CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.8 Bijlage 3 Eindrapportage monitoring Proeftuin 2017-2021.pdf

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college27.000 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ten tweede dragen ook concrete resultaten van enkele lopende projecten (‘Klei op veen’, ‘Adaptief watermanagement’) bij aan de beweging, omdat ze in de ogen van een aantal ondernemers in het gebied een concreet perspectief bieden. Hierbinnen is een belangrijke rol weggelegd voor de bijeenkomsten van ‘Tour de Boer’ en excursies rondom projecten zoals ‘Weidebuffet met kruiden, ‘Adaptief watermanagement’ en ‘Veenverrijking met klei’. Op die bijeenkomsten komen regelmatig tientallen geïnteresseerden af, waaronder ook veel agrarische ondernemers. Dit draagt bij aan een goede sfeer die positief door lijkt te werken in de hele Proeftuin en het gebied. Ten derde heeft ook het conflict uit 2020 volgens sommige betrokkenen bijgedragen aan de beweging. In eerste instantie lijkt de kritiek vanuit de landbouw vooral de beoogde beweging tot stilstand te brengen. Maar, zo geeft een aantal betrokkenen aan, in tweede instantie heeft deze kritiek ook de betrokkenheid van de landbouw bij de Proeftuin vergroot en daarmee ook bijgedragen aan de beweging. Toch kunnen we ook concluderen dat de beweging van de landbouw nog relatief klein en kwetsbaar is. Daarbij spelen de volgende belemmerende factoren een rol: 1.

De weerstand vanuit het gebied tegen verandering.

2.

Onduidelijkheid over de koers van het gebied.

3.

Beperkte ruimte in de landbouwsector voor experimenteren en vernieuwen.

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 41

5.2.1

Weerstand vanuit het gebied

Volgens betrokkenen bij de Proeftuin ligt een belangrijke belemmering voor de beoogde beweging in de landbouwsector bij de cultuur van de Krimpenerwaard. In het gebied sprake zou sprake zijn van een wat behoudende cultuur waarbij veel mensen wat meer ‘naar binnen gericht zijn’, vaak niet zitten te wachten op veranderingen en deze ‘eigenlijk het liefst buiten de deur willen houden’. Soms wordt dan ook verwezen naar de geschiedenis van de Krimpenerwaard waar, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Alblasserwaard, eerdere pogingen om te komen tot grootschalige ruilverkaveling ook nooit van de grond zijn gekomen. Een voorbeeld van deze weerstand tegen verandering is volgens sommigen ook het feit dat er maar heel weinig boeren in de Krimpenerwaard zijn die biologisch boeren, terwijl dit gezien de natuurlijke condities en de bestaande bedrijfsvoering voor veel ondernemers in principe relatief eenvoudig zou moeten zijn: “toch zitten er in de hele Krimpenerwaard maar drie of vier. Dat heeft mij altijd verbaasd” (lid stuurgroep). Volgens sommigen zijn het “ook vaak dezelfde boeren die je tegenkomt in de projecten. Een relatief kleine groep actieve boeren”. Er is ook nog steeds een groep boeren die kritisch staat tegenover de (projecten uit de) Proeftuin. Wat ook wordt genoemd, is de verdeeldheid in het gebied. “Ik had eigenlijk verwacht dat er meer eensgezindheid zou zijn.

Achteraf misschien wat naïef, omdat de geschiedenis van de Krimpenerwaard juist gekenmerkt wordt door die verdeeldheid. Er is bijna geen streek met zo veel verschillende belangengroepen. De samen verbindende factor en een leider die opstaat en zegt ‘daar moeten we met zijn allen naar toe’, dat zie je niet in de Krimpenerwaard.” Daarnaast constateren sommigen ook dat bepaalde deelnemers bewust niet te veel aandacht wilden genereren voor hun deelname aan projecten vanuit de Proeftuin, juist ook omdat sommige daarvan nog vrij omstreden waren. Dit kan wijzen op sociale druk en wellicht zelfs een ‘onveilige omgeving’ voor vernieuwing. Wanneer mensen te veel opvallen of ‘met hun kop boven het maaiveld uitsteken’, worden ze daar door anderen op aangesproken, en niet altijd in positieve zin: ‘mensen zijn bang voor de omgeving... Als het ze niet zint, dan schijnen ze gewoon bij elkaar langs te rijden’. Dat ‘elkaar aanspreken’ gold zeker ook voor de meer innovatieve projecten waarover nog veel discussie bestond.

5.2.2

Onduidelijkheid over de koers

Een tweede factor die de beweging van de landbouw in het gebied belemmert, is de onduidelijkheid over de (toekomstige) koers voor het gebied. Er lijken momenteel twee duidelijk verschillende perspectieven op de gewenste richting van de beweging van de landbouw naast elkaar te bestaan. Beide perspectieven zijn in essentie gericht op het versterken van de agrarische sector, maar wel in een wezenlijk andere richting. In het eerste perspectief krijgt de (landbouw in de) Krimpenerwaard de komende jaren te maken met een aantal forse veranderopgaven die op het gebied afkomen (onder andere bodemdaling, klimaatverandering, biodiversiteitsverlies). De huidige landbouw is in dit perspectief onvoldoende voorbereid op deze opgaven en heroriëntatie, beweging en innovatie worden gezien als randvoorwaarden voor een toekomstbestendige agrarische sector. Dit perspectief is onder andere terug te vinden bij vertegenwoordigers van de verschillende overheden (gemeente, waterschap, provincie). In het tweede perspectief is er juist sprake van een ‘huidige sterke economische agrarische sector’ en is deze sector vooral gebaat bij het versterken van de bestaande structuur en het optimaliseren van de bestaande bedrijfsvoering. Vanuit dit perspectief worden de financiële middelen uit de Proeftuin ‘te veel ingezet voor projecten die niet tot concrete agrarische structuurversterking leiden’.

Vertegenwoordigers van dit perspectief missen ook een erkenning van het idee dat de bestaande landbouw in het gebied in hun ogen bij uitstek al adaptief is. “Wij doen al aan adaptieve landbouw. Wij boeren ook niet meer zoals 40 jaar terug. Dat heeft met zoveel dingen te maken: wet- en regelgeving, de vraag uit de markt, de mogelijkheden... Je speelt in op hetgeen er is”. In dit verband wordt ook vaak genoemd dat in de Krimpenerwaard van oudsher al onder relatief natte omstandigheden geboerd wordt (in vergelijking met bijvoorbeeld de veenweidegebieden in Friesland) en dat verdere vernatting in dit gebied niet nodig of zelfs onrechtvaardig zou zijn. Ook speelt hier de gedachte dat er in de Krimpenerwaard vanuit de landbouw al een groot ‘offer’ is gebracht waar het gaat om natuurontwikkeling. Bewust of onbewust lijkt hiermee een beeld te ontstaan dat

42 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

(grotendeels) is voldaan aan de beleidsambities voor meer natuur, minder bodemdaling/CO2-uitstoot etc. Nog meer grote veranderingen zijn vanuit dit perspectief niet realistisch/wenselijk. De soms impliciete discussie tussen deze twee perspectieven, en dus ook de onduidelijkheid over de gewenste/verwachte beweging in de Krimpenerwaard, kan het daadwerkelijk in beweging komen van de agrarische sector in de weg staan.

