CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.18 BIJL2 - ZHPLG voorontwerp__1148575__

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college34.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

1

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Sfeerimpressie van het werkatelier op 9 mei 2023 in Rotterdam – één van de vele bijeenkomsten waar het afgelopen jaar door ambtenaren, bestuurders, natuurbeschermers en ondernemers gewerkt is aan het ZuidHollands Programma Landelijk Gebied. Graag willen wij iedereen die heeft bijgedragen aan de totstandkoming van dit gebiedsprogramma hartelijk danken voor de inzet en betrokkenheid. Ook de komende periode werken wij graag samen met u allen toe naar de uitvoering van de plannen. Want alleen samen kunnen we ervoor zorgen dat ons landelijk gebied vitaal is, en dat het ook in de toekomst prettig wonen, werken en recreëren blijft in Zuid-Holland.

2

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Beste lezer, Voor u ligt het toetsbaar voorontwerp van het Zuid-Hollandse Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG), de provinciale uitwerking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Hierin staan de plannen voor het landelijk gebied van Zuid-Holland die, samen met de plannen van de andere provincies, moeten leiden tot het behalen van de internationale en nationale doelen voor natuurherstel, waterkwaliteit en klimaat voor landbouw en landgebruik. Onlosmakelijk daarmee verbonden zijn ons water- en bodemsysteem en een duurzaam toekomstperspectief voor de landen tuinbouw. Dat betekent dat het ZH-PLG niet alleen over de fysieke leefomgeving van onze inwoners gaat maar ook over hun gezondheid. En voor de land- en tuinbouw gaat het over een toekomst waarin nu en straks een goede boterham verdiend kan worden. Hiervoor zijn toekomstbestendige verdienmodellen nodig. Om in Zuid-Holland ook in de toekomst goed te kunnen leven moeten de natuurlijke omstandigheden en gebruiksfuncties in het landelijk gebied met elkaar in balans zijn. Dat zijn zij nu niet. Door technologische ontwikkelingen hebben we de beperkingen van natuur, water en bodem overwonnen en konden we economisch groeien. Tegelijkertijd bewogen we ook naar de grenzen van ons natuur, water- en bodemsysteem toe. Daarom staan we nu voor de uitdaging om met het ZH-PLG ons landelijk gebied naar een nieuwe balans te brengen.

3

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Daarbij starten we zeker niet op nul. Er is in de deelgebieden en sectoren de afgelopen jaren al hard gewerkt aan het verbeteren van onze natuur, de water- en bodemkwaliteit en het terugdringen van broeikasgassen uit landbouw en landgebruik. Deze inzet is voor ons de basis om nu door te pakken op de opgaven in het landelijk gebied die nog voor ons liggen. Een nieuwe balans in het landelijke gebied vinden kost tijd. De gesprekken hierover met onze gebiedspartners zijn we gestart. Dit zijn geen gemakkelijke gesprekken en het is zeker geen proces dat van vandaag op morgen af is. Met onze gebiedsgerichte aanpak doen we een beroep op de specifieke kennis, ervaring en innovatiekracht van onze partners en zetten we als provincie ook onze kennis, kunde mensen en middelen in om tot de beste oplossingen te komen. Daar hebben we elkaar hard voor nodig en dat zal mogelijk nog wel gaan schuren. Het bijeenbrengen van ieders belang is nou eenmaal niet gemakkelijk en gaat niet over één nacht ijs. We hebben er als Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland alle vertrouwen in dat we samen met onze gebiedspartners een nieuwe balans in het landelijk gebied kunnen realiseren. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

Over deze versie - wat is het wel en (nog) niet Deze versie van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) is het toetsbaar voorontwerp van het gebiedsprogramma. Na vrijgave door de Gedeputeerde Staten delen we deze versie uiterlijk 1 juli 2023 met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In het ZH-PLG leest u onze eerste uitwerking van: ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Wat we willen en waarom dat nodig is: onze ambitie en doelen; Wat we moeten doen: een analyse van de opgaven om minimaal te voldoen aan de wettelijke doelen; Hoe we samen onze doelen bereiken: de principes van onze gebiedsgerichte aanpak en samenwerking met partners; Wat we gaan doen: onze uitgangspunten, voorgestelde maatregelpakketten en hoe we de impact hiervan nog gaan analyseren; Wanneer doen we wat en wat hebben we nodig: een vooruitblik op de adaptieve programmering, inzicht in benodigde middelen en randvoorwaarden.

In de bijlagen staan een begrippenlijst en aanvullende informatie.

4

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

ZH-PLG en gebiedsprocessen De provincie heeft dit toetsbaar voorontwerp van het ZH-PLG geschreven op basis van de lopende gebiedsprocessen in de provincie Zuid-Holland. De gebiedsprocessen zijn een doorlopende lijn met continue ontwikkelingen waarin we samen met onze gebiedspartners werken aan de opgaven en doelen voor het landelijk gebied. Hieruit putten we als provincie voor het ZH-PLG. De provincie heeft de opbrengst uit deze gebiedsprocessen benut voor deze versie van het ZH-PLG.

Verwerken van uitkomsten uit toetsen en nieuwe ontwikkelingen Op dit toetsbaar voorontwerp volgt na de zomer een beoordeling van de Ecologische Autoriteit (EA), kennisinstellingen en het Rijk. Ook voert de provincie een sociaal economische impactanalyse (SEIA) uit op het toetsbaar voorontwerp. In de SEIA analyseert de provincie brede welvaartseffecten van voorgenomen maatregelen, inclusief de agro-economische effecten. Ook andere ontwikkelingen gaan nog nieuwe inzichten geven, zoals het Landbouwakkoord en aanvullende doelen uit de Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR). Op basis van al deze nieuwe inzichten en de gesprekken met de gebieden, stellen we het ZH-PLG in de tweede helft van dit jaar bij. Op het moment van schrijven is het landbouwoverleg stilgelegd en wordt er niet verder onderhandeld over een landbouwakkoord. Een dergelijk akkoord is echter wel cruciaal voor het slagen van onze plannen in het ZH-PLG. Voor de transitie van de land- en tuinbouw zijn gedragen afspraken onmisbaar, onder andere voor toekomstbestendige verdienmodellen en normering voor grondgebondenheid. Als het landbouwakkoord ontbreekt of een sterk afgezwakte vorm krijgt, dan wordt het moeilijker voor de

provincie om de gestelde doelen te bereiken. Daarom laten wij het landbouwakkoord in de tekst van ons ZH-PLG staan, zodat duidelijk is dat wij van het Rijk verwachten dat er alsnog, op welke wijze dan ook, invulling wordt gegeven aan gedragen afspraken tussen de partijen die bij het Landbouwakkoord betrokken waren.

Inzichten uit ruimtelijke puzzel kunnen leiden tot wijzigingen Dit jaar werken we als provincie samen met andere overheden en partners ook een ruimtelijk voorstel uit. In dit ruimtelijk voorstel (de zogenoemde Ruimtelijke Puzzel) staat beschreven hoe we opgaven zoals de verduurzaming van ons energiesysteem, de woningbouwopgave (realiseren van 235.000 woningen tot 2030) en de opgaven in het landelijk gebied in de ruimte laten passen. Daarnaast wordt er in drie NOVEX-gebieden in Zuid-Holland (Groene Hart, Haven en Zuidelijke Randstad) samen met partners gewerkt aan ontwikkelperspectieven. De gebiedsuitwerkingen in het ZH-PLG, de NOVEX-ontwikkelperspectieven en andere opgaven zoals de energietransitie (P-MIEK) vormen bouwstenen voor het provinciaal ruimtelijk voorstel aan het rijk. Voor de provincie vindt in dit proces de integrale afweging plaats voor de te maken ruimtelijke keuzes. Dit proces kan later nog leiden tot wijzigingen in het ZH-PLG.

Zelfbindend karakter, later bestuurlijke afspraken met partners Het ZH-PLG is zelfbindend. Een nadere uitwerking naar maatregelen voor deelgebieden leidt tot aanvullende bestuurlijke afspraken met andere overheden en maatschappelijke partners.

