1.8 Bijlage 3 Eindrapportage monitoring Proeftuin 2017-2021.pdf
Tekst van het document
De kronkelige wegen naar adaptieve landbouw Evaluatie Proeftuin Krimpenerwaard
Bas Breman, Wiebren Kuindersma en Thomas Mattijssen
De kronkelige wegen naar adaptieve landbouw Evaluatie Proeftuin Krimpenerwaard
Bas Breman1, Wiebren Kuindersma1 en Thomas Mattijssen2
1 Wageningen Environmental Research 2 Wageningen Economic Research
Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Environmental Research en Wageningen Economic Research en gefinancierd vanuit de Proeftuin Krimpenerwaard.
Wageningen Environmental Research Wageningen, februari 2022
Gereviewd door: Carlijn Savelkous, Wageningen Economic Research ) Akkoord voor publicatie: Corine van As, teamleider team regionale ontwikkeling en ruimtegebruik,
Rapport 3149
Wageningen Environmental Research
ISSN 1566-7197
Breman, B.C., W. Kuindersma, T. Mattijssen, 2022. De kronkelige wegen naar adaptieve landbouw; Evaluatie Proeftuin Krimpenerwaard. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3149. 58 blz.; 10 fig.; 1 tab.; 20 ref. De Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ (2018-2022) had als doelstelling om in de Krimpenerwaard een beweging naar adaptieve landbouw op gang te brengen. De Proeftuin is gemonitord en geëvalueerd middels een proces van reflexieve monitoring. De belangrijkste bevindingen zijn gebundeld in dit rapport. Uit de evaluatie blijkt dat de Proeftuin heeft bijgedragen aan een voorzichtige beweging binnen de landbouw in het gebied. Deze beweging is echter nog kwetsbaar en niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Om aansluiting te houden bij het gebied, heeft de Proeftuin zichzelf ook adaptief moeten tonen en tussentijds een aantal aanpassingen in de organisatiestructuur en projecten doorgevoerd. Dit was een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van de Proeftuin, maar het is voor een deel ook ten koste gegaan van het innovatieve karakter. Dit leidt onder andere tot de vraag of de ingezette beweging voldoende is om in te spelen op de grote opgaven die op het gebied afkomen. Trefwoorden: Proeftuin, Krimpenerwaard, Adaptieve Landbouw, Innovatie, Reflexieve Monitoring, Gebiedsgericht beleid, Veenweide, Bodemdaling
Dit rapport is gratis te downloaden van https://doi.org/10.18174/564280 of op www.wur.nl/environmentalresearch (ga naar ‘Wageningen Environmental Research’ in de grijze balk onderaan). Wageningen Environmental Research verstrekt geen gedrukte exemplaren van rapporten. 2022 Wageningen Environmental Research (instituut binnen de rechtspersoon Stichting Wageningen Research), Postbus 47, 6700 AA Wageningen, T 0317 48 07 00, www.wur.nl/environmental-research. Wageningen Environmental Research is onderdeel van Wageningen University & Research. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van deze uitgave is toegestaan mits met duidelijke bronvermelding. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor commerciële doeleinden en/of geldelijk gewin. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor die gedeelten van deze uitgave waarvan duidelijk is dat de auteursrechten liggen bij derden en/of zijn voorbehouden. Wageningen Environmental Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Wageningen Environmental Research werkt sinds 2003 met een ISO 9001 gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem. In 2006 heeft Wageningen Environmental Research een milieuzorgsysteem geïmplementeerd, gecertificeerd volgens de norm ISO 14001. Wageningen Environmental Research geeft via ISO 26000 invulling aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149 | ISSN 1566-7197 Foto omslag: Bron VIC – Veenweide Innovatiecentrum
Inhoud
1
2
3
4
5
6
Inleiding
14
1.1
Achtergrond
14
1.2
Organisatie van de Proeftuin
14
1.3
Reflexieve monitoring
15
1.4
Vraagstelling
16
1.5
Onderzoeksmethoden
16
1.6
Leeswijzer
17
Procesbeschrijving
18
2.1
Inleiding
18
2.2
Aanleiding voor de Proeftuin
18
2.3
De start van de Proeftuin
19
2.4
Richtingenstrijd binnen de proeftuin
20
2.5
Proeftuin in rustiger vaarwater
21
2.6
Vervolg van de Proeftuin in gebiedsprocessen
21
Sturing van de Proeftuin
23
3.1
Inleiding
23
3.2
Voortrekkersrol van de gemeente
23
3.3
Samenstelling stuurgroep en relatie met expertgroep
24
3.4
Focus op innovatieve projecten
25
3.5
Communicatie over de Proeftuin
26
3.6
Reflexieve monitoring
28
Ervaringen vanuit de projecten
30
4.1
Inleiding
30
4.2
Projecten voorbij bestaande bedrijfssystemen
31
4.3
Projecten vanuit bestaande bedrijfssystemen, van bovenaf geformuleerd
34
4.4
Mijn Koers
38
Beweging in en om de Proeftuin
41
5.1
Inleiding
41
5.2
Beweging van de landbouw in de Krimpenerwaard
41
5.2.1 Weerstand vanuit het gebied
42
5.2.2 Onduidelijkheid over de koers
42
5.2.3 Beperkte ruimte voor landbouwbedrijven om te experimenteren
43
5.3
Beweging in de buitenwereld
43
5.4
Beweging van de Proeftuin zelf
45
Samenvattende conclusies en lessen voor toekomstige ontwikkelingen in de Krimpenerwaard
48
6.1
Conclusies
48
6.2
Aanbevelingen
50
Bijlage 1
Overzicht projecten Proeftuin
55
Bijlage 2
Samenstelling Stuurgroep
56
Verantwoording
Rapport: 3149 Projectnummer: 5200045292
Wageningen Environmental Research (WENR) hecht grote waarde aan de kwaliteit van zijn eindproducten. Een review van de rapporten op wetenschappelijke kwaliteit door een referent maakt standaard onderdeel uit van ons kwaliteitsbeleid.
Akkoord Referent die het rapport heeft beoordeeld, functie:
senior onderzoeker Wageningen Economic Research
naam:
Carlijn Savelkouls
datum:
Januari 2022
Akkoord teamleider voor de inhoud, naam:
Corine van As (team regionale ontwikkeling en ruimtegebruik, Wageningen Environmental Research)
datum:
Januari 2022
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
|5
6 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Woord vooraf
Al doende leert men Geachte lezer, Voor u ligt de monitoringsrapportage van de Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’. Het monitoringsproject is een van de vele projecten die de afgelopen 3,5 jaar in de Krimpenerwaard zijn uitgevoerd. De vraagstelling van het project monitoring was: wat gebeurt er in de mindset van mensen tijdens de looptijd van de Proeftuin? Een manier van monitoren die redelijk uniek is, en dus veel meer is dan de vragen wat zijn de doelen en worden deze gehaald? In deze monitoring zijn tussentijds steeds vragen gesteld aan betrokkenen: zijn jullie tevreden over het verloop en de werkwijzen van de Proeftuin en wat kan beter of moet anders? Zet het mensen voldoende aan het denken en wat neemt men mee naar de toekomst? Vooraf waren er ook bij ondergetekende best wat vraagtekens: heeft het zin om met zo’n vraagstelling te werken, is het wel in beeld te brengen? In mijn woorden “Wordt het niet te zweverig?” Niets is minder waar gebleken: het rapport geeft een helder beeld van wat er gebeurde in de 3,5 jaar van de Proeftuin, waar het goed ging en waar minder. Met heldere leerpunten en aanbevelingen voor de toekomst in de Krimpenerwaard en daarbuiten. Door tijdens het proces steeds te monitoren wat er gebeurde in de Krimpenerwaard kon al vroeg gekeken worden waar bijgestuurd kon en soms ook moest worden.