5.2.3

Beperkte ruimte voor landbouwbedrijven om te experimenteren

Een derde belemmering voor beweging is dat de speelruimte van veel ondernemers om nieuwe dingen te gaan doen behoorlijk beperkt is, zowel financieel als qua beschikbare tijd. Deelname aan de Proeftuin wordt ervaren als iets wat extra tijd en energie kost. Dat geldt zowel voor deelname aan de projecten alsook aan allerlei overleggen en vergaderingen. “Je barst van het werk en bent niet op zoek naar iets erbij.” Bovendien leveren veel projecten niet meteen concrete verbeteringen op voor de bedrijfsvoering, waardoor het lastig is om agrariërs te bewegen om hier tijd (en soms ook geld) in te investeren. “Je moet ook wel wat speelruimte hebben, want een echt verdienmodel zit er (nog) niet aan.” En een andere ondernemer stelt dat “het gevoel leeft dat men erg in het verdrukhoekje zit. De boog bij de agrariërs staat gewoon erg gespannen. En als het zo gespannen staat, kan je weinig hebben, denk ik”. Vanuit dat perspectief steekt het sommige ondernemers ook dat er een hoop geld omgaat in de Proeftuin, maar dat het grootste deel hiervan bij de betrokken onderzoekers en adviseurs landt en niet direct bij de ondernemers in het gebied.

5.3

Beweging in de buitenwereld

De Proeftuin zelf had als doel om in de Krimpenerwaard iets in beweging te zetten maar tijdens de looptijd van de Proeftuin was ook de buitenwereld volop in beweging. Sommigen ‘externe’ ontwikkelingen hebben, direct of indirect, ook de nodige impact op de proeftuin en de landbouw in de Krimpenerwaard gehad. Een aantal ontwikkelingen zal ook in de toekomst gevolgen hebben voor de landbouw in de Krimpenerwaard. Enkele van de meest relevante ontwikkelingen zijn: • Natuurnetwerk Krimpenerwaard – In 2019 heeft de gemeenteraad het inrichtings- en bestemmingsplan voor het natuurgebied in de Krimpenerwaard goedgekeurd. Dit heeft grote consequenties voor het beheer, en in het uiterste geval ook eigenaarschap van gronden in het aangewezen natuurgebied. Zo lopen er inmiddels enkele concrete onteigeningsprocedures om de restende verwervingsopgave alsnog te realiseren. Na afronding van de grondverwerving en inrichting van de 2.250 ha nieuwe natuur zal een nieuw beheercollectief Krimpenerwaard het beheer van deze gebieden gaan coördineren. • Stikstofcrisis – Eind mei 2019 deed de Raad van State de uitspraak dat het Programma Aanpak Stikstof niet langer als basis voor toestemming van activiteiten mocht worden gebruikt. Deze uitspraak had per direct grote gevolgen voor activiteiten die stikstof uitstootten en raakte daarmee ook direct aan de agrarische sector en specifiek de melkveehouderij.

De uitspraak leidde landelijk – en ook in de Krimpenerwaard – tot grote onrust in de agrarische sector en boerenprotesten. De politieke besluitvorming op dit dossier is nog volop bezig, maar de voortekenen zijn dat het nieuwe kabinet hierop flink zal willen investeren. • Klimaatakkoord – Eind juni 2019 presenteerde het kabinet het Klimaatakkoord als een nationale uitwerking van de internationale afspraken met betrekking tot klimaatverandering die in Parijs 2015 zijn gemaakt. Onderdeel van dit Klimaatakkoord is een hoofdstuk over Landbouw en Landgebruik, waarin de afspraken voor deze sectoren zijn uitgewerkt (klimaatakkoord.nl). Voor de Veenweidegebieden is een belangrijke rol weggelegd in dit Klimaatakkoord gekoppeld aan een doelstelling om tot 2030 1 Megaton CO2-equivalenten reductie in het veenweidegebied te realiseren. Maatregelen die in het kader van dit akkoord worden genoemd, zijn onder andere: ‘omzetting naar agrarische natuur’, ‘transitie naar natte teelten’, ‘verhogen van het zomerwaterpeil’ ten gunste van weidevogels en technieken voor onderwaterdrainage. Voor een deel zijn dit ook juist de maatregelen die in de Proeftuin tot het nodige verzet leidden (zie ook H2 en par. 5.1.2). Toekomstig klimaatbeleid kan ook gevolgen hebben voor de landbouw in de Krimpenerwaard.

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 43

• Regiodeal bodemdaling Groene Hart – Medio 2019 is een akkoord gesloten over de Regio Deal Bodemdaling Groene Hart. Dit betreft een partnerschap tussen Rijk en regionale partners waarin partijen gezamenlijk inzetten op de ontwikkeling van kennis en handelingsperspectieven om met de gevolgen van bodemdaling om te gaan. Die gevolgen zijn onder andere: de CO2-uitstoot van het landelijk veengebied, inklinking van agrarische gronden en zakkende bodems die tot grote (onderhouds)kosten leiden in het stedelijk gebied. November 2019 is de Regio Deal daadwerkelijk gestart. Rijk en regio investeren gezamenlijk 20 miljoen euro om te werken aan oplossingen via innovatieve projecten. Een deel van de projecten uit de Proeftuin krijgt ook een plek in de Regio Deal. • Corona – Een andere ontwikkeling die ook zeker van invloed is geweest op de gang van zaken in de Proeftuin, was de ‘komst van corona’ (begin 2020) en bijbehorende lockdowns. Dit leidde er noodgedwongen toe dat veel activiteiten van de Proeftuin een tijd lang op een laag pitje stonden. De nadelen hiervan voor de Proeftuin waren heel duidelijk door vertraging in projecten en grote beperkingen in de communicatie binnen en over de projecten. De onlinebijeenkomsten die in de plaats kwamen van de liveactiviteiten, waren in veel gevallen geen volwaardig alternatief.

Meerdere agrarische ondernemers gaven aan moeite te hebben om aan te haken bij de onlinebijeenkomsten van onder andere de expertgroep en het project ‘Mijn Koers’. Toch had de lockdown ook een voordeel voor het proces. De aandacht verschoof tijdelijk naar andere zaken en er kon letterlijk even wat afstand worden genomen van het conflict over de Proeftuin. Dat gaf een soort natuurlijk moment voor de gemoederen om wat te bedaren en om ondertussen ook een aantal aanpassingen in de (organisatie van) de Proeftuin door te voeren (zie hoofdstuk 3). Hoewel deze ontwikkelingen strikt genomen losstaan van de Proeftuin, zijn ze op verschillende manieren wel van invloed geweest op de dynamiek in de Proeftuin. Wat daarbij in de gesprekken met betrokkenen onder andere is genoemd: 1.

Verwarring – De bovenregionale plannen en ontwikkelingen leidden bij de ondernemers in het gebied tot een gevoel van verwarring. Meerdere ondernemers gaven aan door de bomen het bos niet meer te zien. Daarbij is het onderscheid tussen de verschillende trajecten niet altijd duidelijk voor iedereen, mede omdat deels dezelfde personen betrokken zijn en er over vergelijkbare maatregelen wordt gesproken. De Proeftuin wordt door sommigen ook direct geassocieerd met deze trajecten. Soms is dat onbewust. Soms wordt ook een ‘verborgen agenda’ vanuit de Proeftuin verondersteld, bijvoorbeeld waar het gaat om het vernatten van de Krimpenerwaard.

2.

Bijeenkomsten en overleg – Veel van deze ontwikkelingen leidden tot meer bijeenkomsten en overleg. Dit maakte dat het voor de agrarische sector onmogelijk was om alle bijeenkomsten en overleggen bij te wonen en de ontwikkelingen bij te benen. Hierdoor is het soms ook lastig om mensen te vinden om voldoende tijd vrij kunnen/willen maken voor projecten en bijeenkomsten vanuit de Proeftuin.

