BIJL 2 Plantoelichting Bestemmingsplan De Kleine Betuwe Haastrecht
Tekst van het document
25
Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
- Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in delen van het plangebied sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan een duurzaam watersysteem mogelijk gemaakt en is er aandacht voor klimaatadaptatie. Op deze manier kan voldaan worden aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal ruimte zijn voor het infiltreren van water. - Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een kleine kans (1/300 tot 1/3.000) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. - Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied deels warmer en deels koeler is dan in de omgeving. Dit komt zeer waarschijnlijk omdat het plangebied bebouwd wisselend bebouwd is. De realisatie van het voorliggende plan ziet toe op de herstructurering van het gebied, waarbij er aandacht is voor het groener vormgeven van de openbare ruimte. De nieuwe invulling van het plangebied zal niet leiden tot een zodanige stijging van de temperatuur dat hittestress een probleem wordt in het plangebied. De begrenzing door water aan de noordzijde van het plangebied helpt ook om de temperatuur lager te houden. - Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren.
Vanwege de ligging en de inrichting direct rondom het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het mogelijk is het bedrijventerrein dat getransformeerd wordt binnen een redelijke termijn in de gemeente Krimpenerwaard te compenseren.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Studie gebiedsbod Krimpenerwaard De gemeente Krimpenerwaard, de gemeente Krimpen aan den IJssel en de provincie Zuid-Holland hebben gezamenlijk opdracht gegeven tot het opstellen van het visiedocument Studie gebiedsbod Krimpenerwaard (april 2019). De studie gebiedsbod bouwt voort op twee eerdere verkenningen: de Strategische visie Krimpenerwaard en het Panorama Krimpenerwaard. De studie vormde de onderligger voor het aanbod om met een tweede oeververbinding naar de Krimpenerwaard bij te dragen aan het oplossen van de mobiliteitsknelpunten rond Rotterdam. Een ontwikkeling als de transformatie van het binnenstedelijk bedrijventerrein Galgoord sluit aan bij ontwikkelingen die zijn beoogd in scenario 2 van de studie: 'de schouders eronder', een scenario met verdere doorontwikkeling van de stedelijke gebieden van de Krimpenerwaard, met een positieve beoordeling op de thema’s 'duurzame ontwikkeling/groei', 'vitale en leefbare regio’s' en 'vitaal landelijk gebied'. Hoewel gekozen is voor een andere oplossing dan de aangeboden tweede oeververbinding, zijn de onderliggende ruimtelijke analyse en ontwikkelingsscenario’s van de Studie gebiedsbod Krimpenerwaard nog steeds actueel.
26
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
• • •
Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:
• • • • • •
toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toekomstbestendige winkelgebieden.
Planspecifiek De voornoemde speerpunten voor de kernen, waaronder Haastrecht, zijn van toepassing op voorliggend plan. Uit toelichting paragraaf 3.4.2 blijkt dat er een woningaanbod wordt gerealiseerd die diverse doelgroepen bedient en aansluit bij de woningbehoefte. Dit zal binnen een veilige en gezonde leefomgeving plaatsvinden, zoals beschreven is in toelichting paragraaf 2.2. Ook blijft er in het plan ruimte voor bedrijvigheid; een groot deel van de bedrijven aan de westzijde van de Blekerstraat wordt gehandhaafd. Ook de bedrijfslocatie aan de Hoogstraat 2-6a blijft bestaan. Daarnaast worden er binnen het beoogde bedrijfsveld enkele nieuwe bedrijfspanden en een nieuwe supermarkt mogelijk gemaakt. De nieuwe supermarkt draagt bij aan de vitaliteit van de detailhandelsstructuur van Haastrecht, zoals blijkt uit het distributieplanologisch onderzoek (Emma Retail, 2023-0119, d.d. 1 september 2023, zie bijlagen bij toelichting 3). Het voorliggend plan maakt een volwaardige full service supermarkt mogelijk, die een belangrijke voorziening voor de leefbaarheid van Haastrecht is.
27
Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de omgevingsvisie. 3.4.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.
Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.
Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen. Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Er is in de gemeente Krimpenerwaard een kwantitatieve woningbouwbehoefte van 1.600 extra woningen tot 2030. Doordat met voorliggend plan maximaal 183 nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt wordt een bijdrage geleverd aan deze ambitie. Door deze woningen voor een groot deel uit te voeren als appartementen is het een woningbouwprogramma dat verschillende doelgroepen kan bedienen, waaronder jongeren, een- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen (met jonge kinderen) en senioren.
Hiermee wordt ingespeeld op de ambitie doorstroming te stimuleren en wordt er tegemoet gekomen aan de woningbehoefte vanwege de toenemende vergrijzing. Er is in de gemeente voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Uitgaande van de recente verhuismobiliteit (gedrag) is er met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Doorrekening van de behoefte op basis van de verhuiswensen laat een gevarieerder beeld zien, met ongeveer evenveel interesse in het goedkope prijssegment als in het wat duurdere segment. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen. Met voorliggend plan zijn goedkopere, middeldure en dure appartementen en rijwoningen beoogd, die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen, waaronder senioren en starters. Voor starters en gezinnen zijn - naar gelang hun gezins- en financiële situatie - naar verwachting de volgende typen woningen beoogd:
• • • •
circa 27 middeldure huurappartementen; circa 42 middeldure koopappartementen waarvan 32 onder NHG; circa 53 dure huur/koop appartementen; circa 61 rijwoningen koop.
