CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan De Kleine Betuwe Haastrecht

Raadsvergadering 6 februari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Gewijzigd Bestemmingsplan De Kleine Betuwe, Haastrecht28.125 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Gelezen het voorgaande worden de bestaande bedrijven in de omgeving niet onevenredig beperkt in hun mogelijkheden. In aanvulling hierop dient opgemerkt te worden dat de gemeente Krimpenerwaard een (gefaseerde) herontwikkeling van het bedrijventerreinen voor ogen heeft (zie ook toelichting paragraaf 3.4.5), waarbij bestaande bedrijfspercelen aan de westzijde van de Blekerstraat en aan de Hoogstraat 2-6a in de toekomst herontwikkeld kunnen worden ten behoeve van woningbouw. Als deze bestaande bedrijfspercelen herontwikkeld worden ten behoeve van woningbouw, neemt de geluidbelasting vanwege bedrijfsactiviteiten op de woningen in het gebied af.

4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle

44

beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Met de herontwikkeling van Galgoord gaat grootschalige sloop van bebouwing gemoeid wat mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of houtopstanden. Derhalve is een quickscan flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2020/972/r, d.d. 3 november 2020, zie bijlagen bij toelichting 16) uitgevoerd. Uit de quickscan zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: boom- en gebouwbewonende vleermuizen, essentiële vliegroutes en foerageergebied, boom- en steenmarter, huismus, buizerd en kerken ransuil.

De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels die niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek soortenbescherming Op basis van het bovenstaande oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van nestlocaties, verblijfplaatsen en/of leefgebied van beschermde soort niet uitgesloten worden. Om vast te stellen of de bebouwing daadwerkelijk een functie heeft voor huismus, kerk- en ransuil, sperwer, buizerd, vleermuizen en boom- en steenmarter is aanvullend onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, nr. BE/2020/827/r, d.d. 15 november 2021, zie bijlagen bij toelichting 17). Huismus In april 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de bebouwing binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn in de bebouwing aan het Galgoord te Haastrecht geen huismusnesten vastgesteld. De beoogde sloop leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor huismus is derhalve niet benodigd.

Kerkuil en ransuil In de periode februari - juni 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen van de kerkuil en ransuil in de bebouwing binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen nieuwe sporen zoals krijtsporen, braakballen of veren aangetroffen. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor kerkuil en ransuil is derhalve niet nodig. Sperwer en buizerd In de periode maart - mei 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten en foerageergebied van sperwer en buizerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument buizerd (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen bezette nesten van sperwer en/of buizerd gevonden. Gezien de waarnemingen kan cumulatief wel gesteld worden dat er sprake is van een broedgeval in de bosschage. Tevens wordt de bosschage met enige regelmaat gebruikt door de sperwer tijdens het rusten en foerageren. Hierdoor, en vanwege het feit dat de bosschage is gelegen in een landschap wat in de omgeving voornamelijk bestaat uit bebouwing en weidepercelen maakt dat de bosschage een essentieel onderdeel vormt voor de sperwer.

Het kappen van de bosschage leidt daardoor tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daardoor noodzakelijk.

45

Vleermuizen In de periode mei - september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis binnen het plangebied vastgesteld. De beoogde sloopt leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 en 4. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze verblijfplaatsen is derhalve benodigd. Er zijn geen essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden aangetoond. Omdat vleermuizen de planlocatie wel bij tijd en wijle passeren dient in de toekomstige situatie zoveel mogelijk aaneengesloten groen en zo min mogelijk lichtverstoring gerealiseerd te worden. Boommarter en steenmarter In de periode juni - augustus 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van marterachtigen (boom- en steenmarter) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde sloopt leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1.

Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze verblijfplaatsen is derhalve niet benodigd. Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus, kerkuil, steenuil en vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn in totaal twee nesten (gierzwaluw en kauw) en een rustplaats van een bosuil vastgesteld. De kauw valt onder algemene broedvogels. Dit nest kan buiten het broedseizoen weggenomen worden. Het nest van de gierzwaluw valt buiten het plangebied en wordt niet weggenomen. De bosuil betreft een cat. 5 vogelsoort onder de Vogelrichtlijn. Dat betekent dat dergelijke rustplaatsen jaarrond beschermd zijn indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Gezien deze rustplaats vaak wordt gebruikt en er geen geschikte alternatieven zijn (niet binnen de bosschage op de planlocatie en niet daarbuiten gezien de bosschage geïsoleerd ligt in een stedelijk-, en weidelandschap) is er sprake van ecologisch zwaarwegende redenen. De beoogde ontwikkelingen leiden daardoor tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve noodzakelijk.

