CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Rapport ruimtelijke onderbouwing Transformatorvervanging KIJ380

Gemeenteraad 30 november 2023, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: AFGEVOERD VAN AGENDA - Raadsvoorstel Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen Voor vervangen transformator TenneT aan de Edisonstraat21.053 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voorde uitvoerbaarheid van het project. Het betreft een bestaand station waar nu op onderdelen afwijkend wordt gebouwd dan dat in de regels van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Dit heeft geen gevolgen voor het aspect externe veiligheid.

3.1.7

Water

Waterveiligheid In het Nationaal Waterplan is de meerlaagsveiligheid of veiligheidsketen geïntroduceerd. Dit houdt in dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd, te weten: • • •

voorkomen van een overstroming beperken van de gevolgen van een overstroming het bestrijden van calamiteiten en rampen

Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheem-raadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naarde balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia. Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn. Met de juiste Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) 33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt. Hierbij kan worden gedacht aan: •

het positioneren van gebruiksintensieve bebouwing (o.a. ziekenhuizen en scholen) in minst onveilige

• • • •

delen/hoger gelegen delen van het gebied vloerniveau boven inundatiepeil, geen kelders/souterrains of inrichting met niet gevoelige objecten; functies toegestaan in benedenverdieping terpen, verhoogde delen aanbrengen van vluchtwegen en calamiteiten routes

Watersystemen/Waterkwantiteit In het Waterbeheerplan beschrijft het hoogheemraadschap welke plannen het heeft om het gebied te beschermen tegen het water en te zorgen voor schoon en voldoende water. Daarnaast werkt het hoogheemraadschap met gemeenten en beheerders van gebieden in de regio. Voor iedere gemeente en voorde verschillende gebieden is een waterplan opgesteld.

De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in 2017 het 5.1,2,e aan den IJssel' opgesteld. Met dit plan willen het hoogheemraadschap en gemeente Krimpen aan den IJssel de samenwerking voortzetten. Hierin is beschreven hoe de gemeente en het hoogheemraadschap de komende jaren willen omgaan met het water voor de periode 2017-2021. Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijk aaneengesloten peilgebieden te creëeren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen. De te handhaven waterpeilen zijn vastgelegd in onze peilbesluiten. Het waterpeil wordt gehandhaafd door peilregulerende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen en mag niet zonder goedkeuring van het hoogheemraadschap worden aangepast.

De hoofdwatergangen vormen de hoofdinfrastructuur van het watersysteem. De primaire functie van de hoofdwatergangen is de aan- en afvoer van water. De functie van ander oppervlaktewater is vooral waterberging en heeft in principe de status 'overig water'. Hoofdwatergangen zijn over het algemeen ruim zodat ze voldoende doorstroomprofiel hebben. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voorde oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid). Voor hoofdwatergangen geldt standaard een zgh. Keurzone van tenminste vijf meter aan weerszijden van de watergang. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen geen negatief hebben op de waterhuishouding van de omgeving. Landelijk is dit waterbeleid opgenomen in het Waterbeheer 21e eeuw - WB21 (vasthouden, bergen en dan pas afvoeren van water) en in het NBW (actueel). Dit houdt in dat waterafvoer uit het gebied niet mag toenemen en het probleem dus niet wordt afgewenteld op andere gebieden. De compensatie van negatieve effecten van een ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit verschillende aspecten. Er worden 3 typen compensatie onderscheiden:

• • •

aanvullen van het te dempen wateroppervlak compensatie voor het aanbrengen van extra verharding in een gebied realiseren van extra waterberging om de wateropgave in het gebied te verminderen

Watersystemen/onderhoud en inrichting Voor water is ruimte nodig. Het advies is ruime watergangen met flauwe oevers aan te leggen. Om een gezond watersysteem te ontwikkelen moet water beschikken over voldoende licht en lucht. Onder gezond water verstaan we voldoen aan GEP (waterlichamen) en voldoen aan STOWA klasse 3 (overig water). Bomen, hoge bebouwing, bebouwing boven water en steigers en vlonders geven schaduw en bladval. Bladval heeft een negatief effect op de waterkwaliteit door voedselrijkdom en baggeraanwas. Schaduwwerking overgrote wateroppervlakken leidt eerder tot dood water. Probeer overkluizingen, bomen en bebouwing langs het water bij nieuwe ontwikkelingen te voorkomen. Wanneer andere Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp) 33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 belangen of ontwikkelingen dergelijke bouwwerken of beplanten verlangen, beperk het dan tot een zo

klein mogelijk oppervlak en kies een gunstige locatie rekening houdend met de zonnestand en overheersende windrichtingen. Ook wanneer het oppervlaktewater betreft dat niet in het plangebied is gelegen. Zorg voorgoede zichtbaarheid op het water of voor een goede afscheiding in gebieden waar veel kinderen verblijven, bijv, in kinderrijke gebieden of bij scholen/opvang.

In het beheergebied van Schieland en de Krimpenerwaard komen op veel plaatsen slappe bodems voor met een geringe bodemstabiliteit. Dit komt doordat er een fragiel evenwicht bestaat tussen het gewicht van het grondpakket dat aan de oppervlakte ligt en de druk van het diepe grondwater. Hierdoor kan de waterbodem plaatselijk loslaten en omhoog worden gedrukt. Dit fenomeen doet zich met name voor bij grote wateroppervlakken. Pergebied moet aan de hand van de aspecten ecologie, waterhuishouding en technische mogelijkheden (BBT) en financieren een afweging worden gemaakt welke methode of techniek van grond-verbetering het beste is. Bij het ontwerp van een plan moet goed rekening worden gehouden met het onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewater moet bereikbaar zijn voor het onderhoudsmaterieel (belastingstype landbouwmaterieel). Zorg voor goed toegankelijke oevers en te water laat plaatsen en voorkom obstakels als bomen, lantarenpalen en bebouwing direct langs de oever.

