Bijlage 3 - Rapport ruimtelijke onderbouwing Transformatorvervanging KIJ380
Tekst van het document
4.1.9.1 Besluit externe veiligheid Inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is op 27 oktober 2004 van kracht geworden en regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voormensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
4.1.9.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Gemeenten zijn verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR is de 10-6 contour de grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet worden verantwoord binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Vooreen aantal installaties, zoals bijvoorbeeld Ipg tankstations, pgs 15 kluizen en ammoniak koelinstallaties, gelden vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico en het invloedsgebied. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet een berekening worden gemaakt om de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied te kunnen bepalen. Daarnaast wordt in elk bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor onderhoud aan de leiding dooreen belemmerende strook van minimaal 5,0 m aan weerszijden van de leiding met een bouwverbod en een omgevingsvergunningstelsel.
46
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
4.1.9.3 Besluit externe veiligheid transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, inwerking getreden op 1 april 2015, betreft milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes. Het besluit bevat de uitwerking van de ruimtelijke component van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Doel van dit besluit is het waarborgen van een basisbeschermingsniveau doorte voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Verder maakt het besluit de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk en biedt het regels voor het afwegen van het risico ten opzichte van de ruimtelijke ontwikkelingen.
Betekenis voor het project Zie 3.1.6 Externe Veiligheid
4.1.10
M.e.r.-beoordeling
Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activiteiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld. De procedure voorde milieu-effectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer. De uitvoeringsregels staan in het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. staan de verschillende activiteiten, besluiten en overheidsplannen waarvoor het verplicht is een milieu-effectrapportage te maken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen in de besluitvorming. In het Besluit m.e.r. (gewijzigd 1 april 2011) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r.: • • •
m.e.r.-plicht; m.e.r.-beoordelingsplicht; vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.
In het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.
Onderdeel B van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bevat activiteiten die qua omvang onder de in onderdeel C genoemde drempel blijven. Voor deze situaties moet eveneens in alle gevallen als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden, per geval door middel van een m.e.r.-beoordeling worden vastgesteld of een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld.
De drempelwaarden in onderdeel D zijn indicatief. Om te beoordelen of voor een activiteit een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt kan niet alleen volstaan worden met het raadplegen van de drempelwaarden in onderdeel D. Er moet sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 een extra stap doorlopen worden om na te gaan of er een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Dit wordt ook wel aangeduid met de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.
Een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor bepaalde activiteiten kan bij plannen en/of besluiten op verschillende gronden ontstaan:
1. 2. 3.
M.e.r.-plicht en artikel 7.2a Wm M.e.r.-plicht en plannen kolom 3 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage M.e.r.-(beoordelings)plicht en besluiten kolom 4 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
47
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Vooreen omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de laatste grond tot een m.e.r.-(beoordelings)plicht leiden.
Betekenis voor het project
De activiteiten waar onderhavige aanvraag omgevingsvergunning op ziet komen niet voor in kolom 4 van de onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Immers het het betreft enkel het afwijken van de in het bestemmingsplan bepaalde maximum bouwhoogte en het gedeeltelijk bouwen van een gebouw buiten het in het bestemmingsplan aangeduide bouwvlak.
Provinciaal beleid
4.2
Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voorde fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voorde fysieke leefomgeving geformuleerd: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
Beter benutten bestaand stads-en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van de bebouwde ruimte te verbeteren.
Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst
48
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380 door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied valt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).
Verbeteren ruimtelijke kwaliteit
Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voorde ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving.
Kwaliteitskaart Het plangebied valt binnen het gebied ‘veenlandschappen' van de laag cultuur- en natuurlandschappen. Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. Vooral grote windturbines hebben verreikende invloed. Ook biovergistingsinstallaties en zonnevelden zijn bouwwerken die niet vanzelf en niet altijd passen bij de kenmerken van het gebied. Anderzijds kunnen bouwwerken voor energie-opwekking bijdragen aan nieuwe landschappelijke kwaliteit. Bij bouwwerken voor energie-opwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en/of inpassing van belang. De provincie wil de kenmerken als de identiteit van de plek (historische, culturele, toeristische en ruimtelijke kenmerken), de geografische strategische ligging in het stedelijk netwerk en de aanwezige en nieuwe economische dragers van iedere stad en ieder centrum in het systeem beschermen. Iedere locatie betreft een unieke plek met een eigen (ruimtelijke) karakteristiek. Een brede waaier aan woonen werkmilieus is een belangrijke voorwaarde voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Als herstructurering, transformatie of verdichting plaatsvindt binnen de stad, dan draagt dit bij aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek.