Gezien de bosuil gebruik maakt van dezelfde bosschage als de sperwer kan bij de compensatie voor de sperwer de bosuil ook meegenomen worden. Vervolgstap(pen) Voor de beoogde werkzaamheden aan het Galgoord te Haastrecht dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aan gevraagd voor het wegnemen van: essentieel leefgebied en nestlocatie van sperwer, twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en een rustplaats en foerageergebied van een bosuil. Deze verblijfplaatsen en leefgebieden zijn namelijk beschermd onder Wnb, art 3.1 lid 2 en Wnb, art 3.5 lid 2. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. Op een afstand van circa 550 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 450 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 14 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn is een onderzoek naar stikstofdepositie middels AERIUS Calculator (Buro SRO, nr. SR180362, d.d. 17 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting 18) uitgevoerd.

46

Bij de gebruiksfase is uitgegaan van een toename van de verkeersgeneratie van 3.047,4 voertuigbewegingen per etmaal. 99% hiervan valt onder ‘licht verkeer’ en 1% onder 'zwaar verkeer'. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in de gebruiksfase totaal sprake is van een NOx-emissie van 48,4 kg/j en een NH3-emissie van 1,6 kg/j. In de berekening van de natuurgebieden leidt dit tot rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j. In de berekening met eigen rekenpunten, die is uitgevoerd vanwege een mogelijke aanwijzing van Polder Stein als stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, is gesaldeerd met de verkeersbewegingen en het gasverbruik van bestaande bedrijfsgebouwen in het plangebied. Na saldering blijkt dat er voor verschillende rekenpunten rekenresultaten groter dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase is een ruime schatting gemaakt voor de mobiele werktuigen die nodig zijn voor de sloop van de huidige gebouwen en realisatie van de beoogde situatie. Daarnaast is ook het vervoer van personeel en materialen meegenomen in de berekening. Deze werkzaamheden vinden verspreid over twee jaar plaats. Echter is er in deze berekening voor gekozen om uit te gaan van een worstcasebenadering waarbij alle werkzaamheden in één jaar worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in de bouwfase in totaal sprake is van een NOx-emissie van 310,1 kg/j en een NH3-emissie van 13,0 kg/j.

Uit de AERIUSberekening blijkt dat er in de bouwfase na saldering geen sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie op verschillende rekenpunten met rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j zijn. Desalniettemin is er wel een rekenresultaat (0,01-0,03 mol/ha/j) op de eigen rekenpunten in het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein’. Dit vormt pas een belemmering voor de ontwikkeling op het moment dat het betreffende Natura 2000-gebied opgenomen is in de Wnbregistratieset. De verwachting is dat de uitstoot van het project verder gereduceerd kan worden op het moment dat de bouwfase verder uitgewerkt is. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden, die deel uitmaken van de Wnb-registratieset. Het plan is uitvoerbaar wat betreft stikstofdepositie. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht voor foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.

De procedure voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor het wegnemen van essentieel leefgebied en nestlocatie van sperwer, twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en een rustplaats en foerageergebied van een bosuil is in voorbereiding en gaat parallel lopen aan de procedure van het voorliggende plan. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat, mits de ontheffingsaanvraag wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag, de beoogde ontwikkeling uitvoerbaar is vanuit het aspect ecologie.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

47

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

48

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Woningen worden gezien als kwetsbare objecten. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden met risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen in de omgeving. Uit raadpleging van risicokaart (zie navolgende afbeelding) volgt dat ten westen van het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig zijn. Deze risicobronnen zijn weergegeven in de navolgende tabel.

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding woningen (zwart kader)

Ten westen van het plangebied bevinden zich drie inrichtingen die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen. Daarmee vormen deze een dusdanig beperkt risico dat beschouwing nadere beschouwing achterwege kan blijven. In navolgende tabel staan de inrichtingen en transportroutes weergegeven die mogelijk wel belemmeringen vormen.