Deze zogeheten 'onderhoudsstroken' zijn bij hoofdwatergangen tenminste vijf meter. Zie ook de legger van de watergangen, waarin deze waterstaatswerken zijn opgenomen. Daarbij:

• •

Water en onderhoudsstroken vastleggen op verbeelding en voorwaarden opnemen in regels, zie ook " Wate rsyste me n/wate rkwa ntite it". Reserveer ruimte voor onderhoud langs oevers watergangen.

Watersystemen/waterkwaliteit en ecologie Het bereiken van een goede (ecologische) waterkwaliteit is om meerdere redenen een belangrijke opgave. Enerzijds volgt dit vanuit Europese wet- en regelgeving. De Europese Kaderrichtlijn Water stelt dat de huidige en toekomstige waterlichamen in 2015 moeten voldoen aan het Goed Ecologisch Potentieel (GEP: ecologisch doel specifiek voor belangrijke delen van het watersysteem) in 2015. Daarnaast hanteert het hoogheemraadschap het algemene beleid dat de waterkwaliteit in alle overige wateren moet voldoen aan 'STOWA klasse III'. Anderzijds is vanuit het perspectief en ambitieniveau van het toekomstige wonen, werken en recreëren een goede water- en ecologische kwaliteit gewenst. Voor de nieuw in te richten gebieden betekent dit dat we meteen streven naar een stabiel, helder en waterplantenrijk waterecosysteem. De manier waarop het watersysteem wordt ingericht, is hiervoor in belangrijke mate bepalend.

Behalve de inrichting, zijn ook de gebiedseigenschappen bepalend voor welke water- en ecologische kwaliteit er kan worden behaald. Een geschikte methode om per gebied passende en haalbare doelen en maatregelen af te leiden is de methodiek van de waterkwaliteitsbeelden. Daarbij wordt perwatertype of deelgebied op grond van de huidige kwaliteit en gebiedseigenschappen afgeleid welke kwaliteit haalbaar is en welke maatregelen er zijn om het meest effectief de gewenste doelen te halen.

Uitgangspunt is dat vervuiling van het watersysteem (en het milieu) moet worden voorkomen. Bij ontwikkelingen moeten geen nieuwe vervuilingsbronnen worden geïntroduceerd. Uitlogende metalen, PAK's, bepaalde coatings en andere stoffen kunnen leiden tot belasting van het oppervlakte- en grondwater. Wanneer afstromend water (licht) verontreinigd is, moet het afstromend worden gezuiverd met behulp van zuiveringsvoorzieningen. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe schoon houden, scheiden, zuiveren (3-traps-strategie waterkwaliteit). Verontreinigingen worden in beginsel voorkomen, vervolgens worden deze aangepakt bij de bron.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 Riolering Waterkwaliteit heeft een duidelijk relatie met de riolering. Overstorten hebben in delen van de stedelijke gebieden grote invloed op de waterkwaliteit. Overstorten vanuit gemengde stelsels zijn niet toegestaan. Bij gescheiden rioolstelsels moet rekening worden gehouden met de materiaalkeuze voor dakbedekking en hemelwaterafvoeren (geen uitlogende materialen). Bij straatinrichting moet voor milieuvriendelijke, zoveel mogelijk waterdoorlatende, materialen worden gekozen.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt in de waterparagraaf beschreven hoe in de nieuwe ontwikkeling het afvalwater en hemelwater geregeld is. De nadere uitwerking hiervan is in het ontwerp van het rioolstelsel van de nieuwe ontwikkeling opgenomen. Dit ontwerp wordt opgesteld in samenspraak met de gemeente en het hoogheemraadschap en maakt na goedkeuring onderdeel uit van het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP).

In het rioolontwerp moet het volgende meegenomen worden:

1. 2.

3.

4. 5. 6.

Bij nieuwe ontwikkelingen en in nieuw in te richten gebieden geeft het hoogheemraadschap de voorkeur aan een (verbeterd) gescheiden stelsel. Dit om te voorkomen dat er geen schoon hemelwater naarde zuivering wordt afgevoerd. Capaciteit hoofdtransportleiding en zuivering. Wanneer het aanbod van afvalwater toeneemt doordat nieuwe woningen of bedrijven worden gebouwd, kan het betekenen dat de capaciteit van het rioolstelsel, de rioolgemalen of de zuivering moet worden uitgebreid. Deze uitbreidingen zijn vaak kostbaar en kosten tijd om voor te bereiden. Het is belangrijk dat de afdeling AWK overzicht heeft van de geplande ontwikkelingen zodat hiertijdig rekening mee kan worden gehouden. De benodigde waterberging De overstorten van het rioolstelsel op het oppervlaktewater. De toename van het verharde oppervlak De zuiveringsvoorziening(en)

Ruimtelijke relevantie De hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen moeten planologisch worden beschermd in de ruimtelijke plannen. Genoemde objecten moeten op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen met een eigen (dubbel)bestemming. Houdt daarbij rekening met de geur- en geluidscontour rondom zuiveringen en rioolgemalen. Nieuwe functies nabij zuiveringen en gemalen kunnen een goede bedrijfsvoering in de weg staan en dat moet worden voorkomen.

Aandachtspunten met betrekking tot riolering moeten worden beschreven in de waterpa rag raaf. Denk aan het type rioolstelsel, principes van duurzaam bouwen en het opstellen van een rioleringsplan.

