BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan Middelblok 187A Gouderak
Tekst van het document
Ook bevordert het planvoornemen de sociale verbindingen in de gemeente. De kinderopvang fungeert namelijk als sociale ontmoetingsplek voor kinderen en hun ouders en tevens bevordert de omgang met dieren de sociale vaardigheden van mensen. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de bestaande kwaliteiten van de IJsselstreek.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|26 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment vervallen de Welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist. De nota bevat de beleidsregels met daarin de criteria die de gemeente toepast bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. Met de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” is gekozen voor harmonisering en deregulering van het welstandsbeleid met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Een groot aantal woongebieden en bedrijventerreinen hebben een soepel toetsingsniveau waarbij verbouwingen welstandsvrij zijn. Om onaanvaardbare situaties tegen te gaan is een excessenregeling opgenomen. De eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ kan aangeschreven worden om die strijdigheid op te heffen. Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'.
Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Wat betreft (agrarische) bedrijfsgebouwen zorgen een teruggelegen ligging in combinatie met terughoudende materialen en gedekte kleuren ervoor dat bedrijfsgebouwen onnadrukkelijk in het landschap liggen en minder de aandacht trekken dan de woonbebouwing.
Figuur 12 Uitsnede ‘niveaukaart’ Nota Ruimtelijke Kwaliteit (plangebied rood omlijnd)
Op de niveaukaart heeft het plangebied aan het Middelblok 187A de aanduidingen ‘bijzonder’ en ‘gewoon’. In gebieden waar een bijzonder welstandsniveau geldt, gelden extra criteria die aansturen op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen. Inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn hier gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld. Bij een gewoon niveau is het uitgangspunt het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|27
Figuur 13 Uitsnede ‘gebiedenkaart’ Nota Ruimtelijke Kwaliteit (plangebied rood omlijnd)
Op de gebiedenkaart heeft het plangebied aan het Middelblok 187A de aanduidingen ‘Hollandsche IJssel’ en ‘Landelijk gebied’. De linten langs de Hollandsche IJssel hebben een bijzonder welstandsniveau. De combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lint- en dijkbebouwing. Het beeld is kleinschalig, met variatie in open en meer besloten delen. Ontwikkelingen moeten een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de hooforiëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Het landelijk gebied heeft een gewoon welstandsniveau. Toetsing Het planvoornemen betreft de nieuwbouw van een kinderdagverblijf inclusief buitenschoolse opvang (460 m²) met parkeerplaatsen, speelweiden en nieuwe groenvoorzieningen, in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. Hiervoor worden een mestplaat en een mestput (180 m²) geheel verwijderd en wordt één schuur (155 m²) gesloopt. Eén van de twee bestaande schuren (195 m²) blijft behouden. Het plan wordt landschappelijk ingepast. Bij het ontwerp is rekening gehouden met het omliggende landschap van de Krimpenerwaard. Het nieuwe gebouw bestaat uit twee, ten opzichte van elkaar iets verschoven, volumes.
Dit zorgt voor een speels uiterlijk en zorgt ervoor dat het gebouw visueel kleiner lijkt dan het is. Het nieuwe gebouw komt zoveel mogelijk in lijn te staan met de schuren van Middelblok 187 om te zorgen voor een natuurlijk geheel. Het ontwerp steekt slechts 1 meter boven de dijk uit. Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|28
5. RANDVOORWAARDEN 5.1
Bodemkwaliteit
Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Onderzoek Van Linge Milieu heeft op 18 januari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Middelblok 187A te Gouderak. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging. Op de locatie staan twee schuren c.q. stallen, begin jaren ’80 gebouwd. Het erf tussen de schuren is deels verhard met puin, beton en asfalt. De oorspronkelijke bodem bestaat uit klei, overgaand in veen. De bodem rond de schuren bevat tot 0.6 m-mv wat zandige lagen. De bodem van het omringende grasland is direct vanaf maaiveld venig. In de meeste boringen is puin waargenomen in boven- of ondergrond, tot een diepte van maximaal 0.9 mmv.
