CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Plantoelichting, -regels en bijlagen planregels BP Oost-Vlisterdijk 28 Vlist.pdf

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Oost-Vlisterdijk 28, Vlist24.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Andere situering woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.1 sub c ten behoeve van een andere situering van de woning op het perceel indien zulks vanuit stedenbouwkundig of milieuhygiënisch oogpunt of om redenen van algemeen belang gewenst of toelaatbaar is en geen afbreuk wordt gedaan aan de gebiedseigen waarden en de stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving en de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de directe omgeving. Het bevoegd gezag vraagt in het kader van de beoordeling van een afwijkingsverzoek advies bij een ter zake deskundige. 3.4.2 Paardenbak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.3 sub a onder 1 ten behoeve van het realiseren van een paardenbak voor een hobbymatige paardenhouderij bij een woning onder de voorwaarden dat: a. Maximaal 1 paardenbak per woning is toegestaan; b. De paardenbak als volgt wordt gesitueerd: 1. Achter de hoofdgebouwen; 2. Tenminste 20 m uit de rand van de weg; 3. Tenminste 1,5 m uit de slootranden; 11

c. d. e.

f. g. h.

4. Maximaal 50 m achter de bestaande bebouwing; 5. Minimaal 30 m van woningen van derden; De omvang van de paardenbak niet meer bedraagt dan 20 m bij 40 m; De bouwhoogte van een hek rondom een paardenbak niet meer bedraagt dan 1,50 m; Indien de paardenbak vanaf de weg zichtbaar is, afschermende gebiedseigen beplanting wordt aangebracht, mits hierdoor geen doorbreking plaatsvindt van bestaande zichtlijnen op het open weidegebied; De paardenbak wordt voorzien van waterdoorlatend bodemmateriaal; Er geen verlichting wordt gerealiseerd bij de paardenbak; Er geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en woonkwaliteit van aangrenzende en overige nabij gelegen gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken plaatsvindt.

3.5 Specifieke gebruiksregels Ten aanzien van de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende gebruiksregels: a. Binnen de bestemming is de uitoefening van beroepsmatige activiteiten aan huis in de woning alsmede in aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 50 m2; 2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; 3. Detailhandel is niet toegestaan; 4. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner. b. Binnen de bestemming is de uitoefening van een bed & breakfast in de woning alsmede in aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. Het aantal kamers mag maximaal 4 bedragen; 2. Het aantal personen dat gelijktijdig gebruik maakt van de bed & breakfast mag maximaal 8 bedragen; 3. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; 4. De bed & breakfast wordt uitgeoefend door de bewoner. c.

Het gebruik van bijgebouwen voor bewoning is in strijd met het plan. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen een woning alsmede aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen voor bedrijfsmatige activiteiten aan huis als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30 m2; 12

b. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; c. Detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, is niet toegestaan; d. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner. 3.6.2 Kleinschalige toeristische activiteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 ten behoeve van de exploitatie van kleinschalige toeristische activiteiten bij een woning in de toeristische as Haastrecht-Schoonhoven als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. De activiteit vindt plaats bij een woning die gelegen is aan de Oost-Vlisterdijk, WestVlisterdijk of Bonrepas; b. Uitsluitend de volgende activiteiten zijn toegestaan: 1. Theetuin; 2. Rondleidingen, openstellingen, demonstraties of workshops; 3. Detailhandel in zelfgemaakte of bewerkte ambachtelijke producten; 4. Naar aard en omvang met de activiteiten onder 1 tot en met 3 te vergelijken activiteiten. c. Maximaal 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de activiteiten tot een maximum van 30 m2; d.

Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; e. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; f. De activiteit qua aard en schaal past bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten; g. De belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven mogen niet worden geschaad; h. Het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning wordt uitsluitend verleend indien bij de aanvraag in voldoende mate is aangetoond dat wordt voldaan aan de eis: a. De nieuwe woning wordt voorzien van een mechanische ventilatie die in geval van een calamiteit kan worden uitgeschakeld ter voorkoming van het naar binnen zuigen van toxische gassen.