49

Risicobron

Type

Risicocontour (PR 10-6) in m en plasbrandaandachtsgebied

Spoorlijn Woerden Rotterdam P31_2

transportroute spoor

1 plasbrandaandachtsgebied

defensieleiding

0

14250

LPGtankstation

35

Maatgevend invloedsgebied in m buiten plangebied

Afstand tot het plangebied in m 1.300

buiten plangebied buiten plangebied

920 750

Uit de voorstaande tabel blijkt dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van één van de omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes ligt. Een berekening en/of verantwoording van het groepsrisico kunnen daarmee achterwege blijven. Tegenover Blekerstraat 7 is een gasdrukmeet- en regelstation met een capaciteit van 0,5 m³ gevestigd. De veiligheidsafstanden van gasontvang- en verdeelstations zijn opgenomen in tabel 3.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het betreffende gasdrukmeet- en regelstation wordt beschouwd als een station van type B met de opstellingswijze 'kast' of 'kaststation'. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van ten hoogste 6 m. Netbeheerder Stedin heeft bevestigd dat het om een 'afleverstation' gaat, dat gebruikt wordt voor het leveren van gas aan een specifiek bedrijf of specifieke bedrijven. In overleg met de netbeheerder zal bepaald worden of station verwijderd kan worden en wat er met de leiding naar het station moet gebeuren. De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft een advies uitgebracht. De aandachtspunten ten aanzien van de fysieke veiligheid die de VRHM heeft meegegeven zullen meegenomen bij de uitwerking en realisatie van de bouwplannen. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Water 4.8.1 Generiek beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

50

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.8.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: HDSR) staat de komende jaren voor een aantal vraagstukken voor het regionale waterbeheer. Het gaat dan om het voorkomen van wateroverlast, het integraal afwegen van alle functies en belangen bij het waterbeheer en het realiseren van schoon water. Deze opgaven worden voor diverse gebieden uitgewerkt in een watergebiedsplan. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van HDSR van toepassing. In dit plan geeft HDSR aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Keur 2019 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

51

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Omdat de oude Keur niet meer in onze veranderende wereld paste heeft HDSR een volledig nieuwe Keur opgesteld, die sinds 1 mei 2019 van kracht is. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het ruimtelijk plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen.

Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);

• •

het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

•

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

52

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. 4.8.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van herontwikkeling van een bedrijventerrein in stedelijk gebied. Waar mogelijk zal het hemelwater op een duurzame manier worden geborgd. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren.

Er wordt dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Watercompensatie De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie grotendeels verhard, afgezien van recreatieterrein 'De Kleine Betuwe'. Op basis van de huidige en toekomstige situatie is een verhardingsbalans gemaakt, die in navolgende tabel staat weergegeven. De oppervlakte aan bebouwing en verharding in de huidige en toekomstige situatie is gevisualiseerd op de navolgende afbeeldingen.

53

Oppervlakte in m² Huidige situatie bebouwing verharding oppervlakten buiten beschouwing (geen ontwikkeling) groen/onverhard water totaal plangebied waarvan verhard

12.187 20.367 14.219 21.408 1.297 69.477 32.554

Toekomstige situatie bebouwing (hoofdgebouwen) tuinen verhard (60%) tuinen onverhard (40%) oppervlakten buiten beschouwing (geen ontwikkeling) parkeerdek verhard (100%) verharding openbaar groen water (exclusief bestaande watergangen) totaal plangebied waarvan verhard

10.395 3.534 2.356 14.219 1.598 25.006 11.181 1.181 69.477 40.533

Benodigde watercompensatie verhardingstoename watercompensatie verharding (15%) watercompensatie te dempen water (100%) totaal benodigde watercompensatie nieuw aan te leggen water binnen het plangebied van SP totaal extra te compenseren ten zuiden van de rotonde (buiten plangebied)

7.980 1.197 875 2.072 1.181 891

54

Oppervlakte bebouwing en verharding huidige (boven) en toekomstige situatie (onder) (bron: Buro SRO)

Per saldo zal de oppervlakte aan verhard oppervlak toenemen met 7.980 m². Conform de eisen van HDSR dient 15% van deze toename als wateroppervlak gecompenseerd te worden, wat neerkomt op 1.197 m² extra wateroppervlak. In aanvulling hierop dient 875 m² wateroppervlak gecompenseerd te worden vanwege

