverblijf/ buitenschoolseopvang, ter plaatse van IJsseldijk Noord 123, een richtafstand van maximaal 30 meter op basis van het aspect geluid (SBI-code 552). Deze afstand mag, gezien het van toepassing zijnde omgevingstype ‘gemengd gebied’ één trede worden teruggebracht, naar 10 meter. De nieuwe functie ligt op ten minste 30 meter van de nieuwe woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Conclusie Voldaan wordt aan alle richtafstanden. Het aspect geurhinder is in paragraaf 4.4 nader beschreven. Voor het overige gelden er geen belemmeringen voor de planvorming. Het woon- en leefklimaat ter plaatse kan in voldoende mate gegarandeerd worden en omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.6
EXTERNE VEILIGHEID
Toetsingskader Voor de beoordeling van het onderdeel externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico behorende bij een risicobron in de omgeving van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bepalend. Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans van overlijden van een persoon in de omgeving van een risicobron. Door het aanhouden van voldoende afstand kan een aanvaardbaar veiligheidsniveau worden gegarandeerd. Voor het plaatsgebonden risico geldt een veiligheidscontour van PR 10-6 per jaar.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 38
Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten worden gebouwd. Een kwetsbaar object betreft woningen en gebouwen waar mensen langdurig kunnen verblijven. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals bedrijven) kan hiervan gemotiveerd afgeweken worden. Het groepsrisico is een factor voor de maatschappelijke impact van een groot ongeval. Hierbij spelen onder andere het aantal aanwezige personen nabij de risicobron een rol alsmede de zelfredzaamheid van de aanwezige en de inzet van de hulpdiensten. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld, maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een ijkpunt voor het bevoegd gezag in verband met haar verantwoordingsverplichting van het groepsrisico en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk, mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt middels haar verantwoordingsverplichting. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid en de inzetbaarheid van hulpdiensten. Onderzoek en conclusie Woningen zijn kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Op een afstand van ruim 500 meter is aan de Groenendijk 231 te Nieuwerkerk aan den IJssel is Maatschap H.A.
en J.L Hoogendijk gevestigd. Deze inrichting beschikt over een propaantank met een inhoud van 3 m3. Hiervoor geldt een risicocontour van 10 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de in acht te nemen afstanden. Een verantwoording van het groepsrisico is niet benodigd. De Hollandsche IJssel is een vaarweg voor transport met gevaarlijke stoffen. De Hollandsche IJssel valt niet onder het ‘Basisnet water’, omdat deze vaarweg niet wordt genoemd in Bijlage III (Tabel Basisnet water) van de ‘Regeling basisnet’. In het ‘Definitief ontwerp basisnet water’ uit 2008 is de Hollandsche IJssel als ‘groene vaarweg’ aangeduid (minder belangrijke vaarweg). Voor ‘groene vaarwegen’ geldt dat er geen beperkingen zijn voor bebouwing (geen PR 10-6 contour, geen plasbrandaandachtsgebied en geen groepsrisicoverantwoording). Daarnaast is in de planregels opgenomen dat mechanische ventilatie moet worden uitgevoerd met een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij externe calamiteiten die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 39
4.7
WATER
Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als zodanig beschouwd worden.
4.7.1
Beleid
Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De wetgeving deelt een aantal zorgplichten toe aan waterschappen en gemeenten. Waterschappen hebben een zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater. Gemeenten hebben een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en voor hemelwater en grondwater. De manier waarop een gemeente invulling geeft aan deze zorgplichten staat in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Voor hemel- en grondwater kan een gemeente ook regels opstellen in de vorm van een gemeentelijke verordening.
Nationaal Waterplan 2016-2021 Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. De gezamenlijke ambitie van het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen is dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en water robuust is ingericht en bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat als gevolg van een overstroming voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Klimaatbestendig en water robuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen. Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 40
Nautisch beheer Hollandsche IJssel De Hollandsche IJssel is een hoofdvaarweg (CEMT-klasse Va) en wordt druk bevaren. Om de functionaliteit te waarborgen en te zorgen voor een veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer, geldt voor deze rivieren het Barro, de Waterwet, de Richtlijn Vaarwegen 2011 en het Binnenvaartpolitiereglement. Op grond van het Barro dient bij een rijksvaarweg van CEMT-klasse IV, V of VI, rekening te worden gehouden met een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de vaarweg. In het voorliggend plan wordt uitgegaan van 15 meter. Dit is mogelijk doordat voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 2.1.3 van het Barro. Dit artikel stelt dat afgeweken kan worden van een vrijwaringszone voor zover voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. Navolgend zijn de betreffende voorwaarden toegelicht. Op basis van artikel 2.1.3 van het Barro dient rekening gehouden te worden met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; De hier voorgestane ontwikkeling richt zich enkel op de ontwikkeling van de bestaande zelling/oever. Aldus wordt geconcludeerd dat de doorvaart zowel in de hoogte, breedte en de diepte niet wordt belemmerd; b.