Grondwater en ontwatering Bij de inrichting van een gebied moet voldoende drooglegging worden toegepast om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveld niveau. Dit moet niet worden verward met de ontwateringdiepte, het verschil tussen het freatische grondwaterniveau en het maaiveldniveau. De ontwateringsdiepte is doorgaans kleiner dan de drooglegging door de opbolling van grondwater in de ondergrond.

Ontwater! ng sdie pte

Drooglegging Opbolling

Polderpeil

Afbeelding 15 Verschil tussen drooglegging en ontwateringsdiepte. Bron: wikipedia

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 Te hoge grondwaterstanden kunnen leiden tot overlast. Veelal is bij een te kleine ontwateringdiepte een ophoging aangeraden. Waterpeil-verlagingen zijn niet toegestaan. Eventueel kunnen ook technische voorzieningen als drainage worden toegepast om de ontwateringsdiepte te vergroten. Controleer of er in of nabij het plangebied bestaande belangen voorkomen die gevoelig zijn voor veranderende grondwaterstanden (fundering op houten palen of fundering opstaal). De bodemgesteldheid, mogelijke waterpeilstijging, gewenste functies en omgeving bepalen vooreen belangrijk deel de passende drooglegging voor een gebied. Het blijft maatwerk per gebied. In veengebieden als de Krimpenerwaard is de drooglegging veel kleiner dan in Schielandse delen. In stedelijke gebieden van Schieland wordt vaak de volgende drooglegging geadviseerd:

• • •

vloerpeil bebouwing: 1,3 m drooglegging hoofdwegen: 1,0 m drooglegging overige wegen: 0,7 m drooglegging

Verontreiniging van het grondwatersysteem moet worden voorkomen. Let op dat er maatregelen worden getroffen bij grondwateronttrekkingen bij bodemverontreinigingen.

Drainage moet zoveel mogelijk direct lozen op het oppervlaktewater (eventueel via de hemelwaterafvoer bij een gescheiden stelsel). Voorkom aansluitingen van drainage op de riolering (DWA en hemelwaterafvoer verbeterd gescheiden stelsel). Grondwater is in principe schoon en zorg voor verdunning van het afvalwateren heeft daarmee een negatief effect op het rendement van de zuiveringen. Verticale drainages worden zoveel mogelijk voorkomen. Ruimtelijke doorwerking

Huidige situatie Het watersysteem Krimpen aan den IJssel wordt begrensd door de IJsseldijk (aan de noordzijde), de Lekdijk (aan de zuidzijde) en de Breekade (aan de oostzijde). De kern Krimpen aan den IJssel ligt in één peilvak met een streefpeil van NAP -2,07 m (zie onderstaande afbeelding). Dit peilvak is groter dan alleen de gemeente Krimpen aan den IJssel, ook de kern Krimpen aan de Lek ligt vooreen groot deel in ditzelfde peilvak.

De gemiddelde drooglegging van het agrarisch gebied bedraagt 57 cm en de gemiddelde drooglegging van de kern Krimpen aan den IJssel is eveneens 57 cm.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

219

Oudkkerk aad den l’ssel

)

N

N4r

TS10T rimpen aan de

el

"27 i

m Den Hoek Schuwacht (-2 2 / -2 15 m NAP) ----- Hoofdwatergangen ■ Krmpen (-2 07 / -2 02 m NAP) - Kortere verblijftid ■ StormpoM«r (*1.52 / *1.47 m NAP) a Langere verblftijd Gemeente Krimpen aan den lJssei (-2 23 m NAP) ----- Primaire waterkeringen —— Regionale en overige waterkeringen I I Gemeentegrens -> Stromingsichting droge periode -> Strominguichtingnatte periode

Themakaart Waterkwantteit Krimpen aan den UJssel emdnu2491

Wittoveon

Bos

*) Stromingsrichting is alleen weergegeven voor de grotere aan - en afvoerlocaties. Afbeelding 16 Themakaart waterkwantiteit (bron: 5.1,2,e

aan den IJssel)

Volgens het Actueel Hoogtebestand bedraagt de maaiveldhoogte gemiddeld tussen de -1,70 m en 1,30 m NAP. De bodem bestaat uit een kleidek op veen (bron: maps.bodemdata.nl)). Volgens de Bodemkaart van Nederland is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hiervan nature minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 0,5 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt. Het station KIJ380 wordt voor een groot deel begrensd door watergangen, geen hoofdwatergang zijnde.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 Toon Kaartlaag

o

Waterkeringen

O

Kunstwerken

□

Grondwaterbeschermingsgebieden

O

Rioolgemalen

□

Transportleidingen

Resultaat

Afvelwaterzuiveringsinstallaties

v

Zonering hoofdwatergangen

Zonering wegen

O

v

Zonering windrecht

Hoofdwatergangen

Signaallagen Toon Kaartlaag Q

/

Afbeelding 17 Uitsnede plangebied (bron: www.dewatertoets.nl)

A n

'v

Resultaat

Oppervlaktewaterlichamen_KrimpenerQaard

o

Eigendompercelen HHSK

□

Waterschapsgrens

□

Opperviaktewaterlichamen_Schielandy

Toekomstige situatie

Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard kent een ondergrens van 500 m2 voorde toename van het verhard en bebouwd oppervlak bij nieuwe ontwikkelingen. Blijft de toename onder deze grens, dan wordt de negatieve invloed op het watersysteem beperkt geacht. TenneTTSO is voornemens de bestaande vermogenstransformator TR403 plus toebehoren te vervangen door een nieuwe vermogenstransformator plus toebehoren. Het betreft de in onderstaande afbeelding met kleur omkaderd vermogenstransformator, welke inclusief toebehoren wordt verwijderd. Aan de noordwestkant van het complex wordt de nieuwe vermogenstransformator gerealiseerd, inclusief toebehoren (kleur omkaderd).

