Bestemmingsplan t Hooge Zand 1-5 Bergambacht 12-2023
Tekst van het document
Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? In de handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Het bedrijf van initiatiefnemer bevindt zich reeds op het bedrijventerrein van Bergambacht. De sportaccommodatie is reeds een stedelijke ontwikkeling. Vanwege de toename van het gebruiksoppervlakte en de bebouwingsmogelijkheden voor het grondverzet- en transportbedrijf is een nadere afweging aangaande het feit dat sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’ opportuun.
Cumela Advies – Nijkerk
- 16 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De ladder moet worden toegepast als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, overeenkomstig het bedoelde in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) of de Provinciale ruimtelijke verordening (zie paragraaf 3.2.2). Aangezien beide terreinen al in gebruik zijn is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met dit initiatief is geen ‘sprake’ van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is enkel sprake van een planologische wijziging c.q. wordt invulling gegeven aan een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied (zuinig ruimtegebruik) in casu er is sprake van een uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten middels het wijzigingen van de bestemming van het perceel 't Hooge Zand 1. Conclusie Een nadere toetsing aan de Ladder is niet aan de orde. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarbij toetsing op grond van artikel 3.1.6 Bro benodigd is. Opgemerkt wordt dat middels onderhavige ruimtelijke onderbouwing inzicht wordt gegeven in de goede ruimtelijke ordening. 3.1.4 Nationaal Water Programma 2022-2027 De minister van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stelt het Nationaal Water Programma (NWP) op voor de periode 2022–2027.
Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor deze periode en geeft een doorkijk naar 2050. Het Nationaal Water Programma bevat: • Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; • Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016- 2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt.
Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft een specifiek Waterbeheerprogramma. In paragraaf 4.2.6 wordt hier nader op ingegaan. Conclusie Voor de uitvoering van dit plan i.c. het onderdeel ‘water’ wordt verwezen naar paragraaf 4.2.6 van deze onderbouwing. Door rekening te houden in het plan (bijvoorbeeld watercompensatie) met de uitgangspunten van het Waterschap wordt eveneens voldaan aan het Nationaal Water programma.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om één Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is 2 februari 2022 in werking getreden en vervangt daarmee o.a. de Visie ruimte en mobiliteit (en Verordening Ruimte).
Cumela Advies – Nijkerk
- 17 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Voor het plangebied is overeenkomstig het bepaalde in de Omgevingsvisie de regels inzake ‘ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën’ van belang (zie figuur 7).
figuur 7: Ligging plangebied i.r.t. ‘ruimtelijke kwaliteit’ In Zuid-Holland, dat zich onderscheidt door het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plangebied bevindt zich niet in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland, stiltegebied of belangrijk weidevogelgebied. Wat betreft de bescherming van deze natuurgebieden wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4 Wet Natuurbescherming van deze toelichting.
Aangezien sprake is van een bestaand industrie-/bedrijventerrein binnen stedelijk gebied is het provinciaal ruimtelijk belang c.q. beleid niet nader richtinggevend. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op een vormwijziging en uitbreiding van een bestemmings- en bouwvlak voor een bestaand grondverzet- en transportbedrijf binnen een bestaand stedelijk gebied (zuinig ruimtegebruik). Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plan is dan ook in lijn met het provinciaal beleid. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Provinciale Staten hebben bij besluit van 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld, welke per 1 april 2019 in werking is getreden (en o.a. geconsolideerd per 1 april 2023). De omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen / verordeningen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, vergunningverlening, water, bodem en wegen, waarbij beoogd is om een beleidsneutrale integratie te verwezenlijken. Het beleidsneutrale karakter betekent dat bestaande regelgeving op deze domeinen zonder aanpassing van de normstelling en met een gelijkwaardig beschermingsniveau is overgezet in deze integrale omgevingsverordening.
Vanzelfsprekend zijn daarbij wel aanpassingen doorgevoerd in de terminologie en de instrumentkeuze, waar dat was aangewezen om de gewenste stap te maken naar een uniforme omgevingsverordening die vooruitloopt op het nieuwe kader van de Omgevingswet.
Cumela Advies – Nijkerk
- 18 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Met de vaststelling van de omgevingsverordening zijn tevens alle bestaande verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving ingetrokken. De voorheen meest van belang zijnde verordening was de Verordening Ruimte 2014. Om uitvoering te geven aan de visie (zie 3.2.1) heeft de provincie straks onder de Omgevingswet verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts 1 van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit. Via de verbeelding / kaarten (in totaal 24 stuks, waaronder ‘Provincie’, ‘Vaarwegen’, ‘waterkeringen’, ‘stiltegebieden’, natuurnetwerk Nederland’, ‘kantoren en detailhandel’, ‘greenports’, ‘veiligheid’, ‘ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën’ en dergelijke) welke onderdeel uitmaken van de verordening zijn de verzameling aan relevante artikel(en) per grondgebied – digitaal – te herleiden. Zoals genoemd omvat met name hoofdstuk 3 regels voor activiteiten door burgers en bedrijven.
Dit hoofdstuk en de instructieregels voor bestemmingsplannen (hoofdstuk 6) zijn voor dit plangebied / initiatief het meest relevant. De van toepassing zijnde relevante regels, op basis van de aanduiding(en) per ‘kaart’ voor het plangebied zijn:
figuur 8: Kaart 17 Verordening i.r.t plangebied – ligging in Gebieden met verplichte peilbesluiten Tevens is het plangebied gelegen binnen een zone welke is aangewezen als beschermingsgebied voor grondwater (zie figuur 9). Dit betekent dat er geen diepe grondboringen plaats mogen vinden. In de planregels van dit plan is de milieuzone – boringsvrije zone specifiek op-/overgenomen en derhalve planologisch geborgd.