Het gehalte is plaatselijk als sterk gekwalificeerd. De laag puin en menggranulaat bestaan voor ruim meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal en zijn daarmee geen onderdeel van de bodem. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de boven- en ondergrond rond de twee schuren aan de Middelblok worden geen tussenwaarden overschreden. Dat geldt ook voor de sterk puinhoudende grond en de grond in de contour van de gedempte sloten. Indicatief is de grond van het terrein rond de schuren wonen- en industrie kwaliteit. Dat sluit aan bij de gegevens van de bodemkwaliteitskaart voor Gouderak. Het asfalt van de oprit naar de dijk bevat 21 mg/kg ds PAK. Het criterium voor teerhoudend asfalt is 50 mg/kg ds. Het asfalt kan dus als niet-teerhoudend worden beschouwd. Asbest Asbest is visueel nergens waargenomen op het terrein aan de Middelblok. Er zijn vier monsters van puin en puinhoudende grond op asbest geanalyseerd. Het lab heeft daarin geen asbest aangetoond. De monsters bevatten volgens het analysecertificaat geen asbest kleiner dan 0.5 mm. Dat is het zogenaamde respirabele, meest risicovolle asbest. Grondwater Molybdeen is als enige licht verhoogd in het grondwater. Dit metaal is regionaal verhoogd, vaak in combinatie met barium.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|29 Conclusie, aanbevelingen De licht verhoogde gehaltes in grond en grondwater hebben geen consequenties voor een eigendomsoverdracht van de locatie en zijn geen risico voor de volksgezondheid. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden is er geen aanleiding voor verder onderzoek. De algemene bodemkwaliteit vormt ook geen belemmering voor eventuele ontwikkeling van de locatie. Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.2
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen, • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|30 Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Op 9 maart 2022 is het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022 – 2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe we samen met onze partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. kwaliteitsverbetering; 2. klimaatadaptatie; 3. verandering van wetgeving. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit is opgenomen in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al het beleid dat te maken heeft met water samen in één document.
In het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 komen de volgende beleidskeuzes aan de orde: • Waterveiligheid: De provincie kiest voor een duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid; • Mooi en schoon water: De provincie wil een goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater; • Bodemdaling: De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken; • Sport, recreatie, water- en groenbeleving: De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap, water en natuur en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad; • Goed functionerende provinciale infrastructuur: De provincie zorgt voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer in Zuid-Holland en voor een zo efficiënt en duurzaam mogelijk onderhoud van de provinciale infrastructuur; • Toekomstbestendige infrastructuur: De provincie werkt aan duurzame en toekomstbestendige infrastructuur ten behoeve van bereikbaarheid en veiligheid.
Daarnaast draagt de provincie bij aan het behalen van andere maatschappelijke opgaven en doelstellingen, zoals energie transitie, CO2-reductie, circulariteit, klimaat adaptatie en biodiversiteit.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|31 Waterbeheerprogramma 2022-2027 (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard) In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zijn visie en ambities voor het waterbeheer in zijn gebied voor de komende jaren. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. In het waterbeheerprogramma is beschreven aan welke eisen het water, sluiten, gemalen, wegen en bruggen in de regio moeten voldoen. De specifieke taken en verantwoordelijkheden van het hoogheemraadschap zijn: • Wettelijke taken; • Veilige dijken; • Voldoende schoon water; • Afvalwater zuiveren; • Veilige wegen; • Regels en toezicht. De specifieke ambities en doelen voor de planperiode 2022-2027 zijn: • Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat • Een duurzaam waterschap voor de wereld van moren • Water en waterschap als onderdeel van de samenleving Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer, Krimpen aan den IJssel en Schoonhoven. Er is onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden met elk hun eigen thema’s. Het hoogheemraadschap werkt aan deze thema’s vanuit zijn taak voor een veilige, gezonde en aantrekkelijke leef- en werkomgeving.
