CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.18 BIJL2 - ZHPLG voorontwerp__1148575__

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college34.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uit de NDA's vloeit voort dat belangrijkste drukfactoren op Natura 2000-gebieden zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Onvoldoende dynamiek en kwaliteit habitats (getij en verstuiving); Stikstofdepositie; Hydrologie ((grond)waterkwaliteit, verdroging, onvoldoende peilfluctuatie); Onvoldoende areaal (robuustheid) en connectiviteit; Verstoring (recreatie, drones, vliegtuigen); Onvoldoende kwaliteit leefgebieden en predatie; Exoten; Bestrijdingsmiddelen (nog te onderzoeken).

Welke drukfactoren het meest van invloed zijn op doelrealisatie verschilt per gebied. De drukfactoren per Natura 2000-gebied moeten nog getoetst worden. Dit geldt voor zowel de opgavekaarten als de prioritering per gebied. Gezien het korte tijdsbestek waarin dit is uitgevoerd kunnen er mogelijke onjuistheden in zitten. Uit de NDA's blijkt dat voor slechts 2 van de 21 Natura 2000gebieden alle Natura 2000-doelen gehaald worden. Voor alle 19 andere gebieden worden de Natura 2000-doelen in meer of mindere mate niet gehaald. Voor geen van alle stikstofgevoelige gebieden worden op dit moment alle (stikstofgevoelige) doelen gehaald.

2.2.3. Water In Zuid-Holland liggen 125 zogenaamde KRW-waterlichamen, grotere en kleinere. Voor deze wateren gelden specifieke doelen

30

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

waaraan de waterkwaliteit moet voldoen. De huidige situatie is dat in nog geen enkel KRW-oppervlaktewaterlichaam in Zuid-Holland de goede toestand voor schoon en gezond water wordt gehaald. In 64% van de oppervlaktewaterlichamen is de ecologische kwaliteit matig. In de andere waterlichamen is de kwaliteit ontoereikend of slecht. Op individuele parameters is door de realisatie van de eerdere pakketten aan maatregelen in de perioden 2009-2015 en 2016-2021 wel verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit te zien, maar dit komt nog niet tot uitdrukking in de eindbeoordeling. Het percentage waterlichamen met een matige kwaliteit is sinds 2019 toegenomen met 51 procentpunt. De verbetering is vooral geboekt op de onderdelen biologie en algemeen fysisch-chemische condities. De reden dat we nog niet aan de doelen voldoen is de te hoge belasting van het water met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. De land- en tuinbouw belast het oppervlaktewater nog te veel met gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten. Ook industriële processen met name in het havengebied brengen door de zogenoemde opkomende stoffen de waterkwaliteit in gevaar. Daarnaast kent Zuid-Holland het probleem dat het veenweidengebied van nature nutriëntenrijk is. Voor de grondwaterlichamen is de situatie gunstiger. Vier van de vijf grondwaterlichamen zijn in goede chemische toestand.

Alleen binnen het grondwaterlichaam Duin Rijn-West is er in de Bollenstreek sprake van overschrijding van de norm voor fosfaat. De kwantitatieve toestand van alle grondwaterlichamen is goed, dat wil zeggen dat de onttrekking van grondwater en de toevoeging in balans zijn. Eveneens relevant voor het bereiken van de KRWopgave is het bestrijden van exoten.

2.2.4. Klimaat De klimaatopgave heeft geen specifieke kenmerken voor gebieden; het is voor het realiseren van de opgave niet relevant waar uitstoot plaatsvindt of wordt gereduceerd. De klimaatopgave voor de landbouw speelt in alle drie de kerngebieden van Zuid-Holland. In het veenweidengebied is de uitstoot echter het grootst, doordat in dat gebied de meeste dieren worden gehouden die zorgen voor een hoge methaanuitstoot.

2.2.5. Land- en tuinbouw De opgave voor de land- en tuinbouw in Zuid-Holland is om de sector te transformeren naar een duurzaam en veerkrachtig model dat voldoet aan de eisen van de moderne tijd. Enkele belangrijke opgaven zijn het aanpakken van duurzaamheidsuitdagingen, inspelen op veranderende consumentenvoorkeuren en marktvereisten, het vinden van een balans tussen schaalvergroting in combinatie met extensivering en schaalverkleining, het omarmen van innovatie en technologie, en de transitie naar circulaire en natuurinclusieve land- en tuinbouw. Samenwerking tussen verschillende belanghebbenden, beleidsontwikkeling, ondersteuning, opleiding en innovatie zijn essentieel in het realiseren van deze transitie. De sector die voor een aanzienlijk deel gericht is op productie voor Europa en de wereldmarkt, verkeert in een economisch kwetsbare positie en heeft, ondanks alle al geleverde inspanningen, te hoge emissies naar lucht, water en bodem. Een verdere transitie van de land- en tuinbouw en het voedselsysteem is daarom noodzakelijk. Er is naast kwantiteit meer aandacht nodig voor kwaliteit en dit raakt 31

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

zowel boeren, consumenten als ketenpartijen. Dat het anders kan, laten diverse boeren en tuinders al zien. Het is nu het moment die kennis en ervaring ook op andere plekken toe te passen. Waar richten wij ons op? Zuid-Holland is in 2030 hét toonbeeld van een hoog-innovatieve, en circulaire agrarische sector en voedselketen in een stedelijke omgeving waar een goede boterham in verdiend kan worden. Samen met alle betrokken partijen willen we koers zetten naar een vitale landbouw in 2050 met 2030 als belangrijke tussenstap. Gezien de urgenties is juist nu het moment om hier vol op in te zetten. In de kern wordt onze agrarische sector in de toekomst gekenmerkt door werkende verdienmodellen, kringlooplandbouw, ruimte voor biodiversiteit, water en landschap, een regionaal voedselsysteem en brede maatschappelijke inbedding. De landbouw is geen op zichzelf staande sector, maar heeft een directe relatie met bredere maatschappelijke opgaven op verschillende schaalniveaus. Denk alleen al aan de relatie met de consument en het voedselbewustzijn, gezondheid en biodiversiteit. We willen dat alle inwoners van Zuid-Holland, ongeacht portemonnee of woonplaats, gezond voedsel van eigen bodem kunnen eten. Daarom is het van belang om de transitie van de land- en tuinbouw in een breed maatschappelijke context te plaatsen.

Wij verwachten een belangrijke input voor deze transitieopgaven vanuit het Landbouwakkoord. Hiervoor kijken wij naar de uitkomsten van de onderhandelingen tussen het Rijk en partners.

2.3. Transitieopgaven landelijk gebied In dit deel van het ZH-PLG zijn de doelen en de nul-situatie in combinatie met de karakteristieken van de Veenweiden, ZuidHollandse Delta en Kust en Duinen omgezet naar opgaven per kerngebied en deelgebieden. Deze koppeling tussen doelen, nulsituatie en karakteristieken zorgt ervoor dat duidelijk wordt waar het zwaartepunt van de opgaven ligt en daarmee waar de mogelijkheden voor doelrealisatie in de deelgebieden liggen.

Opgaven per kerngebied In de volgende paragrafen zijn de opgavekaarten van de drie kerngebieden weergegeven. Hierin staan de opgaven per deelgebied en de doelen kort beschreven. De opgaven zijn steeds verdeeld in natuur, water, klimaat, land- en tuinbouw en sociaal/maatschappelijk. Deze verschillende opgaven worden na de opgavekaart kort nader toegelicht. De opgavekaarten staan, samen met nadere uitwerking van opgaven, opgenomen in de bijlagenbundel.

