1.3 Bijlage - Integrale VTH-nota ODMH 2023-2026 977959
Tekst van het document
20
• • • •
Handhavings- of incidentbevindingen daar aanleiding toe geven; Regionale aspecten daartoe aanleiding geven (denk aan bodemdaling); Jurisprudentie daartoe aanleiding geeft; De actuele situatie bij het bedrijf aanleiding geeft tot het aanpassen van de vergunning
Ook als de regelgeving ongewijzigd blijft, worden de vergunningen voor mba’s met aandachtsgebieden voor externe veiligheid (op grond van het Bkl (instructieregels voor externe veiligheid) en het Bal (algemene rijksregels)), in ieder geval eenmaal per vijf jaar getoetst op actualiteit. Deze bedrijven slaan grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen op die bij calamiteiten en brand grote risico’s kunnen vormen voor de omgeving. Vergunningen van alle andere bedrijven worden tenminste eenmaal per tien jaar getoetst op actualiteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.38 van de Omgevingswet, op grond waarvan het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn. De actualisatietoets bevat in ieder geval de thema’s veiligheid, duurzaamheid en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).
4.3.1. Actualisatieprogramma Jaarlijks wordt in overleg met de gemeente een actualisatieprogramma opgesteld. Bij de totstandkoming van het actualisatie-programma wordt in ieder geval betrokken: • Politiek bestuurlijke prioriteiten; • De resultaten van de actualisatietoets; • Bevindingen van toezicht en handhaving.
4.3.2. Revisie Als uit de actualisatie blijkt dat sprake is van een onoverzichtelijke vergunningssituatie, bijvoorbeeld omdat er na een wijziging van een bedrijf nieuwe en oude vergunningen van kracht zijn, kan het bevoegd gezag een revisievergunning verlenen. Alle bestaande vergunningen worden dan samengevoegd tot 1 overzichtelijke vergunning. Dit is in het belang van een doelmatige uitvoering en handhaving. De revisievergunning wordt ambtshalve verleend. Een revisievergunning kan wel gecombineerd worden met een vergunning op aanvraag. Ook kan een revisie gecombineerd worden met het wijzigen van vergunningvoorschriften of het intrekken van een omgevingsvergunning.
4.4. Intrekken van vergunningen De ODMH streeft ernaar om de vergunningen van bedrijven die gestopt zijn met hun activiteiten in te trekken. Het actief intrekken van vergunningen draagt bij aan een actueel vergunningenbestand. Als het bedrijf nadat het gestopt is niet zelf een verzoek om intrekking doet, wordt de vergunning een jaar na beëindiging ingetrokken (artikel 5.40, tweede lid, onder b, Omgevingswet). Een vergunning wordt ook ingetrokken als de activiteiten van een bedrijf in strijd zijn met de beoordelingsregels in paragraaf 8.5.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en wijziging van de vergunningvoorschriften niet helpt. Verder wordt de omgevingsvergunning ingetrokken als het bedrijf de Beste Beschikbare Technieken (BBT) niet langer toepast en actualisering van de vergunning hierbij niet helpt (artikel 8.100, onder a, van het Bkl).
4.5. Het opstellen van voorschriften De vergunningen voor milieubelastende activiteiten bevatten vooral doelvoorschriften. Hierbij kunnen bedrijven zelf invulling geven aan de manier waarop aan de verplichtingen kan worden voldaan. Dit past in de visie van de wetgever die uitgaat van maatschappelijke verantwoordelijkheid en zelfsturing van Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
21
bedrijven. Ook zijn afspraken gemaakt met bedrijven over deregulering en vermindering van administratieve lasten. Keerzijde is dat bij bedrijven die de vergunningsvoorschriften slecht naleven doelvoorschriften vaak moeilijker handhaafbaar zijn. Het kost vaak meer tijd en vaker moet een sanctietraject worden ingezet. In dat geval worden middelvoorschriften alsnog opgelegd. Deze geven het bedrijf minder ruimte en meer duidelijkheid. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning worden ten minste de Beste Beschikbare Technieken (BBT) als uitgangspunt genomen. Bedrijven bepalen zoveel mogelijk zelf hoe ze dat bereiken. Middelvoorschriften worden opgelegd wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag of als doelvoorschriften niet toereikend zijn.
4.5.1. Inhoudelijke voorschriften Naast de bekende thema’s als ruimtelijke inpassing, geluid, bodem, geurhinder en veiligheid zijn ook de bescherming van biodiversiteit, het terugdringen van de uitstoot van stikstof en duurzaamheid belangrijke onderwerpen bij vergunningverlening. Door het stellen van voorschriften aan vergunningen wordt op veilige wijze gebouwd en worden milieubelangen gewaarborgd. De voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend dienen duidelijk en toegankelijk te zijn voor bewoners, bedrijven en overheden. In het kader van milieubelangen streven wij er naar om in de nabije toekomst de vergunningensituatie van bedrijven digitaal algemeen beschikbaar te stellen.
4.5.2. Maatwerkvoorschriften Naast voorschriften die aan een vergunning worden verbonden, kunnen ook voorschriften worden vastgesteld voor activiteiten die onder algemene regels vallen. Dit kan in een zogeheten maatwerkbesluit. Bij bijvoorbeeld de volgende milieuonderwerpen zijn maatwerkvoorschriften aan de orde: • Bodem: De slechte draagkracht van de bodem en de continue bodemdaling leiden in nagenoeg de hele regio tot verzakkingen. De slechte draagkracht in de regio is vooral een risico voor ondergrondse leidingen en bouwwerken, zoals rioleringen. Bij ongelijke verzakkingen kunnen leidingen afbreken en kunnen vloeistoffen de bodem indringen. Om deze reden hebben de gemeenten de beleidsnotitie “Beleidsregels voor bodemonderzoek bij bedrijven” vastgesteld om grondwatermonitoring toe te passen bij olie-/benzineafscheiders (obas). Alle bedrijven in de regio Midden-Holland die een obas hebben en gelegen zijn in zettingsgevoelig gebied zijn hiertoe verplicht. • Geluid: Specifieke geluidsgrenswaarden die noodzakelijk zijn voor het zonebeheer van een industrieterrein of bedrijventerrein worden met maatwerkvoorschriften opgelegd. • Afvalwater: Een vetafscheider is verplicht bij het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het bereiden van voedingsmiddelen in horecagelegenheden.
Met maatwerk kan van deze verplichting worden afgezien als er geen of zeer beperkt vethoudend afvalwater ontstaat. Zie het beleidskader hieronder in 4.5.2.1.
4.5.2.1. Beleidskader afzien van vetafscheiders Bij het bereiden van voedingsmiddelen, inclusief het afwassen van bestek en kookgerei en het schoonmaken van de keuken, komt een hoeveelheid vethoudend afvalwater vrij. Dit vet kan stollen in het riool en het riool verstoppen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht bedrijven daarom om een vetafscheider te plaatsen om de lozing van vethoudend afvalwater te voorkomen. Dit staat in artikel 3.131 lid 4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
22
In bijzondere gevallen is een vetafscheider niet nodig. Bijvoorbeeld wanneer er bij het bereiden van voedingsmiddelen geen vetten of oliën worden gebruikt of slechts kleinschalig of incidenteel voedingsmiddelen worden bereid. In deze gevallen kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift een ontheffing verlenen van de verplichting tot het plaatsen van een vetafscheider. Dit staat in artikel 3.131 lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De ODMH hanteert de volgende criteria om te beoordelen of een bedrijf in aanmerking komt voor een maatwerkvoorschrift voor het lozen zonder vetafscheider: • Wordt er in de inrichting gebakken, gebraden en/of gegrilld? • Wordt er vaker dan 12 dagen per jaar gefrituurd in één (of meer) friteuse(s) met een (gezamenlijke) inhoud groter dan 9 liter? • Indien er vaker dan 12 dagen per jaar wordt gefrituurd is er geen sprake meer van een incidentele bedrijfssituatie; bij een friteuse met een inhoud van meer dan 9 liter is er sprake van grootkeukenapparatuur en is dit niet aan te merken als kleinschalige voedingsmiddelenbereiding. • Worden voedingsmiddelen binnen de inrichting geserveerd op servies voor meer dan 15 zitplaatsen? • Er is sprake van een kleinschalige faciliteiten indien er voorzieningen aanwezig zijn (zitplaatsen en tafels) voor maximaal 15 personen.
