CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan Middelblok 187A Gouderak

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Middelblok 187a, Gouderak22.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Conclusie Het plangebied aan het Middelblok 187a te Gouderak is zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de Wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden. Met betrekking tot soortbescherming leiden de bevindingen niet tot de noodzaak voor het aanvragen van een ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. Aanbevolen preventieve of mitigerende maatregelen • Als preventieve maatregelen wordt geadviseerd het rooien van beplantingen, het dempen van de watergang en werkzaamheden aan de kleine stal buiten het broedseizoen (1 maart – 1 augustus) plaats te laten vinden. Indien deze werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen dient vooraf een vogelcheck plaats te vinden; • op hopen geplaatste bouwmaterialen zoals zand, grind en grond dienen in de periode april – juli voorkomen te worden.

Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud (< 45 graden) of als laag depot te worden afgewerkt; • om verstoring van foerageerhabitat en vliegroutes in de directe omgeving van het plangebied te voorkomen dient uitstralend licht tijdens de bouwactiviteiten vermeden te worden; NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|48 •

•

•

indien tijdens de bouw, bijvoorbeeld ten bate van het ontgraven van de funderingen, grond in depot wordt geplaatst of bouwmaterialen als los gestort materiaal worden opgeslagen dient te worden voorkomen dat zich hierin amfibieën of ringslangen vestigen voor de overwinteringsperiode. Het plaatsen van een amfibieënscherm rondom eventueel aanwezige grond- of zandhopen om vestiging van amfibieën of ringslangen te voorkomen gedurende de periode oktober – maart wordt als preventieve maatregel geadviseerd; onderdeel van de projectontwikkeling betreft het dempen van een klein deel van een watergang. Hierbij is het verstandig een ecologisch werkprotocol “opdrijvend dempen” te volgen; tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij het aantreffen van dieren dienen deze zorgvuldig verplaatst te worden naar een veilige locatie in de omgeving van het plangebied. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen.

Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Met het planvoornemen wordt de agrarische bestemming omgezet naar een maatschappelijke bestemming. In de huidige situatie is sprake van het houden van rundvee. Er is een veeschuur aanwezig (bouwjaar 1986), geschikt voor het huisvesten van 26 stuks rundvee. Verder zijn er een vaste mestopslag, gierkelders en een loods/berging aanwezig. Voor de locatie is een milieu toestemming aanwezig, een zogenaamde Hinderwetvergunning d.d. 13-02-1986. Voorliggend plan maakt de realisatie van een kinderopvang mogelijk in combinatie met het kleinschalig hobbymatig houden van dieren ten behoeve van de kinderopvang. Op 12 november 2022 is door Hans Rietveld Agrarisch Advies een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd voor het Middelblok 187A te Gouderak. Hierbij zijn met name Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (4.500 m) en de ‘Nieuwkoopse Plassen’ (12.700 m) van belang. Aanlegfase Tijdens de aanlegfase wordt het bestaande terrein bouwrijp gemaakt en de loods gesloopt.

Vervolgens zal het gebouw voor de kinderopvang en de voorzieningen op het terrein gerealiseerd worden. Voor aanlegfase is per november 2022 geen vrijstelling voor het beoordelen van de stikstofdepositie meer van toepassing. Voor de aanlegfase is er conform de AERIUS berekening een maximale belasting van 0,00 mol/ha/jaar berekend op Natura 2000 gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ en de ‘Nieuwkoopse Plassen’. De aanlegfase is daarmee niet in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming van de wet natuurbescherming. Gebruikersfase In de gebruikersfase is er sprake van stikstofbronnen, namelijk verkeersbewegingen en het houden van dieren. Het kinderdagverblijf zal energieneutraal worden uitgevoerd. Eventuele stikstof emissie uit stookgasinstallaties is dus niet van toepassing. Voor de gebruikersfase is er conform de AERIUS berekening zowel in de bestaande situatie als in de beoogde situatie een afname van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ en de ‘Nieuwkoopse Plassen’. Vanwege het feit dat er geen sprake is van een toename van de depositie is er geen nadere beoordeling noodzakelijk. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|49 De planontwikkeling is daarmee niet in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming van de wet natuurbescherming. Eventuele andere effecten naast stikstof zijn gezien de grote afstand uitgesloten. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|50 Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart In het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen is getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Zuid-Holland. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Figuur 15 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied rood gemarkeerd)