2.3.1. Opgaven in Zuid-Hollandse Delta Karakteristieken In de Zuid-Hollandse Delta komt vooral het jonge zeekleilandschap voor, wat is ontstaan door zee-overstromingen. Aan het begin van onze jaartelling lag hier aanvankelijk, achter de strandwallen ten westen van de huidige kustlijn, een uitgestrekt veengebied. Toen de zee actiever was, werd er veen weggeslagen en klei afgezet. Rond het jaar 1000 bestond de regio uit een aaneenschakeling van (veen)eilanden, slikken en gorzen, kreken en rivierarmen. In

32

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

dezelfde tijd begon men gebieden te ontginnen, zoals in het westen van IJsselmonde en in de buurt van Dordrecht. Vanaf de 13de eeuw ging men over tot de aanleg van dijken, mede vanwege de bodemdaling (klink) die veroorzaakt werd door de uitoefening van akkerbouw op veen. Vroeg bedijkte polders zijn de Dordtsche Waard, het Land van Poortugaal en de heerlijkheid Rhoon (IJsselmonde) en de Zwijndrechtsche Waard. De oudste bedijkingen van de Hoeksche Waard vonden plaats ten oosten van de huidige Keizersdijk. In 1270 gingen deze deel uitmaken van de Grote Waard, de grootste polder van het graafschap Holland, met een oppervlakte van 40.000 ha. Tijdens stormvloeden en overstromingen gingen weer grote gebieden (tijdelijk) verloren en ontstonden kreken als de Koedood (1373) en het zeegat van het Hollands Diep (1421). De Grote Waard ging in 1421 bij de St. Elizabethsvloed ten onder. Ter plaatse ontstond een grote binnenzee die in de loop van de volgende eeuwen gedeeltelijk herdijkt werd en gedeeltelijk een gebied onder zee-invloed bleef: de Biesbosch. Ook op Voorne-Putten als GoereeOverflakkee werd veen weggeslagen en zeeklei afgezet, waardoor het landschap veranderede in een verzameling (veen)eilandjes, van elkaar gescheiden door kreken. Vanaf de 13de eeuw begon men hier stukken land te bedijken. Zoals op Voorne de ringvormige polders rond Abbenbroek en Zwartewaal.

Ook op Goeree-Overflakkee werden vrij vroeg ringvormige polders gevormd door het bedijken van 'opwassen', afzettingen midden in het water. Door het inpolderen van de ‘aan-‘ en ‘opwassen’ werd zo tot in de 20ste eeuw nieuw land gewonnen. Tijdens stormvloeden en overstromingen gingen echter ook grote aangedijkte gebieden (tijdelijk) weer verloren.

Figuur 3 Opgavenkaart Zuid-Hollandse Delta

33

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

De oudere polders worden gekenmerkt door een lage ligging met een vrij onregelmatige strook of blokverkaveling, terwijl de jongere polders hoger liggen en een rationelere, grootschalige verkaveling hebben. Daarnaast bevinden zich in sommige polders kleine oneffenheden, die het gevolg zijn van de moernering; het winnen van zouthoudend veen. De dijken verdelen het landschap in herkenbare eenheden. Door het steeds aandijken van nieuw land tegen al eerder bedijkt gebied, zijn veel huidige polderdijken vroeger buitenwater-kerend geweest. Zo verschoof de buitenwaterkering met de geleidelijke aangroei van nieuwe zeekleipolders keer op keer op. Deze aangroei stopte met de aanleg van de Deltawerken.

Natuur De Natuurdoelanalyses, inclusief het advies van de EA, vormen de basis voor maatregelen om de Natura-2000 doelen te versterken. In de Zuid-Hollandse Delta moeten nog veel ecologische verbindingszones worden gerealiseerd. Grote nog te realiseren NNN-gebieden zijn de Leenheerenpolder, Schapegors, Buttervlietpolder, Thomaswaard en de Binnenduinrand van Goeree. We verkennen waar drukfactoren rondom Natura 2000-gebieden in samenhang met water, bodem en klimaat verminderd kunnen worden, waardoor economie en ecologie ook voor de lange duur beter in balans zijn. Dit doen we in samenwerking met onze gebiedspartners. De Zuid-Hollandse Delta heeft vijf stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden: Duinen Goeree en Kwade Hoek, Voornes duin, Grevelingen, Krammer-Volkerak en de Biesbosch. Een deel van deze gebieden kent een te hoge stikstofdepositie en er is een reductie van stikstof noodzakelijk voor een duurzaam beheer en behoud van de natuur. In de Zuid-

34

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Hollandse Delta komt veel van de stikstofdepositie uit het buitenland (30-50%). Vanwege een dominante zuidwestenwind waait een deel van de emissies uit België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk richting Natura 2000-gebieden in Zuid-Holland (met name in de duinen). Scheepvaart speelt ook een belangrijke rol (2040%) door de vele drukke scheepvaartroutes en ankerplaatsen voor de Nederlandse kust en de binnenlandse vaarroutes. Daarnaast is een aanzienlijk deel van de depositie niet te verklaren (meetcorrectie, 10-20%). De overige emissie is vooral afkomstig van de landbouw (20-30%).

Rondom de stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden zijn extra inspanningen nodig omdat ammoniak gedeeltelijk dicht bij de bron neerslaat. Met name Voornes Duin en Duinen Goeree & Kwade Hoek zijn nog deels overbelast (ca. 20% van het stikstofgevoelig areaal ligt daar nog boven de KDW). Met lokale, gebiedsgerichte maatregelen kan niet de gehele stikstofoverbelasting opgelost worden, maar kan wel een belangrijke bijdrage geleverd worden. Daarnaast is in de gehele Delta (net als in de rest van Zuid-Holland) een generieke beperking van de stikstofemissie nodig. Ook in de Zuid-Hollandse Delta is er de opgave om kansen te verkennen om de natuur robuuster te maken door bijvoorbeeld meer geleidelijke overgangen te creëren tussen natuur en aangrenzende gebieden. Ook van het creëren van meer natuurwaarden buiten de natuurgebieden kunnen zowel de natuurgebieden alsook de landbouw profiteren. Het deltagebied is bijzonder soortenrijk, de zandhommel en de noordse woelmuis zijn kenmerkend in het gebied. De hoge natuurwaarden liggen vooral buitendijks. Binnendijks is voor veel soorten het leefgebied buiten natuurgebieden beperkt. Diepe sloten, smalle oevers en intensief beheerde dijken en bermen laten op veel plaatsen weinig ruimte voor natuur. Agrarisch natuurbeheer, waaronder akkerrandenbeheer draagt bij aan soortbescherming voor soorten als de kluut en de patrijs.

In de Delta ligt ook een opgave om een bijdrage te leveren aan de Bossenstrategie. Dit kan gaan om de realisatie van meer natte bossen en/of grienden langs de rivieren en binnendijkse droge

35

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

bossen langs rivierdijken en kreken, erfbeplanting, agroforestry en grotere boseenheden. De grote wateren en/of maatregelen in deze watersystemen zelf vallen formeel niet onder het ZH-PLG. De natuurdoelen voor deze wateren vragen echter ook om maatregelen op land (binnen- en buitendijks) of profiteren daarvan. Deze maatregelen vallen wél binnen de scope van het ZH-PLG. De natuurdoelanalyses van Haringvliet, Grevelingen en Biesbosch worden meegenomen in het zoeken en beoordelen van maatregelen in de verschillende deelgebieden. Voor het behouden en versterken van de buitendijkse natuur in de Delta is het ontbreken van een verbinding naar de zee, en daarmee het ontbreken van voldoende getijdynamiek, een groot knelpunt. Dit blijkt uit de natuurdoelanalyses die voor de buitendijkse gebieden zijn opgesteld. Herstel van de invloed van de zee in de Delta raakt, naast natuur, aan veel onderwerpen waaronder waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid en is daarmee een complexe discussie. Waterveiligheid is van oudsher een belangrijk thema in de ZuidHollandse Delta. De provincie neemt deel aan de gesprekken die hierover worden gevoerd, waaronder Getij Grevelingen, maar het rijk is hier de voortouwnemer. Voor opgaven rondom de grote wateren werken we samen met Rijkwaterstaat (RWS).

RWS, SBB en RVO voeren de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) uit, dat tot doel heeft om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren en de natuur te versterken in de grote wateren in de Zuidwestelijke Delta (naast Zuid-Hollandse Delta ook Zeeland en West-Brabant).

