CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2 Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B( VG01) Toelichting

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Tiendweg West 30a en naast Tiendweg West 8b, Lekkerkerk21.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

passende woonplek in een geschikte woonomgeving met de gewenste bijbehorende ondersteuning. 5. Bouwen aan vitale kernen: De kernen vormen in hun onderlinge samenhang de ‘verschillende gezichten van de Krimpenerwaard’. Profilering en ontwikkeling van de kernen krijgt invulling op basis van kwaliteiten van kernen, waarbij de huidige inwoners als primair belanghebbenden de hoofdrol spelen. Woonbehoefte In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt gemeente Krimpenerwaard als ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Zoals blijkt uit onderstaande figuur, wordt voor de kern Lekkerkerk een plancapaciteit van 113% voorzien, vergeleken met de huishoudensprognoses (2015-2025).

Figuur 3.5: Uitsnede factsheet kern Lekkerkerk (Woonvisie Krimpenerwaard, gemeente Krimpenerwaard, 2017, p. 51) Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen. Relatie tot het plangebied Uit de gemeentelijke woonvisie blijkt dat er een kwantitatieve woonbehoefte bestaat, waarbij vergroting van de woningvoorraad in Lekkerkerk gewenst is. Bovendien blijkt uit de woonvisie dat er kwalitatief behoefte bestaat aan met name koopwoningen, onder andere in het woningtype vrijstaand. De beoogde ontwikkeling voorziet in realisatie van een vrijstaande woning in de kern Lekkerkerk. Het perceel naast Tiendweg-West 8B is gelegen in de bebouwde kom. De nieuwbouwwoning die hier is voorzien, sluit dan ook aan bij het perspectief van kernen met karakter en groeiperspectief. De woning is in nabijheid van voorzieningen en met de beoogde ontwikkeling is sprake van een ruimtelijke kwalitateitsverbetering, die niet ten koste gaat van de kracht van de kern. Conclusie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 1 vrijstaande woning, gebruikmakend van de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Het beoogd initiatief voorziet daarmee in een kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte. De ontwikkeling is in lijn met de woonvisie.

3.3.3 Welstandsnota Op 1 januari 2015 zijn de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist samengevoegd tot de nieuwe gemeente Krimpenerwaard. Het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten wordt met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2017) geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd. Met deze herziening wil de gemeente daarnaast het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dereguleren waar mogelijk vereenvoudigen en afstemmen op de beleving van de burger. De wens is een praktische, goed leesbare en uitnodigende nota. De inhoud en opbouw van de nieuwe nota is bruikbaar als welstandsnota onder de huidige wetgeving en sorteert tegelijkertijd waar mogelijk voor op de vereisten van de Omgevingswet, waarin de ruimtelijke kwaliteit als samenspel tussen gebieden en gebouwen een belangrijk onderdeel is van de Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 34

omgevingskwaliteit. Bebouwingslinten De bebouwing in het landschap is voornamelijk geconcentreerd in de (dijk)linten met boerderijen, woonhuizen en een enkel bedrijf. De linten zijn van groot belang voor het karakter van de gemeente. Ze zijn afwisselend, maar de bebouwing heeft in de regel wel een vergelijkbare maat en schaal, die bepalend is voor deze streek. De bebouwing is geordend per erf. Er is een standaard ordening met een hoofdgebouw aan de voorzijde en daarachter de eenvoudiger bebouwing van de bijbehorende schuren en stallen. Aan de achterzijde grenzen deze erven meestal aan het wijdse landschap en geregeld is er een zichtlijn over het erf. Tussen de erven door is er zicht op het landschap, dat afhankelijk van het lint breed of smal is en eenzijdig of tweezijdig. de meeste linten en wegen worden begeleid door bomen in een smalle berm en sloten. Veranderingen moeten met respect voor deze eigenschappen worden ingepast, waarbij met name de inrichting van het kavel met onderscheid eerste- en tweedelijns bebouwing de aandacht vraagt. Uitgangspunt architectuur Uitgangspunt voor het beheer van de architectonische waarden in de Krimpenerwaard is het behoud van zowel de samenhang als de diversiteit van de gebouwen op zichzelf en als onderdeel van de stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.

Van belang zijn daarbij zijn het aanzicht vanuit de openbare ruimte en landschap. Relatie tot het plangebied Voor de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat er enkel wordt gesloopt en geen nieuwe gebouwen worden bijgebouwd. Indien geen vergunningplicht geldt, is welstandstoetsing niet aan de orde en is het de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om geen exces te bouwen. Voor het perceel naast Tiendweg-West 8B is welstandstoetsing relevant in het kader van de nieuw te bouwen compensatiewoning. Daarom zijn de bij de Nota Ruimtelijke Kwaliteit behorende niveaukaart en gebiedenkaart geraadpleegd. Onderstaande figuren tonen uitsnedes.

