CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.18 BIJL2 - ZHPLG voorontwerp__1148575__

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college34.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3.3.2. We geven continu uitvoering aan “low-regret” en koploper projecten en maatregelen We starten niet vanaf nul. Zoals gezegd maken we lopende programma's voor onder andere KRW en NNN af. Ook gaan we door met ondersteuning van innovatieve projecten en samenwerking zoals Groene Cirkels en fieldlabs. Daarbovenop willen we samen met onze partners in beweging komen door continu projecten te ontwikkelen die uitgevoerd kunnen worden als “low-regret” vooruitlopend op de uitkomsten van de verkenningsfase. Low-regret zijn projecten en maatregelen waarvan we weten dat zij bijdragen aan de opgaven en het doelbereik maar waarbij een risico bestaat dat zij juridisch, inhoudelijk of financieel niet houdbaar zijn. Denk hierbij aan toekomstige wet- en regelgeving die niet past of een innovatie die minder opbrengt dan bedacht. We zijn als provincie bereid om samen met het Rijk over deze risico’s afspraken te maken en deze dus niet één op één af te wentelen op initiatiefnemers. Een voorbeeld hiervan is het fieldlab Groene Hart van de coöperatie ‘Boeren met Perspectief’.

4. Wat we gaan doen Meerdere wegen leiden naar Rome. We zijn samen met onze partners in de gebieden continu in gesprek over wat we gaan doen om een nieuwe balans in het landelijk gebied te bereiken. Dat kan per gebied anders zijn. Welke maatregelen en instrumenten we inzetten, is voor ons niet in beton gegoten. In dit hoofdstuk lichten we toe welke uitgangspunten we hanteren voor verdere gebiedsgerichte uitwerking, welke maatregelen we voorstellen om de opgaven en doelen te bereiken en hoe we de sociaaleconomische impact van deze maatregelen nog gaan analyseren voor definitieve besluitvorming.

4.1. Uitgangspunten De opgaven zijn groot, uniek in elk gebied en met elkaar verweven. Dat geldt ook voor de maatregelen die we kunnen nemen. In het ene gebied speelt al een mooi initiatief dat we willen stimuleren. In een ander gebied speelt een samenwerking waar veel positieve energie in zit. We vinden het heel belangrijk dit soort initiatieven te stimuleren. Deze initiatieven zijn onmisbaar voor het creëren van een nieuwe balans in het landelijk gebied.

56

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Via gebiedsprocessen wordt gewerkt aan de opgaven en het realiseren van de doelen. Om de balans te bewaren tussen het behartigen van gebiedsbelangen en het realiseren van doelstellingen merken we als provincie dat er (meer) richting in de gebiedsgerichte aanpak nodig is. Die richting willen we geven door middel van uitgangspunten die over de volgende onderwerpen gaan: ▪ Natuurherstel- en ontwikkeling ten behoeve van 30% overbrugging VHR-opgave; ▪ Toekomstbestendig, duurzaam en circulair systeem voor de land- en tuinbouw; ▪ Emissiereductie ammoniak ten behoeve van natuurherstel; ▪ Behalen van de KRW doelen; ▪ Emissiereductie broeikasgassen ten behoeve van klimaatdoel 2030; ▪ Water en bodem sturend.

Wij zien deze uitgangspunten als richtinggevend voor de programmatische aanpak en deelgebiedsprogramma’s van het ZHPLG. Dit betekent dat de deelgebiedsprogramma’s een gebiedsgerichte uitwerking bevatten op basis van deze uitgangspunten. Daarnaast bevat een deel van de uitgangspunten een voornemen tot ontwikkeling van beleid/kaders die de provincie verder uitwerkt in het Omgevingsbeleid. Deze uitgangspunten vinden hun oorsprong in de internationale verplichtingen die we hebben ten aanzien van natuurherstel (Vogelen Habitat Richtlijn), waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water), de grenzen van het water- en bodemsysteem en de vereisten van LNV die zij in het NPLG beschreven hebben.

Figuur 8 Overzicht VHR doelen

57

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

4.1.1. Uitgangspunten natuurherstel- en ontwikkeling ten behoeve van 30% overbrugging VHR-opgave De opgave voor natuur is om een gezond ecosysteem te realiseren, met een hoge biodiversiteit. Een ecosysteem waarin de karakteristieke planten en dieren die voorkomen in de Veenweiden, Kust/ Duinen en de Delta, een goed leefgebied hebben. Natuur in Zuid-Holland staat niet op zichzelf. Enerzijds staat de natuur onder invloed van allerlei ruimtelijk-economische activiteiten als wonen, werken en recreatie. Anderzijds draagt natuur bij aan het halen van de doelen op het vlak van water en klimaat, het creëren van een gezonde leefomgeving en een

aantrekkelijk vestigingsklimaat en kan het een factor zijn in de transitie van land- en tuinbouw naar een toekomstbestendig, duurzaam en circulair systeem. Het vormt een belangrijke schakel in de verbinding tussen de steden en het landelijk gebied. Daarom is het belangrijk om goed naar de ruimtelijk-economisch-sociale context in Zuid-Holland te kijken en die mee te nemen in onze uitgangspunten voor de VHR-opgave. Hierbij pleiten we voor een strategie waarbij natuur een intrinsieke waarde heeft maar óók ten dienste staat van het versterken van de ruimtelijk-sociaaleconomische kwaliteit in onze provincie.

gaan werken aan de VHR-opgave. We stellen per deelgebied een pakket met informatie op waarmee we de gebieden in staat stellen om maatregelen en projecten te formuleren. In deze pakketten staat essentiële informatie om te komen tot een set aan maatregelen en projecten die leiden tot doelbereik. Daar volgt dan ook uit tot welke ruimtevraag deze maatregelen en projecten leiden.

Voor 2030 geldt vanuit het rijk de doelstelling dat 30% van het gat tussen de huidige staat en de gunstige staat van instandhouding overbrugd moet worden. Ook geldt dat herstelmaatregelen op minimaal 30% van het te herstellen oppervlak moeten worden getroffen – dit oppervlak volgt uit de regionale doelstellingen die de provincies nog van LNV zullen ontvangen. Verder geldt dat verdere verslechtering waar mogelijk moet zijn voorkomen. In figuur 8 staat de samenhang tussen het hoofddoel en de onderliggende subdoelen, met het bijbehorende tijdspad.

Proactief aan de slag met de VHR doelen: voorbereiden bod voor uitwerking VHR doel voor meer voorspelbaar gebiedsproces We kennen de provincie en de potenties van ons landschap het best en vertellen wat gegeven het landschap mogelijk is aan VHR doelen. We wachten de verdere uitwerking van het Rijk op de VHR doelen niet af maar bereiden als provincie zelf proactief een bod voor ten aanzien van de VHR doelen die we willen realiseren in het kader van het ZH-PLG. Hiermee voorkomen we verassingen in de gebiedsprocessen en kunnen we samen met onze gebiedspartners

58

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Natuurinclusiviteit op landschapsschaal Voor halen van de VHR doelen is natuurinclusiviteit op landschapsschaal nodig. Dus naast de beschermde natuurgebieden, óók werken aan agrarische natuurwaarden en basiskwaliteit natuur. Hiervoor is een systeembenadering essentieel, waarbij ook de verbindingen met het stedelijk gebied van belang zijn. Wij denken dit te kunnen realiseren door een robuust geheel van aaneengesloten beschermde natuurgebieden met een logische

zonering te ontwikkelen: kerngebieden bestaande uit Natura 2000 overlopend in het Natuurnetwerk Nederland dat bestaat uit zowel kerngebieden als ecologische verbindingen tussen de natuurgebieden. Maar ook buiten deze beschermde natuur is een goede leefomgeving voor planten en dieren nodig. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Planten en dieren houden zich immers niet aan de grenzen op de kaart. Zo broeden sommige vogels in de natuurgebieden en eten ze deels in het omliggende gebied. En andere soorten hebben hun kolonies juist in gebouwen buiten de natuurgebieden en komen voor hun voedsel naar de natuurgebieden. Boerenlandvogels zijn zelfs geheel afhankelijk van natuurinclusief gras- en akkerland voor hun leefgebied. En ook voor water geldt dat het natuurgebieden in- en uit stroomt. Dus ook buiten de beschermde natuurgebieden en in de stad zijn een gezonde bodem, schoon en voldoende water, voldoende plek voor voedsel en voortplanting en het terugdringen van negatieve externe invloeden zoals stikstof van belang. Daarom is ook het meer fijnmazige groenblauwe netwerk buiten de beschermde natuurgebieden cruciaal; heldere sloten met een goede waterkwaliteit en bloemrijke oevers, houtkaden, oude knotwilgen, en bermen die rijk zijn aan bloemen en insecten.