3.

Onverschilligheid – De grote hoeveelheid plannen en ontwikkelingen leidde bij sommigen ook tot een gevoel van onverschilligheid. Een regelmatig terugkerend geluid is dat mensen wel ‘klaar zijn’ met alles wat van buiten- of bovenaf bedacht wordt en het deels ook naast zich neerleggen.

4.

Verzet – De ontwikkelingen leidden ook tot het nodige verzet, ook tegen de Proeftuin. De landelijke onrust en projecten ten aanzien van het Programma Aanpak Stikstof werden breed gevoeld en gedeeld in de Krimpenerwaard en vanuit de Krimpenerwaard was ook een grote delegatie ondernemers aanwezig bij de protesten op het Malieveld. In het conflict met de ASK speelde weerstand tegen de natuurontwikkeling ook een belangrijke rol. Naast de gedwongen onteigening leidt ook het idee van afplaggen van grond in het natuurgebied tot veel verontwaardiging.

5.

Discussie over aannames in beleid – De verschillende plannen leidden ook tot discussie over de uitgangspunten hierover. Zo was de discussie over bodemdaling een regelmatig terugkerend onderwerp van gesprek in de Proeftuin, waarbij vanuit de agrarische sector veel vraagtekens werden geplaatst bij de bestaande kennis ten aanzien van (de snelheid van) deze bodemdaling. Een terugkerend geluid was dat de rapporten over bodemdaling in de Krimpenerwaard onvoldoende inzicht gaven in lokale omstandigheden en verschillen, waardoor de ernst van de bodemdaling werd overschat.

Wat niet expliciet in de gesprekken met de ondernemers en andere betrokkenen uit de Proeftuin aan de orde is gekomen maar wat wel heel waarschijnlijk is, is dat bovengenoemde ontwikkelingen in de buitenwereld op zijn minst bij een aantal ondernemers ook hebben bijgedragen aan een versterkt bewustzijn en een groter gevoel van urgentie om na te denken over het bedrijf van de toekomst. Zoals een van de ondernemers aangaf: “De tijd dat je doet wat je altijd deed, is wel voorbij. Je kan geen seconde meer stil staan.” Daarmee

44 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

hebben de ontwikkelingen in de buitenwereld, direct of indirect, mogelijk toch ook de voedingsbodem voor de nieuwe ideeën en initiatieven uit de Proeftuin vergroot.

5.4

Beweging van de Proeftuin zelf

Het gezamenlijk leren en onderzoeken wat wel en niet werkt was een belangrijk onderdeel van het proces om de kansen voor adaptieve landbouw in de Krimpenerwaard te verkennen. Dit gezamenlijk leren impliceert ook dat het belangrijk is om gaandeweg mee te kunnen bewegen op de (deels onvoorspelbare) ontwikkelingen en inzichten die onderweg worden opgedaan. Mede hierom is ook gekozen voor een proces van reflexieve monitoring, waarbij reflectie en leren centraal staan. De belangrijkste beweging binnen de Proeftuin is geweest dat de focus langzamerhand is verschoven van een focus op de beweging naar adaptieve landbouw, naar een focus op beweging in het algemeen. Te veel focus vanuit de Proeftuin op een bepaalde vorm van adaptieve landbouw stond de beweging in het gebied juist in de weg en is daarom deels losgelaten. Dit kwam op de volgende manieren tot uiting. Van een gesloten naar meer open werkwijze (zie ook H3) Aanvankelijk was het overgrote deel van het budget van de Proeftuin al belegd in een groot aantal (onderzoeks)projecten. Dit hing mede samen met de aanvraag van het project, de benodigde cofinanciering en de koppeling ‘in kind’ aan bestaande onderzoeksprojecten. Betrokkenen uit de Stuurgroep constateren achteraf dat er daardoor (te) weinig ruimte was voor aanvullende ideeën en projecten vanuit het gebied.

Er was als het ware sprake van een vrij gesloten programma bij aanvang. Dit programma is in de loop van het project alsnog wat meer opengebroken, onder andere door een aantal lopende projecten ‘on-hold’ te zetten. Mede hierdoor kon in de tweede helft van de Proeftuin een nieuw project als ‘Mijn Koers’ worden opgestart en bijvoorbeeld ook een project als ‘Duurzame kavelpaden’. Iets vergelijkbaars geldt voor de directe betrokkenheid van vertegenwoordigers van de agrarische sector en het waterschap in de Stuurgroep. Ook hiervoor is in de tweede helft van de Proeftuin meer ruimte gecreëerd. Van een focus op techniek en inhoud naar de mens en het proces Bij aanvang van de Proeftuin lag het zwaartepunt van de Proeftuin bij (innovatieve) technisch-inhoudelijke projecten. Dit hing samen met het feit dat bij veel van de projecten in eerste instantie onderzoekers ‘in the lead’ waren. En dit was weer deels te verklaren uit de financieringsopzet van de Proeftuin (zie ook par. 3.4). Gaandeweg groeide het besef dat naast de inhoud, ook de persoonlijke omstandigheden en de sociale omgeving van de ondernemers heel bepalend waren voor het welslagen van de projecten.

Gaandeweg is daar vanuit de Proeftuin meer aandacht voor gekomen, onder ander via het project ‘Mijn Koers’, waarin juist deze aandachtspunten centraal stonden, maar ook door in een aantal projecten in te zetten op duo-trekkers, waarin de inhoudelijke expertise van de onderzoekers werd gecombineerd met praktische kennis over de ondernemers van de bedrijfsadviseurs van PPP Agro en Advies. Ook vanuit de reflexieve monitoring is in een aantal sessies met de projectleiders aandacht geschonken aan verschillende dimensies van innovatie (Van den Broek et al., 2020).

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 45

Figuur 5.1

Vier dimensies van maatschappelijke inbedding van innovatie (Van den Broek et al., 2020).

Van sturend naar meer vraag georiënteerd De verschuiving naar een meer open werkwijze met meer focus op de sociaal-maatschappelijke dimensie resulteerde ook in een meer vraaggeoriënteerde werkwijze. Waar in eerste instantie de projecten al grotendeels ‘bedacht’ waren vanuit het programma, kwam er gaandeweg ook meer ruimte voor projecten en projectideeën vanuit het gebied. Het project ‘Mijn Koers’ ging daarin nog een stap verder doordat niet eens de projecten het uitgangspunt vormden, maar de (open) vragen aan ondernemers zoals: ‘Wie ben jij als persoon?’ ‘Wat drijft jou als ondernemer?’ ‘Waar wil je naartoe met jouw bedrijf’ en ‘Wat past bij jou?’ Van vooruitstrevende projecten naar projecten dichter bij de bestaande praktijk Bovengenoemde bewegingen vanuit de Proeftuin hebben geleid tot een toenadering tussen de Proeftuin en agrarische ondernemers vanuit de Krimpenerwaard. Tegelijkertijd heeft het ook geleid tot een gedeeltelijke/geleidelijke verschuiving in de focus van de Proeftuin. Bij aanvang van de Proeftuin was er relatief veel aandacht voor projecten met een meer innovatief karakter. Hoewel een deel van deze meer innovatieve projecten door is blijven lopen, zijn het gaandeweg de projecten die dichter bij de bestaande praktijk staan die het meeste aandacht hebben gekregen.