de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; In het kader van de reeds verleende watervergunning zijn de relevante zichtlijnen inzichtelijk gemaakt. Hierbij is uitgegaan van een maximale bebouwingscontour van 15 meter uit de kant van de vaarweg. Op basis van de situering van de bebouwingscontouren en de relevante zichtlijnen blijkt dat het plan voldoet aan de geldende richtlijnen; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; In het kader van de reeds verleende watervergunning is door Rijkswaterstaat beoordeeld of het voorliggend plan een belemmering vormt voor het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten. Aangezien de watervergunning is verleend, wordt geconcludeerd dat, uitgaande van een maximale bebouwingscontour van 15 meter uit de kant van de vaarweg, geen belemmeringen optreden. d. de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; De hier voorgestane ontwikkeling richt zich enkel op de ontwikkeling van de bestaande zelling/oever en speelt geen rol met het oog op de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten. Geconcludeerd wordt dan ook dat met de ontwikkeling geen belemmeringen optreden voor de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten.
Nu reeds een watervergunning is verleend voor de hier beoogde ontwikkeling, mag worden geconcludeerd dat Rijkswaterstaat tot eenzelfde oordeel is gekomen.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 41
e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. De hier voorgestane ontwikkeling richt zich enkel op de ontwikkeling van de bestaande zelling/oever. Binnen het plan wordt het plaatsen van een nieuwe oeververdediging (damwanden) voorzien. Deze ingrepen hebben geen negatieve invloed op het beheer en onderhoud van de vaarweg. Voor zover onderhoud aan de hier genoemde voorzieningen aan de orde is, vallen deze voor rekening van de eigenaar van de betreffende percelen. Nu al een watervergunning is verleend voor de hier beoogde ontwikkeling mag worden geconcludeerd dat Rijkswaterstaat tot eenzelfde oordeel is gekomen.
Conclusie Nu voldaan wordt aan de voorwaarden conform artikel 2.1.3 van het Barro mag, overeenkomstig de verleende watervergunning, worden volstaan met een ‘vrijwaringszone’ van 15 meter. Om te voorzien in de noodzakelijke bescherming van de hier benoemde ‘vrijwaringszone’ voorzien de regels bij dit bestemmingsplan in de dubbelbestemming ‘waterstaat - waterstaatkundige functie’, waarmee de belangen van de rijksvaarweg voldoende worden veiliggesteld. Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: -
-
-
Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt hierbij een steeds belangrijkere rol.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 42
Dijkversterkingsproject Krachtige IJsseldijken Krimpenerwaard (KIJK) Door klimaatverandering stijgt het waterniveau van de zee en komen in rivieren vaker hoge waterstanden voor. Hierdoor is er ook vaker hoogwater in de Hollandsche IJssel. Tegelijkertijd daalt op veel plekken in Nederland de bodem, dat geldt ook voor de Krimpenerwaard. Om ook in deze omstandigheden voor waterveiligheid te kunnen zorgen, moet het dijktraject tussen Gouderak en Krimpen aan den IJssel worden versterkt en verhoogd. Dat gebeurt in het project KIJK: Krachtige IJsseldijken Krimpenerwaard. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft in oktober 2018 het voorkeursalternatief (VKA) vastgesteld: de manier waarop per dijkvak de dijk versterkt gaat worden. Het voorkeursalternatief (VKA) geeft voor elk dijkvak aan hoe de dijk wordt versterkt. Voordat de werkzaamheden aan de dijk beginnen (planning tweede helft 2025), worden de nodige voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. Bijvoorbeeld in verband met de kabels en leidingen (riool, drinkwater, gasleidingen en/of elektriciteitskabels) die in of klem langs de huidige dijk liggen. Daarbij worden verschillende werkzaamheden gecombineerd, om zo de overlast te beperken. Het plangebied is gelegen ter plaatse van dijkvak I2 ‘Den Dikken Boom’. Voor dit dijkvak geldt de maatregel; Ophogen voorland.
