BIJL 1 Plantoelichting BP Lekdijk-West 113, Bergambacht
Tekst van het document
Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak
Toelichting
31
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.
4.3
Waterparagraaf
Veiligheid en waterkeringen Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Het plan grenst in zuidelijke richting aan een regionale waterkering op grond van de Legger Waterkeringen. De zone waterstaatswerk krijgt op de verbeelding de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Binnen deze zone vinden overigens geen (bouw)activiteiten plaats. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Oppervlaktewater Uit een studie aangaande de wateropgave, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water, blijkt dat in het plangebied geen extra wateropgave geldt als gevolg van klimaatverandering en te verwachte inundaties. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een hoofdwatergang met een beschermingszone van 5 meter. De overige watergangen in en grenzend aan het plangebied betreft 'overig water' met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud (figuur 10). Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. In deze beschermingszone vinden geen bouwactiviteiten plaats. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Figuur 10: Uitsnede Legger Oppervlaktewateren.
32
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Ruimtelijke ontwikkelingen Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² is een Watervergunning nodig. Toekomstige situatie Op het voormalig agrarisch bouwperceel wordt een kantoor/administratie bij de woning te vernieuwd (70 m²) en een bestaande winterstal gerenoveerd (240 m²). Voorts worden er vijf trekkershutten gerealiseerd met een totale oppervlakte van 200 m². Verder wordt er twee schuilgelegenheden gerealiseerd voor schapen met een oppervlakte van totaal 150 m². De toename aan verhard oppervlak is ruim minder dan 500 m², te weten circa 350 m². Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor het te renoveren kantoor, de winterstal en de nieuw te bouwen schuilgelegenheden wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de bebouwing wordt overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap naar het oppervlaktewater afgevoerd. Afvalwater van het kantoor wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. 4.3.1 Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.
De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.
Toelichting
33
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
34
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
5.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze beoordeling moet ook plaatsvinden als de omvang onder de drempelwaarde valt. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.
Onderzoek/ beoordeling Dit project valt mogelijk onder categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject uit bijlage D. In dit bestemmingsplan wordt het vernieuwen van een kantoor/administratie bij de woning (70 m²), het renoveren van een bestaande winterstal (240 m²), het oprichten van een winterstalling voor schapen (100 m²) binnen het bouwvlak mogelijk gemaakt en het oprichten van vijf trekkershutten (deels binnen en buiten het bouwvlak), alsmede een schuilgelegenheid in het natuurgedeelte voor schapen in de zomerperiode (50 m²). De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.: fysieke wijziging: het project kan als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Het vernieuwen/ renoveren van het kantoor en winterstalling voor Schotse Hooglanders gaat echter niet gepaard met uitbreiding van bebouwing. Alleen de twee schuilgelegenheden voor schapen (150 m²) en vijf trekkershutten (maximaal 200 m²) zorgen voor een kleine uitbreiding van bebouwing. Deze fysieke uitbreiding van totaal 350 m² betreft een kleine wijziging in het buitengebied wat maakt dat het geen stedelijke ontwikkeling is. lokale context: het bebouwingslint blijft gehandhaafd. Er wordt nagenoeg alleen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing vernieuwd/ gerenoveerd.
planologische mogelijkheden: de gronden zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd als voormalig agrarisch bedrijf. Deze bestemming blijft gehandhaafd, terwijl de bouwmogelijkheden beperkt blijven. Er is geen m.e.r. beoordeling nodig, omdat deze aanpassingen volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r. kan een m.e.r.-beoordeling achterwege worden gelaten. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijzigingen zijn beperkt, omdat er maar een geringe uitbreiding aan bedrijfsgebouwen plaatsvindt van totaal circa 150 m². Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de
Toelichting
35
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. Onderzoek/ beoordeling Sprake is van een gemengd buitengebied, omdat het gebied aan een gebiedsontsluitingsweg ligt. Voorts komen in de directe nabijheid naast agrarische bedrijven ook woningen en overige niet-agrarische functies voor. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van voorgenomen ontwikelingen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Ten oosten van het plangebied is aan de Lekdijk-West 111 aannemingsbedrijf C.T. de Jong B.V. gevestigd in milieucategorie 3.1. Dit bedrijf wordt niet beperkt in haar bedrijfsvoering, omdat de functiewijzigingen niet milieugevoelig zijn. Bovendien dient dit bedrijf al rekening te houden met de naastgelegen woning op huisnummer 109. Verderop ligt aan de Lekdijk-West 105a Camping de Nes in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied.