55

te dempen watergangen. De totale watercompensatieopgave bedraagt 2.072 m². Hiervan wordt 1.181 m² binnen het plangebied, ten noorden en ten zuiden van de rotonde, gerealiseerd. De rest van de watercompensatieopgave, 891 m² in totaal, wordt buiten het plangebied, ten zuiden van de rotonde opgelost. Dit betreft een lager gelegen peilgebied (polder Hooge Boezem). Daarmee wordt voldaan aan de compensatieplicht van HDSR. Waterkeringen en watergangen Om te bepalen of er belangen van HDSR of hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: HHR) betrokken zijn bij voorliggend plan zijn de leggers van de waterschappen geraadpleegd. Op de navolgende afbeelding zijn uitsneden van de leggers weergegeven.

Uitsnede leggerkaart regionale waterkeringen (links: HDSR, rechts: HHR)

Op de afbeelding is te zien dat grote delen van het plangebied in de beschermingszone van een waterkering vallen. Daarnaast bevindt de kernzone van de waterkering zich op diverse plekken in het plangebied. Er zijn ingrepen beoogd in zowel de kernzone als in de beschermingszone. Zo vindt onder andere de realisatie van de rotonde plaats in de kernzone en worden verschillende gebouwen gesloopt en gebouwd binnen de beschermingszone. Uit de beleidsregels bij de Keur van zowel HDSR als HHR blijkt dat er door het hoogheemraadschap vergunning kan worden verleend voor de verschillende werkzaamheden die plaatsvinden binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering. Daarvoor zal geohydrologisch onderzoek uitgevoerd worden om de eventuele effecten in beeld te brengen. Het plan dient daarom ter toetsing voorgelegd te worden aan beide waterschappen. Waterstaatswerken In het plangebied zijn, naast waterkeringen, ook oppervlaktewater en waterstaatswerken aanwezig. Dit staat weergegeven op navolgende uitsnede van de leggerkaart met oppervlaktewateren.

56

Uitsnede leggerkaart oppervlaktewateren HDSR (plangebied globaal zwart omkaderd)

Bij de ontwikkelingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het aanwezige oppervlaktewater en de waterstaatswerken. Enkele tertiaire watergangen en waterstaatswerken zullen echter aangepast of verwijderd moeten worden ten behoeve van de ontwikkelingen. Hierover vindt afstemming plaats met het hoogheemraadschap. Waterkwaliteit en onderhoud Voor de verbetering van de waterkwaliteit worden de watergangen in het plangebied, indien mogelijk, voorzien van natuurvriendelijke oevers. Dit komt tevens tegemoet aan klimaatadaptatie en biodiversiteit. Alle watergangen in het plangebied zijn voldoende bereikbaar in verband met beheer en onderhoud vanuit openbaar gebied. Riolering en afkoppeling Het hemelwater vanaf de toekomstige verharding infiltreert in de bodem of vloeit af naar het oppervlaktewater. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Conclusie Er is een vergunning van het hoogheemraadschap vereist voor de werkzaamheden in de kern- en beschermingszone van de waterkering. De overige wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

57

Planspecifiek In de Atlas Archeologie van de Omgevingsdienst Midden-Holland ligt het plangebied de zone 'Waarde Archeologie 4'. Er geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Omdat deze normen overschreden zullen worden, geldt er een onderzoeksverplichting. Om deze reden is een archeologisch bureauonderzoek (Transect, nr. 20100072, d.d. 16 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 19) uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat in de ondergrond van het plangebied oever- en/of crevasseafzettingen van de Hollandsche IJssel begraven kunnen liggen. Op de oevers en crevasses van de rivier is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf de Romeinse Tijd, de periode waarin de activiteit van de Hollandsche IJssel begon. Uiteindelijk werd de stroomrug als rivier bij Klaphek in de Late Middeleeuwen afgedamd, maar de oevers en crevasse-afzettingen bleven relatief hoger gelegen plekken in het landschap. Hierdoor was bewoning in het gebied tot in de Late Middeleeuwen mogelijk en geldt voor de oever- en crevasseafzettingen een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Romeinse Tijd - Late-Middeleeuwen. Archeologische resten uit de Romeinse Tijd zijn in de directe omgeving van het plangebied nog niet aangetroffen.