Cumela Advies – Nijkerk
- 19 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
figuur 9: Kaart 5 Verordening i.r.t plangebied – Milieubeschermingsgebied voor grondwater Het plangebied ligt niet in een zone waar eisen gesteld worden aan de ruimtelijke kwaliteit, zie figuur 10, zodat een nadere toetsing aan artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit) niet van toepassing is. Er is sprake van bestaand stedelijk gebied, ofwel het plangebied ligt binnen een bestaand bebouwingscontour
figuur 10: Kaart 14 Verordening i.r.t plangebied – bestaand Overige specifieke artikelen van de verordening zijn gerelateerd aan de ontwikkeling niet van toepassing. Conclusie Het initiatief voldoet aan de beleidsuitgangspunten van de provinciale Omgevingsvisie en de verordening.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Bestemmingsplannen Dijkstoep-Berglaan en Dorpsgebied Het oostelijk deel van het plangebied valt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Bergstoep-Dijklaan 2000’ van de gemeente Krimpenerwaard (vastgesteld op 26 september 2000). Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een relatief klein grondgebied van de gemeente en ligt in het bestemmingsplan Dorpsgebied van de gemeente Bergambacht (vastgesteld op 25 oktober 2011). In figuur 11 is het totale gebied waarop het bestemmingsplan Dorpsgebied betrekking
Cumela Advies – Nijkerk
- 20 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
heeft weergegeven met daarbinnen het gebied waarop bestemmingsplan ‘Bergstoep-Dijklaan 2000’ nog van toepassing is. Het perceel ’t Hooge Zand 5 (oostelijk deel van het plangebied, zie figuur 12) valt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Bergstoep-Dijklaan 2000’ van de gemeente Krimpenerwaard (vastgesteld op 26 september 2000) met bestemming Bedrijfsdoeleinden (t/m categorie 3.1) waarbij sprake is van de functieaanduiding – timmerfabriek. De bouwregels zijn in artikel 11 opgenomen. Voor dit perceel bedraagt de maximaal toegestane goothoogte 10 meter en een bebouwingspercentage van 80%. In de nieuwe situatie worden het bebouwingspercentage voor het gehele plangebied gewijzigd naar 60%. De kleine strook grond aan de oostkant heeft de bestemming Bedrijfsdoeleinden – zonder gebouwen. Middels het bestemmingsplan Tussenlanen 20b, Bergambacht, vastgesteld 9 mei 2017 is tevens de formele vestiging van het huidige bedrijf op het perceel 't Hooge Zand 5 (toenmalig genoemd Dijklaan 87) geregeld. Het tussenliggende perceel grond valt binnen het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Krimpenerwaard ‘Bergstoep-Dijklaan 2000’ (vastgesteld op 26 september 2000) met de bestemming Verkeersdoeleinden – verblijfsgebied.
figuur 11: Weergave grondgebied Bp Dorpsgebied en Bp Bergstoep-Dijklaan 2000 Het perceel ’t Hooge Zand 1 (westelijke deel van het plangebied) valt binnen het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Bergambacht ‘Dorpsgebied’ (vastgesteld op 25 oktober 2011) met Enkelbestemming - Sport en functieaanduiding - sporthal. De oppervlakte van het vigerende bouw-/bestemmingsvlak bedraagt circa 4.800 m2. De
Cumela Advies – Nijkerk
- 21 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
bouwregels zijn in artikel 16.2 opgenomen. Daarnaast is er een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, specifieke waarde – 5 volgens artikel 22 van het bestemmingsplan van toepassing op het perceel (zie figuur 13).
figuur 12: Verbeelding van plangebied (indicatief) en gegevens bestemming (oostelijk deel)
figuur 13: Verbeelding van plangebied (indicatief) en gegevens bestemming (westelijk deel) De bouw- en gebruiksregels zijn nader vastgelegd in de planregels behorend bij dit bestemmingsplan. Het vigerende bestemmingsplan biedt geen binnenplanse wijzigingsmogelijkheden of bevoegdheden om te voorzien in de totale beoogde ontwikkelingen, zoals het wijzigen en vergroten van bestemmings- of bouwvlak, opslag, bebouwd oppervlak, ontsluitingsweg, groenzones, e.d. (zie paragraaf 2.2). Middels dit bestemmingsplan worden de beoogde ontwikkelingen mogelijk gemaakt. 3.4.2 Toekomstvisie Krimpenerwaard De gemeente ziet zich in de nabije toekomst gesteld voor een aantal grote (nieuwe) ruimtelijke opgaven. In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard (vastgesteld 14 juli 2021) wordt beschreven welke speerpunten de gemeente heeft voor de toekomst. De Krimpenerwaard bestaat uit laaggelegen veenpolders in een rivierengebied. Samen met de Lopikerwaard is de Krimpenerwaard het grootste veenweidegebied van Nederland. De Krimpenerwaard is een belangrijk onderdeel van het Groene Hart. De Krimpenerwaard is omringd door rivieren: - de brede Lek (en een klein stuk Nieuwe Maas) aan de zuidkant; - de smallere kronkeligere Hollandsche IJssel aan de noordkant; - het riviertje Vlist aan de oostkant. Ten oosten van de Vlist begint de Lopikerwaard, waarvan een deel bij de gemeente Krimpenerwaard hoort.
De rivieren zijn van
Cumela Advies – Nijkerk
- 22 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
oorsprong belangrijke oude handelsroutes en vormen een belangrijke karakteristiek van het landschap. De bewoning van het gebied begon op de oeverwallen en verhogingen (donken) langs de rivieren. Van daaruit is in de middeleeuwen begonnen het achterliggende veengebied te ontginnen. Door het ontginnen van het veenweidegebied zijn langgerekte, door sloten gescheiden kavels ontstaan. Deze langgerekte percelen met tussenliggende sloten vormen een belangrijke basis van de identiteit van de Krimpenerwaard. Voor de landbouw zijn deze relatief natte percelen vooral geschikt voor grasland. Hierdoor is het agrarisch landschap open en groen. De oriëntatie op de rivieren en de ontginningsgeschiedenis is in het landschap nog goed zichtbaar. De meeste kernen en buurtschappen liggen bij een van de rivieren. In de kernen is de ontwikkeling met de historische gelaagdheid vaak goed herkenbaar. Omdat de wegen langs de rivieren op de dijken liggen, is er langs de randen van de Krimpenerwaard uitzicht op het binnen- en buitendijkse landschap en de bebouwing. Dit is een cultuurhistorisch waardevol kenmerk van de Krimpenerwaard. De Omgevingsvisie geeft de langetermijnvisie op de ruimtelijk maatschappelijke opgaven waar de gemeente aan wil werken, zoals sterke en leefbare kernen, duurzame economische ontwikkeling, de klimaat- en energietransitie en veranderingen in het landelijk gebied.