Een relevante maatregel die getroffen moet worden betreft het compenseren van het verlies aan bergend vermogen op de HIJ.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 43
4.7.2
Watertoets
Plangebied
De binnen het voorliggend plan beschreven ontwikkeling voorziet in de realisatie van 4 vrijstaande woningen op ruime percelen in het buitendijks gebied van de Hollandsche IJssel. Hiermee is het plangebied gelegen op de ‘primaire waterkering’ de IJsseldijk Noord. Zoals onderstaande afbeelding toont ligt het plangebied binnen de kernzone van de waterkering en de beschermingszone van de buitenzijde van de waterkering. Het voorliggend plan voorziet dan ook in een adequate bescherming van het dijklichaam en de hiervoor relevante gronden. De kernzone eindigt op 10 meter vanaf de as van de waterkering (roze gebied). De beschermingszone (binnen en buiten) van de dijk betreft ongeveer het gebied tussen de 10 en 50 meter vanaf de as van de waterkering.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 44
Figuur 4.7.2 uitsnede Legger van de waterkeringen Katern: Primaire waterkering – Krimpenerwaard, Hollandsche IJssel
Als gevolg van de hier beoogde ontwikkeling zal een toename optreden in het verhard oppervlak: Oppervlak woningen (ca. 150 m2 per woning):
ca. 600 m2
Erfverharding (ca. 200 m2 per woning):
ca. 800 m2 +
Totaal oppervlak nieuwe verhardingen:
ca. 1.400 m2
Bestaande te saneren verhardingen/bebouwing:
ca. 550 m2 -
Totale toename verharding plangebied
ca. 850 m2
Het af te voeren hemelwater afkomstig van het, binnen het plangebied aanwezige, verhard oppervlak, wordt afgevoerd naar de Hollandsche IJssel. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen is het dan ook van belang dat er geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht pvc. Ten aanzien van de hier voorgestane ontwikkeling heeft al uitvoerig overleg plaats gevonden met Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Schieland, de gemeente Krimpenerwaard en de voormalige gemeente Ouderkerk. Dit overleg heeft geresulteerd in een (eerste) watervergunning voor de ontwikkeling van het plangebied.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 45
Deze watervergunning is geregistreerd onder nummer RWS-2013/63590 I, d.d. 19 december 2013. Als gevolg van nader overleg met omwonenden en de gemeente is ervoor gekozen om de bestaande watervergunning op onderdelen te wijzigen. Deze gewijzigde watervergunning nummer RWS-2015/35311 1 (met zaaknummer RWSV205-00002597) is op 11 augustus 2015 verleend en maakt de realisatie van de, in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling mogelijk. Waterkwantiteit In het bestemmingsplangebied is naast de Hollandsche IJssel geen ander oppervlaktewater aanwezig. Het plan voorziet in de afkoppeling van de regenwaterafvoer op de Hollandsche IJssel. Gezien de beperkte omvang van deze afvoer is de voorgestane ontwikkeling niet van invloed op de waterhuishouding. Het plan heeft daarom geen gevolgen voor de waterkwantiteit. Waterkeringen Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een primaire waterkering (IJsseldijk Noord) van de Hollandsche IJssel. Rondom de waterkering worden beschermingszones gehanteerd. Het plan heeft geen nadelig effect op de instandhouding en het gebruik van de waterkering. Ter bescherming van deze belangen voorziet het voorliggend bestemmingsplan in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Waterveiligheid Het plangebied ligt buitendijks en heeft geen gevolgen voor de waterveiligheid, mits deze voldoet aan de gestelde voorwaarden in de afgegeven watervergunning.
Daarnaast voorziet de bestemming ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ in de bescherming van de (nautische) waterveiligheid. Bovendien is het plangebied dusdanig ingericht dat sprake is van een duurzame inrichting (zie ook paragraaf 2.2 toekomstige situatie). Waterkwaliteit Het plan leidt niet tot lozingen en verliezen van gevaarlijke stoffen, zodat in het plan niet wordt voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. Door Rijkswaterstaat is voor de realisatie van het plan een Watervergunning afgegeven.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 46
Riolering De schoon- en vuilwaterstromen worden gescheiden. Schoon regenwater van gevels en daken wordt rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater van de Hollandsche IJssel via een regenwaterriool. De vuilwaterstromen wordt aangesloten op het gemeentelijk vuilwaterriool (persleiding). Voor wat betreft de aansluiting(-en) van het vuilwaterriool van de te ontwikkelen woningen dienen echter graafwerkzaamheden binnen het dijklichaam plaats te vinden. Voor de uitvoering van deze werkzaamheden dient tijdens de omgevingsvergunningsfase een Watervergunning te worden aangevraagd. Grondwater Het plangebied ligt binnen het zogenaamde ‘slagenlandschap’. Dit landschap wordt gekenmerkt door een (zeer) hoge grondwaterstand. De beperkte toename van het verharde oppervlak heeft naar verwachting geen invloed op de grondwaterstand. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden voor de afvoer van water direct naar het oppervlaktewater.