Water Hoe dichter bij de kust, hoe zouter het grondwater dat via kwel bijdraagt aan de verzilting van het oppervlaktewater. Water uit de grote rivieren wordt ingelaten om het zout weg te spoelen. Toenemende verzilting zet tevens druk op goede waterkwaliteit. Door het hele gebied worden met regelmaat de waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen overschreden. De overschrijdingen zijn terug te voeren op onder andere de akkerbouw en de bollenteelt. Gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten (met name stikstof, maar ook fosfor) moeten teruggedrongen worden om de waterkwaliteit te verbeteren. De stikstofopgave komt deels voort uit actuele bemesting. De invloed van agrarische activiteiten op belasting van fosfor is zeer beperkt. Verder is de opgave om meer water vast te houden waardoor nutriënten minder snel uitspoelen. In de Zuid-Hollandse Delta zijn de grondwatercondities kwalitatief nog onvoldoende in het Natura 2000-gebied Voornes duin. Naast de waterkwaliteit is er een waterkwantiteitsopgave. De beschikbaarheid van zoet water uit de grote rivieren kan veranderen door klimaatverandering, zeespiegelstijging en veranderende rivierafvoer. Het huidige systeem moet worden aangepast zodat (toekomstige) extreme neerslag niet leidt tot onaanvaardbare wateroverlast en versneld afvoeren niet onnodig leidt tot tekorten in drogere perioden.

Klimaat Klimaatverandering gaat zorgen voor extremere neerslag, langere hete en droge periodes en zeespiegelstijging. De Zuid-Hollandse Delta beschikt over een aantal belangrijke natuurlijk klimaatbuffers

36

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

die bijdragen aan oever- en kustverdediging: de Voornse Duinen, maar ook de natuurlijke dynamiek in de Voordelta, Biesbosch en Haringvliet dragen bij aan de oever- en kustverdediging ter bescherming tegen zeespiegelstijging en overstromingsrisico's. Moerasgebieden en de Korendijkse Slikken hebben een belangrijke sponsfunctie voor het vasthouden van (zoet-)water. Hittestress speelt in het gebied een minder grote rol door weinig stedelijke agglomeraties. Op kleigrond, die veel aanwezig is in de Zuid Hollandse Delta, groeien bomen heel snel. Hierdoor ontstaat in relatief korte tijd een bos met dikke bomen en dit zorgt voor een hoge opslag van CO2.

Land- en tuinbouw De eilanden in de Zuid-Hollandse Delta zijn koploper op het gebied van duurzame, innovatieve landbouw. Het behouden van deze koppositie is gewenst om voedselproductie met oog voor bodem, biodiversiteit en omgeving op lange termijn op niveau te houden. Voorkomen moet worden dat door monocultuur, uitputting van de bodem en verlies van biodiversiteit deze koppositie verloren gaat. Een belangrijke factor is rekening houden met de beschikbaarheid van zoet water. Er is toenemende verzilting. Onder normale omstandigheden is er voldoende zoet water om het zout weg te spelen. In droge zomers met lage rivierafvoeren kunnen knelpunten ontstaan.

Sociaal en maatschappelijk De opgaven onderwijs/ kennis, sociale cohesie en recreatie en toerisme volgen niet rechtstreeks uit de doelen van het NPLG/ZHPLG. Zij hebben echter wel een nauwe relatie met de opgaven natuur, water, klimaat en land- en tuinbouw en worden daarom als

relevante meekoppel-opgaven gezien, daar waar zij bijdragen aan het doelbereik van het ZH-PLG. Met name recreatie is vanuit twee gezichtspunten te benaderen; het is een opgave in de zin van recreatiedruk op natuur(gebieden) maar biedt kansen als oplossingsrichting door nieuwe recreatieruimte te ontwikkelen of bestaande recreatiegebieden kwalitatief te verbeteren.

2.3.2. Opgaven in Kust en Duinen Karakteristieken Het Kust- en Duinengebied bestaat uit een duinlandschap, strandwallen- en strandvlakten en landgoederen. Het duinlandschap bestaat uit ‘jonge’ duinen. Aanvankelijk lagen er meer westelijk lage, ‘oude’ duinen en strandwallen. Deze werden in perioden van verhoogde zee-activiteit voor een deel opgeruimd, waarna vanaf circa 1000 na Chr. Onder invloed van veranderende zeestromingen en de wind de hogere, ‘jonge’ duinen werden gevormd. De duinen beschermen het achterliggende land tegen de zee. Tussen Den Haag en Hoek van Holland vormen de duinen echter een vrij smalle en lage strook, waardoor aanvullende bescherming noodzakelijk is in de vorm van een zanddijk. Andere delen van de duinen waren breed genoeg voor bijvoorbeeld kleinschalige landbouw, vanaf de 17de eeuw. Later werden de duinen ook gebruikt voor de drinkwaterwinning en vond de aanleg plaats van bos en winddijken om verstuivingen tegen te gaan. Het strandwallen- en strandvlaktenlandschap werd van ongeveer 5000 tot 3000 jaar geleden gevormd. Daarmee is dit het oudste landschap van Zuid-Holland. Op de strandwallen ontstonden de 'oude' duinen. De gebieden tussen de strandwallen, de

37

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

strandvlakten, werden opgevuld met veen en klei. Vanaf de 18e eeuw werden de strandwallen afgegraven ten behoeve van stadsuitbreidingen en wegenaanleg. Om het zand af te voeren werden zanderijvaarten gegraven. Zo ontstond het zanderijlandschap. In de 19de eeuw vond op grote schaal ontzanding plaats voor de kalkzandsteenfabricage. De ontzande gebieden werden in cultuur gebracht voor de bloembollenteelt, waartoe verregaande egalisatie en fijnmazige ontwatering plaatsvond. Het strandwallen- en strandvlaktenlandschap komt voor in de regio’s Den Haag en Duin- en Bollenstreek. Achter de duinen, op de oude strandwallen liggen landgoederen vaak bij elkaar in de vorm van landgoederenzones, zoals de landgoederenzone bij Wassenaar. Landgoederen dragen bij aan de landschappelijke en recreatieve waarde van hun omgeving. Een vrije ligging en zichtassen zijn daarbij belangrijk. Voor bescherming van de relatie tussen het landgoed en de omgeving van het landgoed zijn door de provincie zogenaamde landgoedbiotopen vastgesteld.

Natuur Het Kust- en Duinengebied bevat veel kwetsbare natuur en kent in het hele gebied een hoge druk op biodiversiteit en waterkwaliteit. Deze druk is afkomstig van stikstof (NOx), ammoniak (NH3), recreatie en gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten uit de landen tuinbouw. De opgaven richten zich op het herstellen, versterken en uitbreiden van de natuur, het verbeteren van de waterkwaliteit, ruimte voor waterkwantiteit ten behoeve van de zoetwater beschikbaarheid en waterberging en de transitie naar volhoudbare land- en tuinbouw die toewerkt naar een toekomstgericht, duurzaam en circulair systeem.

Figuur 4 Opgavenkaart Kust en Duinen

38

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

In het licht van de NPLG-doelen is natuurherstel en -ontwikkeling, samen met verbetering van de waterkwaliteit, dominant in het Kust en Duinengebied. Het gebied bevat vijf stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden: Solleveld en Kapittelduinen, Westduinpark en Wapendal, Meijendel en Berkheide, Coepelduynen en het ZuidHollandse deel van Kennemerland-Zuid. De vijf Natura 2000-gebieden binnen Kust en Duinen vallen allen onder het typen Duinen. Hiervoor heeft het ministerie van LNV kernopgaven geformuleerd. Deze zijn vastgesteld in het Natura 2000 doelendocument. LNV stelt dat het meest essentiële proces in de duinen - de dynamiek door verstuiving en duinvorming – grotendeels verloren is gegaan door vastlegging van de kust, stikstofdepositie en het wegvallen van historisch gebruik. Voor een goede staat van instandhouding van de Duinen, stelt LNV de volgende kernopgaven: ▪ ▪ ▪

Realiseren van een samenhangend landschap; Behouden en herstellen van rust en donker voor fauna; Versterken van de samenhang met Natura2000-gebieden van de typen Noordzee, Wadden, Delta, Meren en Moerassen.