De opgaven en uitdagingen die hieraan bijdragen zijn vertaald in speerpunten, zoals een gezond en veilig woon- en leefklimaat en ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid. De speerpunten zijn bepalend bij de afweging van Initiatieven, het opstellen van Beleid en het vormgeven van Het Omgevingsplan. Onderhavige ontwikkeling past binnen genoemde visie. Het herontwikkeling van een bestaande stedelijke functie c.q. bedrijventerrein, waarmee leegstand / verpaupering wordt voorkomen, en met name ingezet wordt op een vitaal en toekomstbestendige bedrijfsfunctie waarbij de activiteiten gericht zijn op circulariteit, lokale kringlopen, duurzame energieopwekking etc. past geheel in het perspectief zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Conclusie De onderhavige ontwikkeling sluit aan c.q. is in lijn met de genoemde visie. De ontwikkeling ansich leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden van het gebied. Het bedrijf zelf zorgt voor vitaliteit, economisch perspectief en werkgelegenheid, ondersteuning en behoud van de gemeente Krimpenerwaard en haar omgeving.
3.5 Overig relevant ruimtelijk beleid Naast het provinciale en het gemeentelijke beleid dient rekening gehouden te worden met de nationale en Europese regelgeving betreffende het plangebied. Hierbij hebben de volgende wetten of richtlijnen een relatie met de projectlocatie: de Wet Natuurbeschermingswet, de Kaderrichtlijn Water, Wet-/besluit ruimtelijke ordening, Wet geluidhinder, Wet Milieubeheer en dergelijke. De planologische gevolgen van de hiervoor genoemde regelgeving zijn in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. 3.5.1 Wet Milieubeheer / Activiteitenbesluit Inzake de verplichtingen uit de Wet Milieubeheer (ex. art 8.1 juncto art. 8.40) wordt door het bedrijf voldaan. Initiatiefnemer is een bedrijf waarop qua aard van de activiteiten (grondverzet, transport en opslag) en huidige voorzieningen het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) c.q. het (toekomstige) Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) van toepassing is. Recent is een actualisatie melding verricht op grond van het Activiteitenbesluit inzake de beoogde inrichting en activiteiten e.d. binnen het plangebied. De melding is geaccepteerd door de Omgevingsdienst.
Cumela Advies – Nijkerk
- 23 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
4 PLANOLOGISCHE UITVOERINGSASPECTEN Het planologisch wijzigen en aanpassen van de vorm van de bestemmings- en bouwvlakken van het plangebied, waarbij kortweg gronden met de bestemming Sport en Verkeersdoeleinden worden omgezet naar Bedrijf met nadere aanduidingen, heeft een directe relatie tot de ruimtelijke ordening c.q. fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk worden de effecten van het beoogde plan nader aan de orde gesteld.
4.1 Ruimtelijk Vanuit planologisch oogpunt, rekening houdend met het provinciale en gemeentelijk beleid, én de toetsingscriteria aangaande een goede ruimtelijke onderbouwing is onderstaand een aantal van belang zijnde aspecten uitgewerkt. 4.1.1 Beeldkwaliteit / stedenbouwkundig De beleidsuitgangspunten betreffende beeldkwaliteit en kenmerken voor het gebied zijn beschreven en verantwoord in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan. Voor zover relevant zijn deze opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen. De gemeente Krimpenerwaard heeft geen nader welstandsbeleid waarmee rekening dient te worden gehouden. Zoals verwoord in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 zijn er op grond van het provinciaal ruimtelijk beleid geen specifieke beleidsregels van toepassing. Door onderhavige initiatief wijzigen de bestemmings- en bouwvlakken (wordt één geheel) en wordt de bestaande bebouwing op het perceel t’ Hooge Zand 1 gesaneerd. De oorspronkelijke sporthal verdwijnt. Het terrein wordt ingericht met keerwanden ten behoeve van opslagvakken en depots. Aan de buitenzijde wordt het terrein lanschappelijk ingepast met een haag c.q. groenvoorzieningen en een hekwerk als erfafscheiding. Alhoewel er planologisch bouwmogelijkheden zijn c.q. behouden blijven, wordt in het oprichten van bedrijfsbouwing in beginsel niet voorzien.
Indien dit aan de orde is, zal op bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nader voldaan moeten worden aan de bouwregels en eventuele eisen qua beeldkwaliteit en dergelijke. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot onevenredige aantasting van de beeldkwaliteit of kenmerken van het gebied. 4.1.2 Landschappelijke inpassing Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Specifieke eisen ten aanzien van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit c.q. eisen aan landschappelijke inpassing zijn niet van toepassing. Desalniettemin zorgt initiatiefnemer ervoor dat de locatie zorgvuldig en ‘netjes’ ingericht wordt. Dit past bij de visie en uitstraling van het bedrijf zelf maar met name met het oog voor de omgeving en omwonenden. Ter afscherming enerzijds en het bieden van een groenstructuur anderzijds wordt het plangebied omzoomd met een robuuste landschappelijke inpassing. Hiermee wordt tevens het zicht op de keerwanden van de opslagdepots, machines en werktuigen, geminimaliseerd. Aan de zuid- en westzijde van het plangebied is een wandelpad aanwezig.
Dit pad wordt – met name aan de westzijde van het plangebied- door initiatiefnemer hersteld of verbetert zodat er sprake is van goede faciliteiten voor omwonenden alsmede voor bezoekers van het nabijgelegen natuur-/dierenweide (ten zuiden van plangebied), recreanten/passanten alsmede voor bezoekers van de sportvelden, etc. Eveneens wordt voorzien in het aanleggen van parkeerplaatsen ten behoeve van derden.