4.8
ECOLOGIE
Toetsingskader Het voorliggend plangebied bestaat uit een in onbruik geraakte zelling (een ondiep stuk grond langs een rivier) en is op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘IJsseldijk-Noord’ bestemd tot ’natuurgebied’. Het bestemmingsplan voorziet via een wijzigingsbevoegdheid in het omzetten van deze bestemming naar de bestemming ‘Wonen’. De natuurbestemming kan is dit kader worden gezien als een ‘tijdelijk functie’ in afwachting van de herontwikkeling van de zelling. Van een feitelijke inrichting als natuurgebied was geen sprake.
Door Ekoza is een QuickScan Flora- en Faunawetgeving uitgevoerd. Doel van deze QuickScan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Verder wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hier kort samengevat.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 47
4.8.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000gebieden ligt op 6,6 km ten zuiden van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Boezems Kinderdijk omvat de hoge boezems van de Nederwaard, de Overwaard en Nieuw-Lekkerland alsmede delen van de aangrenzende polders Blokweer en Nieuw-Lekkerland. De boezems bestaan uit open water, riet- en zeggemoerassen, ruigten, grienden, struwelen en boezemkaden. De polders bestaan uit wei- en hooilanden, doorsneden door sloten. De storingsfactoren die plaats kunnen vinden door de werkzaamheden zijn verzuring en vermesting door stikstofdepositie, verstoring door geluid, trilling en licht. De werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er worden geen negatieve effecten op beschermde gebieden verwacht. Een AERIUS-berekening (stikstof) is nodig om de daadwerkelijke mogelijke negatieve effecten van stikstofdepositie te bepalen. In de volgende paragraaf wordt hierop ingegaan.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt op ca. 50 meter van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betreft bestaande en nieuwe natuur. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Natuurnetwerk Nederland, provincie Zuid-Holland. Het afwegingskader EHS (lees: NNN) hoeft niet te worden doorlopen.
4.8.2 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 48
Zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief effect opleveren voor de
waterspitsmuis. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort daadwerkelijk gebruik maakt van het projectgebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Hierbij worden gedurende drie nachten inloopvallen (live-traps) geplaatst. Vleermuizen Alle gebouwen in het projectgebied zijn potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de functie van het projectgebied voor vleermuizen is en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. In de periode half mei tot half juli vinden 3 bezoeken plaats, één in de ochtend rond zonsopkomst en twee in de avond rond zonsondergang. Daarnaast vinden er in de periode half augustus tot en met september 2 bezoeken plaats. Vogels De bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. De bomen en struiken zijn geschikt als nestlocatie voor vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De bomen en struiken dienen buiten het broedseizoen (half maart – half juli) verwijderd te worden om te voorkomen dat broedvogels zich nestelen in de te verwijderen bomen en struiken.
Indien het verwijderen niet plaats kan vinden buiten het broedseizoen, dienen de bomen en struiken voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten. Het vervallen woonhuis en de loods zijn potentieel geschikt als nestlocatie voor gierzwaluw en/of huismus. Nader onderzoek moet uitwijzen of de bebouwing gebruikt wordt door deze soorten en een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Voor huismussen vinden in de periode april tot en met half mei 2 bezoeken plaats. Hierbij wordt gezocht naar aanwijzingen voor nesten van huismussen. Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde amfibieën en vissen in het projectgebied niet aanwezig. Amfibieënsoorten waarvoor een vrijstelling geldt kunnen mogelijk voorkomen binnen het projectgebied. Hiervoor moet rekening gehouden worden met de zorgplicht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 49
Er is geschikt habitat aanwezig voor ringslang. Nader onderzoek moet uitwijzen of de ringslag daadwerkelijk voorkomt in het projectgebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. In de periode tussen april en september op zonnige tot half bewolkte dagen vinden 4 bezoeken plaats waarbij via zichtwaarnemingen en herpetoplaatjes gezocht wordt naar aanwezige (zonnende) dieren. Flora In het projectgebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Ongewervelden In het projectgebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Houtopstanden De bomen vallen niet onder de bebouwde kom houtopstanden. De te kappen bomen heeft een kleiner oppervlakte dan tien are en betreft geen rijbeplanting. Een meld- en herplantplicht is niet nodig. Invasieve exoten Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen binnen het projectgebied. Invasieve exoten zijn daarom niet van toepassing. De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen.
Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 50
Aanvullend dient op verzoek van de gemeente nader onderzoek plaats te vinden naar de rugstreeppad. Door Ekoza zijn diverse nadere onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Hierna zijn de belangrijkste conclusies uit de onderzoeken samengevat. Onderzoek huismus Er zijn geen huismusnesten vastgesteld binnen het projectgebied waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op huismussen is uitgesloten. Verblijfplaatsen van huismussen in de bebouwing rondom het projectgebied ondervinden geen negatief effect van de werkzaamheden, omdat deze niet binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden liggen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is wat betreft huismussen niet nodig. Onderzoek vleermuis Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect op vleermuizen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Onderzoek gierzwaluw Er zijn geen gierzwaluwnesten in het projectgebied vastgesteld, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op gierzwaluwen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Onderzoek waterspitsmuis Er zijn geen waarnemingen of vangsten van de waterspitsmuis binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op deze soort is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Onderzoek ringslang Er zijn geen reptielen waargenomen binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op reptielen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 51
Onderzoek rugstreeppad Er zijn geen beschermde amfibieën binnen het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied waargenomen, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op beschermde amfibieën is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmeringen voor de haalbaarheid.
4.9
STIKSTOF
Toetsingskader Verspreid in Nederland liggen 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten (hierna: ‘habitattypen’). Voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt moet daarom worden onderzocht wat de effecten zijn op de beschermde Natura 2000-gebieden. In de omgeving van Dikke Boom zijn op grote afstand de Natura 2000-gebieden “Boezems Kinderdijk”, ”Donkse Laagten” en “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein” aanwezig. Beoordeling Door Stantec is de stikstofdepositie ten gevolge van de gebruiksfase en de bouwfase van de ontwikkeling onderzocht. Doel van het onderzoek betreft het bepalen van de bijdrage aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling alsmede het bepalen of mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. De memo ‘stikstof Dikke Boom’ is als bijlage aan dit bestemmingplan toegevoegd. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de bouw en het toekomstig gebruik niet leidt tot significante gevolgen ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000- gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.
Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmeringen voor de haalbaarheid.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 52
4.10
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
4.10.1 Archeologie Toetsingskader In opdracht van de nieuwe gemeente Krimperwaard heeft RAAP in mei en juni 2016 de bestaande archeologische verwachtingskaarten van de voormalige gemeenten geactualiseerd. In 2015 is de huidige gemeente Krimpenerwaard gevormd uit de vijf voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist. Elk van deze gemeenten had haar eigen archeologiebeleid. Onder de wet Arhi moest dit beleid voor 1 januari 2017 worden geharmoniseerd. De archeologisch-landschappelijke (verwachtings)waardenkaart en de historischgeografische kaartlaag zijn uiteindelijk samengevoegd tot een kaart waarop de beleidsadviezen staan geformuleerd en weergegeven. Het voorliggend plangebied is op basis van de archeologische beleidskaart 2016 als WA-4 en WA-2.
Uitsnede archeologische beleidskaart 2016
Bron: gemeente Krimpenerwaard
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 53
Legenda archeologische beleidskaart 2016
Bron: gemeente Krimpenerwaard
Voor deze gebieden geldt een onderzoeksverplichting indien de maximale verstoringsdiepe en -oppervlakte worden overschreden. Voor het gebied aangeduid als WA- 2 is archeologisch onderzoek vereist bij ingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 50 m². Ook dient bij coupures/dijkdoorsnijdingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de opbouw van de dijk. Voor het gebied aangeduid als WA-4 geldt een onderzoeksplicht indien de ingreep groter is dan 1.000m² en dieper reikt dan 30 cm onder huidig maaiveld. Voor het meest westelijk deel van het plangebied is geen waarde opgenomen. Omdat het plangebied in het verleden is opgehoogd met enkele meters puin en deels bebouwd is, is niet duidelijk in hoeverre het toegekende beschermingsregime ook terecht is toegekend. Voor zover de bodem ongeroerd/intact is, ligt deze waarschijnlijk dieper dan de geldende maximale verstoringsdiepe. Met betrekking tot de hier beschreven situatie is in september 2014 afstemming gezocht met de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). Op het verzoek van het ODMH is één van de specialisten van ODMH uitgenodigd en aanwezig geweest bij het graven van proefsleuven in het kader van een bodemonderzoek ter plaatse, om zo de bodem opbouw te kunnen beschouwen.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 54
Beoordeling Op 18 augustus 2015 is door de ODMH een adviesmemo opgesteld waarin een advies wordt uitgebracht over de verwachtingswaarde binnen het plangebied en het toe te kennen beschermingsregime. Deze adviesmemo is als bijlage toegevoegd aan de voorliggende toelichting. Navolgend zijn de conclusies en het advies van de ODMH kort weergegeven. Beoordeling archeologische verwachting Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) Door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) is een Quickscan uitgevoerd om de archeologische verwachting voor het voorliggend plangebied beter in beeld te krijgen. De locatie is in twee stukken opgedeeld overeenkomstig het eerdere archeologie beleid van de gemeente Krimpenerwaard. Het grootste deel van het plangebied ligt in VAW2 (op basis van oude archeologische beleidskaart, nieuwe beleidskaart 2016: WA-4). Dit deel omvat de zelling die (waarschijnlijk) vanaf de 17de eeuw gebruikt werd om klei te winnen ten behoeve van de baksteenproductie. Een en ander is eveneens gebleken op basis van de kadastrale kaart van 1811-1832. Voor het noordelijke deel van het plangebied is op een oude kadastrale kaart een steenplaats aangegeven. Voor het gebruik als steenplaats werd de gewonnen klei steeds weer afgegraven (ook wel aftichelen genaamd). Eventuele archeologische resten in de bovenste lagen zijn hiermee verdwenen.
