Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing (+ oplegnotitie aanpassingen)
Tekst van het document
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De verkeersaspecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn inzichtelijk gemaakt in een oplegnotitie (Rho Adviseurs, d.d. 4 mei 2026, 20211861.001/251505/WeRi, zie bijlagen bijlage 8).
Hierin zijn de hoofdlijnen uit de beschikbare onderzoeken van Goudappel en reacties hierop overzichtelijk gepresenteerd, zodat per onderwerp duidelijk wordt welke bevindingen zijn gedaan, welke discussiepunten zijn opgeworpen en tot welke eindconclusie dit leidt. Navolgend zijn de conclusies per verkeersaspect zoals gepresenteerd in de oplegnotitie weergegeven. Ten aanzien van de modal split (vervoerwijzekeuze) is in de notitie uiteengezet dat het aandeel auto dominant is, dat de fiets een relevante secundaire rol speelt en dat het aandeel openbaar vervoer naar verwachting zeer beperkt is. Vanwege de ligging van de locatie is dit aannemelijk. De locatie is wel
45
bereikbaar voor langzaam verkeer en openbaar vervoer, maar de functionele betekenis van openbaar vervoer voor deze vestiging blijft naar verwachting klein. De verkeersgeneratie van fietsers en voetgangers leidt slechts tot beperkte extra intensiteiten, waardoor de effecten gering zijn. De locatie zal voornamelijk per auto en in mindere mate per fiets worden bezocht. Goudappel heeft de autoverkeersgeneratie berekend op 4.983 motorvoertuigen per etmaal en maximaal 377 per uur. Deze berekening is gebaseerd op de omloopsnelheid van parkeerplaatsen plus de maximale capaciteit van de drive-through. Een berekening op basis van het eigen verkeersgeneratiemodel McDonald’s komt lager uit, namelijk op maximaal 248 motorvoertuigen per uur. De verkeersgeneratie van auto’s is dan ook conservatief berekend; het is aannemelijk dat de feitelijke verkeersgeneratie lager zal liggen dan de gehanteerde worstcaseschatting. De ontwikkeling leidt niet tot capaciteitsproblemen op de rotonde en veroorzaakt geen doorslaggevende verslechtering van de doorstroming. Een toename van het aantal automobilisten heeft geen merkbare negatieve gevolgen voor de oversteekbaarheid; de wachttijden blijven gelijk.
Eventuele infrastructurele maatregelen aan de rotonde, zoals het afsluiten van een rijstrook, betreffen vooral een zelfstandige afweging van de provincie als wegbeheerder en zijn niet noodzakelijk als gevolg van onderhavige ontwikkeling. De rotonde vraagt als turborotonde algemene veiligheidsaandacht, maar uit het dossier volgt niet dat de ontwikkeling leidt tot een substantiële verslechtering van de verkeersveiligheid. Eventuele resterende veiligheidsvraagstukken hangen in belangrijke mate samen met de bestaande situatie en behoren primair tot de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder. Uit het geheel aan onderzoeken blijkt dat de verkeerskundige effecten van de beoogde ontwikkeling over de hele linie beperkt zijn. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt acceptabel is. Het aspect verkeer vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Er dienen bij een ruimtelijke ontwikkeling voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden. In Krimpen aan den IJssel gelden, zoals ook beschreven in het Veeg-bestemmingsplan Langeland, geen gemeentelijke parkeernormen. Wel wordt in de Verkeers- en vervoervisie van de gemeente verwezen naar de meest recente parkeerkencijfers, wat op het moment van schrijven de normen uit CROW-publicatie 744 zijn. Daarnaast wordt in de Verkeers- en vervoervisie aangegeven dat voor het grootste deel van het gemeentelijke grondgebied de parkeernormen van 'matig stedelijk' 'schil centrum' aangehouden dienen te worden. Voor het bepalen van de parkeernorm is gerekend met de functie 'Restaurant' in 'matig stedelijk' 'buitengebied'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.
Het beoogde horecapaviljoen krijgt een bvo van ca. 700 m². Hieruit vloeit een parkeereis van (7*8=) 56 parkeerplaatsen voort. Gelet op de parkeerplaatsen die nodig zijn voor gebruikers van de McDrive die hun eten in de auto opeten op de parkeerplaats en voor bezoekers van het recreatiegebied is gekozen voor het aanleggen van meer parkeerplaatsen (63) dan volgt uit de parkeernorm. Dit voorkomt foutparkeren en zoekverkeer. Ook in de oplegnotitie verkeersonderzoeken (zie bijlagen bijlage 8) is bevestigd dat op eigen terrein ruim voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is voor de McDonald's.
46
De realisatie van extra parkeerplaatsen doet in dit geval geen afbreuk aan de verhardingsbalans, aangezien gebruik wordt gemaakt van het bestaande verharde oppervlak. Om het groen op het parkeerterrein te verhogen wordt het project landschappelijk ingepast en om de waterhuishouding te verbeteren wordt een HWA-stelsel aangelegd. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende parkeersituatie.
4.12 Sociale veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden beoordeeld of de voorgenomen functie op de betreffende locatie uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Daarbij kunnen, afhankelijk van de aard van de ontwikkeling en de ligging ten opzichte van de omgeving, ook aspecten van sociale veiligheid een rol spelen. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat sociale veiligheid en mogelijke overlast in de openbare ruimte in beginsel primair een kwestie zijn van toezicht, handhaving en openbare orde. Het bevoegd gezag hoeft in het ruimtelijk spoor daarom in beginsel niet uit te gaan van een situatie waarin zich in de openbare ruimte overlast voordoet. Tegelijkertijd volgt uit de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:632, en 23 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2513, dat, indien sociale veiligheidsaspecten gelet op de aard van het gebruik relevant zijn voor de ruimtelijke afweging, het bevoegd gezag hier niet geheel aan voorbij kan gaan. Sociale veiligheid dient daarom, voor zover ruimtelijk relevant, te worden betrokken in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het initiatief. Planspecifiek Ten behoeve van de exploitatie van het onderhavige horecabedrijf (McDonald's) een exploitatievergunning vereist. In dat kader wordt tevens een veiligheidsplan opgesteld.