Figuur 3.6: Uitsnede niveaukaart (Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017), locatie Tiendweg-West 30A ter plaatse van de rode ster, perceel naast Tiendweg-West 8B ter plaatse van de oranje ster

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 35

Figuur 3.7: Uitsnede gebiedenkaart (Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017), locatie Tiendweg-West 30A ter plaatse van de rode ster, perceel naast Tiendweg-West 8B ter plaatse van de oranje ster Niveaukaart Voor elk gebied in de Krimpenerwaard is het minimale toetsingsniveau op de niveaukaart aangegeven, om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Het plangebied is voorzien van het niveau 'gewoon'. Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. De lat ligt hoger, gezien de beeldbepalende ligging en bijbehorende uitstraling op bezoekers en passanten. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten. De welstandsnota bevat voor gebieden met een gewoon welstandsniveau een set criteria, die aanstuurt op een inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen. Gebiedenkaart Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.

Per gebied is een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Het plangebied is gelegen in het 'landelijk gebied'. Het landelijk gebied heeft een gewoon welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. De bebouwing is gelijnd aan de verkaveling, waarbij boerderijen een woning aan de straatkant hebben en de stal hier in de regel achter is gelegen. Deze wijze van erfinrichting is kenmerkend voor het gebied en zorgt voor doorzichten over de erven. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, het gegroeid bebouwingspatroon en de cultuurhistorische bebouwing. Het uitgangspunt is dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Criteria objecten De gemeente streeft ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 36

mogelijk duidelijkheid geven. Deze zogeheten objectcriteria zijn opgesteld voor aanbouwen, bijgebouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dakopbouwen, erfafscheidingen, reclame en rolluiken. Conclusie Bij de nadere uitwerking van de nieuw te realiseren compensatiewoning zal welstandstoetsing plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunnign voor de activiteit bouwen. Hiervoor vraagt de gemeente advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie). Deze commissie bekijkt of het bouwplan voldoet aan eisen die staan in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 37

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Archeologie

4.1.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet Regels inzake archeologie waren voorheen geregeld in de Monumentenwet. Met het vervallen van deze wet in juli 2016, is een groot deel daarvan opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet betreft één integrale wet en bevat daarmee de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Daar waar relevant dienen mogelijk aanwezige waarden middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden beschermd. Daarnaast geldt de wettelijke meldingsplicht: indien per toeval een vondst wordt gedaan waarvan men vermoed dat deze archeologische relevantie kent, dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Een deel uit de Monumentenwet dat ziet op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming), zal opgenomen worden in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn de relevante artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Gemeentelijk archeologiebeleid Gemeente Krimpenerwaard heeft haar archoelogiebeleid vastgelegd in de Archeologienota Krimpenerwaard (2016). In 2015 is de huidige gemeente Krimpenerwaard gevormd uit vijf gemeenten die elk een eigen archeologiebeleid kenden. Dit is nu ‘geharmoniseerd’ in de Archeologienota van de gemeente Krimpenerwaard. Hierbij is rekening gehouden met de sinds 1 juli 2016 van kracht zijnde Erfgoedwet. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De essentie van deze wet is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Voor het archeologiebeleid van een gemeente is een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart onmisbare instrument. De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid èn de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. Om de verwachtingskaart ook toepasbaar te maken op beleidsmatig niveau is deze vervolgens vertaald naar een beleidskaart.

4.1.2 Onderzoek Voor dit bestemmingsplan is de gemeentelijke Archeologische Beleidskaart, behorende bij de Archeologienota Krimpenerwaard, geraadpleegd. Figuur 4.1 toont een uitsnede hiervan. Beide projectlocaties zijn aangewezen met archeologische waarde in categorie 'WA-5', waarvoor in principe een onderzoeksverplichting geldt bij bodemingrepen dieper dan 1,5 m -Mv en plangebied groter dan 2.500 m². De locatie Tiendweg-West 30A is eveneens aangeduid als 'contour rivierduincomplex'. Het perceel naast Tiendweg-West 8B is deels aangewezen als 'reeds onderzocht'.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 38