Kortom: een natuurinclusief landschap, zowel gekoppeld aan agrarisch gebruik als andere functies, waaronder zonnevelden, bedrijventerreinen en wonen, dat gebaseerd is op de kaders van water- en bodem sturend, waarbij algemene soorten planten en dieren overal ook algemeen zijn. De agenda natuurinclusief en het daaraan gekoppelde concept van “basiskwaliteit natuur” (algemene soorten ook algemeen houden) zijn daarbij belangrijk en richtinggevend.

59

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Robuuste en effectieve eenheden natuur Maatregelen voor biodiversiteitsherstel voeren we primair binnen de natuurbegrenzing en overgangsgebieden (zie hierna) uit, waarbij we rekening houden met het koppelen van opgaven en het functioneren van het ecologisch systeem. Hierdoor ontstaan robuuste en effectieve eenheden natuur; binnen de begrenzing zetten we maximaal in op doelbereik. Dit vraagt om een scherpe prioritering in de ruimte omdat dit niet alleen een kwalitatieve maar ook een kwantitatieve opgave betreft. De mogelijke stappen hiervoor zijn in figuur 9 beschreven. Met deze strategie benutten we de schaarse ruimte in Zuid-Holland zo optimaal mogelijk. We onderzoeken met onze gebiedspartners wat dit in het gebied betekent en we onderzoeken of aanwezige functies binnen natuurgebieden strijdig zijn met het realiseren van natuurdoelen en wat dat voor mogelijke consequenties heeft.

Onderzoek naar overgangsgebieden voor gelijktijdige aanpak diverse opgaven Overgangsgebieden zijn gebieden grenzend aan Natura 2000 gebieden. Deze gebieden leveren een bijdrage aan het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen in de betreffende Natura 2000 gebieden. Systeemherstel is hiervoor noodzakelijk. Opgaven voor natuur, water en klimaat en land- en tuinbouw kunnen in overgangsgebieden gelijktijdig aangepakt. Het ruimtelijk gebruik en de functies en activiteiten in de omgeving van Natura 2000gebieden staan in direct verband met de natuurkwaliteit binnen het Natura 2000-gebied. Voor verschillende Natura 2000-gebieden kan het verbeteren van condities in de omgeving een belangrijk onderdeel zijn van een aanpak gericht op het herstel van natuurlijke

processen. Denk aan de optimalisatie van hydrologische systemen, vermindering van stikstofdepositie en de onderlinge verbinding van ecosystemen in het landschap. Naast bijdrage aan natuurherstel in en rondom het Natura 2000-gebied zijn er in de overgangsgebieden ook nog andere opgaven en uitdagingen. Dat maakt deze gebieden bij uitstek de plek om kansen en perspectief te creëren en ook andere grote maatschappelijke opgaven een plek te geven, bijvoorbeeld door functies en activiteiten te combineren. Er zijn dus mogelijkerwijs meekoppelkansen met andere opgaven zoals drinkwater, wonen, energie, recreatie, klimaatadaptatie, vitaliteit platteland en cultuurhistorie etc. mits het bijdraagt aan de realisatie van de centrale opgave. Omdat de functies en activiteiten in de omgeving van Natura 2000 gebieden in direct verband staan met de natuurkwaliteit binnen het Natura 2000-gebied onderzoeken we de mogelijkheden voor de realisatie van overgangsgebieden. Naast de inhoudelijke overweging vraagt het ministerie van LNV ons dit uit te werken waarbij “comply or explain” geldt. Oftewel; toepassen van overgangsgebieden of uitleggen waarom niet. Omdat het huidige informatieniveau onvoldoende is om aan te geven waar overgangsgebieden mogelijkerwijs niet gerealiseerd hoeven te worden, onderzoeken we rond alle Natura 2000-gebieden of een overgangsgebied nodig is.

Daarbij is het belangrijk om te onderzoeken wie grondeigenaren zijn, welk grondgebruik er is en hoe daar integraal het gesprek over aangegaan wordt.

60

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Figuur 9 Stapsgewijs overzicht voor VHR doelstelling

Combineren maatregelen VHR doelen met water en klimaat doelen voor synergievoordelen We zoeken de synergie op met de andere (NPLG) opgaven, zodat ze elkaar versterken en er onder de streep minder oppervlak nodig is voor het behalen van de doelen. Integraliteit is het uitgangspunt. De maatregelen voor VHR doelen zijn bij uitstek te combineren met de water en klimaat doelen. Door de maatregelen voor de verschillende doelen te combineren versterken de maatregelen elkaar en is minder

oppervlak nodig om dezelfde doelstellingen te halen. Een paar voorbeelden zijn: ▪ Het verhogen van het waterpeil in de veenweiden, dat bodemdaling tegengaat en het leefgebied geschikter maakt voor de weidevogels. ▪ De combinatie van maatregelen voor waterkwantiteit (buffers of calamiteitenopslag), drinkwater en natuur. ▪ Groenblauwe dooradering en de verplichte bufferstroken rondom land- en tuinbouwpercelen. ▪ Natuurvriendelijke oevers en de KRW opgave.

Samenvatting uitgangspunten natuurherstel en ontwikkeling voor 30% overbrugging VHR-opgave: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

61

Voorbereiden bod voor uitwerking VHR doel voor meer voorspelbaar gebiedsproces; Natuurinclusiviteit op landschapsschaal Robuuste en effectieve eenheden natuur Onderzoek naar overgangsgebieden voor gelijktijdige aanpak diverse opgaven; Combineren maatregelen voor VHR-doelen voor water en klimaat voor synergievoordelen; Creëren recreatieruimte en opvangcapaciteit recreatiegebieden om druk op kwetsbare natuur te verminderen

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Creëren recreatieruimte en opvangcapaciteit recreatie-gebieden om druk op kwetsbare natuur te verminderen.

Creëren recreatieruimte en opvangcapaciteit recreatiegebieden om druk op kwetsbare natuur te verminderen Zuid-Holland heeft het minste areaal groen per inwoner en het aantal inwoners neemt toe. Door het tekort aan recreatieruimte in Zuid-Holland vormt recreatie in kwetsbare natuurgebieden een drukfactor. Dit kan verminderd worden door nieuwe recreatieruimte (niet kwetsbaar groen) te creëren en de opvangcapaciteit van recreatiegebieden te vergroten. We zien hierdoor verschillende mogelijkheden: ▪ Groenblauwe dooradering zal kwaliteit toevoegen aan de recreatieve beleving van het landschap. Mogelijk biedt dit ook nieuwe kansen voor waterrecreatie, zolang gebieden met kwetsbare natuurwaarden niet samenvallen met drukke recreatieve bestemmingen. ▪ Recreatiegebieden vormen belangrijke schakels in het natuurnetwerk. Door in te zetten op het vitaliseren van bossen en vergroten natuurkwaliteit in recreatiegebieden neemt de natuurwaarde verder toe. Ook dragen recreatiegebieden zo (nog meer) bij aan CO2. De combinatie met waterberging is in recreatiegebieden soms ook mogelijk. Door het vergroten van de natuurkwaliteit wordt de belevingswaarde voor de recreant hoger. Daarmee kunnen recreatiegebieden een aantrekkelijke alternatieve bestemming vormen voor kwetsbare natuurgebieden.

Meer bezoekers opvangen vraagt wel om meer voorzieningen waarmee het beheer van deze recreatiegebieden intensiever en duurder wordt. ▪ In het landelijk gebied liggen veel kansen voor recreatie en de toegankelijkheid van landbouwgebied kan worden vergroot door

het realiseren en openstellen van boerenlandpaden. Recreatie en beheer van natuurlijke en recreatieve verbindingen kan als nevenactiviteit voor agrariërs een verdienmodel vormen door recreatie mee te nemen in de transitie van het landelijk gebied.