28
In toelichting paragraaf 4.10 is voor bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte uitgegaan van een indicatief en voorlopig woningbouwprogramma, dat in het vervolg op basis van de behoefte nader uitgewerkt zal worden binnen de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Bij woningbouwontwikkeling acht de gemeente Krimpenerwaard de verbinding van de kernen met de omliggende groene ruimte van belang om een geleidelijke overgang te realiseren. Bij de herontwikkeling van Galgoord is een aantrekkelijk en hoogwaardig woonmilieu beoogd. Dit wordt bereikt met een opzet die bij het dorpse karakter van de omgeving. Uit toelichting paragraaf 3.2.1 blijkt dan ook dat de herontwikkeling van Galgoord hiermee de overgangskwaliteit van de locatie verbetert. Duurzaamheid Bij grotere projecten bespreekt de gemeente Krimpenerwaard met de ontwikkelaar hoe er duurzaam gebouwd kan worden. Daarbij wordt ingezet op ketensamenwerking en energieneutrale nieuwbouw. Ook bij voorliggend plan is dit aan de orde. Daarnaast worden de beoogde gebouwen conform het Bouwbesluit 2012 gebouwd en voldoen ze aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Verdere duurzame maatregelen worden nader afgestemd met de gemeente Krimpenerwaard. Nieuwe woonvisie Op 4 juli 2023 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard een nieuwe woonvisie vastgesteld.
Hierin is een specifieke segmentering in woningcategorieën opgenomen. De nadruk ligt hierbij op betaalbaar. Het voorliggende voldoet hier niet aan. Het plan is dusdanig vergevorderd dat het niet aangepast wordt aan de nieuwe woonvisie. Er geldt wel dat het plan uitgaat van segmentering (zie het bovenstaande). Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard uit 2017. 3.4.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven.
Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Om de ruimtelijke kwaliteit van voorliggend plan te borgen is een beeldkwaliteitsplan (Buro SRO, nr. SR180362, d.d. 15 november 2022, zie bijlagen bij toelichting 2) uitgevoerd. opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld en zal het welstandskader bij de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen vormen. 3.4.4 Retailvisie Krimpenerwaard Op 5 november 2019 is de Retailvisie Krimpenerwaard vastgesteld. Deze bevat een heldere visie op de toekomstige retailstructuur op gemeenteniveau én kernniveau, een toetsingskader voor nieuwe initiatieven en een bijbehorend uitvoeringsprogramma. Met de Retailvisie heeft de gemeente Krimpenerwaard de volgende ambities:
29
• • • • •
Behoud van de eigen, unieke identiteiten van alle kernen. Dit werkt door in de kaders voor de retail. Bieden van vrijheid en ruimte voor ondernemers om kansen te benutten, op voorwaarde van een gelijk speelveld. Behoud en waar mogelijk versterken van de gemeentelijke en lokale koopkrachtbinding. Behoud van het boodschappenaanbod in de kernen om de leefbaarheid op peil te houden. Het lokale draagvlak is daarbij bepalend. Benutten van de kansen die recreatie en toerisme bieden.
Daarnaast zijn in de visie de volgende zaken uitgewerkt:
• •
Toekomstbeeld per winkelgebied. Uitgangspunten en voorwaarden ten aanzien van supermarktontwikkelingen, perifere detailhandel, ambulante handel en standplaatsen, boerderijverkoop, internethandel/afhaalpunten, horeca en overige vormen van detailhandel.
•
Zondagopenstelling supermarkten en toeristische centra.
Visie op supermarktontwikkelingen Supermarkten spelen een essentiële rol in de dagelijkse verzorging van de inwoners van Krimpenerwaard. Daarbij zijn zij door hun hoge bezoekintensiteit sterk bepalend voor het functioneren van winkelgebieden als geheel: andere boodschappenfuncties profiteren via combinatiebezoek van de aantrekkingskracht van supermarkten. Het enerzijds ontbreken van marktruimte en anderzijds de wens van supermarkten om te kunnen blijven ontwikkelen, vraagt om zorgvuldige afweging van toekomstige supermarktinitiatieven, zodat aantasting van de consumentenverzorging, de verzorgingsstructuur en de leefbaarheid wordt voorkomen. De volgende uitgangspunten en voorwaarden gelden ten aanzien van supermarktontwikkelingen in de gemeente:
• •
Vestiging van supermarkten groter dan 2.000 m² wvo is niet aan de orde.
•
Supermarktontwikkelingen worden enkel toegestaan, indien zij een kwaliteitsimpuls betekenen voor het betreffende winkelgebied of de leefbaarheid in de kern. Voor de lokale boodschappencentra voor de inwoners is het streven naar minimaal één volwaardige servicesupermarkt met een omvang van minimaal 1.000 m² wvo.
•
Vergroting dan wel verplaatsing van bestaande supermarkten heeft de voorkeur boven nieuwvestiging, vanwege de beperkte omvang van de marktruimte en het draagvlak in de kernen.
•
De geplande supermarktontwikkelingen op het Schoonhovense Albert Plesmanplein en op Galgoord in Haastrecht hebben prioriteit.