Die verschuiving in focus is begrijpelijk, omdat agrariërs dreigden af te haken of de Proeftuin zelfs te ‘dwarsbomen/boycotten’. De consequentie is echter ook dat het bij sommige van de betrokkenen van het eerste uur de vraag oproept of er écht een Proeftuin ‘nodig’ was om dit soort projecten te faciliteren/stimuleren én of hiermee vanuit het gebied voldoende (snel) wordt ingespeeld op de maatschappelijke opgaven op het gebied van klimaat, bodemdaling en biodiversiteit. Van aandacht voor de polen naar meer aandacht voor het (stille) midden Begin 2020 bevond de Proeftuin zich op een kritiek punt. Mede naar aanleiding van de boerenprotesten en de brief van de Agrarische Structuurcommissie aan de Stuurgroep, dreigde de situatie te polariseren. Vanuit de reflexieve monitoring is het denkkader polarisatie ingebracht, wat handvaten biedt om met polarisatie om te gaan. Een van die aanknopingspunten is om de aandacht te verleggen van de polen naar het (stille) midden. Bij die verschuiving gaat het erom juist te proberen in gesprek te komen met de mensen die je meestal niet ziet of hoort in de discussie. Voor het traject ‘Mijn Koers’ is per post een open uitnodiging gestuurd naar alle ondernemers in de Krimpenerwaard.

Daarmee is deels ook een nieuw publiek bereikt waarmee het gesprek in eerste instantie niet ging over de (ideeën) van de Proeftuin, maar vooral over de ideeën van de ondernemers zelf.

46 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

Figuur 5.2

Denkkader polarisatie (Bron: Inside Polarisation).

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 47

6

Samenvattende conclusies en lessen voor toekomstige ontwikkelingen in de Krimpenerwaard

In dit hoofdstuk vatten we de belangrijkste conclusies van deze evaluatie van de Proeftuin Krimpenerwaard nog eens samen en geven we enkele aanbevelingen voor het vervolgtraject in de Krimpenerwaard.

6.1

Conclusies

Tussen agrarische structuurversterking en adaptieve landbouw De Proeftuin is ontstaan vanuit het idee om de landbouwsector in de Krimpenerwaard toekomstperspectief te bieden. Dit werd door gebiedspartijen ook gezien als compensatie voor de ingrijpende natuurplannen in de Krimpenerwaard (2.250 ha natuurnetwerk). Het plan vanuit de gemeente om te investeren in agrarische structuurversterking is concreet ingevuld met de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard, waarin aanvankelijk de nadruk lag op innovatieve projecten om de beweging naar adaptieve landbouw in gang te zetten. Gaandeweg is deze koers bijgesteld en meer nadruk gelegd op ‘beweging’ in de agrarische sector met minder nadruk op dé beweging naar adaptieve landbouw. Deze aanpassing van de koers van de Proeftuin is mede op gang gekomen na protesten vanuit de lokale agrarische organisaties begin 2020. De kritiek vanuit deze organisaties was onder andere dat er te veel nadruk lag op verdere vernatting van het gebied en op het doen van onderzoek en te weinig op de concrete vragen (en ontwikkelingen) die belangrijk werden gevonden vanuit de landbouw uit het gebied, zoals investeringen in kavelpaden. Bovendien waren gebiedspartijen niet vertegenwoordigd in de stuurgroep.

De onrust werd versterkt door ontwikkelingen als de besluitvorming over onteigening ten behoeve van het natuurplan, de publicatie van het Panorama Krimpenerwaard en de landelijke stikstofdiscussie. Gemeente als trekker Een succesfactor voor het ontstaan van de Proeftuin was de actieve rol van de gemeente. Daarbij werkte de gemeente inhoudelijk sterk samen met het VIC, dat een belangrijke rol speelde bij de invulling van de Proeftuin. Binnen de gemeente was de voortrekkersrol van de wethouder en enkele ambtenaren cruciaal voor de beslissing om ruim 2 miljoen euro te investeren in een project zonder dat vooraf exact duidelijk was wat de Proeftuin concreet zou gaan opleveren. Daarnaast is ook de investering van de provincie van belang geweest voor de Proeftuin. Voor de toekomst zijn er wel zorgen over de vraag in hoeverre de ervaring om flexibel om te gaan met dit soort adaptieve processen ook al voldoende is ingedaald binnen de gemeentelijke en provinciale organisatie. Stuurgroep en expertgroep In de Proeftuin is aanvankelijk gekozen voor een stuurgroep zonder gebiedsvertegenwoordigers, onder andere omdat het volgens betrokkenen niet mogelijk was om een eenduidige vertegenwoordiger vanuit de landbouw uit het gebied te vinden.

Gebiedspartijen waren wel vertegenwoordigd in de expertgroep, maar de expertgroep stond in de praktijk op te grote afstand van de stuurgroep en er bleef lange tijd onduidelijkheid bestaan over de rol van de expertgroep, waardoor de invloed van deze groep op de Proeftuin beperkt was. In 2020 is ervoor gekozen om toch twee landbouwvertegenwoordigers vanuit het gebied en een vertegenwoordiger vanuit het waterschap toe te laten tot de stuurgroep. Mede hierdoor werd een belangrijk bezwaar vanuit het gebied tegen de Proeftuin weggenomen. Achteraf vinden de meeste betrokkenen dat deze partijen al vanaf de start in de stuurgroep hadden moeten zitten. Anderen geven echter aan dat dit de selectie van meer innovatieve projecten mogelijk moeilijker had gemaakt. Focus op innovatie én ruimte voor gebiedswensen Bij de start van de Proeftuin lag de nadruk op innovatieve projecten en het doen van onderzoek vanuit de focus op de gewenste beweging naar adaptieve landbouw. Onder druk van de kritiek uit het gebied kwam

48 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

vanaf 2020 meer nadruk te liggen op de wensen en behoeften van de agrariërs. Daarbij werd vanuit de Proeftuin meer nadruk gelegd op beweging in het algemeen, zonder daarbij de richting van de beweging voor te schrijven. Met deze verandering in focus slaagde de Proeftuin erin de angel uit de kritiek vanuit het gebied enigszins weg te halen. Belemmerende factor was wel dat het budget vanuit de Proeftuin al bij de start grotendeels was verdeeld over projecten, zodat het lastig was om later nog ruimte te maken voor nieuwe projecten. Communicatie In de Proeftuin is veel aandacht besteed aan communicatie naar de boeren in het gebied, maar ook communicatie naar de inwoners van de Krimpenerwaard en bestuurders en volksvertegenwoordigers van gemeenten, waterschap en provincie hebben aandacht gekregen. Over het algemeen is deze communicatie door veel betrokkenen als positief ervaren en heeft dit het draagvlak voor de Proeftuin versterkt. Ook is in een aantal projecten concreet geleerd van de ervaringen. Daarbij is het waardevol dat de projecten plaatvonden op landbouwbedrijven in het gebied, zodat de deelnemende agrariërs de concrete lessen konden delen met collega’s.

