Bijlage 2c. Bestemmingsplan Zandrak 66 (Crimpenersteyn) - Toelichting
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld
4.2
Provinciaal beleid
In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. 4.2.1
Omgevingsvisie (geconsolideerd 2020) en Omgevingsverordening
Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die in 2024 in werking is getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: • • • • • • • • • • • •
Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening.
Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De provinciale regels zijn daaruit voortvloeiend vastgelegd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Zuid-Holland is op 7 augustus 2021 geactualiseerd vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. 4.2.1.1 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie (geconsolideerd 2020) en Omgevingsverordening Zoals in de Omgevingsvisie Zuid-Holland is aangegeven, is het van belang dat er een nieuw integraal ontwerp ontstaat waarbij ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Het planvoornemen zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik op een bestaande maatschappelijke locatie, welke wordt heringericht door middel van sloop en herbouw. Deze integrale herontwikkeling biedt daarbij kansen voor groene inpassing in de omgeving en versterking van groenstructuren alsmede een verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, hetgeen is aan te merken als een kwaliteitsimpuls. Wat betreft de Omgevingsverordening wordt opgemerkt dat de provincie Zuid-Holland beschikt over een eigen ladder. Er is besloten door de provincie om de nationale ladder grotendeels los te laten.
Bestemmingsplannen zullen daarom door de provincie worden beoordeeld op de wijze van toepassing van de rijksladder. Op een aantal punten is de rijksladder echter wel toegespitst op de Zuid-Hollandse situatie. Zo wordt gebruik gemaakt van het begrip ‘bestaand stads- en dorpsgebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld Op deze plek wordt, zoals reeds bij het rijksbeleid onder paragraaf 4.1.2 is getoetst, geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling een stedelijke ontwikkeling betreft. De (zorg)woningen/woon-zorgeenheden (hierna in kader van deze laddertoets: woningen) in het plangebied zullen echter met name bedoeld zijn voor de lokale behoefte. Er is een forse woningbehoefte in de regio en in de gemeente Krimpen aan den IJssel en er is behoefte aan het beoogde woonmilieu (zorgwoningen). Met de realisatie van het planvoornemen wordt een bijdrage geleverd om in deze behoefte te voorzien. Feitelijk is er dus sprake van een lokaal woningbouwprogramma. Het ruimtelijk verzorgingsgebied kan gezien vorenstaande worden bepaald op de gemeente Krimpen aan den IJssel en specifiek zelf als stad. Daarbij wordt voldaan aan de voorkeur van de provincie om te bouwen in bestaand stads- en dorpsgebied. Door hergebruik van de vrijkomende locatie van het bestaande Crimpenersteyn wordt immers voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking: immers wordt deze bestaande locatie benut voor herstructurering en transformatie binnen bestaand stedelijk gebied.
Er is dus sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die ontwikkelingen met het oog op ongewenste leegstand tegengaat en eveneens gebruik maakt van zorgvuldig ruimtebeslag. Het planvoornemen is daarom in overeenstemming is met de (laddertoets uit de) Omgevingsvisie en gezien deze motivering wordt gesteld dat het bestemmingsplan eveneens in overeenstemming is met de Omgevingsverordening. 4.2.2
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
4.3
Regionaal beleid
In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante regionale beleid behandeld.
4.3.1
Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030
In januari 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030 vastgesteld. In het Regioakkoord maken de veertien gemeenten van het ‘Samenwerkingsverband Wonen’ zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 uit te breiden. De gemeente Krimpen aan den IJssel is één van de veertien gemeentes van het Samenwerkingsverband Wonen. Daarnaast hebben 25 woningcorporaties woningmarktafspraken gemaakt. De regionale doelstellingen, zoals die zijn vastgesteld en in het Regioakkoord zijn opgenomen, betreffen: a.
De regio realiseert voldoende woningen in de totale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 638.300 woningen in 2030.
b.
De regio realiseert voldoende woningen in de sociale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 322.100 sociale woningen in 2030.
c.