Een supermarktontwikkeling mag niet leiden tot onaanvaardbare effecten op de consumentenverzorging en de retailstructuur in de gemeente. De noodzaak tot uitbreiding moet worden aangetoond.
Planspecifiek In het uitvoeringsprogramma van de Retailvisie wordt als concreet plan de supermarktontwikkeling op Galgoord genoemd, waarbij in de visie wordt benoemd dat dit prioriteit heeft. Herinvulling van de eventueel vrijkomende supermarktlocatie in het centrum vraagt om planvorming in samenwerking met gemeente. De gemeente stelt als randvoorwaarde dat er in de planuitwerking aandacht zal moeten zijn voor een goede aanhaking en verbinding met de rest van Haastrecht en met het gebied aan de overzijde van de rivier. Hiervoor wordt aan de zuidzijde van 'De Kleine Betuwe' met een rotonde een aansluiting op de Provincialeweg Oost gerealiseerd, zodat het verkeer naar de beoogde supermarkt de doorstroming op de provinciale weg niet ernstig belemmert. Voorts dient de supermarkt een omvang tussen de 1.000 en 2.000 m² wvo te hebben. De huidige voornemens zijn hiermee in lijn. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de Retailvisie.
30
3.4.5 Structuurvisie Galgoord Op 15 december 2020 heeft de raad van de gemeente Krimpenerwaard de structuurvisie Galgoord vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de ruimtelijke en functionele uitgangspunten voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein vastgelegd. Belangrijkste speerpunt van de herontwikkeling is dat het projectgebied van Galgoord een gebied wordt waar gewoond en gewerkt wordt, in combinatie met een aantal voorzieningen. Op navolgende afbeelding zijn de beoogde structuren en functies in het projectgebied weergegeven.
Visiekaart structuurvisie Galgoord (bron: Buro SRO)
Om het gebied op een verkeersveilige en toekomstbestendige wijze te ontsluiten dient een rotonde de nieuwe ontsluiting tussen de Provincialeweg Oost en het Galgoord te vormen. Deze is ter plaatse van het voormalige recreatieterrein 'De Kleine Betuwe' voorzien. Direct aan de rotonde, aan de westzijde, is een gemengd gebied voorzien waar een supermarkt met woningen en parkeren een plek krijgt. Deze ontwikkeling dient in te spelen op de ligging aan de rotonde en vormt als het ware de nieuwe entree van het dorp aan de oostzijde. Stedenbouwkundig, landschappelijk en architectonisch dient ingespeeld te worden op deze situatie, zodat er een aantrekkelijk gebied ontstaat. Ten westen hiervan, buiten het vestigingsgebied, ligt een bestaand bedrijf (Hoogstraat 2-6a) dat ingepast wordt binnen de nieuwe ruimtelijke structuur. Aan de oostzijde van de rotonde wordt het bestaande bedrijvengebied richting het westen, op de gronden van het voormalige recreatieterrein 'De Kleine Betuwe', uitgebreid c.q. geïntensiveerd met bedrijfskavels die ruimte bieden voor bedrijven die elders uit Galgoord worden verplaatst. Daarmee ontstaat er een optimale concentratie van bedrijven en kan milieu-planologisch beter ingespeeld worden op de nieuw te realiseren woningen aan de noordzijde. Ook de ontsluiting van dit bedrijvengedeelte wordt geoptimaliseerd.
De bestaande Kuiperstraat wordt doorgetrokken naar de nieuwe centrale ontsluitingsweg. Daarmee wordt het mogelijk dat vrachtverkeer niet op het bedrijventerrein hoeft te keren. Aan de westzijde van het plangebied wordt de westzijde van de Blekerstraat in de toekomst getransformeerd naar woningbouw. Dit wordt ook zo planologisch mogelijk gemaakt, zodat eigenaren hier (op termijn) op in kunnen spelen. Een langzaamverkeersverbinding, vanaf de Hoogstraat naar de Hollandsche IJssel, behoort eveneens tot de gewenste mogelijkheden in de toekomst.
31
Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de randvoorwaarden uit de structuurvisie opgesteld. Er wordt immers beoogd het gebied zodanig te herontwikkelen dat er zowel gewoond als gewerkt kan worden. Daarnaast worden ook de ruimtelijke uitgangspunten uit de visie, zijnde de rotonde, de verschillende velden en de verkeersstructuur, planologisch vastgelegd. Ook het voornemen de westzijde van de Blekerstraat te kunnen transformeren naar wonen wordt middels voorliggend bestemmingsplan concreet gemaakt, door dit gebied te voorzien van een wijzigingsbevoegdheid. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend bestemmingsplan in lijn is met de structuurvisie.
32
4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 100 ha of meer en 2.000 of meer woningen van een oppervlakte van 100 ha of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk een oppervlakte van circa 7 ha en betreft de ontwikkeling van maximaal 183 nieuwe woningen, een supermarkt van circa 1.500 m² bvo, dienstverlening van circa 350 m² bvo en bedrijfskavels van in totaal 3.000 - 3.500 m². Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r. en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie (Buro SRO, nr.