In de praktijk bleek het lastig om over de meer innovatieve projecten openlijk te communiceren, omdat deze soms eerder weerstand dan interesse in het gebied opwekten en het directe nut voor de agrariërs niet altijd evident was. Naarmate bepaalde projecten meer omstreden waren in het gebied, werd open communicatie – en daarmee ook het leren over deze ervaringen – moeilijker. Reflexieve monitoring Binnen de Proeftuin is gekozen voor een vorm van reflexieve monitoring in plaats van een klassieke monitoring op basis van vooraf opgestelde doelen en criteria. In de praktijk is deze reflexieve monitoring door betrokkenen als waardevol ervaren voor het leerproces binnen de Proeftuin en heeft het ook bijgedragen aan tussentijdse koerswijzigingen in de Proeftuin. Wel is ook aangegeven dat de onderzoekers de aandachtspunten, zoals rond de rol van de expertgroep of de rol van projectleiders, soms wat scherper hadden kunnen formuleren en met concretere verbeteropties hadden kunnen komen. Ervaringen met projecten De Proeftuin Krimpenerwaard bestond uit verschillende typen projecten. Ten eerste waren er de innovatieve projecten die relatief ver van de huidige bedrijfsvoering in de Krimpenerwaard afstonden, zoals ‘Natte teelten’ of de oorspronkelijke invulling van het project ‘Passende koe’.

Het initiatief voor deze projecten kwam vooral uit de groep onderzoekers/adviseurs betrokken bij de Proeftuin. Deze projecten leverden weliswaar interessante onderzoeksresultaten op, maar het aanvankelijke idee dat deze projecten ook als bron van inspiratie zouden kunnen dienen voor de bestaande agrariërs om hun bedrijfsvoering aan te passen, kwam beperkt van de grond. Sterker, deze projecten voedden een deel van de onrust in het gebied. Waar de projecten wel doorgang vonden, gebeurde dit meestal op andere manieren dan van tevoren bedacht. Daarbij is bijvoorbeeld een project als ‘Passende koe’ tussentijds aangepast, waardoor het niet meer was gericht op nieuwe koeienrassen die zouden passen bij adaptieve landbouw, maar op het optimaliseren van bestaande rassen op bedrijven die vooral met eigen voer werk(t)en. Daarnaast is er een categorie projecten die redelijk inpasbaar is in de huidige bedrijfsvoering, maar ook (ten opzichte van de huidige praktijk in de Krimpenerwaard) behoorlijk innovatief is, zoals ‘Veenverrijking met klei’, ‘Adaptief watermanagement’ en ‘Kruidenrijk grasland’. Deze projecten zijn ook voornamelijk vanuit de Proeftuin geformuleerd en opgezet. Voor deze projecten is bij een deel van de agrariërs belangstelling.

Met uitzondering van ‘Veenverrijking met klei’ zijn deze projecten op landelijk niveau misschien niet heel innovatief, maar de meerwaarde zit juist in het feit dat de agrariërs in de Krimpenerwaard binnen deze projecten zelf ervaringen op kunnen doen met innovaties en deze ervaringen ook direct kunnen delen en laten zien aan hun collega’s. Verder waren er ook projecten die meer aansloten bij (of uitgingen van) de bestaande bedrijfsvoering en vanuit het gebied zijn aangedragen, zoals ‘Duurzame kavelpaden’ of ‘Met minder druk meer lucht aan de bodem’. Deze projecten waren misschien minder innovatief, maar leverden wel meer praktisch bruikbare resultaten op voor de betrokken agrariërs. Daarmee leidden deze projecten ook tot meer belangstelling en enthousiasme en droegen ze zodoende ook positief bij aan het draagvlak voor de Proeftuin in het gebied.

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 49

Ten slotte had een aantal betrokkenen ook de verwachting dat ‘Mijn Koers’ een bijdrage zou leveren aan het vertalen van de projecten/experimenten vanuit de Proeftuin in de koers van de bestaande agrarische bedrijven in de Krimpenerwaard. Uiteindelijk is ervoor gekozen om in dit project de persoonlijke eigenschappen en drijfveren van de boeren centraal te stellen en niet sterk te sturen op het gebruikmaken van de Proeftuinprojecten. Hierdoor leverde dit project bruikbare resultaten op voor de betrokken agrariërs, maar was verder sprake van een beperkte samenhang met de andere Proeftuinprojecten. Dit roept de vraag op of een dergelijk traject niet beter aan het begin van de Proeftuin had kunnen worden opgestart. Op dat moment hadden de vragen vanuit de boeren rondom bijvoorbeeld korte ketens ook meer sturend kunnen zijn voor de overige projecten binnen de Proeftuin. Beweging in de Krimpenerwaard De Proeftuin heeft een voorzichtige beweging in de agrarische sector binnen de Krimpenerwaard op gang gebracht. Dat is bijzonder, omdat het gebied van oudsher bekendstaat als meer behoudend en conservatief.

De weerstand tegen verandering is wel te verklaren vanuit het feit dat de boeren in het gebied altijd hebben moeten omgaan met de bestaande beperkingen (kleine percelen, hoge waterstanden, smalle wegen), mede doordat er nooit een grootschalige ruilverkaveling in het gebied heeft plaatsgevonden. Inmiddels lijkt grootschalige ruilvervaling en herinrichting vanuit het beleid geen optie meer, maar is er vanuit het gebied ook weerstand tegen het omschakelen naar meer extensieve vormen van landbouw of andere teelten. Voor het proces van de Proeftuin was het cruciaal dat de sterke focus op de gewenste beweging naar adaptieve landbouw in de laatste fase is losgelaten. Daarmee is de koers van de Proeftuin verlegd en is ook de angel uit het conflict met de landbouw gehaald. Dit is echter ook ten koste gegaan van het innovatieve karakter van de Proeftuin. Daardoor is het nog wel de vraag of de ingezette beweging voldoende is om in te spelen op de grote opgaven die op het gebied afkomen vanuit nationaal en provinciaal omgevingsbeleid.

6.2

Aanbevelingen

Begin 2022 wordt de Proeftuin formeel afgerond. De insteek van de Proeftuin was om een beweging in de agrarische sector in het gebied op gang te brengen, zonder de illusie te hebben dat die beweging na 3 à 4 jaar zou zijn afgerond. De slotbijeenkomst van de Proeftuin begin 2022 is er dan ook op gericht om ‘het stokje van de Proeftuin door te geven’, zodat ook de (voorzichtige) beweging in het gebied kan worden gecontinueerd. Vanuit de evaluatie van de Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard komen we tot een aantal aanbevelingen voor toekomstige gebiedsprocessen in dit gebied. De aanbevelingen zijn in eerste instantie gericht op het gebiedsproces dat de gemeente Krimpenerwaard is gestart, maar zullen in de meeste gevallen ook van toepassing zijn op vergelijkbare processen in andere gebieden. Betrek gebiedspartijen vanaf de start In de Proeftuin is aanvankelijk een (weloverwogen) keuze gemaakt om gebiedspartijen op afstand te houden van de directe aansturing van het programma. De expertgroep was bedoeld om te zorgen voor verbinding tussen de Proeftuin en het gebied, maar achteraf bleek deze afstand toch te groot. Dit droeg bij aan een bepaalde mate van argwaan en verzet en ook zorgde het ervoor dat kennis vanuit het gebied niet altijd werd meegenomen in de Proeftuin.