Figuur 4.1: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard (2016): locaties Tiendweg-West 30A (links) en perceel naast Tiendweg-West 8B (rechts) bij benadering rood omcirkeld Beide locaties hebben een archeologische verwachting voor de diepere ondergrond: de afzettingen van een oude rivierloop waarop/waarlangs we archeologische resten verwachten. Deze afzettingen bevinden zich dieper dan 1,5 m onder het maaiveld (heipalen behoren ook tot dergelijke diepteverstoringen). Het opsporen van archeologische resten wordt hier pas zinvol geacht bij ontwikkelingen die groter zijn dan 2.500 m². Tiendweg-West 30A: Op de projectlocatie aan Tiendweg-West 30A wordt uitsluitend gesloopt en vinden geen verdere ontwikkelingen plaats. Grootschalige graafwerkzaamheden zijn niet te verwachten. Uit overleg met het bevoegd gezag blijkt dat een archeologisch onderzoek op deze locatie niet nodig is, wanneer uitsluitend sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd. Perceel naast Tiendweg-West 8B: Op de projectlocatie op het perceel naast Tiendweg-West 8B, wordt uitsluitend een woning gebouwd en deze ontwikkeling blijft ruimschoots onder de grens van 2.500 m². Ook al zou er een kelder/verdieping komen met een diepte van 4 m onder het maaiveld, dan blijft de ontwikkeling gelet op de bouwmogelijkheden binnen de grens van 2.500 m².

Uit overleg met het bevoegd gezag blijkt dat voor de bouw van deze woning eveneens geen archeologisch onderzoek nodig is. Geconcludeerd wordt dat voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied niet op voorhand archeologisch onderzoek nodig is, omdat de ontwikkelingen binnen de vrijstellingsgrenzen blijven van de beleidsadvieskaart van de gemeente. Met het oog op de bescherming van Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 39

archeologische waarden wordt voor het plangebied wel een dubbelbestemming opgenomen die archeologische waarden beschermt conform de kaders van de archeologisch beleidskaart. 4.1.3 Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1 Regelgeving en beleid Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Cultuurhistorie in gemeentelijke bestemmingsplannen Vanaf 2012 dient de gemeente bij het vaststellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen rekening te houden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie is een ruim begrip. Niet alleen gebouwen vallen hieronder, maar ook het landschap, wegen, grenspalen en andere zaken. Door rekening te houden met cultuurhistorie passen nieuwe ontwikkelingen binnen de geschiedenis van het gebied en wordt er een bewuste keuze gemaakt hoe er wordt omgegaan met deze geschiedenis. 4.2.2 Onderzoek Voor beide locaties van het plangebied geldt dat in het vigerend bestemmingsplan een aanduiding 'landschapswaarden' aan de gronden is toegekend.

Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Deze landschappelijke en cultuurhistorische waarden hebben betrekking op aspecten als structuren, lijnen, vlakken, eendenkooi, molenbiotopen en topgebied. De locatie aan Tiendweg-West 30A is bovendien deels gelegen in de 'beschermingszone - eendenkooi'. Landschapswaarden Het plangebied is gelegen in het open veenweidelandschap. Het slagenlandschap is goed zichtbaar in de omgeving. Het slagenlandschap kenmerkt zich door een langwerpige strokenverkaveling met smalle percelen. Het slagenlandschap heeft een erg open karakter met verre doorzichten het landschap in. Op diverse plaatsen rondom het perceel zijn typerende beplantingstypen terug te vinden, waaronder een bosje en een knotwilgenrij en een elzensingel. De Tiendweg is een kenmerkende structuur in het slagenlandschap en het rivierenlandschap. De Tiendweg is een kade in het slagenlandschap en ligt dwars op de perceelsrichting en evenwijdig aan de rivier (de Lek). Kenmerkend langs de Tiendweg is tevens het bebouwingslint. In de vorige eeuw maakte de verdere ontwatering van de polders en de nieuwere funderingstechnieken het mogelijk om niet alleen langs de rivierdijken te bouwen, maar ook verder de polder in. Langs de Tiendwegen werden hierdoor veel bedrijven en woningen gesitueerd, wat de structuur versterkt.