Omdat het plangebied in de uiterwaarden ligt, is de locatie in Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd waarschijnlijk te nat voor bewoning geweest. De verwachting voor bewoningsresten (voor zover eventueel nog aanwezig) kan daarom naar beneden bijgesteld worden. Dit wordt bevestigd door de oudere kaarten waarop geen bebouwing zichtbaar is. Hoewel de nauwkeurigheid op perceelsniveau van oudere kaarten niet heel erg groot is, kunnen deze wel als indicatie gezien worden van waar ongeveer bewoning heeft plaats gevonden. Pas in de 19de eeuw verschijnt (op de eerdergenoemde kadastrale kaart) bebouwing buitendijks. Indien resten uit de periode prehistorie-vroege middeleeuwen aanwezig waren, zijn deze door de rivier in de latere perioden verspoeld. De verwachting voor deze periode is daarmee ook laag. Het terreindeel bij de dijk heeft een AW2 waarde (op basis van oude archeologische kaart, nieuwe beleidskaart 2016: WA-2). Dit is gebaseerd op de ligging direct aan de IJsseldijk. Deze dijk gaat terug tot in de Middeleeuwen en behoort tot een ontginningsas. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek zijn geen uitspraken mogelijk of het deel van de historische dijk binnen het plangebied verstoord is of niet.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 55
Indien deze dijk hier niet verstoord is, zijn hier naar alle waarschijnlijkheid archeologische resten aanwezig behorende bij de dijk en bijbehorende infrastructuur.
Conclusie Resumerend concludeert ODMH dat voor het gebied aangeduid als VAW2 (nu: WA-4) deel er een lage verwachting is voor archeologische resten. Voor het deel met de waarde AW2 (nu: WA-2) blijft de hoge waarde gehandhaafd. Kijkend naar het historische bodemgebruik als zelling/steenplaats en de landschappelijke ligging wordt de kans klein geacht dat er waardevolle archeologische resten aanwezig zijn binnen het VAW2 (nu: WA-4) gebied. Een planologische bescherming, door middel van een dubbelbestemming binnen het voorliggend plan, wordt hier dan ook niet noodzakelijk geacht. Voor het overige deel van het plangebied geldt een hogere verwachtingswaarde en is de reeds aanwezige aangeduid AW2 waarde (nu: WA-2-waarde) van actuele betekenis. Voor dit deel van het plangebied is dan ook de dubbelbestemming archeologie opgenomen.
4.10.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorische hoofdstructuur provincie Zuid-Holland
Toetsingskader De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld waardevolle verkavelingspatronen, zones met een archeologische verwachting of monumentale boerderijlinten. De onderstaande afbeelding toont de uitsnede van de provinciale cultuurhistorische kaart. Op basis van deze cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de volgende waarden: •
Het plangebied ligt ten westen van een dijklint. Dijklinten zijn in de provincie zowel te vinden langs de rivierdijken als langs voormalige zeedijken. In het laaggelegen poldergebied waren de rivierdijken, na hun aanleg in de Middeleeuwen, de hoogste en dus veiligste vestigingsplaatsen. Voor de zeedijken geldt dat, zodra ze door verdere aangroei van land hun waterkerende functie hadden verloren, ze werden bebouwd. Deze dijken zijn hierdoor niet langer versterkt en verhoogd, waardoor er veel meer bebouwing bewaard is gebleven dan langs de dijken van de grote rivieren. Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 56
•
Het gebied ten oosten van de dijk is aangeduid als ‘Relatie nederzetting – landschap’. Een bandraster om een nederzettingslint of -kern wil zeggen dat de relatie tussen de nederzetting en het bijbehorende open achterland als waardevol wordt gezien; de waarde van de strook wordt er zelfs mede door bepaald. Voor deze gebieden gelden de volgende uitgangspunten: o bebouwingstructuur (huispercelen, rooilijnen, weg- en perceelsloten, evt. bruggetjes) is intact; o de historische bebouwing zelf is wat minder gaaf; o het percentage monumenten is lager dan in de categorie 'zeer hoge waarde'; o hier en daar is de bestaande bebouwing door nieuwbouw vervangen.