Cumela Advies – Nijkerk
- 24 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
4.2 Milieu Naast de planologische aspecten dient eveneens rekening te worden gehouden met de milieuhygiënische aspecten. De meest relevante aspecten voor onderhavig project zijn uitgewerkt. 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. De bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemer zijn, voor zover te onderscheiden, volgens de VNG brochure als volgt te kwalificeren: SBI - 4312 - 7731 - 8130 - 0161 - 0240 -46735
activiteit Grondverzet (aannemers algemeen b.o. > 2.000 m2) Verhuur van machines / werktuigen (incl. transport) Landschapsverzorging / cultuurtechnische werken Dienstverlening aan de land-/tuinbouw Dienstverlening voor de bosbouw Groothandel in zand en grind
3.1 3.1 3.1 3.1 3.1 3.2
afstand 50 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr 100 mtr
Overeenkomstig de vigerende melding Activiteitenbesluit en de feitelijke activiteiten voert initiatiefnemer ook activiteiten uit inzake calamiteitendiensten (24 uur service) en bijvoorbeeld bij gladheidsbestrijding. Deze activiteiten zijn verdisconteerd in voormelde activiteiten. Dit geldt eveneens voor het uitvoeren van reparatie / onderhoud / constructieve werkzaamheden en stalling van materieel en materiaal e.d. binnen de inrichting. Gezien de algemene aard en omvang van de activiteiten van het bedrijf van initiatiefnemer én de omvang van het plangebied (circa 14.500 m2) is, uitgaande van de richtlijn, tenminste een milieucategorie 3.1 van toepassing. Het buitenterrein is bruikbaar en wordt gebruikt voor op-/overslag en bewerking van onder andere bouw-, grond- en overige reststoffen, waaronder voor partijen grond, zand en bouwstoffen welke in beginsel vrijkomen bij eigen werken of ingezet worden bij werkzaamheden van het bedrijf. In dit kader is, uitgaande van een ‘groothandel’, sprake van een milieucategorie 3.2. Bij milieucategorie 3.1 dient, op grond van het criterium geluid, een afstandseis van 50 meter tot omliggende woonbebouwing / gevoelige objecten in acht te worden genomen. Dit toetsingscriteria geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij een milieucategorie 3.2. is een richtafstand van 100 meter aan de orde.
Op grond van voormelde geldt in beginsel een richtafstand van 100 meter (3.2 categorie). Voor de bestaande activiteiten en bedrijfslocatie t’ Hooge Zand 5 wijzigen de feitelijke omstandigheden of afstanden tot omliggende woonobjecten (Dijklaan) niet. De omgeving van het plangebied is als ‘gemengd gebied’ aan te merken als bedoeld in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (zie ook onderzoek Milieuzonering i.r.t. vigerend bestemmingsplan Dorpsgebied). Dit betekent dat de richtafstanden een zogenaamde ‘stap’ teruggezet mogen worden, waarbij respectievelijk de richtafstand van 30 meter van toepassing is of 50 meter zou aangehouden moeten worden. Opgemerkt wordt dat de bestaande activiteiten op het oostelijk deel van het plangebied (t’ Hooge Zand 5) reeds vele jaren plaatsvinden en sprake is van bestaande afstanden tussen de activiteiten en geluid- of geurgevoelige objecten aan de Dijklaan. Op grond van akoestisch onderzoek is feitelijk aangetoond dat er tot een afstand van 50 meter vanaf de woningen aan de Dijklaan geen activiteiten met zware bronnen (vrachtwagens) kunnen plaatsvinden in de periode
Cumela Advies – Nijkerk
- 25 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
van 19.00 tot 7.00 uur. In dit bestemmingsplan is dit thans planologisch geborgd door een gebiedsaanduiding op de verbeelding en in de planregels. De richtafstand is derhalve niet meer aan de orde, maar de feitelijke omstandigheden. Er is / wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige objecten is geen sprake. Het toetsingscriteria op grond van de VNG-brochure geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betreft met name de nieuwe beoogde activiteiten c.q. de wijziging van de bestemming voor het westelijk deel van het plangebied ter plaatse van de huidige bestemmingen Verkeersdoeleinden en Sport. Op deze gronden zullen ook bedrijfsmatige activiteiten gaan plaatsvinden. De afstand vanaf dit deel van het plangebied tot aan gevoelige objecten (Dijklaan) is tenminste 100 meter of meer. Zoals genoemd is sprake van een ‘gemengd gebied’ en is de minimaal te hanteren afstand in relatie tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat 50 meter. Derhalve wordt aan de gestelde richtafstand in relatie tot het westelijk deel van het plangebied (t’Hooge Zand 1) voldaan. Het aspect ‘geur’ is niet aan de orde omdat er geen activiteiten plaatsvinden waarbij sprake is van een geurcomponent of bijvoorbeeld opslag van dierlijke meststoffen.
Voor een nadere verantwoording van dit aspect wordt verwezen naar de paragraaf Geur (zie 4.2.11). Toetsingscriteria overig Het aspect ‘licht’ is relevant in relatie tot de koplampen van voertuigen bij het verlaten van het terrein via de ontsluitingsweg aan de westzijde van het plangebied. De voertuigbewegingen van het terrein af vinden plaats in westelijke richting naar de Veerweg. Aan de westelijke zijde van het plangebied bevinden zich geen woningen of gevoelige objecten. Dit aspect is ook besproken tijdens de buurtdialoog. Doordat er sprake is van afscherming van het terrein met hagen en groenstroken en zich op het terrein keerwanden bevinden, is lichtuitstraling naar de omgeving niet of nauwelijks aan de orde. Met dit aspect is rekening gehouden. Voor zover er sprake zou zijn van aantasting van een goed woon- en leefklimaat zijn in het plan reeds maatregelen opgenomen of de uitvoering dusdanig aangepast dat aantasting redelijkerwijs voorkomen wordt. Het aspect ‘gevaar’ is niet relevant. Binnen de inrichting vinden geen processen of activiteiten plaats met een relevante gevaarcomponent. Voor zover wel aan de orde (bijv. opslag brandstof) wordt voldaan aan de daartoe relevante regelgeving qua opslageisen en bijvoorbeeld brandveiligheid. Daarnaast zijn de werkelijke afstanden tot relevante gevoelige objecten vele malen groter dan de richtafstand (10 meter t.b.v. gevaar).