De regio realiseert een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad.
d.
De regio wil voldoende beschikbaarheid op lokaal niveau en een regionaal gelijkmatiger toegang tot de sociale voorraad voor huurtoeslaggerechtigden. Concreet: Op gemeentelijk niveau wordt tenminste 75% van de vrijgekomen huurwoningen van corporaties met een huurprijs onder de liberalisatiegrens toegewezen aan de primaire doelgroep (huurtoeslaggerechtigden).
e.
De regio wil voldoende betaalbare woningen met een huur onder de bovenste aftoppingsgrens, zijnde € 640,-, prijspeil 2018, op lokaal niveau en meer balans van deze voorraad in de regio. Concreet: Op gemeentelijk niveau een sociale huurvoorraad van de corporaties die voor tenminste 70% bestaat uit woningen met een huurprijs tot de bovenste aftoppingsgrens
Voor de gemeente Krimpen aan den IJssel betekent dit concreet dat de woningvoorraad met 562 woningen uitgebreid moet worden in de periode tot 2030. Van de 562 woningen dienen 305 sociale huurwoningen gerealiseerd te worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld 4.3.2
Conclusie toetsing aan het regionaal beleid
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 240 woningen, betreffende 240 woonzorgeenheden (een toename van 25 ten opzichte van de bestaande 215 zorgwoningen). Met dit bestemmingsplan wordt daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan de uitbreiding van de woningvoorraad voor de gemeente Krimpen aan den IJssel. Er wordt daarmee aangesloten op regionaal en provinciaal beleid.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie 2003-2020
4.4.1.1 Algemeen
De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in september 2004 de structuurvisie 'Ruimte voor Ontwikkeling, een structuurvisie voor Krimpen aan den IJssel' vastgesteld. Deze structuurvisie stuurt vooral op beheer, ontwikkeling en vernieuwing van het bestaande stedelijk gebied. Veranderende maatschappelijke omstandigheden en de daarmee samenhangende veranderende behoeften van de bevolking dienen hierbij als uitgangspunten voor onderhoud en aanpassing van het bestaand stedelijk gebied. n de structuurvisie wordt voor een lange termijn, de periode tot 2030, een beeld geschetst voor de zeven onderscheiden thema's. Hieruit worden "de grote opgaven" geformuleerd waarvoor de gemeente zich geplaatst ziet. De structuurvisie heeft geen directe bindende werking voor de burger, op basis van de structuurvisie worden nog geen ontwikkelingen daadwerkelijk mogelijk gemaakt. Wel biedt de structuurvisie het ruimtelijke kader voor de uitwerking van concrete plannen en projecten. De uitwerking van de structuurvisie vindt plaats door middel van het vaststellen van bestemmingsplannen voor de diverse ontwikkelingslocaties. Deze zijn wel rechtstreeks bindend voor de burger. 4.4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie 2003-2020’ De voorgenomen ontwikkeling zorgt er voor dat er binnen het plangebied nieuwe en duurzame toekomstbestendige zorgwoningen worden toegevoegd.