Dit sluit aan bij de grens die wordt gehanteerd in Bijlage 1, onderdeel C, categorie 18.2 van het Besluit omgevingsrecht. Het uitgangspunt is dat indien twee van de drie vragen met “ja” zijn beantwoord, er geen sprake is van een geringe lozing van vethoudend afvalwater. Er staat dan vast dat er een hoeveelheid vethoudend afvalwater vrijkomt, omdat er vetten en oliën worden gebruikt bij het bereiden van de voedingsmiddelen en die na het afwassen en schoonmaken in het riool terechtkomen. Om rioolverstoppingen te voorkomen is een vetafscheider noodzakelijk. Ontheffing van deze verplichting is dan niet mogelijk. Onder de Omgevingswet kunnen deze uitgangspunten worden voortgezet.
4.6. Proefnemingen Het zoeken naar verbeteringen van be- en verwerkingsmethoden is een terugkerend aandachtspunt bij veel bedrijven. Goedgekeurde alternatieven kunnen bijdragen aan een vermindering van de belasting van het milieu. Die bedrijven willen dan graag de mogelijkheid om gedurende korte tijd proefnemingen uit te voeren. Daarmee kan het bedrijf informatie krijgen over verbeteringen en/of aanpassingen in de bedrijfsvoering of in toegepaste technieken. Ook wordt met proefnemingen meer duidelijk over de (milieu-hygiënische) consequenties en kosten. In het LAP3 is dan ook aangegeven dat proefnemingen en innovaties gestimuleerd moeten worden. Proefnemingen worden meestal maar gedurende een aantal dagen of weken uitgevoerd. Het steeds weer doorlopen van een vergunningenprocedure kost dan soms meer tijd dan de proefneming zelf. Dat kan een belemmering zijn voor bedrijven om proefnemingen uit te voeren. Bij dergelijke bedrijven kan daarom in de oprichtings- of revisievergunning al een kader worden opgenomen waarbinnen proefnemingen kunnen plaatsvinden. Als het bedrijf een proef wil uitvoeren, kan op grond van dat kader (schriftelijk) goedkeuring worden gevraagd. Een aparte vergunningprocedure is dan niet nodig.
In de oprichtings- of revisievergunning is aangegeven welke randvoorwaarden en eisen er gelden, hoe lang de proefnemingen mogen duren en dat de resultaten van de proefneming na beëindiging van de proefneming aan ons worden verstrekt. Als de proefneming succesvol is en de resultaten worden doorgevoerd binnen het bedrijf, kan mogelijk wél een (nieuwe) omgevingsvergunning nodig zijn. De uitkomsten van de proefneming kunnen dan als basis voor de aanvraag dienen.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
23
4.7 Digitale vergunningen We streven er naar alle geldende milieuvergunningen in 2024 digitaal beschikbaar te stellen, Hiermee is er een altijd actueel inzicht in de (milieu)vergunningvoorschriften die gelden voor bedrijven in de regio. Dit sluit aan bij de gedachte van de Omgevingswet en bij de aanbevelingen uit het rapport van Van Aartsen om de informatiepositie van inwoners en bedrijven te verbeteren.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
24
5. INHOUDELIJKE ASPECTEN VERGUNNINGVERLENING BOUW 5.1. De knip in de omgevingsvergunning: scheiding tussen technisch en ruimtelijk bouwen Met de Omgevingswet wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit. Deze scheiding noemen we 'de Knip'.
5.1.1. Technische bouwactiviteit De technische bouwactiviteit heeft betrekking op de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit. Deze regels staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Technische aspecten betreffen bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de Knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij, omdat ruimtelijke voorwaarden zijn losgekoppeld van de technische aspecten van het bouwen. Voor de constructieve veiligheid van een bouwwerk maakt het immers op zich niet uit waar op het perceel het bouwwerk zich bevindt.
5.1.2. Omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het bouwen De ruimtelijke aspecten van een bouwwerk zijn omgevingsplanactiviteiten, hiervan is sprake als het bouwen in strijd is met het omgevingsplan of als op grond van het omgevingsplan een vergunning vereist is. Deze omgevingsplanactiviteiten worden getoetst aan het Omgevingsplan. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage en verder regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het Omgevingsplan.
5.1.3. De Knip en vergunningvrij bouwen De Knip in het bouwrecht brengt met zich dat ook de regels voor vergunningvrij bouwen wijzigen. Voortaan moeten bepaalde bouwactiviteiten “aan beide kanten van de Knip” worden getoetst aan regels voor vergunningvrij bouwen. Als aan beide kanten of één van de kanten de conclusie is dat niet vergunningvrij kan worden gebouwd, dan moet aan beide kanten of één van de kanten een vergunning worden aangevraagd. De regels voor vergunningvrij bouwen staan ook in het Bbl.
5.2. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Wat hiervoor is vermeld over “de Knip” en vergunningvrij bouwen is bepalend voor het werkingsgebied van een geheel nieuwe wet die gelijktijdig met de Omgevingswet wordt ingevoerd, namelijk de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb).
5.2.1. Rol vergunningverlener BWT: Wkb en vergunningvrij bouwen De Wkb heeft betrekking op de bouwtechnische kant van de Knip. Bouwplannen waarop de Wkb van toepassing is, zijn in ieder geval voor de bouwtechnische aspecten vergunningvrij. Om die reden hoort deze paragraaf eigenlijk niet thuis in het hoofdstuk over vergunningverlening. Dat betekent echter niet dat een bouwwerk waarop de Wkb van toepassing is aan controle door het bevoegd gezag wordt onttrokken. Bij de ODMH wordt de vergunningverlener BWT belast met de controle van documenten die op basis van de Wkb moeten worden overgelegd. Aangezien die controle plaatsvindt naar aanleiding van een melding wordt de Wkb toch in dit hoofdstuk behandeld. De Wkb geldt vooralsnog alleen voor bouwwerken in de laagste risicoklasse, zoals eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Dit is gevolgklasse 1. In een latere fase zal de Wkb ook op hogere gevolgklassen van toepassing zijn. Door deze stapsgewijze invoering kunnen alle betrokken partijen ervaring opdoen met de Wkb en de wijze van bouwtoezicht die het met zich brengt.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
25
Hierna wordt ingegaan op een aantal nieuwe figuren die de Wkb introduceert: de kwaliteitsborger, het instrument, de risicoanalyse, het borgingsplan en het dossier bevoegd gezag.