De drie deelgebieden zijn: • Rotterdam en Capelle aan den IJssel Belangrijke thema’s in dit deelgebied zijn water- en klimaatbestendig bouwen, schoon en gezond water, recreatie in, op en om water en duurzaamheid • Krimpenerwaard en Krimpen aan den IJssel Belangrijke thema’s in dit deelgebied zijn waterbeheer in agrarisch gebied, bodemdaling in het Veenweidegebied, overstromingsrisico's en klimaatadaptatie • Zuidplas, Lansingerland, Zoetermeer, Waddinxveen en Gouda Belangrijke thema’s in dit deelgebied zijn water- en klimaatbestendig bouwen, schoon en gezond water, recreatie in, op en om water en duurzaamheid De Keur De Keur is een algemene verordening van het waterschap als toetsingskader om de belangen ten taken van het waterschap te waarborgen. De Keur is gebaseerd op de Waterwet en de Waterschapswet. De verordenende bevoegdheden zijn vormgegeven naar een model van de Unie van Waterschappen. In de Keur staat wat er wel en niet mag in wateren, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken (waterstaatswerken) en grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Zo mogen bepaalde activiteiten bij wateren en dijken alleen worden uitgevoerd als het waterschap daarvoor een vergunning heeft verleend. Hiermee worden risico’s op wateroverlast of gevaren voor de dijken voorkomen.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|32 In bepaalde gevallen gelden algemene regels in plaats van de vergunningsplicht. In deze algemene regels worden minder risicovolle activiteiten toegestaan zonder dat er vooraf toestemming hoeft te worden gevraagd aan het waterschap. Wel gelden er meesten voorwaarden en moet er achteraf een melding worden gedaan. Van de waterstaatswerken wordt via een legger de technische norm en geografische begrenzing aangegeven. Toetsing plangebied Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan het Middelblok, een dicht bebouwd bebouwingslint tussen de openheid van de rivier Hollandsche IJssel enerzijds en de openheid van het veenweidelandschap Krimpenerwaard anderzijds. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van 25.436 m² en omvat circa 3 hectare landbouwgrond, een erf, een mestplaat en een mestput en twee schuren c.q. stallen. Het erf heeft een oppervlakte van circa 170 m² en is verhard met puin, beton en een klein deel asfalt. De mestplaat en mestput hebben een oppervlakte van circa 180 m², de twee schuren hebben een oppervlakte van circa 155 m² en 195 m². Dit betekent dat ongeveer 695 m² van het plangebied verhard/bebouwd. De overige 24.741 m² bestaat uit landbouwgrond, groen en water. Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit bebouwing, verharding en groen.
In de bestaande situatie wordt de neerslag via inzijging, afroming naar lagere terreindelen en verdamping afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken verloopt op traditionele wijze door lozing op het rioolstelsel. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Binnen het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater aangesloten op de riolering langs het Middelblok. Toekomstige situatie Afkoppelen hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Met het planvoornemen worden de mestplaat en mestput met een oppervlakte van 180 m² geheel verwijderd. Eén van de twee bestaande schuren (195 m²) blijft behouden en de andere schuur (155 m²) wordt gesloopt. De kinderopvang wordt in een nieuw gebouw van circa 460 m² gevestigd. Het erf wordt verhard met klinkers. De uitrit wordt verbreed van 3,7 naar 5 meter en verhard met grastegels en bovenaan de dijk wordt een opstelruimte gerealiseerd zodat enkele auto’s kunnen wachten totdat de weg vrij is en stagnatie van wegverkeer voorkomen wordt.
Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte perceel Bebouwing Verharding perceel Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak Toename verhard oppervlak NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
Huidige situatie (m²) Ca. 25.436 Ca. 530 Ca. 170 Ca. 700 Ca. 24.736
Toekomstige situatie (m²) Ca. 25.436 Ca. 655 Ca. 1300 Ca. 1955 Ca. 23.481 Ca. 1.955 bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|33 Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie toe met circa 1.955 m². Op basis van het beleid van het waterschap dienen voor de toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m² compenserende maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de verwerking van hemelwater. Van de te compenseren verhardingstoename (1.455 m²) moet 10% gecompenseerd worden in te graven water. Door de sloot aan de zuidwestzijde van het plangebied te verbreden wordt 145,5 m² gecompenseerd. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. Het hemelwater zal worden afgevoerd via het oppervlaktewater. Om te voorkomen dat het hemelwater verontreinigd raakt, zullen niet-uitlogende bouwmaterialen worden toegepast. Afvalwater De bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Natuurvriendelijke oevers Het planvoornemen biedt kansen voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Met het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard wordt overlegd wat de mogelijkheden zijn voor een natuurvriendelijke inrichting. Watertoets De 'watertoets' is verplicht voor alle ruimtelijke plannen. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd.