13

Artikel 4 Waarde - Archeologie 1 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van terreinen met archeologische waarden, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 4.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 5 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: 4.2.1 Verbod Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 1' mede bestemde gronden. 4.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 5 lid 2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. Gronden waarvan uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of; b. Bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of; c. Bebouwing waarvan de diepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; d. Bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; e.

De verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. De bestaande fundering wordt gebruikt; 2. De bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 5 lid 2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of; c. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 5 lid 3.2 aan de vergunning.

14

4.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag: a. De bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. Het verwijderen van funderingen; c.

Het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; d. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; e. Het aanleggen van drainage; f. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; g. Het aanbrengen van diepwortelende bomen en/of beplanting; h. Het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; i. Het veranderen van het grondwaterpeil; j. Het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden.

15

4.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 5 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Worden uitgevoerd op gronden waarvan uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of; b. Het archeologisch onderzoek betreffen, of; c. Een diepte hebben van niet meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, of; d. Een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 30 m2, of; e. Het normale onderhoud en beheer betreffen, of; f. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; g. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 4.4.3 Toetingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 wordt slechts verleend indien: a. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden als gevolg van de werken of werkzaamheden niet worden verstoord, of; c. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 5 lid 4.4 aan de vergunning.

4.4.4 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 4.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

16

Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van terreinen met archeologische waarden, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 5.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 5 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: 5.2.1 Verbod Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 3' mede bestemde gronden. 5.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 5 lid 2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. Gronden waarvan uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of; b. Bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of; c. Bebouwing waarvan de diepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; d. Bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m2 en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; e.

De verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. De bestaande fundering wordt gebruikt; 2. De bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 5 lid 2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of; c. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 5 lid 3.2 aan de vergunning.

17

5.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 3.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag: a. De bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. Het verwijderen van funderingen; c.

Het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; d. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; e. Het aanleggen van drainage; f. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; g. Het aanbrengen van diepwortelende bomen en/of beplanting; h. Het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; i. Het veranderen van het grondwaterpeil; j. Het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden. 5.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 5 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Worden uitgevoerd op gronden waarvan uit documenten blijkt dat de archeologische waarden reeds eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of; b. Het archeologisch onderzoek betreffen, of; 18

c. Een diepte hebben van niet meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, of; d. Een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 100 m2, of; e. Het normale onderhoud en beheer betreffen, of; f. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; g. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 5.4.3 Toetingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 wordt slechts verleend indien: a. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden als gevolg van de werken of werkzaamheden niet worden verstoord, of; c. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd middels het verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 5 lid 4.4 aan de vergunning. 5.4.4 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c.

De verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 lid 4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

19

Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie 1 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het 'dorpsgezicht Vlist (inclusief Bonrepas)' in verband met de volgende waarden: a. De ruimtelijke structuur van het dorp met de langsliggende polderkaden en de haaks daarop-staande verkaveling, in samenhang met de aard en de schaal van de bebouwing en de sterk naar voren tredende ruimtelijk-functionele relatie met het open buitengebied; b. Het niveauverschil tussen de hooggelegen polderkaden met aangrenzende bebouwing die gemiddeld op circa 0,2 meter - N.A.P. liggen, en het omliggende land dat duidelijk lager is gelegen met aanzienlijke niveauverschillen per polder; c. De groepering van agrarische bebouwing op het kavel, over het algemeen in de lengte as van de kavelrichting, dus met de nokrichting loodrecht op de weg; d. De relatieve beslotenheid van de bebouwingsstrook (met name in de zomer) langs de Vlist en de openheid van het daarop aansluitende agrarische gebied; e. Een open polderlandschap met overwegend wei- en hooiland, doorsneden door talrijke sloten die loodrecht op de Vlist staan en onderling verbonden zijn door weteringen; f.