5

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Nieuw of aanvullend beleid via herijking Omgevingsbeleid Het ZH-PLG is een gebiedsprogramma en heeft geen juridische planvormingsstatus. Als in het ZH-PLG maatregelen worden voorgesteld die nog geen onderdeel of niet in lijn zijn met het huidig provinciaal beleid, dan moet dat in het Omgevingsbeleid (omgevingsvisie, -programma en/of verordening) worden verwerkt. In dat proces wordt ook een m.e.r.-procedure doorlopen. Eventueel nieuw of aanvullend beleid wordt dus uitvoerig getoetst. De vaststelling van de omgevingsvisie en -verordening is een bevoegdheid van Provinciale Staten. Gedeputeerde Staten stellen het omgevingsprogramma vast.

Eisen aan gebiedsprogramma verwerkt Het ZH-PLG heeft ook de status van het Gebiedsplan op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Dit betekent dat de elementen uit artikel 1.12 fa Wsn herleidbaar terug moeten komen in het ZH-PLG. Daarnaast hebben wij de handreiking gebiedsprogramma’s van het ministerie van LNV als houvast benut.

Proces tot definitieve versie in 1e kwartaal 2024 Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland geven het toetsbaar voorontwerp van het ZH-PLG uiterlijk 1 juli 2023 vrij voor verzending naar het ministerie van LNV. Na een nadere verrijkingsslag behandelen Provinciale Staten het ontwerp ZH-PLG voor vaststelling. Daarna volgt vaststelling van het definitief ZHPLG 1.0 in het eerste kwartaal van 2024. Na vaststelling van het ZHPLG vragen we Rijksmiddelen uit het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur aan voor uitvoering.

Inhoudsopgave Over deze versie - wat is het wel en (nog) niet ...................................... 4 1.

2.

3.

6

4.

Wat we willen en waarom dat nodig is .......................................... 7

Wat we gaan doen ..................................................................... 56 4.1.

Uitgangspunten ............................................................... 56

1.1.

Onze ambitie voor een vitaal landelijk gebied ................... 7

4.2.

Maatregelen: continu in ontwikkeling............................. 72

1.2.

Relatie met andere programma’s ....................................... 9

4.3.

Spelregels Rijk ............................................................... 100

1.3.

Gebiedsgerichte aanpak ................................................... 10

4.4.

Plan van aanpak sociaal economische impactanalyse ... 100

1.4.

Belang van samenwerking en zorgvuldig proces ..............11

1.5.

ZH-PLG participatie in gebieden ..................................... 12

5.1.

Vooruitblik: fasering en prioritering ............................. 102

1.6.

Opbouw van het ZH-PLG ................................................. 13

5.2.

Instrumenten ..................................................................105

Wat we moeten doen ................................................................. 15

5.3.

Kosten ............................................................................ 106

5.

Wanneer doen we wat en wat hebben we nodig ....................... 102

2.1.

Doelen voor nieuwe balans in het landelijk gebied .......... 15

5.4.

Risico’s ............................................................................ 107

2.2.

Gebiedsanalyse landelijk gebied ...................................... 22

5.5.

Randvoorwaarden ......................................................... 109

2.3.

Transitieopgaven landelijk gebied ................................... 32

5.6.

Monitoring en evaluatie...................................................111

Hoe we onze doelen bereiken .....................................................50

5.7.

Tijdlijn verdere ontwikkeling ZH-PLG ........................... 112

3.1.

Onze rol als gebiedsautoriteit én gebiedspartner ............50

3.2.

Samenwerkingsprincipes .................................................50

3.3.

Programmatische aanpak per deelgebied ........................ 53

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

1. Wat we willen en waarom dat nodig is Zuid-Holland is een dichtbevolkte deltaprovincie, intensief benut door allerlei functies en kent een uniek gevarieerd landschap. Langs de kust vind je brede stranden en duingebieden. Landinwaarts zijn er historische steden en uitgestrekte polders met weilanden, boerderijen en vaarten. In dit landschap wonen, werken en recreëren veel mensen. Dit brengt een groeiende ruimtevraag met zich mee, hiermee staat de inrichting van Zuid-Holland verder onder druk. Het woningtekort is nijpend, de OV-bereikbaarheid van dorpen slinkt en sociale voorzieningen worden schaarser. De kwaliteit van de Zuid-Hollandse natuur, water en bodem lijdt sterk onder deze druk. Een samenhangende aanpak op deze problemen is nodig. Met dit gebiedsprogramma werken we samen met onze partners aan een nieuwe balans in het landelijk gebied.

7

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

1.1. Onze ambitie voor een vitaal landelijk gebied Een toekomstbestendige leefomgeving is onze topprioriteit. Onze ambitie is een vitaal landelijk gebied creëren binnen de randvoorwaarden zoals gesteld vanuit natuur, klimaat, water en bodem. We vinden het belangrijk dat het landelijk gebied een aantrekkelijk gebied kan blijven om te wonen, werken en recreëren en dragen met het ZH-PLG bij aan de brede welvaart in ZuidHolland. Hiervoor is een goede balans nodig tussen sterke en gezonde natuur met een economisch rendabele en volhoudbare land- en tuinbouw. De land- en tuinbouw heeft in Zuid-Holland namelijk een belangrijke rol, als producent van voedsel, grondstoffen en sierteeltproducten, maar ook als beheerder van ons landschap en drager van de sociale structuur in het landelijk gebied.

Kwaliteit van natuur en water staat onder steeds meer druk We realiseren ons dat de nood hoog is. De kwaliteit van natuur en water in Zuid-Holland staat onder druk, evenals de biodiversiteit. We lopen steeds vaker tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. Ook klimaatverandering drukt een forse stempel op natuur, water en bodem. Denk bijvoorbeeld aan de zeespiegelstijging, de toenemende kans op wateroverlast en extreme droogte. Schoon en ecologisch gezond en voldoende water, schone lucht en een gezonde bodem komen in gevaar. Met het ZH-PLG willen we deze uitdagingen te lijf gaan. We gaan aan de slag met natuurherstel, verbetering van de waterkwaliteit en vermindering van broeikasgassen door landbouw en landgebruik. Water en bodem zijn daarbij voor ons sturend voor de ruimtelijke ordening in het landelijk gebied. Dit staat echter niet op zichzelf en kan niet worden bereikt zonder te werken aan een toekomstbestendige, duurzame, circulaire land- en tuinbouwsector. Een land- en tuinbouwsector die ook kansen voor werkgelegenheid biedt en die zorgt voor behoud van sociale samenhang in stads- en dorpskernen buiten de grote steden. We gaan hiervoor uit van een meerjarig programma dat duurt tot in elk geval 2035.

Werken aan korte termijn doelen én lange termijn transitie Dit soort transities kosten tijd. Daarom wil de provincie ZuidHolland voor de korte termijn inzetten op natuurherstel in combinatie met het optimaliseren van de bestaande bedrijfsvoering bij de agrarische ondernemers. Daarvoor focussen wij ons op de reductie van stikstof, reductie van broeikasgassen en de verbetering van de waterkwaliteit. Tegelijkertijd werken wij met de gebiedspartners aan de lange termijn transitie van het landelijk

8

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

gebied waarbij de uitwerking van toekomstperspectief voor de gebieden en agrarische sector een belangrijke rol speelt.

Alle sectoren dragen bij aan de doelen in het landelijk gebied We benadrukken dat het ZH-PLG gaat over de doelen in het landelijk gebied. Wel vinden we het belangrijk dat alle sectoren bijdragen aan stikstofreductie en de reductie van broeikasgassen, zo ook onder andere industrie en mobiliteit. In tegenstelling tot het landelijk gebied vormen stikstofoxiden (NOx) hier het grootste aandeel van de stikstofuitstoot. Veruit de meeste industriële activiteit in Zuid-Holland vindt plaats in het Haven Industrieel Complex (HIC). Het Rijk stuurt via sectorbeleid voor industrie en mobiliteit op een verdergaande emissiereductie, hiermee zijn de sectoren aan de slag. Het HIC staat – in lijn met de sectoraanpak van het Rijk – primair voor een energie- en grondstoffentransitie. In deze transitie kan direct en indirect 40% van de landelijke klimaatopgave gerealiseerd worden. De ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het HIC rondom energietransitie en energie-infrastructuur zijn noodzakelijk voor het behalen van de landelijke stikstofreductie- en klimaatdoelstellingen, aangezien de projecten binnen het HIC die bijdragen aan de energietransitie zowel minder CO2 als NOxemissies opleveren. Volgens een analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) leidt deze transitie naast de klimaatdoelstellingen tot een forse NOx-reductie van 38% in de industrie.