Historische landschappelijke vlakken De meeste landschapstypen in Zuid-Holland (bv. veenontginning, droogmakerij, zeekleipolder) zijn op provinciaal niveau - niet bijzonder zeldzaam. Ze scoren daardoor, bij voldoende gaafheid en samenhang, doorgaans niet hoger dan 'hoge waarde'. Onderdelen van landschappen kunnen - in gave staat - wel hoger scoren. Zo heeft het hart van het veenweidelandschap in de Krimpenerwaard een opvallend gave strokenverkaveling, met veenputten en eendenkooien. Dit gebied scoort daarom zeer hoog. Op de CHW is af te lezen dat het plangebied aan het Middelblok 187A is aangewezen als historisch landschappelijk vlak met een hoge waarde. Dijklinten Dijklinten zijn in de provincie zowel te vinden langs de rivierdijken als langs voormalige zeedijken. In het laaggelegen poldergebied waren de rivierdijken, na hun aanleg in de Middeleeuwen, de hoogste en dus veiligste vestigingsplaatsen. Voor de zeedijken geldt dat, zodra ze door verdere aangroei van land hun waterkerende functie hadden verloren, ze werden bebouwd. Deze dijken zijn hierdoor niet langer versterkt en verhoogd, waardoor er veel meer bebouwing bewaard is gebleven dan langs de dijken van de grote rivieren. Op de CHW is af te lezen dat het plangebied aan het Middelblok 187A gedeeltelijk is aangewezen als dijklint. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|51 Het plan wordt landschappelijk ingepast. Bij het ontwerp is rekening gehouden met het omliggende landschap van de Krimpenerwaard. Hierbij wordt dus rekening gehouden met de maat en weidsheid van het landschap. Het nieuwe gebouw wordt geplaatst binnen een bestaand lint. Het karakter van het lint blijft zoveel mogelijk geborgd middels landschappelijke inpassing. De nieuwbouw bestaat uit twee, ten opzichte van elkaar iets verschoven, volumes. Dit zorgt voor een speels uiterlijk en zorgt ervoor dat het gebouw visueel kleiner lijkt dan het is. Het nieuwe gebouw komt zoveel mogelijk in lijn te staan met de schuren van Middelblok 187 om te zorgen voor een natuurlijk geheel. Het ontwerp steekt slechts 1 meter boven de dijk uit. Gezien de omvang van het achterliggende poldergebied en de relatief beperkte uitbreiding kan gesteld worden dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het veenweidelandschap. Met de voorgenomen ontwikkeling blijven de cultuurhistorische kwaliteiten van het veenweidelandschap en het dijklint behouden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Archeologie

Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard in de zone ‘Waarde archeologie 3’: (zeer) hoge archeologische verwachting (locatie historische bewoningslinten, dijken). Voor de zone ‘Waarde Archeologie 3’ geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. Het planvoornemen overschrijdt de gestelde onderzoeksgrens, derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|52 Onderzoek OP 11 augustus 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Algemeen kan gesteld worden dat het plangebied geen aantrekkelijke vestigingslocatie zal zijn geweest vanwege de overwegend natte omstandigheden. Verder zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van oeverwallen of bewoonbare niveaus. Hierdoor blijft de lage verwachting voor de periode neolithicum tot en met ijzertijd behouden en wordt de middelhoge verwachting voor zowel de Romeinse periode tot en met de vroege middeleeuwen als voor de periode volle middeleeuwen tot en met nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Over archeologische niveaus die dieper dan de boringen reiken (2 tot 5 meter beneden maaiveld) kan enkel worden gezegd dat deze mogelijk aanwezig zijn. Omdat deze dusdanig diep liggen hebben ze geen invloed op de voorgenomen graafwerkzaamheden. Een archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Echter, gezien de aanwezigheid van een ondoordringbare puinlaag was het niet mogelijk om de bodemopbouw van het uiterste noordelijke deel van het plangebied te documenteren. Deze zone grenst aan de, van oorsprong laatmiddeleeuwse, dijk op de oostelijke oever van de Hollandsche IJssel. Om deze reden wordt geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie voor dit deel van het plangebied te behouden.