5.2.2. Vóór de bouw Bij de technische bouwvergunning zal de aanvrager een onafhankelijke, gecertificeerde kwaliteitsborger (moeten) inschakelen. Vooraf beoordeelt de kwaliteitsborger het bouwplan en zal dit bouwplan toetsen aan een instrument. Een instrument is een werkwijze op basis waarvan de kwaliteitsborger kan beoordelen of een bouwwerk aan het Bbl zal voldoen. Daarna stelt de kwaliteitsborger een risicoanalyse op. De risicoanalyse heeft betrekking op bijzondere lokale omstandigheden voor een bepaald bouwwerk (bijvoorbeeld slappe ondergrond of bouwen tegen een verzakt belendend pand). De kwaliteitsborger stelt vervolgens een borgingsplan op, dat gebaseerd is op de risicoanalyse van de bouwactiviteiten. De kwaliteitsborger doet vervolgens een bouwmelding en voorziet die melding van het borgingsplan en de risicoanalyse. De (vergunningverlener bij de) ODMH zal beoordelen of de melding (en de risicoanalyse en borgingsplan) volledig zijn. Op basis van de bouwmelding zal de ODMH nagaan of er specifieke aanvullende informatie nodig is en of het nodig is om de locatie tijdens de bouw te bezoeken om de handhavende taak van het bevoegd gezag goed uit te kunnen voeren. In de regio Midden-Holland is sprake van: • Slappe ondergrond, waardoor het niet is toegestaan om heipalen te trekken zonder toestemming van het Waterschap. • Landelijk beleid bouw- en sloopveiligheid.
• Specifieke geluids- en trillingsaspecten uit de Richtlijn bouw- en sloopveiligheid. • Bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid van activiteiten. Daarop zijn de bepalingen uit het Bbl van toepassing • Ontheffingsaanvragen moeten lopen via overleg met wegbeheerder over aslasten, persriool, ontheffingen Bovengenoemde risico’s moeten in de risicoanalyse bij het borgingsplan worden opgenomen door de kwaliteitsborger.
5.2.3. Bijzondere lokale omstandigheden Het betreffen hier risico’s die van invloed kunnen zijn op het voldoen van het bouwwerk aan de bouwtechnische regels. De meest voorkomende locatie specifieke risico’s kunnen zijn: • bouwen tegen scheefgezakte panden • bouwen tegen panden die gefundeerd zijn “op staal” (d.w.z. fundering anders dan door heipalen) • bouwen naast panden met een monumentale status • het bouwen op zeer slappe ondergrond • windbelasting bij bouwen in de buurt van hoge gebouwen Ingeval van een vooroverleg kunnen locatie specifieke risico’s worden meegegeven aan de initiatiefnemer. Bovengenoemde risico’s moeten in de risicoanalyse bij het borgingsplan worden opgenomen door de kwaliteitsborger.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
26
5.2.4. Tijdens de bouw Tijdens de bouw ziet de kwaliteitsborger toe op de bouwtechnische aspecten tijdens de bouw, en levert na oplevering een ‘Verklaring kwaliteitsborger’ voor in het “dossier bevoegd gezag”.
5.2.5. Na de bouw Na de bouw, ontvangt het bevoegd gezag de gereedmelding met daarin (o.a.) de verklaring van de kwaliteitsborger dat hij het vertrouwen heeft dat het bouwwerk aan het Bbl voldoet. Voorts overlegt hij het dossier bevoegd gezag. Het dossier bevoegd gezag omvat alle fasen van het bouwproject en heeft betrekking op o.a. de veiligheid (constructieve- en brandveiligheid o.a.). Hierbij gaat om het aantonen dat het bouwwerk voldoet aan alle (kwaliteit)eisen van het Bbl. Bij een onvolledige gereedmelding informeert het bevoegd gezag de indiener hierover binnen 10 werkdagen na indiening. Na indiening van de aanvullende gegevens gaat opnieuw een periode van 10 werkdagen in om te toetsen of de gereedmelding volledig is. Zijn er strijdigheden tijdens of na afronding van de bouw? Dan kan de gemeente overgaan tot herstelsancties of de ingebruikname van het bouwwerk verbieden. Wanneer is voldaan aan de voorschriften die zijn gesteld aan de verklaring van de kwaliteitsborger en aan de overige gegevens en stukken (art. 2,15 Bbl en op basis van het Ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen) kan het pand in gebruik worden genomen. Twee weken na de gereedmelding kan het bouwwerk in gebruik worden genomen.
Bij de beoordeling van de melding en het borgingsplan, het opleggen van informatiemomenten en het houden van toezicht en handhaving zijn de volgende prioriteiten van belang: • het waarborgen van de veiligheid; • het beschermen van de gezondheid; • duurzaamheid en bruikbaarheid. De vergunningverlener zal zich bezig houden met beoordelen kwaliteitsborger, of gebruik is gemaakt van een gecertificeerd instrument, borgingsplan en risicoanalyse. Indien nodig zal de toezichthouder technische input kennis over de situatie ter plaatse leveren bij de beoordeling van deze stukken. Voor het opleggen van sancties wordt aangesloten bij de Landelijke Handhavingsstrategie.
5.3. Gemeentelijke monumenten De Omgevingswet maakt onderscheid tussen rijksmonumenten en gemeentelijke (en provinciale) monumenten. Voor rijksmonumenten staan de regels voor de bescherming ervan in de Omgevingswet zelf. Voor de bescherming van gemeentelijke monumenten moeten de gemeenten regels opnemen in het Omgevingsplan. Er geldt voor gemeentelijke monumenten geen losse vergunning ‘wijzigen monument’ meer. Aanpassingen aan gemeentelijke monumenten vallen onder de Omgevingswet onder een ‘omgevingsplanactiviteit’ (OPA). De verplichting om alle vergunningen die met elkaar te maken hebben in een keer aan te vragen, vervalt. Daarom kan een zogeheten ‘bouwvergunning’ los aangevraagd worden van een ‘omgevingsplanactiviteit’ voor het wijzigen van een gemeentelijk monument. Wij zullen de aanvrager in die gevallen wel wijzen op de beide vergunningplichten en adviseren om beide vergunningen tegelijk aan te vragen. De Wkb geldt vooralsnog niet voor monumenten.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
27
In de Omgevingswet wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen een welstandscommissie en een monumentencommissie. Beide commissies worden onder de Omgevingswet samengevoegd tot één integrale adviescommissie omgevingskwaliteit.
5.3.1. Relatie met de Erfgoedwet De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de nieuwe Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
5.3.2. Monumentenstatus Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van onder meer de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet is een integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. Er zijn verschillende soorten beschermde monumenten: Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Het Rijk houdt een register bij van de 55.000 beschermde rijksmonumenten. Provinciale monumenten zijn er alleen in Drenthe en Noord-Holland, in Zuid-Holland komen deze niet voor. Verwacht wordt dat de lijst van gemeentelijke monumenten de komende jaren in omvang zal toenemen Als de aanwijzingsprocedure van een monument nog niet is afgerond, dan heeft het pand/object een vóórbeschermde status. In de gemeenten Gouda, Zuidplas en Bodegraven-Reeuwijk is in het beleid vastgelegd dat bij een vóórbeschermde status al de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument van toepassing zijn. Voor Waddinxveen is dergelijk beleid er niet. Formeel kunnen de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument in die gemeente dus niet van toepassing verklaard worden.
Als er een aanvraag wordt ingediend voor een pand met vóórbeschermde status in een van de gemeenten, zal de casemanager/vergunninghouder in overleg treden met de aanvrager om te zorgen dat bij de werkzaamheden vast rekening wordt gehouden met de eisen die aan monumenten worden gesteld.