De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het plangebied aan het Middelblok 187A is gelegen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen (www.dewatertoets.nl) om te beoordelen of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Het resultaat hiervan is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Uit de digitale watertoets blijkt dat het plangebied waterschapsbelangen raakt. Het plangebied raakt een waterkering en is deels gelegen in oppervlaktewater. Het planvoornemen zorgt tevens voor toename van verhard oppervlak. Advies waterkeringen Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte (dubbel)bestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone moet worden bestemd als "waterstaat-waterkering". In de voorwaarden behorende bij deze (dubbel)bestemming moet de bestemming "waterstaatwaterkering" als primaire bestemming gelden. Daarnaast vereist het hoogheemraadschap dat bij bouwplannen binnen deze (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder moet worden geraadpleegd.
Het is wenselijk dat wordt verwezen naar de bepalingen in de keur en legger en dat men een vergunning bij de waterkeringbeheerder moet aanvragen. Het verplicht opnemen van de waterkering in het bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Verordening Ruimte (2010).
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|34 Advies oppervlaktewater Bij het ontwerp van een plan moet goed rekening worden gehouden met het onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewater moet bereikbaar zijn voor het onderhoudsmaterieel (belastingstype landbouwmaterieel). Zorg voor goed toegankelijke oevers en te water laat plaatsen en voorkom obstakels als bomen, lantarenpalen en bebouwing direct langs de oever. Deze zogeheten ‘onderhoudsstroken' zijn bij hoofdwatergangen tenminste vijf meter. Zie ook de legger van de watergangen, waarin deze waterstaatswerken zijn opgenomen. Daarbij is het van belang om water en onderhoudsstroken vast te leggen op verbeelding en voorwaarden op te nemen in regels en om ruimte te reserveren voor onderhoud langs oevers watergangen. Advies verharding oppervlakte Het landelijk waterbeleid schrijft voor dat ontwikkelingen waterneutraal moeten worden gerealiseerd. Dit betekent dat de versnelde afvoer van water door de verhardingstoename moet worden gecompenseerd. In de regel moet daarom aanvullende waterberging in de vorm van oppervlaktewater worden gegraven. In bepaalde gevallen kan de benodigde aanvullende waterberging ook met alternatieve waterberging worden opgelost. De benodigde aanvullende waterberging wordt door het hoogheemraadschap berekent volgens de landelijke norm (NBW afspraken).
De norm verschilt per gebiedsfunctie (woongebied, bedrijfsterrein of glastuinbouwgebied) en is mede gebaseerd op de actuele klimaatontwikkelingen en de daaraan gelieerde wateropgave in het gebied. De benodigde aanvullende waterberging wordt berekend als volume en doorgaans omgerekend in een wateroppervlak of percentage. Voor 'toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen' heeft Schieland en de Krimpenerwaard beleid vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: • compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water; • compensatie vindt in beginsel plaats binnen de grenzen van het plangebied; • wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied. • wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar. • waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan. • het aanbrengen van > 500 m² verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard • De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan.
Daarbij geldt dat voor de hoofdwaterstructuur de bestemming "water" opgenomen moet worden op de verbeelding. In bepaalde gevallen volstaat een aanduiding binnen een andere bestemming ook. In de toelichting en bij voorkeur in regels moet worden opgenomen dat op grond van de Keur onderhoudsstroken langs de hoofdwatergangen moeten worden vrijgehouden. Indien de ligging van de onderhoudsstroken exact bekend is, is het gewenst deze ook op de verbeelding op te nemen.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|35 Verboden stoffen Conform artikel 6.2 van de Waterwet is het verboden om stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te brengen, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend. Het verdient de voorkeur bij de inrichting van nieuwe terreinen preventieve maatregelen te nemen die onkruidbestrijding m.b.v. chemische bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk voorkomen. Vergunningplichtige lozingen: Lozingen in oppervlaktewater van hemelwater die als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijv. zinken of koperen daken) verontreinigd zijn geraakt zijn vergunningplichtig. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op straatverharding is ongewenst en mag volgens wettelijke gebruiksvoorschriften uitsluitend volgens de DOB-methode (Duurzaam OnkruidBeheer) worden toegepast. Verdroging Verdroging van gebieden moet worden tegengegaan. Verdroging wordt onder andere veroorzaakt door de afname van de infiltratie van water. Stedelijke gebieden zijn sterk verhard waardoor water minder makkelijk kan infiltreren naar het grondwater. Het toepassen van waterdoorlatende verhardingen of het vergroten van het wateroppervlak en onverharde terreinen zijn goede maatregelen om verdroging tegen te gaan. Ook (grote) grondwateronttrekkingen (landbouw, glastuinbouw) leiden tot verdroging. Voorkom nieuwe bronnen van verdroging en verminder de negatieve effecten van bestaande.