Betekenis voor het project
De beoogde ontwikkeling heeft raakvlakken met de hierboven genoemde energievernieuwing. Bij een overgang van fossiele energie naar duurzame energie, hoort een robuust elektriciteitsnetwerk. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand station en betreft enkel de noodzakelijke vervanging van verouderde assets, welke nodig is om de leveringszekerheid te kunnen garanderen. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de sturingsfilosofie zoals die is omschreven in omgevingsvisie Zuid-Holland, waaronder ruimte bieden aan ontwikkelingen en aansluiten bij de maatschappelijke vraag. Het plan kan niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied worden gerealiseerd. De ontwikkeling levert geen nieuw ruimtebeslag op omdat er sprake is van vervanging van bestaande bebouwing. Hiervoor is ruimte gezocht binnen de grenzen van het bestaand hoogspanningsstation. De ontwikkeling draagt door inpassing binnen het bestaande station, tussen bestaande bebouwing, bij aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
49
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
4.2.2
OmgevingsverordeningZuid-Holland
Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
Ruimtelijke kwaliteit
In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
a.
b.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving,rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen;
c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
•
•
Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naarde omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.
Het plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. Het plan is qua aard en schaal passend in dit gebied. Het plan sluit aan bij de richtpunten van de kwaliteitskaart. De nieuwe bebouwing wordt ingepast binnen de bestaande bebouwingsstructuur, direct aansluitend aan de bestaande bouwwerken op het hoogspanningsstation. Stedelijke ontwikkeling
In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voorstedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: •
•
De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Het plangebied is niet gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan betreft geen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ (paragraaf 4.1.3), waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is. Betekenis voor het project
50
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
De ontwikkeling wordt ingepast binnen een bestaand station. Er is geen strijdigheid met de thema's uit de verordening.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie 2003-2030 (2004)
De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in september 2004 de structuurvisie 'Ruimte voor Ontwikkeling, een structuurvisie voor Krimpen aan den IJssel' vastgesteld. Deze structuurvisie stuurt vooral op beheer, ontwikkeling en vernieuwing van het bestaande stedelijk gebied, waar het vorige beleid uit ging van uitbreiding met nieuw stedelijk gebied. Veranderende maatschappelijke omstandigheden en de daarmee samenhangende veranderende behoeften van de bevolking dienen hierbij als uitgangspunten voor onderhoud en aanpassing van het bestaand stedelijk gebied.
Betekenis voor het project De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie waarin wordt ingezet op een concentratie van bebouwing en een concentratie van groen en water. Het oppervlak snippergroen en (parkeer)verharding wordt zoveel mogelijk beperkt
4.3.2
Verkeer- en vervoervisie Krimpen aan den IJssel
Het verkeersbeleid van Krimpen aan den IJssel richt zich op onder andere de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van voetgangers, (brom)fietsers, autoverkeer, vrachtverkeer en openbaar vervoer. Het verkeersbeleid leidt in veel gevallen tot een uitvoeringsplan, waarin diverse maatregelen zijn opgenomen.
De Verkeer- en vervoervisie (herziening 2020) is een bijstelling van de in december 2013 door de gemeenteraad vastgestelde verkeer- en vervoervisie. Betekenis voor het project
Het verkeersbeleid heeft geen invloed op het project. 4.3.3
Duurzaamheidsagenda 2021-2024
De Duurzaamheidsagenda 2021-2024 bestaat uit 4 thema’s: energie, klimaatadaptatie, circulariteit en gezondheid en voedsel. Energie: het tegengaan van klimaatverandering door uitstoot van CO2 te verlagen. Dit doen we door de vraag naar energie te verminderen en de opwekking van energie te verduurzamen
Circulair: het omvormen van het economische systeem waarin we grondstoffen niet uitputten en reststoffen opnieuw te gebruiken. Klimaatadaptatie: het klimaat verandert. We zorgen ervoor dat we voorbereid zijn op klimaatverandering en beperken schade en overlast zoveel mogelijk.