De omgevingsvergunning schrijft duidelijk voor dat dit veiligheidsplan, ter borging van een aanvaardbare exploitatie, vóór ingebruikname van het restaurant wordt vastgesteld. Dit wordt als zodanig door het college als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. In het veiligheidsplan worden in ieder geval de organisatie, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, de afstemming met gemeente en hulpdiensten, de incident- en calamiteitenorganisatie, relevante werkwijzen en protocollen en de voor de locatie benodigde beheersmaatregelen vastgelegd. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de exploitatie zal plaatsvinden binnen een adequaat veiligheidsregime. De nadere operationele uitwerking van deze maatregelen behoort primair tot het kader van de exploitatie, het toezicht en de handhaving en hoeft daarom in het ruimtelijk spoor niet volledig op detailniveau te worden geregeld. Geconcludeerd wordt dat het aspect sociale veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits voor ingebruikname van het restaurant een veiligheidsplan is vastgesteld en de daarin opgenomen maatregelen, voor zover vereist, worden geborgd in het kader van de exploitatievergunning en het daarop gebaseerde toezicht- en handhavingsregime. Daarmee is sprake van een aanvaardbare situatie vanuit ruimtelijk oogpunt.
47
5 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de vergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd. Overige gemeentelijke kosten worden middels leges op initiatiefnemers verhaald. Voor eventuele planschade vraagt de gemeente dat initiatiefnemer met de gemeente een planschadeverhaalsovereenkomst sluit. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarop de grondexploitatieregeling van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet nodig.
48
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). In beginsel kunnen alleen belanghebbenden in beroep gaan. Echter heeft een uitspraak van de Raad van State op 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953) hier verandering in gebracht: de mogelijkheid te procederen bij de bestuursrechter komt in sommige zaken niet langer exclusief toe aan belanghebbenden. Participatie Het nieuwbouwinitiatief is door de initiatiefnemers op 22 juni 2023 gepresenteerd aan omwonenden. Dit betreft de eigenaresse en huurders van het naastgelegen recreatieterrein met chalets en de bewoners van een drietal woningen aan de Breekade aan de overzijde van de N201, respectievelijk op 175m, 280m en 350m afstand. In bijlagen bijlage 9 is een verslag van deze bijeenkomst opgenomen. Na de presentatie van de plannen is er ruimschoots aandacht besteed aan vragen en zorgen van de omwonenden.
Dit ging dan over koplampen van auto’s, zwerfafval, geluidsoverlast, bereikbaarheid recreatieterrein, verkeersveiligheid, stankoverlast, aanleg van glasvezel, het ontwerp van het gebouw en de mogelijkheid om te solliciteren bij het nieuwe McDonald’s restaurant. In bijlagen bijlage 10 is opgenomen hoe het plan naar aanleiding van de omgevingsdialoog is aangepast. Tijdens een tweede dialoogbijeenkomst op 4 december 2023 is een reactie gegeven op de gestelde vragen en is een aantal geuite zorgen weggenomen. Een verslag van deze dialoog is opgenomen in bijlagen bijlage 11. Waar mogelijk en nodig zijn aanpassingen in het plan opgenomen. In bijlagen bijlage 12 is de wijze van afhandeling opgenomen. Er wordt in het tweede kwartaal van 2026 nog een bewonersavond georganiseerd waarin onder andere het landschappelijk inpassingsplan en zwerfafvalconvenant onder de aandacht gebracht worden. Zienswijzen Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning heeft vanaf 12 juni 2025 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn zienswijzen ontvangen, die beantwoord zijn in een Nota van beantwoording zienswijzen.
49
7 Conclusie Het plan past binnen de kaders van het geldende provinciale en gemeentelijke beleid. Daarnaast vormt het plan geen belemmering voor het tracé voor buisleidingen van nationaal belang. Verder is het plan milieutechnisch goed inpasbaar doordat er maatregelen worden getroffen om het restaurant energieneutraal uit te voeren en de gevolgen voor het milieu geminimaliseerd worden. Vanuit het grootste deel van de aspecten van de milieuaspecten komen geen belemmeringen voort. Op het gebied van bodem en verkeer en parkeren worden maatregelen getroffen om te kunnen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Alle aspecten afwegende kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
50
Buro SRO B.V. 3525 AA Utrecht BTW nummer: KvK nummer: Rekeningnummer:
t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
Gemeente Krimpen aan den IJssel t.a.v. het college van burgemeester en wethouders Postbus 200 2920 AE Krimpen aan den IJssel Utrecht, 5 mei 2026 (actualisatie versie 1 april 2025) Ons kenmerk: SR230172 Betreft: Verzoek m.e.r.-beoordelingsbesluit CG Roosweg 20 Krimpen aan den IJssel
Geacht college, Hierbij verzoeken wij u namens initiatiefnemer om een besluit te nemen op deze aanmeldnotitie voor de ontwikkeling aan de CG Roosweg 20 te Krimpen aan den IJssel. De ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van een nieuw horecapaviljoen. Daarbij worden verschillende ingrepen gedaan om de beoogde situatie in te passen. Een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals de bouw van een horecapaviljoen, staat vermeld als activiteit op de zogenaamde D lijst (D11.2) van het Besluit milieueffectrapportage. Bij een oppervlakte van 100 ha of meer en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer is het verplicht een m.e.r.(-beoordeling) op te stellen. De beoogde ontwikkeling betreft een aanzienlijk kleinere oppervlakte en bedrijfsvloeroppervlakte. Daarmee bestaat er geen verplichting om een m.e.r. op te stellen en kan volstaan worden met een (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Conform de gewijzigde regelgeving van 7 juli 2017 moet voor elke aanvraag, waarbij een m.e.r.-beoordeling aan de orde is: • door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; • het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. De aanmeldnotitie heeft tot doel het bevoegd gezag een besluit te laten nemen omtrent de m.e.r. Deze notitie moet daarom inzicht geven in de gewenste activiteit, de verwachte milieugevolgen en het tijdspad.
