BIJL 1 Plantoelichting, -regels en bijlagen planregels BP Oost-Vlisterdijk 28 Vlist.pdf
Tekst van het document
Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van één woning. In het kader van bedrijven en milieuzonering is hiermee sprake van toevoeging van een milieugevoelige functie. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstand mag daarmee één afstandstrap worden verlaagd. Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017 De raad van de gemeente Krimpenerwaard heeft 1 november 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017’ vastgesteld.
In artikel 2 lid 2 van de Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen de stal van de veehouderij en een geurgevoelig object (omliggende woningen), buiten de bebouwde kom, mag worden verlaagd naar 25 meter.
27
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gelegen: Tabel 2: Omliggende bedrijven Adres Functie (SBI 1993) Oost-Vlisterdijk 27 West-Vlisterdijk 57 West-Vlisterdijk 48
Agrarisch bedrijf Horeca Agrarisch loonbedrijf
Milieucat. 3.2 1.0 3.1
Richtafstand gemengd gebied 25 meter 0 meter 30 meter
Werkelijke afstand* Min. 25 meter ** 50 meter 160 meter
* Afstand gemeten van bedrijfsbestemmingsvlak/agrarisch bouwvlak tot nieuw te bouwen woning. ** Om juridisch te borgen dat de nieuwe woning op minimaal 25 meter van het naastgelegen agrarisch bedrijf Oost-Vlisterdijk 27 wordt gerealiseerd, is in dit bestemmingsplan het bouwvlak waarbinnen de nieuwe woning is toegestaan op 25 meter van het agrarisch bouwvlak van het agrarisch bedrijf Oost-Vlisterdijk 27 gelegd.
West-Vlisterdijk 48 Oost-Vlisterdijk 27
West-Vlisterdijk 57
Afbeelding 16: Omliggende bedrijven
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde (richt)afstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en de ‘Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017’. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit bouwplan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
28
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Adcim bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanvullend op het verkennend bodemonderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de sterke PAK-verontreiniging. Bodemopbouw en veldwaarnemingen De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak zandige klei op ondergrond van kleiig veen. Ter plaatse van verharding is een zandfundering aanwezig. Het asfalt is op een funderingslaag van baksteen/menggranulaat. Bij het onderzoek zijn de volgende waarnemingen geconstateerd: • In de bodem is in meerdere boringen bijmenging aangetroffen met grind en asfalt.
Ter plaatse van boring 6 is een funderingslaag aangetroffen vergelijkbaar met de funderingslaag onder het asfalt. • In de bodem en funderingslagen is geen asbest verdacht plaatmateriaal aangetroffen. • Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging anders dan de genoemde bijmenging. • De voormalige watergangen ter plaatse van boring 02, 02pb, 03 en 04 zijn bevestigd door het plaatsen van hulpboringen (boring 4a en 4b) in een tweetal raaien 3 boringen geplaatst. In de boorprofielen en op tekening is slechts 1 boorprofiel weergegeven omdat er geen aanwijzingen zijn dat de voormalige watergang gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slib verdachte lagen aangetroffen. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek • Zowel de boven- als ondergrond is licht verontreinigd met onder andere zware metalen, PAK en minerale olie. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de grond aan klasse industrie. • De grond met bijmenging aan grind en asfalt is matig verontreinigd met lood en PAK. Vanwege de matige verontreiniging zijn de afzonderlijke deelmonsters (boring 05, 09 en 14) onderzocht op lood en PAK. Na uitsplitsing van dit mengmonster is het monster van boring 14 sterk verontreinigd met PAK.
Van boring 06 is onvoldoende materiaal • aanwezig voor separate analyse. Naar aanleiding van de aangetroffen sterke PAK verontreiniging nabij boring 14 is een aanvullend onderzoek uitgevoerd en tevens is boring 06 herhaald. Uit de analyseresultaten van het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat alleen lichte lood- en • PAK verontreiniging aangetroffen zijn. De sterke PAK verontreiniging is niet meer aangetroffen. De verontreinigingen zijn hoogst waarschijnlijk te wijten aan bijmenging in de bodem als gevolg van het historisch gebruik van de locatie. De aangetroffen sterke verontreiniging betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging en dateert voor 1987. • Het grondwater is gelegen op ca. 0.5-0.7m-mv en is licht verontreinigd met barium, naftaleen en minerale olie. 29
De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor aanvullend bodemonderzoek. Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen beperking. Conclusie Voor het bouwplan vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering.