Er is sprake van een verhardingsafname van 4750m2 en realisatie van nieuw (semi)verhard oppervlak van 4050m2. Per saldo is er dus sprake van 800m2 verhardingsafname. Hierdoor is compensatie in de vorm van vervangend water niet nodig.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

।r I

F ■

N

S —t I -4

। ।

। +

* -

■ ,ë -1

I——-

:±

■

— $--=—*-*

a

Tl

- 4-

- -

,7

ï

m

I

I

d

+

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

~I

■

•

+

1

E

11

4

4 7 —Z3 101 IT ; I j ■

,5

T

I

3

rr 11

H H rMi1 1

T

1--

—4

I J

-

I, 402

2

-

4 #

#==

-i

LiH ■ SSMoNSNÈHA Nielaabouw TR414 tvele 17 e vele 16) I

. - -1

I

L—

—

manf-lbüren

L—-

~L

ghp

M

"

L^rr^r

,

I

—-i

taa

i

i.

mz

Amoveren TR403

i I

SSSSseEssssess-EeSSN

■—-

i

I

—

I

T

l | L LI . I 1

Afbeelding 18 verhardingssituatie bestaand - nieuw

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling is niet van invloed op de veiligheidssituatie in het plangebied. Het plangebied ligt buiten de kern- en beschermingszones van de waterkeringen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Voorde ontwikkeling wordt gebruikgemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.

Afvalwaterketen en riolering

Afvalwater is aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •

hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

In de voorliggende situatie ligt het voor de hand om hemelwater zoveel mogelijk af te voeren naar het aangrenzende oppervlaktewater.

Watertoets De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor ruimtelijke plannen die vallen onder de Wet ruimtelijke ordening. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBWactueel, juni 2008) hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen onder meer afgesproken dat de watertoets ook wordt toegepast bij waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten die niet vallen

34

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 onder de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat in een vroegtijdig stadium overleg gepleegd wordt met de waterbeheerders.

In het projectgebied wordt het waterbeheer gevoerd door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. In het kader van de verplichte watertoets is na het aanmelden van het plan via www.dewatertoets.nl over deze ruimtelijke ontwikkeling overleg gevoerd met de waterbeheerder. De waterparagraaf is hiertoe in mei 2021 reeds toegestuurd aan het hoogheemraadschap.

3.1.8

Archeologie en cultuurhistorie

Gemeenten hebben de taak om bij de verlening van omgevingsvergunningen in de afweging rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Het gebied is in het bestemmingsplan ‘Langeland’ voorzien van dubbelbestemmingen. Voorde dubbelbestemming is het bouwen met bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld, afhankelijk van de bebouwingsoppervlakte, strijdig zonder een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld.

Ook het indrijven van voorwerpen in de bodem en het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies zonder omgevingsvergunning is, afhankelijk van de oppervlakte en diepte in strijd met de regels ruimtelijk ordening, zie artikel 21.3, 23.3 en 26.3.

Ter hoogte van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 vindt amovatie van bestaande objecten plaats. Deze werkzaamheid valt buiten de strekking van artikel 21.3. Voor meer informatie over de amovatie in dit gebied wordt verwezen naar paragraaf 3.1.5 van het BO. Voor het aanleggen van een kabel binnen de zone met deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning benodigd omdat de oppervlakte meer is dan 50 m2. Binnen de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 wordt een veld gebouwd. Uitsluitend bouwen en werkzaamheden groterdan 10.000 m2 en dieper dan 1 meter beneden maaiveld zijn onderzoeksplichtig. Hiervan is geen sprake.

In de zone met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2b geldt een onderzoeksplicht bij het bouwen of bij werken/werkzaamheden dieper dan 8 meter beneden maaiveld en groterdan 100 m2. Deze grenzen worden overschreden door de funderingen. Op grond van artikel 23.2 dient de aanvraag omgevingsvergunning te worden vergezeld van een rapport van een archeologisch deskundige (archeologisch vooronderzoek) waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Door Arcadis is een bureauonderzoek gedaan, zie Bijlage 8. Vervolgonderzoek voor de geplande ingrepen wordt daarin niet geadviseerd. Er is geen verwachting op archeologische resten van de terpen en de rivierduin wordt zo minimaal verstoord dat archeologisch vervolgonderzoek geen toegevoegde waarde zal hebben. Wel wordt er aangeraden dat de uitvoerende partij rekening houdt met eventuele toevalsvondsten in de veenlagen. (Andere) werken en werkzaamheden die de onderzoeksgrens overschrijden worden niet verwacht binnen het plangebied (anders dan het aanbrengen van de funderingen die onderdeel vormen van de activiteit bouwen). Betekenis voor het project Vanuit het aspect archeologie zijn geen belemmeringen voorde uitvoerbaarheid van het project te verwachten.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

35

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

3.1.9

Ecologie

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de natuur. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voorde bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het project op de beschermde natuurwaarden. Arcadis is gevraagd om een quickscan uit te voeren waarbij ecologische risico's en eventuele vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) inzichtelijk worden gemaakt. De rapportage is te vinden in Bijlage 9. Op basis van voorliggende quickscan is geconcludeerd dat het projectgebied geen essentiële functie heeft voor (beschermde) soorten. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom uitgesloten.

In het kader van de Wnb zijn verdere vervolgstappen niet aan de orde. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht; mocht er onverhoopt toch een soort binnen het projectgebied voorkomen en deze is niet in staat om op eigen krachten het terrein te verlaten, dient in overleg een deskundig ecoloog bepaald te worden hoe er gehandeld moet worden.

