1.8 Bijlage 3 Eindrapportage monitoring Proeftuin 2017-2021.pdf
Tekst van het document
Hij vond zelf dat hij er onvoldoende in geslaagd was het draagvlak voor de proeftuin verder te ontwikkelen. Verder wilde hij door op te stappen rust creëren in het programma. De meeste stuurgroepleden betreuren deze beslissing, al geeft een deel ook aan dat zijn profiel als landbouwvernieuwer zijn functioneren als onafhankelijk voorzitter mogelijk in de weg stond. De belangrijkste aanleiding voor de veranderingen in de samenstelling van de stuurgroep was de brief aan de Proeftuin van de verschillende agrarische organisaties (17 januari 2020). Hierin werd het gevoel geuit dat er te weinig waardering zou zijn voor de huidige agrarische sector en dat de Proeftuin zich te veel richtte op projecten die niet tot concrete agrarische structuurversterking leidden en op vernatting van de gehele Krimpenerwaard. Bij verschillende betrokkenen ontstond zelfs het beeld dat de ontevredenheid zo groot was dat men “nog liever de hele Proeftuin wilde opblazen, omdat men de intenties achter de Proeftuin niet vertrouwde”. Daarnaast was ook het waterschap ontevreden over het feit dat men geen zitting had in de stuurgroep.
Een medewerker van het waterschap: “Ik denk zelf, als we eerder betrokken waren geweest, dan had ik ze kunnen behoeden voor de schade en schande die ondervonden is in de interactie met de agrarische sector.” Het gebrek aan betrokkenheid van lokale vertegenwoordigers in de stuurgroep wordt door geïnterviewden vaak genoemd als een reden voor de onvrede: doordat zij (bewust) op enige afstand gehouden waren, voelden zij zich niet betrokken en vertegenwoordigd. Daarnaast werd er gesteld dat kritische geluiden vanuit de expertgroep onvoldoende werden opgevangen en dat er op programmaniveau meer ‘over’ dan ‘met’
24 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
boeren werd gepraat. De onrust kan ook niet los worden gezien van landelijke discussies. Zo speelde de stikstofcrisis met bijbehorende boerenprotesten een grote rol. Daar kwam nog bij dat de toenmalige directeur van het Louis Bolk Instituut een prominente rol speelde in het publieke debat over stikstof en landbouw. Dit alles leidde bij veel boeren tot een dieper gevoel van onzekerheid over de toekomst en een gevoel van onvrede over de (politieke) gang van zaken. Ook had de gemeente inmiddels besloten om over te gaan op onteigening om natuurgebieden in de noordrand van de Krimpenerwaard te realiseren – iets dat verzet onder boeren in het gebied opriep. Verder werd de Proeftuin geassocieerd met het traject van het college van Rijksadviseurs (College van Rijksadviseurs, 2020) met daarin aandacht voor vernatting van de landbouwgebieden in de Krimpenerwaard, en het Panorama Krimpenerwaard (Van Rooy, 2018). Met de beslissing om de gebiedspartijen nu wel toe te laten tot de stuurgroep werd de angel een beetje uit het conflict met de landbouw gehaald. De meeste leden van de stuurgroep (en de betreffende gebiedspartijen) vinden het achteraf een vergissing om niet vanaf de start de gebiedspartijen meer te betrekken bij de Proeftuin, bijvoorbeeld door hen vanaf de start zitting te laten nemen in de stuurgroep.
Mede hierdoor is er vanuit de Proeftuin te weinig gewerkt aan het vinden van draagvlak en initiatieven vanuit het gebied zelf. “Dat heeft zich later ook wel gewroken, dat er betrekkelijk weinig is geïnvesteerd in het opbouwen van draagvlak.” En: “Misschien hadden we bij aanvang toch meer energie moeten stoppen in het gesprek met de voormannen om draagvlak te krijgen.” Toch is niet iedereen het hiermee eens. Zo geven sommigen aan dat het juist goed was om te starten zonder gebiedspartijen, omdat het hierdoor ook mogelijk was om juist te focussen op innovatieve projecten die anders nooit van de grond waren gekomen. Dat dit ook heeft geleid tot een conflict met de landbouworganisaties was vanuit deze visie ook onvermijdelijk en heeft ook een functie gehad in het ‘in beweging krijgen van het gebied’. Hierbij speelt ook de gedachte een rol dat de echt innovatieve projecten zonder de huidige aanpak anders nooit van de grond waren gekomen.
3.4
Focus op innovatieve projecten
De Proeftuin is vooral gestart vanuit de ambitie om te werken aan innovaties en de beweging naar adaptieve landbouw. Naast deze focus op innovatie waren veel projecten ook sterk gericht op onderzoek en minder op praktische adviezen voor agrarische bedrijven. In de beginfase lag mede hierdoor ook minder de nadruk op de wensen vanuit de bestaande landbouwbedrijven. “De Proeftuin is natuurlijk in essentie in eerste instantie gericht op de voorlopers. Maar om die grotere groep positiever te krijgen, is er behoefte aan projecten die ook voor hen toepasbaar zijn.” Bij de start van de Proeftuin is het overgrote deel van het beschikbare budget al toegekend aan specifieke projecten en experimenten. Dit had ook te maken met het feit dat de projecten allemaal 50% cofinanciering moesten inbrengen. Dit zorgde ervoor dat de onderzoekers de Proeftuinprojecten veelal koppelden aan bestaande onderzoeks- en innovatietrajecten (waarvan de financiering geregeld was). Hierdoor kwam ook in de Proeftuinprojecten veel nadruk te liggen op onderzoek doen. Bovendien zijn deze onderzoeksprogramma’s meestal meerjarig, waardoor het ook noodzakelijk werd om de budgetten vanuit de Proeftuin voor langere tijd vast te leggen. Het gevolg van deze focus op innovatie en het vastleggen van het overgrote deel van het beschikbare budget was dat er later ook financieel weinig ruimte was voor nieuwe projecten.
Hierdoor was er eveneens weinig ruimte voor concrete en meer praktische projecten vanuit het gebied. Daarbij geven sommigen aan dat er in de eerste jaren ook nauwelijks voorstellen vanuit het gebied kwamen. Voor het agenderen van de eerste lichting projecten kwamen er vooral veel ideeën vanuit de stuurgroep en betrokken onderzoekers, en was er weinig inbreng/input vanuit het gebied. Meningen over het waarom verschillen: “qua innovatie kwamen er geen ideeën [uit het gebied]” (lid stuurgroep); of: “signalen die wij lieten horen, werden weinig opgepakt. Het gebied zat ook niet in de Stuurgroep, dat gaf de meeste frictie” (vertegenwoordiger lokale agrarische organisatie). Volgens gebiedspartijen waren er – bijvoorbeeld vanuit de expertgroep – wel degelijk ideeën voor projecten vanuit het gebied, maar kwamen de voorstellen niet op het juiste niveau (bijvoorbeeld bij
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 25
stuurgroep) terecht of werden ze daar uiteindelijk niet meegenomen in de jaarplannen. Daarbij heeft hoogstwaarschijnlijk ook een rol gespeeld dat in de beginfase de focus sterk lag op adaptieve landbouw en innovatie, waardoor veel initiatieven of ideeën vanuit het gebied ook niet goed pasten binnen dit frame, omdat de focus van de initiatieven vanuit het gebied meer lag op de praktische verbetering van de huidige bedrijfsvoering en minder op innovatie en onderzoek. Onder invloed van het genoemde conflict is de stuurgroep vanaf 2020 meer de nadruk gaan leggen op projecten die moesten aansluiten op de wensen van de bestaande landbouwbedrijven. Hierdoor kwam er binnen de Proeftuin meer ruimte voor projecten die beter passen bij de bestaande agrarische bedrijfsvoering (zoals het project ‘Minder druk, meer lucht’, over bandenspanning) of werd de aanpak van bestaande projecten (zoals ‘Mijn Koers’) in deze richting verlegd (zie ook H4). Dit heeft ertoe geleid dat het gevoel van een ‘mismatch’ met wat er leeft in het gebied is afgenomen. Bij de keuze om nieuwe projecten te starten, was het vastleggen van de budgetten in langjarige innovatieen onderzoeksprojecten een knelpunt. De oplossing werd gezocht in het stopzetten van een aantal lopende projecten, waardoor budget voor nieuwe projecten vrijkwam.