Hoewel andere sectoren geen primair onderdeel zijn van het landelijk gebied en daarmee het ZH-PLG, verdienen zij wel

aandacht gezien de problematiek rondom vergunningverlening en de bijdrage die zij kunnen leveren om stikstofdepositie te verminderen. Met het ZH-PLG en de inzet van alle partijen zetten wij erop in dat vergunningverlening voor alle sectoren op gang kan komen en daarmee economische en maatschappelijke ontwikkelingen weer mogelijk zijn.

Verwevenheid stedelijk en landelijk gebied draagt bij aan doelen In grote delen van Zuid-Holland zijn het landelijk gebied en het stedelijk gebied zodanig met elkaar verweven dat de groenblauwe dooradering van het landelijk gebied doorloopt tot in de stad. Daarnaast grenzen Natura 2000 gebieden soms direct aan het stedelijk gebied, zoals de duinen aan Den Haag en de Biesbosch aan Dordrecht. Hierdoor kan het stedelijk gebied direct en indirect een bijdrage leveren aan het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000 gebieden. Met name waar de groenblauwe dooradering van het landelijk gebied doorloopt tot in de stad kan een robuust netwerk gevormd worden. Het groen/blauw dient daarmee zowel de biodiversiteit, klimaatadaptatie als de mens (gezondheid en recreatie).

1.2. Relatie met andere programma’s ZH-PLG bevat lopende maatregelen uit bestaande programma’s én nieuwe aanvullende maatregelen Voor het bereiken van de doelen zijn maatregelen nodig. Een deel van deze maatregelen zijn al geïnitieerd. Het ZH-PLG integreert lopende programma’s op het gebied van natuur, water, stikstof en klimaat onder één “dak”. Dat geldt ook voor bestaande

9

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

interbestuurlijke afspraken. Lopende programma’s zijn bijvoorbeeld Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Bossenstrategie, het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP VP), de programma’s voor de Kaderrichtlijn Water (KRW), het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, de Strategie Vitale Veenweiden en het Programma Natuur. Daarnaast is er met name in de Zuid-Hollandse Delta een directe relatie met de Programmatische Aanpak Grote Wateren. In het ZH-PLG stellen we nieuwe maatregelen voor die aanvullend nodig zijn om de doelen voor het landelijk gebied te bereiken.

Aansluiting ZH-PLG op andere programma’s in overleg met het Rijk Meer programma’s dan het ZH-PLG dragen bij aan het bereiken van een nieuwe balans in het landelijk gebied. Zeker op het grensvlak van het stedelijk en landelijk gebied raakt het ZH-PLG aan programma’s van het Rijk zoals ‘Groen in en om de stad’ en de NOVEX-gebieden Groene Hart, Haven Rotterdam en Zuidelijke Randstad. Het ZH-PLG overlapt vooral voor de veenweiden met de plannen voor het NOVEX-gebied Groene Hart. Toch is ook voor de NOVEX-gebieden Haven en Zuidelijke Randstad de relatie met het ZH-PLG aanwezig. Doel voor het NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad is immers ook om groen beter integraal onderdeel te maken van de verstedelijkingsopgave. Hierbij gaat het om het versterken van groenblauwe structuren en het vergoten van de toegankelijkheid en nabijheid van natuur en recreatie. Opgaven vanuit deze NOVEX-gebieden vragen mogelijk ook om ruimte in het landelijk gebied, zoals de energietransitie, waterbuffering en recreatie. In overleg met het Rijk werken we aan optimale aansluiting van deze programma’s op elkaar.

ZH-PLG gekenmerkt door gebiedsgerichte aanpak Voor het ZH-PLG zijn we sinds medio 2022 met onze gebiedspartners gestart met een gebiedsgerichte aanpak in de kerngebieden Kust en Duinen, Zuid-Hollandse Delta en Veenweiden. Dit ZH-PLG is dan ook een samenstelling van de vereisten die het ministerie van LNV aan de provinciale gebiedsprogramma’s stelt en hetgeen wat tot nu is opgehaald in onze gebiedsprocessen.

Werken aan perspectief en afspraken per deelgebied De drie kerngebieden zijn gekozen op basis van de bodem en ondergrond en sterke samenhang in opgaven en oplossingsrichtingen. Binnen de kerngebieden onderscheiden we zestien deelgebieden. Zie figuur 1 voor een overzicht. Deze deelgebieden komen veelal voort uit al bestaande samenwerkingen, bijvoorbeeld tussen gemeenten. Op het niveau van deelgebieden bouwen we aan het perspectief voor elk gebied en maken we bestuurlijke afspraken over de uitvoering (hoe en wat). Ook als dit programma in uitvoering komt blijven we met elkaar om tafel gaan om tot passende keuzes en oplossingen te komen voor elk gebied.

1.3. Gebiedsgerichte aanpak Elk gebied is anders. De combinatie van het kust-, veenweide- en rivierdeltalandschap, waarin steden en landschap samen komen, levert een veelzijdig en uniek landschap op. Zuid-Holland is divers in zowel bodemsoort, watersysteem, ecosysteem als landgebruik. Ook kent elk gebied een andere sociaal maatschappelijke context. Om die reden ontwikkelen we het ZH-PLG met een gebiedsgerichte aanpak.

10

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Onze samenwerkingsprincipes lichten we toe in hoofdstuk 3.

inwoners en maatschappelijke partners. Dit herstel van vertrouwen speelt in het hele land op de stikstofproblematiek en de landbouwtransitie, maar ook door groeiende sociale ongelijkheid. We vinden het hierom belangrijk een zorgvuldig proces te doorlopen. Waarbij we de tijd nemen om vertrouwen te geven en te krijgen. In een zorgvuldig proces voelt iedereen zich uitgenodigd om inbreng te leveren, nemen partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid en bieden we ruimte om coalities te vormen, ook als dit extra tijd vraagt. Wij zijn dan ook blij om te merken dat al veel gemeenten, waterschappen, agrariërs, natuurorganisaties en andere partners constructief en energiek met ons meedenken en doen. Deze samenwerking is cruciaal om succesvol te komen tot een nieuwe balans in het landelijk gebied. Figuur 1 Overzicht kerngebieden en deelgebieden

1.4. Belang van samenwerking en zorgvuldig proces Zorgvuldig proces voor opbouwen van onderling vertrouwen De ingewikkelde opgaven in het landelijk gebied vragen veel van ons en onze partners in de gebieden. Dat kunnen wij niet alleen. De opgaven zijn complex en vragen soms vergaande, moeilijke keuzes. Om deze keuzes goed te kunnen maken zetten we in op een zorgvuldig proces en nemen we de tijd om vertrouwen te geven én te krijgen, ondanks de tijdsdruk op de opgaven. We erkennen dat overheden moeten werken aan het herstel van vertrouwen van

11

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

We starten niet bij nul en waarderen de inzet tot nu toe We beseffen ons terdege dat we niet bij nul beginnen. We zijn trots op onze boeren en tuinders die zich met veel toewijding inzetten voor een duurzame en volhoudbare productie van ons voedsel, grondstoffen en sierteeltproducten in de karakteristieke landschappen van onze provincie. Het is van provinciaal belang dat deze sector vitaal is en dat ook in de toekomst blijft. Naast en met de agrarische sector werken ook de natuur- en landschapsorganisaties en de recreatiesector aan een vitaal landelijk gebied in ZuidHolland.

