CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Plantoelichting, -regels en bijlagen planregels BP Oost-Vlisterdijk 28 Vlist.pdf

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Oost-Vlisterdijk 28, Vlist24.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’

Toelichting bestemmingsplan ‘Vlist, Oost-Vlisterdijk 28’

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak In opdracht van: Kruiswijk VOI bv Oost-Vlisterdijk 28a 2855 AD Vlist Identificatiecode: NL.IMRO.1931.BP2211BG016-VG01 Datum: 13-09-2022 Status: Vastgesteld

1

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................2 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................2 1.3 Vigerend bestemmingsplannen .......................................................................3 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................4 2. Bestaande situatie ...............................................................................................5 2.1 Algemeen ........................................................................................................5 2.2 Stedenbouwkundige context ...........................................................................5 2.3 Ontsluiting plangebied .....................................................................................5 2.4 Huidig gebruik ..................................................................................................5 3.

Nieuwe situatie ....................................................................................................7 3.1 Planbeschrijving ..............................................................................................7 3.2 Beeldkwaliteit ...................................................................................................8 3.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................... 11 3.4 Parkeren ....................................................................................................... 12 3.5 Verkeer ......................................................................................................... 13 4. Beleidskader ..................................................................................................... 14 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................... 14 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ......................................................... 14 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................... 14 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) .......................................................... 15 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid ............................................................................

15 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................... 16 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland ................................................................ 16 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland .................................................... 19 4.2.3 Provinciaal milieubelang ........................................................................ 22 4.2.4 Conclusie provinciaal beleid .................................................................. 22 4.3 Gemeentelijk beleid ...................................................................................... 23 4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard .......................................................... 23 4.3.2 Woonvisie gemeente Krimpenerwaard ................................................. 23 4.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid ............................................................... 24 5. Milieuaspecten .................................................................................................. 25 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)...................................................... 25 5.2 Geluid ........................................................................................................... 26 5.3 Milieuzonering bedrijven ...............................................................................

27 5.4 Bodem .......................................................................................................... 29 5.5 Archeologie ................................................................................................... 31 5.6 Watertoets .................................................................................................... 35 5.7 Ecologie ........................................................................................................ 40

5.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 43 5.9 Externe veiligheid ......................................................................................... 44 5.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ............................................................ 46 6. Juridische planopzet ........................................................................................ 48 6.1 Inleiding ........................................................................................................ 48 6.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 48 6.3 Bestemmingen .............................................................................................. 48 6.4 Bestemmingen .............................................................................................. 48 7. Economische uitvoerbaarheid ........................................................................ 49 7.1 Exploitatie ..................................................................................................... 49 8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 49 8.1 Participatie .................................................................................................... 49 8.2 Vooroverleg ex art.

3.1.1 Bro ........................................................................ 49 8.3 Zienswijzen ................................................................................................... 49

Bijlage 1 2

Omschrijving Landschappelijk inpassingsplan Beeldkwaliteitsplan

3

Digitale Watertoets

4

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Ecologisch onderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Stikstofdepositieonderzoek

5 6 7

8

Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden ADCIM B.V.

Referentie LTL21515

Datum 27-11-2021

20159

05-11-2021

-

05-11-2021

20210313-D-VO1.1

14-12-2021

ADC Archeoprojecten

Rapport 5563

03-03-2022

Blom Ecologie

BE/2021/796/r

14-01-2022

Voortman Ingenieurs

R-JVO/1727

15-09-2021

Van den Heuvel Milieuadvies

18060

02-09-2021

1

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Oost-Vlisterdijk 28 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. De agrarische bestemming is reeds omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. Op het perceel is een karakteristieke woning met ca. 800 m 2 aan voormalige agrarische bebouwing gelegen. Het plan is om de voormalige agrarische bebouwing behoudens de karakteristieke hooiberg te slopen en op het perceel Oost-Vlisterdijk 28 een tweede vrijstaande woning te realiseren. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist), dat is vastgesteld op 15 december 2015, omdat binnen het huidige woonbestemmingsvlak slechts één vrijstaande woning is toegestaan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Oost-Vlisterdijk. Aan de noord- en zuidzijde wordt het plangebied begrensd door een perceelsgrens met de belendende percelen Oost-Vlisterdijk 27 en 28b. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Oost-Vlisterdijk. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de wetering. Het plangebied is kadastraal bekend als Vlist, sectie D, perceel 302.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