Dit recreatieterrein ligt op circa 100 meter afstand, zodat dit bedrijf niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. In westelijke richting staan op meer dan 50 meter afstand woningen van derden aan de Lekdijk-West 115 en 117. Voor deze woningen blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. Geurhinder Ten aanzien geurhinder wordt het volgende opgemerkt. Wet geurhinder en veehouderij Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen de veehouderij en woningen van derden. Voor een woning buiten de bebouwde kom tot een veehouderij geldt een afstand van 50 meter. Voor woningen binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die
36
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen verblijfklimaat. Tevens moet beoordeeld worden of het bedrijf niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is van toepassing op o.a. veehouderijbedrijven waar niet meer dan 200 stuks melkrundvee (exclusief vrouwelijk jongvee) worden gehouden en opslagen van vaste mest. Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 5.2. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Tabel 5.2 Minimale afstanden landbouwbedrijven.
Inrichting waar landbouwInrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden huisdieren worden gehouden minimumafstand binnen de 100 m 50 m bebouwde kom minimumafstand buiten de 50 m 25 m bebouwde kom Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies en de nieuwbouw of uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening heeft vastgesteld op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Geurverordening gemeente Krimpenerwaard De gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard heeft op 1 november 2016 de 'Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017' vastgesteld. Deze verordening is bedoeld om knelpunten die zijn ontstaan door de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en van de Wet geurhinder en veehouderij en die botsen met het ruimtelijke beleid van de gemeente waar mogelijk op te heffen. Met deze verordening wil de gemeente ruimte bieden aan agrarische bedrijven en nieuwe ontwikkelingen aan de rand van de bebouwde kom mogelijk te maken.
Op grond hiervan dient tussen een agrarische inrichting waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en de gevel van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter afstand te worden gehouden vanaf de dichtstbijzijnde gevel van de stal tot naburige woningen en andere geurgevoelige functies. Toetsing bedrijf aan Geurverordening Binnen een straal van 100 meter zijn geen veehouderijbedrijven gevestigd. De geurbelastende activiteiten in het plangebied zelf liggen op meer dan 40 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning van derden. Voldaan kan worden voldaan aan de minimaal aan te houden afstanden van de Geurverordening, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen worden gesteld. Conclusie De planontwikkelingen geven vanuit milieuzonering geen beperkingen, omdat er binnen het invloedsgebied (zowel bestaand als toekomstige ontwikkelingen) geen milieugevoelige en -belastende activiteiten aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Toelichting
37
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
5.1.3 Geluid Wettelijk kader Wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen worden verstaan (Art. 1 Wgh): Woningen Onderwijsgebouwen Ziekenhuizen en verpleeghuizen Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden.
Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Wegverkeerslawaai De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Lekdijk-West (60 km/uur). Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Het kantoor, de vijf trekkershutten, de veestal en schuilgelegenheid vallen niet onder de noemer geluidgevoelige functies, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Lekdijk-West. Vanuit oogpunt van wegverkeerslawaai zijn er geen beperkingen. Voor de bestaande woning is de uitzondering van toepassing is als genoemd in artikel 76, lid 3 Wgh. Dit betekent dat lid 1 en 2 van artikel 76 niet gelden met betrekking tot de woning.
Industrielawaai Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 5.1.2). In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er vanuit industrielawaai geen beperkingen zijn. Voor de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Railverkeerslawaai De planontwikkeling ligt buiten een onderzoekszone van een spoorlijn, zodat er vanuit railverkeerslawaai geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.
38
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
5.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert.
In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. In verband met deze planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon B.V. te Capelle aan den IJssel (rapport van 1 maart 2023, Bijlage 1). Uit de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). De onderzoekslocatie, met een totale oppervlakte van circa 5.000 m², bestaat grotendeels uit braakliggend terrein. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan op de locatie. Op basis van de beschikbare informatie wordt de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging beschouwd als onverdacht. De locatie wordt als niet-asbestverdacht aangemerkt. Tijdens het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot een diepte van ca. 1,2 à 2,0 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit zwak zandige klei. De diepere ondergrond, vanaf 1,2 à 2,0 m-mv, bestaat tot de geboorde einddiepte uit veen. Bij zintuiglijk onderzoek zijn in de bovengrond van boring 16 en 17 bijmengingen met puin en baksteen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal.