33
SR180362, d.d. 15 november 2022, zie bijlagen bij toelichting 5). Op basis van de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r. nodig is. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van bodem en het grondwater geschikt is of geschikt te maken is voor het beoogde gebruik (o.a. wonen) zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: a.
b.
c.
d.
noordzijde plangebied (globaal ten noorden van de weg Galgoord, voormalige bedrijfsterrein Gouda Holland): 1. aanvullend onderzoek Galgoord 3-5, IDDS, nr. 1801L076/JKE/rap1, d.d. 23 november 2018, zie bijlagen bij toelichting 6; gronden ter hoogte van de weg Galgoord; 2. verkennend bodemonderzoek en nader bodemonderzoek, Mateboer Milieutechniek, nr. BO214044/TB, d.d. 30 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting 7; gronden ten zuiden van de weg Galgoord (voormalig recreatieterrein 'De Kleine Betuwe'): 3. verkennend bodem- en asbestonderzoek Galgoord (ong.), Tritium Advies, nr. 1612/097/BU-01, d.d. 14 maart 2018, zie bijlagen bij toelichting 8; 4. verkennend en nader bodemonderzoek Galgoord (ong.), AT Milieu Advies, nr. AT20036, d.d. juni 2020, zie bijlagen bij toelichting 9; 5. nader bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek, Mateboer Milieutechniek, nr. 204271/JJS, d.d. 2 september 2020, zie bijlagen bij toelichting 10; gronden ter hoogte van de weg Provincialeweg Oost: 6. milieuhygiënisch vooronderzoek, Mateboer Milieutechniek, nr. BO214169/TB, d.d. 30 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting 11;
De nog niet onderzochte percelen, te weten de percelen aan het Galgoord 3-3a en de Blekerstraat 2 en 10, zullen in het vervolg onderzocht worden. De resultaten hiervan zullen in het vast te stellen bestemmingsplan verwerkt worden. Ad 1) Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
•
•
In de bovengrond van de locatie is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. De verdenking op het voorkomen van een verontreiniging met asbest is, vanwege de te lage intensiteit van het onderzoek, niet volledig weggenomen. Het is echter niet aannemelijk dat sprake is van een grootschalige of homogene verontreiniging. De zandige bovengrond ter plaatse van de voormalige groentetuinen aan de oostzijde van de locatie is gemiddeld sterk verontreinigd met zware metalen, als gevolg van het in het verleden opbrengen van slib uit de Hollandsche IJssel. De omvang van de verontreiniging met zware
34
metalen wordt geraamd op 1.050 m³, uitgaande van een oppervlakte van 1.500 m² en een gemiddelde laagdikte van 0,7 m. Op basis van de omvang van het (gemiddeld) sterk verontreinigde bodemvolume grond is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
•
•
De overige, overwegend, lichte verontreinigingen met zware metalen op het resterende deel van het perceel maken geen deel uit van het geval van ernstige bodemverontreiniging vanwege het ontbreken van een technische binding. Deze verontreinigingen zijn naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van het verstevigen van de bodem middels ophoging. In het analytisch onderzoek zijn geen exoten aangetoond dan wel verhoogde concentraties gemeten voor andere stoffen dan VOCI.
•
De resultaten van het onderzoek duiden vooralsnog niet op een omvangrijk brongebied in de tussenzandlaag aan de oostzijde van het perceel. De mate aan verontreiniging ter plaatse van peilbuis 200 en de verhoogde concentraties aan VOCl tot in de onderzijde van het eerste watervoerend pakket doen nog immer vermoeden dat sprake is van een omvangrijke verontreiniging. De exacte omvang van de verontreiniging met VOCl is nog niet volledig in beeld gebracht.
•
Ten aanzien van de verontreiniging met VOCl is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aanwezigheid van puur product in de bodem maakt dat sprake is van een zogenaamde onbeheersbare situatie, waardoor er een onaanvaardbaar risico is op verdere verspreiding van de verontreiniging. De sanering van het geval van ernstige bodemverontreiniging moet derhalve met spoed worden uitgevoerd.
Ad 2) Er zijn diverse verontreinigingen boven de interventiewaarde aangetoond. Het gaat om de volgende verontreinigingen:
•
De omvang van de interventiewaarde overschrijding met PCB in de grond ter plaatse van boring A07 is voldoende vastgesteld. De verontreiniging is zowel in het horizontale als het verticale vlak in beeld gebracht tijdens het nader bodemonderzoek. De totale omvang van de interventiewaarde overschrijding met PCB wordt geschat op circa 360 m³.
•
De omvang van de interventiewaarde overschrijding met PCB in de grond ter plaatse van boring A02 is voldoende vastgesteld. De verontreiniging is zowel in het horizontale als het verticale vlak in beeld gebracht tijdens het nader bodemonderzoek. De totale omvang van de interventiewaarde overschrijding met PCB wordt geschat op circa 100 m³.
•
De omvang van de interventiewaarde overschrijding met PAK in de grond ter plaatse van boring B02 is voldoende vastgesteld. De verontreiniging is zowel in het horizontale als het verticale vlak in beeld gebracht tijdens het nader bodemonderzoek. De totale omvang van de interventiewaarde overschrijding met PAK wordt geschat op circa 18 m³. Voor deze verontreiniging is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging en dus geen saneringsnoodzaak.