2

Afbeelding 2: Kadastraal perceel Oost-Vlisterdijk 28 te Vlist

1.3 Vigerend bestemmingsplannen Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist) Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist, dat is vastgesteld op 15 december 2015. Het plangebied heeft de bestemming: • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie 1; • Waarde – Archeologie 3; • Waarde – Cultuurhistorie 1; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduiding: • Bouwaanduiding ‘karakteristiek’.

Afbeelding 3: Bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)

Het plan is strijdig met het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist), omdat binnen het huidige woonbestemmingsvlak slechts één vrijstaande woning is toegestaan.

3

Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ vastgesteld. De aanleiding van dit parapluplan zijn het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening. Hierdoor kan er voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontwikkelingen niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan parkeernormen. Inmiddels is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor het mogelijk is om het parkeren in het bestemmingsplan te regelen. De gemeente Krimpenerwaard heeft ervoor gekozen om een gemeente-dekkende regeling op te stellen voor parkeren. Dit heeft geresulteerd het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’. In paragraaf 3.4 ‘Parkeren’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: -

Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Nieuwe situatie; Hoofdstuk 4: Beleidskaders; Hoofdstuk 5: Milieuaspecten; Hoofdstuk 6: Juridische planopzet; Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 8: Maatschappelijke uitvoerbaarheid.

4

2. Bestaande situatie 2.1 Algemeen Vlist is één van de kernen van de gemeente Krimpenerwaard. De gemeente Krimpenerwaard behoort tot de provincie Zuid-Holland.

2.2 Stedenbouwkundige context Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de Oost-Vlisterdijk. Langs de Oost-Vlisterdijk is sprake van een verdichting aan lintbebouwing. Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de Oost-Vlisterdijk. In het lint langs de Oost-Vlisterdijk ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon-) boerderijen en vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen. Daarbij is sprake van afwisselende functies, kleinschalige bedrijvigheid, agrarische bedrijven en burgerwoningen wisselen elkaar af. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne(re) bebouwing. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

2.3 Ontsluiting plangebied Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via een enkele uitrit op de Oost-Vlisterdijk.

Afbeelding 4: Bestaande ontsluiting plangebied

2.4 Huidig gebruik Het perceel Oost-Vlisterdijk 28 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. De agrarische bestemming is reeds omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. Op het huidige woonperceel is een karakteristieke woning met ca. 800 m2 aan voormalige agrarische bebouwing gelegen (incl. karakteristieke hooiberg).

5

Bestaande woning OostVlisterdijk 28

Hooiberg (100 m2)

Schuur C (90 m2) Schuur E (50 m2) Voormalige varkenshokken (100 m2)

Schuur A (255 m2)

Schuur B (120 m2)

Schuur D (85 m2)

Afbeelding 5: Overzicht bestaande bebouwing

6

3. Nieuwe situatie 3.1 Planbeschrijving Het plan is om de voormalige agrarische bebouwing behoudens de karakteristieke hooiberg te slopen en op het perceel Oost-Vlisterdijk 28 een tweede vrijstaande woning te realiseren. Voor wat betreft de maatvoering van de nieuwe woning wordt aangesloten bij de bouwregels in het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’. De inhoud van de woning (exclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen) mag niet meer bedragen dan 700 m3. De bouw- en goothoogte van de woning mag niet meer bedragen dan 10 meter respectievelijk 4 meter.