Een gevarieerd open-gesloten beeld van de kleinschalige bebouwingsstrook door de afwisseling van oeverbeplanting, gebouwen-groepen en tot de weg doorlopende open kavels; waarbij de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 6.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 6 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. Uitbreiding van gebouwen en andere bouwwerken alsmede het oprichten van nieuwe gebouwen en andere bouwwerken is niet toegestaan; b. De uitwendige hoofdvorm van bestaande bebouwing, bepaald door de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling, zoals deze was op het moment van de inwerking treding van dit bestemmingsplan, dient gehandhaafd te worden. 6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2, onder a en onder b, voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, indien de in artikel 6 lid 1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. 6.3.2 Advies Alvorens toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6 lid 3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de Monumentencommissie.

20

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Verbod Het is verboden om ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 1 de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag: a. Het vergraven van herkenbare niveauverschillen; b. Het ophogen van gronden; c. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, greppels en andere wateren; d. Het vellen/rooien van hoogopgaande bomen en/of beplanting in het besloten bebouwingslint; e. Het aanplanten van opgaande beplanting in het open ommeland. 6.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 6 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Van ondergeschikte betekenis zijn, indien door het bevoegde gezag schriftelijk is medegedeeld dat daarvoor geen vergunning is vereist; b. Voortvloeien uit het normale onderhoud; c. Ter voldoening van een aanschrijving of besluit van het bevoegde gezag zijn; d. Ingevolge het bepaalde in de Monumentenwet reeds een vergunning is vereist.

6.4.3 Toetsingscriteria Een vergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wordt slechts verleend indien door de uit te voeren werken en werkzaamheden de in artikel 6 lid 1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. 6.4.4 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 onder beperkingen verlenen en voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de in artikel 6 lid 1 genoemde waarden. 6.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wint zij schriftelijk advies in bij de Monumentencommissie. 6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 6.5.1 Verbod Het is verboden om ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 1 sloopwerken en/of sloopwerkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag.

21

6.5.2 Uitzonderingen Het in artikel 6 lid 5.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Voortvloeien uit het normale onderhoud; b. Ter voldoening van een aanschrijving of besluit van het bevoegde gezag zijn; c. Ingevolge het bepaalde in de Monumentenwet reeds een vergunning is vereist. 6.5.3 Toetsingscriteria Een vergunning als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 wordt slechts verleend, indien door de uit te voeren werken en werkzaamheden de in artikel 6 lid 1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. 6.5.4 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 onder beperkingen verlenen en voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de in artikel 6 lid 1 genoemde waarden. 6.5.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 wint zij schriftelijk advies in bij de Monumentencommissie.

22

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering, waterhuishouding en waterstaat, waarbij de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 7.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 7 lid 1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: 7.2.1 Verbod Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waterstaat - Waterkering' mede bestemde gronden. 7.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 7 lid 2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming 'Waterstaat - Waterkering', met een maximale bouwhoogte van 10 meter. 7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 7 lid 2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits de bouw verenigbaar is met de belangen van de waterstaat en/of waterkering en de beheerder van de waterkering daarover heeft geadviseerd.

23

3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1 Overschrijding bouwgrenzen 9.1.1 Bouwregels De in deze regels opgenomen bepalingen ten aanzien van bouwgrenzen zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen met betrekking tot: a. Stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; b. Plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 50 cm bedraagt; c. Gevel en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, balkons, galerijen en luifels, mits zij de bouwgrens met niet meer dan 50 cm overschrijden; d. Ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; e. Hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de bouwgrens met meer dan 1 m overschrijden. 9.1.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen en een overschrijding toestaan van ten hoogste 1,5 m, indien het betreft: a. Overbouwingen ten dienste van de verbinding van twee gebouwen; b. Toegangen van bouwwerken; c. Plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen; d. Gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; e.

Erkers, balkons en galerijen; f. Luifels, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; g. Hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen; h. Kelderingangen en kelderkoekoeken; i. Of daarmee gelijk te stellen ondergeschikte bouwwerken. 9.2 Bestaande bebouwing 9.2.1 Positieve bestemming Voor zover in dit plan de bestaande bebouwing qua hoogte of situering afwijkt van de planregels, geldt deze afwijkende maatvoering als maximale maatvoering.