Voorliggende aanmeldnotitie voorziet hierin, waarmee wordt voldaan aan de in bijlage III bij de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) aangegeven omstandigheden. Deze omstandigheden hebben betrekking op: 1. de kenmerken van de activiteit; 2. de plaats van de activiteit; 3. de kenmerken van mogelijke effecten.
1. Kenmerken activiteit De initiatiefnemer heeft het voornemen om een horecapaviljoen te realiseren en deze te verhuren aan McDonald’s Nederland. Het nieuwe paviljoen komt ongeveer op dezelfde plek te staan als het voormalige pand en krijgt een bruto vloeroppervlakte van 700 m² en bouwhoogte van 8 m. Gezien de beperkte omvang van het initiatief worden de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschreden, waardoor volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarnaast spelen er geen initiatieven in de omgeving van het plangebied waarmee cumulatie van milieueffecten kan optreden. De effecten van het project kunnen als opzichzelfstaand worden beschouwd. Op de navolgende afbeelding is de beoogde situatie weergegeven.
Beoogde situatie (bron: Trovis architectuur)
Het paviljoen gaat voldoen aan de hedendaagse standaarden op het gebied van bouwtechniek en duurzaamheid. In het beoogde paviljoen zal niet alleen een restaurant worden gerealiseerd, maar het gaat ook beschikken over een McDrive (drive through). Hiervoor wordt op het terrein een route aangelegd; in het noorden van het gebied rijden bezoekers de McDrive in, rijden aan de westzijde langs het pand, kunnen zich hier opstellen om hun eten af te halen en rijden vervolgens langs de zuidzijde weer richting de CG Roosweg. In de huidige situatie is het terrein vrijwel volledig verhard met asfalt. In de toekomstige situatie neemt de oppervlakte aan verhard oppervlak beperkt toe, zoals te zien is op navolgende afbeelding.
pagina 2 van 6
Vergelijking verharding: links voormalige situatie, rechts nieuwe situatie
In plaats van asfalt wordt er elementenverharding aangebracht en worden er op het terrein diverse plantenbakken geplaatst. Daarnaast wordt, om de hemelwaterafvoer te verbeteren, het terrein opgehoogd en wordt er een HWA-stelsel onder de beoogde verharding aangelegd. Het hemelwater wordt afgevoerd op de omliggende watergangen. Het nieuwe gebouw wordt aangesloten op het bestaande rioolsysteem. De verkeersafwikkeling vindt plaats middels een ontsluiting aan de zuidoostkant van het perceel, die aansluit op de rotonde C.G. Roosweg – Breekade. Om in de parkeerbehoefte van het personeel en de bezoekers te voorzien worden 69 parkeerplaatsen op het terrein gerealiseerd. Het effect van het verkeer komt aan bod onder ‘kenmerken mogelijke gevolgen’. 2. Plaats activiteit Het plangebied bevindt zich aan de CG Roosweg te Krimpen aan den IJssel. Het plangebied staat bekend onder de kadastrale gemeente Krimpen aan den IJssel, sectie A, perceel 6661. De gronden waar de ontwikkeling van het horecapaviljoen is voorzien zijn in de huidige situatie onbebouwd en grotendeels verhard. Het horecapaviljoen dat zich voorheen op de locatie bevond is reeds gesloopt. Er zijn geen hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen aanwezig op de locatie. De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Er wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones.
Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent. In een boringsvrije zone zijn graafwerkzaamheden dieper dan 4 meter onder het maaiveld niet zonder meer toegestaan en zijn ook werkzaamheden die de weerstand van de scheidende laag verminderen vergunningplichtig. Dergelijke werkzaamheden zijn bij onderhavig plan niet aan de orde. Het plangebied bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden of in een gebied waar milieunormen worden overschreden. Wel ligt het plangebied op korte afstand (ca. 50 m) van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN heeft in de provincie Zuid-Holland geen externe werking (effecten van handelingen buiten de als NNN begrensde gebieden), waardoor negatieve effecten op het NNN uit te sluiten zijn.
pagina 3 van 6
3. Kenmerken mogelijke effecten De effecten van het project zijn lokaal van aard. In het kader van de planologische procedure zijn verschillende milieuaspecten onderzocht. Navolgend worden ook de milieueffecten van het project, onder andere aan de hand van de onderzoeken die in het kader van de planologische procedure zijn uitgevoerd, voor de betreffende aspecten beschouwd: •
•
•
•
Afval. Als gevolg van de ingebruikname van het nieuwe horecapaviljoen zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen bestaan uit hoofdzakelijk uit oud frituurvet, verpakkingsmateriaal en voedselresten. Door het restaurant worden maatregelen getroffen om de gevolgen van deze afvalproductie te verkleinen. Zo wordt het afval gemonitord en gereduceerd door maximale recycling van restafval door bron- en nascheiding. Daarbij wordt toegewerkt naar circulariteit. Daarnaast worden er op het openbaar toegankelijke terrein meerdere afvalbakken geplaatst en wordt er meermaal daags opgeruimd in de ruimte omgeving (ook buiten het terrein van het restaurant). Om zwerfafval te voorkomen wordt tevens door zowel de gemeente Krimpen aan den IJssel als McDonald’s een zwerfafvalconvenant ondertekend. Ten slotte worden er verpakkingen gebruikt zonder zware plastics die volledig recyclebaar zijn. Bodem. De bedrijfsactiviteiten zouden kunnen leiden tot bodemverontreiniging, als de vrijkomende afvalstoffen zoals frituurvet in de bodem terecht komen. Daarom wordt de bodem goed afgedekt en wordt er een speciale vetvangput geïnstalleerd. De bodemverontreinigingen die zich reeds op de locatie bevinden zijn in beeld gebracht met een bodemonderzoek en worden onder een beschikt saneringsplan behandeld conform wet- en regelgeving.