4.1.2. Uitgangspunten toekomstbestendig, duurzaam en circulair systeem voor de land- en tuinbouw Land- en tuinbouw en natuur zijn met elkaar verbonden in de ZuidHollandse landschappen. Ze maken deel uit van eenzelfde ecologisch en economisch systeem en delen daarin bodem, water, lucht en biodiversiteit. Een gezonde bodem, schoon en voldoende water en biodiversiteit zijn essentieel voor een gezonde ecologie en economie. De rol van de land- en tuinbouw zien wij als drieledig: 1) producent van voedsel, grondstoffen en sierteeltproducten; 2) beheerder van het landschap; 3) essentieel onderdeel van de sociaaleconomische identiteit van de gebieden. We vinden het belangrijk dat agrariërs voor deze rollen gewaardeerd en voldoende beloond worden. Wij erkennen de stappen die elk individueel agrarisch bedrijf al heeft gemaakt voor verduurzaming (waaronder de doelen van het NPLG). Onze verwachting is dat de land- en tuinbouw in Zuid-Holland moet veranderen om internationaal concurrerend te kunnen blijven binnen ecologische grenzen.

Doelsturing met KPI’s Om de transitie in de land- en tuinbouw naar een duurzaam, circulair systeem te bevorderen gaan we werken met doelsturing. Het sturen op doelen in plaats van maatregelen heeft twee belangrijke voordelen: agrariërs weten wat hen te doen staat en zij krijgen zelf het stuur in handen om de route te bepalen die past bij 62

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

hun eigen bedrijfssituatie. De provincie krijgt inzicht in doelrealisatie en een kosteneffectieve besteding van middelen. Het biedt ons ook mogelijkheden voor monitoring. Om deze transitie navolgbaar en meetbaar te maken, introduceren wij een KPI-systematiek (zoals opgenomen in de brief over de landbouwbijdrage in ZH-PLG aan PS nov’22). Het ministerie van LNV werkt met een aantal provincies en de Wageningen Universiteit aan een nieuwe landelijke KPI-set die de standaard moet worden voor publieke en private beloningssystemen. In het algemeen is er sprake van indicatoren op het gebied van onder andere voedingsstoffen, klimaat, circulariteit, water, bodem en biodiversiteit.

Door de mogelijkheden tot regionaal maatwerk lenen KPI's zich uitstekend voor een gebiedsgerichte aanpak. Door bovendien met de beloning en de drempel- en streefwaarden te variëren kan gebiedsgericht maatwerk gefaciliteerd worden en gezorgd dat een grote groep bedrijven in beweging blijft en verder verduurzaamt. KPI’s op agrarische bedrijven hebben drie functies: als dashboard bij de bedrijfsvoering voor de individuele agrarisch ondernemer, als middel voor leren en ontwikkelen in collegiaal verband en om de vorderingen in milieuprestatie van het eigen bedrijf vast te leggen.

Werken met drempel- en streefwaarden Binnen de KPI-systematiek wordt gewerkt met drempel- en streefwaarden. De drempelwaarde is het (wettelijk) minimum. De drempel- en streefwaarde van elke KPI kan op maat worden gemaakt voor het doel, c.q. het gebied waarvoor hij wordt ingezet. KPI’s zijn een middel om de duurzaamheidsprestatie te belonen. Dat begint met erkenning door de overheid en vanuit de markt van die prestatie (de ondernemer en zijn bedrijf worden gezien en door de overheid de afnemers bevestigd dat ze op de goede weg zijn). Alleen voor een duurzaamheidsprestatie boven het wettelijk minimum kan een beloning toegekend worden. De beloning in een overgangsfase heeft een andere betekenis dan de beloning van structurele aard (verdienmodel). Beloningen in geld, zijn bijvoorbeeld, meerprijs op de markt, korting op de pachtprijs of voordelige financiering. Ook is te denken aan extra grond en ontheffingen van regelgeving. Daarnaast zijn er bij beloning op basis van KPI scores verschillende mogelijkheden die we nader gaan onderzoeken en invullen: een vast bedrag als een bedrijf de

streefwaarde haalt of een beloning die stijgt met een stijgende KPIscore of verschillen in onderlinge weging tussen de KPI’s.

Inzet van KPI’s: tezamen of in combinaties De KPI's kunnen tezamen of in uitgekiende combinaties worden ingezet. In het eerste geval ontstaat een integraal beeld van de duurzaamheidsprestaties. Als bovendien een 'voldoende' score op alle KPI's wordt vereist, wordt het risico van afwenteling tussen verschillende KPI's tot een minimum teruggebracht. In het tweede geval, bij inzet van selecties van KPI's, kan provinciaal en regionaal maatwerk worden geleverd door de selectie toe te spitsen op de meest urgente gebiedsopgaven. In de verkenningsfase van de gebiedsgerichte aanpak werken we de doelen, drempel- en streefwaarden met de sector verder uit. Gezien het belang van emissiereductie van ammoniak is daarover al meer uitgewerkt in het punt hierna. De verwachting is dat er voor de uitwerking van KPI’s aansluiting gevonden kan worden bij het landbouwakkoord, dat ook gericht is op het versnellen en faciliteren van de transitie naar duurzame en toekomstbestendige landbouw.

Samenvatting uitgangspunten toekomstbestendig, duurzaam en circulair systeem voor land- en tuinbouw: ▪ ▪ ▪

63

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Doelsturing met KPI’s voor regionaal maatwerk en inzicht in doelrealisatie; Werken met drempel- en streefwaarden voor onderscheid wettelijk minimum en belonen voor prestatie daarboven; Inzet van KPI’s tezamen of in combinaties voor integraal beeld duurzaamheidsprestaties of maatwerk per gebied.

4.1.3. Uitgangspunten emissiereductie ammoniak ten behoeve van natuurherstel Het ZH-PLG werkt toe naar een reductie van 2,5 kton ammoniak. Emissiereductie van ammoniak in de landbouw is een belangrijk doel voor het natuurherstel. Daarnaast helpt het in de vergunningverlening zowel voor landbouw als andere bedrijvigheid. Uitgangspunt is om agrariërs zoveel mogelijk helderheid te bieden over het doel waarop zij zich kunnen richten en mogelijkheden om ook in de toekomst een goede boterham te verdienen en te kunnen investeren. Daarnaast wil de provincie sturen op het reductie-pad ammoniak (1,9 kton + 0,6 kton basispad).

Bedrijfs-KPI kg NH3/ha met bandbreedte We gaan werken met een bedrijfs-KPI voor ammoniakreductie. We stellen daarbij een emissienorm op met een bandbreedte van 35 tot 40 kg NH3 per hectare voor graasdierbedrijven. Vanaf 2025 geldt dit als streefwaarde, in 2030 evalueren we welke stappen nog gezet moeten worden om dit vanaf 2035 als norm in te voeren. Agrariërs worden ondersteund bij de uitwerking en krijgen de tijd om via een streefwaarde naar de drempelwaarde in 2035 toe te bewegen. Die ruimte is nodig om als bedrijf kennis op te bouwen, om de juiste strategie te vinden en om aanpassingen te doen, om vervolgens emissies daadwerkelijk naar beneden te brengen. Het kiezen voor deze KPI is een belangrijke stap in de reductie van 2,5 kton ammoniak. We verwachten dat met aanvullende ontwikkelingen, maatregelen uit de gebiedsprocessen en de verdere integratie van de overige doelstellingen de 2,5 kton binnen bereik komt.

64

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

In de uitwerking onderzoeken we met gebiedspartners ook streefwaarden en drempelwaarden die passen bij een situatie waarin de omvang van de opgave groter is, bijvoorbeeld door de nabijheid van stikstofgevoelige natuurgebieden. Vanuit het depositieprincipe en de natuurdoelstelling is het logisch om per locatie te bepalen wat specifiek nodig is. Ook de grondgebonden teelten, waaronder akkerbouw, dienen bij te dragen aan de ammoniakreductie. Echter zijn de effecten van de mogelijke maatregelen op de akkerbouw op dit moment nog niet voldoende te kwantificeren om over drempelwaardes te kunnen spreken. Voor de veehouderij is voldoende informatie bekend om naast bedrijfs-KPI’s ook emissieplafonds per gebied uit te werken.