Uitsnede Cultuurhistorische atlas
Bron: Provincie Zuid-Holland
De provincie wil haar doel bereiken door twee strategieën: 1. Continuïteit van karakter (topgebieden): Cultuurhistorie is randvoorwaarde bij ruimtelijke ontwikkeling. Uitgangspunt hierbij is dat bij toekomstige ontwikkelingen het behouden en versterken van de structuur door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken hiervan (verkavelingsrichting, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 57
2. Behoud van uitzonderlijke kwaliteit (kroonjuwelen): Cultuurhistorie is de drager van ruimtelijke ontwikkeling. Uitgangspunt bij toekomstige ontwikkelingen is behouden en versterken van zowel de structuur alsook van fysieke elementen (gebouwen, waterlopen, kades, en dergelijke) door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken hiervan (verkavelingspatroon, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen).
De Krimpenerwaard is een open veenweidelandschap omsloten door rivieren (Lek en Hollandse IJssel). Rust en stilte, openheid, lint- en dijkdorpen en het veenweidekarakter met hoog waterpeil vormen de kernkwaliteiten van deze waard. Typerend voor de Krimpenerwaard is de slagenverkaveling met zeer lange en smalle kavels, afgewisseld door veelal brede sloten. De opgaven die hier een rol spelen, zijn: bodemdaling afremmen, een robuust watersysteem realiseren, Groene Ruggengraat en samenhangend daarmee structuurverbetering voor de landbouw realiseren.
Conclusie Het voorliggend plangebied heeft betrekking op de zelling ‘Dikke Boom’, die haar functie voor kleiwinning en opslag heeft verloren. Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 3 nieuwe woningen en de herbouw van één bestaande woning in het buitendijks gebied. Hiermee wordt aangesloten bij de bebouwings- en verkavelingsstructuur binnen en rond het plangebied. Tevens wordt het bebouwingslint aan de dijk verder versterkt, waarbij rekening wordt gehouden met het behouden van doorzichten naar het achterliggende water. De oude zelling krijgt een nieuwe functie waardoor dit cultuurhistorische elementen in het landschap behouden blijft.
Gemeentelijke Erfgoednota 2017-2022 ‘Rijker met Erfgoed’ Toetsingskader De gemeente Krimpenerwaard ligt in een voor Nederland uniek gebied. Negers anders in Nederland is de weidsheid van het Hollandse landschap zo voelbaar en ongerept als in de krimperwaard. Er is een grote hoeveelheid aan cultureel erfgoed aanwezig in de vorm van cultuurlandschappen, structuren, gebouwd erfgoed, archeologie e.d. Het gebied vraagt daarnaast om ontwikkelingen die passen bij deze tijd.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 58
Om te voorkomen dat waardevol erfgoed verloren gaat of ontwikkelingen worden geremd is bepaald dat als onderdeel van de belangenafweging bij de ruimtelijke ontwikkelingen aan moet worden gegeven hoe wordt omgegaan met behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied. In de erfgoednota wordt het belang van duurzaamheid benadrukt. De gemeente zet bij herbestemming in op duurzaam hergebruik van erfgoed. Het toepassen van duurzaamheidsmaatregelen en aanpassen van monumenten is veelal maatwerk. Een belangrijk aandachtspunt is hierbij de bouwfysica, het risico op aantasting van de monumentale waarde en de individuele afweging bij elke mogelijk maatregel. De gemeente Krimpenerwaard heeft daarom acht ambities geformuleerd namelijk: 1. Erfgoed is, conform wet, één van de ruimtelijke belangen die vooraf verankerd is in de beleidsprocessen; 2. Cultuurhistorische kennis en waarden worden bij ruimtelijke ontwikkelingen betrokken; 3. Gemeentelijke monumenten dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van de gemeente en verbeelden de gedeelde en de eigen geschiedenis van de kernen in de Krimpenerwaard. Deze geschiedenis wordt levend gehouden; 4. We dragen het erfgoed gezond over op de volgende generaties; 5. De specifieke kwaliteiten, sfeer en karakteristieken van de kernen, linten en het landschap zijn duidelijk waarneembaar; 6.
De emotionele binding en het identiteitsgevoel van de inwoners met hun leefomgeving wordt versterkt, doordat iedere inwoner toegang heeft tot de historie van zijn/haar leefomgeving; 7. We streven naar (openbare) erfgoedbeleving die is geïntegreerd in de woon- en werkomgeving; 8. Samen werken aan verbreding en het delen van kennis.