Onderdeel daarvan is het monitoren van het grondwater en het aanbrengen van damwanden, zodat de mobiele verontreiniging zich niet verder verspreid. Bij de sloop- en aanlegfase wordt niet gewerkt met stoffen die kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Bij de graafwerkzaamheden wordt voor het aanleggen van het nieuwe gebouw asfalt verwijderd. Het asfalt dat wordt verwijderd wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Na het verwijderen van het asfalt wordt een folie gelegd en wordt 40 cm zand aangebracht. Tevens wordt een drainage aangebracht. Er worden daarmee geen natuurlijke hulpbronnen uit de bodem onttrokken. Wel worden ten behoeve van de nutsvoorzieningen enkele sleuven gegraven. De uitkomende grond wordt uitgevlakt dan wel afgevoerd naar een verwerker. Er zijn voor het aspect bodem geen milieueffecten te verwachten. Geluid. Restaurants zijn geen geluidbronnen als bedoeld in de Wgh. Daarnaast is de afstand tot omliggende woningen en andere geluidgevoelige objecten voldoende om structurele geluidoverlast uit te sluiten. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich immers op een ruime afstand van ca. 175 m van het horecapaviljoen. Verder kunnen omwonenden hinder ondervinden door de geluidsproductie tijdens de aanlegfase. De geluidproductie zal tijdens de gehele aanlegfase variëren in intensiteit en veelal doordeweeks tijdens werktijden plaatsvinden.
Doordat de werkzaamheden niet 's nachts plaatsvinden zijn gevolgen voor de gezondheid (door verstoring van slaap) uit te sluiten. Bovendien zijn de werkzaamheden van tijdelijke aard. Er zijn vanuit het aspect geluid geen ernstige milieueffecten te verwachten. Verkeer. Een belangrijk gevolg van de ingebruikname van het nieuwe horecapaviljoen is de verkeers-aantrekkende werking van het restaurant met “drive-through”. Uit een mobiliteitsstudie van Goudappel (013993.20230803.N1, d.d. 1 april 2025) blijkt dat het McDonald’s restaurant een verkeersgeneratie van 4.983 verkeersbewegingen per weekdagetmaal met zich meebrengt. Hiervan is niet al het verkeer ‘nieuw’: een deel van het verkeer bevindt zich al op de weg. Het totale verkeer dat het restaurant bezoekt kan afbreuk doen aan de verkeersveiligheid en een goede verkeersafwikkeling. Goudappel heeft dit onderzoek uitgevoerd en hierover in diverse rapporten gerapporteerd. De eindconclusies van de onderzoeken, na diverse pagina 4 van 6
•
•
•
beoordelingen door Rho adviseurs, zijn opgenomen in een oplegnotitie verkeersonderzoeken (Rho adviseurs, 20211861.001/251505/WeRi, d.d. 4 mei 2026). Uit het geheel aan onderzoeken blijkt dat de verkeerskundige effecten van de beoogde ontwikkeling over de hele linie beperkt zijn. De capaciteit van de rotonde blijft voldoende, ook onder worstcase aannames. De verkeersgeneratie van fietsers en voetgangers leidt slechts tot beperkte extra intensiteiten, waardoor de effecten gering zijn. De verkeersveiligheid op de rotonde is onderzocht aan de hand van ongevalsgegevens. Daaruit volgt dat de rotonde niet als onveilig kan worden aangemerkt. Een toename van het aantal automobilisten heeft geen merkbare negatieve gevolgen voor de oversteekbaarheid; de wachttijden blijven gelijk. Daarnaast brengt het ‘nieuwe’ verkeer geluid en fijnstof met zich mee. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen woningen die geluidoverlast door het verkeer kunnen ervaren. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op ca. 175 m ten zuiden van het restaurant en ligt langs de N477. Vanaf het restaurant verspreidt het verkeer zich zodanig dat het onderdeel uitmaakt van het heersende verkeersbeeld en maar een beperkte bijdrage aan de totale geluidproductie op de wegen levert.
De toename van het verkeer door de realisatie van het restaurant is daarmee op de N477 dusdanig beperkt dat de geluidbelasting op de gevel van de woning niet toeneemt. Om de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het verkeer in beeld te brengen is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de maximale bijdrage door het extra verkeer 1,01 µg/m³ NO2 en 0,21 µg/m³ PM10 bedraagt. Dit zijn waarden onder de grens voor ‘niet in betekende mate’ (1,2 µg/m³), waardoor het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit. Het verkeer dat op gang komt door de realisatie van het restaurant draagt niet in betekende mate bij aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit (zie onder bullet ‘Verkeer’). Het paviljoen zal volledig elektrisch zijn, met 100% groene stroom van Nederlandse windparken. Er wordt dus niet middels gas verwarmd, waardoor rookgassen uit CV-installaties uit te sluiten zijn. In de keuken gebruikt McDonald's LOV-fryers (low volume), energiebesparende friteuses en vaatwassing met warmteterugwinning. Daardoor is de productie van fijnstof aanzienlijk lager dan bij een traditionele keuken en leidt het niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Door het gebruik van modern materieel zijn ook de effecten voor de luchtkwaliteit tijdens de aanlegfase beperkt.
Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige milieueffecten zijn. Stikstof. Om het effect van de bij het project vrijkomende stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden in beeld te brengen is een berekening uitgevoerd met de AERIUS Calculator (Buro SRO, d.d. 26 november 2025). In deze berekening zijn zowel de aanleg- als gebruiksfase in 2025 gemodelleerd. Hieruit zijn geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j gebleken. Daarmee heeft het plan geen significant effect op stikstofgevoelige habitattypen. Geur. De afstand tot omliggende woningen is voldoende om structurele geuroverlast uit te sluiten (de dichtstbijzijnde woning ligt op ca. 175 m). Tevens zal het restaurant zich moeten conformeren aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dat vereist dat geurhinder voorkomen moet worden of beperkt moet worden tot een aanvaardbaar niveau (wordt niet gedefinieerd in het Activiteitenbesluit of de Activiteitenregeling). Dat wordt gedaan door een afvoer te plaatsen die hoger ligt dan de daklijn van de dichtstbijzijnde gebouwen. Deze eis geldt vanuit de Activiteitenregeling enkel voor gebouwen binnen een straal van 25 m vanaf de afvoer. In onderhavig geval is er binnen 25 m geen bebouwing aanwezig.