Voortbouwen op lopende processen Per kerngebied bouwen we voort op de processen waar onze gebiedspartners al aan werken. Dit is immers vaak de basis voor hun

energie om met ons mee te denken en te doen. Zo is in het afgelopen jaar in kerngebied Veenweiden met gebiedspartners gewerkt aan de Strategie Vitale Veenweiden om te komen tot vitale veenweiden: gebieden met een gezonde natuur en leefomgeving en een vitale landbouw met perspectief. De samenwerking in Kust en Duinen heeft zijn grondslag in Nationaal Park Hollandse Duinen waar gebiedspartners samenwerken om de bijzondere natuur, landschap en cultureel erfgoed in het gebied beter te ontwikkelen en te beschermen, voor en met de inwoners. Zij willen een duurzaam en veerkrachtig nationaal park realiseren en de waarde van het gebied voor mens, plant en dier vergroten. Ook in de Zuid-Hollandse Delta bouwt men voort op lopende processen en netwerken zoals de gebiedsgerichte aanpak stikstof, strategische agenda Zuid-Hollandse eilanden en de regiodeal Zuid-Hollandse Delta. Daarnaast wordt al jaren samengewerkt in de Zuidwestelijke Delta aan programma’s voor water, klimaat en een vitaal platteland (IBP ZWD).

Samenwerking noodzakelijk voor grootschalige transities Voor het bereiken van een nieuwe balans in het landelijk gebied zijn meerdere grootschalige transities nodig zoals de transitie naar duurzame vitale land- en tuinbouw. Een integrale aanpak is noodzakelijk om deze transities samen vorm te geven en weloverwogen keuzes te maken. Daar heeft ieder een rol, taak en verantwoordelijkheid in. We maken het gebiedsprogramma en onderliggende plannen daarom samen met andere overheden, maatschappelijke partners en ondernemers. Een samenwerking met onze buurprovincies is hierbij ook belangrijk, met name bij gebiedsprocessen die dichtbij of op onze provinciegrenzen liggen.

12

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

1.5. ZH-PLG participatie in gebieden We hechten veel belang aan zorgvuldige participatie in de gebieden. In het verlengde van de gebiedsprocessen die al liepen hebben we in de ZH-PLG startnotitie van 22 november 2022 geschetst hoe we de inbreng vanuit de kerngebieden voor ons zagen; de oplevering van een kerngebiedsplan met voorstellen voor maatregelenpakketten om de doelen te behalen, en een inschatting van de benodigde financiële middelen. De provincie zou de kerngebiedsplannen integreren in één gebiedsprogramma en op basis daarvan middelen bij het Rijk aanvragen uit het Transitiefonds en andere fondsen/regelingen. Dit plan hebben we aangepast.

Tijdsdruk op proces wringt met opbouw samenwerking in gebieden Om tot de kerngebiedsplannen te komen hebben we met gebiedspartners processen georganiseerd in de zestien deelgebieden. Dat was en is niet altijd makkelijk. De samenwerkingsgraad verschilt enorm per deelgebied. Soms is er sprake van een al jarenlange samenwerking maar op een smallere of juist veel bredere scope dan het ZH-PLG, in een aantal gebieden is de samenwerking in opbouw en in nog andere gebieden is de samenwerking net gestart. Om dit verder uit te bouwen is tijd nodig. Dit verhoudt zich vaak lastig tot het zetten van snelle stappen op inhoud. Daarnaast kunnen pas stappen op de inhoud gezet worden als gebiedspartners, inclusief de provincie, gezamenlijk een goed beeld hebben van de doelen en opgaven waaraan gewerkt moet worden.

Tijd genomen om samen tot gedragen feitelijke basis te komen Daarom hebben we onze aanpak bijgesteld. We hebben de gebieden niet meer gevraagd naar een kerngebiedsplan. In plaats daarvan hebben we veel energie gestoken in het gezamenlijk scherp krijgen van de huidige stand van zaken per gebied, de doelen en de opgaven en de aandachtspunten voor het vervolgproces. Ook hebben we gevraagd om inbreng van maatregelen en projecten die bijdragen aan het doelbereik van het ZH-PLG. Dat is voor een deel gelukt maar was zeker nog niet in alle gevallen mogelijk omdat we nog wachten op aanvullende informatie vanuit het Rijk over doelen, instrumenten en regelingen.

Diverse oogst uit gebieden geeft basis voor eerste versie ZH-PLG Uit de gebieden is ondanks deze constatering een zeer ruime oogst aan maatregelen en projecten (rond de 80 initiatieven) opgehaald. De ingebrachte maatregelen en projecten verschillen van aard, zijn “rijp en groen” door elkaar. Sommige aangedragen maatregelen en projecten zijn abstract (ideeën en denkrichtingen), andere zijn al concreet zoals de gebiedsagenda Hoeksche Waard. Daarnaast kennen nog niet alle maatregelen en projecten draagvlak van alle partijen. Desalniettemin bieden deze initiatieven ons als provincie voldoende basis om maatregelpakketten samen te stellen voor dit toetsbaar voorontwerp van het ZH-PLG. Daarnaast is de basis gelegd om in de deelgebieden deze initiatieven verder uit te werken als oplossingsrichtingen voor de doelen en opgaven waar we voor staan. De participatie in gebieden is nader uitgewerkt in de bijlagenbundel.

1.6. Opbouw van het ZH-PLG

Figuur 2 Opbouw van het ZH-PLG

Centraal in onze aanpak om te komen tot het ZH-PLG staat de feitelijke basis waar we met andere gebiedspartners aan hebben gewerkt. Dat is terug te zien in de opbouw van het ZH-PLG, zoals gevisualiseerd in figuur 2. De feitelijke basis is uitgewerkt in een gebiedsfoto en opgavenkaarten per kerngebied. Deze gebiedsfoto en kaarten zijn de onderleggers voor de maatregelen die we voorstellen. Dit werken we later met onze partners uit tot meer specifieke projecten als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak die leidt tot het bereiken van de doelen voor het Zuid Hollands landelijk gebied.

Leeswijzer De opbouw van het ZH-PLG leidt tot de volgende hoofdstukken: ▪

▪

13

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Hoofdstuk 2 “wat we moeten doen” bevat een analyse van de doelen, de gebiedsfoto waarmee de nul-situatie per gebied inzichtelijk is gemaakt en opgavenkaarten met toelichting op de opgaven per gebied. Hoofdstuk 3 “hoe we onze doelen bereiken” bevat een nadere uitwerking van onze aanpak. Hier gaan we in op hoe we onze rol

▪

▪

14

invullen, hoe we met partners samenwerken en hoe we het gebiedsproces met helderheid inrichten over de verschillende fasen en besluitvormingsmomenten (in het gebied en gebiedsoverstijgend) die aansluiten op de werkwijze van het transitiefonds. Hoofdstuk 4 “Wat we gaan doen” beschrijft de uitgangspunten die we hanteren voor de uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak, maatregelpakketten die tezamen met en als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak de doelen realiseren. Deze maatregelpakketten zijn onder meer op basis van opgehaalde maatregelen en projecten uit de gebieden tot stand gekomen. De maatregelpakketten dienen als kapstok voor continue ontwikkeling van projecten. Zij bestaan uit een mix van mogelijke instrumenten (zoals innovatie / fysieke ingrepen / regelingen) die ingezet kunnen worden voor doelbereik. Hoofdstuk 5 “Wanneer doen we wat en wat hebben we nodig” bevat een eerste aanzet voor de adaptieve programmering. Hierin beschrijven we beknopt een vooruitblik op het proces, inschatting van de kosten, risico’s en randvoorwaarden voor realisatie van het programma.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

2. Wat we moeten doen Wat we moeten doen voor het creëren van een vitaal landelijk gebied wordt mede bepaald door de grotendeels vastgestelde doelen voor natuur en stikstof, water en klimaat. Dit hoofdstuk bevat een analyse van de doelen, de nul-situatie en de opgaven om minimaal te voldoen aan de wettelijke vereisten en aanvullende bestuurlijke afspraken en beleidsambities. Deze analyse bevat zover mogelijk een vertaling van de landelijke doelen uit het NPLG naar provinciale doelen voor het ZH-PLG, beschrijft het feitelijke vertrekpunt voor de gebiedsprocessen (de nul-situatie) en zet de doelen en nul-situatie om naar opgaven voor de Veenweiden, de Zuid-Hollandse Delta en Kust en Duinen.