Dit houdt in dat bij bodemverstorende ingrepen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd wordt voor het noordelijke deel van het plangebied gelegen aan de dijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaard toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elke besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Daklijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|53 De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. Artikel 7.16 lid 2 en 3 Wet milieubeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) a. De verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; b. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

Onderzoek Drempelwaarde lijst D Voor het plangebied aan het Middelblok 187A gelden momenteel de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. De aangrenzende gronden zijn in gebruik als bedrijventerrein, agrarische gronden en woonbestemmingen. Het planvoornemen betreft de nieuwbouw van een kinderdagverblijf inclusief buitenschoolse opvang met parkeerplaatsen, speelweiden en nieuwe groenvoorzieningen. Daarvoor zal het plangebied een maatschappelijke bestemming krijgen. Het plangebied omvat in de huidige situatie circa 3 hectare landbouw, een erf, een mestplaat en een mestput en twee schuren. De mestplaat en mestput met een oppervlakte van 180 m² worden geheel verwijderd. De bedoeling is om één van de twee bestaande schuren (195 m²) te gebruiken. De andere schuur (155 m²) wordt gesloopt. De kinderopvang wordt in een nieuw gebouw van circa 460 m² gevestigd. In het plangebied is sprake van de aanleg, wijzing of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het bouwen van een kinderopvang van 460 m² valt onder activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. onder de term ‘stedelijk ontwikkeling’. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit met D.11.2. in bijlage II van het Besluit, vermeld: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen.

Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ ligt op 4.500 m afstand en het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen’ ligt op 12.700 m afstand. Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|54 Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het planvoornemen getoetst aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling. 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) a. De verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; b. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van de bestemmingsplanherziening niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.- (beoordelings)procedure voor dit project. Het bevoegd gezag moet een besluit nemen of een milieueffectrapportage opgesteld moet worden. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage bij de toelichting opgenomen.

5.12

Ontplofbare oorlogsresten

Sinds de Tweede Wereldoorlog kunnen er in de (water)bodem ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn (voorheen conventionele explosieven (CE) of niet-gesprongen explosieven (NGE)), zoals munitie, vliegtuigbommen, granaten en landmijnen. Hiermee moet men rekening houden bij werkzaamheden op of in de bodem. Wanneer werkzaamheden gepland zijn in een verdacht gebied, moet de initiatiefnemer rekening houden met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de bodem.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|55 Volgens de Omgevingsdienst Midden-Holland is onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten niet noodzakelijk. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Als men bij graafwerkzaamheden toch stuit op een verdacht object, zijn alsnog passende maatregelen nodig. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|56

6. JURIDISCHE REGELGEVING 6.1.

Inleiding

Dit bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan op de regeling van het bestemmingsplan Middelblok. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de kaart aangegeven bestemmingen en de daarop betrekking hebbende regels, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden.

6.2.

Systematiek van de regels

De gemeente Krimpenerwaard hanteert een bestek waar een bestemmingsplan aan dient te voldoen. Een hulpmiddel wat de gemeente daarbij gebruikt is een standaard opzet voor het maken van regels bij bestemmingsplannen. Elk bestemmingsplan blijft echter maatwerk. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Uiteraard is de mogelijkheid tot het leveren van maatwerk opgenomen, om de specifieke eisen die een gebied stelt aan de bestemmingsplanregeling te kunnen verwerken. Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP2012 en IMRO 2012) vastgelegd welke kleuren, lijnen, symbolen e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen.

Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels voor gebouwen; • Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; • Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; • Eventuele nadere eisen; • Eventuele afwijkingen van de bouwregels; • Eventuele specifieke gebruiksregels; • Eventuele afwijkingen van de gebruiksregels. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen van gronden als eerste beschreven en daarna gevolgd door de eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|57 Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Anti-dubbeltelregel; • Algemene gebruiksregels; • Algemene aanduidingsregels; • Algemene afwijkingsregels; • Algemene wijzigingsregels; • Algemene procedureregels; • Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; • Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

6.3.