Wanneer de plaatsing van de afvoer niet tot een aanvaardbaar niveau bij omliggende gebouwen leidt zal er actieve ontgeuring aangebracht worden. pagina 5 van 6
•
•
•
•
•
Externe veiligheid. De stoffen en technologieën die toegepast worden bij de aanlegwerkzaamheden brengen geen verhoogd risico op ongevallen, anders dan de gebruikelijke risico’s bij bouwwerkzaamheden, met zich mee. Het project heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een Bevi-inrichting. In het plangebied zijn geen gevaarlijke inrichtingen, transportroutes of buisleidingen voorzien. Uit een uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse voor de ten zuiden gelegen buisleiding (AVIV, 235382, d.d. 25 februari 2025) blijkt uit de berekeningen dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het groepsrisico van aardgasleiding A-518 is in zowel de huidige als toekomstige situatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor omliggende risicovolle buisleidingen. Water. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard met asfalt. Zoals te lezen onder ‘kenmerken van het project’, neemt de oppervlakte aan verharding beperkt toe (286 m²). Om de hemelwaterafvoer te bevorderen wordt een HWA-stelsel onder het terrein aangelegd. Via kolken komt het hemelwater in het HWA-stelsel terecht, dat vervolgens afwatert op de omliggende watergangen. Hierbij worden geen uitlogende materialen toegepast.
Het gescheiden afvoeren van hemelwater zorgt voor een minder grote belasting van de riolering en draagt bij aan een duurzaam waterbeheer. Verder worden geen ingrepen uitgevoerd die een negatief effect op waterkeringen kunnen sorteren. Wel worden in het kader van de bodemsanering aan de noord- en westzijde van de locatie damwanden aangelegd ter voorkoming van verdere (horizontale) spoeling van vervuilde grond(water). Beoogd wordt deze damwanden van de waterkant af te houden om negatieve gevolgen voor de watergang te voorkomen. Ecologie. Om de effecten op beschermde soorten en gebieden in beeld te brengen is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Ecoresult, ER20240290QSv03, d.d. 4 maart 2025). De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten, mits er enkele mitigerende maatregelen voor de waterspitsmuis en grote modderkruiper getroffen worden (instandhouden oevervegetatie en watergangen). Verder wordt de verlichting op het terrein natuurvriendelijk uitgevoerd. Archeologie. Uit een archeologisch bureau- en booronderzoek (Econsultancy, 15408.001, d.d. 21 juli 2021) blijkt dat het plangebied beschikt over een ophoogpakket dat grotendeels uit puin bestaat en ten minste 70 tot 140 cm dik is. Schade aan archeologische waarden kan dan ook uitgesloten worden. Cultuurhistorie.
Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat in het plangebied geen rijksmonumenten of beeldbepalende objecten aanwezig zijn. Wel ligt het in een beeldbepalende zone langs de C.G. Roosweg. Om hieraan tegemoet te komen wordt het nieuwe horecapaviljoen op dezelfde positie geplaatst als het voorgaande horecapaviljoen en wordt het zorgvuldig ingepast met natuurlijke kleuren en materialen.
Conclusie Omdat uit de beschouwing van de kenmerken van de effecten blijkt dat de mogelijke milieueffecten beperkt zijn wordt geconcludeerd dat er geen m.e.r. behoeft te worden opgesteld en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling op basis van de voorliggende aanmeldnotitie. Dit geeft in voldoende mate inzicht in de milieueffecten om deze volwaardig mee te kunnen wegen in het nog te nemen besluit. Mocht u naar aanleiding van dit verzoek nog vragen hebben dan kunt u uiteraard met ons contact opnemen. Met vriendelijke groet, Buro SRO pagina 6 van 6
ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK CORNELIS GERARDUS ROOSWEG 21 TE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL
Archeologisch vooronderzoek Cornelis Gerardus Roosweg 21 te Krimpen aan den IJssel Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Weena 505 3013 AL Rotterdam
Rapportnummer
15408.001
Versienummer 1
2 (definitief)
Datum
12 juli 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010-7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
© Econsultancy bv, Rotterdam Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
15408.001
Toponiem
Cornelis Gerardus Roosweg 21
Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte
Gemeente
Krimpen aan den IJssel
Plaats
Krimpen aan den IJssel
Provincie
Zuid-Holland
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Krimpen aan den IJssel, Sectie A, 6661 en een deel van 6166
Omvang plangebied
Circa 9.300 m2
Omvang onderzoeksgebied IVO
4.925 m2
Kaartblad
38C (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 103655/ Y: 436240
Bevoegde overheid
Gemeente Krimpen aan den IJssel Raadhuisplein 2 2922 AD Krimpen aan den IJssel
T: 14 0180 E: gemeente@krimpenaandenijssel.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Midden-Holland
T: E:
@odmh.nl
Postbus 45 2800 AA Gouda Onderzoeksmelding ARCHIS3
5020828100
Archeoregio NOaA
12: Hollands veen- en kleigebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Rotterdam; Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland
Uitvoerders
Econsultancy,
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderzoeksgebied gelegen aan de Cornelis Gerardus Roosweg 21 te Krimpen aan den IJssel in de gemeente Krimpen aan den IJssel. De initiatiefnemer heeft het voornemen om het onderzoeksgebied te herontwikkelen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig), verkennende fase door middel van boringen. Op basis van het bureauonderzoek worden in het plangebied, in de top van het veen, direct onder een modern ophoogpakket, archeologische resten uit de Late Middeleeuwen verwacht. Het booronderzoek in het oostelijke deel van het plangebied heeft aangetoond dat het ophoogpakket grotendeels uit puin bestaat en ten minste 70 tot 140 cm dik is. Over de aard van de veentop kan op basis van het uitgevoerde veldonderzoek geen uitspraak worden gedaan en de hoge archeologische verwachting blijft op basis van dit veldonderzoek bestaan.