2.1. Doelen voor nieuwe balans in het landelijk gebied In het kader van het NPLG heeft het Rijk doelen toebedeeld aan provincies om verschillende doelstellingen integraal aan te pakken. Deze verplichtingen zijn onderverdeeld in doelen voor natuur en

15

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

stikstof, water en klimaat. Het hoofddoel van het ZH-PLG is het realiseren van de wettelijke doelstellingen voor het landelijk gebied. Binnen deze doelen zetten wij ons ook in voor leefbaarheid en vitaliteit van het landelijk gebied. De wettelijke doelen volgen uit (inter)nationale verplichtingen als de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Volgens de VHR moet op termijn een landelijk gunstige staat van instandhouding worden gerealiseerd voor de door de VHR beschermde soorten en habitattypen. In Nederland is de VHR geïmplementeerd via de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de KRW geldt dat in 2027 maatregelen genomen moeten zijn om de doelen te realiseren. De Wsn kent een landelijk einddoel van 74% van het areaal met stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden onder de kritische depositiewaarden (KDW) in 2035, met tussendoelen van 40% van het areaal onder de KDW in 2025 en 50% van het areaal onder de KDW in 2030. Het kabinetsbeleid is echter om de doelstelling van 74% al in 2030 te halen. De beoogde reducties in de klimaatopgave moeten in 2050 gerealiseerd zijn, met tussenstap in 2030. Het ZH-PLG kent een tijdshorizon tot 2035.

Tabel 1 Overzicht doelen natuur en stikstof, water en klimaat

16

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

De wettelijke doelen die voortvloeien vanuit (inter)nationale verplichtingen worden op landelijk niveau vastgesteld. Op basis hiervan worden taakstellende opgaven aan provincies toebedeeld. Bij de wettelijke doelen maken we onderscheid in doelen die bekend zijn, doelen die nog nader worden uitgewerkt door het Rijk en doelen waarvan wij slechts een inschatting kunnen geven. Op het moment van opstellen van dit voorontwerp ZH-PLG zijn nog niet alle doelen doorvertaald naar provincies.

Meekoppelkansen Hoewel opgaven buiten het NPLG geen onderdeel zijn van het ZHPLG, biedt het ZH-PLG meekoppelkansen als deze opgaven direct bijdragen aan het bereiken van de doelen in het landelijk gebied. Denk hierbij aan recreatie, sociaaleconomische vitaliteit en duurzame energieopwekking. Samenwerking met gebiedspartners draagt bij aan het identificeren van meekoppelkansen. Wanneer de kansen bijdragen aan de opgaven van het landelijk gebied kan per gebied overwogen worden om deze in de scope te betrekken. In deze paragraaf lichten we de doelstellingen per onderwerp toe.

2.1.1. Natuur en Stikstof Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) Voor natuur vormt de VHR de belangrijkste opgave. De VHR stelt twee doelen: (1) de natuur in een gunstige staat van instandhouding brengen en (2) voorkomen van verslechtering van de natuur. De opgave wordt voor Natura 2000 nu specifiek uitgewerkt via het landelijke spoor “actualisatie doelensystematiek”. Het Rijk werkt momenteel aan een beleidskader Natura 2000. Hierin worden de spelregels voor het behalen van Natura 2000-doelen vastgelegd. De

17

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

doelen volgen vanuit het Rijk. Niet de volledige VHR-opgave hoeft in 2030 bereikt te zijn. Voor 2030 gelden de volgende opgaven: 1. Uiterlijk in 2030 maatregelen treffen voor: a. 30% van het in goede conditie te brengen areaal en; b. 30% van het te ontwikkelen areaal dat noodzakelijk is voor een gunstige staat van instandhouding van habitattypen en leefgebieden van soorten. 2. Maatregelen nemen opdat in 2030 voor ten minste 30% van in een ongunstige staat van instandhouding verkerende VHR-soorten en habitattypen een landelijk gunstige staat van instandhouding wordt bereikt dan wel een sterk positieve trend in gang is gezet. 3. Uiterlijk in 2030 de landelijke negatieve trends van alle VHR-soorten en – habitattypen zoveel mogelijk te stoppen. Natura 2000-gebieden zijn elk afzonderlijk aangewezen voor een specifieke lijst habitattypen en leefgebieden van soorten, deze zijn vastgelegd in aanwijzingsbesluiten. Ook kwalitatieve natuurdoelen voor soorten en habitats en de opgave binnen een Natura 2000gebied zijn vastgelegd in aanwijzingsbesluiten. De opgave kan een behoudsdoelstelling (areaal en kwaliteit) en/of een verbeteringsdoelstelling (kwaliteit) en/of uitbreidingsdoelstelling (areaal). Het realiseren van deze doelen draagt bij aan de realisatie van de totale Natura 2000-opgave.

Deze doelen en ambities zijn, met uitzondering van de Vogeldoelen, in Nederland nog niet gekwantificeerd. In het kader van de Landelijke Actualisatie Doelensystematiek Natura 2000 wordt gewerkt aan een herijking van de landelijke doelen en een verdeling hiervan over de

provincies. Deze provinciale opgaven worden ingebracht in het NPLG-proces. Per Natura-2000 gebied is een beheerplan vastgesteld, waarin per gebied maatregelen worden beschreven om de doelen te halen.

Stikstofreductie De reductie van stikstofemissies is landelijk wettelijk vastgelegd als resultaatsverplichting in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Volgens de Wsn moet in 2035 landelijk minimaal 74% van de stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden zich onder de KDW bevinden. In het regeerakkoord is deze omgevingswaarde naar 2030 gehaald. Om deze omgevingswaarde te halen is met de startnotitie NPLG een richtinggevend emissiereductiedoel toebedeeld aan Zuid-Holland van 1,9 Kton NH3, dit is exclusief het basispad. Het basispad is de prognose van ammoniakemissies in 2030 wanneer enkel rekening gehouden wordt met vaststaand beleid tot mei 2020, dus zonder aanvullende maatregelen vanuit het NPLG. Inclusief het basispad (0,6 Kton NH3) komt het reductiedoel neer op 2,5 Kton NH3, een reductie van 49% ten opzichte van 2018. Bij de uitwerking van het Wsn-gebiedsplan hoort een onderbouwing van het doelbereik en een financiële calculatie. Naast stikstofreductie in de landbouw heeft het Rijk in februari 2023 indicatieve NOx-reductieopgaven voor de sectoren industrie & energie en mobiliteit bekendgemaakt. Deze is respectievelijk 38% en 25% reductie in 2030 t.o.v. 2019.

De industrie is aan doelstellingen en maatregelen gebonden die tot CO2- en stikstofreductie leiden via het ontwerp Beleidsprogramma Klimaat (2022), het Schone Lucht Akkoord en Europese voorstellen uit bijvoorbeeld Fit for 55-pakket.

18

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Wij verwachten van het Rijk dat de generieke afspraken optellen tot respectievelijke 38% en 25% reductie in industrie en mobiliteit.

Areaal opgave voor nieuw bos De Bossenstrategie geldt als startpunt en is aangehaakt op het NPLG-gebiedsproces. De uitbreidingsopgave is landelijk 37.400 ha en bestaande bossen waar nodig te vitaliseren voor 2030. Hierbij is afgesproken om 15.000 ha bos binnen het NNN te realiseren en de rest buiten het NNN. We hebben bij het Rijk aangegeven dat we in Zuid-Holland 150 ha bos binnen het NNN kunnen realiseren, hiervoor zijn al enkele gebieden in beeld. Deze afspraken zijn nog niet definitief. Afspraken over een verdeling tussen provincies en Rijk buiten het NNN zijn nog niet gemaakt. Dit gaat landelijk om nog ruim 22.400 ha. We verwachten voor Zuid-Holland een doel in de ordegrootte van 1.000 – 2.000 ha.