Een manier van werken die navolging verdient bij andere projecten en gebiedsprocessen, waar het in de praktijk meestal toch zo is dat aan het einde van het proces pas wordt geëvalueerd. Na 3,5 jaar experimenteren in de Proeftuin is er veel geleerd door de deelnemers, maar ook door onderzoekers en andere betrokkenen. Er is veel werk verzet waarvan soms gezegd kan worden “dit is het en hier stopt het”, maar waar veel vaker gezegd kan worden “dit verdient navolging en hier kunnen en willen de ondernemers en beleidsmakers in de Krimpenerwaard mee aan de slag”. Op enkele projecten volgt een landelijke uitrol omdat het veelbelovend is voor andere delen van Nederland, zoals het project ‘Klei in Veen’ en hopelijk ook het project ‘Monitoring’. Als voorzitter van de Stuurgroep van de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard ben ik daadwerkelijk trots op wat er gepresteerd is. Ook ik heb weer veel geleerd. Dank aan alle deelnemers, onderzoekers en andere betrokkenen. Dank ook aan de financiers van de Proeftuin. Maar zeker ook dank aan de gemeente Krimpenerwaard die de nek voor deze Proeftuin heeft uitgestoken zoals je dat bij gemeenten zelden ziet. En als laatste dank aan de onderzoekers van de WUR voor alle gesprekken die zij gevoerd hebben met alle betrokkenen, de analyses die zij gemaakt hebben en het aan het papier toevertrouwen van hun bevindingen.
Namens de stuurgroep Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard, Arie Verhorst
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
|7
8 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Samenvatting
De belangrijkste bevindingen uit de evaluatie proeftuin Krimpenerwaard: 1. In de Proeftuin Krimpenerwaard is een voorzichtig begin gemaakt met de beoogde beweging in de landbouw. Deze beweging is nog wel kwetsbaar en vanuit de landbouwsector zijn er nog veel praktische en principiële bezwaren tegen verschillende beoogde innovaties en beleidsdoelen, vooral indien deze relatief ver afstaan van de gangbare bedrijfsvoering in de Krimpenerwaard, zoals verdere vernatting en daarop aangepaste bedrijfssystemen. 2. De Proeftuin heeft de eigen doelstelling tussentijds bijgesteld: van een focus op een beweging naar adaptieve landbouw naar een beweging in het algemeen. Hierdoor steeg het vertrouwen en de deelname van agrariërs in de Proeftuin, maar kwam de nadruk hier ook meer te liggen op aanpassing van de huidige bedrijfsvoering en minder op innovatie en de ontwikkeling van nieuwe vormen van landbouw. 3. In de sturing van de Proeftuin is aanvankelijk te weinig verbinding gelegd met lokale agrarische organisaties en te weinig rekening gehouden met probleempercepties van lokale ondernemers. Mede hierdoor kwam het draagvlak voor de Proeftuin onder druk te staan. Dit is verbeterd door meer nadruk te leggen op projecten die dichter bij de lokale ondernemers staan en ook door de participatie van lokale vertegenwoordigers in de stuurgroep. 4.
Voor het voortzetten van de beweging in de Krimpenerwaard is het belangrijk dat lokale partijen en ondernemers betrokken blijven, overheden duidelijkheid geven over de beleidsdoelen voor de Krimpenerwaard en erin slagen om innovaties te koppelen aan praktische projecten met directe betekenis voor bestaande ondernemers. Start Proeftuin en reflexieve monitoring In 2018 is op initiatief van de gemeente Krimpenerwaard de Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ in het gebied van start gegaan. In deze Proeftuin werken melkveehouders, overheden, onderzoekers, adviseurs en anderen samen aan een blijvende rol voor de landbouw in de Krimpenerwaard. Idee bij aanvang was dat de landbouw in beweging moest komen om meer ‘adaptief’ te worden door zich aan de natuurlijke omstandigheden aan te passen en op deze wijze gezond voedsel met passende verdiensten te produceren. Om te monitoren of en hoe deze beweging op gang komt, is het project ‘reflexieve monitoring’ opgestart. Het bijzondere van deze vorm van monitoring is dat niet alleen achteraf, maar ook tijdens de looptijd van de proeftuin de verschillende interne en externe ontwikkelingen in beeld zijn gebracht. De inzichten vanuit deze monitoring zijn ook actief ingebracht in het proces, waardoor doelen en werkwijzen tussentijds konden worden bijgesteld.
Deze rapportage betreft de eindevaluatie van de Proeftuin vanuit het project reflexieve monitoring. Doel en uitvoering evaluatie Het doel van deze evaluatie was om de belangrijkste resultaten en lessen van de Proeftuin Krimpenerwaard in beeld te brengen. Voor de evaluatie is gesproken met een groot aantal (ongeveer 30) betrokkenen bij de Proeftuin, waaronder stuurgroepleden, projectleiders, deelnemers aan de projecten en een aantal andere ‘sleutelfiguren’ uit de Krimpenerwaard. Daarnaast is gebruikgemaakt van de bevindingen uit eerdere tussentijdse rapportages en observaties vanuit het project reflexieve monitoring en van overige schriftelijke en digitale bronnen. De evaluatie is opgebouwd aan de hand van vier ‘thema’s: het procesverloop, ervaring met de sturing van de Proeftuin, ervaringen vanuit de projecten en reflectie op de beweging in en om de Proeftuin. Procesverloop De Proeftuin had een looptijd van ongeveer 3,5 jaar: van medio 2018 tot eind 2021. Binnen deze looptijd zijn grofweg vier fases te onderscheiden. In de eerste fase, van ruim een jaar, lag de nadruk op het opstarten en inrichten van de Proeftuin. De Proeftuin was hierbij bedoeld om ook de landbouw in de Krimpenerwaard toekomstperspectief te bieden. Daarbij lag het zwaartepunt op het verkennen van en
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
|9
experimenteren met adaptieve landbouw in een eerste lichting Proeftuinprojecten, die vooral vanuit de stuurgroep en betrokken onderzoekers waren geformuleerd. In fase twee (2019-2020) leidde het experimentele karakter van de Proeftuin gaandeweg tot meer onrust en weerstand vanuit het gebied. Met name binnen de agrarische sector bestond het gevoel dat de Proeftuin onvoldoende aansloot bij de wensen en ideeën vanuit de sector en het gebied zelf. Deze onrust werd gevoed door een aantal gelijktijdige ontwikkelingen buiten de Proeftuin die het gevoel van onvrede in de agrarische sector uitvergrootten. Het meest in het oog springende voorbeeld daarvan waren de besluitvorming en de protesten rondom stikstof. Deze onvrede leidde begin 2020 tot een protest(brief) vanuit de gezamenlijke agrarische organisaties in de Krimpenerwaard waarin de voortgang van de Proeftuin ter discussie werd gesteld. In fase 3 (2020) werd mede door dit protest door de stuurgroep besloten om de Proeftuin op een aantal onderdelen anders te organiseren. Zo kwam er een aantal nieuwe lokale leden in de stuurgroep en besloot de onafhankelijke voorzitter zijn plaats af te staan. Ook werd er een aantal nieuwe projecten opgestart, deels aangedragen vanuit de agrarische sector. Dit werd ook mogelijk gemaakt door nieuwe cofinanciering vanuit de regiodeal Groene Hart.
In het nieuwe project Mijn Koers werd ook gekozen voor een andere benadering waarin de motivatie en ideeën van de ondernemers zelf het vertrekpunt vormden voor een verkenning van toekomstige bedrijfsvoering. Hierdoor kwam de Proeftuin in fase 4 (vanaf medio 2020 tot eind 2021), waarin sprake is van nieuwe energie en hersteld vertrouwen. Het aantal deelnemers aan projecten in de Proeftuin en ook het verdere bereik groeit geleidelijk. Bovendien is er een aantal projecten, waaronder ‘Klei op Veen’, ‘Adaptief watermanagement’ en ‘Mijn Koers’, dat ook onder lokale ondernemers een groeiend enthousiasme opwekt. Het lokale sentiment ten aanzien van de Proeftuin wordt voorzichtig positiever, waarbij ook moet worden opgemerkt dat er nog steeds kritische geluiden zijn en dat het vertrouwen nog broos is. Sturing van de Proeftuin Bij de analyse van de sturing van de proeftuin kwamen de volgende aandachtspunten naar voren: 1.
De actieve rol van de gemeente was een succesfactor voor de Proeftuin. Betrokken partijen hebben vooral veel expliciete waardering voor de rol van de betrokken wethouder en ambtenaar van de gemeente. Dit had zowel betrekking op de investeringen aan de voorkant alsook de wijze waarop is omgegaan met de weerstand en aanpassingen tijdens het traject. Het is nu wel cruciaal dat de gemeente de innovaties en boeren ook bestuurlijk en ambtelijk blijft steunen en dat het gedachtegoed achter de Proeftuin ook breder verankerd wordt in de gemeentelijke organisatie.