24

9.2.2 Uitzondering Het bepaalde in artikel 9 lid 2.1 is niet van toepassing op situaties die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerking treding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 9.3 Parkeren 9.3.1 Algemeen a. Indien de omvang of de functie van een gebouw, een bouwwerk of een terrein daartoe aanleiding geeft, moet voldaan worden aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) en diens rechtsopvolger(s); b. Het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) en diens rechtsopvolger(s); c. De onder b genoemde bepalingen zijn alleen van toepassing voor aanvragen omgevingsvergunning waarvan het aannemelijk is dat deze een parkeervraag genereren. 9.3.2 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 3.1, indien: a.

Aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden verlangd; b. Op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen; c. Uit parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet toeneemt. 9.3.3 Advies Een afwijking als genoemd in artikel 9 lid 3.2 wordt pas verleend, nadat een advies is verkregen van een verkeerskundige.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels 10.1 Strijdig gebruik a. Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken in strijd met de bestemming. b. Als gebruik in strijd met dit bestemmingsplan worden in ieder geval aangemerkt: 1. Het storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; 2. Het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; 3. Het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; 25

4. Het gebruik van bouwwerken voor een seksinrichting en voor detailhandel, voor zover zulks niet expliciet is toegestaan ingevolge de bestemmingsomschrijving; 5. Of het doen of laten uitvoeren van vorenstaande activiteiten. 10.2 Uitzonderingen strijdig gebruik Het bepaalde in artikel 10 lid 1, onder b, is niet van toepassing op: a. Het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden; b. De opslag van goederen in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering; c. Het opslaan of storten van afval- en meststoffen, voor zover noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden en de watergangen. 10.3 Parkeren 10.3.1 Algemeen a. Indien de omvang of de functie van een gebouw, een bouwwerk of een terrein daartoe aanleiding geeft, moet voldaan worden aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) en diens rechtsopvolger(s); b.

Het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018) en diens rechtsopvolger(s); c. De onder b genoemde bepalingen zijn alleen van toepassing voor aanvragen omgevingsvergunning waarvan het aannemelijk is dat deze een parkeervraag genereren. 10.3.2 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10 lid 3.1, indien: a. Aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden verlangd; b. Op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen; c. Uit parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet toeneemt. 10.3.3 Advies Een afwijking als genoemd in artikel 10 lid 3.2 wordt pas verleend, nadat een advies is verkregen van een verkeerskundige.

26

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels 11.1 Karakteristieke bebouwing 11.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. 11.1.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' mag de uitwendige hoofdvorm van de op het perceel aanwezige bebouwing, bepaald door de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling, zoals deze was op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan niet worden gewijzigd. 11.1.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11 lid 1.2 indien de cultuurhistorische waarde van de bebouwing niet onevenredig wordt aangetast; alvorens af te wijken wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie. 11.1.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Het is verboden om ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 11 lid 1.1 sloopwerken en/of sloopwerkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag. 11.1.5 Uitzonderingen Het in artikel 11 lid 1.4 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Voortvloeien uit het normale onderhoud; b.

Ter voldoening van een aanschrijving of besluit van het bevoegde gezag zijn; c. Noodzakelijk zijn voor de (ver)bouw van een bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend. 11.1.6 Toetsingscriteria Een vergunning als bedoeld in artikel 11 lid 1.4 wordt slechts verleend, indien door de uit te voeren werken en werkzaamheden de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. 11.1.7 Beperkingen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11 lid 1.4 onder beperkingen verlenen en voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. 11.1.8 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11 lid 1.4 wint zij schriftelijk advies in bij de Monumentencommissie.