•
Aanbevolen wordt om de verontreinigingen met PAK en PCB in de grond te saneren. Voorafgaand aan de uitvoering van de bodemsanering dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend te worden bij het bevoegd gezag.
Ad 3) Gezien de hoogte van de aangetoonde verontreinigingen met lood en OCB in de grond ter hoogte van de gedempte watergangen op het noordelijke deel van perceel B3926 wordt een nader onderzoek noodzakelijk geacht. Verder zijn uitsluitend lichte verontreinigingen aangetoond. Uit het verkennend asbestonderzoek volgt dat er geen asbest is aangetroffen. Ad 4) Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek voor perceel B3927 bestaat er geen aanleiding voor de uitvoering van nader bodemonderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Op perceel B3927 dient wel een (aanvullend) asbestonderzoek uitgevoerd te worden. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek voor het noordelijke deel van perceel B3926 geven aanleiding voor nader onderzoek, terwijl er op het zuidelijke deel van perceel B3926 wel aanvullend
35
onderzoek benodigd is. De aangetroffen matige verontreiniging met lood in de grond ter plaatse van boring 33 (0,3-0,6 m -mv) op het zuidelijke deel van perceel B3926 dient zowel horizontaal als verticaal verder afgebakend te worden. Ad 5) Aan de hand van de resultaten van het onderzoek, dat is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het bodemonderzoek van juni 2020, kan het volgende worden geconcludeerd:
•
Ter plaatse van deellocatie B (perceel B3927) is een verontreiniging met asbest in de grond boven de interventiewaarde aangetoond. Formeel gezien dient ter plaatse eerst een nader onderzoek door middel van het graven van sleuven uitgevoerd te worden. Gezien de grootte van de onderzoekslocatie (10 m²) en de aangetoonde gehalten is de verontreiniging met asbest in de grond tijdens het verkennend asbestonderzoek al voldoende in beeld gebracht. Het uitvoeren van een nader onderzoek heeft geen toegevoegde waarde.
•
De verontreiniging met asbest in de grond is vermoedelijk veroorzaakt door de verwering van het asbestdak waarbij de asbestvezels met het afstromende regenwater in de bodem terecht zijn gekomen.
•
Buiten de overschrijding van de interventiewaarde met asbest zijn ter plaatse van het gehele terrein maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen in de grond aangetoond. De totale omvang van de interventiewaarde overschrijding met asbest in de grond wordt geschat op circa 5 m³. Er is geen sprake van een ernstige verontreiniging met lood ter plaatse van deellocatie A (zuidelijke deel van perceel B3927).
Ad 6) Aan de hand van de resultaten van het vooronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
• •
•
Op basis van het historisch onderzoek kan de onderzoekslocatie als 'verdacht' worden beschouwd voor bodemverontreiniging. In verband met de aangetoonde verontreiniging ten noorden en zuiden van de weg is de grond onder de weg mogelijk verontreinigd. Ter plaatse van Provincialeweg Oost 96, 133 en 135 dient een aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden naar asbest en ter plaatste van Provincialeweg Oost 133 en 135 naar de matige en sterke verhogingen in de grond. Voorafgaand aan de uitvoering van de bodemsanering dient een BUS-melding of saneringsplan te worden opgesteld en ingediend te worden bij het bevoegd gezag.
Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater deels nog niet geschikt is voor het beoogde gebruik (o.a. wonen). Het is noodzakelijk dat er een bodemsanering voor de aangetoonde verontreinigingen uitgevoerd wordt. Aan de hand van de resultaten van de uitgevoerde en nog uit te voeren bodemonderzoeken dient een saneringsplan en/of BUSmelding opgesteld te worden, dat ter goedkeuring ingediend moet worden bij het bevoegd gezag. De initiatiefnemers hebben in hun exploitatie rekening gehouden met de kosten voor saneringswerkzaamheden. Hiermee is het plan uitvoerbaar.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
36
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogerewaardenprocedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Voor een buitenstedelijke weg geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wgh. Er dient inzichtelijk gemaakt te worden of er geluidoverlast ontstaat ten gevolge van de uit de Wgh voortkomende geluidsbronnen.
Wegverkeerslawaai Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Provincialeweg Oost (N228) en Steinsedijk, die een snelheidsregime van 50 km/u kennen, is er een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de beoogde woningen (Adviesburo Van der Boom, nr. 20-287, d.d. 20 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting 12) uitgevoerd. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km/uurwegen zonder wettelijke geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met het onderzoek tevens inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting vanwege werkverkeer op de 30 km/uurwegen binnen en buiten het plangebied op de beoogde woningen is. De geluidbelasting door wegverkeer op de Provincialeweg Oost (N228) bedraagt ten hoogste 50 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh op de hoogst geluidbelaste gevels. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt in drie rekenpunten overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Steinsedijk bedraagt ten hoogste 46 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh op de hoogst geluidbelaste gevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de Provincialeweg Oost (N228) is niet mogelijk omdat de weg recent is voorzien van een stil wegdek.