Dat wil zeggen: zolang niet is aangetoond dat er geen veraarde veentop aanwezig is, blijft de kans op archeologische resten aanwezig. De vraag of een eventuele vindplaats behoudenswaardig is, is een andere. Vast staat dat in het plangebied flink is opgehoogd met puin. Door de slappe ondergrond is een eventuele vindplaats in de top van het veen waarschijnlijk gedeformeerd onder het gewicht van het puinpakket en daarmee niet behoudenswaardig. Formeel is een karterend onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van een vindplaats en als dat het geval is een waarderend onderzoek om te bepalen of deze vindplaats behoudenswaardig is. Gezien de gerede kans dat een eventuele vindplaats niet behoudenswaardig is, adviseert Econsultancy echter om het oostelijke deel van het plangebied vrij te geven. Wel adviseren wij om de Stichting Archeologie Krimpenerwaard in de gelegenheid te stellen de bouwput te inspecteren, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden wel gedocumenteerd kunnen worden. Bij toekomstige ontwikkelingen in het westelijke deel van het plangebied zal eerst een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen moeten worden uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre dit gebied ook is opgehoogd met puin en om te kijken of hier wel een beeld van de veentop kan worden verkregen. Bovenstaand advies is van Econsultancy.
Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Krimpen aan den IJssel), die vervolgens een besluit neemt. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de gemeente Krimpen aan den IJssel of de provincie Zuid-Holland).
Rapport 15408.001 versie 2 (definitief)
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING ............................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .......................................................................................................... 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK............................................................................ 14 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 2 Methoden ..................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het onderzoeks- en plangebied ............................... 3 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens ................................................................................. 5 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 7 Archeologische waarden ............................................................................................. 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel....................................................... 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................ 13
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................... 14 Methoden ................................................................................................................... 14 Resultaten .................................................................................................................. 14 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................ 15
CONCLUSIE EN ADVIES ..................................................................................................... 16
LITERATUUR ................................................................................................................................. 17 BRONNEN ..................................................................................................................................... 18
Rapport 15408.001 versie 2 (definitief)
LIJST VAN TABELLEN Tabel 1. Tabel 2.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18.
Ligging van het plangebied Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Het plangebied op de stroomgordelkaart Het plangebied op de paleogeografische kaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Maaiveldhoogte in het plangebied Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historisch kaartmateriaal Bouwtekeningen bebouwing Archeologische waarden en onderzoeken Het plangebied op de geologische kaart Het plangebied op de cultuurhistorische kaart Het plangebied op de archeologische kaart Het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart Archeologische beleidskaart Boorpuntenkaart Advies
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Archeologische monumenten Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Boorprofielen
Rapport 15408.001 versie 2 (definitief)
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Cornelis Gerardus Roosweg 21 te Krimpen aan den IJssel in de gemeente Krimpen aan den IJssel. De initiatiefnemer heeft het voornemen het plangebied te herontwikkelen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Econsultancy is gecertificeerd volgens de BRL 4000 Archeologie2, voor de KNA-protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004, zoals vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (KNA-protocol 4002, hoofdstuk 2) voor het plangebied en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen (IVO-O; KNA-protocol 4003, hoofdstuk 3) voor het oostelijke deel van het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek en in relatie tot de geplande bodemverstoringen wordt geadviseerd of en in welke vorm vervolgonderzoek nodig is (hoofdstuk 4).
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in mei en juni 2021 door . Het rapport is gecontroleerd door
2
.
SIKB, 2018; zie ook www.sikb.nl
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 1 van 18
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40023, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het opgestelde beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Krimpen aan den IJssel. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het onderzoeks- en plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); relevante (wetenschappelijke) literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Krimpen aan den IJssel; Stichting Archeologie Krimpenerwaard.
3
SIKB, 2018
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 2 van 18
2.3
Afbakening en huidige situatie van het onderzoeks- en plangebied
Afbakening Het bureauonderzoek beslaat het gehele plangebied, het oostelijke deel van het plangebied zal op korte termijn ontwikkeld worden en het westelijke deel zal mogelijk in de toekomst ontwikkeld worden. Het oostelijke deel van het plangebied zal daarom met een booronderzoek onderzocht worden. Het plangebied ligt ver buiten de bebouwde kom van Krimpen aan den IJssel, ten zuidoosten van de stadskern, op de grens met de gemeentes Ouderkerk aan den IJssel en Krimpen aan de Lek. Het plangebied ligt ten noorden van het natuurreservaat Krimpenerhout en de Polder Krimpen aan de Lek, ten zuidwesten van de Polder Kromme, Geer en Zijde en ten noordwesten van de Polder Schuwagt. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Cornelis Gerardus Roosweg en de oostzijde grenst aan de Lekkerkerksche Boezem. Het plangebied ligt in de kadastrale gemeente Krimpen aan den IJssel, sectie A en beslaat perceel 6661 en een deel van perceel 6166. De oppervlakte van het plangebied is circa 9300 m 2. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het inventariserend veldonderzoek beperkt zich tot het oostelijke deel van het plangebied. Dit deel heeft een oppervlakte van 4925 m2.
De ligging van het plangebied en het onderzoeksgebied van het inventariserend veldonderzoek is weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Huidige situatie Het oostelijke deel van het plangebied dient als parkeerplaats en is geasfalteerd. Verder bevindt zich hier een eetgelegenheid, eetcafé Plus Breeka. Het westelijke deel van het onderzoekgebied beslaat een grasveld met een klein gebouw aan de westzijde, omzoomd door een groenstrook. In figuur 3 is de huidige situatie weergegeven. Vigerend beleid Volgens het vigerend bestemmingsplan Langeland4 uit 2013 heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 1’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 30 cm –mv. De dubbelbestemmingen zijn afgeleid van de gemeentelijke beleidskaart en de bijbehorende beleidsnota.5 Milieukundige situatie Bij de DCMR Milieudienst Rijnmond zijn de milieukundige rapporten van het oostelijke deel van het plangebied uit 1997 en 1998 opgevraagd en ontvangen. Volgens het verkennend milieukundig bodemonderzoek uit 19976 is de bodem rond een HBO-tank (ten noorden van het café restaurant) over een volume van circa 30 m3 verontreinigd met minerale olie. Er is circa 10 m3 bodemmateriaal verontreinigd in een concentratie boven de interventiewaarde. In de grond en grondwater is er geen sprake van ernstige bodemverontreiniging.
Vanwege het risico van verspreiding en in het kader van de eigendomsoverdracht wordt geadviseerd de verontreinigde bodem onder milieukundige begeleiding af te graven, tegelijkertijd met het verwijderen van de ondergrondse HBO-tank.