In vermoedelijk de 12e eeuw is de IJsseldijk (huidige Provincialeweg Oost) in het plangebied aangelegd. Deze dijk vormde tevens de ontginningsbasis voor de polders in de omgeving van het plangebied. Langs de IJsseldijk vond bewoning plaats, op al dan niet verhoogde woonplaatsen. Ongeveer 800 m ten westen van het plangebied zijn dergelijke verhoogde woonplaatsen langs de IJsseldijk aangetroffen. Het is niet bekend of deze ook binnen het plangebied aanwezig zijn geweest. Mogelijk is in 1683 op basis van een historische kaart al bebouwing in het plangebied aanwezig. In 1832 was dit zeker het geval. Het zou kunnen dat de bebouwing uit 1832 teruggaat op oudere bebouwing uit de Nieuwe Tijd. Ten zuiden van de IJsseldijk was een boezem aanwezig, maar tegen de dijk aan waren nog woningen aanwezig. Langs en ter plaatse van de dijk geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of uit de periode LateMiddeleeuwen - Nieuwe Tijd. Ten oosten van de IJsseldijk geldt vanwege de ligging in een boezem een lage archeologische verwachting op nederzettingen. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn is afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de huidige bebouwing kan de ondergrond aangetast zijn, maar gezien de aanwezige ophogingen hoeft daarbij niet per se de top van de oeverafzettingen te zijn aangetast.

Het archeologische niveau wordt verwacht onder het recente ophogingspakket, dat op basis van milieukundige boringen 0,3 tot 1,5 m dik is. Naar aanleiding van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek is een inventariserend veldonderzoek (Transect, nr. 21020004, d.d. 10 augustus 2021, zie bijlagen bij toelichting 20) uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek ligt het plangebied op de locatie waar twee veenrivieren uitmondden in de Hollandsche IJssel. Bij het booronderzoek zijn in de ondergrond van een groot deel van het plangebied oeverafzettingen gevonden die plaatselijk zijn gelegen op geulafzettingen van deze veenrivieren. Deze oevers vormden een aantrekkelijke vestigingslocatie door de relatief hoge en droge ligging en de ligging langs verschillende waterwegen. De oevers zijn aangetroffen op een diepte van 30 tot 60 cm -Mv (tussen +0,98 en -0,66 m NAP). Alleen in de buurt van gebouwen is een dikker ophogingspakket aangetroffen, door de graafwerkzaamheden ten behoeve van deze gebouwen. Theoretisch gezien was bewoning in dit gebied mogelijk vanaf de Romeinse tijd, toen de Hollandsche IJssel ontstond. Er zijn in de omgeving van het plangebied echter nog geen archeologische vondsten uit de Romeinse tijd bekend.

Er is een grotere kans op het aantreffen van bewoningsresten uit de Vroege en Late Middeleeuwen aangezien er in de omgeving van het plangebied vondsten uit deze perioden zijn gedaan. Daarnaast vormde de IJsseldijk de basis van waaruit het omliggende gebied werd ontgonnen. Voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd geldt tot slot eveneens een hoge verwachting aangezien er op historische kaarten bebouwing aanwezig is langs de IJsseldijk. Naar aanleiding van het inventariserend veldonderzoek is de hoge archeologische verwachting die vanuit het bureauonderzoek gold bevestigd. Er wordt geadviseerd om hiervoor een aanvullende onderzoeksinspanning verplicht te stellen alvorens deze ontwikkeling kan plaatsvinden. Voor het overgrote deel van het plangebied kan dit het beste plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven (IVO-P). Voor de gronden ter hoogte van de beoogde rotonde kan vervolgonderzoek het beste plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding (DO AB), aangezien het logistiek niet wenselijk is om de weg af te sluiten voor een

58

proefsleuvenonderzoek. De werkwijze van dergelijke gravende onderzoeken dient voor aanvang van de civieltechnische werkzaamheden te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE) dat door de gemeente Krimpenerwaard als bevoegd gezag is goedgekeurd. Aan de gronden met een hoge archeologische verwachting is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten (gebouwen) aanwezig. De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten in de omgeving worden niet negatief beïnvloed door het plan. De gronden ten zuiden van de Provincialeweg Oost, waar de rotonde is beoogd, en het perceel aan de Hoogstraat 32, behoren tot het beschermd dorpsgezicht van Haastrecht.