Afscherming van alle woonlagen van de woningen is op deze locatie niet haalbaar door aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Voor de woningen in de rekenpunten 82-84 dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 49-50 dB voor wegverkeer op de Provincialeweg Oost (N228). Alle woningen voldoen aan de Beleidsregel Hogere waarden regio Midden-Holland voor wat betreft een geluidluwe gevel en buitenruimte. Van de woningen is ten hoogste één gevel geluidbelast. Aan de geluidluwe zijde kan een geluidluwe buitenruimte worden gerealiseerd. De geluidbelasting door 30 km/uurwegen ligt in verschillende rekenpunten boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die in de Wet geluidhinder wordt gehanteerd, maar niet boven de maximale hogere waarde. De geluidbelasting door de 30 km/uurwegen is hiermee acceptabel. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex artikel 110-g Wgh. De gevels van de woningen ondervinden in verschillende rekenpunten een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. Voor deze gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 60 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevels bedraagt dan GA;k 27 dB.
37
Spoorweglawaai De afstand tussen het plangebied en de spoorweg Utrecht - Rotterdam betreft minimaal 1,3 km. Met deze afstand ligt het plangebied ruimschoots buiten de onderzoekszone van spoorwegen. Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen geluidgezoneerde industrieterreinen in de zin van de Wet geluidhinder. Wel is geluid van bedrijven relevant in het kader van milieuzonering. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.5. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van de Wet geluidhinder.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5.
De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
38
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 183 nieuwe woningen, een supermarkt, dienstverlening en bedrijfskavels mogelijk gemaakt. Gezien de omvang van het project kan het een negatief effect sorteren op de luchtkwaliteit. Aangetoond dient te worden of het plan een project betreft dat 'niet in betekende mate' van invloed is op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de NIBM-tool. Bij de invoer van gegevens in de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project van belang. In toelichting paragraaf 4.10.1 is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie berekend.
Deze komt uit op 3.040,6 voertuigbewegingen per etmaal. In de NIBM-tool dient echter niet de toekomstige situatie ingevoerd te worden, maar de toename ten gevolge van het project. Aangezien met de herontwikkeling van Galgoord meerdere bedrijfslocaties beëindigd worden (i.e. locaties Gouda Holland, Bestbouw en Transport en Garagebedrijf W. Visser), is de toekomstige situatie verminderd met de verkeersbewegingen van deze bedrijven de toename. Hiervoor is in de navolgende tabel het aantal verkeersbewegingen van de bedrijven berekend. Bedrijf
Aansluiting CROW
Gouda Holland Bestbouw
bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersintensief bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersintensief
Transport en Garagebedrijf W. Visser Totaal
Kencijfer (voertuigbewegingen per 100 m² per etmaal) 10 10 4,8
Eenheden
151,32 (* 100 m² bvo) 15 (* 100 m² bvo) 7 (* 100 m² bvo)
Totaal (voertuigbewegingen per etmaal) 1.513,2 150 33,6
1.696,8
De hoeveelheid toekomstige voertuigbewegingen (3.047,4 per etmaal) verminderd met de voertuigbewegingen van deze bedrijven (1.696,8 per etmaal), leidt tot een toename van de verkeersgeneratie van 1.350,6 voertuigbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is ingevuld in de NIBM-tool, waarvan navolgend een uitsnede is opgenomen.
39
NIBM-tool (versie 2022)
Uit de NIBM-tool blijkt dat het extra verkeer 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de herontwikkeling volledig gerealiseerd is in 2023. De verwachting is dat dit in werkelijkheid later zal zijn, in welk geval de bijdrage lager zou zijn. Daarnaast is het aandeel vrachtverkeer op 1% van het extra verkeer bepaald. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2020) gekeken naar de luchtkwaliteit nabij het plangebied. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en NO2 over 2020 in de rekenpunten 15851666, 16007716 en 16007717, die nabij de Provincialeweg Oost liggen, respectievelijk maximaal 17,9 μg/m³ PM10, 10,9 µg/m³ PM2,5 en 17,9 µg/m³ NO2 bedragen. De grenswaarden van 40 μg/m³ (fijnstof PM 10 en NO2) en 25 µg/m³ (fijnstof PM2,5) worden hierbij ruimschoots gerespecteerd. Verder dient opgemerkt te worden dat de woningen niet direct nabij de eerdergenoemde rekenpunten gerealiseerd worden, maar op minimaal 35 m afstand van deze rekenpunten en de Provincialeweg Oost. Daarmee zullen de daadwerkelijke jaargemiddelde concentraties ter hoogte van een groot deel van de woningen lager zijn. Voorts voorziet de ontwikkeling niet in een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen.
Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
40
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Een gebied met een matige tot sterke functiemenging is een gemengd gebied. Direct naast woningen komen ook andere functies voor. Hiervan is sprake in de beoogde situatie. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Het voorgenomen plan betreft het toevoegen van gevoelige bestemmingen (woningen), het mogelijk maken van een supermarkt en het verplaatsen van enkele bedrijfsbestemmingen.
Er dient daarom onderzocht te worden welke milieubelastende activiteiten binnen en in de omgeving van het plangebied toegestaan/aanwezig zijn, of deze milieubelastende activiteiten een belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en of deze milieubelastende activiteiten beperkt (kunnen) worden in hun mogelijkheden. Daarom is aan de hand van de geldende bestemmingsplannen in het gebied bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. In de navolgende tabel zijn de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven.
41
Bedrijf/activiteit
Adres
SBI2008
Milieucategorie
Afstand tot bouwvlak woonbestemming in het plangebied in m 75
Voldoet?