De gebruiksfase leidt niet tot een toename aan verkeer. De aanlegfase (de werkzaamheden zelf) kan gepaard gaan met emissie van stikstof. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren, wordt gebruikt gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten. Deze emissie (stikstofdepositie) kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op het Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. De toename aan stikstofdepositie kan leiden tot negatieve effecten op de diverse stikstofgevoelige habitattypen. Om de hoeveelheid stikstofdepositie te bepalen, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 10). Mits voldoende rekening wordt gehouden met de inzet van materieel kan depositie worden voorkomen. Betekenis voor het project Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voorde uitvoerbaarheid van het project.

3.1.10

Niet gesprongen explosiever)

Aangezien eventueel aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten (verder "explosieven" en “OO”) een risico vormen voorde uitte voeren werkzaamheden, is het van belang dat de kans op het aantreffen van explosieven in het onderzoeksgebied onderzocht wordt. In verband daarmee is doorT&A Survey een Vooronderzoek Explosieven/ Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd (zie Bijlage 11).

De analyse van het feitenmateriaal uit de inventarisatie heeft tot de conclusie geleid dat er geen explosieven (meer) in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Het onderzoeksgebied is daarmee onverdacht gebied. Grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd.

3.2

Financiële uitvoerbaarheid

Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening inzichtte worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens verplicht de Wro dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald.

Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die de gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut.

In afdeling 6.4 Wro wordt een publiekrechtelijk stelsel beschreven waarbinnen gemeenten eisen kunnen stellen aan de grondexploitatie. Dit instrumentarium is aanvullend van aard, aangezien het de gemeente en de initiatiefnemer vrij staat om privaatrechtelijke afspraken vast te leggen. Dergelijke afspraken zijn mogelijk in een anterieure (indien er nog geen exploitatieplan is vastgesteld) of posterieure

36

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 overeenkomst (indien erwel al een exploitatieplan is vastgelegd).

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad verplicht is om, voorde gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan vast te stellen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn deze categorieën van bouwplannen opgenomen. Het onderhavige project valt niet binnen de genoemde categorieën. Een exploitatieplan is niet benodigd.

De gronden zijn in eigendom van TenneT. Zij draagt de kosten voorde voorbereiding en realisatie van het project. Omdat het een bouwplan in de zin het Bro betreft, worden kosten die door gemeente Bronckhorst worden gemaakt ten behoeve van de omgevingsvergunning voorde het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, via leges bij de initiatiefnemer verhaald.

3.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er is al jarenlang contact met een aantal (wisselende) personen die zich steeds hebben voorgesteld als de vertegenwoordigers van de bewoners. De bezwaren die door de bewonersvertegenwoordiging steeds zijn geuit gaan met name over de geluidsoverlast.

In juli 2020 is de bewonersvertegenwoordiging per brief geïnformeerd over de keuze van TenneT om de nieuwe transformator te plaatsen aan de noordzijde van het station. Daarna is de bewonersvertegenwoordiging verenigd als BOTIK. Het plan tot vervanging van de transformator TR403 door een veel stillere transformator draagt bij aan vermindering van de geluidoverlast, ook bij plaatsing in een geluidhuis aan de noordzijde van het station.

Vanuit haar wettelijke taak als landelijk netbeheerder is TenneT omwille van de leveringszekerheid verantwoordelijk vooreen robuust en veilig hoogspanningsnet. Hiervoor moet het net regelmatig worden uitgebreid met nieuwe assets, of zullen assets moeten worden gewijzigd of vervangen. De vervanging van de verouderde vermogens-transformatoren en de compensatiespoel op het hoofspanningsstation in Krimpen aan den IJssel is een groot maatschappelijke belang.

De energietransitie leidt tevens tot een verzwaring van de hoogspanningsverbinding Krimpen aan den IJssel - Geertruidenberg. TenneT TSO B.V. heeft op 16 juli 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd voorde nodige verzwaring van het portaal en van 2 hoogspanningsmasten en - kabels van de 380 kV-verbinding. De verzwaring van de hoogspanningsverbinding heeft geen relatie met voorliggende aanvraag, zoals ook elders in deze ruimtelijke onderbouwing is toegelicht. De bewonersvertegenwoordiging is veelvuldig mondeling en schriftelijk geïnformeerd over de belangenafweging, onderzochte alternatieven, geluidmaatregelen en keuzes die TenneT maakt. Ook is er gelegenheid geboden het station te bezoeken en vragen te stellen.

De gehele woonwijk ten noordwesten van het hoogspanningsstation is eveneens per informatiebrief geïnformeerd over de transformatorvervanging. Omdat slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3° Wabo is de ‘uitgebreide voorbereidingsprocedure’ van artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. Hiertoe wordt het ontwerpbesluit 6 weken ter inzage gelegd.

Gedurende de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage ligt zal er een informatiebijeenkomst worden georganiseerd voor geïnteresseerde omwonenden.

Wanneer er zienswijzen worden ingediend worden deze betrokken bij de besluitvorming.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

37

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

Hoofdstuk 4

Beleidskader

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voorde Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving snelleren beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Betekenis voor het project

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVI-gebied. De ontwikkeling voorziet in ruimte voor energietransitie en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Verder is het plan niet in strijd met de NOVI.

4.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voorde Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van

38

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Wel zijn er 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Eén van de nationale belangen die zijn benoemd in de SVIR is 'Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie'. De beoogde ontwikkeling heeft raakvlakken met dit nationaal belang. Aanpassingen op een hoogspanningsstation zijn ook noodzakelijk voorde energievoorziening en de energietransitie.