Eendenkooi Een eendenkooi is van oorsprong een plek waar in het wild levende eenden werden gevangen voor consumptie. Een eendenkooi bestaat uit een flinke vijver waar enkele sloten op uitkomen, de zogenaamde vangpijpen. Voor ontwikkelingen die worden uitgevoerd in de beschermingszone van de eendenkooi, geldt dat rekening gehouden dient te worden met het afpalingsrecht als bedoeld in de Wet Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 40

natuurbescherming (voormalige Flora- en faunawet). De basis van het afpalingsrecht is de voorwaarde van behoud van rust in en rond de eendenkooi. Het is niet wenselijk om daar handelingen te verrichten waardoor de eenden binnen de afpalingskring kunnen worden verstoord of verjaagd. Tiendweg-West 30A en perceel naast 8B De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben in enige mate invloed op de openheid van het landschap en daarmee gepaard gaande doorkijk in het landschap. Omdat op het perceel naast Tiendweg-West 8B momenteel geen bebouwing aanwezig is, wordt de doorkijk (in beperkte mate) verminderd door het mogelijk maken van woningbouw. Daarentegen heeft het slopen van de onaantrekkelijke, gedateerde vleesveestallen aan Tiendweg-West 30A een positieve invloed op de algehele uitstraling en openheid van het landschap. De invloed van deze sloop op de eendenkooi zal, gezien de afstand en omvang van (niet-structurele) werkzaamheden, van beperkte aard zijn. Eventuele verstoring van rust zal beperkt en tijdelijk zijn. 4.2.3 Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Regelgeving en beleid Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau.

De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype zoals een rustig buitengebied. Een rustig omgevingstype is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 41

Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. 4.3.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint en kan daardoor worden gekarakteriseerd als het omgevingstype 'gemengd gebied'. Tiendweg-West 30A: Op de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat er geen nieuwe bedrijvigheid mogelijk wordt gemaakt en bovendien geen nieuwe woningen worden toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat, als gevolg van de sloop van de vleesveestallen en bijbehorende beëindiging van intensieve bedrijfsactiviteiten, het lokale woon- en leefklimaat verbetert. De agrarische bestemming wijzigt naar een woonbestemming. Een intensieve veehouderij (met een milieucategorie van 3.1 of hoger) is daardoor niet langer toegestaan. Op de projectlocatie worden nog wel nieuwe activiteiten toegestaan, in de delen van de voormalige agrarische bebouwing die behouden zullen blijven (ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'voormalige agrarische bedrijfsbebouwing'). Deze activiteiten kennen ten hoogste milieucategorie 2, waarvoor in 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt voldaan met betrekking tot de omliggende bebouwing. De afstand tussen het bestaande woonhuis en de te behouden loods en garage is circa 18-20 meter.

De exacte invulling van activiteiten is momenteel nog onbekend. Wel geldt dat bij toekomstige ontwikkelingen en bij het uitvoeren van de activiteiten op het omliggende (onbebouwde) terrein, rekening gehouden dient te worden met geldende richtafstanden. Perceel naast Tiendweg-West 8B: Op het perceel naast Tiendweg-West 8B, geldt dat een woning wordt toegevoegd. In de directe omgeving van het perceel, zijn woonfuncties en enkele agrarische functies gelegen. De nieuw te realiseren woning, komt niet dichter bij bedrijvigheid te liggen, dan dat bestaande woningen reeds gelegen zijn. Daardoor zal de realisatie van een woning op deze projectlocatie de bedrijfsvoering van bedrijvigheid in de omgeving niet verder beperken. De nieuwe woning vormt daarmee geen belemmering voor de bedrijfsvoering en vice versa. 4.3.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Regelgeving en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.4.2 Onderzoek Tiendweg-West 30A Aan de Tiendweg-West 30A is enkel sprake van sloop van bestaande bebouwing. Er worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een bodemonderzoek daardoor niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 42

Perceel naast Tiendweg-West 8B Bij ontwikkeling van een nieuwe woonfunctie, is wel een verkennend bodemonderzoek nodig om te bepalen of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de gewenste (woon)functie. Derhalve is voor het perceel naast Tiendweg-West 8B een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 1 Bodemonderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vast te stellen in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw en het mogelijk uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden binnen het overige deel van de onderzoekslocatie. Ook de mogelijk te graven poldersloot aan de noordzijde van de onderzoekslocatie is hierbij in overweging genomen. Uit het onderzoek blijkt dat de grond en het grondwater maximaal licht verontreinigd zijn. Er is geen asbest aangetoond in het extra onderzochte bovengrondmonster nabij de toegangsdam. De onderzoeksresultaten van de bovengrond, ondergrond en/of het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie is geschikt voor de bouw van een nieuw woonhuis. Tevens bestaan er, voor wat betreft de bodemkwaliteit, geen belemmeringen met betrekking tot een mogelijk te graven poldersloot aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