5.4. Intrekkingsbesluit bouwen Omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen kunnen worden ingetrokken. Dit gebeurt als er geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt en kan na (minimaal) een jaar worden ingetrokken. Grote aantallen ongebruikte omgevingsvergunningen voor het bouwen kunnen bijvoorbeeld nieuwe woningbouwprojecten frustreren. Ook kunnen de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen leiden tot onzekere situaties voor omwonenden, omdat die niet weten of het bouwwerk wel of niet gerealiseerd zal worden. Bij de beslissing tot intrekken moeten alle relevante belangen worden betrokken. Zo wordt in ieder geval nagegaan of het uitstel toe te rekenen is aan de vergunninghouder. Ook wordt nagegaan of de vergunninghouder niet alsnog binnen redelijke termijn gebruik zal maken van de ongebruikte omgevingsvergunning. Na belangenafweging kan een opschorting van een jaar worden aangehouden. Deze termijn kan worden verlengd. Het aantal ambtshalve intrekkingen per jaar is gebaseerd op de afspraken in de jaarprogramma’s.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
28
Uitgangspunten vergunningverlening • • • • • • • • • • • •
•
De ODMH stimuleert participatie De ODMH neemt deel aan omgevingstafels De ODMH geeft zo snel mogelijk duidelijkheid over de haalbaarheid van vergunningverlening en over de volledigheid van een aanvraag. De ODMH betrekt adviseurs proactief De beslistermijn wordt alleen verlengd indien dat vanwege de complexiteit of omvang nodig is. Voorschriften zijn duidelijk en handhaafbaar. Bij het opstellen van voorschriften worden de algemene uitgangspunten van de Omgevingswet, zoals het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van het milieu, in acht genomen. Bedrijven passen ten minste de Beste Beschikbare Technieken toe. Vergunningen worden regelmatig onderzocht op actualiteit. Voor bedrijven met grote risico’s vanwege gevaarlijke stoffen is dat ten minste elke vijf jaar. Voor andere bedrijven elke tien 10 jaar of vaker indien nodig. De ODMH plaatst geldende milieuvergunningen op internet, zodat deze besluiten voor alle inwoners in te zien zijn (streven 2024). De ODMH zorgt voor een actueel vergunningenbestand en trekt vergunningen in indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de vergunning. De ODMH stelt zich positief op bij proefnemingen en innovaties, en geeft daar in principe goedkeuring aan. Indien nodig worden daarbij randvoorwaarden gesteld. Vergunningen worden zo strak mogelijk vergund overeenkomstig het Schone Lucht Akkoord.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
29
Deel II Toezicht en handhaving Dit deel van de nota gaat over hoe de ODMH het toezicht inricht en hoe het uitvoering geeft aan handhaving. Dus: hoe treedt de ODMH op wanneer overtredingen worden vastgesteld? En welke onderwerpen hebben een hoge prioriteit? In hoofdstuk 6 worden de gemeenschappelijke uitgangspunten voor de milieu- en bouwtaken geformuleerd. In hoofdstuk 6 komt ook het afhandelen van klachten en het optreden bij calamiteiten aan de orde. De hoofdstukken 7 en 8 behandelen de specifieke milieu- en bouwonderwerpen op het gebied van toezicht en handhaving. Op pagina 46 vindt u een samenvatting van de hoofdstukken 6, 7 en 8 geformuleerd in uitgangspunten voor toezicht en handhaving. Dit is geen limitatieve opsomming.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
30
6. TOEZICHT EN HANDHAVING MILIEU EN BOUWEN 6.1. Inleiding De invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging hebben gevolgen voor toezicht en handhaving. De afwegingsruimte wordt groter; doelvoorschriften krijgen de voorkeur boven middelvoorschriften. De verwachting is dat het profiel van toezichthouders en handhavers onder de Omgevingswet daardoor verandert; minder technisch en meer communicatief en procesgericht. De ODMH beweegt hierin mee. Voorafgaand aan de invoering van de Omgevingswet zijn alle betrokkenen uitgebreid geschoold door middel van cursussen en cases en klaar voor het werken onder de Omgevingswet. Het doel van de toezichthouders blijft echter hetzelfde: het bevorderen van de naleving van de regels op het gebied van het omgevingsrecht, zodat de leefomgeving wordt beschermd. Dit kan worden bereikt door: • het stimuleren van de spontane naleving door middel van voorlichting, • het houden van toezicht en daarmee het vergroten van de pakkansbeleving, • het opleggen van sancties. De verschillende vormen om de naleving te verbeteren zijn uitgewerkt in een nalevingsstrategie. Deze is te vinden in bijlage 4 (Nalevingsstrategie).
6.2. Risicoanalyse en prioritering Bij toezicht en handhaving op milieu- en bouwregelgeving worden keuzes gemaakt; niet elk bedrijf, (potentieel) risico of aspect kan met evenveel inzet worden aangepakt. Daarom is inzicht in de verschillende risico’s noodzakelijk. Op basis van een risicoanalyse vindt prioritering plaats. Milieutaken Daarvoor wordt voor de milieutaken een risicomodel gebruikt (bijlage 5). In dat model zijn met name veiligheidsrisico’s verwerkt. Daarnaast spelen andere vormen van aantasting van de leefomgeving, de volksgezondheid en biodiversiteit door emissies van geur, geluid, licht of stoffen een rol in de bepaling van de risico’s. Het risicomodel wordt per bedrijf ingevuld. Op basis van de score per bedrijf wordt de benodigde inzet per bedrijf bepaald. Een bedrijf met een hoge score (hoge categorie) heeft meer risico’s en wordt daarom vaker gecontroleerd. We hanteren een indeling in 5 categorieën, waarbij categorie 5 de zwaarste categorie is en categorie 1 de lichtste. Een bedrijf dat in categorie 5 valt wordt in principe elk jaar gecontroleerd (reguliere controle). Voor bedrijven in categorie 1 geldt een controlefrequentie van ongeveer een keer per 10 jaar. In de controlefrequentie wordt ook naleefgedrag meegewogen.
Bedrijven waar regelmatig overtredingen worden vastgesteld worden vaker gecontroleerd dan bedrijven die, op basis van eerdere (recente) controles, goed naleefgedrag vertonen (zgn. Bonus/malus-systematiek), zie bijlage 5. Naast het gebruik van het risicomodel om de inzet op het gebied van toezicht te bepalen vindt prioritering ook plaats op basis van andere afwegingen. Keuzes kunnen worden gemaakt op basis van landelijke ontwikkelingen of lokale wensen. De komende jaren vragen met name de onderwerpen ‘energiebesparing bij bedrijven’ en de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) extra inzet van omgevingsdiensten. Jaarlijks wordt in de uitvoeringsprogramma’s vastgelegd op welke onderwerpen formatie wordt ingezet, naast de reguliere bedrijfscontroles. Ook wordt formatie gereserveerd voor het behandelen van klachten en calamiteiten. Daar wordt altijd een hoge prioriteit aan toegekend.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
31
Bouwtaken Voor het bepalen van de prioriteiten bij de bouwtaken is een risicoanalyse uitgevoerd volgens de methodiek uit de ‘Handreiking handhaven bouwregelgeving’ van het (toenmalige) ministerie van VROM gehanteerd. De risicoanalyse geeft een beeld van bij welke overtredingen op het gebied van bouw- en woningtoezicht zich de grootste negatieve effecten kunnen voordoen. Ook wordt gekeken in welke situaties of branches de kans op overtreding van de wet het grootst is (autonoom naleefgedrag). Dit is verder uitgewerkt in bijlage 6.