De waarden van dit beschermd dorpsgezicht zijn:

• •

• •

de dorpskern, die een goed voorbeeld is van een dijk- en damnederzetting die tijdens de ontginning van het veenweidegebied in de Middeleeuwen tot stand is gekomen en daarna in haar ontwikkeling stagneerde; de in oorsprong 15e-eeuwse, maar in de 19e eeuw ingrijpend gewijzigde boezemsystemen aan weerszijden van de kern, met inbegrip van de gemalen en uitwateringen in de kern, die de vroegste voorbeelden van een getrapte waterlossing representeren; de oorspronkelijk 17e-eeuwse en in de tweede helft van de 19e eeuw heringerichte en gaaf bewaard gebleven buitenplaats Bisdom van Vliet met huis, bijgebouwen en tuin- en parkaanleg; de lineaire structuur van een dijk- en damnederzetting aan een rivier, met een knooppuntfunctie op de plaats waar de Vlist uitmondt in de IJssel;

•

de relicten van de beide boezemsystemen die Haastrecht omarmen, respectievelijk die van de Hooge Boezem aan de oostzijde van Haastrecht en de Boezem van Bergambacht aan de westzijde, waaronder de gave structuur van het eerste getrapte boezemsysteem in Nederland, met inbegrip van relicten als een molen en restanten van molens en het S.I. van Nooten-gemaal;

•

de buitenplaats Bisdom van Vliet met de ligging en uitstraling van het huis en de aan de overzijde van de weg liggende overtuin en park met landschappelijke stijl, reliëf, perspectief, ornamenten en een slingerbos in de structuur van de lokale strokenverkaveling;

•

de RK St. Barnabaskerk met pastorie en kerkhof, op prominente locatie, met bijzondere bouwstijl en de betekenis die zij vertegenwoordigt voor Haastrecht als katholieke enclave in een overigens protestante omgeving;

•

de vele monumentale en beeldondersteunende panden en objecten die binnen het beschermd gezicht Haastrecht aanwezig zijn.

De rotonde wordt grotendeels ingepast binnen de huidige structuur van de Provincialeweg Oost. Met de aanleg van de rotonde wordt geen afbreuk gedaan aan de bovenstaande waarden. Met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' worden de cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht in het voorliggende bestemmingsplan beschermd. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect cultuurhistorie.

59

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie worden de gemiddelde kencijfers uit CROW-publicatie 381 voor 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' gevolgd.

In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de ontwikkelingen die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt weergegeven, waarbij uitgegaan is van een indicatief en voorlopig woningbouwprogramma binnen de regels van het voorliggende bestemmingsplan (ten hoogste 183 nieuwe woningen). De bestaande bedrijven en (bedrijfs)woningen, die onderdeel zijn van het voorliggende bestemmingsplan, zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Functie CROW-publicatie 381 koop, appartement, duur koop, appartement, midden huur, appartement, midden koop, huis, tussen/hoek fullservice-supermarkt dienstverlening bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief Totaal

Gemiddeld kencijfer (aantal voertuigbewegingen per etmaal) 7,1 per woning

53

Verkeersgeneratie (aantal voertuigbewegingen per etmaal) 376,3

6,0 per woning

42

252,0

4,1 per woning

27

110,7

7,4 per woning 129,2 per 100 m² bvo 13,6 per 100 m² bvo

61 12 3,5

451,4 1.550,4 47,6

10 per 100 m² bvo

17,5

175,0

4,8 per 100 m² bvo

17,5

84,0

Aantal eenheden

3.047,4

Uit de tabel blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan met 3.047,4 voertuigbewegingen per etmaal toeneemt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er ten gevolge van het plan ook functies verdwijnen. De uit de tabel voortkomende verkeersgeneratie betreft dan ook de verkeersgeneratie van de functies die met voorliggend plan mogelijk worden gemaakt. Hierbij zijn de functies die op Galgoord gevestigd zijn en (voorlopig) zullen blijven buiten beschouwing gelaten. Ontsluitingsstructuur Als gevolg van de verwachte toename van verkeer door de ontwikkelingen in 'De Kleine Betuwe' zal de huidige aansluiting op de Hoogstraat in de toekomst onvoldoende in staat zijn dit verkeer op een vlotte en veilige manier te verwerken. Om het toekomstige verkeer te verwerken en de bereikbaarheid voor zowel bewoners, bezoekers als hupdiensten te garanderen wordt een nieuwe centrale hoofdontsluiting gecreëerd die vanuit 'De Kleine Betuwe aansluit op de Provincialeweg Oost (N228) middels een nieuwe rotonde.