Overleg met de provincie (grondwaterbeheerder van grote onttrekkingen). Wateradvies De uitwerking van deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard toegezonden. Op 28 november 2022 is van het Hoogheemraadschap een wateradvies ontvangen. Het hoogheemraadschap heeft geconcludeerd dat de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende gewaarborgd zijn. Het hoogheemraadschap brengt een aantal overige punten onder de aandacht die verwerkt zijn in deze toelichting. De vooroverlegreactie van het hoogheemraadschap is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert het planvoornemen geen knelpunten op voor de waterhuishouding. Voor bepaalde onderdelen wordt een vergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard.
5.3
Luchtkwaliteit
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|36 De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 13 μg/m³. De concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse circa 20 μg/m³. De concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse minder dan 35 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee voldoende, zeker gezien de kinderopvang op 50 meter afstand van de weg komt te liggen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. NIBM Het onderhavige planvoornemen betreft de nieuwbouw van een kinderdagverblijf inclusief buitenschoolse opvang met parkeerplaatsen, speelweiden en nieuwe groenvoorzieningen, in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. Voor de berekening van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is uitgegaan van een worst-case scenario. Deze bedraagt maximaal 100 mvt/etmaal (zie paragraaf 3.2). Met de NIBM-tool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|37
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0.0%
NO2 in μg/m3
0.05
PM10 in μg/m3
0.01
Maximale bijdrage extra verkeer
100
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
1.2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Het planvoornemen draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.4
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidshinder.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|38 Onderzoek In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de realisatie van een kinderdagverblijf aan de Middelblok 187A te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Middelblok, N207, Veerstalblok en het industrieterrein Middelblok. Voor de Veerstalblok geldt een inrijdverbod met uitzondering van fietsers en landbouwverkeer. Derhalve wordt deze weg als akoestisch irrelevant beschouwd en is derhalve niet opgenomen in onderhavig onderzoek. Middelblok De voorkeursgrenswaard wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de weg Middelblok is maximaal 49 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Krimpenerwaard kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van bestaande bebouwing. De weg Middelblok is al voorzien van dunne deklagen B. Het aanbrengen van een ander stiller wegdek zou kunnen worden overwogen.
Hiermee is een zeer beperkte geluidreductie te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee tevens op bezwaren van financiële aard. Het toepassen van een scherm of wal is in onderhavige situatie tevens geen reële maatregel om de geluidbelasting te reduceren. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, dient rekening te worden gehouden met het document “Beleidsregel Hogere waarden, 2018” van de Omgevingsdienst Midden-Holland. Indien de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer meer dan 53 dB of ten gevolge van industrielawaai meer dan 55 dB(A) bedraagt, dient de geluidsgevoelige bestemming te beschikken over een geluidluwe gevel en ten minste één buitenruimte aan een geluidluwe gevel. De voornoemde geluidbelastingen worden niet overschreden, zodoende zijn de aanvullende voorwaarden niet van toepassing. Wel is zichtbaar dat het gebouw beschikt over ten minste één geluidluwe gevel en één buitenruimte welke grenst aan een geluidluwe gevel. Conform het Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.
Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor het nieuwe gebouw worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 28 dB. N207 De geluidbelasting ten gevolge van de N207 is maximaal 47 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|39 Industrielawaai Middelblok De voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde worden niet overschreden, de geluidbelasting bedraagt maximaal 50 dB(A). Conform opgave van Omgevingsdienst MiddenHolland dient, ongeacht de berekende geluidbelasting van 50 dB(A), conform artikel 57 van de Wgh een hogere grenswaarde te worden verleend van 55 dB(A). Met de verlening van deze hogere grenswaarde zullen de uitbreidingsplannen van de aanwezige bedrijven op het industrieterrein Middelblok worden gerespecteerd. Conform het Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor het nieuwe gebouw worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. Omdat in onderhavige situatie sprake is van een bedgebied, is de minimaal vereiste gevelgeluidwering gelijk aan het verschil tussen de hoogste geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 30 dB. De indeling van het gebouw is nog onduidelijk, waardoor een strengere eis voor een bedgebied voor het hele gebouw is aangehouden. Conclusie Gezien bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planvoornemen, nadat een procedure hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai is doorlopen.
Deze procedure wordt gelijktijdig gestart met de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. In het kader van de bestemmingsplanprocedure zal ook een ontwerpbesluit hogere waarde ter inzage worden gelegd. Het ontwerpbesluit is als bijlage bij de toelichting opgenomen.
5.5
Geur
In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|40 Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Onderzoek De realisatie van een kinderdagverblijf/BSO is alleen mogelijk als ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De aanwezigheid van veehouderijbedrijven in de directe omgeving is hierop van invloed. In de omgeving van het plangebied aan de Middelblok zijn verschillende bedrijven aanwezig. De bouwmaterialenhandel aan de overzijde van het plangebied produceert geen geur. Ter plaatse is enkel geurhinder te verwachten vanuit agrarische inrichtingen in de omgeving; het hobbymatig houden van dieren daaronder niet begrepen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft het naastgelegen perceel Middelblok 187. Planologisch gezien is hier een paardenhouderij toegestaan. Door het geurbeleid van de gemeente Krimpenerwaard (op basis van de Wet geurhinder en veehouderijen) moet tussen een paardenstal en het kinderdagverblijf een afstand worden aangehouden van ten minste 25 meter. In de toekomstige situatie is rekening gehouden met een afstand van 25 meter.
Andere agrarische bedrijven in de buurt van het plangebied betreffen het perceel Middelblok 163 op een afstand van 150 meter en het perceel Middelblok 191 op een afstand van 175 meter van het plangebied. Gezien de afstand van meer dan 100 meter is het aannemelijk dat er geen sprake is van geurhinder met dieren zonder geuremissie factor. Van dieren met geuremissie factor lijkt geen sprake op basis van de gesignaleerde bedrijfsvoering danwel het ontbreken van een bestemmingsaanduiding ‘intensieve veehouderij’ in het vigerende bestemmingsplan. Nader onderzoek naar geurbelasting wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|41 Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.
De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Met het planvoornemen wordt een agrarische bestemming omgezet naar een maatschappelijke bestemming. In de huidige situatie is sprake van het houden van rundvee. Er is een veeschuur aanwezig (bouwjaar 1986), geschikt voor het huisvesten van 26 stuks rundvee. Verder zijn er een vaste mestopslag, gierkelders en een loods/berging aanwezig. Voorliggend plan maakt de nieuwbouw van een kinderdagverblijf mogelijk inclusief buitenschoolse opvang met parkeerplaatsen, speelweiden en nieuwe groenvoorzieningen, in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. Het plangebied is gelegen aan het Middelblok 187A. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonfuncties en bedrijfsfuncties aanwezig. Door de aanwezigheid van verschillende functies geldt voor het plangebied het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|42 In onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven rond het plangebied weergegeven met bijbehorende richtafstand. Locatie Aard bedrijvigheid Milieu Richtafstand Afstand categorie gemengd gebied Middelblok 154 Leverancier van 2 10 m 35 m bouwmaterialen Middelblok 166 Leverancier van 2 10 m 33 m bouwmaterialen Middelblok 190 Houthandel 2 10 m 70 m Middelblok 190
Glashandel
2
10 m
70 m
Middelblok 194
Groothandel in vuurwerk
3.1
30 m
95 m
Middelblok 194B
Beveiligingsbedrijf
1
0m
95 m
Middelblok 202
Installatiebedrijf
2
10 m
150 m
Bij de ontwikkeling van de kinderopvang/BSO in het plangebied wordt wat betreft de aspecten geur en stof voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. Meest bepalend is het aspect geluid. Het plangebied aan het Middelblok 187A is gelegen binnen de geluidscontour/zone van de industrie aan de overzijde van de locatie. Ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone – industrielawaai’ geldt dat de bouw van een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, alsmede in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder, is binnen deze geluidzone niet toegestaan, tenzij: 1. Een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde voor de betrokken woning of voor het betrokken gebouw vóór de vaststelling van dit plan is verleend; 2. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het industrielawaai op enige gevel van de betrokken of het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Een kinderdagverblijf/BSO is als geluidsgevoelig gebouw aangewezen in het Besluit geluidhinder. In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de realisatie van een kinderdagverblijf, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Dit is al nader toegelicht in paragraaf 5.4.