6.3. Soorten toezicht Op basis van de hierboven genoemde risicoanalyse wordt bepaald op welke activiteiten toezicht wordt ingezet en hoe vaak. Per activiteit kan, naast een verschil in frequentie, ook een verschil in diepgang van het toezicht aan de orde zijn. Er kunnen daarom verschillende soorten controles worden ingezet. Die verschillende vormen zijn uitgewerkt in bijlage 4 (Toezichtstrategie, onderdeel van de Nalevingstrategie) (On-)aangekondigd controleren Controles kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Onaangekondigd controleren ligt voor de hand wanneer gedragsovertredingen worden verwacht; aangekondigd controleren is handiger als er installaties bekeken of administraties gecontroleerd moeten worden. Of een controle wordt aangekondigd is afhankelijk van het soort controle, het doel van de controle en de historische ervaring met het bedrijf. In de basis hanteren we de regel dat we onaangekondigd controleren, tenzij… Toezicht versus advisering Het houden van toezicht en het handhaven schuurt tegen de wens van veel bedrijven om hen te adviseren aangaande milieuzaken. Daarom zijn uitgangspunten vastgesteld over hoe we omgaan met deze situaties. Het geldt niet alleen voor Toezicht en handhaving, maar voor de hele dienst. De uitwerking daarvan is opgenomen in bijlage 13.
6.4. Handhavend optreden In het geval tijdens de uitvoering van toezicht een overtreding wordt vastgesteld, wordt aan de hand van de Landelijke handhavingstrategie Omgevingsrecht (LHSO) bepaald hoe daar tegen wordt opgetreden. De LHSO zet in op een passende interventie bij iedere overtreding. De toezichthouder schat in op basis van de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder op welke wijze moet worden opgetreden. Dit kan variëren van het geven van een waarschuwing tot het opleggen van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke sancties. Door het volgen van de LHSO wordt passend en uniform opgetreden bij bevindingen die gedaan zijn tijdens toezicht. Om te bepalen wat een passende interventie is, volgen we twee hoofdvragen: Inzake herstel 1a. Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag: 1b. Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt? Inzake bestraffing 2a. Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag: 2b. Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend? De uitwerking van de LHSO en de inzet van sancties is verder te vinden in het document Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) en in bijlage 4 van deze nota (Sanctiestrategie, onderdeel van de Nalevingsstrategie).
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
32
Het rapport “Om de leefomgeving” van de commissie-Van Aartsen geeft 10 aanbevelingen om de robuustheid en de kwaliteit van de OD’s te vergoten. Een van die aanbevelingen betreft meer prioriteit, capaciteit en inzet voor strafrechtelijke handhaving en vervolging. In de LHSO is de inzet van het strafrecht een onderdeel. Naar aanleiding van het rapport van de commissie-Van Aartsen zal de ODMH het gebruik van de LHSO, met betrekking tot de inzet van het strafrecht, verder optimaliseren.
6.5. Bestuursrechtelijke sanctiemiddelen Voor het opleggen van bestuurlijke sanctiemiddelen kan uit de volgende instrumenten worden gekozen: - opleggen van een last onder dwangsom (LOD); - opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB); In bijlage 11 van deze nota worden richtlijnen vermeld bij het bepalen van de dwangsomhoogte en de lengte van de begunstigingstermijn voor Bouw en Woningtoezicht. Last onder dwangsom (LOD) Een last onder dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt indien of zolang de overtreding voortduurt. De last onder dwangsom bevat een last om de overtreding te beëindigen, en om voortzetting en herhaling te voorkomen. In de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn opgenomen. Dit is de termijn waarbinnen de overtreder de overtreding ongedaan kan maken zonder dat de dwangsom verbeurt. Als de overtreding tijdig ongedaan wordt gemaakt, is dus geen dwangsom verschuldigd. Wanneer de overtreding niet, of niet tijdig wordt beëindigd, dan wel wordt voortgezet of herhaald, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. Als een overtreding is begaan waartegen handhavend is opgetreden en welke overtreding vervolgens is opgeheven, dan kan de ‘dwangsom gericht op voorkoming van herhaling’ worden opgelegd, om dus herhaling te voorkomen.
Deze dwangsom moet onderscheiden worden van de preventieve last onder dwangsom die wordt opgelegd als nog geen overtreding is begaan, maar het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Dit betekent dat de overtreding van een wettelijke voorschrift met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Als bijvoorbeeld op aanplakbiljetten een kledingoutlet wordt aangekondigd die in strijd is met het bestemmingsplan, dan mag aan het bedrijf dat de outlet organiseert een preventieve last onder dwangsom worden opgelegd. De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder, mits die het in zijn macht heeft om de last uit te voeren. Per geval moet worden beoordeeld wie als “overtreder” kan worden aangemerkt en aangeschreven. Soms is dit bijvoorbeeld de eigenaar van een perceel of bouwwerk, maar het kan ook de huurder zijn. Niet altijd kan een overtreding worden bestreden met een last onder dwangsom. Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet, mag niet gekozen worden voor een last onder dwangsom, maar moet een last onder bestuursdwang worden toegepast. Last onder bestuursdwang (LOB) Bestuursdwang houdt in dat het feitelijk beëindigen van een overtreding uitgevoerd wordt door het bevoegd gezag als de overtreder niet zelf actie tijdig onderneemt.
Dit kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: - bij acuut dreigende calamiteiten en gevaarlijke situaties waarbij direct optreden noodzakelijk is. Dit geldt onder meer indien de overtreder niet bereikbaar is;
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
33
-
als het opleggen van een last onder dwangsom niet tot het gewenste effect, te weten het ongedaan maken van de overtreding, heeft geleid. als de overtreder niet genegen of niet in staat is om de overtreding ongedaan te maken;
Bij het laatste punt moet in overweging worden genomen hoe de gemeente omgaat met de kosten van de bestuursdwang als die kosten niet verhaald kunnen worden op de overtreder. De kosten van het uitvoeren van bestuursdwang kunnen verhaald worden op de overtreder. Het uitgangspunt is dat daadwerkelijk tot het verhalen van de kosten wordt overgegaan. Het tegelijk opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor één en dezelfde overtreding is niet mogelijk. Als sprake is van twee of meer verschillende overtredingen, is een combinatie van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wel mogelijk. Een voorbeeld waarbij wel gelijktijdig een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd kan worden, is het opleggen van een bouwstop (= een last onder bestuursdwang) en het gelijktijdig opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er verder wordt gegaan met bouwen.
6.6. Gedoogstrategie en afzien van handhavend optreden Het uitgangspunt is dat wordt opgetreden tegen overtredingen. Toch kunnen er omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. De nota ‘Gedogen in Nederland’ bevat het landelijke kader voor gedogen: Een gedoogsituatie is van tijdelijke aard doordat het handelen binnen afzienbare tijd ophoudt, dan wel doordat waarschijnlijk een vergunning zal worden verleend. Wanneer tot gedogen wordt besloten wordt het landelijke kader voor gedogen gevolgd. Gedogen laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet. Voor uitdrukkelijk gedogen (dat is gedogen na het nemen van een gedoogbeschikking) kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn. Die uitzonderingen kunnen zijn: • Overmachtssituaties • Overgangssituaties (Bijvoorbeeld als er nader onderzoek moet worden gedaan in een zaak of als er concreet zicht is op legalisatie). • Onevenredigheid Het is vaste jurisprudentie dat bovengenoemde situaties er toe kunnen leiden dat wordt afgezien van handhavend optreden.