Onderzoeken bedrijfs-KPI’s voor grondgebonden teelten In de veehouderij weten we welke maatregelen bij kunnen dragen aan bereiken van het doel. De kringloopwijzer voor melkveebedrijven nadert de volwassenheid. Voor de akkerbouw weten we ook welke bouwstenen kunnen bijdragen, maar we hebben nog onvoldoende zicht op de kwantificeerbaarheid daarvan. Voor de akkerbouw en andere grondgebonden teelten staat het registratiesysteem op bedrijfsniveau nog in de kinderschoenen. De gemiddelde emissie die uit de landelijke emissieberekeningen naar voren komen voor de teelten hebben een groot aantal aannames, waardoor het in de praktijk zowel hoger als lager kan zijn. Er is ook nog weinig onderzoek gedaan en directe metingen van emissies zijn beperkt.

Onderzoeken emissieplafonds per gebied (in eerste instantie voor de veehouderij) We spreken van een emissieplafond als het gaat om een gebiedsniveau (PZH, kerngebied, deelgebied) en een KPI voor ammoniakemissie als het gaat om de ammoniakemissie op bedrijfsniveau. Om de invulling voor emissieplafonds per gebied concreet te maken en optimaal gebruik te maken van de kennis in de gebieden, wordt voorgesteld om een proces van joint fact finding in te richten. Dit houdt in dat de provincie de redeneerlijn samen met partners in de programmatische aanpak per gebied verder uitwerkt, waarbij input vanuit de praktijk en gebiedsspecifieke kennis wordt meegenomen. Een gezamenlijke redeneerlijn voor emissieplafonds kan vervolgens dienen als basis voor de besluitvorming.

Samenvatting uitgangspunten emissiereductie ammoniak ten behoeve van natuurherstel: ▪ ▪ ▪

Toewerken naar bedrijfs-KPI’s met bandbreedte; Onderzoeken bedrijfs-KPI’s voor grondgebonden teelten; Onderzoeken emissieplafonds per gebied (in eerste instantie voor veehouderij)

65

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

4.1.4. Uitgangspunten behalen van de KRW doelen Een goede waterkwaliteit en -kwantiteit is de basis van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving, waarin we nuttig gebruik maken van het beschikbare water voor de drinkwatervoorziening, landbouw, natuur, recreatie, transport en industrie. Die functies kunnen elkaar beïnvloeden, gaan niet altijd samen en de toestand van het water is niet altijd geschikt voor iedere functie. De oppervlaktewaterkwaliteit in Zuid-Holland is niet op orde. Dit komt met name door verhoogde concentraties aan nutriënten en bestrijdingsmiddelen. Dat leidt onder andere tot overlast van blauwalgen en tot achterblijven van gestelde natuurdoelen. De kwaliteit van het grondwater wordt bedreigd door verontreinigende stoffen als gevolg van menselijk handelen. Intensieve landbouw, industriële uitstoot naar het milieu en toenemend gebruik van de ondergrond vormen een belasting in de vorm van nutriënten, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics en opkomende stoffen. Ook komen stoffen in het grondwater door uitspoeling van historische bodemverontreinigingen en (illegale) lozing van verontreinigende stoffen.

Bestaand beleid voortzetten Voor het halen van de KRW-doelen zetten we ons bestaand beleid voort. Het provinciaal beleid voor het realiseren van mooi en schoon water volgt uit wettelijke taken en bevoegdheden, maar ook uit bestuurlijke ambitie. De rol die de provincie neemt verschilt per opgave. In ons regionaal waterprogramma wordt onder andere uitwerking gegeven aan de volgende beleidsonderdelen van mooi en

schoon water: realiseren goede oppervlaktewaterkwaliteit,realiseren goede grondwaterkwaliteit en -kwantiteit, drinkwatervoorziening, goede en veilige zwemlocaties in oppervlaktewater en droogte en zoetwatervoorziening. Ook zijn er gebiedsuitwerkingen opgenomen in ons regionaal waterprogramma, waaronder het afsprakenkader emissieloze kas.

Versnelling en opschaling aanpak agrarische gebieden waar waterkwaliteit achterblijven Daarnaast zetten we in op het creëren van de randvoorwaarden waarmee een versnelling en opschaling kan worden gemaakt met de aanpak in agrarische gebieden waar de waterkwaliteit achterblijft. Dit gebeurt in aansluiting op al lopende gebiedsprocessen en de uitvoeringsafspraken die vooruitkomen uit de aanpak van Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW). Uitgangspunt bij de aanpak is dat vanuit een centrale faciliteit binnen het ZH-PLG, agrariërs gefaciliteerd worden om in samenwerking met de waterbeheerders tijdig stappen te zetten om overmatige uit- en afspoeling van nutriënten en/ of erf- en/ of perceelemissies van gewasbeschermingsmiddelen naar de sloot te reduceren. De aanpak die wordt voorgesteld is gebiedsgericht en risico gestuurd: een gebiedsgerichte aanpak is nodig omdat met name specifieke, voor de omstandigheden passende, maatregelen de benodigde verbetering opleveren. Dit vraagt om een bottom-up aanpak met het gebied. Het risico gestuurde element zit erin dat focus van de inzet gaat naar gebieden waar de afstand tot het doel het grootst is en door ervoor te zorgen dat overeengekomen maatregelen op draagvlak kunnen en worden bekrachtigd in een overeenkomst.

66

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Samenvatting uitgangspunten behalen van de KRW doelen: ▪ ▪

Voortzetten bestaand beleid zoals gebiedsuitwerkingen in regionaal waterprogramma; Mogelijk maken versnelling en opschaling aanpak in agrarische gebieden waar waterkwaliteit achterblijft.

4.1.5. Uitgangspunten emissiereductie broeikasgassen ten behoeve van klimaatdoel 2030 Op grond van een indicatieve verdeling tussen de veenweideprovincies heeft Zuid-Holland een indicatief aandeel van 21% van de nationale reductieopgave van 1 Mton broeikasgassen uit veen in 2030. Dat komt neer op ca. 60% reductie en opzichte van het referentiejaar 2017. In onze projectfinanciering in Zuid-Holland zetten we in op 25% reductie per project. Daarnaast is voor de veehouderij en akkerbouw landelijk een reductieopgave van 5 Mton CO2-eq (waarvan 3,8 Mton methaanreductie) bepaald. Dit is exclusief ‘vastgesteld en voorgenomen beleid’. Deze 5 Mton CO2-eq reductie is indicatief over de provincies verdeeld. Voor Zuid-Holland geldt dat het indicatieve reductiedoel exclusief glastuinbouw uitkomt op 0,3 Mton CO2-eq

voor 2030. Met het NPLG moet een methaanemissiereductie van 3,12 Mton CO2-eq landelijk in de veehouderij en akkerbouw zijn gerealiseerd in 2030. In het Klimaatakkoord is afgesproken om in 2030 0,4 tot 0,8 Mton CO2-eq per jaar vast te leggen in bomen, bossen en natuur. Hiervoor bestaat een duidelijke link met de opgaven voor – de uitbreiding van – natuur en ook waterkwaliteit. Hiervoor nemen we in dit onderdeel geen uitgangspunt op. Voor koolstofvastlegging in landbouwbodems is een landelijk doel van 0,5 Mton CO2-eq afgesproken. Voor het reduceren van de CO2-uitstoot uit veenbodems zien we op dit moment in grote lijnen twee kansrijke richtingen. De eerste is vernatten, de andere is het aanbrengen en inspoelen van klei in de veenbodem. Voor beide oplossingen wordt nog veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit onder verschillende omstandigheden.