Van de puinhoudende bovengrond is in het veld een mengmonster samengesteld ten behoeve van asbestonderzoek. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 1,25 m-mv. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met nikkel, zink en/of PAK. In het puinhoudende grondmengmonster is geen asbest aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Voor het overige zijn in de grond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetroffen. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging dient te worden verworpen. Dit naar aanleiding van de aangetroffen licht verhoogde gehalten nikkel, zink en PAK. Deze verontreiniging geeft geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Op basis van de resultaten van het indicatieve asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie kan worden beschouwd als niet-asbestverdacht. Conclusie Vanuit bodemhygiënische redenen zijn er geen beperkingen ten aanzien van de beoogde gebruik.
Wanneer in de toekomst grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.
Toelichting
39
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
5.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 5.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3
PM2,5 PM10
25 µg/m3 40 µg/m3
n.v.t. n.v.t.
24-uursgemiddelde n.v.t.
n.v.t. 50 µg/m3
Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Onderzoek/ beoordeling Met het plan wordt beoogd een bestaand kantoor van 70 m² te vernieuwen, een winterstal te handhaven/ vernieuwen (240 m²), het oprichten van vijf trekkershutten (totaal 200 m²) en het plaatsen van twee schuilgelegenheden voor schapen (totaal 150 m²). Het aantal verkeersbewegingen wijzigt hierdoor nagenoeg niet. Met zekerheid kan worden gesteld dat de 3% grenswaarde voor verontreinigende stoffen niet wordt overschreden als gevolg van deze wijzigingen. Er zijn daarom geen berekeningen nodig ten behoeve van het bestemmingsplan. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Lekdijk-West. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden, zoals aangetoond in figuur 11. Hieruit blijkt dat dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 14,6 µg/m³
40
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,7 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,6 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.
Figuur 11: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2020. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen.
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording
Toelichting
41
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
GR te worden opgesteld. Transport over water In het Basisnet Water ligt de Lek ten zuiden van het plangebied op circa 190 meter. De bebouwing ligt buiten de 200 meter zone van de Basisroute water (figuur 12). Over deze rivier vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de vrijwaringszone (het plangebied ligt hierbuiten). Voorts is er geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde) gezien de lage populatie langs de Lek. Als relevante maatregel dient een mechanische ventilatie te worden aangebracht in het te renoveren kantoor en de vijf trekkershutten met de mogelijkheid om deze met één druk op de knop uit te schakelen. Dit wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning. Voor het overige zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen potentiële risicobronnen in de omgeving aanwezig. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. De Lekdijk-West zelf is ook niet opgenomen als een route gevaarlijke stoffen.
Transport per buisleiding Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 12) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd. Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.
42
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Figuur 12: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied zwart omlijnd). Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten woningen en kantoren worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. Dit is opgenomen in het huidige beleid Externe Veiligheid van de gemeente. In verband hiermee is in artikel 3.4.4 een specifieke gebruiksregel opgenomen dat een (nieuwe) woning/ kantoor pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning/ kantoor kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners/ gebruikers. Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn.
Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Toelichting
43
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente een archeologische beleidskaart opgesteld voor haar grondgebied.
5.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in het plangebied een grote trefkans op archeologische sporen is van 0 - 5 meter onder maaiveld (figuur 13). Dit gebied ligt in Oude stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld.
Figuur 13: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.
44
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
5.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart heeft de lintbebouwing een hoge trefkans met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 3', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 100 m² (figuur 14). Het gebied ten noorden hiervan heeft de aanduiding 'Waarde - Archeologie 4', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 1.000 m². Verder is een gedeelte aangeduid als 'Waarde - Archeologie 7', waarbij een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 3 meter –Mv en een plangebied groter dan 10.000 m².
Figuur 14: Uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart. Onderzoek / beoordeling Het initiatief voor het vernieuwen van een kantoor/administratie tast de archeologische waarden niet aan, omdat het kantoor (70 m²) en de winterstal voor Schotse hooglanders (240 m²) alleen worden gerenoveerd. Er vinden geen grondingrepen plaats. De te realiseren schuilgelegenheden voor schapen hebben een oppervlakte van respectievelijk 50 m² en 100 m², terwijl de oppervlakte van de vijf trekkershutten maximaal 40 m² per recreatieverblijf is. Dit laatste deelgebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 3) en een middelhoge verwachting (Waarde Archeologie 4). Hiervoor geldt geen onderzoeksplicht, omdat de oppervlakte minder is dan de vrijstellingsgrens. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege worden gelaten. Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer in de toekomst grondroerende werkzaamheden plaatsvinden kan archeologisch onderzoek nodig zijn. Dit wordt geborgd middels het opnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 7'. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen aan deze planontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde
Toelichting
45
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Krimpenerwaard. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. 5.2.3 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
5.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 2,7 km zuidelijker. In zuidwestelijke richting ligt op circa 6,9 km de 'Boezems Kinderdijk'.
Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 11,2 km ten noorden van het plangebied. Sprake is alleen van het vernieuwen van een kantoor/administratie bij de woning (70 m²), het renoveren van een bestaande winterstal (240 m²), het oprichten van vijf trekkershutten (200 m²) en het oprichten van twee schuilgelegenheden voor Soay schapen, te weten één voor de zomerperiode (50 m²) en één voor winterverblijf (100 m²), zodat Natura2000-gebieden niet worden beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze wijziging. De winterstal en het kantoor liggen op respectievelijk 80 meter en 60 meter van NNN van de provincie Zuid-Holland (figuur 15). De te plaatsen schuilgelegenheid voor de zomerperiode ligt in het NNN. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor NNN.
46
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Figuur 15: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.) 5.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. In onderhavige situatie is er sprake van het vernieuwen van een kantoor/administratie bij de woning (70 m²), het renoveren van een bestaande winterstal (240 m²) en het oprichten van de schuilgelegenheden voor schapen (totaal 150 m²). Deze wijzigingen zorgen niet voor toename N-emissie, omdat het aantal dieren gelijk blijft. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 2,7 km ten zuiden van het plangebied. In zuidwestelijke richting ligt op circa 6,9 km de 'Boezems Kinderdijk'. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 11,2 km ten noorden van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar wordt mogelijk binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Gelet op de grote afstand ten opzichte van stikstofrelevante Natura2000-gebieden en de relatief beperkte werkzaamheden kan zonder onderzoek worden gesteld dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen sprake van toename van stikstofdepositie, zodat een stikstofberekening achterwege is gelaten. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.
Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 5.3.2 Flora- en faunatoets Soortenbescherming Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van februari 2023, rapportnummer 23A004, Bijlage 2). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Natuurgebieden Natura2000
Toelichting
Gevolgen
47
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Habitattypen
Soorten NNN-gebieden Omgevingsvisie/-verordening Soortgroep Algemeen
Flora Jaarrond beschermde nesten Vissen Reptielen Zoogdieren Vleermuizen Overige soorten Soortgroep Vogels
Amfibieën
Natura 2000-gebied Donkse laagten ligt op 2,6 km afstand tot het plangebied. Echter zijn hier geen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Hierdoor evenals de beperkte werkzaamheden is een stikstofberekening niet nodig. Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Gewone pad, Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Rosse woelmuis, Veldmuis, Wezel en Woelrat geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee, mits er rekening gehouden wordt met overwinterende ganzen. Hiervoor dienen de werkzaamheden buiten de winterperiode van 1 oktober tot 1 april uitgevoerd te worden. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren.
Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.
Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen
48
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen worden nestkasten ingebouwd. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis. Wat betreft tuin- en eventuele straatverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is. Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit soortenbescherming en gebiedsbescherming geen beperkingen zijn. Bij uitwerking van het bouwplan zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen.
5.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
5.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
Toelichting
49
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
50
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.
6.2
Verbeelding
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.
6.3
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken. Voor deze partiële herziening wordt grotendeels aangesloten op de regelingen van de bestemmingsplannen 'Buitengebied 2011' en 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard'. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 6.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor flexibiliteitsbepalingen en parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.
Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 6.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 6.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3
Toelichting
Agrarisch met Waarden
51
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is gegeven aan gronden die geen deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland en waar geen natuur wordt ontwikkeld. Het betreft bestaande agrarische gronden waar het (voormalig) agrarisch gebruik kan worden voortgezet. Naast dit gebruik, zijn de gronden ook bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon, en voor karakteristieke landschapselementen. De aanwezige landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden beschermd middels een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is een voormalig agrarisch bedrijf gelegen. Deze kavel is voorzien van een agrarisch bouwvlak. De oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van het voormalig agrarisch bedrijf (met winterstal/ opslag, kantoor/administratie en winterschuilplaats voor schapen) is vastgesteld op 410 m². In de regels is een maximale goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen vastgelegd. In principe dient alle bebouwing en verharding binnen het bouwvlak te worden gesitueerd, uitgezonderd bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter en een oppervlakte van maximaal 5 m². In het bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan.
De inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 700 m³ bedragen. Bij het voormalig agrarisch bedrijf zijn bij afwijking nevenactiviteiten toegestaan. In de regels is een lijst opgenomen met activiteiten die bij afwijking zijn toegestaan. Tevens zijn in de regels voorwaarden opgenomen die gelden voor het ontplooien van nevenactiviteiten. De gezamenlijke oppervlakte aan nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan 500 m². Er mag geen buitenopslag plaatsvinden en andere agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. Voor de nevenactiviteiten geldt een aantal aanvullende voorwaarden, zoals dat geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden mag plaatsvinden en het parkeren binnen het bouwvlak moet plaatsvinden. Voor de vijf trekkershutten is een functieaanduiding opgenomen. Binnen deze aanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch met waarden - trekkershut' zijn maximaal vijf trekkershutten toegestaan voor kortdurend recreatief nachtverblijf. Artikel 4 Natuur - Extensief agrarisch medegebruik De op de kaart voor 'Natuur- Extensief agrarisch medegebruik' aangeduide gronden behoren tot het Natuurnetwerk Nederland.
Gronden met de bestemming ‘Natuur’ zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap, waaronder begrepen openheid en het verkavelingspatroon, in de vorm van een natuurgebied. Dit maakt natuurontwikkeling mogelijk. In de regels zijn de natuur- en slootbeheertypen opgenomen die zijn toegestaan. Tevens zijn op deze gronden landschapsbeheertypen toegestaan die passen bij het veenweidelandschap, zoals natuurvriendelijke oevers en houtwallen en singels. De toegestane natuur- en landschapsbeheertypen alsmede slootbeheertypen zijn nader beschreven in bijlagen bij de regels; deze beschrijvingen zijn gebaseerd op het inrichtingsplan. Op gronden met de bestemming ‘Natuur’ is tevens extensief recreatief medegebruik toegestaan. Ter bescherming van de natuurwaarden is in de specifieke gebruiksregels een aantal gebruiksverboden opgenomen. Zo is (extensief) agrarisch (mede)gebruik niet toegestaan. Begrazing door graasdieren ten behoeve van het natuurbeheer is mogelijk. Dit wordt namelijk mede begrepen onder het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden, waarvoor de gronden bestemd zijn. Ten behoeve hiervan is een schuilgelegenheid van 50 m² voor Soay schapen toegestaan. Het gebruik van meststoffen, op enkele uitzonderingen na, is niet toegestaan op gronden met de bestemming ‘Natuur’.
Dit geldt ook voor het opslaan van meststoffen en landbouwproducten. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is uitsluitend toegestaan tot 1 januari 2024 en hiervoor gelden specifieke regels. Voor de bescherming van de natuurwaarden, alsmede de landschappelijke en cultuurhistorische waarden is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in de regels opgenomen. Dit houdt in dat voor werken of werkzaamheden die schade aan zouden kunnen richten aan de genoemde waarden, zoals het afgraven van gronden, dempen van waterlopen en rooien van houtopstanden, een omgevingsvergunning vereist is. Een dergelijke vergunning kan alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden,
52
Toelichting
bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht
tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Er is geen omgevingsvergunning benodigd voor werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van het inrichtingsplan en voor werken en werkzaamheden die tot het normale onderhoud en beheer worden gerekend. Onder normaal onderhoud wordt ook achterstallig onderhoud in het kader van het natuurbeheer begrepen. Artikel 5, 6 en 7 Waarde - Archeologie 3, 4 en 7 Het plangebied ligt in een gebied met archeologische verwachtingswaarden. Hiervoor zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3, 4 en 7' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel. Artikel 8 Waterstaat- Waterkering Voor het bebouwingslint langs de Lekdijk-West geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, tenzij advies is ingewonnen bij het hoogheemraadschap. 6.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 10 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.
Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. Artikel 13 Overige regels In artikel 13.1 is bepaald dat indien in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dit de wettelijke regelingen betreft zoals deze luiden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. In artikel 13.2 zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de CROW-publicatie 381 (december 2018). Als regel wordt uitgegaan van de maximum parkeernorm. Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381. 6.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.