6.7. De overheid als overtreder Overheden of publieke ondernemingen hebben een voorbeeldfunctie. Wanneer ze overtredingen plegen, bijvoorbeeld een waterschap als beheerder van een afvalwaterzuiveringsinstallatie, of als een bevoegd gezag zelf bijvoorbeeld illegaal bouwt worden ze bestuursrechtelijk op dezelfde wijze behandeld als private ondernemingen of inwoners, waarbij wel rekening gehouden wordt met de voorbeeldfunctie. De sanctiestrategie wordt daarom voor overheden minimaal op gelijk niveau als voor bedrijven toegepast. In voorkomende gevallen kan het nodig zijn om, naast het bestuursrechtelijke traject, ook strafrechtelijke handhavingsinstrumenten in te zetten voor overtredingen die zijn gepleegd door overheidsorganen. Met het Functioneel Parket zal dan worden overlegd over de wijze waarop het strafrecht kan worden ingezet.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
34
6.8. Bestuurlijke strafbeschikking De directeur van de ODMH kan een bestuurlijke strafbeschikking (Bsb) uitvaardigen. De ODMH heeft daarvoor een aantal Boa’s in dienst. De bestuurlijke strafbeschikking is een strafrechtelijk instrument dat het mogelijk maakt om ten behoeve van de bestuurlijke handhavingstaak, zonder tussenkomst van het OM, een boete op te leggen voor, bij AMvB bepaalde, eenvoudige strafbare feiten op bepaalde overtredingen. De gedachte achter de Bsb is dat efficiëntere en effectievere handhaving mogelijk wordt doordat relatief eenvoudige strafbare feiten op basis van een proces-verbaal (de grondslag voor de boete), opgemaakt door een opsporingsambtenaar, gestandaardiseerd en geautomatiseerd kunnen worden afgedaan. De overtredingen waarvoor de bestuurlijke strafbeschikking kan worden opgelegd, zijn opgenomen in het zogeheten ‘Feitenboekje’. Hier staan zowel milieu- als bouwovertredingen in opgenomen. Waar oplegging van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang over het algemeen enige tijd vergt, kan met de bestuurlijke strafbeschikking direct opgetreden worden tegen overtredingen. Oplegging van een bestuurlijke strafbeschikking sluit het gebruik van een last onder dwangsom of onder bestuursdwang niet uit. Er kan zelfs een combinatie van betreffende sancties worden opgelegd.
Met het Functioneel Parket, de politie en gemeenten zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de Bsbm (=milieu). In navolging van het advies van het rapport van de commissie van Aartsen zal de ODMH vaker gebruik maken van de BSBm en andere bestuurs- en strafrechtelijke inzet. Daarbij zal de LHSO worden gevolgd.
6.9. Minnelijk overleg / premediation Bij handhaving wordt vaak direct aan het opleggen van een sanctie gedacht. Maar het daadwerkelijk opleggen van een sanctie is een uiterste middel. Tussen het tijdstip waarop de bevindingen gedaan zijn en het tijdstip dat er daadwerkelijk een sanctiebesluit wordt genomen, ligt een periode waarin vaak nog kan worden geprobeerd de overtreder zover te krijgen dat deze uit zichzelf de overtreding ongedaan maakt. Dit is het zogenoemde ‘minnelijke overleg’ of ‘pre-mediation’ (hierna: minnelijk overleg). Minnelijk overleg is bedoeld om een duidelijk beeld over de situatie te krijgen en na te gaan of er mogelijke oplossingen zijn. Soms wordt er uitleg over een bepaald besluit gegeven. Minnelijk overleg kan via verschillende communicatievormen plaatsvinden: tijdens een (kort) telefoongesprek, een e-mailwisseling of in een persoonlijk gesprek.
6.10.
Mediation
De termen mediation en minnelijk overleg worden wel door elkaar gebruikt. Bij mediation moet echter voornamelijk gedacht worden aan de situatie waarin de overheid bemiddelend optreedt in een conflict tussen inwoners (waaronder ondernemers) (dat is ontstaan naar aanleiding van een handhavingszaak). De ervaring met mediation heeft twee dingen geleerd. Een impasse in een slepende handhavingszaak kan ertoe leiden dat partijen eerder openstaan voor mediation. Ten tweede is tijdsbesparing niet altijd een goede drijfveer om mediation toe te passen. Mediation vergt soms meer inzet en uren dan handhavend optreden. De winst van mediation zit hem in de wijze waarin met de betrokkene wordt omgegaan en de betekenis die de overheid voor de betrokkene heeft (faciliterende versus sanctionerende overheid). Minnelijk overleg / mediation kan in elke fase van elke procedure worden toegepast. Bepalend is of de medewerker een opening tot gesprek ziet (of dat een van de betrokkenen zelf een gesprek voorstelt). Een intensieve vorm van mediation is het gesprek aan tafel met alle partijen. Daarbij probeert de medewerker/mediator – soms met bijstand van een procesbegeleider – de betrokkenen die een conflict Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
35
hebben nader tot elkaar te brengen. Een procesbegeleider bewaakt en stuurt de discussie en zorgt ervoor dat iedereen aan bod komt. Uit het vorenstaande volgt wellicht dat de grens tussen een uitgebreid minnelijk overleg en een mediation niet scherp is. Alle aangesloten gemeenten verwachten inzet op minnelijk overleg en (pre-)mediation. De ODMHmedewerker is geïnstrueerd (en in de meeste gevallen getraind) om mogelijkheden tot minnelijk overleg en mediation te verkennen en toe te passen. De ODMH heeft enkele medewerkers getraind in procesbegeleiding. Ook onder de Omgevingswet zal de ODMH onverminderd inzet op het gebied van minnelijk overleg en mediation blijven leveren.
6.11.
Klachten en calamiteiten
Op grond van artikel 18.1 van de Omgevingswet heeft de ODMH tot taak klachten te behandelen die betrekking hebben op de naleving van milieu- en bouwregelgeving. Dat betekent dat het behandelen van klachten voor gemeenten een wettelijke taak is. Wanneer nodig worden andere instanties, zoals de VRHM, betrokken bij de klachtafhandeling. Het opschalen van klacht naar calamiteit is toegevoegd als bijlage 12.
6.11.1.
Paraatheid
Om invulling te geven aan die wettelijke taak is de ODMH het hele jaar door, 24 uur per dag, bereikbaar voor klachten die betrekking hebben op milieuoverlast, zwemwaterklachten en bouw gerelateerde klachten. Inwoners, bedrijven en instellingen kunnen klachten over bedrijven en milieu melden via een speciale milieuklachtenlijn en voor klachten over bouwen en slopen via BWT@odmh.nl. Alle klachten worden geregistreerd. Vervolgens wordt een, bij de klacht, passende actie ondernomen. De toegankelijkheid voor het indienen van bouwklachten is een verbeterpunt.
6.11.2.