Daarnaast heeft de gemeente ook cofinanciering kunnen regelen via een bijdrage vanuit de regiodeal bodemdaling Groene Hart. Hierdoor kwam ook meer ruimte voor niet-onderzoeksprojecten en dus ook meer speelruimte voor nieuwe projecten in de Proeftuin. Projecten als Mijn Koers en projecten vanuit het gebied kregen zo ook meer ruimte. In deze projecten lag minder de focus op innovatie richting adaptieve landbouw en verschoof de focus naar het in beweging krijgen van de bestaande landbouwbedrijven in het gebied. Achteraf zijn de meeste betrokkenen het erover eens dat een innovatief traject als de Proeftuin Trots op Krimpenerwaard, ook ruimte moet laten voor initiatieven vanuit het gebied, ook als deze misschien minder innovatief zijn. Dit is belangrijk voor het draagvlak voor de gehele Proeftuin en levert ook meer concrete handelingsperspectieven voor de reguliere landbouwbedrijven. Bovendien maakt ruimte voor nieuwe projecten en initiatieven de Proeftuin zelf flexibeler om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en wensen vanuit het gebied. Toch is er ook in de stuurgroep wel kritiek op de huidige koerswijzigingen en nieuwe projecten, omdat de focus op innovatie hiermee een beetje is verlaten, terwijl deze innovaties volgens sommigen wel nodig zijn om met de toekomstige uitdagingen die op het gebied afkomen, om te gaan. Een van de stuurgroepleden: “Het is niet meer hetzelfde.
De energie en het lef om nieuwe dingen te bespreken en op te pakken zijn weg, er is nu een soort vangrail, geen gekke dingen meer. De huidige voorstellen liggen dichter op de huidige praktijk van de boeren. Hiermee ga je het verschil niet maken.”
3.5
Communicatie over de Proeftuin
Communicatie over de (tussen)resultaten en ervaringen met de Proeftuin is een belangrijk onderdeel geweest van de Proeftuin. Daarbij geldt dat de Proeftuin op zichzelf ook al een communicatieve functie heeft. Juist door innovatieve projecten in het gebied zelf te laten zien, wordt het letterlijk ook zichtbaar voor de agrariërs en inwoners van het gebied zelf. Mede om die reden is al vrij snel bij de start van de Proeftuin op een strategische en zichtbare locatie in het gebied een aantal proefpercelen met natte teelten aangelegd. Doel hiervan was om de nieuwsgierigheid over dit soort nieuwe ontwikkelingen te prikkelen en het gesprek op gang te brengen. Deze vorm van communicatie heeft ook zeker iets losgemaakt in het gebied, al was de reactie vanuit het gebied niet uitsluitend positief. Het heeft namelijk ook bijgedragen aan irritatie en weerstand vanuit het gebied.
26 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Figuur 3.1
Proefpercelen met natte teelten in de Krimpenerwaard (Bron Bas Breman).
Ook binnen projecten en proeven speelde communicatie een belangrijke rol om deelnemers te werven voor deze projecten en de resultaten vanuit de projecten breder te verspreiden. Ook wanneer deze strikt genomen minder innovatief waren, zoals het project over onderwaterdrainage/’Adaptief watermanagement’, waar landelijk gezien al de nodige ervaring mee bestaat. Vanuit het gebied bestond hiervoor veel belangstelling, onder andere vanuit de verwachting dat dit project bij kan dragen aan het remmen van bodemdaling en CO2-uitstoot. Het ‘in de etalage zetten’ van dit soort projecten droeg bij aan de belangstelling voor wat er in de Proeftuin gebeurde en ook aan het imago van de Proeftuin.
Figuur 3.2
Uitleg over onderwaterdrainage in de Krimpenerwaard (gebiedsexcursie d.d. 10 juni 2021)
(Bron Bas Breman).
De communicatie vanuit de Proeftuin heeft zich vooral gericht op de agrarische ondernemers in de Krimpenerwaard. Hiervoor zijn verschillende methoden en kanalen ingezet. Zo werden er vanuit de verschillende projecten diverse bijeenkomsten en informatieavonden georganiseerd. Ook zijn er vanuit de Proeftuin nieuwsbrieven, filmpjes, blogs en artikelen verspreid. Er zijn echter ook andere, innovatieve communicatiemethoden toegepast. Een voorbeeld is de kleiloterij, waarin via een loting een lading klei ter beschikking werd gesteld voor deelname aan het project ‘Klei op veen’ (zie verder hoofdstuk 4). Een andere vorm om de kennis en ervaringen onder agrarische ondernemers te verspreiden, waren de bijeenkomsten van ‘Tour de Boer’. Hiermee kon een groep agrariërs bij verschillende projecten of experimenten vanuit de Proeftuin gaan kijken. Deze bijeenkomsten sloegen goed aan in het gebied en werden volgens betrokkenen over het algemeen goed bezocht. Hierbij moeten we wel opmerken dat een aantal van de geplande bijeenkomsten in 2020 en 2021 niet door kon gaan vanwege de coronabeperkingen. Ook was de communicatie in het begin van de Proeftuin nog lastiger, omdat de nadruk toen nog sterker lag op
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 27
innovatieve projecten en onderzoek. Dit staat relatief ver af van de bestaande praktijk en bood nog weinig concrete aanknopingspunten voor verbeteringen op bedrijfsniveau. Daarnaast was er ook aandacht voor de communicatie naar bestuurders en volksvertegenwoordigers vanuit de gemeente Krimpenerwaard, de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap. Over het algemeen was de belangstelling voor deze bijeenkomsten groot en ook de reacties waren positief. Dit was ook belangrijk om ook echt resultaten te kunnen laten zien van de Proeftuin, bijvoorbeeld aan de gemeenteraadsleden en daarmee het draagvlak voor de Proeftuin bij deze overheden te versterken. Verder was het voor sommige volksvertegenwoordigers met een meer stedelijke achtergrond een goede introductie in de praktijk van adaptieve landbouw. Via de website en de speciale Krimpenerwaardekrant is tevens gecommuniceerd richting alle inwoners van de Krimpenerwaard. De Krimpenerwaardekrant is drie keer verschenen en verspreid onder 38.000 adressen in de Krimpenerwaard. In deze krant werden ervaringen vanuit de Proeftuinprojecten, en soms ook gelijksoortige projecten, onder de aandacht gebracht. Ondanks dat de grote aandacht voor communicatie als een succesfactor kan worden gezien, gingen er soms ook dingen mis. Een voorbeeld was het eerdergenoemde boekje ‘Kies je eigen koers’.
Dit boekje visualiseerde negen perspectieven voor de landbouw in de Krimpenerwaard. Deze perspectieven, of combinaties daarvan, waren bedoeld als inspiratie voor individuele ondernemers en diende ook als aftrap voor het project ‘Mijn Koers’. Bij een aantal agrariërs viel dit boekje slecht, met name door de nadruk – in een van de negen perspectieven – op natte teelten en hogere waterstanden (inclusief een plaatje met een koe met grote voeten). Ook de optie om nieuwe verdienmodellen te baseren op een plaagsoort als de rivierkreeft viel een aantal ondernemers rauw op het dak. Een van de ondernemers: “Het is een exoot, die schadelijk is en die moet je bestrijden. (…) Vanuit nuchter verstand ga je zo’n probleem (rivierkreeften, red.) niet als iets positiefs framen.” Sommige schetsen uit het boekje (een koe aan een ballonnetje) gingen daarmee een eigen leven leiden. In overleg met lokale organisaties werd al snel besloten om het boekje voorlopig niet verder te verspreiden, maar om onduidelijke redenen werd het boekje iets later toch aan boeren uitgedeeld bij een bijeenkomst. Dat was voor sommigen de druppel die de emmer deed overlopen. Los van de ervaringen met het boekje ‘Kies je eigen Koers’ heeft de communicatie in en over de Proeftuin over het algemeen bijgedragen aan een positieve beeldvorming rondom de projecten en de Proeftuin.
Dit wordt onder andere geïllustreerd in de film die is gemaakt over de ervaringen van de deelnemers in het project ‘Mijn Koers’ (https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/mijnkoers/).