2.
De stuurgroep concludeert dat het achteraf beter was geweest om betrokkenen vanuit het gebied en de agrarische sector direct vanaf het begin bij de stuurgroep te betrekken. Deze partijen hadden wel zitting in de expertgroep, maar omdat het onvoldoende is gelukt om hiermee de verbinding tussen de Proeftuin en het gebied te leggen, bleef de afstand van de gebiedspartijen tot de proeftuin in eerste instantie te groot.
3.
Een andere conclusie is dat de Proeftuin door de financieringsstructuur aanvankelijk te veel ‘dichtgetimmerd’ zat, waardoor er nog maar weinig ruimte was voor inbreng van projecten uit het gebied. Gaandeweg is hier alsnog wel meer ruimte voor gecreëerd, door een aantal lopende projecten te beëindigen en extra financiering via de Regiodeal Bodemdaling Groene Hart aan te vragen. De sterkere focus op projectideeën vanuit het gebied is wel ten koste gegaan van het meer experimentele en innovatieve karakter van de Proeftuin. Sommige stuurgroepleden ervaren dit als een gemiste kans, vanuit de overtuiging dat er écht innovatieve ontwikkelingen nodig zijn om de agrarische sector ook op de langere termijn perspectief te bieden.
4.
Succesfactoren voor het functioneren van de Proeftuin waren verder de ruimte binnen de Proeftuin voor vernieuwende en verfrissende vormen van communicatie en de keuze voor reflexieve monitoring in plaats van een meer statische klassieke monitoring op vooraf vastgestelde criteria. Volgens de betrokken stuurgroepleden hebben deze vormen van communicatie en monitoring een positieve impact gehad op de uitstraling en het aanpassingsvermogen van de Proeftuin.
10 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
Ervaringen vanuit de projecten Bij de analyse van de projecten en de ervaringen van projectleiders en deelnemers hebben we grofweg onderscheid gemaakt tussen vier clusters projecten, op basis van de oorsprong van de projecten en het type agrarische bedrijfsvoering.
Figuur S1
Typologie van projecten uit de Proeftuin (met een aantal voorbeeldprojecten).
In het eerste cluster lag het zwaartepunt van de Proeftuin op innovatieve projecten die waren aangedragen vanuit de Proeftuin en die verder afstonden van de huidige agrarische praktijk. Voorbeelden hiervan zijn het project ‘Natte teelten’ en (in eerste instantie) ‘Passende koe’. Deze innovatieve projecten hebben niet geleid tot groot enthousiasme en/of deelname vanuit het gebied. Sterker nog, een deel van de onrust in het gebied hing samen met de beeldvorming rondom en weerstand tegen deze projecten. Toch hebben ook deze projecten bijgedragen aan de discussie in het gebied en daarmee een bijdrage geleverd aan de gerealiseerde beweging. Daarnaast waren er een aantal projecten die weliswaar ook zijn aangedragen vanuit de Proeftuin, maar wel dichter bij de bestaande agrarische bedrijfsvoering stonden. Voorbeelden hiervan zijn onder andere ‘Klei op veen’ en ‘Adaptief watermanagement’. Deze projecten konden op meer draagvlak/enthousiasme rekenen onder agrariërs in het gebied. De positieve ervaringen en beeldvorming rondom deze projecten hebben ook bijgedragen aan het draagvlak en enthousiasme ten aanzien van de proeftuin in algemene zin. Kritische kanttekeningen bij deze projecten hebben betrekking op de praktische en meer grootschalige toepasbaarheid in het gebied alsook op het minder innovatieve karakter van sommige projecten uit dit cluster.
Het derde en vierde cluster aan projecten gaat vrijwel geheel uit van de persoonlijke drijfveren en ideeën van ondernemers uit de Krimpenerwaard. Het verschil hierbij is dat het derde cluster vooral aansluit bij de huidige bedrijfsvoering, terwijl het vierde cluster echt voorbij de bestaande bedrijfsvoering gaat. Een belangrijk voorbeeld uit het derde cluster is het project ‘Mijn koers’, waarin samen met boeren uit de Krimpenerwaard is gekeken naar de toekomstvisie voor hun bedrijf. In dit project stond van tevoren niet vast in welke richting het project en de ondernemers zich zouden ontwikkelen. Volgens de meeste betrokkenen heeft dit project een positieve invloed gehad op het draagvlak voor de Proeftuin en een belangrijke bijdrage geleverd aan de gerealiseerde beweging. Succesfactor was juist dat de betrokken ondernemers het gevoel kregen dat er ruimte was voor hun eigen inbreng en dat er naar hen geluisterd werd. De collectieve aanpak (in groepjes) zorgde ook voor meer onderlinge verbondenheid tussen ondernemers uit het gebied. Het vierde cluster bevat slechts één project waarvan werd geconcludeerd dat het in de praktijk niet bleek te werken.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 11
Beweging in en om de Proeftuin Een belangrijke doelstelling bij aanvang van de Proeftuin was om een beweging richting adaptieve landbouw op gang te brengen. Op basis van onze analyse en de gesprekken met betrokkenen constateren wij dat de Proeftuin inderdaad heeft bijgedragen aan een voorzichtige beweging van de landbouw in de Krimpenerwaard. Dat is onder andere zichtbaar in de groeiende deelname van agrariërs aan Proeftuinprojecten en het feit dat een aantal excursies en bijeenkomsten in de laatste 1,5 jaar van de Proeftuin op de nodige positieve belangstelling kon rekenen. Tegelijkertijd is ook duidelijk dat deze beweging nog kwetsbaar is en dat er ook nog steeds een onderstroom is van mensen (en agrariërs) die vraagtekens plaatsen bij nut en noodzaak van de Proeftuin en meer in het algemeen bij de maatschappelijke ontwikkelingen die aanleiding zouden geven tot innovaties in de agrarische sector. Volgens sommige betrokkenen is het adaptieve karakter van de projecten uit de Proeftuin ook wel minder dan oorspronkelijk beoogd. De (voorzichtige) beweging in de Krimpenerwaard is tot stand gekomen in een bijzonder onrustige periode en omgeving, waarbij ook de buitenwereld volop in beweging was. In de afgelopen 3 à 4 jaar zijn er verschillende ontwikkelingen geweest die ook van invloed zijn op de toekomst van de Krimpenerwaard.
Voorbeelden hiervan zijn onder andere de besluitvorming rondom het Natuurnetwerk, stikstof, het Klimaatakkoord, bodemdaling en corona. Deze ontwikkelingen zijn niet los te zien van de dynamiek in de Proeftuin. Een deel van de betrokkenen raakte murw en onverschillig door alle ontwikkelingen. Bij anderen leidde het tot toenemende frustratie en verzet. In die zin is het best bijzonder dat de Proeftuin gaandeweg toch het nodige enthousiasme en lokale betrokkenheid heeft weten te genereren. Om beweging rondom de landbouw in het gebied op gang te brengen, heeft de Proeftuin zelf ook moeten bewegen. De belangrijkste beweging binnen de Proeftuin is geweest dat de focus langzamerhand is verschoven van een focus op dé beweging naar adaptieve landbouw, naar een focus op beweging in het algemeen. Te veel focus vanuit de Proeftuin op een bepaalde vorm van adaptieve landbouw stond de beweging in het gebied juist in de weg en is daarom deels losgelaten. Gaandeweg heeft een meer sturende, richtinggevende benadering plaatsgemaakt voor een meer vraaggeoriënteerde beweging. Naast een focus op techniek en inhoud in de projecten kwam er ook meer aandacht voor de mens en het proces. Hiermee heeft de Proeftuin meer aansluiting weten te vinden bij het gebied. Dit is wel (deels) ten koste gegaan van het experimentele/innovatieve karakter van de projecten.
Aanbevelingen De ervaringen uit de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard leiden tot de volgende aanbevelingen voor toekomstige gebiedsprocessen in de Krimpenerwaard: 1.