Gezondheid en voedsel: het maken van duurzame keuzes die bijdragen aan de gezondheid en de verandering van het voedselsysteem.
Voor elk thema zijn een aantal doelstellingen geformuleerd. Daarnaast bevat de agenda een hoofdambitie: Krimpen aan den IJssel Klimaatneutraal en gezond in 2050. Betekenis voor het project
Het project heeft geen directe raakvlakken met de lokale doelstellingen als geformuleerd in de duurzaamheidsagenda.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
51
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
4.3.4
5.1,2,e
aan den IJssel
In 2017 is het beleidsplan 5.1,2,e aan den IJssel' opgesteld. Met dit beleidsplan wil de gemeente en HHSKde samenwerking voortzetten. Hierin is beschreven is hoe de gemeente Krimpen aan den IJssel en het Hoogheemraadschap Schieland & Krimpenerwaard (HHSK) de komende jaren willen omgaan met het water voor de periode 2017-2021. Het 5.1,2,e aan den IJssel bestaat uit een strategische visie voorde lange termijn en een tweejarig uitvoeringsplan. Hierin werken gemeente en HHSK aan de gezamenlijke opgaven binnen het stedelijk water aan een uitvoeringsprogramma om deze visie te realiseren.
Het doel van het 5.1,2,e aan den IJssel is het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het stedelijk water van de gemeente. In de strategische visie staan hoofdlijnen voor het schoon en gezond houden van het watersysteem van Krimpen aan den IJssel, zoals het voorkomen van wateroverlast. Deze gezamenlijke visie bestaat uit de volgende vier waterthema’s: waterkwantiteit, waterkwaliteit, grondwateren riolering.
In hoofdlijnen bestaat de visie voorde lange termijn uit vier sporen: • • • •
versterken waterbewustzijn; goed functionerend watersysteem; goede waterkwaliteit; afstemmen van het watersysteem op de gebruiksfuncties.
De gemeente en het hoogheemraadschap gaan samen aan de slag om invulling te geven aan de visie op het stedelijk water. Voorde uitvoering van de verschillende maatregelen zullen gemeente en HHSK nauw samenwerken. In het tweejarig uitvoeringsprogramma staan de gewenste maatregelen voorde periode van 2 jaar beschreven. Dit programma wordt jaarlijks geactualiseerd. Betekenis voor het project
Het project vindt plaats binnen de contouren van het bestaande stationsterrein en heeft geen gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem en het functioneren van de riolering. Er worden geen watergangen rondom het station gedempt waardoor de toegekende functies aan de watergangen van het oppervlaktewatersysteem blijven gehandhaafd. Er is met de realisatie van het project geen sprake van activiteiten die de waterkwaliteit verslechteren. 4.3.5
5.1,2,e
aan den IJssel
In het Groenbeleid- en beheerplan uit 2009 werden randvoorwaarden gegeven om de karakteristieke, beheervriendelijke, veilige en duurzame groenstructuur te borgen. In het plan is de gewenste groenstructuur vastgelegd. Het doel van het vaststellen van de groenstructuur is het beschermen van bestaande structuren en het ontwikkelen van de gewenste groenstructuur.
De directe omgeving van het hoogspanningsstation, het Krimpenerhout, heeft aan alle zijden de huidige status 'groenstructuur 1e orde', en als gewenste structuur'robuuste groenstructuur'. De robuuste groenstructuur bestaat uit verschillende parken en groenzones die zich min of meer aaneensluitend door de gemeente bevinden. Het Krimpenerhout ligt ten zuiden van Krimpen en bestaat voornamelijk uit rietoevers en griendbossen. Door de opgaande beplanting krijgt men het idee middenin de natuur te zijn, ver weg van de stad. De oude slotenstructuur zoals die voorheen in het gebied aanwezig waren zijn in Krimpenerhout gedeeltelijk bewaard gebleven. Deze slotenstructuur met voornamelijk natuurlijke oevers vormt de ecologische verbindingen tussen de Krimpenerhout en het buitengebied. Een sterke ecologische verbinding naarde robuuste groenstructuur binnen de kern ontbreekt echter nog. Het Krimpenerhout gaat hét natuurgebied aan de rand van de stad worden. Om dit te bereiken is het gewenst de ecologische functies van het gebied verder te ontwikkelen en de relatie met Zwaneneiland en Stormpoldervloedbos te versterken. Door de natuurlijke inrichting van het Krimpenerhout heeft het naast de ecologische functies ook mogelijkheden voor recreatief gebruik zoals wandelen en fietsen. Dit groen is niet in eigendom van de gemeente. Maatregelen:
52
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
1. 2. 3.