In relatie tot het aspect ‘stof’ wordt in de VNG–brochure een richtafstand van 30 meter gehanteerd. In relatie tot de opslag van zand of grond is eveneens de NER van toepassing. Gezien de ligging van het opslagterrein en de bebouwingsmogelijkheden, waarbij inpandig bewerking plaatsvindt, is de kans op verstuiving zeer klein. Milieutechnisch zijn de eisen op grond van de milieuregelgeving van toepassing. Geconcludeerd wordt dat de aan de afstandseis van de overige toetsingscriteria kan worden voldaan. Verantwoording Per saldo leidt de ontwikkeling voor de directe omgeving en in relatie tot verkeersintensiteit tot een relatieve afname van ‘milieuhinder’. De afstand van de bedrijfsactiviteiten op het terrein tot nabijgelegen gevoelige objecten worden planologisch relatief groter. Nú is de concentratie van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs op het perceel ’t Hooge Zand 5 van het plangebied (oostelijk deel). Na de beoogde ontwikkeling zal de concentratie (manoeuvreren, op- en overslag, bewerking) meer ten westen van het plangebied plaatsvinden en daarmee op een relatief grotere afstand van gevoelige objecten. De bestaande afstand vanaf de grens van de inrichting (’t Hooge Zand 5) tot de woningen aan de Dijklaan wijzigt niet. Gebruiksbepalingen voor zwaar materieel in de avond- en nachtperiode wordt planologisch uitgesloten voor een deel
Cumela Advies – Nijkerk
- 26 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
van het terrein. De afstand vanaf het westelijke (nieuwe) deel van de bedrijfslocatie bedraagt 100 meter of meer zodat redelijkerwijs aan de gestelde richtlijn c.q. aan te houden afstand van 50 meter wordt voldaan. In relatie tot de aspecten ‘geluid’ of ‘geur’ wordt verwezen naar paragraaf 4.2.3 (geluid), respectievelijk 4.2.10 (geur). Conclusie De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de relevante richtafstanden op grond van de VNG brochure Milieuzonering en Bedrijven. De richtafstanden gerelateerd aan de bestaande situatie (’t Hooge Zand 5) zijn echter bepalend en derhalve reeds en thans specifiek geborgd in dit bestemmingsplan. Het aspect Milieuzonering en Bedrijven ansich vormt geen belemmering ter realisatie van dit plan. 4.2.2 Bodem Op grond van de Wet bodembescherming of ten gevolge van de vereisten op grond van de Wet Milieubeheer (voor bedrijfsactiviteiten) kan een onderzoek van de bodemgesteldheid een vereiste zijn. Onderhavig planologische wijziging heeft geen directe relatie met milieurelevante activiteiten met een dusdanig bodemrisico dat een verkennend bodemonderzoek vereist is. Er wordt niet voorzien in het oprichten van (extra) bebouwing met een woon- of (langdurige) verblijfsfunctie. Het bedrijf is een zogenaamde type B-inrichting conform de melding Activiteitenbesluit. Voor de opslag en stalling van materieel, was-tankplaats, inerte stoffen, e.d.
kan aansluiting worden gezocht bij de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Op grond van dit besluit zijn, voor zover van toepassing, bodembeschermende maatregelen voorgeschreven. Voor parkeren/stallen van voertuigen/materieel of opslag van niet-significant bodembedreigende stoffen kan volstaan worden met een daartoe strekkende bodembeschermende voorziening. Voor de wasplaats of tankplaats is een vloeistofdichte vloer in beginsel een vereiste. Aan deze vereisten wordt reeds voldaan. Conclusie Het aspect bodem vormt aangaande onderhavige ruimtelijke ontwikkeling geen belemmering ter realisatie van dit plan. 4.2.3 Geluid / Mobiliteit Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig (in directe nabijheid), dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde.
- Wegverkeerslawaai De ontwikkeling is niet gericht of maakt het niet mogelijk om (nieuwe) geluidsgevoelige objecten op te richten. Een nadere toetsing aan het aspect wegverkeerslawaai is niet aan de orde. - Industrielawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Onderhavig plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Onderhavig plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk.
Cumela Advies – Nijkerk
- 27 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
De feitelijke aard van de bedrijfsactiviteiten wijzigt per saldo niet. De verkeerintensiteit en de mate van handelingen op het terrein zullen – net name op het westelijke deel van het plangebied – toenemen c.q. wijzigen. De verkeersbewegingen van en naar de sport-/recreatieaccommodatie / bowlingcentrum De Stoep vervallen (exacte aantallen niet bekend, maar redelijkerwijs velen tientallen per etmaal). De verkeersafwikkeling vindt plaats richting de provinciale weg / Veerweg (N207). Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich geen geluidgevoelige objecten. Het wijzigen van de bestemming c.q. het vergroten van het bedrijfsoppervlakte in casu het inrichten van het terrein leiden redelijkerwijs niet tot een nadere akoestische toetsing. Ook wordt de afstand tot gevoelige objecten in de omgeving – relatief – niet kleiner (zelfs groter). Op basis van voormelde c.q. de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting of een negatieve invloed door geluid betreffende een (bestaand) goed woon- en leefklimaat. - Mobiliteit / verkeersaantrekkende werking Het onderdeel mobiliteit en verkeersaantrekkende werking is in beginsel verantwoord én derhalve rechtszeker op grond van de vigerende milieumelding. Er is sprake van een grondverzet- en transportbedrijf waarbij derden en klanten de locatie al vele decennia jaren aandoen of bezoeken.