Afbeelding 6: Nieuwe situatie (uitvergroot in de bijlage)

7

3.2 Beeldkwaliteit Nota Ruimtelijke kwaliteit Op 13 december 2016 heeft de gemeente Krimpenerwaard de Nota Ruimtelijke kwaliteit vastgesteld. De inhoud en opbouw van de nota is bruikbaar als welstandsnota onder de huidige wetgeving en sorteert tegelijkertijd waar mogelijk voor op de vereisten van de Omgevingswet, waarin de ruimtelijke kwaliteit als samenspel tussen gebieden en gebouwen een belangrijk onderdeel is van de omgevingskwaliteit. Het plangebied is op de bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard behorende gebiedenkaart aangeduid als ‘Vlist’ (Gebied 2A).

Plangebied

Afbeelding 7: Uitsnede gebiedenkaart Nota Ruimtelijke kwaliteit

De linten langs de Vlist hebben gevarieerde bebouwing uit diverse periodes met als basis het individuele pand met een landelijk karakter. De linten bestaan uit De nederzettingen Vlist en Bonrepas, die een structurele eenheid vormen. De bebouwing langs de hoofdontsluitingswegen aan een of beide oevers van de Vlist staat in de regel vrij op ruime kavels, iets teruggelegen van de weg. Enkele objecten staan op de gronden tussen Vlist en weg. De Vlist is in het noordelijke deel aan twee zijden bebouwd. Kavels strekken diep landinwaarts en worden vaak ontsloten door bruggen. Doorzichten op het achterland zijn kenmerkend in het beeld. De bebouwing bestaat voornamelijk uit boerderijen, woningen en (agrarische) bedrijfsgebouwen. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op weg of water. Rooilijnen volgen verkaveling van het slagenlandschap en bij uitzondering de weg en verspringen onderling. De bebouwing is in de regel individueel en afwisselend. In de verdichte delen staan enkele korte rijen met samenhangende woningen in het lint. Woningen hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw bestaande uit een onderbouw van één en soms anderhalve of twee lagen met flinke kap. Op- en aanbouwen komen veel voor en zijn in het algemeen ondergeschikt en opgenomen in de hoofdmassa. Gevels van woningen zijn veelal representatief.

Met name de oudere woningen zijn verticaal geleed met staande ramen. Panden hebben in de regel een zorgvuldige detaillering. Grote gevelopeningen zijn staand, waarbij de vensters veelal zijn onderverdeeld. Gevels van met name oudere panden zijn voorzien van elementen als siermetselwerk, windveren en makelaars. Materialen zijn traditioneel. Gevels zijn gemetseld in gele danwel rode baksteen en incidenteel gepleisterd of gekeimd in een lichte tint. Bijgebouwen zijn ook wel uitgevoerd in gepotdekselde donkere houten planken, al dan niet voorzien van een gemetselde onderbouw. De meeste daken zijn gedekt met rode of gesmoorde pannen of riet. De gebruikte kleuren zijn terughoudend en in het algemeen traditioneel.

8

De linten langs de Vlist hebben een bijzonder welstandsniveau. Het gebied is door het Rijk grotendeels aangewezen als beschermd gezicht vanwege zijn schoonheid in combinatie met de ruimtelijke en structurele samenhang. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. Het historische dorpsbeeld wordt volledig bepaald door de veelal monumentale boerderijen langs de dijken. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten. De bebouwing is gelijnd aan de verkaveling, waarbij boerderijen een woning aan de straatkant hebben en de stal hier in de regel direct achter is gelegen. Deze wijze van inrichting is kenmerkend voor het gebied en zorgt voor doorzichten over de erven. Diverse objecten zijn cultuurhistorisch waardevol. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, het gegroeide bebouwingspatroon, de cultuurhistorische bebouwing en de sterke ruimtelijk-functionele relatie met het open buitengebied. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.