3.1
Richtafstand gemengd gebied in m 30 1
Schapenhouderij/ melkveehouderij Afvalwaterzuiveringsinstallatie Diversen
Steinsedijk 31
0145 (2) 3700
4.1
100
75
Nee
Steenbakkerstraat 1 t/m 6a
n.v.t.
3.1
30
36
Ja
Diversen
Galgoord 4-8 (even) Galgoord 2
n.v.t.
3.1
30
37
Ja
61
1
0
17
Ja
Diversen
Steenbakkerstr aat 14 t/m 20
n.v.t.
3.1
30
90
Ja
Diversen
Kuiperstraat 2-4
n.v.t.
3.1
30
95
Ja
Hubo Bouwmarkt
Kuiperstraat 6
4752
2
10
55
Ja
KPN zendmast
Galgoord 10
Ja
1. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening dient een afstand tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van 50 m aangehouden te worden. Hieraan wordt tevens voldaan.
In de navolgende tabel staan de milieubelastende activiteiten binnen het plangebied weergegeven. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de activiteiten van Bestbouw (Blekerstraat 2), W. Visser Transport- en Garagebedrijf (Blekerstraat 10) en andere bedrijven aan de oostzijde van de Blekerstraat beëindigd worden. Op deze gronden worden woningen mogelijk gemaakt. Bedrijf/activiteit
Adres
SBI2008
Milieucategorie
Transformatorruimte Mulder Motorshop De Mammoet
Blekerstraat 1
n.v.t.
Blekerstraat 5 Blekerstraat 3
Gebr. Bakker & Zn.
Blekerstraat 11, Hoogstraat 32 Blekerstraat 13 Hoogstraat 26a Achter Galgoord 2 Achter Steenbakkerstraat 2-6a (even)
Multihands Diverse bedrijven Post-Groep Nieuwe bedrijfsactiviteiten Nieuwe bedrijfsactiviteiten
Afstand tot bouwvlak woonbestemming in het plangebied in m 10
Voldoet?
n.v.t
Richtafstand gemengd gebied in m 4
52109 451, 452, 454 466, 469 en 9524 52109
2 2
10 10
22 56
Ja Ja
2
10
10
Ja
2
10
10
Ja
n.v.t.
3.1
30
30
Ja
n.v.t.
2
10
22
Ja
n.v.t.
3.1
30
30
Ja
Ja
Uit de tabellen komen enkele inrichtingen naar voren ten opzichte waarvan niet wordt voldaan aan de richtafstanden conform de VNG-richtafstandenlijst. Navolgend worden de relevante inrichtingen beschouwd. Afvalwaterzuiveringsinstallatie Haastrecht Circa 75 m ten oosten van het plangebied bevindt zich de afvalwaterzuiveringsinstallatie Haastrecht (hierna: AWZI) van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De AWZI (< 100.000 i.e.) heeft milieucategorie 4.1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 100 m geldt en het aspect geur maatgevend is. Aan deze afstand wordt niet voldaan, waardoor het aspect geur nader beschouwd dient te
42
worden. Om te bepalen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur en of de inrichting wordt beperkt in zijn mogelijkheden is een geuronderzoek (Langelaar Milieuadvies, nr. 21007/02, d.d. 12 augustus 2021, zie bijlagen bij toelichting 13) uitgevoerd. Aan de richtafstand voor de overige aspecten (stof 0 m, geluid 50 m en gevaar 0 m) wordt wel voldaan. Bij het geuronderzoek is rekening gehouden met de vergunde situatie en de uitgevoerde maatregelen (roostergoedverwijdering en contacttank zijn overkapt). Op geen van de beoogde woningen is de geurbelasting hoger dan 0,5 ouE/m³-contour als 98-percentielwaarde. Op de beoogde bedrijfspercelen aan de oostzijde van het plangebied, waar bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mogelijk gemaakt worden, is de geurbelasting maximaal 0,6 ouE/m³-contour als 98-percentielwaarde. In een memo is uiteengezet of er ter plaatse van de beoogde geurgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee van een goede ruimtelijke ordening (Buro SRO, d.d. 6 augustus 2021, zie bijlagen bij toelichting 14). Er worden uitsluitend nieuwe bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt op plekken waar de geurbelasting hoger is dan de strengste toetswaarde van 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel. De berekende geurbelasting bedraagt ten hoogste 0,6 ouE/m³ als 98-percentiel.
Concreet moet de vraag beantwoord worden of deze geurbelasting in de gegeven omstandigheden, na afweging van de spelende belangen, kan worden beschouwd als acceptabel, waarmee de nieuwe situatie niet leidt tot (nieuwe) ernstige hinder. Deze vraag kan, mede gelet op de ambities van de gemeente Krimpenerwaard voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein, de constante geuremissie, het klachtenpatroon en het feit dat het om bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gaat, redelijkerwijs positief beantwoord worden. De AWZI is sinds 1986 aanwezig op de betreffende locatie. Voor zuiveringtechnische werken gelden de bepalingen in artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In lid 7 is echter bepaald dat geen toetsing aan de immissiegrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer benodigd is: alle immissiegrenswaarden uit artikel 3.5b worden buitenspel gezet. De enige normstelling waaraan de AWZI moet voldoen is artikel 3.5b leden 3 en 8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In lid 8 is geregeld dat de geurbelasting op een geurgevoelig object niet mag toenemen als gevolg van een verandering van de zuivering, tenzij de geurbelasting nog lager is dan de waarden uit de leden 1 en 2. Dit laatste is niet het geval. Momenteel staan er al bedrijfsgebouwen dichter bij de zuivering dan de beoogde, nieuwe geurgevoelige objecten.