Calamiteiten
Naast de behandeling van klachten met betrekking tot de naleving, speelt de ODMH ook een rol bij calamiteiten. Met de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) zijn afspraken gemaakt over de participatie van de ODMH in de gemeentelijke en regionale crisisteams. Uitgangspunt is dat een medewerker van de ODMH in zulke gevallen als liaison in het crisisteam participeert. Doel van die participatie is om te: - informeren, bijvoorbeeld over installaties of gevaarlijke stoffen die in het bedrijf aanwezig zijn, - adviseren, ter voorkoming of beperking van (verdere) milieuschade, en - coördineren van de te treffen maatregelen om milieuschade te voorkomen of te beperken of acuut gevaar te voorkomen of te beperken door de slechte constructieve staat van een gebouw. Een overzicht van de taken van de ODMH tijdens calamiteiten is beschreven in de Informatiekaart partners – omgevingsdiensten van de veiligheidsregio. De ODMH heeft zijn crisistaken beschreven in een calamiteitenplan.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
36
7. INHOUDELIJKE ASPECTEN TOEZICHT EN HANDHAVING MILIEU 7.1. Informatiegestuurd toezicht en handhaving De ODMH zet meer in op het gebruik van data en informatie bij het analyseren van risico’s en het uitvoeren van toezicht. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van eigen data uit het interne bedrijfsprocessysteem en van data uit externe systemen zoals Inspectieview Milieu. Op basis van verzamelde data kan bijvoorbeeld worden gesignaleerd bij welke bedrijven de keuringstermijn van installaties wordt overschreden. Op basis daarvan kan gerichte informatie de bedrijven helpen de regelgeving beter na te leven. Door het verzamelen van data over aspecten en overtredingen kunnen we in de toekomst bedrijven beter informeren om overtredingen te voorkomen. Informatiegestuurde handhaving houdt in dat op basis van actuele en betrouwbare informatie rationele beslissingen worden genomen, zodat mensen en middelen optimaal worden ingezet en handhavingsdoelen worden behaald. Hierbij is samenwerking met handhavingspartners een belangrijk onderdeel. In hoofdstuk 12 over Samenwerken is daar meer over te lezen.
7.2. Toezichtsplannen Afgelopen jaren zijn voor de provinciale bedrijven toezichtsplannen opgesteld. Vanwege het positieve effect van deze plannen is besloten om komende jaren ook voor de bedrijven die onder gemeentelijk bevoegd gezag vallen toezichtsplannen op te stellen, te beginnen bij 20 bedrijven in de hoogste categorieën (4 en 5) in 2023 en 2024 omdat daar de grootste risico’s zijn. In een later stadium wordt beslist of de plannen ook voor andere bedrijven of branches zinvol zijn. De ODMH gaat dus, naast informatiegestuurde toezicht en handhaving, ook aan de slag met het opstellen van toezichtsplannen. Dat is een plan van aanpak per branche of voor een individueel bedrijf. Door gebruik te maken van toezichtsplannen kunnen de effecten van het toezicht beter worden gerapporteerd. Naast handhavingseffecten kunnen ook nalevingtrends worden gesignaleerd. Op basis van verzamelde data kunnen specifieke toezichtsplannen worden opgesteld. Daarin kunnen bepaalde risico’s specifiek behandeld worden (per branche of individueel bedrijf). In een toezichtsplan kunnen verschillende instrumenten worden afgewogen om het naleefgedrag te bevorderen. Er kan meer worden ingezet op risicogericht toezicht, waarbij je tijdens een bedrijfsbezoek meer focust op een bepaald aspect of een bepaalde activiteit bij een bedrijf, in van plaats op het gehele bedrijf.
Ook al bestaande werkafspraken voor branches of activiteiten kunnen worden opgenomen in toezichtsplannen. Het gaat dan om onder andere de branches of onderwerpen propaan, luchtwassers, natte koeltorens, energie, rapportageverplichtingen, vetafscheiders, tuinbouwbedrijven/ assimilatieverlichting en horecacontroles. Bij het opstellen van toezichtsplannen worden onder meer de onderstaande punten opgenomen: • te controleren aspect(en), activiteiten, branche; • afgewogen mix van handhavingsinstrumenten; • communicatie paragraaf (intern/extern); • registratie en rapportage resultaten; • looptijd toezichtsplan.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
37
7.3. IPPC Een IPPC-installatie is een installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (EU-richtlijn nr. 2010/75/EU). Voorbeelden van dergelijke installaties zijn afvalverwerkende bedrijven en grote intensieve veehouderijen. Binnen een bedrijf kunnen meerdere IPPC-installaties aanwezig zijn. Bedrijven waartoe een IPPC-installatie behoort, zijn vergunningplichtig. Zowel Gedeputeerde Staten als het college van burgemeester en wethouders kunnen het bevoegd gezag zijn voor zulke bedrijven. Lees hierover meer in bijlage 4.
7.4. Seveso-min bedrijven (voorheen Brzo-min bedrijven) Met de inwerkintreding van de Omgevingswet vervalt het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO). Hierin stonden de regels uit de Europese Seveso-richtlijn. De regels zelf zijn echter niet verdwenen. Deze komen terug in het Besluit activiteiten leefomgeving (verplichtingen voor de bedrijven), het Omgevingsbesluit (regels voor de overheden) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (aanwijzing domino-inrichtingen). Bedrijven die vallen onder de Seveso-richtlijn zijn bedrijven die werken met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Aan deze bedrijven worden direct werkende verplichtingen opgelegd over veiligheid en het beheersen van de risico’s. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor Seveso-inrichtingen. Voor een bedrijf waarin grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig (kunnen) zijn, is het daarom van belang te kunnen bepalen of het onder de Seveso-richtlijn valt. Om deze reden worden bij bedrijven die de Seveso-drempelwaarde (bewust) onderschrijden (de zogenoemde Seveso-min-bedrijven) in de vergunning een uitgebreide registratieverplichting voorgeschreven. Via toezicht kan de ODMH op basis van deze registratie beoordelen of de Seveso-drempelwaarde wordt overschreden. Als er toch een overschrijding geconstateerd wordt, wordt het bedrijf daarop aangeschreven.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
38
8. INHOUDELIJKE ASPECTEN TOEZICHT EN HANDHAVING BOUW 8.1. Uitvoering Wkb Controle op bouwtechnische aspecten onder de Wkb: De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft alleen betrekking op de bouwtechnische aspecten uit de hoofdstukken 4 (Nieuwbouw) en 5 (Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie) van het Bbl . Voorts zijn bouwwerken waarop de Wkb van toepassing is vergunningvrij. Dit heeft tot gevolg dat wij geen omgevingsvergunning hoeven te verlenen voor bouwtechnische aspecten van bouwwerken waarop de Wkb van toepassing is. Voorts betekent dit dat wij - in principe niet meer controleren op de bouw van zulke bouwwerken. Het bouwtoezicht is in handen van de private kwaliteitsborger. De wetgever heeft echter de mogelijkheid open gelaten om in sommige gevallen toch op bouwtechnische aspecten van bouwwerken die onder de Wkb vallen te controleren. Dit zal bijvoorbeeld plaatsvinden als uit een risicobeoordeling en borgingsplan onvoldoende borging blijkt. De gemeente kan dan informatie opvragen en op basis van ontvangen informatie zelf toezicht houden. Bij grotere bouwwerken (waarin personen verblijven) zal dit eerder van belang zijn dan in geval van een klein bouwwerk zonder zo’n verblijfsfunctie dus voor, bijvoorbeeld, enkel opslag. De basis is hier dus risicogestuurd toezicht.
In de fase van de bouwmelding is een onvoldoende risicobeoordeling en borgingsplan de aanleiding tot een controle. Als de kwaliteitsborger geen verklaring af kan geven door een strijdigheid, dan is de kwaliteitsborger verplicht de gemeente hierover te informeren. Er komt in ieder geval een administratieve reactie, namelijk een brief waarin staat dat ingebruikname verboden is, totdat aan de wet wordt voldaan. Op basis van risicogestuurd toezicht (met name dus grotere bouwwerken waarin personen verblijven) kunnen wij - al dan niet steekproefsgewijs - ook inhoudelijk reageren, namelijk door ter plaatste te controleren. Bij de gereedmelding wordt het ‘dossier bevoegd gezag’ verstrekt. Het dossier bevat informatie die nodig is om (in de toekomst) toezicht te houden op het gerealiseerde bouwwerk. Uiteraard zal elk overgelegd dossier bevoegd gezag worden gearchiveerd. Op basis van risicogestuurd toezicht kunnen wij - al dan niet steekproefsgewijs – het dossier bevoegd gezag ook inhoudelijk beoordelen en – indien nodig – ter plaatse controleren. Hierboven wordt vermeld dat het houden van toezicht op “Wkb-bouwwerken” steeds (al dan niet steekproefsgewijs) risicogestuurd plaatsvindt.