Plangebied

Afbeelding 8: Uitsnede niveaukaart Nota Ruimtelijke kwaliteit

Toepassing plan Het plan is om de nieuwe woning op een passende wijze in het lint in te passen, waarbij het historische dorpsbeeld / beschermd dorpsgezicht behouden blijft dan wel wordt versterkt. Op het perceel Oost-Vlisterdijk 28 is een karakteristieke boerderijwoning met een hooiberg gelegen. Deze karakteristieke woning en hooiberg blijven behouden. De bestaande woning zal het hoofdgebouw blijven op het perceel. De nieuwe woning zal een ondergeschikte uitstraling krijgen in de vorm van een schuurwoning. De nieuwe woning dient achter de voorgevelrooilijn van de bestaande woning te worden gesitueerd. De nieuwe woning zal een ondergeschikte uitstraling krijgen ten opzichte van de bestaande woning. De sloop van de voormalige agrarische bebouwing en de zorgvuldige inpassing van de nieuwe woning leveren een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

9

Gezien de mate van flexibiliteit in dit bestemmingsplan is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening wenselijk om kaders op te stellen wat betreft het aspect beeldkwaliteit om daarmee ongewenste situatie te voorkomen. Voor het plan is daardoor een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het doel van dit beeldkwaliteitsplan is om ongewenste situaties te voorkomen en een toetsingskader te bieden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard voor de verdere planuitwerkingen van de nieuwe vrijstaande woning en de inrichting van het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is geen hard toetsingskader, maar richtinggevend. Het geeft de beoogde sfeer en kwaliteit aan, maar is dermate flexibel dat de architect een eigen creatieve invulling kunnen geven aan de beeldkwaliteitseisen. Uitzonderingen op beeldkwaliteitseisen worden niet uitgesloten, maar leggen een bewijslast bij de architect. Hierdoor kan worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen, de markt en innovaties. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan.

Afbeelding 9: Landschappelijke inpassing schuurwoning (uitvergroot in de bijlage)

Afbeelding 10: Referentiebeelden schuurwoning

10

3.3 Landschappelijke inpassing In het kader van de ruimtelijke kwaliteit is het bij nieuwe ontwikkelingen in de bebouwingslinten wenselijk zorg te dragen voor een passende groene inrichting. Voor het plan is Bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten uit Bergambacht benaderd om een landschappelijk inpassingsplan op te stellen voor een groene inpassing van het plan. Het uitgangspunt van het landschappelijke inpassingsplan is het behoud dan wel versterken van de waardevolle landschappelijke elementen. Met de sloop van de agrarische bebouwing worden doorzichten gecreëerd naar het achterland wat kenmerkend is voor dit gebied. Het landschappelijk inpassingsplan zijn uitvergroot toegevoegd in de bijlage.

Afbeelding 11: Groene inrichting plangebied (uitvergroot in de bijlage)

11

3.4 Parkeren Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ vastgesteld. De aanleiding van dit parapluplan zijn het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening. Hierdoor kan er voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontwikkelingen niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan parkeernormen. Inmiddels is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor het mogelijk is om het parkeren in het bestemmingsplan te regelen. De gemeente Krimpenerwaard heeft ervoor gekozen om een gemeente-dekkende regeling op te stellen voor parkeren. Dit heeft geresulteerd het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’. De gemeente Krimpenerwaard gaat uit van de volgende uitgangspunten: 1. Het gemiddelde parkeerkencijfer wordt als uitgangspunt genomen; 2. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein; 3. Alle kernen (in de bebouwde kom) vallen onder 'rest bebouwde kom'; 4. Het buitengebied valt onder de noemer 'buitengebied'; 5. Voor de hele gemeente geldt dat sprake is van 'niet stedelijk'.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ indien op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. Een afwijking van het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ wordt pas verleend nadat het advies is verkregen van een verkeerskundige. De parkeernormen in het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ zijn gebaseerd op parkeernormen in het landelijke CROW-beleid. Het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Parkeerberekening Parkeernorm Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘koop, vrijstaand’, in het ‘buitengebied’ van een niet stedelijk gebied een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning (waarvan 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers). Parkeerbehoefte Twee vrijstaande woningen * 2,4 parkeerplaatsen = 4,8 parkeerplaatsen; Dit plan resulteert in een parkeerbehoefte van afgerond 5 parkeerplaatsen. Parkeeroplossing De parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Op het achtererf wordt parkeergelegenheid gerealiseerd voor minimaal 5 auto’s.