Historische context Dikke Boom Het voorliggend plangebied is gelegen ter hoogte van de zelling de ‘Dikke Boom’. Nu deze zellingen hun functie voor de steenfabrieken verloren hebben, worden ze op sommige plaatsen geschikt gemaakt voor de bouw van woningen of bedrijfsruimten. Op deze wijze kunnen deze cultuurhistorische elementen in het landschap worden behouden, zo ook het voorliggend plangebied.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 59
De IJsseldijk Noord, waaraan de Zelling ‘Dikke Boom’ is gelegen vormt, de belangrijkste structuurlijn in de omgeving van het plangebied. Het plangebied dankt haar bestaan mede aan deze dijk. Naast deze waterkerende functie heeft de dijk vooral ook in ruimtelijk opzicht een grote betekenis. Met een hoogte van drieënhalf à vier meter boven NAP is deze duidelijk zichtbaar vanuit het, op ongeveer anderhalve meter beneden NAP liggende, veenweidegebied. De dijk werd oorspronkelijk aangelegd om de laag gelegen Krimpenerwaard te beschermen tegen de Hollandsche IJssel. Dit veenweidegebied wordt gekenmerkt door een zogenaamde slagenverkaveling: een verkavelingspatroon van lange, smalle kavels die min of meer haaks op de dijk zijn gesitueerd en zich uitstrekken vanaf de dijk tot ver in het natte veengebied. De kavels worden van elkaar gescheiden door kavelsloten en door (voormalige) vlieten en molenboezems, die sterk in breedte variëren en doorlopen tot aan de dijk langs de Hollandsche IJssel. De dijk fungeert als de belangrijkste verkeersroute in het gebied en is de drager van de bebouwing die er zich langs uitstrekt. Van Ouderkerk tot Gouda is er sprake van een langgerekt bebouwingslint, slechts hier en daar onderbroken door wielen of bosschage.
Dit binnendijkse bebouwingslint vormde in vroeger tijden de basis voor de ontginning van het achterliggende veenweidegebied van de Krimpenerwaard. Op de oeverwal, aan de voet van de dijk, komt over vrijwel de gehele lengte van de dijk matig dichte tot dichte bebouwing voor. De bebouwing staat overwegend haaks ten opzichte van de dijk en correspondeert nog in belangrijke mate met de oorspronkelijke verkavelingsrichting. De bebouwing bestaat afwisselend uit grote boerderijcomplexen en kleine burgerwoningen. Plaatselijk is sprake van grote contrasten in verschijningsvorm, stedenbouwkundige oriëntatie, maatvoering en grootte van de bebouwing binnen het lint. De kleinschaligheid van burgerwoningen, schuurtjes en andere bouwsels wordt afgewisseld met grotere elementen zoals boerderijen en een enkel bedrijfscomplex.
Conclusie Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd. De aanwezige bebouwing bestaat uit één vrijstaande woning met bijgebouw, acht aan één gebouwde arbeiderswoningen van vóór het jaar 1900 en een schuur. De arbeiderswoningen verkeren in een slechte en vervallen staat. Het plangebied ligt ter plaatse van een zogenaamde ‘zelling’. Deze zelling heeft inmiddels de functie verloren. Door het herbestemmen van de locatie worden de cultuurhistorische elementen in het landschap in stand gehouden.
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 60
4.11
KABELS EN LEIDINGEN
Om een goede belangenafweging mogelijk te maken over de nieuwe functie binnen het voorliggend plangebied is het noodzakelijk om de ligging en eigenschappen van de binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen inzichtelijk te maken. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het bestemmingsplan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang. Voor dergelijke leidingen gelden bepaalde afstanden die aangehouden dienen te worden en waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Buiten de reguliere huisaansluitingen bevinden zich binnen het plangebied geen relevante kabels en leidingen, welke een belemmering kunnen vormen voor de hier voorgestane ontwikkeling. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een KLIC-melding te worden aangevraagd om definitief te bepalen waar zich mogelijk leidingen bevinden.
4.12
MER-BEOORDELING
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is als deze de daarin genoemde grenswaarde overschrijden. Voor activiteiten beneden de grenswaarde geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.beoordelingsplicht is van toepassing zodra: 1. De activiteit onder één van de categorieën van activiteiten in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage valt, ongeacht de omvang van de activiteit en 2. Sprake is van een aangewezen besluit in kolom 4 van onderdeel D
Stantec | Bestemmingsplan Dikke Boom 61
Beoordeling De in voorliggend plan voorgenomen ontwikkelingen zijn geen activiteiten die voorkomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen:
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De beoogde herontwikkeling, die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, overschrijdt deze drempelwaarden niet. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Voorliggende herziening voorziet in de realisatie van enkele woningen. De ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals omschreven in het Besluit milieueffectrapportage onder D 11.2. Weliswaar blijft de omvang ervan onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van het Besluit m.e.r. is alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er is geen sprake van ligging in een gevoelig gebied. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen belangrijke negatieve milieugevolgen op. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie Het plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het woon- en leefmilieu in de omgeving.