Resterende opgave areaal voor Natuurnetwerk Nederland (NNN) De begrenzing en de doelen van het realiseren van het NNN liggen grotendeels vast en het gebiedsproces en contact met grondeigenaren loopt vaak ook. De Zuid-Hollandse opgave voor het areaal NNN is 3.270 ha gerekend vanaf begin 2022, hiervoor geldt dat dit gerealiseerd moet worden voor eind 2027. De resterende realisatie opgave (gerekend vanaf begin 2022) is onderverdeeld in drie uitvoeringsprogramma’s: gebiedsprogramma Krimpenerwaard (ca. 1500 ha), gebiedsprogramma Gouwe-Wiericke (ca. 800 ha) en uitvoeringsprogramma NetwerkNatuur Zuid-Holland (ca. 893 ha). Wij verwachten het overgrote deel van de NNN-opgave uiterlijk in 2027 gerealiseerd te hebben.

Hydrologische condities Hydrologie is een belangrijke factor voor natuurherstel en opgenomen als natuurdoel onder het NPLG waar het de afspraken uit het Natuurpact betreft. Het gaat hier zowel om waterkwaliteit als kwantiteit. Hydrologische condities in Natura 2000-gebieden hebben een samenhang met de KRW, aangezien een goede grondwaterconditie ook een KRW-doel is waarvoor de maatregelen in 2027 moeten zijn uitgevoerd. In 2027 moeten de hydrologische condities samen met de waterschappen zo verbeterd zijn dat de gewenste kwaliteit van de natuur gewaarborgd wordt. Wij verwachten dat wanneer wij de doelen voor Natura 2000 halen, ook de hydrologische condities op orde zijn.

Doelen die nog uitwerking behoeven Nog niet alle natuurdoelen zijn door het Rijk scherp gemaakt. De VHR-natuurdoelen zijn nog niet uitgewerkt en afgestemd vanuit het Rijk en de status van deze doelen (inspannings- vs. resultaatverplichting) is nog onbekend. De uitbreiding van het oppervlak natuur dat hier voor nodig is, is op dit moment nog niet helder. De omvang van deze doelen moet bepaald worden op basis van de uitgewerkte VHR-doelen. Dit geldt ook voor de uitbreiding van het areaal agrarische natuur. Zeer relevant voor dit deel van de opgave zijn de doelen volgend uit de actualisatie Vogelrichtlijn, die op zijn vroegst in de tweede helft van 2023 wordt verwacht. Voor de VHR-doelen waarvoor geen gebieden aangewezen zijn, is nog geen zicht op de omvang van de aanvullende opgave. Het is nog niet mogelijk om in beeld te brengen wat we ruimtelijke impact is van eventuele aanvullende maatregelen zonder deze doelen.

19

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

2.1.2. Groenblauwe dooradering Het realiseren van 10% groenblauwe dooradering (GBDA) is een nieuwe opgave onder NPLG die, naast de natuuropgave, bijdraagt aan de waterkwaliteits- (KRW) en klimaatopgave. Alsmede de transitie van de land- en tuinbouw en recreatie. Voor de eerste versie van het gebiedsplan geldt dat de provincies in kaart brengen waar al GBDA ligt. Daaruit volgt de resterende opgave om het doel van 10% dooradering in 2050 te bereiken. Voor deze inventarisatie werken wij eerst uit wat wij verstaan onder GBDA, waarbij rekening wordt gehouden met de karakteristieken van het landschap en het watersysteem. Dit leggen wij vast in profieldocumenten. De NPLG-doelstelling is dat 10% van het landelijk gebied in 2050 GBDA is gerealiseerd, dit is circa 16.000 hectare. Momenteel is circa 6.500 tot 10.000 hectare (4 tot 5,9%) aanwezig. Het doel voor 2030 is dat de helft van deze opgave (het gat tot 10%) in het landelijk

gebied wordt gerealiseerd. In de prioritaire gebieden, voor ZuidHolland de Veenweiden- en overgangsgebieden, moet de volledige opgave van 10% GBDA in 2030 zijn ingevuld. Wat dit betekent in termen van hectares voor 2030 in deelgebieden gaan we met deze inventarisatie bekijken.

2.1.3. Water Nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen In de periode tot 2027 moeten maatregelen zijn getroffen om de KRW doelen te halen. Dit betekent urgentie en vraagt om actie vanuit het ZH-PLG. Nutriënten spelen een sleutelrol in de ecologie van wateren. Het overschrijden van de normen voor nutriënten in grond- en oppervlaktewater is een belangrijke reden dat het Nederlandse mestbeleid zal worden aangescherpt. Naast generieke maatregelen die voortvloeien uit het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, wordt de derogatie richting 2026 afgebouwd. Dit vormt het kader voor de regionale uitwerking van maatregelen. Oppervlakte- en grondwater zijn op veel plekken verontreinigd met een groot aantal chemische stoffen, waaronder gewasbeschermingsmiddelen. Het kabinet heeft als doel om de emissies van gewasbeschermingsmiddelen door land- en tuinbouwbedrijven vrijwel volledig terug te dringen op 1 januari 2030. Daarom zal primair generiek beleid worden aangescherpt. Landelijke wet- en regelgeving vormt het kader waarop we regionaal kijken waar we zaken kunnen versnellen en intensiveren.

20

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Kwantitatieve toestand grondwaterlichaam Maatregelen moeten genomen worden zodat grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor goede kwantitatieve toestand in 2027. We zien watervraag toenemen terwijl de waterbeschikbaarheid afneemt. Dit kan leiden tot knelpunten in zoetwaterbeschikbaarheid. Structurerende keuzes in het vasthouden, bergen en afvoeren, verhogen grondwaterpeil en beperken van grondwateronttrekking leveren een bijdrage aan het bereiken van goede kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen.

Beleid, inrichting en beheer aangepast aan veranderend klimaat Voor een toekomstbestendige leefomgeving en voor de doelmatigheid van het waterbeheer moeten we in de ruimtelijke inrichting meer rekening houden met water en bodem. Dit volgt uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de Rijksbrief Water en Bodem sturend. In 2050 is het beleid, de inrichting en het beheer

van de fysieke leefomgeving in Nederland aangepast aan het veranderende klimaat. Hierbij wordt o.a. rekening gehouden met verzilting en waterbeschikbaarheid. Dit is vastgelegd in ons omgevingsbeleid, de Nationale Adaptatiestrategie (NAS), het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) en het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW). Hierin hebben alle overheden zich aan deze ambitie verbonden. Dit houdt in dat schade en ontwrichting door extreme weersomstandigheden zoveel mogelijk wordt beperkt. Doel is weerbaar te zijn tegen tekorten aan zoet water en extreme neerslagsituaties (wateroverlast).

2.1.4. Klimaat: broeikasgassen Voor de realisatie van het nationale klimaatdoel in 2030 moeten alle sectoren bijdragen hiervoor zijn (indicatieve) emissiedoelen bepaald in het Klimaatakkoord. Dit geldt ook voor de land- en tuinbouw en het landgebruik. Van deze klimaatopgave voor de land- en tuinbouw en het landgebruik valt een groot deel onder het NPLG. De klimaatopgave voor de glastuinbouw valt buiten het NPLG.

Emissiereductie veenweiden De realisatie van de emissiereductie uit veenbodems voor 2030 en 2035 gebeurt in samenhang met maatregelen om broeikasgasreductie uit de veestapel en doelen voor water, stikstof en biodiversiteit in de veenweide te realiseren. Verhoging en het hooghouden van de grondwaterstand kan CO2-emissies en bodemdaling verminderen in de veenweidengebieden. Op grond van een indicatieve verdeling tussen de veenweideprovincies heeft ZuidHolland een indicatief aandeel van 21% van de nationale reductieopgave van 1 Mton broeikasgassen uit veen in 2030, ofwel

21

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

0,21 Mton CO2-eq. Dit komt neer op ca. 60% reductie ten opzichte van het referentiejaar 2017. In onze projectfinanciering in ZuidHolland zetten we in op 25% reductie per project.