3.6
Reflexieve monitoring
In de Proeftuin is bewust gekozen om de monitoring reflexief op te zetten. Dat betekent dat het onderzoek ook zoekend was opgezet, waarin de onderzoekers actief participeerden in verschillende bijeenkomsten zoals de stuurgroep, tussentijds gesprekken voerden met directbetrokkenen bij de Proeftuin en uit het gebied en hun observaties en analyses actief terugkoppelden in de stuurgroep om hiermee het leerproces in de Proeftuin te versterken. Reflexieve monitoring wijkt af van meer klassieke monitoring op vooraf opgestelde doelen en indicatoren. Deze vorm van monitoring riep in eerste instantie nog wel wat vragen op bij een aantal stuurgroepleden, zowel wat betreft de aanpak als de bijkomende kosten. “Ik dacht wel in het begin, wat gaan we nou doen en hoe gaan we werken? En is het nodig om daar een behoorlijk kapitaal in te investeren?” Met name bij de programmatrekker bestond in eerste instantie ook wel wat argwaan ten aanzien van de monitoring (“gaat dit in de weg zitten?”) en aanvankelijk leidde de monitoring ook wel tot wat spanning in de stuurgroep, onder andere door de vragen die werden gesteld bij de insteek van het programma, bijvoorbeeld met betrekking tot de precieze doelgroep van de Proeftuin (pioniers of ‘gemiddelde’ boeren). Gaandeweg echter groeide het vertrouwen in de monitoring en werden mensen steeds positiever.
Hierdoor konden de analyses en de duiding vanuit de monitoring ook bijdragen aan het denkproces in de stuurgroep.
28 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Enkele stuurgroepleden: “Gaandeweg heb ik veel geleerd van die monitoring” en “De monitoring zorgde ervoor dat er vragen werden gesteld en af ten toe ook bijgesteld werd, dat heeft echt wel geholpen.” Achteraf constateren mensen ook dat een kwantitatieve monitoring niet had gewerkt: “Dan ben je alleen bezig met het net op te halen.” De meeste mensen constateren dat een vorm van reflexieve monitoring goed paste bij dit meer open proces waarin innovatie en transitie centraal staan en zijn meerdere stuurgroepleden ook van mening dat het in veel meer processen van toegevoegde waarde zou zijn. “We hebben nooit aandacht voor wat zo’n project nou doet in de samenleving. Dus moet je zo’n monitoringsproject doen, wat is het effect van het programma, daar oog voor krijgen. Dat vind ik heel fascinerend. De softe kant van het project vind ik in die zin bijna fascinerender dan de inhoud. Dat zoiets niet altijd maakbaar is.” Wel wordt vanuit de stuurgroep nog een aantal punten benoemd die vanuit de monitoring meer aandacht hadden kunnen krijgen, zoals: • Meer expliciete reflectie op de rol en de taakverdeling van de adviseurs en de onderzoekers in het proces. • Scherper reflecteren op het (niet) functioneren van de expertgroep, inclusief mogelijke aanbevelingen voor een andere rol. • Meer aandacht voor het proces van de proeftuin in het gebied.
Aanvankelijk was de monitoring (te) sterk naar binnen gericht, op het proces in de Proeftuin zelf. Zo geeft de gemeente aan: “(Als gemeente) waren we ook vooral geïnteresseerd in hoe het daarbuiten ging. Hoe gaat het in die hoofden van de boeren, gebeurt daar wat? Dat is later wel meer gebeurd.”
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 29
4
Ervaringen vanuit de projecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we in op de ervaringen met de projecten in de Proeftuin Krimpenerwaard, vooral vanuit het perspectief van projectleiders/onderzoekers en deelnemers. Voor deze analyse hebben we eerst een theoretische clustering gemaakt van projecten. Dit hebben we gedaan op basis van twee indelingscriteria, namelijk: 1.
De oorsprong van projecten – Hierin maken we onderscheid tussen projecten die meer van bovenaf (vanuit de proeftuin en bijbehorende onderzoeks- of innovatiebehoeften) zijn geformuleerd en projecten die meer vanuit het gebied en individuele agrariërs zijn geformuleerd.
2.
Het type agrarische bedrijfsvoering – Hierin maken we onderscheid tussen projecten die uitgaan van een transitie naar innovatieve/nieuwe bedrijfsvormen zoals kringlooplandbouw of natuurinclusieve landbouw en projecten die de bestaande agrarische bedrijfsvoering (lees: reguliere melkveehouderij) als uitgangspunt nemen.
Dit leidt tot de volgende typologie (zie Figuur 4.1). Deze typologie is ideaaltypisch. Dat wil zeggen dat de meeste projecten ergens tussenin zijn te plaatsen. Bovendien is een aantal projecten qua positionering in de loop van de Proeftuin wat opgeschoven. Daarnaast zijn er in de loop van de Proeftuin ook nog enkele projecten gestart die waren gericht op kennisontwikkeling bij gemeenteambtenaren, zoals het project ‘Zon in de Krimpenerwaard en ‘Adaptieve denktank en beeldbank’.
Figuur 4.1
Typologie van projecten uit de Proeftuin (met een aantal voorbeeldprojecten).
30 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
In de typologie hebben we de volgende vier clusters onderscheiden: 1.
Projecten vanuit bestaande bedrijfssystemen en van bovenaf geformuleerd – Deze projecten zijn voornamelijk vanuit de Proeftuin (van bovenaf) aangedragen en zijn in theorie inpasbaar in de bestaande bedrijfssystemen binnen de Krimpenerwaard. In paragraaf 4.2 gaan we in op de projecten ‘Adaptief watermanagement’, ‘Kleiverrijking met veen’ (ook: ‘Klei op veen’) en ‘Weidebuffet met kruiden’.
2.
Projecten voorbij bestaande bedrijfssystemen en van bovenaf geformuleerd – Deze projecten zijn ook vanuit de Proeftuin geagendeerd, maar gaan uit van een transitie naar een ander bedrijfssysteem. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om andere teelten dan gras en/of andere koeien die passen bij andere vormen van bedrijfsvoering zoals beschreven in het boekje ‘Kies je koers’ (100% gras voeren, biologisch boeren, zorg/recreatieboerderij, boeren onder natte(re) omstandigheden). In paragraaf 4.3 gaan we in op de projecten ‘Natte teelten’ en ‘Passende koe’.
3.
Projecten vanuit bestaande bedrijfssystemen een aangedragen vanuit het gebied – In de praktijk zijn dit vooral projecten die na 2020 zijn gestart, zoals ‘Energierijk gewas’ en ‘Duurzame kavelpaden’. Het project ‘Mijn Koers’, dat aanvankelijk is gepositioneerd in het midden van de figuur, kan uiteindelijk ook tot dit cluster worden gerekend, omdat de initiatieven vanuit dit project voornamelijk uitgaan van de bestaande bedrijfssystemen en de wensen van lokale ondernemers. Vanwege de recente opstart van deze projecten hebben we ons in de verdere analyse van dit cluster beperkt tot het project ‘Mijn Koers’ (paragraaf 4.4).
4.
Projecten voorbij bestaande bedrijfssystemen en aangedragen vanuit het gebied – Dit cluster bevat eigenlijk nauwelijks projecten, omdat veel ideeën vanuit het gebied vooral uitgaan van bestaande bedrijfssystemen. Uitzondering is een inmiddels afgerond experiment waarin is geprobeerd om laagwaardige biomassastromen om te zetten in eiwitten via de larven van de Zwarte Soldaatvlieg (‘Krimpenerwaardemakers’). De conclusie van dit experiment was dat laagwaardige biomassastromen daarvoor niet geschikt zijn. Dit cluster wordt in dit hoofdstuk niet verder besproken.
Bij de analyse van de projecten is – voor zover relevant – gekeken naar zowel de technische, de economische, de maatschappelijke en de regeltechnische aspecten van de betreffende projecten (Van den Broek et al., 2020).