Onderzoeken (verdergaande) vernatting Vernatting is, op verschillende manieren, al wel breed toepasbaar. De eenvoudigste manier om het grondwaterniveau te laten stijgen, is het verhogen van het slootpeil. Het effect neemt af naarmate de afstand tussen sloten groter is. Het peil ‘zakt uit’, doordat het water vanuit de sloot niet ver genoeg het perceel kan binnendringen. Uit onderzoek weten we dat slootpeilverhoging zonder aanvullende maatregelen – zoals waterinfiltratie – niet voldoende effect heeft om het klimaatdoel van 2030 te halen. De grondwaterstand zakt minder uit bij toepassing van waterinfiltratiesystemen (WIS). Dat werkt met infiltratie/drainagebuizen. Het slootpeil staat hoger dan de infiltratiebuizen. In de zomer zal het water infiltreren in de bodem, in de winter kunnen dezelfde buizen dienst doen voor waterafvoer.

67

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Op basis van eerste resultaten van recent onderzoek kunnen we concluderen dat waterinfiltratie voor het klimaatdoel van 2030 voldoende effect heeft, mits dit wordt gecombineerd met slootpeilopzet tot een drooglegging van - 40 cm (zie kader Waterinfiltratie kansrijk). Waterinfiltratie wordt ook effectiever door er druk op te zetten met een pomp in een drukvat, die het water geforceerd (actief) in de buizen pompt. Met deze zogenoemde actieve waterinfiltratiesystemen kan hetzelfde effect worden bereikt als met passieve infiltratie plus slootpeilopzet. Systemen voor actieve waterinfiltratie zijn technisch al voldoende ontwikkeld voor toepassing op praktijkschaal. Het op peil houden van de grondwaterstand zorgt voor een extra watervraag. Een verdergaande vernatting, tot 20 cm onder maaiveld, levert een grotere reductie van broeikasgassen op. Dat kan dus interessant zijn voor de klimaatopgave op de langere termijn. Het past echter niet in het huidige gangbare agrarische grondgebruik en bedrijfsverdienmodel. Drassige grond heeft een lagere gewasopbrengst en is minder toegankelijk voor machines en grazend vee. Op de “hoogwaterboerderij” van KTC Zegveld vindt onderzoek plaats naar melkveehouderij bij een geringe drooglegging (20 cm).

Daarnaast wordt, op diverse proefvelden verspreid door Nederland geëxperimenteerd met ‘natte teelten’, zoals cranberry’s of lisdodde, als alternatief verdienmodel.

Onderzoeken ‘klei in veen’ Een andere maatregel voor het terugdringen van CO2is ‘klei in veen’, dat wil zeggen het toevoegen en laten inspoelen/inregenen van een hoeveelheid klei. Doordat kleideeltjes zich binden aan veen, wordt

de bodem minder gevoelig voor oxidatie. In vergelijking met waterinfiltratie heeft deze methode minder ingrijpende consequenties voor het watersysteem en het landgebruik. De techniek bevindt zich nog in een experimentele fase. De eerste onderzoeksresultaten in een laboratoriumomgeving laten een wisselend beeld zien, met CO2-reducties tussen 15 en 60 procent. Voor klei in veen is er nog fundamenteel onderzoek nodig. Er is nog onvoldoende basis om op korte termijn deze methode breed in te zetten. We weten bijvoorbeeld nog niet precies welke klei het meest geschikt is, hoeveel klei nodig is en hoe vaak het aanbrengen herhaald moet worden. Ook zijn nog vragen over de ruimtelijke, logistieke en economische gevolgen. Er is meer onderzoek nodig. Onderdeel van onze strategie is ruimte voor experimenten.

Integraal sturen op reductie methaanuitstoot landbouwsector Met doelsturing kunnen ook de emissies van broeikasgassen worden teruggedrongen. Voor het thema broeikasgassen is al een redelijk goede set KPI’s beschikbaar, waarvan de KPI ‘broeikasgasemissies’ (uiteraard) de meest relevante is. Voor de methaanemissie is geen aparte KPI beschikbaar. Het sturen op verbetering via KPI’s vraagt een integrale aanpak, omdat maatregelen veelal doorwerken op meerdere KPI’s tegelijkertijd. Maatregelen gericht op het reduceren van de methaanemissie kunnen zo in het ongunstige geval juist leiden tot hogere ammoniakemissies.

Koolstofvastlegging in landbouwbodems We onderzoeken de opties voor CO2-vastlegging op basis van opschaling van het project carbon farming uit het IBP ZWD.

68

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Onderdeel hiervan is het ontwikkelen van een businesscase voor carbon farming als verdienmodel voor akkerbouwers.

Samenvatting uitgangspunten emissiereductie broeikasgassen ten behoeve van klimaatdoel 2030 ▪ ▪ ▪ ▪

Onderzoeken (verdergaand) vernatting voor reductie CO2uitstoot; Onderzoeken ‘klei in veen’ voor reductie CO2-uitstoot; Integraal sturen op reductie methaanuitstoot vanuit de landbouwsector; Onderzoeken koolstofvastlegging in landbouwbodems.

4.1.6. Uitgangspunten voor water en bodem sturend Het watersysteem loopt vaker tegen zijn grenzen aan en daarmee ook de doelmatigheid van het waterbeheer. Bodemdaling, klimaatverandering, zeespiegelstijging, bevolkingsgroei en verstedelijking doen de uitdagingen toenemen. Enkele voorbeelden: ▪

▪

▪

Het risico op wateroverlast neemt toe door een toename van verhard oppervlakte (door bebouwing en wegen), toenemende intensiteit van buiten en nat(ter) houden van veenbodems om CO2emissie te verminderen. In droge zomers en perioden van lage rivierafvoer kunnen inlaatpunten van zoet water verzilten. Daardoor is onvoldoende zoet water om alle (bestaande) gebruiksfuncties van passende waterkwaliteit te voorzien. Stijgende watertemperatuur en lagere waterpeilen, zetten de waterkwaliteit onder druk. De beschikbaarheid van voldoende water voor drinkwaterproductie is in delen van de provincie een acuut knelpunt. De beschikbaarheid van zoet water kan extra gaan knellen door een toename van de watervraag om de veenbodem nat(ter) te houden. Verzilting van het grondwater neemt toe door zeespiegelstijging, bemaling van diepe polders en grondwaterontrekkingen.

Daarom heeft het Rijk een programma gestart om water en bodem meer sturend te laten zijn in de ruimtelijke inrichting. Water en bodem als sturend principe is een van de uitgangspunten van het NPLG.

69

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Robuuster regionaal watersysteem voor weerbaarheid tegen zoet watertekort en voorkomen wateroverlast We maken het regionaal watersysteem robuuster om daarmee de weerbaarheid tegen tekorten aan zoet water te vergroten en wateroverlast te voorkomen. Hiervoor werken we nauw samen met de waterschappen. Als provincie nemen we een actieve(re) rol als het gaat om doelbereik en coördinatie voor de samenhang van vraagstukken. De uitvoering en wat daarbij noodzakelijk is ligt primair bij de waterschappen. In het najaar komen we in gezamenlijkheid met de waterschappen tot een afsprakenkader over onze rollen en activiteiten voor het realiseren van een toekomstbestendig watersysteem. Daarbij brengen we met de waterschappen per deelgebied in beeld wat de opgaven zijn en welke afhankelijkheden we zien binnen het watersysteem in het deelgebied en op de schaal van Zuid-Holland. We werken aan een, zoveel als mogelijk bestuurlijk gedragen, beeld over de verdeling van schaars water in Zuid-Holland. Dit doen we zo snel als mogelijk in 2024, doch uiterlijk in Q2 van 2024. De verfijning van dit gezamenlijk beeld (en de nadere uitwerking) volgt in 2026 a.d.h.v. plannen van de Deltacommissaris, de zogenoemde Deltabeslissing.

Gezamenlijke ontwikkeling klimaatonderlegger om afwenteling op toekomstige generaties en andere gebieden te voorkomen We hebben als provincie Zuid-Holland met de waterschappen een klimaatonderlegger ontwikkeld die handen en voeten geeft aan het principe van water en bodem sturend en die aansluit bij de uitgangspunten en structurerende keuzes zoals de minister van Infrastructuur en Waterstaat die in zijn brief van25 november 2022

heeft verwoord. Een van de uitgangspunten is niet afwentelen op toekomstige generaties, op andere gebieden en van private naar publieke sector. De klimaatonderlegger geeft vanuit water, bodem en klimaatverandering, inzicht in de geschiktheid van een gebied voor de gebruiksfuncties verstedelijking, landbouw en natuur. Door bij ontwikkelingen, bedrijfsvoering en locatiekeuzen beter rekening te houden met condities vanuit het water- en bodemsysteem en klimaatverandering, wordt afwenteling voorkomen.