Betrek gebiedspartijen vanaf de start bij het gebiedsproces. In de Proeftuin is aanvankelijk een weloverwogen keuze gemaakt om gebiedspartijen enigszins op afstand te houden, maar dit leidde uiteindelijk tot een gebrek aan draagvlak en betrokkenheid. Een belangrijke voorwaarde voor die betrokkenheid is dat de gebiedspartijen zich ook onderling goed weten te organiseren.
2.
Overheden moeten blijvend investeren in het gesprek en de relatie met gebiedspartijen. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. De voorzichtige verbindingen die tot stand zijn gekomen, vragen om verdere versterking. Ook de kritische onderstroom vraagt om een luisterend oor. Onderdeel van dit gesprek en deze relatie is ook de erkenning van lokale kennis en praktijken. Waardering en beloning voor ondernemers die al vooroplopen in bepaalde ontwikkelingen, bijvoorbeeld doordat zij van oudsher al boeren onder natte omstandigheden, kunnen daar deel van uitmaken. Dit is ook belangrijk vanuit het oogpunt van sociale rechtvaardigheid.
3.
Overheden dienen meer duidelijkheid te bieden over de concrete doelen en ambities voor de Krimpenerwaard. Er komt heel veel nieuw beleid op de Krimpenerwaard af, maar op veel gebieden zijn de doelstellingen nog niet helder of is nog onduidelijk hoe landelijke doelstellingen zich vertalen naar de lokale praktijk en wat dit betekent voor lokale ondernemers. Veel betrokkenen zien door de bomen het bos niet meer. Deze onduidelijkheid zorgt voor onrust en onbegrip.
4.
Combineer innovatieve projecten met meer praktische projecten die beter aansluiten bij de bestaande bedrijfsvoering. Ruimte laten voor dit soort praktische projecten die ook invulling geven aan concrete vragen en behoeften vanuit het gebied kan uiteindelijk ook het draagvlak voor de Proeftuin als geheel (en dus ook voor de meer innovatieve projecten) versterken. Indien de onderzoeksvragen niet direct uit
12 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
het gebied komen, is een extra inspanning nodig om deze vragen op te halen en/of te vertalen naar concreet uitvoerbare projecten of experimenten. 5.
Betrek naast de agrarische sector ook de bredere omgeving bij de beoogde/benodigde beweging. Daarbij valt te denken aan erfbetreders (leveranciers, afnemers, adviseurs) die vaak nog adviseren en denken vanuit bestaande kaders en praktijken. Ook voor overheden is hierin een belangrijke rol weggelegd. Indien de beweging en innovatie daadwerkelijk op gang komen en tot concrete projecten leiden, is hier vaak ook toestemming van gemeente, provincie of waterschap voor nodig. Dit vraagt om een actieve en meedenkende rol van deze overheden, die verder gaat dan de klassieke rol als toetser en vergunningverlening.
6.
Een belangrijke les voor overheden is om voldoende tijd te nemen voor dit soort gebiedsprocessen. Dit is nodig om mensen de kans te geven om ook daadwerkelijk aan te haken bij de beoogde beweging. Wie hieraan te gemakkelijk voorbijgaat, loopt een groot risico om onrust, weerstand en polarisatie te vergroten en uiteindelijk ook vertraging op te lopen of zelfs vast te lopen in de beoogde veranderingen.
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 13
1
Inleiding
1.1
Achtergrond
In 2018 is in de Krimpenerwaard de Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ van start gegaan. Het initiatief voor de Proeftuin lag bij de gemeente Krimpenerwaard en het Veenweide Innovatiecentrum (VIC), met als belangrijke doelstelling om de landbouw in de Krimpenerwaard toekomstperspectief te bieden. In deze Proeftuin werken melkveehouders, onderzoekers, adviseurs en anderen samen aan een blijvende rol voor de landbouw in de Krimpenerwaard. In een veelheid aan projecten wordt onder andere onderzoek gedaan naar de toepassing van adaptieve landbouw in de Krimpenerwaard. Adaptieve landbouw staat daarbij voor ‘landbouw aangepast aan de natuurlijke omstandigheden, welke benut worden voor een goede productie. Het doel van adaptieve landbouw is de productie van gezond voedsel met passende verdiensten en behoud van natuur- en landschapskwaliteit’ (Proeftuin Krimpenerwaard, 2021a). De oorspronkelijke looptijd van de Proeftuin was van 2018 tot eind 2020. In overleg met de opdrachtgevers is de Proeftuin tussentijds met een jaar verlengd. Eind maart 2022 zal de Proeftuin worden afgerond. Onderdeel van de Proeftuin was ook het project ‘reflexieve monitoring’ waarmee de gang van zaken in en om de proeftuin, gedurende de looptijd van het programma, is gemonitord en ook actief een bijdrage is geleverd aan het leerproces binnen de Proeftuin.
Vanuit het project ‘reflexieve monitoring’ hebben we ook de eindevaluatie van de Proeftuin uitgevoerd. Dit rapport bevat de belangrijkste bevindingen uit deze evaluatie. In dit hoofdstuk schetsen we eerst de organisatie van de Proeftuin (par. 1.2). Vervolgens gaan we kort in op de reflexieve monitoring (par. 1.3), de vraagstelling (par. 1.4) en de gebruikte methoden (par. 1.5). Ten slotte volgt een leeswijzer voor dit rapport (par. 1.6).
1.2
Organisatie van de Proeftuin
Figuur 1.1 toont de organisatiestructuur van de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard (Proeftuin Krimpenerwaard, 2020a). Het groene deel van de figuur betreft de belangrijkste betrokken partijen en organen binnen de Proeftuin (de cirkels) en de belangrijkste financiers (de vierkanten). Onderaan de figuur staat een aantal projecten benoemd, alhoewel deze lijst niet compleet is. De besluitvorming rondom de Proeftuin en ‘aansturing op afstand’ van het programmateam ligt bij een stuurgroep. Deze stuurgroep bestond bij aanvang uit een onafhankelijk voorzitter, de programmaleider vanuit het Veenweiden Innovatie Centrum (VIC) en vertegenwoordigers van de gemeente Krimpenerwaard, de provincie Zuid-Holland, LTO-Noord en Friesland-Campina. In 2020 zijn hier een vertegenwoordiger van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard en twee vertegenwoordigers vanuit de Agrarische Structuurcommissie Krimpenerwaard aan toegevoegd. Om de Proeftuin te organiseren en te coördineren, is er een programmateam voor de dagelijkse sturing rondom de uitvoering van projecten. Dit programmateam bestaat uit vertegenwoordigers van de belangrijkste onderzoeks- en adviespartners in de Proeftuin. Dit betreft het VIC, Louis Bolk Instituut (LBI) en PPP Agro en Advies (Perspectief, Pegels en Plezier). Deze organisaties voeren de verschillende projecten vanuit de Proeftuin uit (zie Bijlage 1).
Daarnaast is er een expertgroep die bestaat uit lokale experts uit de Krimpenerwaard. In de expertgroep van de Proeftuin Krimpenerwaard zitten vertegenwoordigers van de agrarische sector uit het gebied, maar ook vertegenwoordigers vanuit gemeente, waterschap, lokale retail, natuurorganisaties, ondernemersverenigingen en mengvoederindustrie. De expertgroep is bedacht als verbindende schakel
14 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
tussen de Proeftuin en het gebied. De expertgroep moest helpen om ideeën en projecten vanuit de Proeftuin te doen landen in de Krimpenerwaard en de Proeftuin voeden en inspireren vanuit het gebied.
Figuur 1.1
Organisatiestructuur van de Proeftuin Trots op Krimpenerwaard (Bron: Proeftuin
Krimpenerwaard, 2020a). NB De projecten die vanaf 2020 aan de Proeftuin zijn toegevoegd, staan niet in dit organogram.