4.2
Projecten voorbij bestaande bedrijfssystemen
Bij dit cluster projecten gaat het om innovatieve projecten die meer van bovenaf zijn geformuleerd en dus niet zozeer uit het gebied zelf voortkomen. Verder staan deze projecten (althans bij aanvang) vrij ver af van de gangbare bedrijfsvoering van de boeren in de Krimpenerwaard. Specifiek hebben we gekeken naar de projecten natte teelten en passende koe. Natte teelten Het project ‘Natte teelten’ is al gestart in 2017. Bij één boer in de Krimpenerwaard zijn op verschillende veldjes van 50m2 proeven gedaan met natte teelten als lisdodde, riet, wilg, duck potatoes en wilde rijst. Het doel van dit experiment was om de mogelijkheden te verkennen om bij hogere waterstanden toch een verdienmodel voor boeren te ontwikkelen. Hogere waterstanden in het veenweidegebied kunnen een belangrijke rol spelen bij het tegengaan van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen. De achterliggende gedachte was dit soort natte teelten onder andere zouden kunnen worden ingezet in het natte deel van het natuurnetwerk. Naast deze natte teelten loopt er ook nog een initiatief van een andere ondernemer in het gebied met biologisch geteelde cranberries (in het natuurnetwerk).
Dit initiatief maakt strikt gesproken geen deel uit van de Proeftuin, maar is mede doordat hier bijvoorbeeld expliciet aandacht is besteed in de Krimpenerwaardekrant door sommigen toch gezien als Proeftuinproject (Proeftuin Krimpenerwaard 2020b). Uit het experiment met de natte teelten komen eigenlijk alleen lisdodde en riet naar voren als een mogelijke optie. De overige proeven zijn om verschillende redenen (nog) niet gelukt. Zo werden de duck potatoes opgegeten door eenden en andere vogels. Het knelpunt bij lisdodde is (vooralsnog) echter het verdienmodel. Voor de afzet is mogelijk wel belangstelling van een bouwondernemer uit Friesland, die het wil gebruiken voor isolatiemateriaal. Het knelpunt zit echter in de oogst, die vooralsnog handmatig moet plaatsvinden. Daarmee is het volgens de betrokken ondernemer (nog?) geen realistisch verdienmodel voor de boeren in de
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 31
Krimpenerwaard. Verder groeit lisdodde het best bij een waterstand van +20 cm, terwijl voor het voorkomen van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen een waterstand van -20 cm ideaal is. Gedurende het traject is ook een alternatieve toepassing van lisdodden verkend. Dit betreft de mogelijke functie van lisdodden bij het uitmijnen van landbouwgrond. In de praktijk wordt landbouwgrond nu veelal afgegraven of afgeplagd om zodoende natuurontwikkeling mogelijk te maken. Dit is echter duur, brengt ook weer CO2-uitstoot met zich mee en valt bovendien slecht bij de boeren in het gebied (omdat het onomkeerbaar is). Naar de mogelijkheden van lisdodden in het natuurbeheer ten opzichte van uitmijnen via extensief graslandbeheer of afgraven/plaggen, wordt op een ander bedrijf in de Krimpenerwaard inmiddels onderzoek gedaan. De definitieve resultaten van deze proef zijn nog niet bekend, maar de eerste indruk is wel dat uitmijnen met lisdodden in de praktijk nog niet zo eenvoudig is. Zoals aangegeven, liggen natte teelten moeilijk in het gebied vanwege de weerstand tegen (nog) hogere waterpeilen en de wens van de boeren om vast te houden aan graslandbeheer en koeien. Mede om deze reden is het project ook geframed als experiment. In de eerste jaren is vrij veel over de natte teelten gecommuniceerd vanuit de Proeftuin. Zo is het betrokken perceel ook bezocht vanuit ‘Tour de boer’.
Daarnaast lagen de proefpercelen op een zichtbare plek, vlak naast een fietspad (zie ook par. 3.3.4). Hierdoor kreeg de betrokken ondernemer ook veel vragen van collega-boeren, inwoners en toeristen. Na het genoemde conflict (2020) is vanuit de Proeftuin minder gecommuniceerd over natte teelten en lag meer de nadruk op projecten die meer aansloten bij de bestaande bedrijfsvoering. In verschillende gesprekken zijn het project ‘Natte teelten’ en het initiatief met de cranberries genoemd als voorbeelden van projecten die te ver afstaan van de wensen en behoeften van de boeren uit de Krimpenerwaard. Daarbij ontstond bij sommigen zelfs de indruk dat de aandacht voor natte teelten zelfs onderdeel zou zijn van een ‘verborgen agenda’ om het gebied nog verder te vernatten. Volgens de projectleider natte teelten was dit beeld onterecht, omdat het project vooral gericht was op de gebieden die al nat waren of zouden worden (het Natuurnetwerk) en niet op verdere vernatting. De pilot natte teelten heeft onderzoeksmatig veel nieuwe inzichten opgeleverd over de mogelijkheden om bepaalde gewassen te verbouwen. Zo was de bodem (klei met veen) onder de proef in de Krimpenerwaard ook weer anders dan bij de experimenten met lisdodde in Zegveld. Het experiment heeft echter vooralsnog geen directe belangstelling bij agrariërs opgeleverd om zelf lisdodden te gaan verbouwen.
Ook de betrokken ondernemer gaf aan dit zelf nooit (serieus) te hebben overwogen. Wel geven betrokkenen aan dat het project ondernemers aan het denken heeft gezet. Zo is een ondernemer inmiddels bezig met een andere, nieuwe teelt (miscanthus) dat vergelijkbare eigenschappen als de lisdodde heeft. Hij wil dit gebruiken als strooisel in zijn stal. Een van de stuurgroepleden: “Ook als het Lisdodde- of Cranberry-project oplevert dat een boer denkt ‘maar ik wil gewoon koeien’, dan is dat ook de start van een denkproces en heeft het effect gehad.” Passende koe In het project ‘Passende koe’ staat de koe centraal. De gedachte was om te gaan kijken welke koe het best past bij de veranderende omstandigheden, waaronder klimaatverandering. Aanvankelijk wilde men kijken naar verschillende bedrijfstypen die voor de toekomst voor de hand lagen voor de Krimpenerwaard. Dat was heel breed: zuivel met toegevoegde waarde, biologisch of 100% gras-gevoerd, lokaal/regionaal, recreatie & zorg of hogere waterstand. Vanuit de stuurgroep is aangedragen om ook te kijken naar bedrijfstypen met een hoger grondwaterpeil. Maar qua bedrijfstypen en koeien mocht het breed zijn. Eind 2019/begin 2020 zijn vanuit dit project een tweetal bijeenkomsten geweest in het gebied met als doel om het project op te starten.
Op de tweede bijeenkomst bleek dat het project leidde tot verwarring en ook boosheid onder een deel van de veehouders. Het idee ontstond dat het project vooral gericht was op een hoger waterpeil en nieuwe koeienrassen. In dezelfde periode verscheen ook het boekje ‘Kies je eigen koers’ met inspirerende voorbeelden met onder andere het plaatje van ‘een koe met grote voeten’. Ook startte toen het project met de rijksadviseurs en waren er boerenprotesten in Den Haag. Mede door deze ophef is de opzet van het project wat veranderd en meer gericht op de wensen en de bestaande bedrijfsvoering van een deel van de huidige veehouders in de Krimpenerwaard. Daarmee is de
32 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
oorspronkelijke gedachte om meerdere bedrijfstypen en andere koeienrassen mee te nemen, losgelaten. De focus is verlegd naar bedrijven die sterk gericht zijn op het voeren van gras vanuit het eigen bedrijf en op de vraag welke van de al aanwezige koeien op deze bedrijven daarbij het best passen. Het feit dat deze bedrijven vooral met eigen gras werken en bijvoorbeeld nauwelijks/geen mais voeren, is misschien minder innovatief dan boeren met hogere waterstanden, maar past goed bij de Krimpenerwaard, zowel nu als in de toekomst. Het past ook sterk in de gedachte van kringlooplandbouw. Uiteindelijk zijn twee bedrijven geselecteerd op basis van kringloopwijzergegevens en uitgenodigd om mee te doen aan dit project. In beide bedrijven wordt gewerkt met Holsteins. Een van deze bedrijven werkt vooral met weidegang (laat de koeien zo veel mogelijk het gras zelf ophalen) en het andere werkt met weidegang aangevuld met vers gras voeren in de stal (laat de koeien kiezen tussen vers gras in de wei of op stal). In het project worden gedetailleerde metingen aan individuele koeien gedaan (via sensoren) en wordt een aantal koeien ook regelmatig individueel door een dierenarts beoordeeld op gezondheid. Ook is gekeken naar de economische aspecten (koesaldo) en de productie. Op beide bedrijven wordt van alle koeien geregistreerd wanneer de koeien zich naar buiten of binnen verplaatsen.