Het plan voldoet daarmee aan de gestelde parkeernorm conform het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard.

12

Afbeelding 12: Situatie parkeren

3.5 Verkeer Ontsluiting Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via een enkele uitrit op de Oost-Vlisterdijk. Beide woonpercelen worden in de nieuwe situatie ontsloten via de bestaande in- en uitrit. Verkeersgeneratie Om er zeker van te zijn dat de verkeersbewegingen als gevolg van dit plan op een goede wijze kan worden afgewikkeld is in het kader van een goede ruimtelijke ordening tevens uitvoerig aandacht besteed aan het aspect verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van dit plan is gebruikt gemaakt van de CROW-publicatie 381. Verkeersnorm Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde kengetal in het CROW-beleid. In de berekening is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad “niet stedelijk gebied” en het gebiedstype “buitengebied”. •

Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘koop, vrijstaand’, in het ‘buitengebied’ van een niet stedelijk gebied een gemiddelde norm van 8,2 motorvoertuigen per woning per weekdagetmaal.

Dit plan resulteert in een extra verkeersgeneratie van afgerond 9 verkeersbewegingen. Een dergelijke intensiteit zal niet leiden tot negatieve effecten op het gebied van verkeersdoorstroming en -veiligheid op de Oost-Vlisterdijk. Het aantal ontmoetingen tussen auto’s bij een dergelijke intensiteit is zeer gering.

13

4. Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Het plangebied is gelegen binnen een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht.

In het plan is wat betreft de nieuwe invulling aangesloten bij de huidige cultuurhistorisch waardevolle stedenbouwkundige structuur en het historische bebouwingsbeeld (zie paragraaf 3.2 Beeldkwaliteit). Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden/het beschermd dorpsgezicht van Vlist wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’overgenomen in dit bestemmingsplan. Verder is het plan kleinschalig van aard en worden er geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

14

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het plan betreft de nieuwbouw van één vrijstaande woning. Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Vanwege het kleinschalige karakter van het plan worden geen rijksbelangen geschaad. Er is geen sprake van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.

15

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerpOmgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 6.

Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 7. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 8. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).

Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied valt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint. Het plan past binnen het woningbouwbeleid van de provincie Zuid-Holland en het streven van de provincie ZuidHolland naar het beter benutten en opwaarderen van de bebouwde ruimte. Het plan leidt tot een opwaardering van de lintbebouwing aan de Oost-Vlisterdijk.

16

Vanuit jurisprudentie is met dit plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).

Plangebied

Afbeelding 13: Bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit : een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

De provincie wil de kenmerken als de identiteit van de plek (historische, culturele, toeristische en ruimtelijke kenmerken), de geografische strategische ligging in het stedelijk netwerk en de aanwezige en nieuwe economische dragers van iedere stad en ieder centrum in het systeem beschermen. Iedere locatie betreft een unieke plek met een eigen (ruimtelijke) karakteristiek. Een brede waaier aan woon- en werkmilieus is een belangrijke voorwaarde voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Als herstructurering, transformatie of verdichting plaatsvindt binnen de stad, dan draagt dit bij aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidegebied’, ‘linten’ en ‘stadsen dorpsrand’ van de provinciale kwaliteitskaart.