Dit sluit aan op de behoefte aan dit soort woningen die er in Krimpen aan den IJssel is. Daarnaast betreft Crimpenersteyn een centraal gelegen plek, welke reeds in deze structuurvisie is genoemd als wenselijke locatie voor woonzorgfuncties. Het planvoornemen is dus zeer wenselijk. Het betreft een binnenstedelijke herontwikkeling op een bestaande centrale locatie (het planvoornemen zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik middels de gestapelde bouw), de bereikbaarheid is hier goed en de bewoners kunnen binnen het plangebied zowel wonen (een tweetal woonzorgconcepten, zie hoofdstuk 3) alsmede direct een beroep doen op de in de nabijheid beschikbare voorzieningen zoals zorg maar ook dagbesteding of ontmoetingsruimtes en andere ondergeschikte zorgfuncties. De initiatiefnemer biedt daarbij een tweetal woonvormen waar de zorg in allerlei vormen en intensiteit naar toekomt of aanwezig is, in een woonomgeving die goed toegankelijk en veilig is (Crimpenersteyn is een prettige locatie om te verblijven, in een bestaande woonwijk). Het is hierbij van belang te benoemen dat er sprake is van een integraal stedenbouwkundig ontwerp waarbij toevoeging van ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke structuurvisie. 4.4.2
Woonvisie 2020-2030
4.4.2.1 Algemeen De gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel heeft in januari 2021 de woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Een belangrijk element in de woonvisie is het behouden van het dorpste karakter van Krimpen met de groene woonomgeving. Dit karakter wenst men te behouden gecombineerd met een beperkte groei van het aantal woningen. Uit de woningbehoefteprognose volgt dat er een groeiopgave van destijds minimaal 555 woningen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld ligt voor de periode tot 2030. Naast de behoefte aan meer woningen wenst de gemeente ook in te spelen op de bekende trends, zoals vergrijzing en verdunning die ook in Krimpen aan de orde zijn. Dit betreft niet enkel senioren maar ook starters zonder kinderen. Deze trends leiden tot een grotere behoefte appartementen, met name in de koopsector, voor de starters en senioren. Daarnaast is er behoefte aan huurwoningen, met name grondgebonden woningen. Ondanks dat vergrijzing en verdunning ervoor zorgt dat de vraag naar betaalbare huisvesting toeneemt, wordt er ook ingezet op doorstroming. Met het toevoegen van gelijkvloerse woningen die aantrekkelijk zijn voor de Krimpenaren van boven de 55 of 65 wordt hierop ingespeeld. De vrijgekomen eengezinswoning komt zo beschikbaar voor de doelgroep. 4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Woonvisie 2020-2030’ De realisatie van de woonzorgwoningen op een bestaande binnenstedelijke herstructureringslocatie in een prettige woonomgeving met aantrekkelijke groenstructuren past binnen de speerpunten van de Woonvisie van de gemeente Krimpen aan den IJssel. Zo sluit het planvoornemen aan op de behoefte naar woonzorglocaties-/voorzieningen, zoals reeds eerder is aangetoond.
Daarbij sluit het planvoornemen ook goed aan op de beleidsontwikkelingen, er is immers sprake van realisatie van een bijzondere woonvorm, te weten de woonzorg-locatie (voorzien van een woonbestemming met daarbinnen maatschappelijke functies ter plaatse van een aanduiding zorgwoning toegestaan) betreffende appartementen voor bewoners met een zorgvraag. Tenslotte worden woningen gestapeld gebouwd, wordt het plangebied groen ingericht (klimaatbestendig) en worden deze conform de huidige wetgeving gasloos gebouwd en zijn hierdoor toekomstgericht, omdat deze voldoen aan de meest recente duurzaamheidseisen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen de doelstelling van de gemeentelijke woonvisie. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten en ambities, zoals verwoord in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie , het Besluit milieueffectrapportage en het aspect windhinder.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten (woonzorglocatie/zorgwoningen). Hierna wordt achtereenvolgend ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien het plangebied niet binnen de zone van een bestaande spoorlijn ligt. Daarnaast is het aspect ‘industrielawaai’ niet van belang aangezien het plangebied niet in de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein ligt. Het aspecten wegverkeerslawaai is in voorliggend geval wel van belang. Hierna wordt hier nader op ingegaan. Wegverkeerslawaai BJZ.nu heeft in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van IJsseldijk bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 39 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Nieuwe Tiendweg bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 38 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De cumulatieve geluidbelasting, exclusief reductie, bedraagt hoogstens 44 dB.
Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woonzorgeenheden wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt, op basis van de uitkomsten van het akoestische onderzoek, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2
Situatie plangebied
Terra AgriBusiness heeft ter plaatse van het plangebied een tweetal verkennend bodemonderzoeken uitgevoerd, dit omdat het plangebied uit een tweetal delen bestaat (deel gebouw A en B en deel voor gebouw C). Hierna zijn de conclusies uit deze onderzoeken opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 3 en 4 bij deze toelichting. Verkennend bodemonderzoek plandeel gebouw A en B Op de locatie gelegen aan de Zandrak 66 te Krimpen aan den IJssel, kadastraal bekend gemeente: Krimpen aan den IJssel, Sectie: C, nummer(s): 5752, 7393, 7395 is op 20 oktober 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Op het perceel bevindt zich een verzorgingstehuis met tuin en vijvers. De opdrachtgever is voornemens de gebouwen te slopen, de bestemming te wijzigen en nieuw te bouwen op het perceel. In het verleden hebben watergangen door de onderzoekslocatie gelopen tot circa 1980. Ter plaatse zijn een aantal diepe boringen geplaatst. In deze diepe boringen zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. In het bovengrondmengmonster BM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 zijn lichte verhogingen nikkel en lood aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 zijn lichte verhogingen nikkel en molybdeen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM4 is een lichte verhoging lood aangetroffen.
In de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen kobalt, nikkel, zink molybdeen, barium en naftaleen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 zijn lichte verhogingen xylenen barium en naftaleen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb3wm1 zijn lichte verhogingen xylenen en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat deze onderzoekslocatie geschikt is voor het beoogde gebruik en er geen milieu-hygiënische belemmeringen zijn. Verkennend bodemonderzoek plandeel gebouw C De locatie bestaat uit een grasveld en een gedeelte vijver. Op historische kaarten is geen bebouwing op de locatie te zien. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten en/of bedrijfsactiviteiten voorgedaan die van invloed zijn geweest op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. Tevens is er voor zover bekend, op de locatie nooit opslag aanwezig geweest van chemicaliën of brandstoffen zoals huisbrandolie of diesel. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1 zijn lichte verhogingen PCB’s en lood aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 is een lichte verhoging lood aangetroffen.
In het ondergrondmengmonster OM1 is een lichte verhoging molybdeen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Waterbodemonderzoek NEN5720 De onderzoekslocatie bestaat uit een vijver met oppervlaktewater. De vijver is conform strategie ON onderzocht. In de vijver zijn 6 slibsteken uitgevoerd die samen zijn gevoegd in 1 mengmonster.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld De baggerspecie van onderzoekstraject SM1 is verspreidbaar op aangrenzende percelen en/of in zoet oppervlaktewater. De baggerspecie mag worden toegepast op of in de landbodem als klasse wonen. Wat betreft de waterbodem mag de baggerspecie worden toegepast als klasse A. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader onderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en (zeer) fijn stof (PM2,5 en PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM2,5 /PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld 5.3.2
Situatie plangebied
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Om het vorenstaande aan te tonen kan een NIBM-berekening worden uitgevoerd. Om deze uit te voeren dient de verkeersgeneratie van het voornemen inzichtelijk te worden gemaakt. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW, zoals opgenomen in hoofdstuk 3. De totale verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling komt op basis van deze berekeningen afgerond neer op gemiddeld 634 (afgerond) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat is uitgegaan van een worstcase scenario gemodelleerd voor het woonzorg-initiatief. Immers beschikken deze bewoners veelal niet over een auto en wordt eveneens gesteld dat de dagopvang hoofdzakelijk in de woon-zorgvoorziening plaatsvind, en dat indien sprake is van dagactiviteiten elders er gereden zal worden met busjes voor 8 of 9 personen, om een zo efficiënt mogelijke wijze van vervoer te creëren.
De verkeersbewegingen voor het woon-zorginitiatief zullen dan ook met name bestaan uit zorgverleners en of bezoekers, waarbij het niet aannemelijk is dat dit dagelijks 634 bewegingen zal betreffen. Hierna volgt een uitsnede van de NIBM-tool, waarbij bovenstaande verkeersbewegingen zijn gemodelleerd in deze tool. Worst-case is het aandeel vrachtverkeer op 2% gezet, hiermee is onder andere rekening gehouden met het ophalen van de (huis)vuilcontainers, bestelbusjes voor (pakket)leveringen (ondermeer voor de ondergeschikte functies zoals de lunchroom in/en de buurtkamer), en nood- en hulpdiensten.