Daarnaast komen leveranciers bijvoorbeeld producten of onderdelen brengen of stoffen ophalen. Het plangebied is onderdeel van een bedrijventerrein, welke ook als toegang gebruikt wordt voor omliggende sportverenigingen of recreanten. De verkeersaantrekkende werking van de sport-/recreatiecentrum welke voorheen gevestigd was op t’ Hooge Zand 1 (westelijk deel van plangebied) vervalt. Gerelateerd aan de ontwikkeling zal een (beperkt) deel van de verkeersbewegingen gerelateerd aan derden behouden blijven c.q. hiervoor in de plaats komen. Gebaseerd op de uitgangspunten van de vigerende milieumelding is in totaal rekening gehouden met circa 212 verkeersbewegingen per etmaal. Deze aantallen zijn voor het industrieterrein i.c. de Veerweg / N207 als (gebieds)ontsluitingsweg niet dusdanig dat dit zal leiden tot aanpassing van het wegennet of plaatsen van voorzieningen of dergelijke. De verkeersintensiteit op de ten westen van het plangebied gelegen N207 bedraagt 12.000 voertuigen per etmaal. Derhalve zijn de aantallen gerelateerd aan het plangebied relatief gering. Van een onevenredige verkeersaantrekkende werking is gezien de bestaande activiteiten, vanwege deze ontwikkeling, geen sprake. Binnen het plangebied zijn reeds afdoende aanwezige parkeerplaatsen voor het eigen materieel c.q. voertuigen aanwezig.
Extra parkeerplaatsen en parkeerplaatsen voor derden zijn voorzien en middels een specifieke aanduiding vastgelegd. Conclusie Het aspect geluid / mobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.2.4 Wet Natuurbescherming In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese- en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de bescherming van natuur. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. - Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Dit zijn de Natura 2000gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) - voorheen Ecologische Hoofdstructuur - is een samenhangend netwerk van bestaande - en nog te ontwikkelen - belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen
Cumela Advies – Nijkerk
- 28 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. Dit volgt uit het Barro (zie paragraaf 3.1.2). - Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden veroorzaakt aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling natuurwaarden i.r.t.
plangebied - Gebieds-/soortenbescherming Het plangebied ligt op het industrieterrein en op enige afstand (circa 3,5 km) van een natuurbeschermingsgebied, zijnde het Natura 2000-gebied Donkse Laagten (zie figuur 14). Op grotere afstand liggen gebieden zoals Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein (op circa 10 km ten noorden), Uiterwaarden Lek (op circa 8,5 km ten oosten), de Biesbosch (op circa 12 km ten zuiden) of Boezems Kinderdijk (op circa 10 km ten zuidwesten). In figuur 14 zijn de gebieden en afstanden weergegeven.
figuur 14: Ligging plangebied afstand tot Natura 2000-gebieden. AERIUS 2022
Cumela Advies – Nijkerk
- 29 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
In de omgeving van het plangebied (300 meter of meer) liggen gebieden welke op basis van de provinciale omgevingsverordening zijn aangewezen als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland. In figuur 15 zijn de NNNgebieden en het plangebied (zie aanwijzer) zichtbaar.
figuur 15: Ligging plangebied (aanwijzer) en NNN-gebieden Het plangebied is al vele jaren (decennia) in gebruik voor niet-agrarische doeleinden in de vorm van een bedrijfslocatie, verkeersvoorzieningen en deels als een sporthal / bowlingcentrum. Gezien de aard van de bebouwing, het gebruik en de wijze van inrichting zijn redelijkerwijs geen vaste broed- of verblijfplaatsen aanwezig, bekend of te verwachten. Voor het saneren en verwijderen van de sporthal / bowlingcentrum De Stoep is in het voorjaar van 2023 een daartoe strekkende vergunning aangevraagd en verleend door het bevoegd gezag. De sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd en afgerond. Er is sprake van een formele wijziging van de gebruiksmogelijkheden van de percelen ’t Hooge Zand 5 (inrichting is ongewijzigd) en ’t Hooge Zand 1 (bebouwing is gesaneerd, gebruik betreft verhard terrein tbv op-/overslag/stalling e.d.) ten behoeve van de activiteiten van het grondverzet- en transportbedrijf (de bestemming Bedrijf). Van het kappen van bomen is geen sprake. De kans dat er bij het reeds langdurige en thans voort te zetten gebruik van het terrein voor de activiteiten van het bedrijf sprake zal zijn van aantasting van vaste woon- en verblijfplaatsen van aanwezige flora- en fauna is nihil. Een nadere toetsing c.q. het uitvoeren van een quick-scan is dienaangaande niet nodig.
- Stikstof In navolging van het bepaalde in de Wnb dient voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling gemaakt te worden om te beoordelen of met zekerheid kan worden vastgesteld dat het plan of project de natuurwaarden niet aantast. Deze verplichting vloeit voort uit de Habitatrichtlijn. Door Nederland is dit toestemmingsregime geïmplementeerd in de Wnb. De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden is in figuur 14 weergegeven. Indien op voorhand in redelijkheid niet kan worden uitgesloten dat de aangevraagde (ruimtelijke) ontwikkeling zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde is bereikt,
Cumela Advies – Nijkerk
- 30 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
is een natuurvergunning nodig en dient een passende beoordeling te worden verricht (artikel 2.8, tweede lid, Wnb). De vergunning mag slechts worden verleend als uit de passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het project. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen (kunnen) worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan of project geen doorgang vinden. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd met de meest recente versie van AERIUS-calculator in relatie tot de gebruiksfase en de aanleg-/ontwikkelfase (inrichten terrein). De uitgangspunten van de berekening zijn gebaseerd op de beoogde situatie gerelateerd aan de (jaar-)capaciteit van de inrichting, waarbij voor de aantallen en inzet van machines of bijvoorbeeld verkeersbewegingen ook gebruik is gemaakt van de gegevens van het milieudossier c.q. de vigerende milieumelding. De volgende stikstof-veroorzakende bronnen zijn ingevoerd voor de beiden bedrijfsonderdelen.