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Maatschappelijk Artikel 3 bevat regels voor de bestemming ‘Maatschappelijk’. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor een kinderdagverblijf inclusief buitenschoolse opvang, in combinatie met het hobbymatig houden van dieren ten behoeve van de kinderopvang, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, verhardingen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming; Artikel 4 Waarde – Archeologie Artikel 4 bevat regels voor de bestemming ‘Waarde – Archeologie’. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. De bestemmingsregels schrijven voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden een archeologisch veldonderzoek noodzakelijk is. Artikel 5 Waterstaat - Waterkering Artikel 5 bevat regels voor de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor werken ten behoeve van de waterkering, de waterhuishouding met de daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten dienste van de geleiding en beveiliging van het scheepvaartverkeer. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze doeleinden worden gebouwd tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|58

7. UITVOERBAARHEID 7.1

Economische haalbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1. Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Het bestemmingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Door de initiatiefnemer is in oktober 2022 een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Meerdere omwonenden waren al lange tijd op de hoogte van de plannen. Voor de omgevingsdialoog zijn de volgende adressen persoonlijk door de initiatiefnemer bezocht: • Middelblok 187 • Middelblok 189 • Middelblok 166 Allen zijn direct omwonenden danwel bedrijfsmatig gevestigd nabij het plangebied. Met behulp van de situatietekening van de beoogde situatie na de bestemmingsplan wijziging, met daarin onder andere de situering van de parkeerplaatsen, het gebouw ten behoeve van de kinderopvang, de speelweide en het dierverblijf, is toegelicht wat het plan inhoudt. De omwonenden hebben aangegeven geen opmerkingen/bezwaren te hebben en waarderen de informatie voorziening. Vanuit het bedrijf aan het Middelblok 166 zijn er wel zorgen over de verkeersveiligheid vanwege de bestaande in/uitrit. Aanpassingen aan het (bouw)plan De opmerkingen inzake verkeersveiligheid zijn reeds bekend bij initiatiefnemer en de gemeente. Als oplossing hiervoor wordt de oprit verbreed naar minimaal 5 meter en voorzien van een opstelstrook voor meerdere personenauto’s, waarbij een haakse aansluiting op de openbare weg gerealiseerd wordt.

Personenauto’s die het terrein verlaten kunnen de auto’s die het terrein op willen dus op eigen terrein passeren. Hiermee is het alleen voor afslaande personenauto’s noodzakelijk bij tegemoetkomend verkeer te wachten op Middelblok. Hiermee is de verkeersveiligheid gegarandeerd.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

|59 Begin februari 2023 heeft er nog een overleg op locatie bij Middelblok 166 plaatsgevonden. Daarbij waren naast de initiatiefnemer en directeur van het bedrijf ook een verkeerskundige van de gemeente en het Hoogheemraadschap aanwezig. Daarbij is geconcludeerd dat als de toegang tot het perceel op een goede wijze wordt gerealiseerd (sowieso dat twee auto’s elkaar kunnen passeren) en de verdere inrichting hierop wordt aangepast, er vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid geen bezwaren zijn tegen de planontwikkeling. Verkeersveiligheid op deze weg is altijd al een aandachtspunt. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft op 4 november 2022 een overlegreactie ingediend. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de Veiligheidsregio Hollands Midden hebben op 28 november 2022 een overlegreactie ingediend. De adviezen van de Omgevingsdienst, het Hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio zijn verwerkt in onderhavig bestemmingsplan. Vanuit de provincie Zuid-Holland is aangegeven dat er vanuit provinciaal beleid geen bezwaren zijn voor deze ontwikkeling op deze plek.

Het aspect ruimtelijke kwaliteit is met hulp van een landschapsarchitect goed uitgewerkt in een inrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan. Het vergezicht vanaf de kruising Middelblok/N207 komt goed tot zijn recht. Op de kop van de kavel wordt nog steeds voldoende beplanting ingezet om het geheel in te kleden. Vanuit de provincie zijn geen bezwaren tegen de voorgestane planontwikkeling. De vooroverlegreacties zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Zienswijze Dit ontwerpbestemmingsplan is 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Het betreft een zienswijze van Stedin. De zienswijze van Stedin is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Stedin heeft in principe geen bezwaar op het plan, echter kan Stedin niet goed opmaken wat de exacte plannen zijn ten aanzien van de aldaar gelegen gasleiding (3 bar). Mogelijk dat de inrichting van het terrein dan wel de onderdelen dat gericht is op de buitenactiviteiten knelpunten ten aanzien van de gasleiding kunnen ontstaan. Initiatiefnemer zal hierover voorafgaand aan de werkzaamheden/activiteiten in overleg treden met Stedin. Vervolg De gemeenteraad is bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd.

Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

NL.IMRO.1931. BP2304BG022-VG01

bestemmingsplan Middelblok 187A, Gouderak

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=8c38674c-1dec-4477-97f4-15b34317d251