27

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels voor: a. Een geringe overschrijding van de bestemmings- en/of bouwgrenzen en/of aanduidingsgrenzen, indien een onnauwkeurigheid of de feitelijke toestand van het terrein daartoe aanleiding geeft, of indien een rationele verkaveling van de gronden een geringe overschrijding vergt, mits de grens of grenzen met niet meer dan 5 meter worden overschreden; b. Een geringe overschrijding van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages, mits deze voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met niet meer dan 10% worden overschreden; c. De bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut, waarbij de inhoud ten hoogste 75 m3 en de goothoogte ten hoogste 3 m mag bedragen, gasdrukregel- en gasdrukmeetstations uitgezonderd; d. De bouw van antennemasten voor communicatiedoeleinden, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 45 m mag bedragen en waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, op een koppeling van voorzieningen met bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied; e. De bouw van andere bouwwerken zoals een vlaggenmast, een artistiek kunstwerk, antennes en dergelijke tot een bouwhoogte van 15 m.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels 13.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van: a. Het toevoegen of schrappen van de aanduiding 'karakteristiek', indien dit op basis van nadere inventarisatie door een deskundige op het gebied van monumenten gewenst is en na advies van de gemeentelijke monumentencommissie; b. Een enigszins andere situering en/of begrenzing van bestemmingsvlakken, bouwvlakken en/of aanduidingen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, op voorwaarde, dat de oppervlakte van het betreffende bestemmingsvlak dan wel bouwvlak en/of aanduiding niet meer dan 10% zal worden gewijzigd. 13.2 Karakteristieke panden Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op: a. Het splitsen van gebouwen met de aanduiding 'karakteristiek' in maximaal 3 wooneenheden onder de voorwaarden dat: 1. De woning(en) en bijbehorende erfbebouwing voldoen aan het bepaalde in de bestemming 'Wonen' van deze regels; 2. De inhoud per wooneenheid minimaal 300 m3 bedraagt; 3. Voldaan wordt aan de Wet geluidhinder; 4. De belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet worden geschaad; 5. Ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat; 28

6. In het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving in verband met externe veiligheid en hoogspanningslijnen; b. Het vestigen van een bed & breakfast in gebouwen met de aanduiding 'karakteristiek', mits: 1. Het aantal kamers in het betreffende gebouw mag maximaal 7 bedragen; 2. Het aantal personen dat gelijktijdig gebruik maakt van de bed & breakfast mag maximaal 10 bedragen; 3. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; 4. De bed & breakfast wordt uitgeoefend door de bewoner van het perceel. c. Het hebben van beroepsmatige activiteiten aan huis in gebouwen met de aanduiding 'karakteristiek' indien deze op een woonperceel zijn gelegen en waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 100 m2; 2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; 3. Detailhandel is niet toegestaan; 4. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

29

4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Vlist, Oost-Vlisterdijk 28 van de Gemeente Krimpenerwaard.

30

Beeldkwaliteitsplan

Oost-Vlisterdijk 28 te Vlist

Beeldkwaliteitsplan Oost-Vlisterdijk 28 te Vlist

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak In opdracht van: De heer J.W.J.C. Kruiswijk West-Vlisterdijk 22 2855 AH Vlist Datum: 05-11-2021

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Doelstelling .................................................................................................................................... 4 1.3 Ligging plangebied ......................................................................................................................... 4 2. Stedenbouwkundige context ............................................................................................................. 6 3. Duurzaamheid en klimaatadaptatie................................................................................................... 7 4. Beeldkwaliteit ..................................................................................................................................... 9 4.1 Woningtypologie ........................................................................................................................... 9 4.2 Situering bebouwing ......................................................................................................................

9 4.3 Bouwmassa .................................................................................................................................... 9 4.4 Vormgeving.................................................................................................................................. 10 4.5 Kleur- en materiaalgebruik .......................................................................................................... 10 4.6 Landschappelijke inrichting ......................................................................................................... 13

3

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Oost-Vlisterdijk 28 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. De bestemming op het perceel is reeds omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. Op het perceel is een karakteristieke woning met ca. 800 m2 aan voormalige agrarische bebouwing gelegen. Het plan is om de voormalige agrarische bebouwing te slopen en in ruil daarvoor een nieuwe vrijstaande woning te realiseren.

1.2 Doelstelling Het doel van dit beeldkwaliteitsplan is om ongewenste situaties te voorkomen en een toetsingskader te bieden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard voor de verdere planuitwerkingen van de nieuwe vrijstaande woning en de inrichting van het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is geen hard toetsingskader, maar richtinggevend. Het geeft de beoogde sfeer en kwaliteit aan, maar is dermate flexibel dat de architect een eigen creatieve invulling kunnen geven aan de beeldkwaliteitseisen. Uitzonderingen op beeldkwaliteitseisen worden niet uitgesloten, maar leggen een bewijslast bij de architect. Hierdoor kan worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen, de markt en innovaties.