30
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Archeologienota Krimpenerwaard In 2015 is de gemeente Krimpenerwaard gevormd uit vijf gemeenten die elk een eigen archeologiebeleid kenden. Het archeologiebeleid van deze gemeenten is ‘geharmoniseerd’ in de ‘Archeologienota Krimpenerwaard’. Het archeologiebeleid is samengevat in elementen te weten: de beleidsnota en een archeologische verwachtings- en beleidskaart, opgesteld door het adviesbureau RAAP (december 2016). De nota gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het plan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de beleidskaart ligt het plangebied binnen vijf verschillende verwachtingszones: • Waarde Archeologie 1: deze zone ligt ter hoogte van de bestaande woning en betreft de locatie van een middeleeuwse woonheuvel. Deze locatie is betreft ook een terrein van provinciaal belang en op basis van de Verordening Ruimte is hier een archeologisch onderzoek verplicht voor alle ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. • Waarde Archeologie 2: deze zone betreft eveneens een aanduiding voor de aanwezigheid van een middeleeuwse woonheuvel en grenst net ten oosten aan de zone Waarde Archeologie 1.
Een onderzoek is verplicht voor plannen groter dan 50 m² en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. • Waarde Archeologie 3: deze zone beslaat een groot deel van het plangebied en heeft een algemene hoge archeologische verwachting op het voorkomen van resten uit de Middeleeuwen. Een onderzoek is verplicht voor plannen groter dan 100 m² en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. • Waarde Archeologie 5: dit betreft een smalle zone in het oostelijke deel van het plangebied. In de diepere ondergrond bevinden zich afzettingen waar sporen uit de prehistorie kunnen voorkomen. Een onderzoek is verplicht voor plannen groter dan 2.500 m² en ingrepen dieper dan 1,5 cm onder het maaiveld. • Waarde Archeologie 6: dit betreft het uiterst oostelijke deel van het plangebied en ook hier kunnen in de diepere ondergrond sporen uit de prehistorie voorkomen. Een onderzoek is verplicht voor plannen groter dan 2.500 m² en ingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld.
31
Afbeelding 17: Uitsnede archeologische beleidskaart
Onderzoek Door ADC Archeoprojecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om de sloop van de funderingen van het bijgebouw in de zuidwesthoek van het plangebied archeologisch te begeleiden (zie afbeelding 18). Dit heeft als doel de aanwezige laatmiddeleeuwse vindplaats te begrenzen en te waarderen. Het betekent dat indien bij de werkzaamheden vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Voor de sloop van de overige bebouwing en de bouw van de schuurwoning acht ADC ArcheoProjecten, op basis van het huidige inrichtingsplan, geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk.
32
Afbeelding 18: Advieskaart archeologisch onderzoek
Advies ODMH Het archeologisch rapport is beoordeeld door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). De ODMH onderschrijft grotendeels de conclusies en aanbevelingen van het rapport. Bij de bekende huisplaats vinden geen graafwerkzaamheden plaats en deze locatie wordt niet bedreigd. De ODMH is het eens met de archeologische begeleiding van de te slopen schuur naast de huisplaats. Het booronderzoek heeft ook duidelijk gemaakt dat ter hoogte van de nieuw te bouwen woning geen archeologische resten zijn aangetoond. Voor de bouw van de nieuwe woning is geen vervolgonderzoek nodig. De ODMH is het niet eens met de lage archeologische verwachting voor de rest van het plangebied. Daarvoor zijn er te weinig boringen gezet. Ter hoogte van de oude huisplaats wordt de grootste dichtheid aan sporen en vondsten verwacht en deze zijn makkelijk door middel van een booronderzoek te detecteren. Achter de huisplaats wordt een lage dichtheid aan sporen en vondsten verwacht. Het gaat hier om het gebruik van het land vanaf de Middeleeuwen. Een verkennend booronderzoek is niet de geschikte methode om dit verder te onderzoeken. Bij grotere ontwikkelingen biedt een proefsleufonderzoek een betere prospectiemethode. De algemene hoge verwachting moet dan ook gehandhaafd blijven.