In de tabel zijn de maximaal toegestane waardes opgenomen. Uit voorgaande ‘worst-case berekening’ blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijn stof (PM10 en PM2,5) ruim wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat eveneens aan de advieswaarden van de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) wordt voldaan. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het woonzorgbebouwing wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 240 (zorg)woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit ‘niet in betekenende mate’ onder de ‘categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg’. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nslmonitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nieuwe Tiendweg ten oosten van het plangebied. Uit de NSLmonitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,7 µg/m³ voor NO2, 17,5 µg/m³ voor PM10 en 10,0 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,14 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voldoende duidelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Er zich geen hoogspanningsmasten in het plangebied bevinden.
Een (nader) onderzoek naar externe veiligheid is, op basis van bovenstaande inventarisatie, dan ook noodzakelijk. Het plangebied bevindt zich namelijk op circa 3,9 km van het spoortraject ‘Rotterdam Blijdorp – Gouda’ waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied is 4 kilometer, waardoor het plan in het invloedsgebied is gelegen. Conform het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ moet bij ruimtelijke plannen binnen 200 meter van transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd het groepsrisico worden beschouwd. Omdat de beoogde ontwikkeling voor het spoortraject op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten.
De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via diverse ontsluitingswegen, zie hiervoor hoofdstuk 3. Deze wegen sluit aan op het verdere
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld wegennetwerk van Krimpen aan den IJssel. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen maximaal 240 (zorg)woningen gerealiseerd worden. De aanwezige ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de aanwezige personeelsleden zoals de verpleegkundigen of de verzorgers/dan wel aanwezige kinderen of bezoekers de ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. In het kader van externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de geplande ontwikkelingen. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen nabij de kern Krimpen aan den IJssel. In de omgeving van het plangebied komen hoofdzakelijk woningen maar ook het bestaande Crimpenersteyn, maar ook ontsluitingswegen, infrastructuur en ook diverse soorten maatschappelijke functies voor.
Desondanks wordt het plangebied aangemerkt als een ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt.
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het ‘wonen’ (woonbestemming) in appartementen is in beginsel niet milieubelastend voor de omgeving, maar een ‘woonzorginstelling’ (woonzorgappartementen voor hulpbehoevenden) behoeft echter wel nadere toetsing. Deze voorziening is in dit bestemmingsplan immers voorzien van een woonbestemming, welke BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld maatschappelijke functies toestaat. Deze woonzorgfunctie als deze is daarom het meest vergelijkbaar met een ‘verpleeghuis’. Gelet op de aard en omvang van het voornemen is de functie echter niet volledig te vergelijken met een ‘verpleeghuis’. Een verpleeghuis wordt namelijk aangemerkt als een milieucategorie 2 inrichting, waarvoor een richtafstand van 30 meter in een ‘rustige woonwijk’ wordt geadviseerd. Een nuancering is daarom op zijn plaats, en kan de functie beter worden gezien als een ‘serviceflat of een aanleunwoning’. De milieubelasting van voorliggend initiatief op de omgeving betreft het vervangen van een bestaande maatschappelijke woonzorglocatie voor een drietal nieuwe, losstaande, zorgappartementengebouwen. Verder zijn er tot op heden geen vormen of soorten van (milieukundige)overlast als gevolg van dit bestaande initiatief bekend. Gesteld wordt verder dat de richtafstand tussen het bouwvlak van het planvoornemen (verwezen wordt naar de plankaart bijhorend bij dit bestemmingsplan) en de dichtstbijzijnde woningen in alle gevallen ruim meer dan 10 meter zal bedragen, hetgeen voor een categorie 1 functie als een serviceflat voldoende is.