1.3 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het lint langs de Oost-Vlisterdijk in het buitengebied van de kern Vlist. De locatie heeft een oppervlakte van ca. 7750 m2. Aan de westzijde wordt het plangebied begrenst door de Oost-Vlisterdijk. De bestaande watergangen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied, vormen een aantrekkelijk geheel en een doorkijk naar het open weidelandschap.

Plangebied

Ligging plangebied

4

5

2. Stedenbouwkundige context Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de Oost-Vlisterdijk. Langs de Oost-Vlisterdijk is sprake van een verdichting aan lintbebouwing. Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de OostVlisterdijk. In het lint langs de Oost-Vlisterdijk ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen en vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen. Daarbij is sprake van afwisselende functies, kleinschalige bedrijvigheid, agrarische bedrijven en burgerwoningen wisselen elkaar af. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne(re) bebouwing. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

Straatbeeld plangebied

6

3. Duurzaamheid en klimaatadaptatie De nieuwste standaard voor woningbouw is de BENG-norm, dit moet ook de norm zijn voor de nieuwe woonbebouwing op deze locatie. Deze BENG-norm schrijft een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Deze norm dient te worden bereikt met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De woning dient zonder gasaansluitingen te worden gerealiseerd. De energievraag kan worden ingevuld met warmtepompsystemen in combinatie met zonne-energie. In geval van zonnepanelen dienen deze op een passende wijze in de architectuur te worden verwerkt. Bij de uitwerking van het plan dient eveneens aandacht te worden besteed aan klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen. Er moet ingespeeld op de vier klimaattrends: 1. Het wordt warmer; 2. Het wordt droger; 3. Het wordt natter; 4. De zeespiegel stijgt. Gezien het warmer wordt is het noodzakelijk om bij de uitwerking van het plan rekening te houden met de accumulatie van warmte. Het accumuleren van warmte moet worden teruggedrongen door de positionering van gevelopeningen, de toe te passen glassoorten of het voorzien van zonwering. Tevens is vanuit de BENG-norm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang.

De installaties moeten geschikt zijn om naast verwarmen ook te voorzien in koelen. In de inrichting van het terrein dient te worden gekozen voor type beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. Hiermee kan het hemelwater langer worden vastgehouden. Verder kan gedacht worden aan bijvoorbeeld wadi’s om deze rol vervullen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woning dient op een aanleghoogte te worden gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Tot slot, dient natuurinclusief bouwen een plek te krijgen in het ontwerp/bouwplan. Bij de nadere uitwerking van het plan moeten voorzieningen worden getroffen voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen.

De biodiversiteit dient te worden bevordert door het gebruik van streekeigen beplantingssoorten. De onderstaande voorbeelden van natuurinclusief bouwen dienen daarbij als inspiratiebron. 7

Toepassen van groene daken

Toepassen van vleermuiskasten in de gevel

Toepassen van nestkasten in de gevel

Toepassen van wadi’s

8

4. Beeldkwaliteit Het doel van dit beeldkwaliteitsplan is om ongewenste situaties te voorkomen en een toetsingskader te bieden voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard voor de verdere planuitwerkingen van de nieuwe vrijstaande woning en de inrichting van het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is geen hard toetsingskader, maar richtinggevend. Het geeft de beoogde sfeer en kwaliteit aan, maar is dermate flexibel dat de architect een eigen creatieve invulling kunnen geven aan de beeldkwaliteitseisen. Uitzonderingen op beeldkwaliteitseisen worden niet uitgesloten, maar leggen een bewijslast bij de architect. Hierdoor kan worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen, de markt en innovaties. De referentiebeelden in dit beeldkwaliteitsplan dienen daarbij als inspiratiebron.