Landelijke emissiereductieopgave broeikasgassen veehouderij en akkerbouw Voor de veehouderij en akkerbouw is landelijk een reductieopgave van 5 Mton CO2-eq (waarvan 3,8 Mton methaanreductie) bepaald. Dit is exclusief ‘vastgesteld en voorgenomen beleid’. Deze 5 Mton CO2-eq reductie is indicatief over de provincies verdeeld. Voor ZuidHolland geldt dat het indicatieve reductiedoel exclusief glastuinbouw uitkomt op 0,3 Mton CO2-eq voor 2030. De broeikasgasuitstoot door de veehouderij bestaat hoofdzakelijk uit methaan (CH4) en lachgas (N2O) die vrijkomt bij bemesting. In de akkerbouw spelen met name lachgasemissies. Met de ondertekening van de Global Methane Pledge heeft Nederland zich ook gecommitteerd aan de internationale samenwerking om de mondiale uitstoot van methaan met ten minste 30% te reduceren in 2030 t.o.v. 2020. Met het NPLG moet een methaanemissiereductie van 3,12 Mton CO2-eq landelijk in de veehouderij en akkerbouw zijn gerealiseerd in 2030.

Koolstofvastlegging In het Klimaatakkoord is afgesproken om in 2030 0,4 tot 0,8 Mton CO2-eq per jaar vast te leggen in bomen, bossen en natuur. Hiervoor bestaat een duidelijke link met de opgaven voor – de uitbreiding van – natuur en ook waterkwaliteit. Voor koolstofvastlegging in landbouwbodems is een landelijk doel van 0,5 Mton CO2-eq afgesproken.

Bijdragen van andere sectoren aan reductie broeikasgassen Via de weg van het Klimaatakkoord (2019) dragen naast de landbouw ook andere sectoren bij aan de reductie broeikasgassen. Deze sectoren zijn de gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, glastuinbouw en energie. Zij hebben per sector eigen opgaven en ambities meegekregen voor doelbereik in 2030.

2.2. Gebiedsanalyse landelijk gebied Om te bepalen wat er nodig is voor het halen van de doelen, is het van belang om te weten waar we nu staan. Wat is de nul-situatie in onze kern- en deelgebieden? En als we de nul-situatie afzetten tegen de doelen (die nog duidelijker worden), wat is dan de opgave voor de deelgebieden in de Zuid-Hollandse Delta, Kust en Duinen en Veenweiden? Voor een zorgvuldig gebiedsproces is van belang dat het vertrekpunt, de nul-situatie, herkend en gedeeld wordt. Provincie en gebiedspartners moeten het met elkaar eens zijn over wat er aan de hand is en tot welke opgave dat leidt. Daarom zijn we begin 2023 met onze (deel)gebieden aan de slag gegaan om een gezamenlijke basis te leggen voor het vervolg. Deze gezamenlijke basis is hier uitgewerkt in de gebiedsfoto en de opgavenkaart met toelichting.

2.2.1. Gebiedsfoto Deze gebiedsfoto is de Zuid-Hollandse analyse en (samen met de Gebiedsviewer Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied) de feitelijke onderlegger voor alle vervolgstappen van het ZH-PLG. De gebiedsfoto beschrijft de feitelijke uitgangssituatie in Zuid-Holland

22

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

voor de belangrijkste thema’s van het ZH-PLG. De gebiedsfoto bestaat uit 14 kaarten die een kernachtige samenvatting geven van de huidige situatie. Hieronder volgt per kaart een beknopte toelichting. In de bijlage staat een uitgebreide toelichting – inclusief beschrijving per kerngebied – en is aangegeven welke aanvullende informatie is opgenomen in de viewer en hoe de gebiedsfoto en de viewer (samen met gebiedspartners) zijn ontwikkeld.

Thema 1: landschap en landgebruik

23

Kaart 1: cultuurlandschappen

Kaart 2: agrarisch grondgebruik

Deze kaart bevat een overzicht van de verschillende (historische) landschapstypen in Zuid-Holland. Deze kenmerkende cultuurlandschappen zijn het resultaat van een eeuwenlange ontginningsgeschiedenis en bepalen mede de identiteit en kwaliteit van onze fysieke leefomgeving. Onderdeel van deze landschappen zijn de systemen van rivieren, polders, hoofdafwatering en kanalen. Ook de verschillende nederzettingstypen in Zuid-Holland zijn hiermee verbonden. Deze systemen en typen staan niet op dit kaartbeeld, maar zijn wel opgenomen in de viewer.

Deze kaart geeft globaal weer welk type agrarisch grondgebruik plaatsvindt in de verschillende gebieden in Zuid-Holland. De kaart is gebaseerd op de Basisregistratie Gewaspercelen en is een momentopname.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Thema 2: water en bodem

24

Kaart 3: wateroverlast

Kaart 4: waterveiligheid

Sommige delen van Zuid-Holland zijn als gevolg van het water- en bodemsysteem wellicht meer geschikt voor de ene functie, andere delen zijn meer geschikt voor andere functies. De huidige, feitelijke situatie van het water- en bodemsysteem in ZuidHolland is goed weergegeven in de Klimaatonderlegger Zuid-Holland. Aan de basis ligt een set kaarten die klimaateffecten weergeeft.

Kaart 5: interne verzilting

Kaart 6: externe verzilting

Tot 2100 ten aanzien van verzilting, verdroging, hitte, bodemdaling, wateroverlast en waterveiligheid. De klimaatonderlegger helpt om vanuit de genoemde invalshoeken de juiste kansen te benutten als het gaat om de ontwikkeling van Zuid-Holland. Het is een uitwerking van het leidende principe ‘Water en Bodem sturend’ dat het Rijk op de agenda heeft gezet en daarmee vertrekpunt is voor bijvoorbeeld de ‘ruimtelijke puzzel’ en gebiedsontwikkelingen.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

25

Thema 3: bodemdaling

Thema 4: natuur

Kaart 7: CO2-emissie uit veenbodems

Kaart 8: natuurgebieden

Het huidig grondgebruik vraagt om een zekere drooglegging, die er echter ook voor zorgt dat het veen afbreekt, broeikasgassen worden uitgestoten en de bodem daalt. De kaart geeft aan waar en in welke mate dit proces plaatsvindt in Zuid-Holland. De steeds verdergaande bodemdaling in een gebied dat al onder zeeniveau ligt, zorgt voor zowel extra kwetsbaarheid voor wateroverlast door klimaatverandering als voor extra uitstoot van broeikasgassen. Door het veen weer natter te maken of houden doorbreken we deze spiraal. Dit zal gevolgen hebben voor het huidig grondgebruik. Daarnaast is de verwachting dat er ook effecten zijn op het watersysteem. Nat(ter) houden van veen vraagt extra water en dat kan knellen met de beschikbaarheid van voldoende zoetwater in tijden van droogte, zorgt voor een groter risico op wateroverlast en kan leiden tot een (tijdelijk) slechtere waterkwaliteit.

Ondanks strikte bescherming bevinden circa 90% van de Habitattypen (soorten leefgebieden) en 75% van de Habitatrichtlijnsoorten (planten en dieren) zich in Nederland in een ongunstige staat van instandhouding. In Zuid-Holland staan 19 van de 21 Natura2000 gebieden er slecht voor. Er is een wisselwerking tussen klimaat, water en natuur. De slechte staat van de natuur heeft bijvoorbeeld ook negatief effect op hittestress, droogte, bodemdaling en wateropvang. Een in het oog springende drukfactor is verzuring en vermesting als gevolg van stikstof, maar ook andere drukfactoren spelen een rol, zoals versnippering en verlies van leefgebied, verminderde waterkwaliteit, verdroging, vermindering van dynamiek en verstoring.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Thema 5: stikstof Kaart 9: emissie NH3 en stikstofgevoelige natuur De Natura 2000-gebieden zijn in Zuid-Holland lang niet allemaal in een goede staat van instandhouding. Hierbij is het belangrijk dat de drukfactoren op de natuur worden wegenomen. Eén van de belangrijke drukfactoren is een overmaat aan stikstof. De ammoniakemissies in Zuid-Holland concentreren zich rond de landbouw, met uitzondering van enkele grote industriële uitstoters in het Rotterdamse Havengebied. Ammoniak (NH3) ontstaat namelijk onder andere wanneer mest en urine zich mengen in de stal en bij het uitrijden van (kunst)mest op het land. Vooral gebieden waar veel vee aanwezig is kleuren donkerder op de kaart. Echter hebben ook grondgebonden teelten door de aanwending van (kunst)mest een bijdrage aan de ammoniakemissie.