Betekenis voor het project De meeste van de nationale belangen uit de SVIR zijn niet van betekenis voor dit project. Het project draagt bij aan het nationaal belang 'Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie' en er is geen strijdigheid met de overige belangen uit de SVIR. Als gevolg van de energietransitie ontstaat een toenemende vraag naar en aanbod van (duurzame) elektriciteit, wat tot een verzwaring van de hoogspanningsverbinding Krimpen aan den IJssel Geertruidenberg leidt. TenneTTSO B.V. heeft op 16 juli 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd voorde nodige verzwaring van het portaal en van 2 hoogspanningsmasten en - kabels van de 380 kV-verbinding. Deze aanvraag is akoestisch niet relevant omdat er geen sprake is van een (zwaardere) belasting van de bestaande transformatoren of spoelen, zoals ook blijkt uit die aanvraag. De aanvraag heeft geen relatie met voorliggende aanvraag omdat er geen sprake is van cumulatie van geluid of andere hinderaspecten.

4.1.3

Structuurvisie Ondergrond

De Structuurvisie Ondergrond (juni 2018) richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (lenW) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). De belangrijkste elementen van de Structuurvisie Ondergrond: • • • • • •

Veel aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond. Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwaterwinning. In deze kabinetsperiode geen opsporingsvergunningen voor nieuwe gasvelden op land. Aardgaswinning uit bestaande kleine velden is nog enige tijd nodig. Zoveel mogelijk benutten van potenties voor geothermie. De winning van schaliegas wordt uitgesloten, ook na deze kabinetsperiode. CO2-opslag op zee. Nu geen CO2-opslag op land, wel mogelijkheden op land onderzoeken.

De opgave

De ondergrond is van groot belang voor onze energievoorziening en grondwater is de belangrijkste bron voor onze drinkwatervoorziening. De ruimte in de diepe ondergrond lijkt eindeloos en conflicten tussen de verschillende vormen van gebruik doen zich tot op heden nauwelijks voor. Maar als er naar de ambities voorde energievoorziening en drinkwatervoorziening op de langere termijn wordt gekeken, dan is het wenselijk een visie te ontwikkelen op het gebruik van de ondergrond, om ‘botsingen’ in de toekomst te voorkomen. Nederland beschikt overgrote voorraden grondwater waaruit een uitstekende kwaliteit drinkwater word bereid. Om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar schoon grondwater voorde drinkwatervoorziening, is het nodig geschikte grondwatervoorraden te identificeren en ‘aan te wijzen’ als reservebron voorde toekomst. Deze grondwatervoorraden moeten bovendien worden beschermd tegen mogelijke verontreinigingen.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

39

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

De fossiele energiebronnen aardgas en olie leveren tot op heden het leeuwendeel van onze energie. Met het oog op de klimaatproblematiek is inmiddels een transitie in gang gezet waarbij fossiele energiebronnen in toenemende mate worden vervangen door CO2-arme energiebronnen, waaronder geothermie en bodemenergie. Bovendien is er discussie over CO2-opslag in de ondergrond en de winning van schaliegas.

De drinkwatervoorziening en mijnbouwactiviteiten, zoals de winning van aardgas, olie, geothermie en opslag van stoffen in de ondergrond, zijn van nationaal belang. Deze structuurvisie bevat het strategische beleid voor deze nationale belangen. De opgave daarbij is het zoeken naar een goede balans tussen beschermen en benutten van grondwater voor de drinkwatervoorziening en het bieden van ruimte voor mijnbouwactiviteiten voorde energievoorziening. Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

De ondergrond kan in principe worden benut voor nieuwe activiteiten, mits dit veilig en zorgvuldig gebeurt. De leidraad hierbij is de doelstelling: ‘Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn.’ Deze doelstelling is uitgewerkt in een aantal uitgangspunten voor de vormgeving van beleid voor de ondergrond. Tevens worden twee manieren van ‘denken en doen’ gepresenteerd waarmee samenhangend beleid kan worden gerealiseerd, waarbij activiteiten in de diepe ondergrond, in de ondiepe ondergrond en op de bovengrond op elkaar worden afgestemd: driedimensionale (3D) ordening en de watersysteembenadering.

Typering van de structuurvisie Deze structuurvisie bevat het nationale ruimtelijk beleid voorde ondergrond, specifiek gericht op de nationale belangen ‘drinkwatervoorziening’ en ‘mijnbouwactiviteiten’. Deze structuurvisie richt zich op toekomstige ontwikkelingen en nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond en niet op de bestaande problematiek. Het doel hiervan is risico’s van nieuwe activiteiten en problemen in de toekomst zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige situatie. Deze structuurvisie doet geen beleidsuitspraken over nut en noodzaak van nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond. Dat gebeurt binnen bestaande beleidskaders voorde drinkwatervoorziening en de energievoorziening. De structuurvisie richt zich op de ruimtelijke inpassing van nieuwe activiteiten waarvan na maatschappelijk en politiek debat is vastgesteld dat deze gewenst of noodzakelijk zijn.

Deze structuurvisie gaat grotendeels over ontwikkelingen die nog onzeker zijn. De structuurvisie beoogt duidelijkheid te geven over hoe het Rijk afwegingen maakt als zich ontwikkelingen voordoen op het gebied van de drinkwatervoorziening of de energievoorziening. De structuurvisie geeft handvatten en overwegingen voorde besluitvorming hierover op alle schaalniveaus. Het Rijk maakt in de structuurvisie alleen beleidsmatige keuzes over de wenselijkheid van het toestaan of uitsluiten van activiteiten in bepaalde gebieden als dat nu nodig is voor zaken van nationaal belang. Dat kan het geval zijn wanneer een specifieke functie een onacceptabel effect heeft op de kwaliteit van de leefomgeving of een te groot risico met zich meebrengt voorde veiligheid van de bewoners in bepaalde gebieden. Een keuze kan ook nodig zijn als de potentieel geschikte ruimte voor een specifieke gewenste functie schaars is en er concurrentie dreigt van andere functies. In deze structuurvisie is maar een beperkt aantal keuzes gemaakt, in de vorm van ‘uitsluitingen’. Reserveringen voor specifieke functies zijn nu niet noodzakelijk. Dat kan in de toekomst mogelijk veranderen.