De ervaringen uit de Proeftuin leidden tot de aanbeveling om bij (gebieds)processen in het vervolg gebiedspartijen vanaf het begin meer direct bij de opzet en organisatie te betrekken. In de Krimpenerwaard is dit nu ook gebeurd bij de gebiedsprocessen die in het kader van de veenweidestrategie zijn opgestart. Vanuit de trekkers van een gebiedsproces vraagt dit om een toenadering tot de gebiedspartijen en een bepaalde mate van flexibiliteit in de organisatie. Tegelijkertijd mag ook van de gebiedspartijen gevraagd worden dat zij zich (onderling) weten te organiseren en openstaan voor ideeën en initiatieven van buitenaf. Investeer blijvend in het gesprek en de relatie met gebiedspartijen Het sentiment ten aanzien van de Proeftuin is in de afgelopen anderhalf jaar voorzichtig gekanteld. Van een aanvankelijk vaak afwachtende houding via een periode van weerstand is er de laatste tijd sprake van meer

50 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

positieve energie en beweging. Een van de uitdagingen is om de ontstane energie en beweging vast te houden. Daarbij is het goed om zich te realiseren dat het positieve sentiment nog kwetsbaar lijkt en in principe snel weer kan omslaan. In veel van de gesprekken met ondernemers klinkt nog steeds een kritische ondertoon ten aanzien van onder andere de urgentie van sommige opgaven (stikstof, klimaat, bodemdaling), nut en noodzaak van sommige van de projecten uit de Proeftuin en het idee dat heel veel mensen profiteren van alle trajecten, maar de boeren zelf nog het minst. Om gevoel te houden met wat er leeft in het gebied, is het belangrijk om met elkaar in gesprek te blijven; niet alleen over de technische maatregelen en inhoudelijke (onderzoeks)resultaten, maar ook over de meer persoonlijke omstandigheden, perspectieven en drijfveren van betrokken partijen. In de loop van de Proeftuin is gaandeweg meer in dit soort gesprekken geïnvesteerd. Het project ‘Mijn Koers’ heeft daarin een belangrijke rol gespeeld, maar ook in de andere projecten hebben onderzoekers en adviseurs geprobeerd om het gesprek te verbreden en daarmee de relatie met gebiedspartijen te verdiepen. Een aanbeveling voor toekomstige gebiedsprocessen in de Krimpenerwaard is om hierop voort te bouwen, bijvoorbeeld door een project als ‘Mijn Koers’ te continueren.

Dit soort trajecten en gesprekken zijn zeker niet altijd eenvoudig en vragen om een investering van tijd, aandacht en energie. Tegelijkertijd is het cruciaal voor een beter wederzijds begrip en lijkt het ook een randvoorwaarde om weg te komen van polarisatie. Duidelijkheid over ambitieniveau – waar moet/gaat het eigenlijk naartoe? Voor een gebiedsproces in de Krimpenerwaard is het belangrijk dat duidelijkheid bestaat over de beleidsdoelen voor dit gebied en de termijnen waarop deze moeten worden gerealiseerd. Het is belangrijk dat Rijk en provincie Zuid-Holland meer duidelijkheid geven over hoe de nationale en (boven)regionale beleidsdoelen vanuit het omgevingsbeleid concreet vertaald (zullen) worden naar de Krimpenerwaard. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over de beoogde bijdrage aan realisatie van doelen als stikstofreductie, natuurrealisatie en CO2-reductie/voorkomen bodemdaling en de termijn(en) waarop deze doelen moeten zijn gerealiseerd. Uit onze analyse komt naar voren dat het gevoel van urgentie ten opzichte van de toekomstige opgave voor de Krimpenerwaard heel erg verschilt. Het gevoel vanuit het gebied is veelal dat de Krimpenerwaard met de realisatie van de natuuropgave en de al relatief hoge waterstanden nu eigenlijk ‘wel klaar is’. Veel boeren in het gebied zouden het liefst doorgaan op de huidige weg.

Vanuit de omgeving (overheden, onderzoekers, adviseurs etc.) bestaat veel meer het beeld dat de transitie van de landbouw in het algemeen en in het veenweidegebied in het bijzonder, voor een (groot) deel nog moet beginnen. Vanuit dit perspectief is de Proeftuin ook gestart met een focus op de beweging naar adaptieve landbouw en de nadruk op innovatieve projecten. Zolang de duidelijkheid over de betekenis van de nationale beleidsdoelen op het gebied van stikstofreductie, natuur, kringlooplandbouw en klimaat voor de Krimpenerwaard ontbreekt, is het lastig om te bepalen of het voortzetten van de huidige, voorzichtige beweging in de Krimpenerwaard nu voldoende is om op termijn de beleidsambities te halen of dat een veel grotere beweging noodzakelijk is. Het is dus cruciaal voor toekomstige gebiedsprocessen in de Krimpenerwaard dat er duidelijkheid komt over de belangrijkste beleidsambities en dat er hier ook concrete afspraken met de gebiedspartijen over worden gemaakt. Hiervoor is het zaak dat er vanuit de Nationale en Regionale overheden zo snel mogelijk duidelijkheid komt hoe de actuele beleidsdoelen worden vertaald naar de praktijk van de Krimpenerwaard. De uitwerking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied kan hierover mogelijk meer duidelijkheid verschaffen.

Combineer innovatie met praktische projecten Een Proeftuin kan een instrument zijn om een gebied in beweging te krijgen door het opzetten van verschillende innovatieve projecten en experimenten. Dit kan gedachtevorming over de toekomstige rol en vorm van de landbouw in een gebied op gang brengen. De ervaring uit de Proeftuin leert echter ook dat een te eenzijdige focus op dit soort innovatieve projecten weerstand kan oproepen. Ook weerstand en protesten kunnen een manier zijn om het gebied in beweging te krijgen, maar het kan open discussies en leren ook in de weg zitten. Innovatieve projecten en experimenten vragen immers ook om een sociaal veilige omgeving. Het is verstandig om meer innovatieve projecten te combineren met meer praktische projecten die beter aansluiten bij de bestaande bedrijfsvoering. Ruimte laten voor dit soort praktische projecten die ook invulling

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 51

geven aan concrete vragen en behoeften vanuit het gebied, kan uiteindelijk ook het draagvlak voor de Proeftuin als geheel (en dus ook voor de meer innovatieve projecten) versterken. Indien de vragen niet direct uit het gebied komen, is een extra inspanning nodig om deze vragen op te halen en/of te vertalen naar concreet uitvoerbare projecten of experimenten. Tegelijkertijd is het voor een Proeftuin ook belangrijk om niet alleen praktische projecten te starten, maar juist ook ruimte te laten voor innovatieve projecten die het denken oprekken en leiden tot nieuwe inzichten. Bij deze verbinding tussen meer innovatieve ontwikkelingen, vormen van onderzoek én activiteiten die aansluiten bij de bestaande praktijk, is een belangrijke verbindende rol weggelegd voor intermediairs die kunnen schakelen tussen verschillende werelden van onderzoek/innovatie en individuele bedrijven/gebiedspartijen. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om bedrijfsadviseurs of andere gebiedspartijen die regelmatig op het boerenerf komen en die daarnaast voeling hebben met de actuele beleidsopgaven en innovatieve ontwikkelingen in het onderzoek. Omdat dit niet altijd in één persoon verenigd wordt, is een alternatief om in te zetten op samenwerkingsverbanden waarin praktijk en innovatie/onderzoek bij elkaar komen.

Sociale rechtvaardigheid naast effectiviteit De Krimpenerwaard is een voorbeeld van een veenweidegebied waarin al jarenlang ervaring is opgedaan met ondernemen met relatief hoge waterstanden en binnen een relatief kleinschalige verkaveling. Een deel van de weerstand tegen nieuwe ontwikkelingen in de richting van nog hogere waterstanden of meer natuur kan worden verklaard uit het gevoel dat er (te) weinig waardering is voor de bestaande praktijken en bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld in vergelijking met andere veenweidegebieden, zoals de Alblasserwaard en Friesland). Veel boeren geven aan dat ze al veel goed doen voor natuur en landschap, maar dat dit vaak niet wordt gezien en/of erkend. Ook het gevoel dat de lokale kennis uit het gebied, bijvoorbeeld over bodemdaling, soms te weinig wordt gezien en meegenomen, speelt een rol. Wij benadrukken met dit punt rondom sociale rechtvaardigheid dat het belangrijk is om niet alleen boeren te belonen die omschakelen, maar om ook boeren die nu al onder bepaalde voorwaarden hun bedrijf runnen, te waarderen. Het is misschien niet direct kosteneffectief om een beloning toe te kennen aan boeren die al werken met bijvoorbeeld hoge waterstanden, maar vanuit een perspectief van sociale rechtvaardigheid is dit juist een zeer verstandige investering, omdat de inzet van deze boeren daarbij ook erkend wordt.