4 5
6
www.ruimtelijkeplannen.nl Van de Ende e.a., 2011 Lexmond, 1997, rapport 97.15262/RDK
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 3 van 18
Verder is er in het grondwater op het parkeerterrein sprake van ernstige bodemverontreiniging. De (sterk) verhoogde concentraties minerale olie in het grondwater zijn vermoedelijk het gevolg van uitloging van minerale olie uit de bodemvreemde materialen in de toplaag. Op basis van de resultaten wordt aangenomen dat het grondwater wat in contact staat met de aanvulmaterialen-houdende toplaag sterk verontreinigd is met minerale olie, wat neerkomt op een bodemvolume van 3.800 m3. De veengrond daaronder is slechts licht verontreinigd met olie; in het grondwater in de veenlaag wordt geen minerale olie verwacht. Gezien het huidige gebruik als parkeerplaats en het feit dat de gehele locatie is verhard met asfalt kan worden aangenomen dat er geen sprake is van actuele humane risico's. Wel zijn er verspreidingsrisico' s omdat er sprake is van een mobiele verontreiniging. Het actuele risico op verspreiding is niet vastgesteld, maar wordt gering verondersteld. Aangezien het ook hier een mobiele verontreiniging betreft, wordt geadviseerd sanerende maatregelen te treffen. Wat betreft de ondergrond kan uit dit onderzoek geconcludeerd worden dat tussen 0,6 en 1,5 m -mv veen met klei voorkomt en tussen 0,9 en 1,9 veen. Op het veen met klei komt een laag puin en zand voor.
In 1998 is er een nader bodemonderzoek uitgevoerd.7 Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De gemiddelde concentraties aan minerale olie, xyleen, naftaleen en diverse andere PAK-verbindingen overschrijden de interventiewaarden voor grondwater namelijk in een bodemvolume van meer dan 100 m3. Omdat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, is er volgens de Wet Bodembescherming sprake van een saneringsnoodzaak. Op basis van uitgevoerde berekeningen is op de locatie ten aanzien van minerale olie sprake van actuele verspreidingsrisico's en kan het bevoegd gezag besluiten sanering als urgent te beschouwen. Er wordt geadviseerd in eerste instantie een saneringsonderzoek uit te laten voeren. Voor een algehele verwijdering van de verontreinigingen is het noodzakelijk dat de oude asfaltvloer en een deel van de oude verhardingslagen verwijderd worden, waarna een grondwatersanering kan worden opgestart. 2.4
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om het plangebied te herontwikkelen. In deze fase van de planvorming is nog niet bekend welke bodemverstorende ingrepen plaatsvinden bij de herontwikkeling van het gebied.
7
Leijten & Hamerlinck, 1998, rapport G970218.010
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 4 van 18
2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 1.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie
Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop), op Formatie van Echteld, op Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop), op Laag van Wijchen (Formatie van Kreftenheye), op Formatie van Kreftenheye.
Geomorfologie
Ontgonnen veenvlakte
Bodemkunde
Koopveengronden
Grondwatertrap
II
Landschappelijke ontwikkeling en geologie De landschappelijke ontwikkeling van het gebied zal worden beschreven aan de hand van enkele standaardwerken.8 Het plangebied ligt in het Hollands veen- en kleigebied. De ontwikkeling van het huidige landschap begint in de laatste IJstijd, het Weichselien (115.000 - 10.000 jaar geleden). Tijdens het koudste deel van het deze ijstijd, het Laat-Pleniglaciaal (26.000 – 13.000) ligt het plangebied in de brede riviervlakte van een vlechtende Rijn en Maas. In deze periode wordt het zogenaamde Laagterras gevormd. In het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.000 jaar geleden) verbetert het klimaat. In het eerste, warme, deel het Bølling-Allerød-interstadiaal (13.000 – 11.000 jaar geleden), veranderen de Rijn en Maas in zich insnijdende meanderende rivieren. Op het hoger gelegen Laagterras worden overstromingskleien afgezet. In de laatste koude fase, de Jonge Dryas (11.000 - 10.000 jaar geleden), gaan de rivieren weer vlechten en ontstaat het zogenaamde Terras X. Langs de randen van het Terras X, op de oudere terrassen en meandergordels, ontstaan rivierduincomplexen. In de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) gaan de rivieren wederom meanderen. In het eerste deel van het Holoceen snijden de rivieren zich nog in. Buiten de rivierdalen, op de oudere, pleistocene rivierafzettingen, worden weer overstromingskleien afgezet.
De pleistocene rivierafzettingen worden tot de Formatie van Kreftenheye gerekend. De overstromingskleien uit het Bølling-Allerød-interstadiaal en het Vroeg-Holoceen vormen de Laag van Wijchen binnen deze formatie. De rivierduinen uit de Jonge Dryas vormen het Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Boxtel. Volgens de beddinggordelkaart van Cohen (figuur 4) ligt het plangebied ter plaatse van Terras X. Ten noorden en ten zuidoosten van plangebied ligt een restant van een laatglaciale meandergordel. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een zich insnijdende holocene meandergordel, namelijk de stroomgordel van Lekkerkerk, die actief was tussen 8210 en 8020 BP. Uit de paleogeografische reconstructie van het landschap aan het begin van het Holoceen (figuur 5A) blijkt dat op de laatglaciale meandergordel, zowel ten noordwesten als zuidoosten van het plangebied, rivierduinen voorkomen. Het GeoTOP-model uit het DINO-loket laat zien dat de top van de pleistocene terrasafzettingen van de Formatie van Kreftenheye in het plangebied op -13,25 m NAP ligt. Hierop ligt tot -11,55 m NAP een laag laatglaciale en vroegholocene overstromingskleien van de Laag van Wijchen (Formatie van Kreftenheye). In het eerste deel van het Holoceen ontstaat in West-Nederland een getijdegebied, met kwelders en kreken.