In Kust en Duinen is 30 tot 50% van de stikstofdepositie afkomstig uit het buitenland. Ook hier waait een deel van de emissies uit België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk vanwege de dominante zuidwestenwind richting Natura 2000-gebieden in Zuid-Holland, met name in de duinen. Ook zijn delen van de depositie afkomstig van woningen, bedrijven en mobiliteit (15-25%), de zeescheepvaart (10-15%) en is een deel (10-20%) niet te verklaren door de

39

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

meetcorrectie. De land- en tuinbouw is verantwoordelijk voor 10% tot 20% van de stikstofdepositie. De overbelasting van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in kerngebied Kust en Duinen is, in verhouding tot andere gebieden, redelijk. Alleen het gebied Solleveld en Kapittelduinen is behoorlijk overbelast, met meer dan 30% boven de KDW. In de natuurdoelanalyses is een kwalitatieve analyse gemaakt van de kwaliteit van de aanwezige oppervlaktes van de habitattypen. De belangrijkste knelpunten zijn: beschikbare ruimte, stikstofdepositie (verzuring, vermesting, eutrofiëring), vergrassing en verstruweling, beperkte verstuivingsdynamiek, lage konijnenstand, overbegrazing (door onder andere damherten), gebrek aan rust, aanwezigheid van gebiedsvreemde plantensoorten (Japanse duizendknoop, Amerikaanse vogelkers, rimpelroos etc).

Kust en Duinen bestaat voor het NNN uit de deelgebieden Bollenstreek, Den Haag en Westland. Door verstedelijking, aanleg van nieuwe infrastructuur en intensief agrarisch gebruik (bollenteelt) staat de natuur in dit gebied onder druk. In het gebied liggen een aantal verbindingszones en kleinere natuurgebieden, waarvan de grootste de Korte Bonnen bij Hoek van Holland is. Het gebied Kust en Duinen is gevarieerd en herbergt veel te beschermen soorten, zoals de roerdomp, zandhagedis, boomklever en nachtegaal. Veel soorten hebben hun leefgebied in de duingebieden langs de kust die beschermd zijn als Natura 2000gebied of in de landgoederen daarachter die veelal begrensd zijn als NNN. Hier leven veel soorten die afhankelijk zijn van oude bossen. Voor sommige soorten uit de groep van akkervogels is de Bollenstreek nog een relevant leefgebied. Kenmerkende bostypen van Kust en Duinen zijn: ▪ ▪ ▪

Landgoederenbos in binnenduinrand Duinbossen (alleen zand in duingebieden) Laagveenbos op natte lage delen in de polders. Een mooie referentie is oude bosgroeiplaats in de DuivenvoordseVeenzijdse polder. Dit is een A-locatie bos, dat al voor 1850 aanwezig was.

Water De kustzone kent zandgronden (duinen), zeeklei en veen. Het duingebied combineert meerdere functies: kustverdediging, natuur, recreatie en drinkwaterproductie. In de duinen wordt rivierwater geïnfiltreerd voor de productie van drinkwater. Door deze infiltratie

40

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

zijn natte duinvalleien ontstaan, deze zijn gevoelig voor verdroging. De balans tussen alle functies is kwetsbaar. Drinkwaterbedrijven zoeken naar alternatieve bronnen voor drinkwaterproductie omdat de huidige productiecapaciteit onvoldoende is om de verstedelijkingsopgave te kunnen faciliteren. Ook in de rest van het kustgebied is het woekeren met de ruimte. Door de hoge mate van verstedelijking is het gebied gevoelig voor wateroverlast. De gevoeligheid voor wateroverlast is vooral groot in het Westland, dat behalve veel verharding ook te maken heeft met bodemdaling. Behalve de zoetwaterbel onder de duinen is het grondwater in het kustgebied brak. Door zeespiegelstijging zal de kweldruk toenemen en zal ook de verzilting via schutsluizen toenemen.

De mogelijkheid om het zout weg te spoelen neemt af door veranderende rivierafvoer en door toename van de watervraag in andere gebieden.

zee voorkomen wordt en doordat de drinkwatervoorraad wordt veiliggesteld.

Waterbeschikbaarheid is op de langere termijn problematisch: de provinciale vraag neemt toe, terwijl de kwantiteit achteruitgaat door klimaatverandering. Alle watervragende functies zullen rekening moeten houden met verzilting, vooral in situaties met lage rivierafvoeren. Onttrekking van (brak)grondwater door de glastuinbouw komt in het Westland steeds meer onder druk te staan, onder andere in relatie tot bodemdaling in het gebied van De Lier.

In Kust en Duinen bevinden zich twee van de zes nationale Greenports: West-Holland en de Duin- en Bollenstreek. De Greenports in Zuid-Holland hebben een toegevoegde waarde en werkgelegenheid die vergelijkbaar is met de mainports Rotterdam en Schiphol. Om ook in de toekomst concurrerend te blijven is de opgave voor het cluster om meer te doen met dezelfde hoeveelheid ruimte en met minder energie en water. We werken met de sector aan de transitie naar een toekomstbestendige en duurzame agrarische bedrijfsvoering die toonaangevend en innovatief opereert. In beide Greenports wordt hierop ingezet met ruimtelijk economische ontwikkelstrategieën. Bij die transitie is water van goede kwaliteit van groot belang om gewassen gezond te houden. Agrarisch ondernemers hebben daar zelf invloed op. Met de juiste aanpak kunnen zij de waterkwaliteit, biodiversiteit en ecologie op en om het eigen bedrijf verbeteren. De kwaliteit van de bodem is daar nauw mee verbonden.

Klimaat Klimaatverandering, zeespiegelstijging in het bijzonder, is een uiterst relevante opgave voor de kust. De duinen bieden bescherming als zeewering. De veiligheid is vooralsnog op orde, maar voor de lange termijn zijn nieuwe strategieën noodzakelijk. Strategieën waarbij de duinen als zeewering mee kunnen groeien met de stijgende zeespiegel. Dit heeft uiteraard direct gevolgen voor de inrichting en het gebruik van het strand. Het duingebied biedt mogelijkheden om schoon zoet kwelwater vast te houden en om water uit piekbuien vast te houden. Dit water kan gebruikt worden tijdens drogere perioden. Zo krijgt het duingebied meer een sponsfunctie. Het vasthouden van kwel- en regenwater is goed voor de waterkwaliteit, de beschikbaarheid van water in drogere perioden en de natuurkwaliteit. Daarbij biedt het tegendruk voor de duinen doordat verzilting van duinen door zoute kwel vanuit

41

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Land- en tuinbouw

Naast de tuinbouw zijn er andere agrarische functies in Kust en Duinen zoals veeteelt, met name in de deelgebieden Duin, Horst en Weide en de Duin- en Bollenstreek. Ook voor deze groep grondeigenaren en landgebruikers is een transitie naar een toekomstbestendige en duurzame agrarische bedrijfsvoering aan de orde. De ambitie van de provincie is om de balans tussen economie, bodem, water, natuur, recreatie en biodiversiteit op orde te krijgen.

Sociaal en maatschappelijk De opgaven onderwijs/kennis, sociale cohesie en recreatie en toerisme volgen niet rechtstreeks uit de doelen van het NPLG/ZHPLG. Zij hebben echter wel een nauwe relatie met de opgaven natuur, water, klimaat en land- en tuinbouw en worden daarom als relevante meekoppel-opgaven gezien, daar waar zij bijdragen aan het doelbereik van het ZH-PLG. Zo wordt het gebied Kust en Duinen intensief benut voor recreatie. Deze concentratie van sociale en maatschappelijke opgaven leidt tot extra uitdagingen in relatie tot de kwetsbare natuur in de Natura 2000-gebieden in dit gebied. Met name recreatie is vanuit twee gezichtspunten te benaderen: het is een opgave in de zin van recreatiedruk op natuur(gebieden) maar biedt kansen als oplossingsrichting door nieuwe recreatieruimte te ontwikkelen of bestaande recreatiegebieden kwalitatief te verbeteren.