Benutten uitgangspunten en aanbevelingen klimaatonderlegger Voor Water en bodem sturend gebruiken we de uitgangspunten en aanbevelingen uit de klimaatonderlegger zoals in figuur 10 aangegeven. Geeft de klimaatonderlegger aan dat er op een locatie extra uitdagingen vanuit water, bodem of klimaat zijn voor een bepaalde ontwikkeling, dan kan dit samen met de provincie en

Samenvatting uitgangspunten water en bodem sturend:

70

•

Gezamenlijke ontwikkeling klimaatonderlegger om afwenteling op toekomstige generaties en andere gebieden te voorkomen;

•

Benutten uitgangspunten en aanbevelingen klimaatonderlegger voor klimaatadaptief ontwikkelen.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

waterschappen verder worden onderzocht. Gebiedspartners verkennen samen met provincie en waterschap of, en onder welke randvoorwaarden, de ontwikkeling klimaat adaptief mogelijk is en of het eventueel op een andere plek beter inpasbaar is. Naast randvoorwaarden voor klimaat adaptief ontwikkelen zijn in de klimaatonderlegger ook voorbeelden van adaptatiemaatregelen te vinden. Daarmee beschrijft de onderlegger niet alleen de beperkingen voor functies, maar ook de kansen en mogelijkheden door aanpassingen door te voeren. Beiden voeden het gesprek over slimme keuzes voor de toekomst.

Figuur 10 Klimaatonderlegger

71

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

4.2. Maatregelen: continu in ontwikkeling Als provincie Zuid-Holland hebben we zestien maatregelen uitgewerkt, deze zijn onderbracht in vier maatregelpakketten. Tabel 2 geeft dit schematisch weer. De maatregelpakketten worden onderscheiden op grond van hun thematische oriëntatie en de beoogde doelen, in combinatie met de partners die met de instrumenten en projecten in de maatregelen aan de slag zullen gaan. Met de maatregelpakketten bieden we een overzicht voor de gewenste samenhangende programmatische aanpak van de transitie naar een nieuwe balans in het landelijk gebied in Zuid-Holland. De maatregelen worden waar mogelijk en waar nodig in onderlinge samenhang uitgevoerd in de gebiedsprocessen per deelgebied. Sommige maatregelen kennen een provincie-brede opzet en worden parallel aan en ondersteunend aan de gebiedsprocessen ingezet. Veel maatregelen raken aan of zijn rechtstreeks gericht op de toekomstbestendige ontwikkeling van bedrijfsvoering van boeren en tuinders. Ook dat vraagt in de nadere uitwerking van maatregelen en in de uitvoering van maatregelen een goede onderlinge afstemming. Andere maatregelen zijn gericht op het aanpassen of het versterken van netwerken die als verbindende elementen randvoorwaardelijk zijn voor de toekomstbestendige ontwikkeling van gebieden of bedrijven.

De maatregelen dienen als kapstok voor continue projectontwikkeling en bestaan uit een mix van mogelijke instrumenten die ingezet kunnen worden voor doelbereik. Gebiedsgerichte aanpakken en projecten kunnen uit meerdere maatregelen gefinancierd worden. De maatregelpakketten worden elk kort toegelicht en

72

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

bevatten samenvattingen van de verschillende maatregelen die binnen het pakket vallen. Tabel 1 Overzicht maatregelpakketten

Landschap en natuurversterking ▪ Maatregel Realisatie provinciale opgave Natura 2000 ▪ Maatregel Groenblauwe dooradering ▪ Maatregel Nieuwe en vitale bossen ▪ Maatregel NNN ▪ Maatregel VHR-doelbereik buiten natuurgebieden ▪ Maatregel Overgangsgebieden Verbetering waterkwaliteit ▪ ▪ ▪ ▪

Maatregel Aanpak waterkwaliteit landbouw Maatregel Emissiereductie bollenteelt Maatregel Emissiereductie boomteelt Maatregel Emissiereductie glastuinbouw

Toekomstbestendige land- en tuinbouw ▪ Maatregel Verduurzaming veehouderij ▪ Maatregel Verduurzaming akkerbouw ▪ Maatregel Natuurinclusieve (glas)tuinbouw ▪ Maatregel Ondersteuning bedrijfsvoering

Toekomstbestendig water- en bodemsysteem ▪ Maatregel Reductie CO2-emissie uit veenweiden ▪ Maatregel Toekomstbestendig watersysteem

4.2.1. Maatregelpakket Landschap en natuurversterking Het maatregelenpakket landschap en natuurversterking bestaat uit maatregelen gericht op beter beheer van bos- en natuurgebieden en op het herstellen van natuurlijke dynamiek. Voor de Natura 2000gebieden en de VHR-soorten en habitats buiten de Natura 2000gebieden geldt in het bijzonder dat de gunstige staat van instandhouding bereikt moet worden. Waar nodig houden we door herinrichting een grotere afstand tussen beschermde natuur enerzijds en verstedelijking, verkeer, land- en tuinbouw en alle andere intensieve vormen van landgebruik anderzijds. Met deze maatregelen werken we ook aan een mooier landschap en zorgen we voor nieuwe en andere plekken voor recreatie.

Maatregel Realisatie provinciale opgave Natura 2000

van het doelbereik. Specifieke activiteiten zijn gericht op natuurbeheer binnen N2000-gebieden, het creëren van overgangsgebieden, het uitbreiden van het areaal N2000 en het uitkopen agrarische gronden binnen N2000.

Bijdrage aan het doelbereik Deze maatregel geeft invulling aan de VHR-doelstellingen. Nog niet alle doelstellingen zijn concreet vastgesteld door het Rijk. Deze maatregel geeft daarom invulling de doelstellingen die de provincie opstelt volgens de provinciale VHR-strategie. De maatregel draagt bij aan het creëren van robuuste en effectieve eenheden natuur. Dit zorgt voor robuuste ecosystemen met een rijke biodiversiteit. De maatregel bevat een groot aantal activiteiten die hier op verschillende manieren aan bijdragen. Dit gebeurt door maatregelen gericht op het verminderen van drukfactoren, maatregelen ter vergroting van het N2000-areaal en maatregelen op systeemniveau. Het op orde brengen van de hydrologische condities van N2000gebieden is onderdeel van deze maatregel.

Doel van de maatregel De maatregel Realisatie provinciale opgave Natura 2000 is om bij te dragen aan het voldoen aan de wettelijke behoudsdoelstellingen Natura 2000 en het realiseren van de provinciale opgave voor Natura 2000-doelen.

Beoogd resultaat Om deze doelen te bereiken wordt ingezet op uitbreiding van areaal binnen N2000-gebieden; uitbreiding van het areaal buiten N2000gebieden; het treffen van natuur(beheer)maatregelen binnen én buiten N2000-gebieden en het uitvoeren van monitoring en analyse ten behoeve van het optimaliseren van maatregelen en het evalueren

73

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Status bestuurlijke verankering Deze maatregel bestaat uit een groot aantal onderliggende activiteiten. Voor een deel van de voorgenomen activiteiten is al een bestuurlijk akkoord. Bestuurlijke besluitvorming is nodig voor de vaststelling van de hoeveelheid areaal en de doelstellingen waar beheer op gericht wordt. Met betrekking tot uit te breiden areaal binnen én buiten N2000-gebieden is een bestuurlijk besluit nodig over de vaststelling van de hoeveelheid areaal, de locaties en de doelen waarvoor areaal wordt uitgebreid; het aandeel areaal dat

binnen en het aandeel areaal dat buiten N2000 wordt gerealiseerd en de optie om areaal uit te ruilen met andere provincies.

Maatregel Groenblauwe dooradering

Randvoorwaarden Rijk Om concreter invulling te kunnen geven aan het doelbereik van deze maatregel, is het van groot belang dat het Rijk de VHRdoelstellingen verder concretiseert.