60

Aan de westzijde blijft de bestaande aansluiting vanaf de N228 via de Hoogstraat naar de Blekerstraat aanwezig. Op deze aansluiting zal eenrichtingsverkeer (wijk in) ingesteld worden. De aansluiting zorgt ervoor dat de bestaande bedrijven aan de westzijde van De Kleine Betuwe bereikbaar blijven. Ook zal de weg onderdeel uitmaken van de bevoorradingsroute van de nieuwe supermarkt. Bestaande bedrijven aan de oostzijde van de Kleine Betuwe worden bereikbaar gemaakt via een nieuwe aansluiting tussen de Kuiperstraat en de nieuwe centrale ontsluitingsweg nabij de nieuwe rotonde. Hierdoor ontstaat een duidelijke scheiding tussen de bedrijfsfunctie en de woon- en verblijfsfuncties binnen het gebied, wat ten gunste komt van de leefbaarheid. Rotonde als kruispuntvorm De nieuwe hoofdontsluiting voor 'De Kleine Betuwe' sluit middels een enkelstrooksrotonde aan op de Provincialeweg Oost (N228). Met behulp van simulatiesoftware Vissim is een verkeerskundige microsimulatie uitgevoerd om de effecten van een voorrangskruispunt of een rotonde als nieuwe ontsluiting voor 'De Kleine Betuwe' inzichtelijk te maken. Als input voor de simulatie (drukste uur in de avondspits) is gebruik gemaakt van het Regionaal Verkeersmodel (2030) voor de N228. Het verkeer van en naar 'De Kleine Betuwe' is bepaald op basis van verkeersgeneratie van te behouden en nieuwe functies.

Als input voor de kruising/rotonde zijn de gehanteerde intensiteiten als volgt: N228 West 680 mvt/u, N228 Oost 760 mvt/u en noordtak kruising/rotonde 182 mvt/u. Animaties van het Vissim-model zijn via de volgende links te bekijken https://youtu.be/wC-F0_hmGd4 (kruispunt) en https://youtu.be/fk7BhUOcEcE (rotonde). De uitgangspunten en resultaten zijn vastgelegd in de memo ‘Samenvatting simulatiestudie kruispuntvorm N228-Galgoord (B) (Iv-Infra, nr. INFR191003, d.d. 12 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting 21). Uit de simulatie blijkt dat een rotonde het toekomstige verkeersaanbod beter verwerkt dan een voorrangskruispunt. Een rotonde is de meest verkeersveilige vormgeving voor het aanwezige fietsverkeer. De rotonde heeft een attentieverhogend en snelheidsremmend effect, met name op het doorgaande gemotoriseerde verkeer op de N228, waardoor het risico op ongevallen afneemt. De gevolgen van een eventuele aanrijding zijn daarnaast minder ernstig bij een lagere snelheid. Een lagere snelheid op de hoofdrichting biedt tevens meer oversteektijd voor langzaam verkeer. De komst van een rotonde op deze locatie komt ook de snelheid van het gemotoriseerd verkeer op de N228 binnen de bebouwde kom van Haastrecht ten goede.