2.3.3. Opgaven in Veenweidengebied Karakteristieken In kerngebied Veenweiden komen vooral veenontginningen voor. Deze zijn vanaf de 11de eeuw ontstaan, toen vanaf een ontginningsbasis (rivier of gegraven wetering) de veenwildernis systematisch werd ontgonnen. Zo ontstond een verkaveling die nog altijd karakteristiek is voor het veenlandschap: lange (smalle) stroken, van elkaar gescheiden door afwateringssloten, met de boerderij op de kop van de kavel. De stroken liggen evenwijdig aan elkaar of vormen een waaier, als ze uitgezet zijn vanaf een kronkelende rivieroever. Vanaf de 16de eeuw werd het veen plaatselijk op grote schaal tot onder de waterspiegel afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Hierdoor ontstonden veenplassen. 42

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Deze veenplassen werden op een aantal plaatsen drooggemalen en zo ontstonden vervolgens droogmakerijen.

Natuur Hoewel de Veenweiden een cultuurlandschap vormen, is de natuur onlosmakelijk verbonden met dit landschap. In het Veenweidengebied liggen vijf Natura 2000-gebieden waarvan twee stikstofgevoelig zijn (Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Vettenbroek & Polder Stein). In alle gebieden hebben we robuuste ecosystemen met een rijke biodiversiteit nodig, voor zowel een toekomstbestendige land- en tuinbouw als het behoud van de kwaliteit van het landschap. In de huidige situatie staat de natuur echter onder druk. In de Veenweiden moeten nog veel verbindingszones worden gerealiseerd. Ook liggen in de Veenweiden nog veel kleine gebiedjes die nog niet zijn gerealiseerd. Grotere, nog te realiseren gebieden zijn de Groene Waterparel, Polder Blokweer en Achterwaterschap-West. De vijf Natura 2000-gebieden in het kerngebied Veenweiden zijn: Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (stikstofgevoelig), Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, De Wilck, Boezems Kinderdijk en Donkse Laagten. Daarnaast worden twee uiterwaarden in Lingegebied & Diefdijk Zuid (stikstofgevoelig) tot het kerngebied Veenweiden gerekend. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Boezems Kinderdijk bestaan grotendeels uit rietland en moeras, de overige gebieden uit graslanden (veenweide). Alle gebieden zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is daarnaast aangewezen als Habitatrichtlijngebied.

Geen enkel gebied is aangewezen voor broedende weidevogels, hoewel daarvoor wel een grote opgave geldt in het veenweidegebied.

Figuur 5 Opgavenkaart Veenweidengebied

43

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

De Natura 2000-gebieden in het veenweidegebied vallen onder het landschapstype Meren en moerassen (laagveen en zeeklei). In het Natura 2000 doelendocument van LNV zijn daarvoor de volgende kernopgaven geformuleerd: ▪

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen; Evenwichtig systeem met betrekking tot waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie; Compleetheid in tijd en ruimte van verschillende verlandingsstadia; Plas-drassituaties voor vogels en noordse woelmuis; Herstel van overjarig riet voor moerasbroedvogels en noordse woelmuis; Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming van vochtige graslanden, waaronder blauwgrasland en kievitsbloemhooiland; Voldoende rui- en rustplaatsen voor watervogels.

Ongeveer de helft van de stikstofdepositie in kerngebied Veenweiden afkomstig uit de land- en tuinbouw. Daarnaast is ca. 30% van de stikstofdepositie afkomstig uit het buitenland. Industrie kent een bijdrage van 3%, voor wegverkeer is dit 7%. De Veenweiden bestaat naast de programma's Krimpenerwaard en Gouwe Wiericke uit de deelgebieden Alphen-Leiden, MiddenDelfland, Waddinxveen-Zuidplas en de Alblasserwaard. In het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en het gebied de Linge &

44

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Diefdijk Zuid wordt de kritische depositiewaarde overschreden. Een aanzienlijk deel van deze gebieden (53%) is overbelast. Uit de natuurdoelanalyses volgen als belangrijkste knelpunten onder andere onvoldoende waterkwaliteit, peilbeheer, stikstofdepositie, oeverafkalving, onvoldoende oppervlakte broedgebied voor moerasvogels (bijv. roerdomp, zwarte stern en porseleinhoen) en betreding en vraat door ganzen. Het veenweidegebied heeft hoge waarden op het gebied van soorten van grasland, water en oevers en moeras. Weidevogels komen in grote delen voor, maar zijn ondanks vele inspanningen de laatste decennia sterk in aantal achteruitgegaan. Een voorbeeld hiervan is de grutto. Sommige soorten van waterrijke milieus zoals otter en bever nemen toe, maar de waterkwaliteit is nog niet op orde. Ook een soort als groene glazenmaker staat er slecht voor.

Kenmerkende bostypen voor het veenweidegebied zijn: ▪

▪ ▪

Laagveenbos. Dit is (ook Europees gezien) een zeldzaam bostype. In vroegere eeuwen bestond Zuid-Holland voor een groot deel uit laagveenbos en hieruit zijn destijds dikke veenpakketten ontstaan. Op dit moment is het oppervlak gering. Grienden (wilgen die regelmatig worden geoogst). Kleine bosjes en landschapselementen in de veenweiden zijn waardevol voor diverse dieren, waaronder de spotvogel.

Water Wat betreft de natuurdoelen liggen er, naast het versterken van de biodiversiteit en natuurgebieden en het beperken van de stikstofuitstoot, opgaven voor het verbeteren van de waterkwaliteit en het tegengaan van verdroging. Er is een sterke relatie met de opgaven voor de KRW en bodemdaling. In het veenweidengebied is bodemdaling een belangrijk thema. Het vinden van een balans tussen bodemdaling, bodemgebruik en het watersysteem is daarom op zowel korte als lange termijn van belang. In het klimaatakkoord krijgt bodemdaling specifiek aandacht. Hierdoor is de samenwerking in sommige deelgebieden al enkele jaren geleden, voor het ZH-PLG, gestart. De bodemdaling wordt in de Gebiedsfoto in bijlage thema 3 verder toegelicht. Specifiek voor veenweiden geldt dat het verhogen of hoog houden van de grondwaterstand extra eisen stelt aan het waterbeheer en systeem. Want voor het verhogen of hoog houden van de grondwaterstand is extra water nodig. De robuustheid wordt ook steeds belangrijker omdat we door de klimaatverandering vaker te

45

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

maken hebben met zowel droogte als wateroverlast. Een ander aandachtspunt is de aanwezigheid van veendijken. Deze zijn als een spons; als hij uitdroogt schuift deze gemakkelijk aan de kant. Slootpeilbeheer is noodzakelijk voor de stabiliteit van deze regionale keringen. In droge zomers is slootpeilbeheer de belangrijkste reden om water in te laten. Op warme dagen kan wel een centimeter waterpeil per dag verdampen en dat wordt aangevuld door water in te laten uit de grote rivieren. Andere functies profiteren daarvan mee, maar in tijden van watertekort kunnen beperkingen aan het gebruik door andere functies worden ingesteld.