1.3
Reflexieve monitoring
Innoveren, experimenteren en leren in en met de praktijk waren belangrijke uitgangspunten bij de start van de Proeftuin. Voor de stuurgroep en het programmateam was het belangrijk om vanuit het programma goed in te kunnen spelen op tussentijdse ontwikkelingen en inzichten. Om die reden is Wageningen Environmental Research gevraagd om de Proeftuin te monitoren op basis van een proces genoemd reflexieve monitoring. Reflexieve monitoring wijkt af van meer klassieke monitoring op vooraf opgestelde doelen en indicatoren. Bij reflexieve monitoring worden tussentijdse reflectie en leren nadrukkelijk onderdeel gemaakt van het proces. Op basis daarvan kunnen, indien nodig, tussentijdse aanpassingen worden doorgevoerd en krijgt het programma de flexibiliteit om mee te kunnen bewegen met onvoorziene ontwikkelingen (Van Mierlo et al., 2010). Het streven was om zodoende vanuit de monitoring ook bij te dragen aan het adaptieve karakter van de Proeftuin. De reflectie vanuit de monitoring gedurende de looptijd van de Proeftuin heeft op verschillende manieren vorm gekregen, onder andere via tussenrapportages, presentaties, een-op-een gesprekken en groepsgesprekken. Hierbij is ook gebruikgemaakt van verschillende wetenschappelijke kaders en publicaties (zie verder de verschillende procesbeschrijvingen).
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 15
Dit rapport bevat de eindevaluatie van de Proeftuin vanuit het project reflexieve monitoring en is gebaseerd op de eerdere, tussentijdse reflecties en een slotronde van gesprekken met leden van de stuurgroep, projectleiders, deelnemers uit de projecten en enkele andere ‘sleutelfiguren’ uit de Krimpenerwaard. Een belangrijk aandachtspunt in deze gesprekken was of en hoe de Proeftuin heeft bijgedragen om in de Krimpenerwaard een beweging naar adaptieve landbouw op gang te brengen.
Figuur 1.2
Verschillende stadia in het proces van reflexieve monitoring (Van Mierlo et al., 2010).
1.4
Vraagstelling
Het doel van deze eindevaluatie van de Proeftuin Krimpenerwaard is om de belangrijkste inzichten en resultaten hiervan in beeld te brengen en de belangrijkste lessen hieruit op te tekenen voor toekomstige gebiedsprocessen. De belangrijkste vragen die we daarbij gesteld hebben, zijn: 1.
Hoe heeft de Proeftuin zich vanaf de start tot en met eind 2021 ontwikkeld?
2.
Wat zijn de belangrijkste succes- en faalfactoren voor het functioneren van de organisatie van de Proeftuin?
3.
Hoe zijn de projecten uit de Proeftuin te karakteriseren? Welke resultaten zijn (in een selectie vanuit deze projecten) geboekt en welke lessen zijn hieruit te trekken?
4.
In hoeverre is de beoogde beweging in de Krimpenerwaard door de Proeftuin gerealiseerd?
5.
Welke lessen zijn uit de ervaringen vanuit de Proeftuin te trekken voor toekomstige gebiedsprocessen in de Krimpenerwaard?
1.5
Onderzoeksmethoden
Voor deze evaluatie is gebruikgemaakt van de volgende dataverzamelingsmethoden: • Een interviewronde in 2021 met directbetrokkenen bij de Proeftuin (stuurgroepleden, opdrachtgever en projectleider). Hiervoor zijn in tien gesprekken in totaal elf directbetrokkenen bij de stuurgroep gesproken (zie Bijlage 2). • Interviews met projectleiders en deelnemers aan een selectie van projecten uit de Proeftuin Krimpenerwaard (‘Natte teelten’, ‘Passende koe’, ‘Adaptief watermanagement’, ‘Klei op veen’, ‘Kruidenrijk grasland’ en ‘Mijn koers’). Hiervoor zijn in totaal zo’n vijftien mensen gesproken. • Secondaire analyse van eerdere interviewverslagen en tussentijdse analyses (t.b.v. de stuurgroep Proeftuin) uitgevoerd in het kader van het project reflexieve monitoring (2018-2020). • Participatieve observatie gedurende de looptijd van de Proeftuin Krimpenerwaard (bijwonen stuurgroep, expertgroep, projectleidersoverleg en verschillende excursies en interactieve bijeenkomsten georganiseerd vanuit de Proeftuin). • Schriftelijke en digitale bronnen (verslagen stuurgroepbijeenkomsten, websites en onderzoeksrapporten).
16 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
1.6
Leeswijzer
Dit rapport bevat het resultaat van de evaluatie van de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard. In de verschillende hoofdstukken behandelen we achtereenvolgens de belangrijkste onderzoeksvragen (par. 1.4). In hoofdstuk 2 gaan we in op de ontwikkeling van de Proeftuin aan de hand van een korte procesbeschrijving (onderzoeksvraag 1). Hoofdstuk 3 gaat in op de belangrijkste succes- en faalfactoren voor het functioneren van de organisatie van de Proeftuin (onderzoeksvraag 2). In hoofdstuk 4 zoomen we in op de projecten van de Proeftuin door middel van een algemene typologie en door in te zoomen op een aantal typerende projecten (onderzoeksvraag 3). In hoofdstuk 5 schetsen we de bewegingen die vanuit de Proeftuin in het gebied op gang zijn gebracht, evenals de beweging in de Proeftuin zelf, en de bredere maatschappelijke context (onderzoeksvraag 4). Hoofdstuk 6 vat de belangrijkste conclusies van deze evaluatie nog eens samen en geeft ook de lessen voor het vervolgproces in de Krimpenerwaard (onderzoeksvraag 5).
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 17
2
Procesbeschrijving
2.1
Inleiding
De Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard heeft gelopen van medio 2018 tot begin 2022. Er is in deze periode veel gebeurd. In dit hoofdstuk beschrijven we de belangrijkste gebeurtenissen in de Proeftuin gedurende deze periode (onderzoeksvraag 1). Daartoe hebben we het proces opgedeeld in de volgende fasen: 1.
Aanleiding voor de start van de Proeftuin: agrarische structuurversterking als compensatie voor de natuurplannen in de Krimpenerwaard (2015-2018).
2.
Start van de Proeftuin: experimenteren met adaptieve landbouw (2018-2019).
3.
Richtingenstrijd binnen de Proeftuin (begin 2020).
4.
Proeftuin in rustiger vaarwater (medio 2020-eind 2021).
5.
Vervolg van de Proeftuin: opmaat naar gebiedsprocessen? (2021 e.v.).
In de volgende paragrafen beschrijven we deze fasen. Deze procesbeschrijving vormt de achtergrond voor de analyses in hoofdstuk 3, 4 en 5.
2.2
Aanleiding voor de Proeftuin
In veel agrarische gebieden in Nederland is de afgelopen decennia ingezet op agrarische structuurversterking, op basis van schaalvergroting en een betere landbouwverkaveling. Veel van deze trajecten zijn hand in hand uitgevoerd met natuurontwikkeling en landinrichtingsprojecten (Kuindersma et al., 2020a). Ook in de Krimpenerwaard lag vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw de ambitie om ruim 2.000 ha nieuwe natuur te realiseren en er waren ook al langer plannen om de verkaveling van de landbouw te verbeteren. Geen van deze pogingen is tot nu toe (helemaal) afgerond, zodat de natuurambities nog maar deels zijn gerealiseerd en een grootschalige herverkaveling in de Krimpenerwaard nooit van de grond is gekomen (Kuindersma et al., 2020b). Mede hierdoor is ook het kleinschalige karakter van het landschap in de Krimpenerwaard behouden gebleven en zijn de waterstanden in het landbouwgebied relatief hoog ten opzichte van vergelijkbare gebieden zoals de Alblasserwaard. Vele inwoners van de Krimpenerwaard waarderen ook de eigenheid en kleinschaligheid van het landschap (Van Rooy, 2018), waarbinnen de landbouwsector een belangrijke plaats heeft. In 2015 werd de gemeente Krimpenerwaard gevormd na een fusie van vijf plattelandsgemeenten.