17

Afbeelding 14: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van de cultuur- en natuurlandschappen)

Afbeelding 15: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van de stedelijke occupatie)

Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. 18

Linten Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Stads- en dorpsranden Voor ontwikkelingen in ‘stads- en dorpsrand heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bij de uitwerking van het plan wordt zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. Het plan is om de nieuwe woning op een passende wijze in het lint in te passen, waarbij het historische dorpsbeeld / beschermd dorpsgezicht behouden blijft dan wel wordt versterkt.

Er wordt rekening gehouden met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan draagt bij aan het behoud van de maat en weidsheid van het landschap. Bij de vormgeving van de woning wordt rekening gehouden met de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van het lint. De sloop van de voormalige agrarische bebouwing en de zorgvuldige inpassing van de nieuwe woning leveren een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd (ontwerp-Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020). Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid.

Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

19

•

c.

Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een bestaand woonperceel in het lint. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm.

De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft de sanering van een voormalige agrarische bebouwing en de bouw van een woning. Er vinden geen wijziging plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Er is een gebiedsanalyse gedaan in de omgeving en een landschapsarchitect heeft voor deze locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Er is een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving.

De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon blijven

20

ongewijzigd. Het plangebied wordt groen ingericht. Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen (Ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Dit plan voorziet in de nieuwbouw van slechts één woning. Vanuit jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Risico’s van klimaatverandering In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen.

In de Omgevingsverordening ZuidHolland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. In paragraaf 5.10 ‘Duurzaamheid en klimaatadaptatie’ is beschreven op welke wijze bij dit plan rekening wordt gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. Stiltegebied De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat regels ter bescherming van stiltegebieden (paragraaf 3.4.3 ‘Stiltegebieden’). Op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is het verboden: • Een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord; • In een stiltegebied met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; • In een stiltegebied met een waterscooter te varen; • In een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h. Dit plan voorziet niet in bovengenoemde verboden activiteiten. Bovendien betreft het plangebied een bestaand woonperceel. Dit plan voorziet slechts in de toevoeging van een woning op dit bestaande woonperceel.

Het plan is niet in strijd met het provinciale beleid voor het beheer van stiltegebieden.

21

4.2.3 Provinciaal milieubelang Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen: • Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied, de realisatie van een extra woning op een bestaand woonperceel leidt niet tot strijdigheid met het provinciaal beleid voor stiltegebieden. •

Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens.

•

Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.

•

Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante risicobron.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de provinciale milieubelangen. 4.2.4 Conclusie provinciaal beleid Het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland.

22

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard Op 14 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard de Omgevingsvisie Krimpenerwaard vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente vastgelegd wat van waarde is en welke toekomstige ontwikkelingen men ziet voor de leefomgeving. Deze visie geeft richting aan ruimtelijk-maatschappelijke ambities en opgaven. De gemeente Krimpenerwaard staat positief tegenover nieuwe initiatieven. Initiatieven die passen bij de Krimpenerwaard en bijdragen aan de toekomst. De gemeente hanteert hierbij het ‘ja-mits’ principe. De gemeente Krimpenerwaard streeft naar een krachtig buitengebied. Het buitengebied waarin het plangebied is gelegen is een waardevol en authentiek gebied. Hier is de historie goed te herkennen. Deze kwaliteiten wil de gemeente benutten en versterken zodat mensen het nog beter kunnen beleven. De toeristisch recreatieve verbindingen in dit gebied met Gouda, Oudewater en Nieuwpoort wil de gemeente versterken. De opgaven en uitdagingen die hieraan bijdragen zijn vertaald in speerpunten: • • • • •

Toeristische en recreatieve voorzieningen ontwikkelen; Recreatieve verbindingen verbeteren; Versterken van de linten; Gezond en veilig woon- en leefklimaat; Vergroten verkeersveiligheid.