De begrenzing van de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’ kan verkort worden tot het begin van de sloot in het oostelijke deel van het plangebied. Waarde Archeologie 2 betreft de zeer globale aanduiding van een middeleeuwse huisplaats en de begrenzing is slechts indicatief. Gezien de omvang van de
33
begrenzing Waarde Archeologie 1 heeft het geen inhoudelijke waarde om deze dubbelbestemming op te nemen. Conclusie Het archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat ter hoogte van de nieuw te bouwen woning geen archeologische resten zijn aangetoond. Voor de bouw van de nieuwe woning is geen vervolgonderzoek nodig. De funderingen van het bijgebouw in de zuidwesthoek van het plangebied dient archeologisch te worden begeleiden (zie afbeelding 18). De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Verder ondervindt het plan geen belemmeringen wat betreft archeologie. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag (zijnde gemeente Krimpenerwaard).
34
5.6 Watertoets In het plangebied is het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder en de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen en van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer te voorkomen, wordt een watertoets uitgevoerd. Waterbeheerplan ‘Waterkoers 2016-2021’ Het Algemeen Bestuur van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft op 16 maart 2016 het waterbeheerplan ‘Waterkoers 2016 – 2021’ vastgesteld. Het motto van de Waterkoers is ‘Samenwerken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving’.
In het waterbeheerplan is een vijftal pijlers geformuleerd: • Waterveiligheid (Voorkomen van overstromingen, heel centraal Holland veiliger, gevolgenbeperking en calamiteitenzorg); • Voldoende water (Eerlijke verdeling van lusten en lasten, samen omgaan met wateroverlast, aanvoer van zoet water, prettig leven in de stad, mooi en vitaal veenweidegebied, in gesprek over grondwater); • Gezond water (Levendige boerensloten, gezond water in de stad, waternatuur met waarde); • Gezuiverd afvalwater (Efficiënt en doelmatig zuiveren, samenwerken in de afvalwaterketen, van afval naar grondstof, vernieuwen rioolwaterzuivering Utrecht); • Genieten van water (Soepele doorstroming vaarverkeer, samen voor een goede visstand, kansen voor recreatief medegebruik en 1000 jaar waterbeheer zichtbaar). Waterstructuurvisie In de Waterstructuurvisie geeft het HDSR aan dat water een steeds grotere rol in onze samenleving speelt. Functies zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van water. Daarnaast verandert het klimaat waardoor water in de toekomst meer ruimte nodig. In de Waterstructuurvisie presenteert het HDSR de integrale visie op een duurzaam waterbeheer op de lange termijn.
Doelen hierbij zijn: • Het gewenste veiligheidsniveau tegen overstroming en wateroverlast is gegarandeerd; • Er is sprake van een goede waterkwaliteit; • De ecohydrologische variatie binnen het plangebied is hersteld; • De bodemdaling is verminderd of zo mogelijk stopgezet; • Er zijn goede gebruiksmogelijkheden van het plangebied voor verschillende maatschappelijke functies; • Er is voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar om dit mogelijk te maken; • De landschappelijke betekenis van water is behouden of versterkt. In de structuurvisie zijn gebiedsspecifieke doelstellingen en maatregelen gedefinieerd. Ook wordt een streefbeeld voor 2050 beschreven, gebaseerd op de volgende principes: • Vasthouden, bergen, afvoeren; • Voorkomen, scheiden of schoon maken van vuilemissies; • Vergroten zelfvoorzienendheid en duurzame inrichting; • Grondwater als ordenend principe.
35
Verordening ‘de Keur’ Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft als regelgeving zijn verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is o.a. geregeld dat langs watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze beschermingszone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van watergangen mogen niet zonder toestemming van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden werkzaamheden plaatsvinden, die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een primaire watergang geldt een beschermingszone van 5 meter en voor een secundaire watergang 1,25 meter. Voor een tertiaire watergang geldt geen beschermingszone Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (zie bijlage). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Oppervlaktewater In en of aangrenzend aan het plangebied zijn een primaire watergang (de Vlist), één secundaire watergang (wetering) en drie tertiaire watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen.