Samenwerken met het oog op nationale belangen Het ‘dienen’ van een nationaal belang is niet exclusief een aangelegenheid van het Rijk. Vrijwel altijd zal het gaan om een samenspel tussen verschillende overheden, waarbij elke overheid een eigen rol en verantwoordelijkheid heeft. Bij de belangenafweging en besluitvorming over toekomstig activiteiten in de ondergrond is het essentieel dat alle overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken, met oog voorde veiligheid en belangen van burgers. De wijze waarop het ministerie van Economische Zaken en Klimaat samen met alle betrokken partijen invulling geeft aan energieprojecten in het kader van de energietransitie en de omgeving daarbij betrekt, wordt aangeduid met de term ‘omgevingsparticipatie’. Dit proces wordt samen met de regio vormgegeven, aan de hand van vijf

40

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 uitgangspunten, waaronder het vroegtijdig betrekken van de omgeving, het zoeken naar gemeenschappelijke belangen en het delen van informatie.

Betekenis voor het project

De energietransitie vraagt iets van heel Nederland. TenneT doet iedere 2 jaar onderzoek naar de bestendigheid van het electriciteitsnet. Daar kunnen knelpunten uit naar voren komen, die binnen een aantal jaren opgelost moeten worden om de leveringszekerheid op peil te houden. Daarom is het voorde langere termijn niet met zekerheid te zeggen dat er niets hoeft te gebeuren. Als gevolg van de energietransitie ontstaat een toenemende vraag naar en aanbod van (duurzame) elektriciteit, wat tot een verzwaring van de hoogspanningsverbinding Krimpen aan den IJssel Geertruidenberg leidt. TenneTTSO B.V. heeft op 16 juli 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd voorde nodige verzwaring van het portaal en van 2 hoogspanningsmasten en - kabels van de 380 kV-verbinding. De verzwaring van de hoogspanningsverbinding heeft geen effect op het geluid. De geleiders kunnen meer stroom vervoeren, maar produceren niet meer geluid. Op het station komen geen nieuwe onderdelen te staan die geluid produceren.

De magneetvelden onder de verbinding worden smaller, doordat de geleiders anders worden opgehangen. Dat wordt fasenoptimalistie genoemd. In deze animatie wordt dit uitgelegd.

4.1.4

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Van een stedelijke ontwikkeling is sprake indien het een project betreft voorde ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd. Indien de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte.

In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening wordt uitvoering gegeven aan titel 2.6 van het Barro. Hierin is bepaald dat bij ministeriele regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. Het plangebied is aangeduid als radarverstoringsgebied waarvoor een bouwhoogtebeperking van 90m geldt. Het geldende bestemmingsplan houdt reeds (impliciet) rekening met deze bouwhoogtebeperking. Met het voorliggende bouwplan wordt niet hoger gebouwd. Betekenis voor het project De beoogde ontwikkeling op station Krimpen aan den IJssel is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling omvat planologisch geen nieuw ruimtebeslag omdat deze plaatsvindt binnen de begrenzing van het bestaande station. Het bestemmingsvlak van het station wordt niet overschreden. Er hoeft daarom niet te worden getoetst aan de in het Bro opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

41

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

4.1.5

Modernisering Monumentenzorg

De opvattingen over de omgang met monumenten zijn sterk veranderd. Gebieden worden belangrijker dan individuele gebouwen. Ook de inzichten over de organisatie van de monumentenzorg zijn anders. Het systeem is daarom aangepast aan de ontwikkelingen van deze tijd. De Directie Erfgoed & Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voorde beleidsontwikkeling van deze modernisering.

Cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening Cultureel erfgoed krijgt een belangrijke plaats binnen de ruimtelijke ordening. Met de visie Kiezen voor karakter toont het kabinet zijn verantwoordelijkheid voor een goede omgang met onroerend cultureel erfgoed van nationale betekenis bij integrale ruimtelijke afwegingen. Vijf prioriteiten

Het kabinet kiest voorde komende jaren vijf prioriteiten in het gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

1. 2. 3. 4. 5.

werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten; eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie; wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Dit betekent dat de rol die gemeenten, provincies en de rijksoverheid hebben in de erfgoedzorg verandert. In oktober 2010 stuurden de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de steunpunten een brief over de ondersteuning op dit gebied aan de gemeenten.

Besluit ruimtelijke ordening In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. De Rijksdienst helpt gemeenten hiermee met de Handreiking erfgoed en ruimte. In deze handreiking staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan. Krachtiger en eenvoudigere regels Minder regels, kortere procedures en structureel meer financiële middelen zorgen vooreen duurzame instandhouding van rijksmonumenten. Deze regels hebben betrekking op vergunningen, subsidie en kwaliteit

Vergunning De monumentenvergunning wordt onderdeel van de omgevingsvergunning (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Ook wordt bepaald welke werkzaamheden zonder vergunning kunnen worden uitgevoerd. Subsidie Het aanvragen van een Brim-subsidie is in 2011 nog verder vereenvoudigd. De minister heeft structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor zowel reguliere instandhouding als incidentele restauraties. Kwaliteit

De Rijksdienst staat de restauratiesector bij in het uitwerken van normen om de kwaliteit van restauraties te borgen. Het behoud en de overdracht van vakkennis vormen onderdeel van dat project.