Na deze fusie koos de gemeente Krimpenerwaard ervoor om een actieve rol te gaan spelen in de realisatie van het natuurproject en daarnaast – deels als compensatie voor de landbouw – ook te investeren in agrarische structuurversterking (Kuindersma et al., 2020b). Dit laatste werd echter niet traditioneel ingevuld met een focus op kavelruil en schaalvergroting, maar door middel van de start van de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard, waarin juist de nadruk lag op innovatie in de richting van een meer adaptieve landbouw. Al voordat er sprake was van de Proeftuin werd er – met medewerking van de gemeente – een aantal ‘preProeftuin’-projecten gestart om samen met boeren in te experimenteren met diverse maatregelen. Hieronder vielen proeven met onderwaterdrainage om bodemdaling tegen te gaan, maar ook een controversieel project waarin met natte teelten werd geëxperimenteerd (Zie Bijlage 1). Volgens het CBS was in 2018 zo’n 78% van de gemeente Krimpenerwaard in agrarisch gebruik (CBS, 2018). Hierbij vormen de kleinschalige infrastructuur in het gebied, het relatief hoge waterpeil en de (dalende) veenbodem diverse uitdagingen voor de boeren. In 2018 betrof het totaalareaal aan landbouwgrond zo’n
18 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
13300 ha, maar toen was inmiddels duidelijk dat een deel van de landbouwgronden in de noordrand van het gebied – ondanks verzet vanuit landbouworganisaties en het lang uitstellen van plannen – toch een natuurbestemming zou krijgen. Het idee voor de Proeftuin ontstond om de sector toekomstperspectief te bieden om te kunnen blijven boeren in de Krimpenerwaard in de context van diverse maatschappelijke opgaven zoals bodemdaling, biodiversiteit, CO2, circulariteit en voedselzekerheid. De Proeftuin wordt door agrarische partijen en gemeente ook gezien als compensatie voor de agrarische sector voor de agrarische grond die t.b.v. natuurontwikkeling is opgegeven.
2.3
De start van de Proeftuin
De Proeftuin ‘Trots op de Krimpenerwaard’ ging officieel van start in 2018. Doel van deze Proeftuin is om samen met boeren en andere betrokkenen uit het gebied te verkennen ‘of- en hoe adaptieve landbouw kan bijdragen aan een toekomstperspectief voor de Krimpenerwaard’ (Proeftuin Krimpenerwaard, 2021a). Adaptieve landbouw houdt in dat ‘natuurlijke processen benut worden voor een weerbaarder en veerkrachtiger landbouwsysteem’, met als doel ‘de productie van gezond voedsel met passende verdiensten en behoud van natuur- en landschapskwaliteit’ (ibid.)’. Het initiatief voor de Proeftuin Krimpenerwaard komt vanuit de gemeente Krimpenerwaard, maar het inhoudelijke idee om een Proeftuin vorm te geven, komt vanuit het Veenweide Innovatie Centrum (VIC). De gemeente en het VIC hebben in de beginfase de belangrijkste stappen gezet om de Proeftuin verder vorm te geven. Om de Proeftuin te organiseren en te coördineren, kwam er een programmateam voor de dagelijkse aansturing van projecten en de uitvoering van overkoepelende activiteiten (Proeftuin Krimpenerwaard, 2020a). Ter aansturing hiervan werd de stuurgroep ingesteld, waarbij initieel werd gekozen om deze te vullen met betrokkenen van buiten de Krimpenerwaard zelf om zo met wat afstand tot de lokale context te kunnen opereren.
Daarnaast werd er ook een expertgroep met lokale betrokkenen opgesteld die vanuit een adviserende rol richting de Proeftuin zou moeten opereren (ibid.). Als onderzoeks- en adviespartners werden met name het VIC, LBI en PPP Agro en Advies bij de Proeftuin betrokken om te helpen bij het vormgeven en uitvoeren van projecten. PPP Agro en Advies speelde daarbij een belangrijke rol in het adviseren van boeren en het leggen van contact met deelnemers, terwijl VIC en LBI vaak een leidende rol in onderzoeksactiviteiten hadden. Met de projecten werd beoogd invulling te geven aan adaptieve landbouw in de Krimpenerwaard waarbij naar verschillende onderdelen van de bedrijfsvoering is gekeken zoals weidegang, graslandsamenstelling, diermanagement, grondwater en bodemeigenschappen. De eerste lichting Proeftuinprojecten (waaronder ook dit monitoringsproject) werd in 2018 opgestart, waarbij het budget bij aanvang al grotendeels vastlag – ook vanwege de eisen die er werden gesteld op het gebied van cofinanciering van concrete projecten (zie H3). Voor alle geagendeerde projecten die gericht waren op de landbouwsector lukte het om deelnemers te vinden en zo kon men samen met boeren uit het gebied aan de slag. Een overzicht van de Proeftuinprojecten die door de jaren heen zijn uitgevoerd, is opgenomen in Bijlage 1.
Te zien is dat dit een breed palet aan projecten betreft, maar dat de focus hierbij in veel gevallen ligt bij de melkveehouderij – qua grondgebruik en werkgelegenheid de belangrijkste vorm van landbouw in de Krimpenerwaard. De projecten zijn erg divers: zo wordt er in diverse projecten rondom onder andere adaptief beweiden, duurmelken en kruidenrijk grasland vooral naar mogelijke innovaties in de (huidige) melkveehouderij gekeken, maar ook geëxperimenteerd met o.a. Lisdodde en Duck Potatoes in het project ‘Natte Teelten’. Er worden proeven met ‘Adaptief watermanagement’ uitgevoerd om te kijken of onderwaterdrainage van waarde kan zijn in waterbeheer en het tegengaan van bodemdaling, en in het project ‘Klei op Veen’ worden proeven uitgevoerd om te kijken of het aanbrengen van klei op veen kan helpen bij het tegengaan van bodemdaling – iets wat later ook op land in de Krimpenerwaard is toegepast. Er is een ‘Duurzaamheidsdata’-project opgestart om allerlei gegevens rondom de landbouwsector in het gebied in kaart te brengen. Naast inhoudelijke projecten is er ook een ‘Communicatie’-project, waarin de verbinding met het gebied wordt gezocht. Dit gebeurt onder andere via de Krimpenerwaardekrant, die een aantal keer vanuit de Proeftuin wordt gepubliceerd en verspreid in het gebied en waarin betrokkenen bij de
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 19
Proeftuin hun verhaal doen. Ook wordt er meermaals een ‘Tour de Boer’ georganiseerd, waarbij diverse deelnemende bedrijven bezocht worden door andere boeren en belangstellenden om te kijken hoe men te werk gaat.
2.4
Richtingenstrijd binnen de proeftuin
Na een beginperiode, waarin het nog wat zoeken was naar de vorm en organisatie van Proeftuin en projecten, leek de Proeftuin zich in het tweede jaar (2019) in rustiger vaarwater te begeven. Na enige richtingenstrijd en persoonlijke confrontaties benoemen bijna alle leden van de stuurgroep dat men steeds meer in onderling vertrouwen kon opereren – al waren er soms nog wel wat verschillen in visie tussen stuurgroepleden onderling. Onder andere via de expertgroep kwamen er wel regelmatig kritische geluiden over de Proeftuin vanuit de agrarische sector en werd ook zichtbaar dat een aantal boeren de bijeenkomsten van de expertgroep niet langer bijwoonde. In de projecten werd ook een verschuiving zichtbaar: er kwam meer aandacht voor de sociaal-maatschappelijke context van Proeftuinprojecten. Er werd een project voorbereid om met boeren uit het gebied in gesprek te gaan over hun eigen toekomstvisie (‘Mijn Koers’) en ook de ‘Reflexieve monitoring’ kreeg geleidelijk een vaste plaats in gesprekken rondom de Proeftuin. Ook de onderlinge samenhang tussen projecten kreeg geleidelijk meer aandacht; zo kwamen er regelmatig gezamenlijke bijeenkomsten met alle betrokken projectleiders en adviseurs. Begin 2020 werd echter duidelijk dat er in de Krimpenerwaard behoorlijk wat onrust en onvrede bestond bij diverse boeren en agrarische belangenbehartigers over de ontwikkelingen in de Proeftuin.