Klimaat Een groot deel van de emissie uit onze veenbodems, circa 60% procent, vindt plaats in de twee Veenweide-deelgebieden Alblasserwaard en Krimpenerwaard. De bulk van de Zuid-Hollandse opgave ligt dan ook in het kerngebied Veenweiden. Een klein deel van de opgave ligt in de andere kerngebieden Kust en Duinen en Zuid-Hollandse Delta. Een deel hiervan is natuurgebied, een deel ligt onder een beschermend kleidek en een klein deel oxideerbaar veen is in gebruik is als landbouwgebied. In het Veenweidegebied zijn CO2-emissie door bodemdaling, het watersysteem en het landgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo zijn de meest voor de hand liggende maatregelen voor het beperken van de CO2-emissie uit veen gekoppeld aan een hoger (grond)waterpeil en dat is weer gekoppeld aan een daarbij passend bovengronds landgebruik. Bij keuzen die we maken om de CO2-emissies uit veen te remmen, moeten we er ons bewust van zijn dat dit gevolgen kan hebben voor het watersysteem en/of

landgebruik waar óók iets mee moet, zoals: (1) de aanvoer van voldoende water in de zomer (goede zoetwaterbeschikbaarheid), (2) het beheersen van wateroverlast, (3) een goede inrichting van het watersysteem, (4) de zorg voor de waterkwaliteit en (5) het verdienvermogen of waardering van het huidige (landbouwkundig) grondgebruik. Het terugdringen van emissies uit veenbodems (met 1,0 Mton) is slechts een deel van de totale klimaatopgave voor landbouw en landgebruik. In totaal omvat de ‘taakstellende opgave’ een afname van 3,5 Mton CO2-equivalenten. Sectorspecifieke maatregelen voor landbouw en glastuinbouw (elk minimaal 1,0 Mton) hebben hierin een grote rol. De landbouwopgave komt grotendeels voor rekening van de veehouderij. Op het melkveebedrijf is methaan (CH4) een belangrijk broeikasgas. Dat komt vrij bij de stofwisseling van koeien.

46

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Melkveehouders in het veenweidegebied hebben dus te maken met een klimaatopgave voor zowel de bedrijfsvoering als voor de veengronden.

Land- en tuinbouw We werken aan een vitaal Veenweidegebied met een duurzame toekomst voor de agrarische sector in het gebied. Door het agrarisch natuur- en landschapsbeheer door te ontwikkelen, het breder open te stellen, de vergoedingen te verhogen en over langere tijd zeker te stellen, kan veel natuur- en milieuwinst op de agrarische bedrijven geboekt worden. We zoeken toekomstperspectief voor agrarische bedrijven en tegelijkertijd willen we natuur en waterkwaliteit verbeteren en de uitstoot van broeikasgassen verminderen om klimaatverandering af te remmen.

Sociaal en maatschappelijk

NOx -emissiereductieopgave

De opgaven onderwijs/kennis, sociale cohesie en recreatie en toerisme volgen niet rechtstreeks uit de doelen van het NPLG/ZHPLG. Zij hebben echter wel een nauwe relatie met de opgaven natuur, water, klimaat en land- en tuinbouw en worden daarom als

Het Rijk heeft in februari 2023 indicatieve NOx-reductieopgaven voor de sectoren industrie & energie en mobiliteit bekendgemaakt. Deze zijn respectievelijk 38% en 25% reductie in NOx in 2030 ten opzichte van 2019. Via dit sectorbeleid stuurt het Rijk op een verdergaande emissiereductie. Wij verwachten van het Rijk dat generieke Rijksmaatregelen en maatwerkafspraken met de industrie en mobiliteit optellen tot deze reductiepercentages.

relevante meekoppel-opgaven gezien, daar waar zij bijdragen aan het doelbereik van het ZH-PLG. Met name recreatie is vanuit twee gezichtspunten te benaderen; het is een opgave in de zin van recreatiedruk op natuur(gebieden) maar biedt kansen als oplossingsrichting door nieuwe recreatieruimte te ontwikkelen of bestaande recreatiegebieden kwalitatief te verbeteren.

2.3.4. Opgaven buiten het NPLG en ZH-PLG Meetcorrectie en buitenland Op de opgavekaarten is zichtbaar dat een deel van de stikstofopgave wordt verklaard door ‘ammoniak uit zee’. Dit wordt ook wel de meetcorrectie genoemd. Dit is het verschil tussen de metingen van de feitelijke stikstofdepositie en de metingen in de modelberekening voor stikstofdepositie. Dit verschijnsel speelt voornamelijk in de duingebieden van de kustprovincies. Er is momenteel nog geen eensluidende conclusie over de verklaring van deze meetcorrectie. Wij blijven het Rijk aanspreken om snel duidelijkheid te verschaffen. Naast ammoniak uit zee vormt het buitenland een zeer aanzienlijk deel van de depositie in Zuid-Hollandse Natura 2000 gebieden, voornamelijk langs de kust. Wij verzoeken het Rijk om een effectieve buitenlandstrategie op te zetten om de stikstofdepositie vanuit het buitenland te verminderen.

47

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

De bijdrage van de industrie, bebouwde omgeving en mobiliteit aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden is beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Deze sectoren zijn ook met deze emissiereductieopgave aan de slag. De bouw heeft zichzelf gecommitteerd aan verregaande emissiereducties in 2030 en zet vol in op overschakelen op volledig emissieloos materiaal en slimmere logistiek. Ook in natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen worden grote sprongen gemaakt. Vanuit de Haven is een ambitieus walstroomprogramma gestart en wordt al jaren door toepassing van Best Beschikbare Technieken (BBT) gestuurd op het verminderen van emissies. Tenslotte zijn er ook vanuit het Schone lucht akkoord acties in gang gezet om emissies te verminderen.

Ruimtelijke opgaven zoals recreatie, energie, mobiliteit, wonen en werken Deze opgaven worden niet uitgewerkt in het ZH-PLG, maar in andere provinciale documenten. Alle claims op de ruimte wegen we af in het zogeheten ‘ruimtelijk voorstel’, dat we maken op verzoek van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Het ZH-PLG is onderdeel van dit ‘ruimtelijk voorstel’.

De inzet in het ZH-PLG is gericht op het meekoppelen van deze opgaven als zij het doelbereik op het vlak van natuur, water en klimaat dichterbij brengen. Door in de gebiedsaanpak een bredere blik te hanteren komen mogelijkerwijs meer oplossingsrichtingen voor doelen en opgaven in beeld. Wanneer deze kansen bijdragen aan het doelbereik van het ZH-PLG kan per gebied overwogen worden om deze opgaven in de scope te betrekken.

2.3.5. Benodigde ontwikkelruimte Grote maatschappelijke projecten zoals mobiliteit, industrie, woningbouw en activiteiten ten behoeve van de energietransitie vragen om ontwikkelruimte. Deze ontwikkelruimte is zowel fysiek als ook de stikstofruimte die nodig is om vergunningen te verlenen. Een voorbeeld hiervan is de ambitie om 235.460 woningen te realiseren, dit is zo’n 25% van de totale landelijke opgave. Zonder ontwikkelruimte lopen deze maatschappelijk opgaven vertraging op of kunnen helemaal geen doorgang vinden. We zetten ons in om een inschatting te maken van de benodigde ontwikkelruimte de komende jaren. Echter, deze ruimte is zeer afhankelijk van verschillende factoren (locatie, mogelijkheid tot (intern) salderen, gekozen bouwmethode, etc.) en daarmee is het lastig om op algemene basis een inschatting te maken hoeveel ontwikkelruimte er nodig is voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen. De mogelijkheden om voor deze projecten vergunningen te kunnen verlenen zijn (zeer) beperkt op dit moment. Het PBL waarschuwt dat de energietransitie (en daarmee ook de NOx-reductieopgave)

48

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

wordt bedreigd door de stikstofproblematiek en de daarmee regelmatig stagnerende toestemmingsverlening. Zonder stikstofruimte kan de industrie geen bijdrage leveren aan de klimaatopgave en lastiger aan de (landelijke) reductie van de stikstofdeken. Om deze reden hebben wij de provinciale doelenbank HIC opgericht, welke inmiddels door het Havenbedrijf Rotterdam is voorzien van eerste vulling. De aanpak van Rijk, provincies en andere partijen moeten op termijn weer ruimte geven. In de tussentijd kan door middel van intern en extern salderen stikstofruimte gevonden worden. De mogelijkheden hiertoe verschillen per locatie. De toename in stikstofemissies vindt vooral plaats in sectoren die géén provinciaal reductiedoel kennen. Extra emissies in deze sectoren zullen de landelijke generieke reductiedoelen voor NOx licht verhogen. Wij geven bij het Rijk aan dat wij verwachten dat er voldoende maatregelen (generiek of maatwerk) worden genomen zodat ook in deze sectoren de reductiedoelen behaald worden.