Doel van de maatregel De maatregel Groenblauwe dooradering ZH-PLG is gericht op het uitbreiden van het oppervlak Groenblauwe dooradering (GBDA) in Zuid-Holland conform de landelijke doelstelling van 10% groenblauwe dooradering in 2050.

Beoogd resultaat De maatregel groenblauwe dooradering richt zich op het opschalen van de reeds aanwezige GBDA in Zuid-Holland. Dit doen we door pragmatisch te starten met kansrijke projecten; Hoeksche Waard, Alblasserwaard en Westland, die de kiem zijn van de opschaling. De projecten fungeren zo als vliegwiel voor projecten in andere gebieden. De kansrijke projecten vormen een gebiedsgericht initiatief waarbij sprake is van intensieve samenwerking van regionale gebiedspartijen en/of stakeholders. De realisatie van GBDA is een gezamenlijke inspanning van onder meer de waterschappen, agrarische collectieven, agrariërs, gemeenten en de provincie.

Bijdrage aan het doelbereik De NPLG-doelstelling is dat 10% van het landelijk gebied in 2050 GBDA is gerealiseerd, dit is circa 16.000 hectare. Momenteel is circa 6.500 tot 10.000 hectare (4 tot 5,9%) aanwezig. Het doel voor 2030 is dat de helft van deze opgave (het gat tot 10%) in het landelijk gebied wordt gerealiseerd. In de prioritaire gebieden, voor Zuid-

74

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Holland de Veenweiden- en overgangsgebieden, moet de volledige opgave van 10% GBDA in 2030 zijn ingevuld. We nemen de landelijke doelstellingen over. De provincie heeft deze opgave per kern- en deelgebied uitgewerkt. Bij de invulling van de GBDA kijken we naar meekoppelkansen met andere opgaven zoals verbetering waterkwaliteit, recreatie, stikstofreductie en natuurherstel. Niet alle initiatieven voor GBDA vallen in de prioritaire gebieden. Bij het verdelen van schaarse middelen zal er eerst naar de prioritaire gebieden worden gekeken waar doelbereik al in 2030 gerealiseerd moet worden. De ontwikkeling in de Alblasserwaard draagt direct bij aan de ontwikkeling van GBDA in de prioritaire gebieden (veenweiden). In grote delen van Zuid-Holland zijn het landelijk gebied en het stedelijk gebied zodanig met elkaar verweven dat GBDA van het landelijk gebied door moet lopen tot in de stad om een robuust netwerk te kunnen vormen. Daarmee is er overlap met het Rijksprogramma Groen in en om de stad (GIOS). Groenblauwe dooradering dient daarmee zowel de biodiversiteit, klimaatadaptatie als de mens (gezondheid en recreatie). Het landschapspark Zuidvleugel vormt voor de zuidelijke randstad de ruggengraat waar de groenblauwe dooradering op aansluit.

Status bestuurlijke verankering De Provinciale Staten heeft in de vastgestelde Visie Rijke Groenblauw Leegomgeving (2019) de provinciale ambitie om aan de biodiversiteitsdoelen te voldoen geconcretiseerd. GBDA is daarnaast opgenomen in meerdere provinciale beleidstukken, zoals de door GS

75

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

vastgestelde Contouragenda Natuurinclusief Zuid-Holland (2023) en de Hoofdlijnennotitie Vitale landbouw Zuid-Holland (2020). Via subsidieregelingen als SKNL en ANLb levert de provincie ook reeds een financiële bijdrage aan de realisering van GBDA. Ook het vastgestelde provinciale soortenbeleid en de Bossenstrategie gaan uit van een GBDA. De uitwerking van de drie kansrijke projecten komt voort uit een ruim 2 jaar lopende samenwerking met de ZuidHollandse waterschappen. Ook het vastgestelde provinciale soortenbeleid en de Bossenstrategie gaan uit van een GBDA. De vervolgstappen voor het realiseren van de doelen en het nauwkeurig in beeld brengen van de gebieden met veel potentie voor GBDA werken we in Q3 2023 verder uit. De plannen in de Hoeksche Waard zijn op grote lijnen vastgelegd in de Uitvoeringsagenda biodiversiteit Hoeksche Waard (2022-2030). Om over te kunnen gaan tot de uitvoering is het nodig dat de specifieke plannen worden vastgelegd in een gebiedsovereenkomst met de gebiedspartners en de provincie (Q1/Q2 2024). Voor het Westland is het nodig dat de specifieke plannen worden vastgelegd in een gebiedsovereenkomst met de gebiedspartners en de provincie (Q1 2024).

Met betrekking tot het Westland is wenselijk dat ook wordt vastgelegd dat de stimuleringsregeling Duurzame bedrijventerreinen wordt uitgebreid met de stimuleringsregeling Natuurvriendelijke Glastuinbouw en dat GBDA wordt opgenomen in deze subsidieregeling (GS en PS Q2 2024).

Randvoorwaarden Rijk Huidige financieringen voldoen niet aan de garantie voor vergoedingen die ondernemers nodig hebben om investeringen te

doen. In de kansrijke ontwikkelingen worden zogenaamde verdienmodellen onderzocht.

Maatregel nieuwe en vitale bossen

Doel van de maatregel De maatregel is gericht op het uitbreiden van het bosareaal en het verhogen van de kwaliteit van bestaand bos.

Beoogd resultaat Tot 2028 willen we 400 hectare bosareaal toevoegen, bosbeheer intensiveren voor kwaliteitsborging en vitaliteit van jonge recreatiebossen verhogen. Op lange termijn (tot 2050) willen we dit mogelijk doorontwikkelen tot 1.000 a 2.000 ha nieuw bos.

Bijdrage aan het doelbereik De maatregel voegt 150 hectare bos toe binnen het Natuurnetwerk Nederland (100% doelbereik conform afspraak met het Rijk) en circa 130 ha nieuw bos in recreatiegebieden en circa 110 ha nieuw bos buiten begrensde gebieden. Doelstellingen voor bosuitbreiding buiten NNN zijn nog niet vastgesteld door het rijk. Bosuitbreiding verhoogt de biodiversiteit, onder andere door het vergroten van het leefgebied voor de VHR-soorten baardvleermuis, grootoorvleermuis en wielewaal. Bos slaat CO2 op (10 ton/ha/jr) en houdt water vast. Natte bostypen (laagveenbos en rivierbos) bieden de mogelijkheid voor functiecombinatie met waterberging (maatregel toekomstbestendig watersysteem) en dragen bij aan de instandhoudingsdoelstellingen van deze bostypen. In combinatie

76

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

met overgangsgebieden draagt nieuw bosaanleg bij aan de gunstige instandhouding van Natura2000-gebieden, met name van duingebieden. Aanleg van nieuw bos op landbouwgrond draagt bij aan de vermindering van stikstofemissie en het realiseren van sommige bostypen (agroforestry, voedselbossen en wilgengrienden) dragen ook bij aan een vitale landbouwsector.

Status bestuurlijke verankering De provincie heeft via GS een Groeimodel bos- en bomenbeleid (2020) vastgesteld en kennisgenomen van de Ruimtelijke strategie Bos en bomen (2022). Deze zijn via bosberaden met de verschillende landschapstypen (Veenweide, Delta en Kust) besproken en met de gemeenten gedeeld. Daarnaast is een ZuidHollandse bosmakelaar aangesteld die in gesprek is met initiatiefnemers die bos willen realiseren. Het Ontwikkelperspectief recreatiebossen is samen met de recreatieschappen opgesteld. Door GS is in 2020 (via het groeimodel bos en bomenbeleid) besloten om actief de mogelijkheden voor bosuitbreiding te verkennen en uitbreiding van bos en bomen te koppelen aan lopende en nieuwe programma’s . Dit is bekrachtigd via de uitvoeringsafspraken over de Motie de Spade de grond in (2022). In deze motie is 2,5 miljoen uitvoeringsbudget gereserveerd om een start te maken met de uitbreiding van bos en bomen. Hiervoor wordt in 2023 een subsidieregeling opengesteld. Met budget uit het transitiefonds willen we deze regeling voortzetten. Er zijn (buiten het NNN) nog geen bestuurlijke afspraken gemaakt over het aantal hectares. In de motie duurzaam bos- en bomenbeleid is gevraagd om voorzetting van het bos en bomenbeleid en is gevraagd om een uitvoeringsprogramma. De in deze maatregel genoemde hectares

(400 ha voor 2028 en het mogelijk doorontwikkelen tot 1.000 a 2.000 ha nieuw bos) zijn opgenomen in dit Uitvoeringsprogramma Bos- en bomenbeleid. Het nieuwe college wordt gevraagd om hierover een besluit te nemen. Strategie daarbij is bosuitbreiding op vrijwillige basis. Via de bosmakelaar en de subsidieregeling sluiten we aan bij initiatieven van grondeigenaren en gemeenten. Via de ruimtelijke strategie is in beeld gebracht hoe bosuitbreiding past in het Zuid-Hollandse landschap. Status bestuurlijke verankering is om via de gebiedsprocessen NPLG per regio te vragen hoeveel hectares bosuitbreiding gerealiseerd kan worden en om zo tot een gedragen hectaredoelstelling te komen.