Deze onvrede werd in januari 2020 aangekaart in een brief vanuit de Agrarische Structuurcommissie Krimpenerwaard (ASK), waarin lokale landbouworganisaties verenigd zijn, richting de stuurgroep. Uiteindelijk leidde dit tot een stevige discussie. In deze discussies werd duidelijk dat er verschillende visies over de toekomst van het gebied waren, en dat daarin het urgentiebesef (de mate waarin innovatie in de landbouwsector nodig wordt geacht) ook verschilde tussen diverse betrokkenen. Ook bleken diverse gebiedspartijen zich onvoldoende gehoord en vertegenwoordigd te voelen, onder andere omdat er geen gebiedspartijen in de stuurgroep zaten en signalen vanuit de expertgroep in hun ogen niet werden opgepakt. De oorspronkelijke voorzitter besloot te vertrekken naar aanleiding van een suggestie dat er een verborgen agenda achter de Proeftuin zou zitten, en even leek het zelfs te kunnen gebeuren dat de situatie verder zou escaleren en de voortgang van de Proeftuin onder druk zou komen te staan. Hoewel veel agrariërs, ook tijdens een bijeenkomst van de stuurgroep met de ASK begin 2020, best positief stonden ten opzichte van een aantal projecten uit de Proeftuin, bleken met name de projecten die gericht waren op vernatting van het landbouwgebied in de Krimpenerwaard zeer gevoelig te liggen.
Vooral het project ‘Natte teelten’ werd door sommigen gezien als hét ‘icoonproject’ en ook het project ‘Passende koe’ deed bij sommige boeren vermoeden dat er een verborgen agenda achter de Proeftuin zat: het waterpeil omhoog of zelfs een toekomst zonder de huidige landbouw in het gebied. In de communicatie rondom het traject van ‘Mijn Koers’ werd een boekje uitgedeeld met voorbeelden van mogelijke toekomstvisies voor bedrijven. Dat boekje viel slecht in het gebied, omdat de reguliere landbouw in de ogen van de agrarische organisaties negatief geframed werd en diverse toekomstbeelden niet aanspraken. In overleg met lokale organisaties werd al snel besloten om het boekje voorlopig niet verder te verspreiden, maar om onduidelijke redenen kwam het boekje in één van de bijeenkomsten toch nog op tafel. Dat was voor sommigen de druppel die de emmer deed overlopen. Ondanks dat de gemoederen begin 2020 hoog opliepen, zijn de stuurgroep en ASK met elkaar in gesprek gebleven en is er daarbij van beide kanten toenadering gezocht. Daarbij bleef verdere polarisatie uit en ook bleven bijna alle deelnemers aan de Proeftuinprojecten betrokken bij deze projecten. Vanuit de stuurgroep werd ruimte gemaakt voor twee vertegenwoordigers van de ASK, die namens de agrarische sector in het gebied toetraden en mochten meebeslissen over de verdere voortgang van de Proeftuin.
Ook het waterschap kreeg een vertegenwoordiger in de stuurgroep. Verder kwam er een nieuwe voorzitter en werden er diverse nieuwe projecten opgestart in afstemming met de agrarische sector in het gebied (zie ook Bijlage 1 en H3). Hoewel de opkomst van het coronavirus (COVID-19) de activiteiten in de Proeftuin enigszins belemmerde, gingen veel activiteiten online verder – waaronder ook ‘Mijn Koers’ en de Expertgroep.
20 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
2.5
Proeftuin in rustiger vaarwater
Sinds de gebeurtenissen eind 2019/begin 2020 lijkt de storm rondom de Proeftuin weer wat te zijn gaan liggen en bevindt de Proeftuin zich sinds medio 2020 weer in wat rustiger vaarwater – waarbij er volgens diverse betrokkenen ook een betere sfeer rondom de Proeftuin hangt. Vanuit de ASK kwam het signaal dat men zich meer gehoord voelt sinds er sprake is van deelname aan de Stuurgroep en dat dit ook zorgt voor meer rust bij de partijen die men vertegenwoordigt. Een van de uitkomsten van het overleg met de ASK is ook dat er een aantal nieuwe projectideeën vanuit de agrarische sector aan de Proeftuin is toegevoegd. Ook werden verslagen vanuit de stuurgroep voortaan met de expertgroep gedeeld. Verder is het ‘boekje’ met toekomstschetsen van de landbouw in de Krimpenerwaard definitief van tafel en van internet gehaald, omdat men concludeerde dat enkele van die beelden de beeldvorming van de Proeftuin te veel domineerden. Verder is de betrokkenheid van agrarische natuurvereniging Weidehof en Agrarisch Collectief Krimpenerwaard bij onder andere de kruidenprojecten sinds begin 2020 sterk vergroot. Daarmee is er ook een directe en concrete link gelegd tussen de deelnemende boeren en de mogelijkheid voor vergoedingen in het kader van agrarisch natuurbeheer. Een aantal projectleiders gaf aan dat er groeiende belangstelling en enthousiasme voor hun projecten was bij boeren.
Zo is er rondom kruidenrijk grasland (project ‘Weidebuffet met kruiden’) een actieve studiegroep met diverse agrariërs ontstaan. Het project ‘Mijn Koers’ (waarvoor breed in de Krimpenerwaard uitnodigingen waren verstuurd) kon rekenen op de nodige belangstelling en werd uitgebreid met een tweede en derde groep boeren. Deze dialoog met individuele boeren in dit project kon vanuit diverse betrokkenen bij de Proeftuin op waardering rekenen. Een excursie met het college van B&W van de gemeente Krimpenerwaard naar het bedrijf van twee enthousiaste deelnemers wordt door veel betrokkenen bij de Proeftuin ook gezien als een vorm van erkenning en waardering. Daarnaast worden resultaten van projecten zoals ‘Klei op veen’ en ‘Adaptief watermanagement’ door diverse agrarische organisaties uit het gebied goed ontvangen (zie ook H4). In veel van de gesprekken werd benoemd dat er in deze fase meer positieve energie rondom de Proeftuin ontstaat. Bovenstaande vertelt echter niet het hele verhaal. Rondom bepaalde projecten bleef de initiële scepsis wel bestaan. Het aantal deelnemers aan projecten groeide, maar lang niet alle boeren haakten actief aan – al moet gezegd worden dat actieve deelname van alle boeren ook geen doel op zich was. De Proeftuin bestond ook in 2020 nog steeds uit een palet van meer en minder innovatieve projecten.
Hoewel het gevoel was dat bepaalde projecten in de beeldvorming misschien te overheersend zijn geweest, bleef er spanning rondom bijvoorbeeld het ‘Natte teelten’-project. Bij de expertgroep bleef er veel onduidelijkheid over de rol van deelnemers en werd zichtbaar dat de onlinedeelname van met name agrariërs aan deze bijeenkomsten beperkt was. Ook werd gedurende 2020 en 2021 nog verschillende keren zichtbaar dat het bredere gevoel van onvrede/onrust in de agrarische sector waar het gaat om de afstand die wordt ervaren tot de samenleving en het beleid, niet verdwenen is. Het recentste voorbeeld hiervan zijn de ‘boerenprotesten’ in november 2021 tegen de onteigening van gronden in de Krimpenerwaard. Voor meerdere agrarisch ondernemers geldt (nog steeds) dat er sprake is van een kwetsbare (bedrijfs)situatie en het gevoel met de rug tegen de muur te staan – wat hun speelruimte om deel te nemen aan projecten soms beperkt. In het wat rustigere vaarwater van de tweede helft van 2020 is besloten om het programma van de Proeftuin, die oorspronkelijk in 2020 zou aflopen, met een jaar te verlengen. Dit betekende dat veel projecten een jaar extra door zouden kunnen lopen. Ook de monitoring, de dialoog in ‘Mijn Koers’ en de diverse activiteiten in het communicatieproject en veldbezoeken bij de ‘Tour de Boer’ werden nog een extra jaar voortgezet.
Er kwam daarbij extra financiering vrij vanuit de ‘Regiodeal Bodemdaling Groene Hart’, wat ingezet kon worden voor voortzetting/uitbreiding van diverse projecten.