4.4.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.5

Duurzaamheid

4.5.1 Regelgeving en beleid Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwbouw gebouwen voldoen aan de BENG-eisen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebouw). BENG is een uitdrukking van een energieprestatie. De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) methodiek wordt derhalve vervangen door de BENG-methodiek. Om de Europese afspraken omtrent het beperken van klimaatverandering te behalen dient een vermindering van uitstoot van CO2 en beperking van energieverbruik te worden gerealiseerd. Het landelijke beleid is om in 2050 een CO2-arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken. Gemeentelijk beleid Gemeente Krimpenerwaard vindt duurzaamheid belangrijk. Daarom is duurzaamheid een speerpunt in het collegeprogramma. Een grote duurzaamheidsopgave is de energietransitie. De energietransitie bestaat uit de overstap naar schone, hernieuwbare energie, zoals zonne-energie, windenergie, energie uit water, aardwarmte en waterstof. Het doel is minder CO2-uitstoot en schone, betaalbare en veilige energie voor iedereen. Uiteindelijk wil de gemeente Krimpenerwaard in 2050 volledig CO2-neutraal zijn. Krimpenerwaard werkt aan schone betaalbare en veilige energie voor iedereen, zodat gezamenlijk de CO2-uitstoot en de negatieve gevolgen van klimaatverandering worden verminderd.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 43

4.5.2 Onderzoek Op de locatie Tiendweg-West 30A worden de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd. Met het beëindigen van de veestapel, wordt amoniakemissie en daarmee stikstofdepositie van en door het vleesvee gestaakt. Dit heeft een positieve invloed op de natuur. Bovendien zal, met het verwijderen van de bebouwing en de asbestdaken, het verhard oppervlakte op deze locatie afnemen. Hierdoor kan het grondwater beter in de bodem infiltreren is er meer ruimte voor groen. Daarbij wordt gezorgd voor een betere inpassing in het landschap met kenmerkende beplantingen. Dit gaat gepaard met een plaatselijke verhoging van de biodiversiteit en zorgt voor een ecologisch waardevolle locatie. Daarnaast blijft een deel van de bestaande (voormalige bedrijfs)bebouwing bestaan. De loods en garage zijn nog in goede staat en zullen daarom niet gesloopt, maar herbestemd worden. Het dak van de loods is een aantal jaren geleden voorzien van zonnepanelen, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame energievoorziening. De nieuw te bouwen woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B zal in ieder geval moeten voldoen aan de wettelijke duurzaamheidsvoorschriften, zoals de BENG-eisen en aardgasloos bouwen. De uiteindelijke uitwerking van het ontwerp voor de woning zal in een later stadium plaats vinden. Wel biedt het inrichtingsplan al enkele kaders.

Zo zal de inrichting rondom de woning groen van aard zijn. Er is veel streekeigen beplanting voorzien, onder andere in de beoogde siertuin en boomgaard met weiden en gazon. De kavel wordt aan de achterzijde afgesloten door een nieuw te graven watergang met een natuurvriendelijke oever (in lijn gebracht met de reeds aanwezige watergang aan de achterzijde van Tiendweg-West 8B). Het groen en water zal een positieve invloed hebben op de lokale biodiversiteit en voorziet in duurzame waterberging. In de verdere uitwerking van het planontwerp zal daardoor aandacht zijn voor natuurinclusief bouwen. 4.5.3 Conclusie Duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving en beleid Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de gemiddelde kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).

Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 44

plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Besluit externe veiligheid transportzones In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen.

Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10- 6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. 4.6.2 Onderzoek Voor het plangebied is de risicokaart geraadpleegd (zie figuur 4.2). Op de kaart zijn een aantal omliggende risicobronnen weergegeven, waarop nader wordt ingegaan. Daarnaast is het Milieukundig advies van ODMH, behorend bij het vigerend bestemmingsplan, geraadpleegd, waaruit tevens blijkt in hoeverre de risicobronnen een relevante invloedsafstand kennen (zie ook figuur 4.3).

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 45

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, plangebied ter plaatse van Tiendweg-West 30A (links) en perceel naast Tiendweg-West 8B (rechts) bij benadering oranje omcirkeld (bron: nederland.risicokaart.nl)