Tevens zijn ter buffering groenbestemmingen en/of woonbestemmingen zonder bouwmogelijkheden tussen het planvoornemen en de dichtstbijzijnde woningen gesitueerd, op deze manier wordt voorkomen dat de maatschappelijke bebouwing op kortere afstand wordt gebouwd. Voorstaande paragraaf geldt eveneens voor de kleinschalige/ondergeschikte dagopvang en de andere ondergeschikte functies (buurtkamer), zoals de buurtkamer/lunchroom in de maatschappelijke bestemming, ondergeschikt aan de woonzorginstelling, waar voorgenoemde richtafstanden eveneens op van toepassing zijn. Hiervoor wordt gesteld dat dit een dusdanig ondergeschikte functie aan de maatschappelijke functie betreft, die goed nabij/in-of aanpandig bij woningen en/of zorgwoningen kan worden uitgeoefend en dat deze functie daarom geen nadere toetsing behoeft. Gelet op deze onderlinge afstanden wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden van alle te realiseren functies en gesteld dat geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Globaal wordt het plangebied begrensd door voornamelijk woonfuncties, uitsluitend voor gebouw C is op relatief korte afstand (45 meter) ten zuiden een openbare basisschool gelegen (Wielerbaan 17).
De basisschool kan op basis van de basiszoneringslijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' het best wordt aangemerkt als 'Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs'. Dergelijke functies worden aangemerkt als milieucategorie 2 functies, met een grootste richtafstand in gemengd gebied van 10 meter voor het aspect geluid. Voor de aspecten stof, geur en gevaar geldt geen richtafstand (0 meter). Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Uit het oogpunt van milieuzonering vormt deze maatschappelijke bestemming daarom geen belemmering voor het planvoornemen in het onderhavige plangebied. Overige functies rondom het plangebied De woningen rondom het plangebied worden niet als belemmerend aangemerkt voor het planvoornemen, dit geldt eveneens voor het open water aan de zuid en de groengronden zoals het park. Deze gronden of functies zijn niet millieugevoelig en/of ondervinden geen hinder van voorliggend planvoornemen. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
Veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit staan milieuregels, vooral voor bedrijven. Alle bedrijven in Nederland vallen onder het Activiteitenbesluit, behalve als ze geen ‘inrichting’ zijn. Veel van de voorschriften van het Activiteitenbesluit zijn verder uitgewerkt in de Activiteitenregeling. In het Activiteitenbesluit staan regels per soort milieubelastende activiteit (bijvoorbeeld metaalbewerking) en per soort milieubelasting (bijvoorbeeld geluid). Soms is het mogelijk om met 'maatwerkvoorschriften' af te wijken van de regels van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit kent verschillende regels voor verschillende typen inrichting. Het Activiteitenbesluit maakt een onderscheid tussen inrichting type A, B en C. Een bedrijf dat onder het Activiteitenbesluit valt moet soms een melding doen als het begint of verandert. 5.6.2
Situatie plangebied
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen grondgebonden- of intensieve veehouderijen. Daarom wordt gesteld dat veehouderijen als gevolg van de ontwikkeling, gezien de ruime onderlinge afstand, niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 15 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Op kortere afstanden van het plangebied bevinden zich verschillende andere Natura 2000-gebieden. Echter zijn deze gebieden niet stikstofgevoelig. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde.
Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5 deze toelichting. Om inzicht te geven in de stikstofdepositie van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn de onderstaande bronnen in de AERIUS-Calculator ingevoerd: • • •
Aanlegfase: verkeersgeneratie met betrekking tot het sloop- en bouwverkeer. Aanlegfase: te benutten werktuigen binnen het plangebied. Gebruiksfase: verkeersgeneratie met betrekking tot de woningen.
Uit de rekenresultaten van de aanleg- alsook de gebruiksfase blijkt dat er géén sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Geconcludeerd wordt dat hiermee geen sprake is van een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie ten gevolge van dit plan. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN is gelegen op circa 140 meter afstand. Gezien de afstand van het plangebied tot aan het gebied en het feit dat van areaalvermindering geen sprake is, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Een ontheffing in het kader van het NNN is niet noodzakelijk. 5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Zowel Natuurbank Overijssel en BJZ.nu hebben in voorliggend geval een ecologisch onderzoek uitgevoerd, Natuurbank Overijssel heeft dit voor de locatie van gebouwen A en B gedaan, en BJZ.nu voor de locatie van gebouw C. Hierna zijn de conclusies uit deze onderzoeken opgenomen. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar bijlage 6 en bijlage 7 bij deze toelichting. Quickscan locatie gebouwen A en B (bijlage 6)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepaling ’opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren.
Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober).
Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet opzettelijk gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, dienen ze verjaagd te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Op basis van deze bevindingen is een nader soortenonderzoek uitgevoerd, dit is uitgevoerd door Lycens en is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Nader onderzoek locatie gebouwen A en B (bijlage 8) In de zomer en najaar van 2022 is de bebouwing in het onderzoeksgebied onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat er vijf verblijfplaatsen (zomerverblijfplaatsen) van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn.
Om werkzaamheden uit te mogen voeren, met nadelige gevolgen voor de verblijfplaatsen en de diersoorten, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Daarnaast dient er gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode en er moeten vervangende verblijfplaatsen worden opgehangen. In de vervangende nieuwbouw moeten duurzame, vervangende verblijfplaatsen aangebracht te worden. Het verkrijgen van een ontheffing is een tijdrovend proces. En zijn daarom reeds vleermuiskasten opgehangen om een ontheffing mogelijk te maken. Tevens wordt de benodigde ontheffing aangevraagd. Ter borging hiervan is in de regels een sloopverbod opgenomen, teneinde deze aspecten te borgen en sloop te voorkomen zonder ontheffing. Tenslotte worden er natuur-inclusieve maatregelen toegepast in de ontwerpen van de te bouwen appartementengebouwen. Dergelijke maatregelen kunnen een positief effect hebben op zowel de (belevings)waarde van de omgeving als op de lokale biodiversiteit. Bovendien kan een groene wijk beter tegen extreem weer als gevolg van klimaatverandering en krijgt luchtvervuiling minder kans. Door middel van faunavoorzieningen als mussen-, zwaluw- en vleermuiskasten of de aanplant van inheemse bloemrijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld kruiden-, gevel- en struikstructuren kan het plangebied aantrekkelijk gemaakt worden voor diverse vogelsoorten, vleermuizen en insecten. Quickscan locatie gebouw C (bijlage 7) Vogels Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van vogelnesten dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute verstoord. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Overige soorten Er worden geen andere beschermde flora- of faunasoorten verwacht binnen het plangebied omdat het geen geschikte habitat biedt of buiten de landelijke verspreiding van beschermde soorten ligt. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Natuur inclusief bouwen Er wordt aangeraden om natuur inclusieve maatregelen toe te passen in de ontwerpen van de te bouwen woningen. Dergelijke maatregelen kunnen een positief effect hebben op zowel de (belevings)waarde van de omgeving als op de lokale biodiversiteit.
Bovendien kan een groene wijk beter tegen extreem weer als gevolg van klimaatverandering en krijgt luchtvervuiling minder kans. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstof niet belemmerend werkt voor het planvoornemen. Er dient echter wel een ontheffing te worden aangevraagd en verkregen voor soortenbescherming. Ter borging hiervan is een sloopverbod in de regels opgenomen.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan ‘Krimpen aan den IJssel, Zandrak 66 (Crimpenersteyn)’ Status: Vastgesteld verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De locatie is getoetst aan het vigerende planologische regime, waarbinnen archeologische verwachtingswaarden zijn doorvertaald middels dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie (met daarbij enkele nummers). Het plangebied is ter plaatse van het zoekgebied voor gebouw C deels voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden, daar waar mogelijk in de grond. Uit raadpleging van deze bestemming volgt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 10.000 m² beslaan. Gesteld kan echter worden dat het planvoornemen voor gebouw C geen onderzoeksplicht in het kader van archeologie kent, aangezien er geen roering van een terreinoppervlakte van meer dan 10.000 m² zal zijn.