Op een van de bedrijven kan met de ‘smartgate’ bepaald worden dat koeien pas naar binnen mogen als ze weer aan de beurt zijn om te melken. Dit alles moet de veehouder in staat stellen om te bepalen welke koe het best past bij veel gras eten en wat deze koe nodig heeft om zo goed mogelijk te functioneren (= gezond blijven, goed produceren en weinig kosten). Een van de deelnemers geeft wel aan zich erover te hebben verbaasd dat de bedrijfseconomische gevolgen aanvankelijk niet mee waren genomen in de onderzoekaanpak. Hij heeft ervoor gepleit om dit wel mee te nemen, omdat het saldo van kosten en opbrengsten voor een boer juist cruciaal is. Hij vraagt zich ook wel af waar de vraagstelling van het onderzoek vandaan komt. Mede vanwege de ophef bij de start zijn de deelnemers en onderzoekers nog wel wat voorzichtig met het delen van tussenresultaten door middel van bijeenkomsten met andere boeren. De bijeenkomsten met andere boeren zullen pas plaatsvinden als alle metingen zijn gedaan en de uitkomsten van het onderzoek uitgebreid met de twee deelnemers zijn besproken. De gedachte is dat er een soort dashboard wordt gevormd waarmee de veehouder voor zijn bedrijfssituatie kan zien welke koeien met welke kenmerken daarbij het best passen. Dit kan helpen bij het nemen van beslissingen m.b.t. stierkeuze, al dan niet vers gras voeren op stal of het inzetten op nog meer weidegang.
De projectleider is tevreden over de keuze voor dit bedrijfstype. Er blijken binnen het gekozen bedrijfstype en ras nog aardig wat verschillen in bedrijfsvoering en tussen de koeien. “Ik leer er zelf ook veel van. Over waarom veehouders bepaalde keuzes maken en over verschillen tussen koeien. De gebruikte onderzoeksopzet kan ook op bedrijven met andere rassen worden gebruikt. Wat dat betreft is ras minder belangrijk dan soms gedacht wordt.” Analyse Het is duidelijk dat er in dit cluster projecten spanning bestaat tussen de wensen vanuit de agrariërs uit het gebied en de aanvankelijke focus op innovatie vanuit de Proeftuin. Het project ‘Natte teelten’ was net zo omstreden als het project ‘Passende koe’. Het is veel eerder van start gegaan, namelijk voor het moment dat de maatschappelijk onrust vanuit het gebied tegen de innovatieve projecten vanuit de Proeftuin nog niet heel uitgesproken was. Het was een van de pre-proeftuinprojecten. Het project ‘Passende koe’ ging pas van start toen deze onrust al actief was geworden en is daardoor ook van koers veranderd. Hierdoor werd het project misschien minder innovatief, maar is de kans dat de resultaten – die nog niet bekend zijn – bruikbaar zijn voor de huidige agrariërs in de Krimpenerwaard, wel groter geworden.
Een waardevolle aanpassing is dat het ‘koesaldo’ (de kosten en opbrengsten per individuele koe) in dit project oorspronkelijk geen selectiekenmerk was voor koeien, maar naar een idee van een van de deelnemers alsnog wordt meegenomen. Het project ‘Natte teelten’ is misschien minder direct bruikbaar, maar heeft mogelijk een aantal ondernemers wel aan het denken gezet over de eigen bedrijfsvoering. Ten slotte zien we dat communicatie over de meer innovatieve projecten lastiger wordt voor met name deelnemers, in een omgeving waarin weerstand is tegen bepaalde veranderingen. Hiermee wordt het ook lastiger om van deze projecten te kunnen leren.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 33
4.3
Projecten vanuit bestaande bedrijfssystemen, van bovenaf geformuleerd
Bij het cluster ‘projecten dichter bij de bestaande praktijk’ gaat het om projecten waarbij de dagelijkse praktijk van melkveehouderij in het gebied veelal het startpunt vormt en die van bovenaf tot stand zijn gekomen. In deze paragraaf is specifiek gekeken naar de projecten ‘Adaptief watermanagement’ (onderwaterdrainage), ‘Veenverrijking met klei’ (klei op veen) en ‘Weidebuffet met kruiden’ (kruidenrijk grasland). Dit zijn alle drie projecten die (met eventuele voorgangers meegerekend) al sinds 2018 lopen. Wel zijn het alle drie projecten die ‘van bovenaf’ zijn bedacht en waarvan de oorsprong niet in het gebied zelf ligt. Adaptief watermanagement Het project ‘Adaptief watermanagement’ komt voort uit een pre-Proeftuinproject rondom onderwaterdrainage in Vlist. Een belangrijk doel van het inzetten van deze vorm van drainage is om bodemdaling door veenoxidatie tegen te gaan en zo ook de uitstoot van CO2 door het veen te beperken. In droge perioden kan door toepassing van onderwaterdrainage het slootwater tot in het midden van de percelen infiltreren, waardoor de bodem minder uitdroogt, het veen minder inklinkt en er dus minder bodemdaling plaatsvindt. In natte perioden kan het systeem juist bijdragen aan betere ontwatering, waardoor de draagkracht van een perceel toeneemt en de lengte van het weideseizoen kan worden verlengd met minder verliezen door vertrapping.
In de beginperiode van de Proeftuin waren er bij twee ondernemers in de Krimpenerwaard onderwaterdrainagesystemen aangelegd. Mede dankzij de Proeftuin zijn er daarna bij aanzienlijk meer ondernemers onderwaterdrainagesystemen aangelegd. In het deelgebied Vlist doet nu in totaal zo’n 25 boeren ervaring op met deze systemen (‘op 2 na alle boeren in het (deel)gebied’), waardoor er zo’n 350 ha gedraineerd wordt. Bovendien zijn middelen uit de Proeftuin ook gebruikt om de reeds opgebouwde meetreeksen in Vlist te verlengen. Budgettair maakt het project geen groot deel uit van de Proeftuin, omdat veel van de (voor)financiering al vanuit andere middelen was geregeld (onder andere via PPP Agro en Advies). Hoewel de activiteiten in Vlist in eerste instantie formeel niet binnen de Proeftuin vielen, is deze proef in de communicatie bewust wel meegenomen, omdat het om dezelfde drainagesystemen gaat. Veel boeren in het gebied kijken positief naar het idee van onderwaterdrainage: het wordt gezien als een oplossing voor de bodemdaling in De Krimpenerwaard en biedt ook perspectief, omdat het veelal goed inpasbaar is in de bedrijfsvoering. Een peiling vanuit het project onder 50 boeren laat zien dat zo’n 60% interesse heeft, dat 10% het niks vindt en dat zo’n 30% nog even de kat uit de boom wil kijken als het gaat om onderwaterdrainage (Proeftuin Krimpenerwaard, 2021b).
Toch zijn er hier ook wel kritische geluiden. Naar aanleiding van de proef op 350 ha in Vlist sprak een lokale agrariër: “Ga iets niet grootschalig uitrollen voordat het beproefd is. Dat vind ik bijvoorbeeld van die onderwaterdrainage, al kunnen wij het op het moment krijgen zonder dat we ervoor hoeven te betalen, dan zeg ik nog ‘nee’. Ze moeten mij nog maar eens aan gaan tonen waar de winst zit.” De meetreeksen die nu zijn opgebouwd, laten inmiddels wel zien dat op percelen waar onderwaterdrainage wordt toegepast, er de afgelopen jaren minder fluctuatie in waterstanden was. In andere woorden: het water kwam bij droogte minder laag te staan en in natte perioden staat het wat minder hoog. In technisch opzicht wordt de proef daarmee door veel betrokkenen als een ‘succes’ gezien, waarbij de betrokken onderzoekers en adviseurs verwachten dat het kan leiden tot een reductie in de bodemdaling van zo’n 50%. Vanuit de provincie wordt gesteld: “Dat het in veel situaties helpt, die onderwaterdrainage, dat is helder. Zeker als je er dan ook nog actieve drainage van maakt. Die grasmat is in de zomer dan echt een stuk natter dan wanneer je dat niet doet.” Ook vanuit het waterschap is men inmiddels best positief over de mogelijkheden die onderwaterdrainage kan bieden, ook in het kader van het CO2-vraagstuk.