Figuur 4.3: Plaatsgebonden risico (PR) en invloedsgebied groepsrisico (GR) van relevante inrichtingen (bron: Milieukundig advies, 2013 ODMH, bijlage 1 bij bestemmingsplan "Landelijk gebied", Gemeente Nederlek) Inrichtingen Op circa 350 m afstand ten zuidoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is gasontvangstation Lekkerkerk gelegen aan de Thorbeckestraat. Het plaatsgebonden risico van deze inrichting reikt tot 15 meter. Op circa 500 m afstand ten noordoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is het bedrijf Geodis BM Netherlands B.V. aan de Kerkweg 199 gesitueerd. Het invloedsgebied in het kader van groepsrisico ismaximaal 105 meter. Op de locatie kunnen tankwagens met gevaarlijke stoffen parkeren. In de vergunning van dit bedrijf is vastgelegd dat hier tankwagens met gevaarlijke stoffen gedurende een beperkte periode aanwezig mogen zijn. Er is in de vergunning ook een beperking opgelegd aan de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die tegelijkertijd aanwezig mag zijn. Hierdoor is het Bevi in feite niet van toepassing op de inrichting. Op meer dan 800 m ten noordoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is een LPG-tankstation gesitueerd. Het invloedsgebied van een LPG tankstation bedraagt formeel 150 meter. Vervoer van gevaarlijke stoffen Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 46

Uit het vigerend bestemmingsplan blijkt dat over de N476 transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze provinciale weg ontsluit in het verlengde van de Kerkweg naar het noorden toe (N476 niet specifiek op figuur 4.2 aangeduid). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter van de betreffende wegen moet de toename van het groepsrisico worden verantwoord. Transport over het spoor Er bevinden zich in nabijheid van het plangebied geen spoorwegen. Transport buisleidingen Op circa 300 m afstand ten oosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B loopt een buisleiding (aardgasleiding Gasunie W-513-06) naar het genoemde gasontvangstation Lekkerkerk. Deze buisleiding heeft een belemmeringenstrook van 4 meter en het invloedsgebied van is maximaal 45 meter (1% letaal). Transport over water Op meer dan 900 m ten zuiden van het plangebied, ter plaatse van de rivier Lek, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat hier om de binnenvaartroute Corridor Amsterdam - Rijn. Bij bouwplannen in het plasbrandaandachtsgebied van 25 meter vanaf de waterlijn en binnen de uiterwaarden moet rekening worden gehouden met een plasbrandscenario vanaf het water. Als daar sprake van is moet dit in de verantwoording van het groepsrisico aan de orde komen. Magneetveldzones Nabij de locatie Tiendweg-West 30A lopen twee hoogspanningslijnen. Het gaat om twee 380 kV hoogspanningslijnen.

Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt dat beide locaties in het plangebied niet zijn gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van een Bevi-inrichting, nabijgelegen route of buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen, of andere stationaire risicobronnen. Het plaatsgebonden risico van deze bronnen, vormt daardoor geen belemmering voor het plangebied. Uitzondering hierop is een beperkte kans op overstromingen (niet in figuur 4.2 weergegeven). Wel geldt voor alle nieuwbouw waar mensen verblijven, dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop uitgeschakeld dient te kunnen worden in geval van een incident in de omgeving. Dit voorkomt dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit kan al bereikt worden door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te plaatsen. Onder de Omgevingswet wordt dit een standaard bouweis (lid 4 art. 4.124 Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Magneetveldzones Ter plaatse van de hoogspanningsverbindingszone op de locatie Tiendweg-West 30A is een dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' in dit bestemmingsplan opgenomen (ongewijzigd overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan). Op de locatie Tiendweg-West 30A worden geen nieuwe bestemmingen mogelijk gemaakt waar kinderen langdurig kunnen verblijven.

De magneetveldzones reiken bovendien niet tot aan het perceel naast Tiendweg-West 8B. Daardoor vormen de hoogspanningslijnen en bijbehorende magneetveldzones geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de uitkoopregeling voor woningen onder hoogspanningslijnen hier niet van toepassing is, omdat de woning niet recht onder de hoogspanningslijn is gelegen. Groepsrisico Aangezien er op de locatie Tiendweg-West 30A geen gevoelige bestemmingen in het kader van externe veiligheid worden toegevoegd, is er geen sprake van een mogelijke toename in het groepsrisico. Op het perceel naast Tiendweg-West 8B wordt een woning toegevoegd. Dit is een gevoelige Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 47

functie in het kader van externe veiligheid. De locatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen. Gezien de afstand tussen het plangebied en de inrichtingen/transportroutes, zal de toename van de woning dan ook geen impact hebben op de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico wordt niet beïnvloed met onderhavige ontwikkeling. 4.6.3 Conclusie Het risico op overstroming vormt een randvoorwaarde in het kader van externe veiligheid. Hier wordt nader op ingegaan in § 4.11 Water. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7

Flora en Fauna

4.7.1 Beleid en regelgeving Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten is vastgelegd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming.