Het getijdegebied wordt aan de zeezijde begrensd door een open systeem van strandwallen en aan de landzijde door een veenmoeras. In de pleistocene dalen van de Rijn en Maas ontstaan estuaria, waarin, landinwaarts, rivierafzettingen onder invloed van het getij worden afgezet. Doordat de zeespiegel steeds verder stijgt, schuift de kustlijn steeds verder oostwaarts. Ook het veenmoeras schuift steeds verder op en ouder veen wordt afgedekt door mariene en fluviatiele afzettingen. 8
Mulder e.a., 2003; Cohen e.a., 2012
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 5 van 18
Het veen dat op de pleistocene afzettingen wordt gevormd, is de Basisveen Laag binnen de Formatie van Nieuwkoop. De mariene afzettingen in het getijdegebied behoren tot het Laagpakket van Wormer binnen de Formatie van Naaldwijk. De fluviatiele afzettingen die in een zoet- of brakwatermilieu in de estuaria worden afgezet behoren tot de Formatie van Echteld. Rond 5500 v. Chr. (figuur 5B) ligt het plangebied aan de rand van het mariene bereik. In de omgeving komen diverse rivieren uit in het estuarium. In de komgebieden tussen de rivieren vindt veenvorming plaats. De pleistocene rivierduinen liggen nog aan het maaiveld. Het GeoTOP-model uit het DINO-loket laat zien dat de top van het Basisveen in het plangebied op -11,25 m NAP ligt. Hierop liggen tot -5,25 m NAP fluviatiele afzettingen van de Formatie van Echteld. In de daaropvolgende periode schuift de kustlijn weer op in westelijke richting en breidt het veenmoeras zich uit. Rond 3850 v. Chr. (figuur 5C) en 2750 v. Chr. (figuur 5D) ligt het plangebied in het veenmoeras, tussen twee rivierlopen. Volgens de stroomgordel kaart is de rivierloop ten noordwesten van het plangebied de Ouderkerk-stroomgordel (6.300 – 5.350 BP) en de rivierloop ten zuiden van het plangebied de Lekkerkerk-stroomgordel (4.870 – 4.100 BP). Tussen 3850 en 1500 v. Chr. verzanden de Ouderkerk en Lekkerkerk-stroomgordel en worden overgroeid door veen.
Het veen betreft het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop. Veenstroompjes die zich vormen in het veengebied zorgen voor de ontwatering van het veengebied, zoals de Vlist en de Loet. Deze veenstroompjes voeren het overtollige water uit de centrale delen van de veengebieden af naar de wat lager gelegen grote rivieren.9 Vanaf 250 v. Chr. krijgen rivieren meer invloed in het veengebied en rond 100 n. Chr. groeit een van de veenstroompjes uit tot de rivier de Rotte (een voorloper van de Hollandse IJssel), onder invloed van getijdewerking. Het plangebied ligt op dat moment ten zuiden van de riviervlakte van de Hollandse IJssel (figuur 5H). De veenvorming in het gebied gaat door tot in de Late Middeleeuwen (figuur 5K). Vanaf de 10e eeuw wordt het gebied stelstelmatig ontgonnen. De Hollandse IJssel stroomt op dat moment ter plaatse van de huidige Sliksloot in de Lek. Rond 1200 verlegt de Hollandse IJssel zich en krijgt deze een directe verbinding met de Noordzee. 10 Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (figuur 6) ligt het plangebied op een ontgonnen veenvlakte al dan niet bedekt of opgevuld met rivierklei. Het maaiveld van deze vlakte ligt, volgens het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN3; figuur 7), tussen -2,1 en -1,2 m NAP. In het plan ligt het maaiveld tussen -2,1 en -1,4 m NAP.
Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 8) komen er in het plangebied koopveengronden voor en in de omgeving weide- en waardveengronden. Koopveengronden behoren tot de eerdveengronden wat veengronden zijn met een veraarde bovengrond bestaande uit kleiig veen of venige klei van maximaal 50 cm dik. De weide- en waardveengronden behoren tot de rauwveengronden en zijn veengronden met een zavel- of kleidek. Bij de weideveengronden komt in dit dek een minerale eerdlaag of humusrijke bovengrond binnen 15 cm voor en bij de waardveengronden is dit niet het geval. 11 De koopveengronden hebben grondwatertrap II, dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (winterpeil) ondieper dan 40 cm –mv staat en de laagste grondwaterstand (zomerpeil) tussen 50 en 80 cm – mv.
9
Haartsen, 2009
10
Van den Ende e.a., 2011
11
Harbers, 1981
RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)
Pagina 6 van 18
De grondwaterstand is van invloed op de conservering van organische archeologische resten, zoals hout, leer en bot. Deze resten worden boven de laagste grondwaterstand niet of slecht geconserveerd verwacht. 2.6
Beschrijving van het historische gebruik
Bewoningsgeschiedenis en historisch kaartmateriaal In het Pleistoceen vormen rivieren twee terrasniveaus in de gemeente Krimpen aan den IJssel. In het lager gelegen niveau zijn de rivieren actief, waardoor de randen van het hoger gelegen terrasniveau een goede bewoningslocatie vormen voor jagers-verzamelaars in het Paleolithicum en Vroeg Mesolithicum. Het plangebied bevindt zich op het Jonge Dryas-terras (Terras X), wat het lager gelegen terrasniveau betreft. In het Mesolithicum worden deze terrassen afgedekt met rivierklei- en getijdeafzettingen, maar hieronder zouden bewoningssporen van de jager-verzamelaars mogelijk aanwezig zijn. Echter, zijn er nog geen sporen uit het Paleolithicum in Krimpen aan den IJssel aangetroffen. Verder is er weinig bekend over de terrasvlakte door de diepe ligging, waardoor de kans op het vinden van sporen klein is.12 Hoger gelegen rivierduinen uit het Pleistoceen vormen ook een gunstige plek voor bewoning in deze periode. Volgens de paleografische kaarten bevindt zich alleen in het oosten (in het Langeland) van de gemeente een rivierduin, welke tot 1500 v. Chr. boven het veenmoeras blijft uitsteken. Deze rivierduin ligt ten noordwesten van het plangebied. Hier zou bewoning in het Neolithicum kunnen plaatsvinden. In het Vroeg Neolithicum bieden, naast rivierterrassen en rivierduinen, stroomruggen een gunstige bewoningsplek in de gemeente.