Andere signalen voor het houden van toezicht zijn: • eigen waarnemingen, • klachten/meldingen van derden, • ervaringen met aannemers en kwaliteitsborgers • aanwezigheid van bijzondere lokale omstandigheden op de locatie. Hierna komen nog meer situaties aan de orde waarin een gemeentelijke toezichthouder toezicht houdt op bouwtechnische aspecten. Het verschil met de bovenstaande situaties is dat de Wkb het toezicht in de bovenstaande situaties – in beginsel – aan de kwaliteitsborger overlaat en in de onderstaande situaties niet.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
39
8.2. Toch controle op bouwtechnische aspecten: informatie ten aanzien van moment Het zogenoemde “informatiemoment” dat het bevoegd gezag kan opleggen heeft betrekking op informatie over bepaalde werkzaamheden. In de wet is echter een bevoegdheid tot het opleggen van een informatiemoment toegevoegd. Een bevoegd gezag kan namelijk ook vragen om op specifieke momenten bepaalde informatie aan te leveren. Het gaat dan om informatie over het moment waarop bepaalde werkzaamheden worden uitgevoerd. Als het bevoegd gezag het nodig vindt, kan het tijdens de uitvoering erop toezien of een bepaald onderdeel van de bouw goed wordt uitgevoerd. Hierdoor wordt de rol van het bevoegd gezag tijdens de uitvoering groter. Extra aandacht wordt besteedt bij het opvragen van informatie en uitvoeren van toezicht voor onderdelen die later aan het zicht zijn onttrokken constructies zoals bv. funderingen, wapening in betonconstructie, van belang zijnde aansluitdetails en brandwerende doorvoeren. Ook hier kunnen de volgende zaken tevens leiden tot extra controles: • eigen waarnemingen, • klachten/meldingen van derden, • ervaringen met aannemers en kwaliteitsborgers • aanwezigheid van bijzondere lokale omstandigheden op de locatie. Ervaringen tijdens toetsing, toezicht en handhaving kunnen aanleiding zijn om steeksproefgewijs specifieke onderwerpen te controleren.
Als extra doel van deze steekproeven wordt de pakkansbeleving beoogd. Het bevoegd gezag behoudt haar volledige toezichts- en handhavingsbevoegdheden op basis van de Awb. Zoals eerder vermeld zullen wij risicogericht-/steeksproefgewijs acteren. De verwachting is dat er met grote terughoudendheid gebruik moet worden gemaakt van deze bevoegdheid.
8.3. Toch controle op bouwtechnische aspecten: Omgevingsplan en bouwtechnische gevolgen maatwerkregels Het Omgevingsplan introduceert een hele andere mogelijkheid van controle door het bevoegd gezag op bouwtechnische aspecten. Het Omgevingsplan bevindt zich aan de andere kant van de Knip 1. Het bevoegd gezag behoudt de controlebevoegdheid op bouwactiviteiten aan die kant van de Knip. In het Omgevingsplan kunnen extra eisen worden opgenomen ten aanzien van energie- en milieuprestatie. Het gaat dan om de zogenoemde maatwerkregels. Als dergelijke maatwerkregels bouwtechnische gevolgen hebben, dan zal zowel het bevoegd gezag als de kwaliteitsborger op die gevolgen toezicht moeten houden. Het is nog niet zeker of wij van deze mogelijkheid in de praktijk gebruik zullen maken. Het Rijk wil bouwtechnische eisen voor nieuwbouwwoningen zoveel mogelijk gelijktrekken. Dit betekent dat er geen ruimte meer is voor extra eisen ten aanzien van energie- en milieuprestatie. Maatwerk betekent dat een bepaald geval op een specifiek wijze wordt behandeld. De industrie staat echter standaardisering voor. Een specifieke aanpak staat haaks op standaardisering.
8.4. Illegaal bouwen onder de Wkb Als illegaal wordt gebouwd, vereist zorgvuldig optreden dat het bevoegd gezag niet zonder meer opdraagt om zo’n illegaal bouwwerk te verwijderen. Eerst moet worden onderzocht of het bevoegd gezag niet achteraf alsnog een vergunning wil verlenen. Een dergelijk onderzoek wordt een legalisatieonderzoek genoemd. Zo bezien vindt bij illegaal bouwen achteraf plaats wat bij een aanvraag om omgevingsvergunning vooraf plaatsvindt, namelijk een toetsing aan de vaste criteria van het limitatief imperatieve toetsingsstelsel: het bestemmingsplan, welstandseisen, het Bouwbesluit 2012 en 1 Het begrip “de Knip” is in een vorig hoofdstuk uitgelegd.
Integrale nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026
40
de Bouwverordening. In het overgrote deel van de gevallen zal in het kader van een legalisatieonderzoek worden getoetst aan het bestemmingsplan (en in het verlengde daarvan aan afwijkingsbeleid) en aan welstandseisen. In geval van illegaal bouwen (in gevolgklasse 1) zal de bouwer achteraf de Wkb-procedure moeten doorlopen. Dit betekent dat hij een kwaliteitsborger moet aantrekken. Vervolgens zal de kwaliteitsborger het onderzoek moeten laten plaatsvinden op basis waarvan hij een verklaring kan afgeven, ook als dat onderzoek destructief onderzoek inhoudt. Dit betekent dat bepaalde onderdelen van het gebouw door sloop opengewerkt moeten worden om te controleren of volgens het Bbl is gebouwd. Als de bouwer: - weigert om alsnog de Wkb-procedure in te gaan of - wel een kwaliteitsborger inschakelt maar (destructief) onderzoek weigert of - meewerkt aan onderzoek, maar de kwaliteitsborger geeft om welke reden ook geen verklaring af, dan rest het bevoegd niet anders dan gedwongen sloop op te leggen. Als het gaat om destructief onderzoek en het afgeven van de verklaring zullen gebouwen met een verblijfsfunctie (woningen, kantoorpanden) strikter worden benaderd dan bijvoorbeeld bergingen of overkappingen. Ook het bevoegd gezag zal in geval van een berging of een overkapping eerder overwegen of coulance mogelijk is.
Evenwel bestaat de mogelijkheid dat de aannemer met uitgebreid fotomateriaal (en wellicht andere documenten zoals productcertificaten, berekeningen enz. enz.) komt. Daardoor kan bij de kwaliteitsborger het vertrouwen worden gewekt dat het illegale bouwwerk aan het Bbl voldoet. In dat geval zou destructief onderzoek niet nodig zijn. Ook het bevoegd gezag kan in zo’n geval tot de conclusie komen dat de gereedmelding en de verklaring acceptabel zijn. Overigens mag worden verwacht dat de Wkb en de veranderde aansprakelijkheid voor aannemers een rem op illegaal bouwen zetten. Onder de Wkb wordt de aannemer ook aansprakelijk als hij illegaal bouwt. Uiteraard hebben wij met illegale bouw aan de bouwtechnische kant van de Knip nog geen ervaring opgedaan. Wij zullen de ontwikkelingen rond illegale bouw onder de Wkb monitoren en indien noodzakelijk in de toekomst aanvullend beleid opstellen.