Anders loop je het risico dat voorlopers op bepaalde vlakken niet beloond worden, terwijl hun inzet juist heel belangrijk is om het gebied mee te krijgen en ook erkenning verdient. Daarbij kan het ook het draagvlak voor toekomstige ingrepen versterken indien deze waardering wordt vertaald in concrete beloningen. Erken lokale gebiedskennis en bevorder kennisuitwisseling tussen wetenschap en praktijk Er zit veel gebiedskennis er praktische ervaring bij de boeren en andere lokale partijen uit de Krimpenerwaard. Het meenemen van dergelijke kennis (naast wetenschappelijke inzichten) kan helpen om een beter beeld te krijgen van de lokale situatie en om meer geïnformeerde beslissingen te nemen. De Proeftuin koppelde wetenschappelijke kennis aan praktische ervaringen van ondernemers en heeft daarbij laten zien dat boeren, onderzoekers en adviseurs veel van elkaar kunnen leren. Juist de kruisbestuiving tussen wetenschappelijke kennis en praktische gebiedskennis heeft meerwaarde voor een gebiedsproces. Een voorbeeld van een methode om dit te stimuleren, is bijvoorbeeld participatieve monitoring, waarbij verschillende belanghebbenden gezamenlijk kennis verzamelen en uitwisselen. Het samenbrengen van verschillende soorten kennis en de erkenning van elkaars inzichten kan ook bijdragen aan wederzijds begrip.

Het erkennen van kennis vanuit het gebied doet bovendien recht aan de expertise van boeren en lokale organisaties binnen en buiten de landbouw. Een aanbeveling voor toekomstige gebiedsprocessen in de Krimpenerwaard is om de lokale ervaringen en kennis over het boeren met onder andere hoge waterstanden en een niet optimale verkaveling mee te nemen in de planvorming. Door in zo’n context voortdurend het gesprek aan te gaan én samen te werken aan kennisvragen, ga je elkaar begrijpen en kom je tot een gezamenlijk begrip van waar je naartoe wilt én wat daarvoor nodig is. Neem ook de omgeving mee De Proeftuin heeft ook laten zien dat het op gang brengen van de beweging in de Krimpenerwaard niet alleen afhankelijk is van de medewerking van individuele agrariërs. Het is belangrijk om ook de omgeving mee te

52 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

nemen in deze trajecten. Daarbij valt te denken aan erfbetreders (leveranciers, afnemers, adviseurs) die soms nog adviseren en denken vanuit bestaande kaders en praktijken in plaats vanuit de toekomstige opgaven. In de Proeftuin is bijvoorbeeld nagedacht over de mogelijkheid om deze doelgroep actief bij een project als ‘Mijn Koers’ te betrekken of zelfs een specifiek project voor deze groep te organiseren. Ook voor overheden is hierin een belangrijke rol weggelegd. Indien er daadwerkelijk beweging en innovatie op gang komt en dit ook leidt tot concrete aanvragen en projecten, is hierin vaak ook een rol van gemeente, provincie en/of waterschap weggelegd. Dit vraagt om een actieve en meedenkende rol van deze overheden, die verdergaat dan de klassieke rol als toetser en vergunningverlening. In de Proeftuin zijn enkele projecten gestart die waren gericht op kennisontwikkeling bij gemeenteambtenaren. Het is belangrijk om dergelijke vormen van kennisontwikkeling bij de lokale overheid én de ervaring van het adaptief werken ook daadwerkelijk te borgen. Ten slotte is er ook een rol voor de verdere omgeving, zoals omwonenden, recreanten en natuurbeschermers. In de Proeftuin is hier slechts beperkt aandacht voor geweest, maar in een vervolgproces spelen deze partijen wel degelijk een belangrijke rol.

Het is dus ook verstandig dat individuele ondernemers zich bewust zijn van hun omgeving en hier ook rekening mee houden/het gesprek aangaan. Tot slot De Proeftuin Trots op de Krimpenerwaard staat niet op zichzelf, maar heeft veel raakvlakken met andere actuele (transitie)opgaven, ontwikkelingen en gebiedsprocessen in het landelijk gebied. In veel van die trajecten is sprake van een delicaat evenwicht tussen de ambitie om snel tot veranderingen te komen en het risico om daarbij mensen onderweg kwijt te raken. Het managen van de beweging in dit soort processen is een vak apart. Een belangrijke les voor overheden is om, ondanks de druk, toch voldoende tijd voor dit soort gebiedsprocessen te nemen. Deze tijd is nodig om mensen daadwerkelijk de kans te geven een beweging ‘mee te maken’. Wie hieraan te snel voorbijgaat, loopt een groot risico onrust, weerstand en polarisatie te vergroten en uiteindelijk ook vast te lopen in de beoogde veranderingen. Uiteraard is alleen ‘tijd nemen’ niet voldoende. Die tijd moet vervolgens ook wel goed benut worden om te proberen verbinding te maken met betrokkenen uit de praktijk. Bij het maken van deze verbinding is het in ieder geval van belang dat er ruimte is voor een écht gesprek en interactie, waarin de verschillende partijen zich gezien en gehoord voelen.

Om te zorgen dat de boodschap niet alleen gehoord wordt maar ook daadwerkelijk aankomt, is het daarbij belangrijk om je zo goed mogelijk te proberen te verplaatsen in de ander. Dit betekent bijvoorbeeld dat ‘hoog-over’ beleidsvoornemens zo concreet vertaald moeten worden naar de praktijk, in woord én in consequenties voor de betrokkenen. Bovenstaande betekent geenszins dat beweging in gebiedsprocessen zonder slag of stoot zal gaan. Integendeel, de (ruimtelijke) opgaven waar het landelijk gebied voor staat, raken veel partijen en zullen onherroepelijk ook pijn gaan doen en tot weerstand leiden. De ervaring uit de Proeftuin laat echter zien dat ook weerstand kan worden omgezet in beweging. Daarvoor is het wel belangrijk dat overheden het voortouw durven nemen, leiderschap tonen en risico’s durven lopen, bijvoorbeeld waar het gaat om de inzet op innovatieve projecten of het maken van omstreden keuzes.

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 53

Literatuur

Breman, B, Kuindersma, W., Mattijssen, T., Savelkouls, C., Nuesink, N. (november 2020). Proeftuin Trots op Krimpenerwaard. Procesrapportage reflexieve monitoring. Fase 4. Maart 2020 – November 2020 Breman, B, Mattijssen, T., Savelkouls, C., Nuesink, N. (maart 2020). Proeftuin Trots op Krimpenerwaard. Procesrapportage reflexieve monitoring. Fase 3. Oktober 2019 – maart 2020 Breman, B, Mattijssen, T., Savelkouls, C. (september 2019). Reflexieve procesbeschrijving Proeftuin Trots op Krimpenerwaard. Fase 2: februari 2019 – september 2019 Breman, B, Mattijssen, T., Savelkouls, C. (februari 2019). Reflexieve procesbeschrijving Proeftuin Trots op Krimpenerwaard. Fase 1: oktober 2018 – februari 2019 CBS, 2018. Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar gemeente. Gewijzigd op: 19 november 2021: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80781ned/table?dl=1F438 College van Rijksadviseurs, 2020. Op weg naar een new deal tussen boer en maatschappij. Pilot landschapsinclusieve landbouw Krimpenerwaard. https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/wpcontent/uploads/2020/05/Kleibagger-als-bodemverbeteraar.pdf Kuindersma, W., E. de Wit - de Vries, F.G. Boonstra, M. Pleijte, D.A. Kamphorst (2020a).