2.6
Vervolg van de Proeftuin in gebiedsprocessen
Naarmate de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard zijn einde naderde, werd er vanuit diverse betrokkenen steeds meer nagedacht over de nalatenschap van deze Proeftuin: hoe kunnen we ervoor zorgen dat (een deel van) de resultaten en van de positieve energie rondom de Proeftuin beklijven? De hoop hierbij was dat deelnemende boeren de lessen die zij geleerd hadden tijdens de Proeftuin in hun bedrijf zouden blijven
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 21
toepassen, maar ook dat erfbetreders, gemeente, waterschap, provincie, landbouworganisaties en andere partijen hiermee aan de slag zouden gaan. Op sommige projecten (zoals ‘Klei op veen’) komt nog een vervolg. In de Regiodeal Bodemdaling Groene Hart is financiering vrijgemaakt voor de voortzetting van acht Proeftuinprojecten (zie Bijlage 1), maar diverse andere projecten lopen af. Daarmee kwam de discussie op gang of en hoe de bevindingen vanuit de pilots in de Proeftuin ook echt een doorwerking in het gebied zouden krijgen. De gemeente Krimpenerwaard gaf in dit kader inmiddels aan dat ze de inzichten en resultaten van de Proeftuin ook wilden gebruiken voor een gebiedsproces waarin ze samen met boeren en andere partijen wilde kijken naar (her)inrichting van het platteland. Ook vanuit landelijke discussies (stikstof, CO2, bodemdaling, voedselzekerheid, biodiversiteit, woonopgaven, energietransitie) zal er de komende jaren nog veel op de boeren in de Krimpenerwaard af komen. De in paragraaf 2.4 beschreven rust blijft daarbij soms betrekkelijk: de onteigening van de boeren aan de noordrand van de Krimpenerwaard zorgt nog steeds voor onrust en verzet, en ook rondom stikstof laait er af en toe nog discussie op. Het is nu afwachten wat de doorwerking zal zijn en welke beleidsdoelstellingen er nog op het gebied afkomen. De verwachtingen hierover bij betrokkenen verschillen.
22 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149
3
Sturing van de Proeftuin
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we in op de belangrijkste succes- en faalfactoren vanuit de sturing en organisatie van de Proeftuin. Uit onze analyse komen de volgende succes- en faalfactoren naar voren (zie Tabel 3.1).
Tabel 3.1
Belangrijkste succes- en faalfactoren organisatie Proeftuin.
Succesfactoren
Faalfactoren
Voortrekkersrol van de gemeente (par. 3.2)
Keuze voor stuurgroep zonder gebiedspartijen/te grote afstand
Communicatie over de proeftuin (par. 3.5)
tussen stuurgroep en expertgroep (par. 3.3)
Keuze voor reflexieve monitoring (par 3.6)
Te veel focus op innovatieve projecten/te weinig ruimte voor projecten vanuit het gebied (par. 3.4)
In de volgende paragrafen lichten we deze succes- en faalfactoren nader toe en beschrijven we hoe in de praktijk is omgegaan met de faalfactoren.
3.2
Voortrekkersrol van de gemeente
Een succesfactor voor het ontstaan en functioneren van de proeftuin is de voortrekkersrol die de gemeente Krimpenerwaard hierin heeft gespeeld. Hiervoor was de vorming van de fusiegemeente Krimpenerwaard (2015) cruciaal, want daardoor ontstond meer bestuurlijke slagkracht om een dergelijk groot project als gemeente op te gaan pakken. Ook het Veenweide Innovatie Centrum (VIC) was belangrijk bij het opstarten van de Proeftuin. De eerste ideeën voor een Proeftuin kwamen uit het VIC en werden bestuurlijk opgepakt door de wethouder. Het persoonlijke commitment en de drive van de wethouder, ondersteund door enkele ambtenaren, was een cruciale succesfactor voor het ontstaan van de Proeftuin. Het is bijzonder dat een gemeente zo’n actieve rol speelt in het stimuleren van innovaties in het landelijk gebied. In veel gevallen wordt deze rol overgelaten aan provincie of het Rijk. De gemeente heeft ruim twee miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Proeftuin. Daarnaast is ook de investering van de provincie van belang geweest voor de Proeftuin. Volgens betrokkenen is het uniek dat een gemeente zo’n groot bedrag uittrekt voor een dergelijk project. “Het is een cultuurveranderingstraject. (…) Voor de gemeente was dit wel lastig, omdat ze er minder directe sturing op hadden.
Twee miljoen is veel geld voor een traject waar je niet van tevoren van weet wat eruit gaat komen.” Voor het daadwerkelijk kunnen oogsten van de initiatieven die de Proeftuin, bijvoorbeeld vanuit ‘Mijn Koers’, nu gaat opleveren, is het wel cruciaal dat de gemeente de innovaties ook bestuurlijk blijft steunen en ambtelijk gaat ondersteunen. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan vergunningverlening en het maken van uitzonderingen op de standaardregels indien innovaties niet passen bij de bestaande regels. Daarvoor is het belangrijk dat het gedachtegoed achter de Proeftuin ook breder verankerd wordt in de gemeentelijke organisatie. De wethouder: “Ik ben niet ontevreden, maar stel er verschuiven wat poppetjes in de gemeente, een andere wethouder en minder bestuurlijke aandacht, dan is het maar de vraag of we echt een innovatiecultuur hebben gecreëerd, ook binnen de gemeente.” De voorloperrol van de gemeente heeft overigens ook voordelen voor de gemeente zelf. Zo wordt de gemeente ook door andere partijen gezien als voorloper en daardoor eerder betrokken bij nieuwe beleidsontwikkelingen. Een gemeentemedewerker: “Wij worden nu gezien als voorloper en daardoor ook
Wageningen Environmental Research Rapport 3149
| 23
betrokken bij landelijke trajecten. Als ze een expert op het gebied van bodemdaling nodig hebben, dan halen ze vaak ook de wethouder erbij.”
3.3
Samenstelling stuurgroep en relatie met expertgroep
Bij de start van de Proeftuin is door de gemeente Krimpenerwaard, mede gevoed door het VIC, de keuze gemaakt om in de stuurgroep geen gebiedspartijen zitting te laten nemen. Ook wilde de gemeente een voorzitter van buiten het gebied. Hier waren kennis van de veenweideproblematiek en een positieve gerichtheid op innovatie en vernieuwing van de landbouw, de belangrijkste criteria. De belangrijkste redenen voor het niet betrekken van gebiedspartijen in de stuurgroep waren: (1) de bestaande (organisatorische) verdeeldheid van de agrarische sector in de Krimpenerwaard en (2) de inhoudelijke ambitie om echt te gaan experimenteren met innovatieve ideeën. De verdeeldheid binnen de agrarische sector is ook zichtbaar in het grote aantal verschillende vertegenwoordigende organisaties in de Krimpenerwaard zoals LTO, DWLK, de Weidehof, ASK en de natuurcoöperatie. Deze organisaties laten vaak verschillende geluiden horen. Hierdoor was het lastig om een (representatieve) vertegenwoordiger vanuit de landbouw aan te wijzen. Uiteindelijk is gekozen voor een LTO-vertegenwoordiger in de Stuurgroep, maar wel een van buiten het gebied. Daarnaast bestond bij de gemeente de indruk dat er bij de reguliere landbouworganisaties vanuit het gebied weinig urgentie bestond om echt de polsstok ver vooruit te willen steken (zie verder hoofdstuk 5).
Om de verschillende gebiedspartijen toch actief te betrekken bij de Proeftuin werd een expertgroep opgericht. Voor deze expertgroep was een verbindende rol beoogd. Zowel om ideeën en projecten vanuit de Proeftuin te doen landen in de Krimpenerwaard als om de Proeftuin te voeden met suggesties vanuit het gebied. De meeste betrokkenen zijn het erover eens dat de expertgroep nooit echt goed uit de verf is gekomen. Zo stond de expertgroep lange tijd op (te) grote afstand van de stuurgroep en had deze geen formele rol in de agenda of besluitvorming van de stuurgroep. Daarbij kwam de expertgroep ook pas echt op gang toen de meeste besluiten over concrete projecten al waren genomen. Ten slotte geven enkele deelnemers van de expertgroep aan dat de ideeën die vanuit deze groep werden aangedragen, ook niet of nauwelijks werden opgepakt door de stuurgroep. In 2020 heeft de stuurgroep ervoor gekozen om de samenstelling ervan te veranderen door wel gebiedspartijen uit te nodigen. Concreet ging het om twee vertegenwoordigers vanuit de ASK (die ook al in de expertgroep zaten) als vertegenwoordigers van de landbouw uit het gebied en om een vertegenwoordiger vanuit het waterschap. In dezelfde periode besloot de voorzitter van de Proeftuin ook om op te stappen naar aanleiding van kritiek (zie par. 2.4).