Er vinden geen bouwen sloopwerkzaamheden plaats in de beschermingszones van de primaire en secundaire watergangen. Het aanvragen van een watervergunning bij het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is op dit onderwerp niet noodzakelijk.
Afbeelding 19: Legger oppervlaktewateren
36
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Indien sprake is van een toename van het bestaande verharde oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.), dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft het beleid dat elke toename van verharding groter dan 500 m2 dient te worden gecompenseerd. De benodigde compensatie bedraagt 15% (minimaal benodigd oppervlak extra open water als percentage van het aan te leggen extra verharde oppervlak). Bij het afwegen van maatregelen ter compensatie dient de volgende voorkeursvolgorde te worden aangehouden (volgens het principe vasthouden, bergen, afvoeren): • Infiltreren in de bodem; • Binnenplanse retentie (vertraagde afvoer); Compensatie in de vorm van aanvullende waterberging, waarbij de volgende voorkeursvolgorde wordt gehanteerd: • Binnen het plangebied; • Binnen het peilgebied waar het plangebied in is gelegen; • In het benedenstroomse peilgebied. Verhardingsbalans Om de eventuele benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld.
Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bestaande woning Oost-Vlisterdijk 28 Hooiberg Schuur A Schuur B Schuur C Schuur D Schuur E Voormalige varkenshokken Erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Bestaande woning Oost-Vlisterdijk 28 Hooiberg Nieuwe vrijstaande woning Bijgebouwen woningen Toegangspad Grinderf voor parkeren (50% van 300 m2) Overige erfverharding (rondom woningen) Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte 170 m2 100 m2 255 m2 120 m2 90 m2 85 m2 50 m2 100 m2 1.020 m2 1.990 m2
170 m2 100 m2 150 m2 200 m2 130 m2 150 m2 250 m2 1.150 m2 840 m2 afname
37
Afbeelding 20: Bestaande bebouwing
Het plan resulteert in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Het aanvragen van een watervergunning bij het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is op dit onderwerp niet noodzakelijk. Regionale waterkering Het plangebied ligt in de nabijheid van een regionale waterkering. De geplande woningbouw vindt plaats binnen de beschermingszone van de regionale waterkering. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR).
Afbeelding 21: Legger regionale waterkeringen
Hemelwaterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de omliggende watergangen. Dit plan voorziet in een afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Beide woonpercelen worden groen ingericht met voldoende mogelijkheden voor hemelwateropvang.
38
Vuilwaterafvoer Vuil water wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. De uitvoering van het plan vindt plaats in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Rioolwaterzuivering Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR).
39
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit de ecologische quickscan is geconcludeerd dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht).
Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Hierbij dient echter de bomenrij op de planlocatie en die in de directe omgeving onbelicht te blijven tijdens de beoogde ontwikkeling en in de beoogde situatie.
• De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
40
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de Groene buffer en de Belangrijke weidevogelgebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 7,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 250 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 18 km ligt het dichtstbijzijnde Groene buffer.
Afbeelding 22: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
Afbeelding 23: Plangebied is relatie tot Natuurnetwerk Nederland
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
41
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de gebruiksfase van het plan een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat voor (bouw)jaar 2022 de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats Binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage.
Houtopstanden In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Indien conform de maatregelen in de ecologische quickscan wordt gewerkt, is het risico op het overtreden van de Wet natuurbescherming uitgesloten.
42
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf jan. 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015
Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,4 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,7 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 10,8 μg/m3 PM2,5; Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard.
Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
43
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire risicobronnen Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen.
Plangebied
Afbeelding 24: Uitsnede Risicokaart
Buisleidingen Binnen en in de directe omgeving daarvan komen geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen voor.