Een bij dit project betrokken adviseur concludeert over onderwaterdrainage: “Het project heeft inmiddels zijn werk gedaan.” De inhoudelijke bevindingen zijn volgens hem redelijk duidelijk op technisch vlak en ook het animo onder boeren is zichtbaar. Wel resteert nog de vraag wat het ecologische effect van onderwaterdrainage is – bijvoorbeeld ten aanzien van weidevogels. Dit is een aspect dat pas later in beeld is gekomen en de resultaten op dit vlak zijn nog niet helemaal helder: sommigen verwachten dat het positief
34 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
kan uitpakken, terwijl anderen kritisch zijn. Wel is het zo dat in ieder geval een van de ondernemers de onderwaterdrainage nu ook inzet om gunstige condities voor weidevogels te stimuleren door het grasland nat te houden. Een grote vraag die nog resteert, is ook of onderwaterdrainage wel economisch haalbaar is vanuit het verdienmodel van de boer. In de Proeftuin en in Vlist is de aanleg van drains gesubsidieerd, maar onderwaterdrainage vereist in principe zo’n 2500 tot 2800 euro per ha aan investeringskosten voor de aanleg. Peilgestuurde drainage vraagt ook veel water en dat roept de vraag op hoe dit op grote schaal kan in het gebied. Verder kunnen boeren het ook gebruiken om het land snel droog te krijgen en zo extra te beweiden, wat beoogde effecten kan verkleinen. Het gedrag van boeren blijkt dus ook een belangrijke factor. Veenverrijking met klei Het project ‘veenverrijking met klei’ (ook wel: klei op veen) kijkt naar de mogelijkheden om klei in de veenbodem aan te brengen en op die manier de bodemdaling en CO2-uitstoot door veengrond te beperken. Doordat kleideeltjes zich in de bodem binden aan organische stof uit het veen, verlopen de afbraakprocessen van dit veen trager. Vanuit de theorie en literatuur was er al het nodige bekend over deze principes, maar er waren nog twijfels of dit ook in de praktijk kon en wat het effect daarvan zou zijn.
Om deze reden is in 2018 begonnen met een proef waarin zowel in het lab als in de Krimpenerwaard is gekeken naar de resultaten die kunnen worden behaald met het inmengen van klei op veengrond. In deze proeven zijn verschillende soorten klei, die als opbrengst van o.a. baggerwerkzaamheden zijn verkregen, opgebracht op veengrond. Deze klei vermengt zich vervolgens gedurende de tijd met de veenbodem. Het project is (in termen van de aandacht en aantal deelnemers) redelijk ‘klein’ begonnen, maar door de jaren heen steeds meer gegroeid in aantallen deelnemers en ook in de aandacht die er voor het project was. “Klei op veen, het wordt opgepikt, maar het is ook dat er door de resultaten en wat we doen, daar haken mensen op in. Je krijgt een wisselwerking tussen communicatie en resultaten, het wordt bekend, maar mensen gaan er ook voor staan.” Nadat er oorspronkelijk op één bedrijf is begonnen, werden er via een ‘kleiloterij’ nieuwe deelnemers geworven en sloten vier boeren zich aan bij het experiment. Hoewel er nog zorgen zijn rondom de logistiek (veel transportbewegingen) en vragen spelen rondom de beste wijze van inbrengen op het land, zijn de inhoudelijke resultaten in technische zin veelbelovend. Afhankelijk van het gebruikte kleimengsel lijkt een reductie in bodemdaling van tot wel 50% haalbaar te zijn (Van Agtmaal et al., 2020).
Er blijven nog wel wat vragen over bijvoorbeeld de langetermijneffecten en de vraag of en hoe vaak herhaling van het inbrengen van de klei nodig zal zijn. Vervolgonderzoek naar de kosten en baten vindt momenteel plaats, want ook hier liggen nog vragen. De verwachting van diverse betrokkenen is bovendien dat een combi van klei op veen met onderwaterdrainage de bodemdaling nog verder kan reduceren, maar over de combinatie van deze maatregelen en het effect hiervan is ook nog geen exacte duidelijkheid. Het geluid rondom dit project lijkt vrijwel unaniem positief te zijn. Boeren geven aan dat dit iets is waar ze mee aan de slag kunnen: “Klei op veen is een goed voorbeeld van ‘vertrekken vanuit de praktijk’: boeren die zien dat en die snappen het ook.” Wel concludeert een boer “dat er nog maar weinig boeren écht van profiteren”: er moest worden geloot wie er in aanmerking kwamen voor het aanbrengen van extra klei, wat voor veel extra aandacht en publiciteit zorgde, maar ook betekende dat niet alle geïnteresseerde boeren konden deelnemen aan deze proef. Vanuit de gemeente wordt gesteld: “Klei op veen was wel een topproject. Dat heeft echt wel perspectief richting de toekomst.
Ook als maatregel tegen CO2 en bodemdaling.” Een andere betrokkene vanuit de gemeente geeft aan: “Als ik nu kijk qua bodemdalingsmaatregelen, [denk ik] dat we een deel van een oplossingsstrategie hebben dat draagvlak heeft bij waterschap en sector, het lijkt te gaan werken”. Binnen de Regiodeal Bodemdaling Groene Hart is geld vrijgemaakt om het project ook na de Proeftuin voort te zetten. Het project wordt als inhoudelijk vernieuwend gezien en vanuit de Krimpenerwaard heeft het principe van klei op veen inmiddels ook de aandacht van andere regio’s getrokken. Het project heeft inmiddels navolging in Friesland gevonden en ook vanuit Noord-Holland is men al komen kijken of de principes van klei op veen in deze provincie kunnen worden toegepast. Daarmee heeft het oorspronkelijke experiment bij één lokale ondernemer inmiddels een flinke vlucht genomen en lijkt het in positieve zin een belangrijke bijdrage te leveren aan de beeldvorming van de Proeftuin. Hierbij wordt ook de communicatieve en verbindende rol van de betrokken onderzoekers en adviseurs geprezen door diverse respondenten.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 35
Weidebuffet met kruiden Het project ‘Weidebuffet met kruiden’ kijkt naar de mogelijkheden om kruiden op te nemen in graspercelen binnen (vooral) de melkveehouderij. Het idee is dat dit goed is voor weidevogels en biodiversiteit, de gezondheid van de bodem bevordert, de uitspoeling van stikstof tegengaat en de droogtetolerantie van het perceel vergroot. Ook kan het bijdragen aan een verhoging van het eiwitgehalte van het gewas en de gezondheid van de koe. Bij boeren op verschillende locaties in de Krimpenerwaard zijn als onderdeel van dit project kruidenmengsels ingezaaid om te kijken of het lukt om deze kruiden te integreren in het bestaande grasland. Daarbij betreft het andere mengsels van kruiden dan in NNN-gebied. Het betreft in veel gevallen nog steeds graslanden in intensieve productie, alhoewel er ook is geëxperimenteerd met extensieve mengsels – iets wat als onderdeel van het ANLb als financieel haalbaar wordt gezien. Het project maakt al vanaf begin 2018 deel uit van de Proeftuin en heeft daarbij steeds op een behoorlijke belangstelling van boeren en partijen buiten de agrarische sector (zoals bestuurders) kunnen rekenen. Uiteindelijk waren er zestien deelnemers vanuit de Krimpenerwaard (Proeftuin Krimpenerwaard, 2021c; 2021d).