De N-veroorzakende activiteiten betreffen primair de uitstoot van NOx in relatie tot het gebruik van dieselmotoren: • Verkeersbewegingen van zware- en lichte bronnen van de eigen bedrijfsonderdelen alsmede van derden à 52 weken / jaar, zoals tractoren, mobiele werktuigen, vrachtwagens, personen-/bedrijfsauto’s e.d. De rijlijnen zijn ingevoerd over het gehele terrein c.q. plangebied van en naar de Veerweg / N207. Dit kan als worst-case worden aangemerkt, aangezien niet alle bronnen / verkeersbewegingen over het gehele terrein plaatsvinden; • Inzet van shovel en graafmachine voor handelingen op terrein; • Inzet van diverse bewerkingsmachines (zeef, verkleiningsmachine, e.d.). De uitgangspunten zijn ingevoerd in de Aerius-calculator. De berekeningen van november 2023 inclusief voortoets stikstofdepositie zijn onderdeel van dit bestemmingsplan (bijlage 2). Uit de berekening(en) blijkt dat de (beoogde) Nveroorzakende activiteiten gerelateerd aan de totale ontwikkeling niet leidden tot een significante toename (> dan 0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie op een Natura 2000- gebied. Omdat zowel voor de gebruiks- als aanleg-/ontwikkelfase geen stikstofdepositie wordt berekend, is op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming geen natuurvergunning vereist.
Conclusie De aangevraagde ontwikkeling voldoet aan het soortenbeschermingsregime en het gebiedsbeschermingsregime dat is neergelegd in de Wet natuurbescherming. Overeenkomstig het bepaalde in de Wnb in relatie tot het aspect ‘stikstof’ is er voor deze ontwikkeling geen ontheffing of vergunning benodigd. Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.5 Luchtkwaliteit Op basis van de EU- richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10) en lood (Pb) in de lucht (Pb EG L163) dient Nederland de wettelijke luchtkwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen en tevens voor koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) vast te leggen. Het vorige Besluit Luchtkwaliteit 2005 is na de inwerkingtreding van de “Wet Luchtkwaliteit (Wlk)” vervallen. Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 5 Wet Milieubeheer (zie Staatsblad 2007, nr. 414, d.d. 30 oktober 2007). In artikel 5.16 Wm (lid 1) is opgenomen onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid.
De voorwaarden zijn: a) er is geen sprake van een feitelijke en dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) de concentratie van de betreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c) een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging; d) een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Cumela Advies – Nijkerk
- 31 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en bijbehorende Regeling is opgenomen wanneer ‘projecten’ geen aantoonbare gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het bestemmingsplan voorziet in diverse planologische ontwikkelingen. De bedrijfsactiviteiten ansich wijzigen in principe niet door deze ontwikkeling. Voor zover wijzigingen of autonome ontwikkeling een rol spelen, betreft het in dit kader met name verkeersbewegingen en inzet van (zware) bronnen op en nabij de inrichting in relatie tot de eigen activiteiten of van derden. Er is reeds sprake van bestaande activiteiten en een breed scala aan voertuigen en mobiele bronnen. De omvang van het machinepark zal ongeacht de beoogde ontwikkeling niet wezenlijk wijzigen.
Vanwege de toename van de opslag- en jaarcapaciteit wordt uitgegaan van een verdubbeling aan toename van verkeersbewegingen van mobiele bronnen ten opzichte van bestaand. Voor de bestaande- en beoogde bedrijfssituatie is in januari 2023 reeds een milieumelding op grond van het Activiteitenbesluit ingediend waarbij in totaliteit is uitgegaan is van 212 bewegingen per etmaal (lichte- en zware bronnen). Er vanuit gaande dat ‘de helft’ van deze bewegingen extra bewegingen betreft, is in de berekening via de NIBM-tool, een totaal van 106 bewegingen aangehouden. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
106
Extra verkeer als gevolg van het plan Aandeel vrachtverkeer 90,0% Maximale bijdrage extra verkeer
NO2 in μg/m3
1,10
3
0,08
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig figuur 16: berekening NIBM De NIBM-tool is een rekentool voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit. Hiermee is op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Aan de hand van de NIBM-tool is bezien of er gerelateerd aan aantal verkeersbewegingen c.q. de inzet van materieel (dieselmotoren) wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Gezien de inzet van ‘zware bronnen’, zoals landbouwtractoren, vrachtwagens, graafmachines, shovels, en dergelijke is dit aandeel als ‘vrachtverkeer’ aangehouden in de berekening (zie figuur 16). In deze toets is uitgegaan van een aandeel van 90% als ‘vrachtverkeer / zware bronnen’, hetgeen alreeds relatief hoog is en derhalve als ‘worst-case’ kan worden beschouwd. De blootstelling aan luchtverontreiniging door de inzet van het materieel en de activiteiten (laden, lossen, inzet van machines, e.d.) op het terrein is beperkt en leidt redelijkerwijs niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. opgemerkt
Cumela Advies – Nijkerk
- 32 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
wordt dat voorzien is / wordt in voorzieningen om stofverspreiding tegen te gaan. Op grond van de uitgevoerde ‘worstcase’ scenario waarbij in de berekening alle verkeersbewegingen zijn betrokken, blijkt dat er geen significante invloed is aangaande luchtkwaliteitseisen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is niet aan de orde (figuur 16). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.6 Water Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard.
figuur 17: Plangebied en relevante waterbelangen (bron: Legger) Rijksbeleid: Het rijksbeleid omtrent Water is beschreven in paragraaf 3.1.4 Nationaal Water Programma 2022-2027. Het beleid van het Hoogheemraadschap zelf is in onderstaand overzicht weergegeven.
Cumela Advies – Nijkerk
- 33 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Het beleid is als volgt:
Voor het plangebied c.q. deze ontwikkeling is reeds sprake van een (volledig) verharde oppervlakte (zie luchtfoto in figuur 17), waarbij tevens sprake is van bestaande inrichting qua riolering en waterafvoer. Door onderhavige ontwikkeling c.q. wijziging van de bestemming blijft dit feitelijk ongewijzigd. Waar mogelijk zal initiatiefnemer gebruik maken van waterdoorlatende verharding of – zoals langs de buitenrand – het terrein groen inrichting mede ten behoeve van waterbergend vermogen.