Dat houdt in dat, bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dan planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het plangebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Natura 2000-gebieden en (het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 48

Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). 4.7.2 Onderzoek Soortenbescherming perceel Tiendweg-West 30A Voor de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Om uit te wijzen in hoeverre (mogelijke verblijfsplaatsen van) beschermde flora- en faunasoorten op de locatie aanwezig zijn, is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Quickscan ecologie (perceel Tiendweg-West 30A). Uit deze quickscan volgt dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen op de locatie Tiendweg-West 30A. Om echter volledig zeker te zijn dat de sloopwerkzaamheden geen verblijfplaatsen van beschermde soorten zullen verstroren, zal nader onderzoek worden uitgevoerd naar de in Bijlage 3 benoemde soorten. In voorkomend geval zal dan een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.

De verwachte oplevering van de resultaten is zomer 2022. Soortenbescherming perceel naast Tiendweg-West 8B Voor het perceel naast Tiendweg-West 8B is een quickscan uitgevoerd, om uit te wijzen in hoeverre (mogelijke verblijfsplaatsen van) beschermde flora- en faunasoorten op de locatie aanwezig zijn. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3 Quickscan ecologie (perceel naast Tiendweg-West 8B). Bij de quickscan is de heikikker niet aangetroffen, maar het kan zijn dat deze een vaste verblijfplaats heeft in het plangebied. Omdat verstoring van deze soort daarmee niet op voorhand kan worden uitgesloten, zal nader onderzoek worden uitgevoerd. In voorkomend geval zal een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Bovendien dient verstoring van broedvogels te worden voorkomen (bijvoorbeeld door werkzaamheden enkel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden) en geldt de algemene zorgplicht. Uitvoering van nader onderzoek naar de heikikker is daarom uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B). Tijdens de inventarisatie zijn geen Heikikkers aangetroffen. Vanwege het ontbreken van Heikikkers in het plangebied, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.

Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het perceel naast Tiendweg-West 8B. Gebiedsbescherming Beide percelen in het plangebied zijn niet gelegen in een Natura-2000 gebied, NNN, weidevogelleefgebied of gebied dat is beschermd als bijzondere houtopstand. Direct negatieve effecten op beschermde natuurgebieden kunnen hiermee worden uitgesloten.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 49

Figuur 4.4: Ligging Tiendweg-West 30A (ter hoogte van de oranje stip) en perceel naast Tiendweg-West 8B (ter hoogte van de rode stip) ten opzichte van beschermde gebieden Indirecte negatieve effecten, door een toename in stikstofdepositie, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5 AERIUS-berekening. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het aspect stikstof geen belemmering vormt bij de realisatie van het voorgenomen initiatief op de twee percelen. Er is geen sprake van significant negatieve effecten door een toename stikstofdepositie. Derhalve is een vergunning Wnb dan ook niet noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat, met de beoogde ontwikkeling, activiteiten worden opgeheven die structureel stikstof uitstootten. Immers verdwijnen de vleesveestallen en bijbehorende bedrijfsactiviteiten. Dit heeft een positieve invloed op natuur, in het kader van stikstofdepositie. 4.7.3 Conclusie Gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bestaat er geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te twijfelen. Op basis van de verrichte quickscans zijn er namelijk géén op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde flora- en faunasoorten aangetroffen op de beide locaties.

Uit nader onderzoek naar heikikker op het perceel naast 8B, is bovendien reeds gebleken dat er geen ontheffing nodig is. Dit laat onverlet dat bij de realisering van het concrete project (sloop bij 30A) nader onderzoek naar de aanwezigheid van een aantal beschermde diersoorten aan de orde is. Het onderzoek is reeds in gang gezet. In het kader van uitvoerbaarheidstoets bij dit bestemmingsplan kan echter worden aangenomen dat het plan uitgevoerd zal kunnen worden zonder in strijd te handelen met de Wnb. Dit ofwel omdat geen ontheffing is vereist vanwege de afwezigheid van beschermde soorten of het treffen van afdoende mitigerende maatregelen, ofwel omdat een ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend.

4.8

Geluid

4.8.1 Regelgeving en beleid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wgh is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 50

Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen.

Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Gemeentelijk geluidbeleid Conform het gemeentelijk geluidbeleid dienen woningen waarvoor hogere grenswaarden worden vastgesteld in principe te beschikken over een geluidluwe zijde. Hiervan kan alleen worden afgeweken op grond van zwaarwegende argumenten. De afwijking dient daarbij te worden beperkt. Een woning met een dove gevel dient te allen tijde een geluidluwe zijde te hebben. Indien hogere waarden worden aangevraagd en het plan is gelegen binnen de zones van meerdere geluidbronnen, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). 4.8.2 Onderzoeken Op basis van de Wet geluidhinder is bij de realisatie van geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen) een geluidonderzoek noodzakelijk. Het akoestisch klimaat ter plaatse van de beoogde woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B is derhalve onderzocht.