Randvoorwaarden Rijk ▪ ▪ ▪

▪ ▪

77

Financiering, inclusief tijdige toezegging hierover; Actieve inzet Rijksgronden en gronden van Rijkswaterstaat; Specifiek voor de ontwikkeling van ooibossen; integrale afweging Rijkwaterstaat doorstroming, waterveiligheid en water vasthouden; Afspraken Rijk en provincie over beheerfinanciering van de bestaande recreatiebossen; Koppeling verstedelijkingsopgave en bosuitbreidingsambitie.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Maatregel NNN

Doel van de maatregel Het doel van deze maatregel is het versterken en verbeteren van de kwaliteit van het NNN in de breedste zin.

Beoogd resultaat Met deze maatregel willen we het leefgebied verbeteren door gronden buiten het huidige NNN te verwerven of in te richten en door aanvullende maatregelen binnen het NNN te nemen. Voorbeelden van projecten zijn het realiseren van extra vernatting door de introductie van extra peilvakken, de vernatting van natuurgraslanden, het uitbreiden van het NNN door het inrichten van weidevogelgrasland, moeras en vochtig bos en het tegengaan van versnippering door de aanleg van faunapassages.

Bijdrage aan het doelbereik Er is een direct verband tussen de verbetering van het NNN en de verhoging van de staat van instandhouding van de VHR-soorten. Concrete VHR-doelstellingen zijn nog niet door het Rijk vastgesteld. Daarom gaat de provincie zelf aan de slag met het kwantificeren van deze doelen. Dit gebeurt conform de uitgangspunten uit hoofdstuk 3. Door van een agrarisch gebruik naar natuurinrichting te gaan levert de maatregel een bijdrage aan de vermindering van de stikstofuitstoot. De nieuw ingerichte natuur zorgt daarnaast voor een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en kan CO2 vasthouden. De nieuwe natuur heeft een hogere waterstand en kan zo langer (regen-)water vasthouden. Door deze vernatting wordt bodemdaling in veenweidegebieden geremd. Ook neemt door een afname van bemesting in de nieuw ingerichte gebieden de waterkwaliteit toe.

Status bestuurlijke verankering De maatregel is aanvullend op de afspraken die gemaakt zijn onder het Natuurpact. Er is al een uitvoeringsorganisatie ingericht die de voorgestelde maatregelen kan uitvoeren. Voor het deel van de voorgenomen activiteiten dat conform het Natuurpact binnen de huidige NNN plaatsvindt is geen verdere bestuurlijke besluitvorming nodig. De aanvullende activiteiten, voornamelijk die met betrekking tot het verwerven, inrichten en beheren van grond, moeten bestuurlijk vastgelegd worden.

78

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Maatregel VHR-doelbereik buiten natuurgebieden

Doel van de maatregel Het doel van deze maatregel is behoud en herstel van VHR-soorten

buiten natuurgebieden. De maatregel richt zich in de eerste fase vooral op inrichting- en beheermaatregelen voor vogels van het boerenland. Hier ligt de grootste opgave.

Beoogd resultaat Een eerste aanzet tot herstel van de populaties van boerenlandvogels. Dat gebeurt via een meer natuurinclusieve landbouw met in het veenweidegebied een hoger waterpeil en extensievere bedrijfsvoering (minder mest). Maatregelen worden uitgevoerd op die plekken waar dat binnen water- en bodemsysteem passend is. De maatregelen bestaan uit extra agrarisch natuur- en landschapsbeheer via bestaande instrumenten zoals het ANLb . Er wordt gewerkt met langjarige beheersovereenkomsten zodat boeren een duidelijk perspectief hebben. Hiermee sturen we op betere condities en voor weidevogels als de grutto, akkervogels als de patrijs en andere biodiversiteit in het landelijk gebied.

Bijdrage aan het doelbereik Deze maatregel draagt bij aan de uitvoering van de VHR-strategie Zuid-Holland en is erop gericht snel in te kunnen spelen op kansen die zich in de gebiedsprocessen voordoen, voortbouwend op lopende afspraken met gebiedspartijen. Wanneer door later vastgestelde doelen ook andere VHR-soorten in beeld komen, zal de maatregel

worden verbreed. Met inrichting- en beheermaatregelen voor boerenlandvogels versterken we de bestaande populaties. Door meer rekening te houden met de randvoorwaarden voor een gezonde natuurlijke leefomgeving met meer ruimte voor natuur rond natuurgebieden werken we aan robuuste ecosystemen en maken we doelbereik van VHR voor veel soorten mogelijk. Concrete doelen worden vastgesteld volgens de VHR-strategie Zuid-Holland, het Actieplan Boerenlandvogels Zuid-Holland en het landelijke Aanvalsplan Grutto. De natuur van het boerenland is onlosmakelijk verbonden met extensieve agrarische bedrijfsvoering. Daarom zijn deze doelen goed te realiseren in de overgangsgebieden rond Natura2000. Ook dragen deze maatregelen bij aan andere doelen zoals het tegengaan van bodemdaling en het verbeteren van de waterkwaliteit.

Status bestuurlijke verankering Voor de inzet ten behoeve van boerenlandvogels kan worden aangesloten op het bestuurlijk en ambtelijk netwerk dat sinds de vaststelling in 2019 van het Actieplan Boerenlandvogels van kracht is. Daarin zijn de belangrijkste betrokken partijen vertegenwoordigd. Er is veel draagvlak voor het agrarisch natuurbeheer waaraan boeren op basis van vrijwilligheid deelnemen. Uitbreiding van oppervlak kan van start zodra er extra geld is. Provinciale Staten hebben op 8 maart 2023 de herziening van het soortenbeleid vastgesteld. Daarin is de wettelijke verplichting tot bescherming van flora- en faunasoorten in het provinciaal beleid verankerd. De in deze maatregel genoemde activiteiten dragen bij

79

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

aan de uitvoering van dit beleid. Aan de hand van de VHR-strategie worden in de tweede helft van 2023 concrete doelen vastgesteld.

Randvoorwaarden Rijk Voor het nader invullen en uitwerken van deze maatregel is het noodzakelijk om nadere doelen van het Rijk te krijgen met betrekking tot de opgave van soortbehoud buiten natuurgebieden. Dan kunnen concrete maatregelen worden vastgesteld, en kan het doelbereik en de financiering concreet worden ingevuld.

Maatregel Overgangsgebieden

Doel van de maatregel Met de maatregel Overgangsgebieden willen we in beeld brengen hoe overgangsgebieden kunnen bijdragen aan het zo efficiënt mogelijk behalen van de ZH-PLG doelen. Kerngebied Kust en Duinen is hierbij koploper aangezien hier al concrete initiatieven lopen. De maatregel geeft invulling aan het eerste uitgangspunt, specifiek het voornemen om te werken naar robuuste eenheden natuur en verkenning overgangsgebieden. Als uit de verkenning blijkt dat een overgangsgebied bijdraagt aan het behalen van de doelen, de uitvoering haalbaar is, en er draagvlak is, wordt het overgangsgebied gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=969c5357-f28e-49ad-ad33-542d59621fb5