Behaalde reductie in andere sectoren De afgelopen jaren zijn er – vooral door de inzet op CO2 reductie in het kader van de klimaatopgave – stappen gezet op het gebied van NOx reductie. Zo is de totale NOx-emissie tussen 2010 en 2020 met 25% afgenomen van 67 Kton per jaar naar 50 Kton per jaar. Een voorbeeld hiervan is de realisatie van warmteprojecten in ZuidHolland.

Realisatie van warmteprojecten in Zuid-Holland In Zuid-Holland wordt de warmtevoorziening verduurzaamd en maken gebouwen steeds minder gebruik van het gasnet. Nationaal zijn elektrische warmtepompen vaak een oplossing. In Zuid-Holland hebben we ruime mogelijkheden om warmtebronnen als geothermie en restwarmte van de industrie uit het HIC in te zetten. In de afgelopen jaren zijn er al diverse projecten uitgevoerd en ook de komende jaren staan er vele projecten op de planning. In totaal kunnen grote collectieve warmtebronnen voor het grootste deel gaan zorgen voor de vervanging van aardgas voor verwarming van gebouwen en kassen. Een voorbeeld hiervan is een warmteleiding die wordt aangelegd van Vlaardingen naar Den-Haag (120.000 woning-equivalenten). Ook is er gestart met het tracé Rijswijk – Leiden (50.000 woningequivalenten). In meerdere gebieden met grote concentraties van warmtevraag zijn projecten in ontwikkeling (o.a. in Westland, de Drechtsteden, Gorinchem, Holland Rijnland, Delft, Rotterdam, Oostland en de Zuidplaspolder). Tot nu toe hebben de (concreet uitgewerkte) projecten de potentie om aan de warmtevraag van 400.000 huishoudens te voldoen. Dit levert (bij benadering) een reductie op van 260.000 kg NOX op jaarbasis. Met de ontwikkeling van nieuwe projecten en het concreter worden van de geplande projecten zal dit getal in de komende jaren oplopen.

In totaal staan er 1,5 miljoen woningen, ruim 200.000 gebouwen en 5.000 hectare glastuinbouw in de provincie die richting 2050 ‘van het gas’ af gaan.

49

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Als provincie werken we gebiedsgericht aan een nieuwe

projecten. Ook kunnen we bepaalde instrumenten inzetten vanuit onze rol als bevoegd gezag. Als gebiedspartner werken we tegelijkertijd samen met andere overheden en maatschappelijke partners op gelijkwaardige voet. We dragen bij aan de best mogelijke oplossingen voor een gebied en zetten onze kennis, kunde en mogelijkheden in voor het algemeen belang van het ZuidHollands landelijk gebied.

balans tussen ecologie en economie in het landelijk

Altijd een betrouwbare samenwerkingspartner zijn in de gebieden

gebied. We realiseren ons dat we in verschillende rollen

Deze rollen kunnen soms conflicteren omdat we als provincie enerzijds werken aan de beste oplossingsrichtingen voor een gebied en anderzijds afwegingen moeten maken op de schaal van ZuidHolland in de zin van effectiviteit en verdeling van financiële middelen. We willen een betrouwbare partner zijn in de regio en hechten veel waarde aan het opbouwen van relaties en draagvlak. Dit kost tijd. Vanaf het begin van dit proces leggen we de nadruk op een zorgvuldig proces en onze samenwerking met partners. Hoe we dat doen beschrijven we onder meer onder samenwerkingsprincipes.

3. Hoe we onze doelen bereiken een bijdrage leveren aan de opgaven en het doelbereik. Hoe we deze rollen invullen, hoe we samenwerken en gebiedsgericht aan oplossingen werken met een programmatische aanpak per deelgebied, beschrijven we in dit hoofdstuk.

3.1. Onze rol als gebiedsautoriteit én gebiedspartner De provincie vervult een rol als gebiedsautoriteit én als gebiedspartner. Als gebiedsautoriteit sturen we op de samenhang tussen de opgaven in het landelijk gebied, op een integrale en gebiedsgerichte afweging van maatregelen en projecten die bijdragen aan het doelbereik en nemen we besluiten over de verdeling van financiële middelen. We geven kaders mee over wat wel en niet kan, bijvoorbeeld in de ruimtelijke inrichting, en sturen op de fasering, programmering en budgettering van maatregelen en

50

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

3.2. Samenwerkingsprincipes Voor de invulling van onze rol als gebiedsautoriteit en als gebiedspartner hanteren we een aantal principes. Als provincie benutten we deze principes in de wijze waarop we samen met partners werken aan de ontwikkeling van het landelijk gebied. Deze principes zijn de rode draad voor de programmatische aanpak die hierna beschreven wordt. De samenwerkingsprincipes zijn onder meer gebaseerd op het provinciaal Omgevingsbeleid.

Onze samenwerkingsprincipes zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

We werken integraal aan opgaven en doelen; We werken met een brede blik aan een toekomstperspectief voor de lange termijn; We werken adaptief en gaan aan de slag ondanks onzekerheden en veranderende omstandigheden; We bieden ruimte voor maatwerk en benutten initiatieven uit het gebied; We leren continu en ontwikkelen nieuwe kennis.

We werken integraal aan opgaven en doelen Integraal werken betekent dat we werken aan oplossingen die bijdragen aan meerdere opgaven en doelen en niet aan oplossingen voor een enkele opgave of doel. Dat doen we samen met onze gebiedspartners. Zo benutten partijen elkaars ambitie, daadkracht en kennis en wordt tot betere oplossingen gekomen. We geven prioriteit aan maatregelen en projecten of een combinatie daarvan die aan meerdere opgaven en doelen bijdragen. Dit betekent dat we liever geen besluiten nemen die maar één opgave of doel bevorderen.

We werken met een brede blik aan een toekomstperspectief voor de lange termijn voor elk gebied Werken aan opgaven en doelen kan niet zonder een toekomstperspectief voor het gebied. Daarom werken we parallel aan opgaven en doelbereik ook aan het totale toekomstperspectief van elk uniek gebied. Bij het werken met een brede blik krijgt de integraliteit van de opgaven op het vlak van natuur, water, klimaat

51

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

en land- en tuinbouw expliciet aandacht. Daarbij wordt waar mogelijk en nodig ook de koppeling gelegd met de andere opgaven uit de ruimtelijke puzzel zoals energie, wonen en mobiliteit, hierdoor kan meerwaarde worden gerealiseerd en komen meer oplossingsrichtingen in beeld.

We werken adaptief en gaan aan de slag ondanks onzekerheden en veranderende omstandigheden Door adaptief te werken kunnen we effectief aan de slag ondanks de aanwezige onzekerheden en veranderende omstandigheden. We gaan zo veel mogelijk al aan de slag met wat kan en moet. We gaan slim om met onzekerheden en kansen door deze te onderkennen en transparant mee te nemen in de besluitvorming. Zo kunnen we meebewegen met ontwikkelingen. Dit gebeurt door niet te doen of de toekomst al vast ligt, maar een stap voor stap aanpak te hanteren. Zo creëren we ruimte om te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen en veranderende inzichten. Tegelijkertijd moet het mogelijk zijn robuuste afspraken te maken voor lange termijn realisatie. We zullen regelmatig evalueren en tussentijds de doelen, strategie en plannen aanscherpen wanneer dat nodig en mogelijk is. Het ZH-PLG is een meerjarenprogramma dat minimaal jaarlijks wordt bijgesteld om actueel te houden. In figuur 6 is te zien hoe het principe van adaptief programmeren doorwerkt in het besluitvormingsproces. Kernpunten zijn: de opgaven centraal stellen (in plaats van een oplossing) en maximale flexibiliteit creëren voor bijsturing in de besluitvorming. Deze programmatische aanpak lichten we nader toe in paragraaf 3.3.