Het plan is om de nieuwe woning op een passende wijze in het lint in te passen, waarbij het historische dorpsbeeld / beschermd dorpsgezicht behouden blijft dan wel wordt versterkt. Op het perceel Oost-Vlisterdijk 28 is een karakteristieke boerderijwoning gelegen. Deze karakteristieke woning blijft behouden en zal het hoofdgebouw blijven op het perceel. De nieuwe woning zal een ondergeschikte uitstraling krijgen in de vorm van een schuurwoning. De nieuwe woning dient achter de voorgevelrooilijn van de bestaande woning te worden gesitueerd. De nieuwe woning zal een ondergeschikte uitstraling krijgen ten opzichte van de bestaande woning. De sloop van de voormalige agrarische bebouwing en de zorgvuldige inpassing van de nieuwe woning leveren een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het lint en het woon- en leefklimaat. 4.3.2 Woonvisie gemeente Krimpenerwaard Op 9 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard de 'Woonvisie gemeente Krimpenerwaard; kerngericht!' vastgesteld. De ambitie van de gemeente Krimpenerwaard is om organische groei te faciliteren waarbij recht wordt gedaan aan de toenemende en veranderende woonbehoefte, versterking van de fysiekruimtelijke structuur en het bouwen aan de vitaliteit van de kernen. Door maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing, verstedelijking, het roltrapeffect en verschuiving van voorzieningen.

Door deze ontwikkelingen komt de vitaliteit van de Krimpenerwaard onder druk te staan. Deze trends en ontwikkelingen vragen om een heldere strategische koers op het gebied van wonen. In de woonvisie staan vijf thema’s centraal: Thema 1. Positionering in de regio De Krimpenerwaard gaat voor een uitstekend en onderscheidend woon, leef- en vestigingsklimaat voor bestaande en nieuwe inwoners en bedrijven. Daarbij is ook aandacht voor verbetering van de bereikbaarheid van de Krimpenerwaard. Thema 2. Betaalbaar & beschikbaar Voldoende beschikbare en betaalbare woningen met een kwaliteitsniveau dat voldoet aan de wensen van de huidige bewoners en de potentiële instromers.

23

Thema 3. Duurzame gebouwde omgeving Terugdringen van het energieverbruik en energielasten in de Krimpenerwaard en tevens inzetten op een duurzame woon- en leefomgeving. Thema 4. Wonen-welzijn-zorg De Krimpenerwaard biedt inwoners met zorgbehoefte en kwetsbare inwoners een passende woonplek in een geschikte woonomgeving met de gewenste bijbehorende ondersteuning. Thema 5. Bouwen aan vitale kernen De kernen vormen in hun onderlinge samenhang de ‘verschillende gezichten van de Krimpenerwaard’. Profilering en ontwikkeling van de kernen krijgt invulling op basis van kwaliteiten van kernen, waarbij de huidige inwoners als primair belanghebbenden de hoofdrol spelen. Het plan is om de voormalige agrarische bebouwing te slopen en een vrijstaande woning te realiseren. De sloop van de voormalige agrarische bebouwing en de zorgvuldige inpassing van de nieuwe woning leveren een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De woning wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De woning wordt gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties.

De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woning wordt zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie. Met het toevoegen van een woning wordt bijgedragen aan het in stand houden van het sociale netwerk, gemeenschapsleven, identiteit van een dorp, ruimtelijke kwaliteit en aan een levendig verenigingsleven. 4.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Het plan is hiermee in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

24

5. Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan.. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit één woning. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om een vrijstaande woning te realiseren.

Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint langs de Oost-Vlisterdijk. Het plangebied betreft een bestaand woonperceel in het buitengebied. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland, de Groene buffer en de Belangrijke weidevogelgebieden. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

25

5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: • •

• •

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Oost-Vlisterdijk ten hoogste 35 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen ten hoogste 40 dB bedraagt , inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect geluid staat de realisatie van het bouwplan niet in de weg. Voor de nieuwe woning hoeven geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld.

26

5.3 Milieuzonering bedrijven Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=3c92a5e6-a3f1-40dd-b061-2f94eac86f39