De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6 Akoestisch onderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B). Deze planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de zone langs de Tiendweg-West. De Tiendweg-West bestaat uit een wegdeel waarvoor een maximumsnelheid van 60 km/uur geldt en een deel waar voor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur bezitten geen geluidzone conform de wet Geluidhinder en hebben om die reden geen wettelijke beoordeling nodig. Echter ligt de 30 km/uur weg in deze situatie in het verlengde van de 60 km/uur weg. In akoestisch opzicht is deze weg daarom beschouwd als één weg en is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer over de Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 51

Tiendweg-West ten hoogste 45 dB Lden bedraagt na aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. In het plangebied is geen sprake van blootstelling van meer dan één geluidbron. Cumulatie is hier dan ook niet aan de orde. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor nergens overschreden. Er hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld en er is sprake van een akoestisch aanvaardbaar klimaat. 4.8.3 Conclusie Geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.

Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 52

4.9.2 Onderzoek Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 1 extra woning mogelijk. Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Goed woon- en leefklimaat Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 4 januari 2021 geraadpleegd wat de totale concentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het plangebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed woon- en leefklimaat te motiveren is.

Uit de resultaten van de monitoringstool blijken de totale concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de dichtsbijzijnde rekenpunten: Rekenpunt ID 15851739 (Tiendweg-West 30A) NO2: 18.7 µg/m3 in 2020 en 13.5 µg/m3 in 2030 PM10: 17.8 µg/m3 in 2020 en 15.5 µg/m3 in 2030 PM2,5: 10.9 µg/m3 in 2020 en 8.8 µg/m3 in 2030 Rekenpunt ID 15851847 (perceel naast Tiendweg-West 8B) NO2: 18.1 µg/m3 in 2020 en 13.1 µg/m3 in 2030 PM10: 18.1 µg/m3 in 2020 en 15.7 µg/m3 in 2030 PM2,5: 11.1 µg/m3 in 2020 en 9.0 µg/m3 in 2030 Zowel in 2020 als 2030 blijven de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5). Zelfs wanneer de maximale bijdrage als gevolg van de verkeersaantrekkende werking hierbij opgeteld zou worden, is een overschrijding van de grenswaarden niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. 4.9.3 Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Regelgeving en beleid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor wordt de realisatie van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. Zoals toegelicht in § 2.4.2 Parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard', wordt met het parapluplan voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. In het geldende parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard' is opgenomen dat voor wat betreft het aspect parkeren, een plan dient te worden getoetst aan de richtlijnen uit de CROW-publicatie 317, dan wel naar later vast te stellen beleidsregels voor parkeernormen. De genoemde publicatie 317 is opgevold door CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen' (2018). Hierin zijn kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie opgenomen. Mees Ruimte & Milieu | Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B Pagina | 53

4.10.2 Onderzoek Ontsluiting Beide locaties in het plangebied zullen, conform de huidige situatie, via bruggen vanaf de Tiendweg-West worden ontsloten. Parkeren Het plangebied wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid gekarakteriseerd als 'weinig stedelijk'. De ligging van het plangebied is voor het perceel naast Tiendweg-West 8B in rest bebouwde kom. Op basis van deze uitgangspunten geldt, conform CROW publicatie 381, voor een vrijstaand koophuis een parkeereis van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning. Op het terrein is voldoende ruimte om parkeergelegenheid te realiseren. De parkeereis ter plaatse van de locatie Tiendweg-West 30A zal met de beoogde ontwikkeling niet toenemen. Het beperkte parkeren vindt volledig plaats op eigen terrein. Verkeersgeneratie De verkeersintensiteit zal ten opzichte van de huidige situatie niet of nauwelijks toenemen. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de toevoeging van één woning zal beperkt zijn, terwijl de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het verdwijnen van de agrarische activiteiten op de locatie Tiendweg-West 30A zal afnemen. Capaciteitsproblemen of verkeerskundige problemen voor de Tiendweg-West zijn niet te verwachten als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied. Het bestaande wegprofiel is van voldoende capaciteit om het verkeer op te vangen en af te wikkelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=66a1fcb5-3514-43ee-8b01-21f029c7e277