4.1 Woningtypologie •

De nieuwe woning dient een vrijstaande woning te zijn die passend is binnen het agrarische karakter van de omgeving en aansluit bij de overige bebouwing aan het lint langs de OostVlisterdijk.

4.2 Situering bebouwing • • • • • • •

De situering van de nieuwe woning en bijgebouwen is evenwijdig aan het landschapspatroon. De nieuwe woning wordt haaks op de Oost-Vlisterdijk gesitueerd. De nieuwe woning dient achter de voorgevelrooilijn van de bestaande woning te worden gesitueerd. De nieuwe woning is georiënteerd op de Oost-Vlisterdijk. De nieuwe woning en de bestaande woning worden ontsloten d.m.v. de bestaande in- en uitrit op de Oost-Vlisterdijk. De afstand van de nieuwe woning tot de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt minimaal 2 meter. Aan- en bijgebouwen zijn minimaal op 3 meter achter de voorgevelrooilijn dan wel 3 meter vanaf het hoofdgebouw gesitueerd.

4.3 Bouwmassa • • • • • •

De nieuwe woning heeft een heldere rechthoekige footprint. De nieuwe woning heeft een schuine dakvorm (zadeldak). De kaprichting van de nieuwe woning is haaks op de Oost-Vlisterdijk georiënteerd. De hoofdmassa van de nieuwe woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een kap. Voor de nieuwe woning zijn erkers, uitkragingen of aanbouwen uitgesloten. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume en hebben een maximale bouwhoogte van één bouwlaag met kap.

9

4.4 Vormgeving •

•

• • •

De architectuur van de nieuwe woning dient passend te zijn binnen het agrarische karakter van de omgeving en aan te sluiten bij de overige bebouwing aan het lint langs de OostVlisterdijk (landelijke uitstraling). De bestaande en nieuwe woning dienen zich duidelijk van elkaar te onderscheiden, waarbij de nieuwe woning een ondergeschikte uitstraling heeft ten opzichte van de bestaande woning. De nieuwe woning dient een verticale geleding te hebben. Hemelwaterafvoeren en dakgoten moeten onderdeel worden van de architectuur. Bijgebouwen zijn qua uitstraling ondergeschikt aan het hoofdvolume.

4.5 Kleur- en materiaalgebruik • • • • • • •

Kleur- en materiaalgebruik is in onderlinge samenhang. De gebruikte kleuren zijn ingetogen passend bij het agrarisch verleden. Er dient gebruik te worden gemaakt van traditionele (streekeigen) bouwmaterialen of hedendaagse stalen gevelbekleding, afhankelijk van de “tijdsgeest”, of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling. Gevels van baksteen in kleurstelling: rood, donkerbruin, grijs of zwart (ingetogen), eventueel aangevuld met stucwerk, houten gevelbekleding (potdekselwerk) of metselwerk. Zwarte, grijze (antracieten) of andere donkere kleur kozijnen. Deuren en kozijnen van hout of aluminium. De dakbedekking van de kappen bestaat uit dakpannen of dakplaten of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling.

10

11

Referentiebeelden schuurwoningen

12

4.6 Landschappelijke inrichting • • • • • • •

De bestaande watergangen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied vormen een aantrekkelijk geheel en een doorkijk naar het open weidelandschap en dienen derhalve gehandhaafd te blijven. Bestaande bomenrijen langs de watergangen dienen behouden dan wel versterkt te worden. Voor de landschappelijke inrichting dient gebruik te worden gemaakt van streekeigen beplanting. Optioneel kan het agrarische karakter van het plangebied worden versterkt middels de realiseren van een boerenvoortuin of een fruitboomgaard aan de straatzijde. Voor de erafscheidingen dient gebruik te worden gemaakt van streekeigen beplanting (houten schuttingen zijn uitgesloten); Toepassen van natuurlijke materialen zoals gebakken klinkers, grind, split, gras en (inheemse) bomen; Parkeren zoveel mogelijk aan het zicht onttrekken middels een groene inpassing bestaande uit streekeigen beplanting.

13

Referentiebeelden streekeigen groene inrichting

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=3c92a5e6-a3f1-40dd-b061-2f94eac86f39