Landelijk “wordt kruidenrijk grasland als een item gezien” (lid stuurgroep) en de Proeftuin geeft diverse boeren een kans op hier mee te experimenteren – iets waar ook de nodige animo voor was. Al redelijk vroeg was er een groep van ruim tien boeren die deelnam en die ook samen een studiegroep vormden om over hun ervaringen te praten. Vanuit het programmateam werd al snel geconcludeerd: “daar zit energie”. Een betrokken onderzoeker geeft aan: “kruiden, daar is meer aandacht voor, dat is meer sexy.” Toch zegt een betrokken boer ook wel van collega’s te horen dat ze het onzin vinden: “houd dat onkruid maar lekker bij je!” De uitwisseling in de studiegroep die voor dit project is opgezet, wordt als zeer positief ervaren. Er is een actieve, betrokken groep boeren ontstaan die rondom dit thema samenwerkt, kennis uitwisselt en daarin van elkaar leert. Ook rondom het project gebeuren er de nodige dingen: “mensen ontwikkelen eigen machines voor doorzaaien van kruiden op veen, leveranciers gaan er meer op inspelen.” Ook ontstond er samenwerking met Agrarische Natuurvereniging De Weidehof in het kader van vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer. Bestuurders (vanuit gemeente, provincie en waterschap) zien Kruidenrijk als een positieve, kansrijke ontwikkeling voor de voortgang van de melkveehouderij in de Krimpenerwaard.
“Dat zit dicht tegen de huidige bedrijfsvoering aan, dan blijf je wel melken.” De resultaten van deze proef zijn in de ogen van een betrokkene nog niet zo heel zwart-wit te framen: “We zien de moeilijkheden, maar we zien ook de positieve aspecten.” Werken met kruiden blijkt in de praktijk nog niet eenvoudig in de Krimpenerwaard: kruidenrijk grasland brengt op veen extra uitdagingen met zich mee. Het hoge stikstofgehalte en de lage PH maken dat het voor kruiden lastig is om zich tussen het gras te vestigen. In de (droge) zomers van 2018-2020 “is er ook veel mislukt”. Uit de proeven werd duidelijk dat kruidenrijk grasland kan helpen om het rantsoen te verrijken en dat de eiwitopbrengst hoger is. Ook kan het op maatschappelijke aandacht rekenen vanwege de bijdrage aan biodiversiteit. Het vergt echter meer management in onkruidbeheersing, de zaaimengsels zijn relatief duur en de kruiden vestigen zich niet overal even succesvol. Een betrokken agrariër concludeert: “Voor mij is het geen succes. De koeien vinden het niet lekker.” De verwachting van betrokken onderzoekers en adviseurs is dat sommige boeren na de Proeftuin door zullen gaan met kruidenrijk grasland en dat anderen er weer mee zullen stoppen.
Diverse betrokkenen bij de Proeftuin leggen daarbij de link met Topline en PlanetProof, marktontwikkelingen waarbinnen kruidenrijk grasland goed past en die voor een extra beloning op dit vlak zouden kunnen zorgen.
36 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Figuur 4.2
Bijeenkomst project ‘Weidebuffet met kruiden’ (Bron Pedro Janssen).
Analyse In algemene zin kunnen deze projecten op redelijk wat draagvlak/enthousiasme rekenen bij veel boeren in de Krimpenerwaard, omdat ze redelijk goed aansluiten bij de huidige bedrijfsvoering (gras en koeien). Bij alle drie de projecten is daarbij zichtbaar dat de interesse van boeren en buitenstaanders door de tijd heen toenam, waarbij het ‘succes’ in proeven rondom klei op veen en onderwaterdrainage (de vastgestelde verminderde bodemdaling in de proeven) ook aansprak en bijdroeg aan een positief sentiment. Van onderwaterdrainage en kruidenrijk grasland zou je kunnen zeggen dat het in Nederland niet zo heel innovatief meer is (m.u.v. de combi van onderwaterdrainage en weidevogelbeheer), maar beide projecten hebben wel bijgedragen aan het gesprek hierover in de Krimpenerwaard. Hoewel er op het oog veel support is voor de projecten in dit cluster, wordt toch ook wel duidelijk dat er links en rechts ook weerstand is of wat nuances mogelijk zijn. Aan de grootschalige toepassing van onderwaterdrainage bij Vlist wordt door sommigen getwijfeld (kun je niet beter klein beginnen?) en de geluiden rondom het kruidenrijke grasland zijn wat meer wisselend.
Kruidenrijk grasland lijkt op het eerste gezicht misschien goed toepasbaar binnen de melkveehouderij en wordt vanuit de buitenwereld als een belangrijk project gezien, maar past niet bij alle boeren/deelnemers aan de Proeftuin even goed in de bedrijfsvoering en staat daarmee wellicht toch iets verder van de bestaande praktijk af. Bovendien blijkt het nog best een uitdaging om dit op veen succesvol te doen. Er zijn in de Krimpenerwaard ook boeren die de kruiden zien als ‘onkruid’ en er niet mee aan de slag willen. Het project ‘Veenverrijking met klei’ wordt nu als een succes gezien, maar betrokken onderzoekers en adviseurs benadrukken wel dat enige voorzichtigheid nodig blijft, omdat nog niet helemaal duidelijk is welke resultaten op de lange termijn bereikt kunnen worden en onder welke voorwaarden dit kan. Een lokale ondernemer sprak de hoop uit om met de combinatie van onderwaterdrainage en klei op veen “tot in de eeuwigheid” te kunnen blijven boeren in de Krimpenerwaard. Dat beide projecten bijdragen aan een vermindering van bodemdaling lijkt duidelijk, maar of hiermee ook aan huidige en toekomstige beleidsdoelstellingen kan worden voldaan, is momenteel onzeker. Beide maatregelen vragen ook de nodige investeringen die naar de toekomst toe remmend zouden kunnen werken als er op enig moment toch
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 37
aanvullende maatregelen nodig zijn. De vraag die wel eens gesteld wordt, is of dit vormen van adaptieve landbouw zijn of dat je met het beïnvloeden van het waterpeil en kleigehalte in de bodem (en trouwens ook met het kruidengehalte in het gras) toch nog in het controlemodel zit. De meningen daarover verschillen, maar duidelijk is wel dat alle drie de projecten uit dit cluster een (redelijk) brede groep aan boeren aanspreken.
4.4
Mijn Koers
Naast de eerder beschreven clusters hebben we in deze evaluatie ook specifiek ingezoomd op het project ‘Mijn Koers’. In deze overweging speelde mee dat dit project als een wat andersoortig project pas in de loop van het programma aan de Proeftuin is toegevoegd en dat de meeste mensen die we hebben gesproken, aangeven dat dit project een belangrijke rol in de Proeftuin heeft gespeeld. De eerste ideeën voor een dergelijk project in de Proeftuin dateren van medio 2019. Op dat moment, nadat de Proeftuin ongeveer een jaar liep, was er sprake van een verschuiving in de aandacht van de Proeftuin van hoofdzakelijk technisch-inhoudelijke projecten naar ook meer sociaal-maatschappelijke aspecten. Een eerste opzet van het project, toen nog onder de naam ‘Adaptieve landbouw in beweging’, is besproken in de stuurgroep van juli 2019. In de maanden daarna is dat idee aangepast en eind 2019 lag er een uitgewerkt projectidee, inclusief een concreet programma voor het project ‘Mijn Koers’. De insteek van ‘Mijn Koers’ was om in kleine groepen van 5 tot 7 ondernemers, onder begeleiding, in een aantal bijeenkomsten na te denken over de keuzes voor de toekomst. Voor ieder traject stond ongeveer een halfjaar. Naast deze gezamenlijke bijeenkomsten organiseren de deelnemers ook zelf nog een-op-een reflectie met collega-ondernemers en andere partners uit hun netwerk, zoals erfbetreders.
Het voornaamste doel van ‘Mijn Koers’ was om ondernemers uit de Krimpenerwaard te stimuleren om zelf te ontdekken/bepalen wat bij hen past, welk ondernemersperspectief daarbij hoort en om dit te toetsen bij mensen in hun omgeving, om vervolgens op basis daarvan een plan met concrete acties en stappen uit te werken om zo ook daadwerkelijk dat doel te bereiken. Zoals benoemd in de uitnodiging: “Mijn Koers betekent keuzes maken. Een actiegericht programma, bedoeld voor ondernemers die zichzelf en hun toekomst serieus nemen, stappen durven zetten en zelf aan het roer willen blijven staan.” In de aanvankelijke opzet was ook het idee dat vanuit het project ‘Mijn Koers’ een directe verbinding gelegd zou kunnen worden met de reeds lopende projecten uit de Proeftuin. Gaandeweg bleek echter ook dat voor veel van de deelnemers deze projecten nog vrij ver van hen af stonden en dat de eigen interesse veelal bij andere onderwerpen lag. In de loop van het traject van ‘Mijn Koers’ is er dan ook niet meer direct gestuurd op een koppeling met de lopende projecten. Het project van ‘Mijn Koers’ stond dus eigenlijk net in de steigers en de eerste deelnemers waren ook al benaderd op het moment dat vanuit de Agrarische Structuurcommissie Krimpenerwaard het verzet tegen de Proeftuin werd uitgesproken.