Het onderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Om de bouw van de kinderopvang mogelijk te maken moeten bij de aanvraag van de omgevingsvergunning hogere waarden worden aangevraagd bij de gemeente Krimpenerwaard. Conform opgave van Omgevingsdienst Midden Holland dient, ongeacht de berekende geluidbelasting van 50 dB(A), conform artikel 57 van de Wgh een hogere grenswaarde te worden verleend van 55 dB(A). Met de verlening van deze hogere grenswaarde zullen de uitbreidingsplannen van de aanwezige bedrijven op het industrieterrein Middelblok worden gerespecteerd. Andersom betreft het kinderdagverblijf/BSO een milieuhinderlijke functie. Derhalve dient ook gekeken te worden of voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van nabijgelegen woningen. Een kinderdagverblijf valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter met betrekking tot geluid in gemengd gebied. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning aan het Middelblok 187 ligt op circa 18 meter van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|43 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling, mits er voor het aspect geluid een verzoek voor hogere waarde wordt ingediend op basis van het definitieve bouwplan bij de gemeente en de gemeente een besluit neemt om de hogere waarde te verlenen.
5.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|44 Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: • De kans op een ongeval; • Het effect van het ongeval; • Het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; • De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Onderzoek De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico’s in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In de onderstaande uitsnede van de risicokaart wordt de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 14 Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied zwart omlijnd)
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|45 Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op 285 meter afstand bevindt zich een propaantank, de kinderopvang is buiten de veiligheidscontour van deze tank gelegen. Vervoer gevaarlijke stoffen De dichtstbijzijnde route voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op circa 170 meter ten zuiden van het plangebied. Het gaat hierbij om een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie. De leiding heeft geen PR 10-6 contour en het invloedsgebied reikt tot 30 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de buisleiding, waardoor een berekening van het groepsrisico of de verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) is verzocht advies uit te brengen over de fysieke veiligheid omtrent onderhavig bestemmingsplan. Op 28 november 2022 is van de Veiligheidsregio een advies ontvangen. Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en / of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, brengt de Veiligheidsregio een aantal punten onder de aandacht. Deze punten worden in acht genomen tijdens de realisatie van het kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang.
Denk daarbij aan het zichtbaar maken van de brandkraan nabij het plangebied en het bereikbaar maken van het mechanische ventilatiesysteem. De vooroverlegreactie van de Veiligheidsregio is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.8
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|46 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wnb) niet meer en andersom.
Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: • Vogels o Alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten o Alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb). • Overige beschermde soorten o Soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb).
Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).
NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01
bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak
|47 De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Quickscan natuurwetgeving Het planvoornemen betreft de nieuwbouw van een kinderdagverblijf inclusief buitenschoolse opvang (460 m²) met parkeerplaatsen, speelweiden en nieuwe groenvoorzieningen, in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. Hiervoor worden een mestplaat en een mestput (180 m²) geheel verwijderd en wordt één schuur (155 m²) gesloopt. Eén van de twee bestaande schuren (195 m²) blijft behouden. In het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft BuiTeGewoon | groenprojecten een ecologische quickscan uitgevoerd.