Met name het wegvak tussen de nieuwe rotonde en de rotonde bij de aansluiting Grote Haven profiteert hier van, wat een gunstig effect heeft op de verkeersveiligheid rond de aansluiting Hoogstraat. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

61

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte worden de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381 gevolgd. Volgens dezelfde systematiek die in toelichting paragraaf 4.10.1 is gehanteerd is de parkeerbehoefte van het plan in de navolgende tabel uiteengezet (exclusief bestaande bedrijven en (bedrijfs)woningen. Functie CROW-publicatie 381 koop, appartement, midden koop, appartement, duur huur, appartement, midden koop, huis, tussen/hoek fullservice-supermarkt dienstverlening totaal

Gehanteerde parkeernorm (aantal parkeerplaatsen per functie)

Aantal

Parkeerbehoefte (aantal parkeerplaatsen)

1,9

42

79,8

2,1

53

111,3

1,4

27

37,8

2,0 5,9 2,85

61 12 (100 m² bvo) 3,5 (100m² bvo)

122,0 70,8 10,0 431,7

De totale berekende parkeerbehoefte van het woonprogramma, supermarkt en dienstverlening bedraagt 432 parkeerplaatsen. Hierbij zijn de nieuwe bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen nog niet berekend, omdat de omvang nog niet bekend is. Het uitgangspunt is dat het parkeren bij de nieuwe bedrijfsgebouwen op eigen terrein wordt opgelost. Omdat er in het plangebied verschillende functies aanwezig zijn die gebruik kunnen maken van dezelfde openbare parkeerplaatsen, kunnen hiervoor aanwezigheidspercentages worden toegepast. Hiermee wordt de gecombineerde maatgevende parkeervraag voor de verschillende functies bepaald. De parkeereis conform deze aanwezigheidspercentages is opgenomen in een parkeerbalans (Buro SRO, d.d. 15 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting 22). Uit de parkeerbalans blijkt dat op het maatgevende moment, in dit geval de werkdagavond en koopavond, een parkeerbehoefte van 339 parkeerplaatsen in het openbaar gebied van toepassing is, terwijl het stedenbouwkundig plan 296 parkeerplaatsen in de openbare ruimte bevat. De overige 84 parkeerplaatsen zijn privéparkeerplaatsen. Omdat deze niet openbaar toegankelijk zijn, zijn deze niet meegenomen bij het dubbelgebruik. Om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de parkeereis dient het parkeeraanbod in beeld gebracht te worden.

In de verschillende velden, zoals weergegeven op de afbeelding in toelichting paragraaf 2.2, worden parkeerplaatsen gerealiseerd. De mogelijke verdeling over de verschillende velden is weergegeven in de navolgende tabel en op de navolgende afbeelding. Woonveld 1

Woonveld 2

Woonveld 3

Bedrijfsveld 5

Totaal

84 (p-kelder)

Gemengd veld 4 0

privé

0

0

n.t.b.

84

openbaar

67

totaal

67

74

20

127

8

296

74

104

127

8

380

62

Parkeeraanbod (bron: Buro SRO)

Uit de tabel en de afbeelding blijkt dat het totaalaanbod aan parkeerplaatsen 380 bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de totale parkeereis. Afhankelijk van het daadwerkelijke woningprogramma zullen de parkeerbehoefte en het parkeeraanbod bij verdere uitwerking met elkaar in overeenstemming zijn. Voor het appartementengebouw langs de Hollandsche IJssel geldt dat de parkeerbehoefte deels in de openbare ruimte en deels in de parkeerkelder onder het appartementengebouw opgevangen wordt. Bij de rij- en hoekwoningen wordt de parkeerbehoefte in de openbare ruimte (binnen het plangebied) opgelost. De parkeerplaatsen bestaan uit langs- en haaksparkeerplaatsen langs de wegen, die onderbroken worden door bomen, en met groen omzoomde parkeerkoffers. Direct rondom de supermarkt is een aanzienlijk parkeerareaal voorzien, onderbroken door boombeplanting en groen. Gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' (vastgesteld op 21 juni 2018) is in de planregels een bepaling over parkeren opgenomen, waarin wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid. De verplichting tot het realiseren en in stand houden van voldoende parkeerplaatsen is hiermee geborgd in de planregels. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect parkeren.

63

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

64

5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de geldende bestemmingsplannen 'Bedrijventerreinen (voormalige gemeente Vlist)' en 'Dorpskernen 2014'. Navolgend worden per artikel de belangrijkste aspecten beschreven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijventerreinen De bestaande en beoogde bedrijfslocaties worden voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot en met categorie 2 of 3.1 toegestaan. Op de verbeelding is aangegeven waar maximaal milieucategorie 2 is toegestaan. Dit betreft de westzijde van Blekerstraat en een deel van de nieuwe bedrijfskavels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=103766c6-4810-4e53-b478-f316c0d17ec8