Kaart 10: emissie NOx en stikstofgevoelige natuur Stikstofoxiden (NOx) zijn gassen die ontstaan bij allerlei verbrandingsprocessen. De NOx-emissies in Zuid-Holland komen vooral uit het HIC door chemische processen. NOx komt ook vrij door andere industrie, scheepvaart en mobiliteit. Het havengebied, verkeersaders en scheepvaartroutes zijn duidelijk op de kaart terug te zien als emissievlakken.

26

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Thema 6: waterkwaliteit Kaart 11: nutriënten

Kaart 12: gewasbeschermingsmiddelen

27

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Zuid-Holland ligt in een delta met veel landbouw, een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een grote bevolkingsdruk. Dat belast het watersysteem sterk met nutriënten door verliezen uit de landbouw, nutriëntrijke kwel en lozing van effluent uit de rioolwaterzuiveringen. Behalve de grote rivieren zijn de meeste wateren betrekkelijk stilstaand, vooral in de zomerperiode. Deze stilstaande wateren zijn erg gevoelig voor eutrofiëring. Hoge nutriëntgehaltes veroorzaken te hoge gehaltes aan algen. Daardoor wordt het water troebel en kunnen waterplanten zich bij gebrek aan licht niet ontwikkelen. Sommige algen, zoals blauwalgen, zijn toxisch en veroorzaken stankoverlast. Hoge stikstofgehaltes verstoren de soortenrijkdom van planten, omdat woekerende soorten dan de overhand krijgen. De te hoge toxiciteit van veel wateren heeft tevens een negatief effect op de waterfauna en het proces van eutrofiëring. Door klimaatverandering neemt de gevoeligheid van wateren voor eutrofiëring verder toe. In het Zuid-Holland liggen 125 zogenaamde KRW-waterlichamen, grotere en kleinere. Voor deze wateren gelden specifieke doelen waaraan de waterkwaliteit moet voldoen. De huidige situatie is dat in nog geen enkel KRW-oppervlaktewaterlichaam in Zuid-Holland de goede toestand voor schoon en gezond water wordt gehaald.

Een hardnekkige belemmering in Zuid-Holland voor het bereiken van de doelen is de te hoge belasting van het water met nutriënten en bestrijdingsmiddelen. De land- en tuinbouw belast het oppervlaktewater nog te veel met gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten, en industriële processen met name in het havengebied brengen door de zogenoemde opkomende stoffen de waterkwaliteit in gevaar.

28

Thema 7: klimaatopgave veehouderij en akkerbouw Kaart 13: emissie van methaan door veeteelt

Thema 8: groenblauwe dooradering Kaart 14: inventarisatie huidige GBDA

Verreweg de belangrijkste bronnen voor het ontstaan van methaan in de landbouw zijn het verteren van het voer door micro-organismen in het maagdarmkanaal (pens- en darmfermentatie) van vee en uit de mestopslag. Op de kaart is het aantal dieren per diersoort maal de gemiddelde methaanuitstoot van dit diersoort weergegeven. De informatie op deze kaart geeft een betrouwbare indicatie van de methaanuitstoot uit vee op deelgebiedsniveau.

Met groenblauwe dooradering (GBDA) worden landschapselementen bedoeld, ‘kleine’ natuurelementen (maximaal paar hectare en vooral lijnelementen) die het landschap in belangrijke mate vormgeven (bijvoorbeeld bomenrijen, natuurvriendelijke oevers en kruidenrijke akkerranden). Uit de kaart volgt dat Zuid-Holland in het landelijk gebied totaal tussen de 4 en 5,9% aan GBDA heeft. Hiervan bestaat 3,1 tot 4,6% uit droge en ongeveer 1% uit natte landschapselementen. Voor de verdere ontwikkeling van groenblauwe dooradering liggen er onder meer kansen de Veenweiden in de Alblasserwaard (project Prachtsloten), natte en droge dooradering in Kust en Duinen met uitlopers tot in de stad en de akkerranden en de kreken (natte dooradering) en secundaire waterkeringen in de Zuid-Hollandse Delta. In de Veenweiden is op dit moment de meest uitgebreide GBDA, met name via droge elementen. Met een oppervlak van ongeveer 1100 tot 1700 hectare draagt het kerngebied Veenweiden ook voor een belangrijk deel bij aan de natte dooradering van het totale landelijke gebied van Zuid-Holland.

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

2.2.2. Natuur Natuur is van levensbelang: het vormt een basisvoorwaarde voor een groot deel van een brede welvaart (werken, wonen) en een gezonde leefomgeving. Toch gaat het met de natuur niet goed. Al jarenlang is op veel terreinen een nog steeds dalende trend te zien, zowel binnen als buiten de beschermde natuurgebieden. Het ecosysteem staat voor een groot aantal uitdagingen (zogenaamde drukfactoren). Onomkeerbare schade dreigt. De gebiedsfoto laat dit ook zien. Ondanks strikte bescherming bevinden circa 90% van de Habitattypen (soorten leefgebieden) en 75% van de Habitatrichtlijnsoorten (planten en dieren) zich in Nederland in een ongunstige staat van instandhouding. In ZuidHolland staan 19 van de 21 Natura 2000-gebieden er slecht voor. Uit de analyses voor de groenblauwe dooradering volgt dat in totaal 4% tot 5,9% van het landelijk gebied groenblauw dooraderd is. Wij zijn van plan om dit verder inzichtelijk te maken naar huidige percentage voor prioritaire (veenweide en overgangsgebieden) en niet-prioritaire gebieden. Via diverse programma’s wordt er gewerkt aan de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) om de natuur weer op orde te krijgen. Er is een wisselwerking tussen klimaat, water en natuur. De slechte staat van de natuur heeft bijvoorbeeld ook een negatief effect op hittestress, droogte, bodemdaling en niet goed kunnen opvangen van water.

Natuurdoelanalyses Natuurdoelanalyses (NDA’s) geven inzicht in de drukfactoren per Natura 2000-gebied. Vanuit het Programma Stikstofreductie en

29

Toetsbaar voorontwerp Zuid-Hollands programma landelijk gebied

Natuurverbetering (PSN) zijn alle provincies gehouden NDA’s op te stellen voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Wij hebben ervoor gekozen dit breder in te vullen door NDA's voor alle Natura 2000-gebieden uit te voeren. De NDA's bevatten ook landschapsecologische systeemanalyses (LESA's). De NDA's, inclusief het advies van de Ecologische Autoriteit, bieden ecologische basis voor het ZH-PLG en een volgende generatie Natura 2000-beheerplannen. In de NDA's zijn informele gebiedsdoelen afgeleid en wordt beschreven hoe het ecosysteem werkt, hoe de natuur ervoor staat en welke maatregelen mogelijk zijn om de gebiedsdoelen te realiseren. In de NDA's worden geen keuzes gemaakt t.a.v. het ambitieniveau van de gebiedsdoelen (uitbreidingsdoelstelling) en bijbehorende (ingrijpende) maatregelen. De NDA’s helpen ons bij het inzicht in de stand van de natuur. Dit zorgt ervoor dat wij ons proactief kunnen opstellen in het uitwerken van de VHR-doelen zoals te lezen in hoofdstuk 4.1.1. Hiermee kunnen wij samen met onze gebiedspartners aan de slag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=969c5357-f28e-49ad-ad33-542d59621fb5