44
Vervoer gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg of water plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
45
5.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Beleidskader Gemeentelijk beleid De gemeente Krimpenerwaard heeft de volgende ambitie opgesteld: “In 2060 is de samenleving van de Krimpenerwaard fossiele brandstofvrij en energie- en CO2neutraal en vrij van restafval”. Dat staat in het Programmaplan Duurzaamheid 2018-2021. De volgende doelstellingen uit het Programmaplan zijn relevant voor het plan: • De CO2-uitstoot is in 2030 met 50% afgenomen t.o.v. 2015. • In 2030 is het afvalscheidingspercentage minimaal 80%. In het coalitieakkoord 2018-2022 zijn aanvullende relevante doelen en aandachtspunten opgenomen: • In 2021 is de hoeveelheid duurzaam opgewekte energie toegenomen met tenminste 0,02 PetaJoule. • Bij de inrichting van de publieke en private buitenruimte wordt rekening gehouden met wateren hittestress. • Het afval van de één wordt grondstof voor de ander. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a.
Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Onderzoek Duurzaamheid De woning wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Het plan zal conform de BENGnorm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woning wordt zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie. Klimaatadaptatie Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Dit plan voorziet in totaliteit in een forse afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen. Beide woonpercelen worden groen ingericht met voldoende mogelijkheden voor hemelwateropvang.
Verder wordt onderzoek gedaan naar mogelijkheden om hemelwater langer vast te houden.
46
Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet direct. De woning wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee de waterkering niet wordt aangetast en maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. In het plan wordt uitvoerig aandacht besteed aan duurzaamheid. De woning worden gebouwd conform de BENG-norm. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Hierbij wordt gekeken naar de positionering van gevelopeningen en de toe te passen glassoorten. Bovendien is vanuit de BENG-norm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. Door een landschaps- en tuinarchitect is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij type beplantingen worden gebruikt die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.
47
6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’ is conform de landelijke RO-standaard (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist) dat is vastgesteld op 15 december 2015. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Wonen Op het plangebied blijft de bestemming ‘Wonen’ ongewijzigd. Voor de bestaande en de nieuwe woning wordt ieder een apart bouwvlak opgenomen. Een woning mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak mag één vrijstaande woning worden gebouwd. Op de bestaande woning blijft de bouwaanduiding ‘karakteristiek’ ongewijzigd. In de regels van de bestemming ‘Wonen’ is juridisch geborgd dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning mag pas worden verleend, indien in voldoende mate is aangetoond dat die woning wordt voorzien van een uitschakelbare mechanische ventilatie ter voorkoming van het naar binnen zuigen van toxische gassen bij calamiteiten. Waarde – Archeologie 1 en 3 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 3’ zijn overgenomen in dit bestemmingsplan voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Waarde – Cultuurhistorie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' is overgenomen in dit bestemmingsplan voor de bescherming van het dorpsgezicht Vlist (inclusief Bonrepas). Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de regionale waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ overgenomen in dit bestemmingsplan.
6.4 Aanduidingen • •
Bouwaanduiding ‘karakteristiek’; Bouwvlak.
48
7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar van het plan getekend, waarin is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een woningbouwontwikkeling te informeren. De ontwikkelaar van dit plan heeft er voor gekozen om in een vroeg stadium de naaste buren te informeren over het plan door persoonlijk langs te gaan bij de omwonenden met de mededeling van de plannen voor nieuwbouw van een tweede woning op de locatie Oost-Vlisterdijk 28 te Vlist.
8.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners.
8.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
49
Regels bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’
Planstatus: vastgesteld Datum: 2022-09-13 Plan identificatie: NL.IMRO.1931.BP2211BG016-VG01 Auteur: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................... 9 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 10 Artikel 3 Wonen................................................................................................................................. 10 Artikel 4 Waarde - Archeologie 1 ...................................................................................................... 14 Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 ...................................................................................................... 17 Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie 1 ................................................................................................. 20 Artikel 7 Waterstaat - Waterkering ...................................................................................................