52

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Figuur 6 Visuele weergave adaptieve programmatische aanpak

We bieden ruimte voor maatwerk en benutten initiatieven uit het gebied Omdat ieder gebied anders is, zowel qua gebiedskenmerken als organisatorisch bieden we ruimte voor maatwerk per deelgebied. We hanteren weliswaar dezelfde werkwijze qua programmatische aanpak per deelgebied maar daarbinnen houden we rekening met de verschillen tussen de deelgebieden en het zwaartepunt van de opgaven. Naast maatschappelijke en bestuurlijke urgentie is daarbij ook van belang of er energie en beweging bij gebiedspartners is om met maatregelen en projecten aan de slag te gaan. De uitvoering van elke opgave kent zijn eigen proces en dynamiek. Daarbij is het de kunst te schakelen tussen energie en beweging vanuit het gebied en het halen van de doelen.

We leren continu en ontwikkelen nieuwe kennis Als provincie ontwikkelen we een aanpak om het lerend vermogen en het ontwikkelen van nieuwe kennis in de gebiedsprocessen handen en voeten te geven. Dit is essentieel voor een gebiedsgerichte aanpak en de transitie van het landelijk gebied in het algemeen. Naarmate we meer kennis en ervaring opdoen, kunnen we de aanpak verder verfijnen en verrijken met nieuwe en concretere maatregelen en projecten. We benutten zo continu nieuwe kennis en inzichten uit de gebiedsprocessen en door de wisselwerking met het Rijk.

3.3. Programmatische aanpak per deelgebied We werken met een programmatische aanpak toe naar zestien deelgebiedsprogramma’s. De opgaven en doelen waar we voor staan vragen veel tijd en maatwerk in deelgebieden. Tegelijkertijd zijn de opgaven urgent en moeten doelen al op relatief korte termijn, tussen nu en 2030, gerealiseerd worden. Daarom werken we langs twee lijnen: 1. Tot eind 2025 gebiedsgericht uitwerken van deelgebiedsprogramma’s en perspectief per deelgebied. 2. Vanaf 2023 doorlopend uitvoering geven aan “low-regret” en koploper projecten en maatregelen.

53

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Programma-aanpak Aan een programma-aanpak ligt een integrale gezamenlijke opgave – thematisch of gebiedsgericht - ten grondslag. Programmasturing wordt ook toegepast om individuele maatregelen en projecten in samenhang te ontwikkelen en uit te voeren. Anders dan bij een project - waar het te behalen resultaat voorop staat - wordt in een programma gestuurd op specifieke programmadoelen (of acties) en op de samenhang daartussen. Afwegingen kunnen meer en beter in samenhang met andere doelen, acties, projecten en/of maatregelen gemaakt worden. De programma-aanpak is een manier om invulling te geven aan meer opgavegericht, adaptief en flexibel werken.

3.3.1. Deelgebiedsprogramma’s en perspectief per deelgebied Toekomstperspectief Voor elk deelgebied werken we een deelgebiedsprogramma uit. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat we met gebiedspartners een toekomstperspectief voor het gebied ontwikkelen. We vinden het belangrijk dat helder is waar we met elkaar naar toewerken. Zonder perspectief geen transformatie.

We herkennen dat een lange termijn transitie niet een uitgetekend pad vraagt. De gebiedsgerichte aanpak van het ZH-PLG is een samenspel van het realiseren van doelstellingen en het behartigen van gebiedsbelangen. Dat vraagt om een sturingsmechanisme met een heldere fasering en duidelijke besluitvormingsmomenten voor de uitwerking en uitvoering van maatregelen en projecten. Hiervoor hanteren we een systematisch gestructureerde aanpak in lijn met de NPLG handreiking voor gebiedsprogramma’s.

politiek-bestuurlijke beslissing over het vervolg. Indicatief staan in figuur 7 ook de momenten wanneer we deze verwachten.

Systematische programma-aanpak van opgave tot realisatie Een systematische aanpak helpt ons met overzicht over de voortgang van alle maatregelen en projecten die bijdragen aan de doelstellingen voor het landelijk gebied, wie verantwoordelijk is voor welk project over de jaren heen en de besteding van middelen. Het biedt ook ons de mogelijkheid om samen met gebiedspartners te werken aan de doelstellingen voor het landelijk gebied. Op gestructureerde wijze werken we samen om plannen van papier naar uitvoering te brengen. Stap voor stap (adaptief) met de opgaven centraal en met een gezamenlijk perspectief. Deze systematische gestructureerde aanpak beslaat het hele proces van aanscherpen van de opgave tot en met de realisatie. En met een doorkijk naar beheer en onderhoud daar waar maatregelen en projecten daarom vragen.

Stapsgewijs concretiseren van de aanpak terwijl we doorwerken Dit betekent dat we met gebiedspartners in fasen toewerken naar een steeds concretere invulling van de opgave: verkenning, planuitwerking en realisatie. Per fase gaan we in op het proces, de aard van de beslissingen en de eisen om voor een financiële bijdrage van het Rijk in aanmerking te komen. Iedere fase eindigt met een

54

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Figuur 7 Programmatische aanpak op twee lijnen

Deze fasering betekent niet dat we in de verkenningsfase geen maatregelen en projecten uitvoeren. We werken ondertussen voort aan bijvoorbeeld de KRW uitvoeringsprogramma’s en realisatie van het NNN waarvan de eindtermijn al in de nabije toekomst, op 2027 ligt.

Van startbeslissing voor verkenningsfase naar voorkeursbeslissing Het formele vertrekpunt voor een verkenning is de Startbeslissing. Deze werken we in het najaar per deelgebied uit en maken we formeel onderdeel van de vaststelling van het ZH-PLG.

In de startbeslissing staat: ▪ Welke opgave(n) per deelgebied centraal staan en reikwijdte van oplossingsrichtingen ▪ Prioritering doelen en opgaven: voor doelen die in 2027 klaar moeten zijn, kunnen we niet verkenningsfase tot eind 2025 afwachten ▪ Aanpak en samenwerking: hoe werken we naar doelbereik toe, met welke partijen en wel rol- en taakverdeling. Bij provinciegrensoverschrijdende opgaven nemen we op hoe de afstemming met buurprovincies vormgegeven. In de verkenning waar we tot eind 2025 de tijd voor nemen zoeken we met de deelnemende partijen vervolgens slimme oplossingen voor de gezamenlijke opgaven en maken we inzichtelijk in welke mate ieder een bijdrage levert aan de doelstellingen. Dat kan uitmonden in een voorkeursbeslissing: een goed onderbouwde keuze voor de beste oplossingen, de juridische route en de

Gebiedsoverstijgende thema verkenningen Voor een aantal onderwerpen, zoals de kwantitatieve natuuropgave, het watersysteem, waterverdelingsvraagstuk en de relatie met de Deltabeslissing in 2026, zijn verkenningen op de schaal van een kerngebied of schaal Zuid-Holland nodig. Aan het begin van de periode waarin de startbeslissingen worden opgesteld worden deze onderwerpen geïdentificeerd. Voor deze onderwerpen wordt vervolgens ook een startbeslissing gemaakt en een thema verkenning gestart. Deze startbeslissingen bevatten dezelfde inhoud als de startbeslissingen voor de deelgebieden.

55

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

financieringswijze. Deze set aan oplossingsrichtingen vormen tezamen het deelgebiedsprogramma.

Planuitwerking naar projectbeslissingen voor realisatie In de planuitwerking werken we samen met gebiedspartners de oplossingsrichtingen concreet uit naar deelgebiedsprogramma’s: een samenhangende set van maatregelen en projecten die dusdanig ver uitgewerkt worden dat gestart kan worden met de realisatie. De projectbeslissing maakt de weg vrij voor de realisatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=969c5357-f28e-49ad-ad33-542d59621fb5