Het was een groot voordeel dat de eerste groep van ‘Mijn Koers’ in deze periode snel opgestart kon worden, omdat hiermee ook aantoonbaar kon worden ingespeeld op de roep vanuit de sector om beter aan te sluiten op de wensen en ideeën vanuit het gebied zelf. De komst van corona en bijbehorende (eerste) lockdown zorgden vervolgens wel weer voor enige vertraging, omdat de oorspronkelijke opzet van ‘Mijn Koers’ zich minder goed leende voor onlinebijeenkomsten. Uiteindelijk is deze eerste ronde van ‘Mijn Koers’ toch via een combinatie van digitale en livebijeenkomsten in het najaar van 2020 afgerond. Kort daarop is ook een tweede groep opgestart en begin 2021 nog een derde groep. Hoewel de opzet in grote lijnen steeds hetzelfde was, kende iedere groep toch ook zijn eigen dynamiek, deels ook bepaald door de deelnemers zelf en de wisselende begeleiders. Met name de tweede groep werd omschreven als een heel hechte groep met een grote intrinsieke motivatie. Van het traject van deze groep is ook een film gemaakt die gepresenteerd is in een gebiedsbijeenkomst op 8 juli 2021 en online is terug te vinden op de website van de Proeftuin. In de tweede en derde groep van ‘Mijn Koers’ is ook het contact met de expertgroep aangehaald door regelmatig themasessies te organiseren met, onder andere, deskundigen uit de expertgroep.
38 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Volgens de begeleiders van de Proeftuin zijn er van de 24 deelnemers die in totaal aan de eerste drie groepen van ‘Mijn Koers’ hebben deelgenomen “zo’n 10 die (medio 2021) echt zijn waar ze zouden moeten zijn”.
Figuur 4.3
(Slot)bijeenkomst ‘Mijn Koers’ (groep 2) (Bron Proeftuin Krimpenerwaard).
Na afronding van de eerste drie ‘Mijn Koers’-trajecten is vanuit de Proeftuin gekozen voor een wat andere opzet voor het vervolg. Op basis van de behoeften van ondernemers (onder andere uit de voorgaande Mijn Koers-groepen) en kijkend naar de Krimpenerwaard als gebied zijn daarbij drie thema’s gekozen waar vervolgtrajecten aan opgehangen kunnen worden. Het thema ‘Korte ketens Markt en Merk’ is gericht op het verkennen van de (on)mogelijkheden van korte ketens in de Krimpenerwaard en de mogelijkheden tot samenwerking. In het thema ‘Biologische landbouw’ wordt verkend of en hoe meer ondernemers uit de Krimpenerwaard in gezamenlijkheid de overstap naar biologisch zouden kunnen maken. En in het thema ‘Mijn koers en gebiedsprocessen’ zal worden gekeken of ondernemers op gebiedsniveau proactief een gezamenlijke koers kunnen ontwikkelen om in te spelen op de gebiedsprocessen, waar aan de slag wordt gegaan met de doelstellingen rondom klimaat en CO2. De meeste betrokkenen bij de Proeftuin laten zich positief uit over het ‘Mijn Koers’-project en vinden dat dit echt van toegevoegde waarde is geweest voor de Proeftuin. Toch zijn er ook een paar kritische kanttekeningen.
De eerste daarvan is dat ‘Mijn Koers’ eigenlijk een valse start kende doordat in een van de eerste bijeenkomsten met groep 1 het boekje met toekomstbeelden op tafel kwam, wat kort daarvoor juist voor zoveel onrust en weerstand had gezorgd. Een ander punt dat wordt genoemd, is dat het project ‘Mijn Koers’ een beetje los is komen te staan van de andere projecten uit de Proeftuin. Dat hangt samen met het feit dat de ideeën waar de deelnemers uit ‘Mijn Koers’ mee komen, over het algemeen van een wat andere aard zijn dan de ideeën waar de Proeftuin in eerste instantie zelf mee kwam. Zo kwamen er vanuit de ‘Mijn Koers’-trajecten bijvoorbeeld regelmatig vragen over de marketing van (streek)producten en het organiseren van korte ketens. Dat waren onderwerpen waar tot op dat moment in de Proeftuin niet echt aandacht aan werd besteed.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 39
Tot slot worden hier en daar ook nog wel vraagtekens geplaatst of ‘Mijn Koers’ ook echt leidt tot verandering. “Er zijn boeren met Mijn Koers aan de slag gegaan, dat vind ik op zichzelf positief. Maar ik vermoed nog steeds een ‘ik-kijk-wel-wat-het-wordt-houding’, die beweging is er nog niet echt.” Uit de ervaringen met het ‘Mijn Koers’-project volgt ook een aantal aanbevelingen. De eerste is om een volgende gebiedsprojecten- en processen direct al vanaf het begin met een ‘Mijn Koers-achtig’ project te starten, juist ook om in gesprek te komen/blijven met het gebied. Het tweede dat het project ‘Mijn Koers nog’ wel erg ‘mijn’ of ‘ik’ gericht is en dat het goed zou zijn om het in te steken als ‘Onze Koers’. “Ik denk dat de boeren het niet zonder de omgeving kunnen. Het gaat niet om hun koers, maar de koers van het bedrijf in de omgeving. Wat ik vooral van belang vind, is dat ze in een gesprek over hun koers die omgeving nadrukkelijk betrekken. Dan bedoel ik niet alleen de keten, ook de fysieke omgeving. De directe buren. Ze moeten de dorpen in de Krimpenerwaard achter hun bedrijf krijgen, dat het een bedrijf van de gemeenschap wordt.”
40 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
5
Beweging in en om de Proeftuin
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we in op de beweging in en rondom de Proeftuin. Bij de start van de Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ ligt de nadruk op het concept van adaptieve landbouw en was de Proeftuin vooral gericht op het in gang brengen van een beweging in deze richting. De Proeftuin wilde dit doen door in verschillende projecten, samen met boeren en andere betrokkenen uit het gebied, te verkennen of en hoe adaptieve landbouw kan bijdragen aan een toekomstperspectief voor de landbouw in de Krimpenerwaard. In paragraaf 5.2 gaan we in op de vraag in hoeverre deze beoogde beweging eind 2021 is gerealiseerd. Vervolgens trekken we deze vraagstelling breder en kijken we achtereenvolgens ook naar de invloed van de beweging in de omgeving van de Proeftuin (par. 5.3) en de beweging die de Proeftuin de afgelopen jaren zelf heeft gemaakt (par. 5.4).
5.2
Beweging van de landbouw in de Krimpenerwaard
Op basis van onze analyse kunnen we constateren dat de Proeftuin een zekere beweging in de landbouwsector in de Krimpenerwaard op gang heeft gebracht. Het is echter ook nog te vroeg om de zeggen in hoeverre dit ook een beweging richting adaptieve landbouw is. De gerealiseerde beweging heeft volgens betrokkenen vooral betrekking op het individueel en collectief nadenken over de toekomstige ontwikkelingen op bedrijfs- en gebiedsniveau. Deze beweging is op verschillende manieren ook zichtbaar. Ten eerste in de groeiende deelname van agrariërs aan projecten vanuit de Proeftuin. Aan het begin stonden niet alle agrarische ondernemers direct ‘te dringen’ om deel te nemen aan de Proeftuin. Veel ondernemers reageren in eerste instantie terughoudend en de deelname vanuit de agrarische sector komt in de ogen van sommigen wat schoorvoetend op gang. Bij een aantal projecten kost het de nodige moeite om deelnemers te vinden en ten tijde van het conflict (begin 2020) dreigt de Proeftuin zelfs even helemaal vast te lopen. Toch ontstaat er na dit conflict ook meer aandacht en ruimte voor de ideeën en wensen vanuit de sector. Ook diverse nieuwe projecten (waaronder ‘Mijn Koers’) dragen bij aan nieuwe energie en nieuwe deelnemers aan de projecten.