Het Nederlandse natuurbeleid in zijn institutionele context; Beschrijving en analyse van de interne en externe congruentie van het Nederlandse natuurbeleidsarrangement in relatie tot landbouwbeleid, waterbeleid (voor de grote rivieren) en recreatiebeleid (1975-2018). WOt-technical report 187 Kuindersma, W., D. van Doren, R. Arnouts, D.A. Kamphorst, N. Nuesink & E. de Wit (2020b). Realisatie Natuurnetwerk door provincies. Achtergrondstudie bij de Tweede Lerende Evaluatie Natuurpact, WUR en PBL. WOt-technical report 174. Proeftuin Krimpenerwaard (2021a). Proeftuin Krimpenerwaard: samen vormgeven aan landbouw met toekomstwaarde. https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/ Proeftuin Krimpenerwaard (2021b). Adaptief watermanagement in de Krimpenerwaard; wat laten de pilots zien? https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2020/09/PKW-Factsheet-Adaptief watermanagement-092020-ONLINE.pdf. Proeftuin Krimpenerwaard (2021c). Factsheet extensief Kruidenrijk Grasland. https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2021/10/PKW-Factsheetextensiefkruidenrijkgrasland-092021-online.pdf Proeftuin Krimpenerwaard (2021d). Factsheet doorzaaien van kruiden. https://proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2021/10/PKW-Factsheet-kruidenrijkdoorzaaien092021-online.pdf Proeftuin Krimpenerwaard (2020a). Organisatiestructuur Proeftuin Krimpenerwaard. Proeftuin Krimpenerwaard (2020b).

Krimpenerwaarde-krant, Wintereditie 2020. https://Proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2020/12/WHA-12063-krimpenerwaardekrantEditie-3_web_Spreads.pdf Proeftuin Krimpenerwaard (2019). Krimpenerwaarde-krant, Wintereditie 2019. https://Proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2019/12/Krimpenerwaardekrant-Winter2019.pdf Proeftuin Krimpenerwaard (2018). Krimpenerwaarde-krant, Wintereditie 2018. https://Proeftuinkrimpenerwaard.nl/wp-content/uploads/2019/12/KrimpenerWaardekrant-winter-2018s.pdf Van Agtmaal, M. Joachim Deru, Jeroen Pijlman, Ruud van Uffelen en Frank Lenssinck (2020). Kleibagger als bodemverbeteraar. Veenverrijking met klei voor vermindering bodemdaling en CO2 emissie in de veenweiden. Van den Broek, J., I. van Elzakker, T. Maas en J. Deuten (2020). Voorbij lokaal enthousiasme – Lessen voor de opschaling van living labs. Den Haag: Rathenau Instituut Van Mierlo, B., Regeer, B., van Amsterl, M., Arkesteijn, M., Beekman, V., Bunders, J., de Cock Buning, T., Elzen, B., Hoes, A., Leeuwis, C., (2010). Reflexieve monitoring in actie. Handvatten voor de monitoring van systeeminnovatieprojecten. Versie 1, 2010. ISBN: 978-90-8585-745-7 Van Rooy, 2018. Panorama Krimpenerwaard

54 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

Bijlage 1

Overzicht projecten Proeftuin

Jaarplan 2021

Nr

Project

1

Schetsen transitie Krimpenerwaard

2018

2019

2020

2021

Regiodeal

2

PPT Gezonde Bodem

2

3

Grip op draagkracht

3

4.1

PPT Onderwaterdrainage

4.2

Monitoring adaptief watermanagement

5.1

Veenverrijking met klei

5.2

Klei op veen

6

Adaptieve jongvee opfok

7.1

Adaptief weiden in het veenweidegebied

7.2

Adaptief weiden in het veenweidegebied

8

Weidebuffet met kruiden

9

PPT Adaptief bemesten

12

12

Haalbaarh.onderz. Verwaarding Big5

13

13

PPT Bron van voedsel

14

14.1

PPT Natte teelten

15

14.2

Natte teelten vervolg

16

15

DuurzaamheidsData Krimpenerwaard

17

16

Communicatie

18

17

Programmamanagement

19

17A

Expertgroep

18

Monitoring van de Proeftuin

19

Zon in de KRW

20

Adaptieve Denktank en Beeldbank

JA

23

24

Passende koe

JA

24

29.1

Pilot adaptieve landbouw incl. Mijn Koers

29.2

Uitbreiding Mijn Koers

30

Netwerk duurmelken KRW

27

31

(Krimpener)Waardemakers

28

34

Kansen voor hooi(melk)?

29

35

Grondslag water

30

36

Met minder druk meer lucht aan de bodem

31

37

Duurzame kavelpaden op veengrond

32

38

Energierijk gewas telen op veengrond

33

JA

1

4 JA JA

5 6 7 8

JA JA

9 10 11

20 JA

21 22

JA

25 26

PPT=pre-Proeftuinproject KRW=Krimpenerwaard

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 55

Bijlage 2

Samenstelling Stuurgroep

Organisatie

Naam

Rol

Persoonlijke titel

Sjaak Hoogendoorn

Voorzitter 2018 – 2020

Persoonlijke titel

Arie Verhorst

Voorzitter 2020 – 2022

VIC

Frank Lenssinck

Programmatrekker

LBI

Monique Bestman

Projectsecretaris

Gemeente Krimpenerwaard

Henny de Jong

Lid Stuurgroep

Provincie Zuid Holland

Bert Mens

Lid Stuurgroep

Waterschap HHSK

Jan Oostdam

Lid Stuurgroep

ASK

Gerrit Boer

Lid Stuurgroep

ASK

Marc Verdoold

Lid Stuurgroep

Persoonlijke Titel

Wiebren van Stralen

Lid Stuurgroep

Gemeente Krimpenerwaard

Jan Vente (niet in stuurgroep)

Verantwoordelijk wethouder gemeente Krimpenerwaard

56 | Wageningen Environmental Research Rapport 3149

Wageningen Environmental Research Rapport 3149

| 57

Wageningen Environmental Research

De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of

Postbus 47

nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research

6700 AA Wageningen

bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van

T 0317 48 07 00

Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing van

wur.nl/environmental-research

belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met ongeveer 30 vestigingen, 6.800 medewerkers (6.000 fte) en 12.900 studenten

Wageningen Environmental Research

behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende

Rapport 3149

kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de

ISSN 1566-7197

vraagstukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen aanpak.

Wageningen Environmental Research

De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of

Postbus 47

nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research

6700 AB Wageningen

bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van

T 0317 48 07 00

Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing

wur.nl/environmental-research

van belang­rijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met ongeveer 30 vestigingen, 6.800 medewerkers (6.000 fte) en 12.900 studenten

Rapport 3149

behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende

ISSN 1566-7197

kennis­instellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraag­­­­­ stukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen aanpak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=18e5753c-aa92-4543-91f0-e3ad226c7a57