Benutten ecologische kansen Handhaven/ versterken natuurlijke inrichting Creëren ecologische verbinding tussen Krimpenerhout en de Lek (via Begraafplaats Waalhoven en Stormpoldervloedbos)
Betekenis voor het project
Met het project, binnen het bestaande hoogspanningsstation, wordt de bestaande groenstructuur rondom het station niet aangetast.
4.3.6
Groenbeleid- en beheerplan
Dit geactualiseerde groenbeleids- en beheerplan is kernachtig, beeldend en toegankelijk voorde lezer. De inhoud van het oude plan is geactualiseerd. Daarbij is een splitsing gemaakt in groenbeleid en bomenbeleid, met een doorvertaling naar groenbeheer en bomenbeheer. In dit Groenbeleids- en beheerplan zijn de concrete richtlijnen en handvatten opgenomen voorde ontwikkeling, aanleg en het beheer van het openbaar groen, zodat de groenstructuur aan de volgende facetten voldoet. Het groen in de gemeente is: • Karakteristiek • Veilig • Duurzaam • Ecologisch waardevol • Recreatief waardevol • Leefbaar • Klimaatadaptief • Beheervriendelijk
In dit plan wordt uitsluitend gesproken over openbare groenvoorzieningen die zich binnen de gemeentegrenzen van Krimpen aan den IJssel bevinden. Betekenis voor het project
Het project wordt uitgevoerd binnen het bestaande stationsterrein dat intensief wordt gebruikt. Voor het project hoeven geen bomen te worden gekapt of anderszins structurerend groen te worden aangetast. 4.3.7
Natuurwaardenkaart
Met ingang van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 is niet alleen het wettelijk kader veranderd, maar is ook de beschermde status van veel soorten aangepast. De gemeente heeft hiervoor de bestaande natuurwaardenkaart laten actualiseren als storymap.
Bij de actualisatie van de natuurwaardenkaart is het overzicht van soorten aangepast aan de soorten beschermd onder de Wet natuurbescherming. Dit geeft inzicht in de (beschermde) natuur in de gemeente Krimpen aan den IJssel. Dit betreft zowel gebieden, soortgroepen en specifieke soorten. Alle factsheets in de Natuurwaardenkaart zijn aangepast conform de Gedragscode soortbescherming gemeenten.
De natuurwaardenkaart is een hulpmiddel om inzichtelijk te krijgen hoe zorgvuldig moet worden omgegaan met flora en fauna bij groen- onderhoud en beheer en ruimtelijke ontwikkelingen.
(De omgeving van) het projectgebied is in de Natuurwaardenkaart aangeduid als 'overige natuur', deelgebied 'buitengebied zuid'. Het buitengebied van Krimpen aan den IJssel ligt ten zuiden van het dorp. Dit gebied kenmerkt zich door de vele bosschages in het gebied. Het landschap typeert zich door de lange smalle percelen die worden omsloten door sloten. Dit gebied wordt intensief gebruikt door recreanten. Doordat dit het enige grootschalige stuk natuur in de gemeente is, zijn hier ook de meeste soorten te verwachten. De ‘overige natuur’ zijn de gebieden waarde gemeente geen werkzaamheden uitvoert, deze gebieden zijn in beheer bij externe partijen (terrein beherende organisaties of particulieren). Derhalve zijn voor deze gebieden geen gedragsregels opgesteld. Betekenis voor het project
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
53
omgevingsvergunning Transformatorvervanging KIJ380
Het project wordt uitgevoerd binnen het bestaande stationsterrein dat intensief wordt gebruikt. Voor het project hoeven geen bomen te worden gekapt. Op basis van een quickscan is geconcludeerd dat het projectgebied geen essentiële functie heeft voor (beschermde) soorten. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom uitgesloten.
54
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)