Cumela Advies – Nijkerk
- 34 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Er is geen sprake van een toename aan verhard oppervlakte, zodat een nadere toetsing ten aanzien van compenserende maatregelen niet aan de orde is. De verhardingstoename is conform de beleidsregels niet meer dan 500 m2 (i.c. nul), zodat sprake is van de ‘kwijtscheldingsregeling’. Aangezien er inzake de waterhuishoudkundige aspecten geen relevante wijzigingen van toepassing is, zijn de waterschapsbelangen niet in het geding. Onderstaand zijn een aantal aandachtspunten nader benoemd. Waterhuiskundige aspecten in relatie tot initiatief: Afkoppeling en waterberging : Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Gestreefd wordt naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden vermeden. Het hemelwater is zoveel als mogelijk afgekoppeld van het rioleringsstelsel en wordt afgevoerd naar omliggend oppervlaktewater.
Afvoer schoon- en vuilwater : In het kader van het bevorderen van het duurzaam omgaan met water is het beleid van de gemeente en het waterschap erop gericht om schoon hemelwater af te koppelen van het gemengde rioolstelsel (of niet aan te koppelen). Hemelwater dat van de daken af stroomt of van (schoon) terrein is aan te merken als schoon. Zuivering van dit water is dan ook niet noodzakelijk. Het (schone) hemelwater van de bedrijfsgebouwen en van de nieuwe oppervlakte aan verhardingen zal worden afgekoppeld en niet op de riolering worden aangesloten, maar via de bestaande watergangen (en nieuwe aan te leggen watergang) worden afgevoerd. Het vuilwater wordt gescheiden afgevoerd naar het riool.
Waterlopen : Rondom het plangebied zijn C-watergangen gesitueerd. Er is sprake van onderhoudsstroken waar rekening mee dient te worden gehouden (met name aan de westzijde). Door onderhavige ontwikkeling komen de bestaande- of nieuwe stroken niet in het geding en liggen buiten het plangebied.
Waterkwaliteit - Duurzaam waterbeheer : De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken, bijvoorbeeld bij het gebruik van maken van lood, koper of zink, dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen. Afvalwater van de huidige voorzieningen zoals de was- of tankplaats wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de bedrijfsriolering. Het water wordt opgevangen en via de rioolpersleiding afgevoerd. Voor zover relevant zijn nadere eisen opgenomen in de voor de inrichting van toepassing zijnde milieuregels, waarbij het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater als gevolg van bodembedreigende activiteiten voldoende verzekerd is. Vervuiling van grondwater is niet aan de orde.
Conclusie Aangaande het onderdeel waterhuishouding zijn afdoende maatregelen aanwezig / uitvoerbaar en in het plan opgenomen, zodat dit de uitvoering van dit plan niet hoeft te belemmeren. 4.2.7 Cultuurhistorie en archeologie In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Cumela Advies – Nijkerk
- 35 -
december 2023
Toelichting – ’t Hooge Zand 5 en 1 Bergambacht
Het plangebied is overeenkomstig de bepalingen uit het bestemmingsplan Dorpsgebied (2011) of het gemeentelijk archeologisch beleid gelegen in een gebied met specifieke bescherming van cultuurhistorische- of archeologische waarden. Conform de in 2016 vastgestelde waarden- en beleidskaart geldt voor het plangebied Waarde-Archeologie 5. Het plangebied behoudt de stedelijke functies alsmede de bouwmogelijkheden zodat nadere verantwoording inzake Archeologie voor het plangebied niet aan de orde is. De betreffende planregels inzake het aspect ‘Archeologie’ zijn in dit wijzigingsplan opgenomen. Van het oprichten van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 of het uitvoeren van grondwerken van meer dan 2.500 m2 en dieper als 1,5 meter onder maaiveld is geen sprake, zodat een nader onderzoek naar de aanwezigheid en behoud van archeologische waarden niet aan de orde is. Conclusie Het archeologisch beleid is vertaald in de regels van het bestemmingsplan. Ten aanzien van archeologie zijn in dit bestemmingsplan in relatie tot het plangebied regels opgenomen voor archeologie, waarbij één of meer van de genoemde uitzonderingen van toepassing zijn. Het onderdeel ‘archeologie en cultuurhistorie’ staat uitvoering van het plan niet in de weg.
Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.2.8 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (stb. 250, 2004) wordt een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (artikel 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen mobiele of stationaire bronnen.
Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van transportleidingen met gevaarlijke stoffen of risicovolle inrichtingen. Een nadere toetsing of verantwoording aangaande mogelijke gevolgen voor het groepsrisico is derhalve niet aan de orde. Eveneens zij opgemerkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van de personendichtheid binnen het plangebied en de bestaande bebouwing. Aangezien er op de bedrijfslocatie geen gevaarlijke stoffen worden gehanteerd, geproduceerd of opgeslagen behoeft het plaatsgebonden risico niet nader verantwoord te worden. In de omgeving van Bergambacht vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor of door buisleidingen plaats. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat over de N210 en N207 (N478) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De PR 10-6 risicocontour van deze wegen bedraagt 0 m. Voor de N210 bedraagt de PR 10-8 -risicocontour – indicatief voor het invloedsgebied voor het GR - 100 m. Voor de N207, vanaf de rotonde overgaand in de N478, bedraagt de PR 10-8 -risicocontour 17 m. Voor zover betrekking hebbende op de Veerweg / N478 is de afstand van de grens van het plangebied tot de Veerweg / N478 circa 20 meter, zodat het plangebied niet binnen de risicocontour valt. Door de ontwikkeling neemt de persoonsdichtheid (sporthal) en daarmee het groepsrisico aanzienlijk af.
Het treffen van specifieke maatregelen is niet benodigd.
Cumela Advies – Nijkerk