De geurbelasting zal hier hoger dan of gelijk zijn aan de geurbelasting op de beoogde, nieuwe geurgevoelige objecten. De AWZI wordt daarmee als gevolg van de ontwikkeling niet beperkt wordt in haar mogelijkheden, ook niet bij toekomstige uitbreidingen/verbredingen. Nieuwe bedrijfspercelen Achter Galgoord 2 en achter Steenbakkerstraat 2-6a (even) worden nieuwe bedrijfsactiviteiten tot en met respectievelijk milieucategorie 2 (noordzijde) en 3.1 (zuidzijde) mogelijk gemaakt. Op deze gronden worden ten hoogste drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten geldt dat de geluidbelasting op (bedrijfs)woningen van derden niet meer mag bedragen dan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij de inrichting van de nieuwe bedrijfspercelen zal rekening gehouden worden met de positie van geluidbronnen (bijvoorbeeld laden en lossen) en het afschermen van geluidbronnen ten opzichte van woningen van derden. Bestaande bedrijven en beoogde supermarkt Behoudens de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt voor de bestaande bedrijven aan de richtafstand voldaan. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek industrielawaai (Adviesburo Van der Boom, nr. 19-269, d.d. 3 november 2022, zie bijlagen bij toelichting 15) uitgevoerd naar de bedrijven die in de directe omgeving van de beoogde woningen zijn gevestigd.
Hierbij is ook de geluidbelasting van de beoogde supermarkt op de nieuwe woningen inzichtelijk gemaakt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van alle activiteiten bij alle bedrijven voldoet in de immissiepunten 1-11 bij de nieuw te bouwen woningen aan de richtwaarden. In de punten 12-18 worden de richtwaarden met 1-6 dB(A) overschreden. Maatgevend hierbij zijn de supermarkt (parkeerplaats en laden/lossen bevoorrading) en koeriersbedrijf Post met rijbewegingen van vrachtwagens.
43
De maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van met name de vrachtwagens bedragen in de immissiepunten 1-4 (Blekerstraat) hooguit 80 dB(A) overdag ten gevolge van laad-/losactiviteiten van de bedrijven aan de westzijde. In de avond en nacht zijn de waarden voldoende laag. Langs het Galgoord (punten 5-19) liggen de maximale geluidniveaus vooral hoog ten gevolge van de vrachtwagens bij Post en laden/lossen bij de supermarkt (beide overdag). Ook ten gevolge van de parkeerplaats van de supermarkt kan niet aan de richtwaarden worden voldaan. De bestaande bedrijven in de omgeving en de nieuwe supermarkt leiden tot hogere gemiddelde en maximale geluidniveaus dan de richtwaarden. Overdag zijn deze vooral het gevolg van laden en lossen. In de avond kan met name ten gevolge de parkeerplaats bij de supermarkt niet aan de richtwaarden worden voldaan. Voor de dagperiode zijn de pieken ten gevolge van laad-/losactiviteiten van de diverse bedrijven aan de Blekerstraat uitgezonderd van toetsing. De geluidwering van de beoogde woningen aan de oostzijde van de Blekerstraat (punten 1-4) zal voldoende hoog gemaakt worden, zodat aan de wettelijke binneneisen voldaan wordt. Daarnaast worden de westelijke gevels van de woningen boven de supermarkt (nabij Post en bevoorrading supermarkt) voorzien van dove gevels, waarmee toetsing aan de richtwaarden achterwege kan blijven.
In aanvulling hierop wordt de laad- en losplaats van de supermarkt overkapt met een luifel. Hierbij is een reductie van 10-15 dB(A) mogelijk, wanneer de luifel de gehele laad- en losplaats overspant. De piekniveaus in de punten 12 en 13, boven de laad- en losplaats, dalen dan tot ca. 75 dB(A) overdag. Het geluid vanwege de parkeerplaats bij de supermarkt heeft hetzelfde karakter als het geluid van verkeer op de openbare weg. In een bebouwde omgeving kan de door het parkeren veroorzaakte geluidbelasting ook veroorzaakt worden door het verkeer op een openbare weg. Hiermee is er vanuit de hinderlijkheid geen reden om het geluid vanwege de parkeerplaats als niet aanvaardbaar te beschouwen. In het vervolg zal voor toelaten van het geluid ten gevolge van de parkeerplaats voor de supermarkt een maatwerkbesluit geluid genomen worden. Verder zal de geluidwering van de woningen boven de supermarkt (punten 14-18) voldoende hoog gemaakt worden, zodat aan de wettelijke binneneisen voldaan wordt. De geluidbelasting op de woningen langs de weg – binnen de invloedssfeer van het bedrijf Post en de supermarkt – ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Conclusie Na het treffen van de eerdergenoemde maatregelen is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen gegarandeerd.