23 3 Algemene regels ...................................................................................................................... 24 Artikel 8 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 24 Artikel 9 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 24 Artikel 10 Algemene gebruiksregels .................................................................................................. 25 Artikel 11 Algemene aanduidingsregels ............................................................................................ 27 Artikel 12 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 28 Artikel 13 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 28 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 30 Artikel 14 Overgangsrecht ................................................................................................................. 30 Artikel 15 Slotregel ............................................................................................................................ 30
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan Het bestemmingsplan 'Vlist, Oost-Vlisterdijk 28' met identificatienummer NL.IMRO.1931.BP2211BG016-VG01 van de Gemeente Krimpenerwaard. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan- en uitbouw Een gebouw dat aan het hoofdgebouw is aangebouwd, en daarmee in directe verbinding staat en welk gebouw door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 ander bouwwerk Een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.7 archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarden in verband met (de kennis en de studie van) de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden. 1.8 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9 bed & breakfast Het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
Onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. 1.10 bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen detailhandelsbedrijf zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving. 3
1.11 beroepsmatige activiteiten aan huis Het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermede naar de aard gelijk te stellen terrein dat door zijn aard en omvang zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving. 1.12 bestaand a. Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, met uitzondering van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; b. Bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 1.13 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.14 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.15 bijgebouw Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw, dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.16 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.17 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.18 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.19 bouwperceelsgrens De grens van een bouwperceel. 1.20 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 4
1.21 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22 cultuurhistorische waarden Belang in geschiedkundig opzicht; onder andere met betrekking tot het ontstaan van het gebied, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het occupatiepatroon en de bebouwing. 1.23 dagrecreatie Recreatief verblijf ter ontspanning en vermaak, waarbij overnachting niet is toegestaan. 1.24 extensief recreatief medegebruik Vormen van recreatief (mede)gebruik in een gebied, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën, paardrijden en natuurobservatie. 1.25 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.27 kantoor Een ruimte welke door haar indeling en inrichting is bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden.
1.28 kas Een gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas. 1.29 landschappelijke waarden De aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied. 1.30 maatschappelijke voorzieningen Overheids-, medische, onderwijs-, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, recreatieve en vergelijkbare voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van sportbeoefening, ouderenzorg, kinderdagverblijven en kinderopvang. 1.31 manege Een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, zulks in combinatie met één of meer van de volgende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, ondergeschikte horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodaties en het houden van wedstrijden en andere evenementen. 5
1.32 natuurwaarden De aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied. 1.33 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.34 onderkomen Een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken voer- of vaartuig, ark, kampeermiddel of soortgelijk verblijfsmiddel, voor zover deze niet als bouwwerk is aan te merken. 1.35 peil a. Voor gebouwen op of langs een dijk: 0. Voor gebouwen die onmiddellijk aan de kruin van een dijk grenzen of waarvan de voorgevel binnen een afstand van 3 meter uit de kruin van de dijk is gelegen: de hoogte van de kruin van de dijk; 1. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; b. Voor gebouwen niet op of langs een dijk: 0. Voor gebouwen die onmiddellijk aan de openbare weg grenzen: de hoogte van de kruin van die openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; 1. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; c. Voor andere bouwwerken: 0.
De gemiddelde hoogte van het aansluitende bestaande afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. 1.36 permanente bewoning Gebruik als woonadres als bedoeld in de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet GBA), waaronder wordt verstaan: a. Het gebruik van het woonadres als hoofdverblijf, dat wil zeggen dat het adres het centrum vormt van de sociale en maatschappelijke activiteiten van de bewoner; b. Het in een periode van 180 dagen ten minste de helft van die tijd ter plaatse nachtverblijf houden, terwijl de betrokkene niet elders daadwerkelijk over een woonadres beschikt. 1.37 persoonlijke dienstverlening Een (naar openingstijden grotendeels) met een winkel vergelijkbaar bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren, zoals kapsalons en wasserettes. 1.38 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen.
6
1.39 seksinrichting Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: a. b. c. d.
Een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; Een seksbioscoop of sekstheater; Een seksautomatenhal; Een seksclub of parenclub;
al dan niet in combinatie met elkaar; een escortbedrijf wordt niet onder een seksinrichting verstaan. 1.40 straatmeubilair Bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts)voorzieningen, zoals: a. Verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. Telefooncellen, abri's, kunstwerken, fietsenstallingen, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; c. Kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; d. Afvalinzamelsystemen. 1.41 terras Een buiten de besloten ruimte van de horeca inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 1.42 theetuin/theeschenkerij Activiteiten gericht op tuinrecreatie waarbij tussen zonsopgang en zonsondergang alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren (versnaperingen voor bij de koffie/thee, broodjes, ijsjes en daaraan gelijk te stellen etenswaren) aan de bezoekers en passerende recreanten worden verstrekt. 1.43 verblijfsrecreatie Eecreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
1.44 voorgevel De naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt. 1.45 voldoende parkeergelegenheid Parkeergelegenheid voor auto's, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de gemiddelde parkeerkencijfers van CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig 7
parkeren, 2018) en diens rechtsopvolger(s), dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren. 1.46 wonen Het gehuisvest zijn in een woning conform het begrip woning. 1.47 woning/wooneenheid Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.48 zakelijke dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan bedrijven en/of personen, zoals administratie-, advertentie-, advocaten-, makelaars-, advies- en ingenieursbedrijven en bankfilialen.