42

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

Herbestemming Monumenten die hun functie verliezen, komen vaak leeg te staan. Belangrijke cultuurhistorische waarden gaan dan verloren. Herbestemming van gebouwen, complexen en structuren kan dit tegengaan. Bij de modernisering van de monumentenzorg is herbestemming een essentieel onderwerp. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2010 een Nationaal Programma Herbestemming in het leven geroepen. Bovendien ondersteunt de Rijksdienst het programma met geld en medewerkers. Een groot aantal organisaties werkt verder aan een gezamenlijke agenda van activiteiten om herbestemming te stimuleren. Deze Nationale Agenda Herbestemming bestrijkt het brede veld van herbestemming. In deze Nationale Agenda Herbestemming wordt ingezet op:

• • •

het bevorderen van de praktijk van herbestemming; het ontwikkelen en verspreiden van kennis over herbestemming; het inhoudelijk, politiek en publiek agenderen van het onderwerp.

Het opzetten van een kennisinfrastructuur De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is binnen de monumentenzorg het kenniscentrum bij de rijksoverheid. Daarnaast zijn er nog veel instanties die kennis hebben van het erfgoed. Kennis op academisch niveau, vakinhoudelijke en operationele kennis en ervaring in de praktijk. De Rijksdienst heeft hierbij een stimulerende en verbindende rol. Kennisuitwisseling

Om uitwisseling van kennis mogelijk te maken, is een goed functionerende kennisinfrastructuur nodig. Daaromheeft de Rijksdienst het programma Kennisinfrastructuur Modernisering Monumentenzorg (KIMOMO) opgezet. Met dit informatiesysteem voorziet de Rijksdienst de erfgoedsector van digitale informatie. Het programma KIMOMO liep van januari 2010 tot en met december 2013.

Betekenis voor het project Bovenstaande is niet van betekenis voor dit project.

4.1.6

Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015, inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het streven is gericht op een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in het NWP2 dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

In het NWP2 staan de volgende ambities centraal: • • • • •

Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Belangrijke onderdelen van dit plan zijn: •

rijksbeleid dat voortvloeit uit de deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

43

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

•

•

ruimtelijke adaptatie); Beleidsnota Noordzee 2016-2021, waarmee het beleid voor doorvaart en medegebruik in windparken op zee onder voorwaarden is vastgesteld; Stroomgebiedbeheerplannen en Maatregelenprogramma's voor 5.1,2,e Rijn en Schelde 2016-2021, met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen; verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet (Internationale Waterambitie) en bestuurlijke verhoudingen (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Wateren Deltaprogramma); het voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het marine milieu door geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma's op te nemen.

Voor het NWP2 is een milieueffectrapport opgesteld. Daarin is ook een passende beoordeling vanuit Natura 2000 opgenomen. Gelijktijdig met de vaststelling van het NWP2 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voorde rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voorde rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer.

Betekenis voor het project

Bovenstaande is niet van betekenis voor dit project.

4.1.7

Waterbeleid van de 21e eeuw

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het waterde ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lagergelegen gebieden voorkomen.

Het Waterbeleid 21eeeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het waterzo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In het kader van bestemmingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voorwaterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

Betekenis voor het project

Met het bouwplan neemt de verhardingsoppervlakte af. Er hoeft geen ruimte gezocht te worden voor waterberging.

4.1.8

Natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Slechts één wet en minder regels maakt de regelgeving omtrent natuurbescherming overzichtelijker en wordt het makkelijker om de wet toe te passen. 5.1,2,e

44

provincie en gemeente

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

De provincies bepalen wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De gemeenten komen, net als onder de geldende wetgeving, bij de uitvoering in beeld als de aanvrager van een natuurvergunning of-ontheffing wil aanhaken bij een door de gemeente te verlenen omgevingsvergunning; de inhoudelijke natuurtoets wordt (ook) dan uitgevoerd door de provincie, die een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeente moet afgeven. Voor burgers en bedrijven is het belangrijk dat zij makkelijk en snel weten of een activiteit met mogelijke schade voor de natuur is toegestaan. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij de gemeente wordt net als voorheen getoetst aan de Wet Natuurbescherming. Het blijft mogelijk om bij de provincie een aparte natuurvergunning aan te vragen.

Gebiedsbescherming Wat betreft gebiedsbescherming vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten, maar verandert ervoor Natura 2000 weinig. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen. Die veranderen niet en daarom zal vanaf 2017 op de dezelfde manier worden getoetst als nu het geval is.

Bescherming van dieren en planten Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. De lijsten met beschermde soorten zijn aangepast. Zo is een aantal soorten planten, insecten en vissen voortaan niet meer beschermd. De Wet natuurbescherming brengt het aantal beschermingsregimes terug. De beschermde status van soorten kan per provincie gaan verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Bescherming van bosopstanden De regels van de huidige Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Zo zijn de ‘bebouwde kom Boswet’, melding en herplantplicht hetzelfde. Wel is er een aantal vrijstellingen opgenomen van de herplantplicht, zoals bij maatregelen opgenomen in een ontheffing of vergunning, of via een goedgekeurde gedragscode.

Jacht om schade te beperken Er mag worden gejaagd wanneer dieren schade veroorzaken of om te beheren. Provincies, grondeigenaren, dieren- of natuurorganisaties en jagers maken samen vooraf een faunabeheerplan. Daarin staat op welke en op hoeveel dieren gejaagd mag worden. Na het jachtseizoen moeten de jagers volgens de nieuwe wet laten weten welke dieren zijn afgeschoten. Dit zorgt voor beter inzicht in de jacht.

Betekenis voor het project Zie 3.1.9 Ecologie.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

45

omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380

4.1.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, wateren buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voorde maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1 % letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Op inrichtingen en transport is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Dit wordt in de navolgende paragrafen nader toegelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13398502/1