8
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 De inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen (zie ook de algemene bouwregels, artikel 9). 2.3 De dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 De goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 De afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens Wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelgrens gelegen punt van het gebouw tot die perceelsgrens op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens. 2.6 De oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.7 De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde Bij de vaststelling van de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder buitenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren wordt de verticale projectie van het gehele bouwwerk, op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten. 2.8 De bebouwde oppervlakte Van een bouwperceel, bouwvlak of ander terrein wordt gemeten buitenwerks en boven peil, met dien verstande, dat de oppervlakten van alle op het terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken worden opgeteld.
9
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
Wonen; Erven, tuinen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; Beroepsmatige activiteiten aan huis; Wegen, paden en parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: 3.2.1 Woning a. Een woning mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. Per bouwvlak mag één vrijstaande woning worden gebouwd; c. De inhoud van een woning, exclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag niet meer dan 700 m3 bedragen; d. Voor zover de inhoud van de onder c bedoelde woning ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande inhoud als maximum; e. De goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 4 m, dan wel de bestaande goothoogte; f. De bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m, dan wel de bestaande bouwhoogte. 3.2.2 Erfbebouwing bij de woning a. Bij iedere woning zijn aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan, waarbij: 1. De gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 mag bedragen; 2. De bij de woning behorende gronden voor niet meer dan 50% bebouwd zijn; 3. Bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen minimaal 3 m achter het verlengde van de voorgevel zijn gelegen; 4. De goothoogte van aanbouwen en uitbouwen niet meer bedraagt dan 0,25 m boven de eerste verdiepingsvloer, met een maximum van 4 m; 5. De goothoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 3 m; 6. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m; 7.
De afstand tot het hoofdgebouw maximaal 20 m bedraagt; 8. Dakkapellen en dakopbouwen niet zijn toegestaan; b. In afwijking van het bepaalde onder a sub 3, mogen aanbouwen voor de voorgevel, waaronder begrepen erkers en ingangspartijen, worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. De breedte niet meer mag bedragen dan 50% van de breedte van de voorgevel; 2. De diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m, gerekend vanaf de voorgevel van de woning; 10
3. De oppervlakte niet meer mag bedragen dan 5 m2; 4. De bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag tot een maximum van 3 m. 3.2.3 Andere bouwwerken a. Andere bouwwerken zijn toegestaan met dien verstande dat: 1. Paardenbakken niet zijn toegestaan; 2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan: i. Op de gronden voor de voorgevel: 1 m; ii. Voor het overige: 2 m 3. Zwembaden en tennisbanen uitsluitend achter (het verlengde van) de achtergevel van de woning mogen worden gebouwd; 4. Bij zwembaden en tennisbanen geen verlichting is toegestaan; 5. De bouwhoogte van zwembaden niet meer mag bedragen dan 0,35 m; 6. De oppervlakte van zwembaden niet meer mag bedragen dan 100 m2; 7. De bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedraagt dan 1,5 m. 3.2.4 Ondergrondse bebouwing Ondergrondse bebouwing is uitsluitend toegestaan onder bovengrondse bebouwing en onder de voorwaarde dat deze uitsluitend vanuit de bovengrondse bebouwing bereikbaar is. 3.3 Nadere eisen 3.3.1 Beeldkwaliteitsplan Naast de gestelde bouwregels in artikel 3 lid 2 dient voor de nieuwbouw van hoofd- en bijgebouwen en de inrichting van het plangebied te worden voldaan aan het bij deze regels gevoegde beeldkwaliteitsplan.