CConstaterende datKrimpen aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing (+ oplegnotitie aanpassingen)

Gemeenteraad 25 juni 2026, gemeente Krimpen aan den IJsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Definitieve specifieke verklaring van geen bedenkingen op het perceel C.G. Roosweg 20 – McDonalds met McDrive31.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Deze stroomruggen zijn oude rivierlopen die als een hoger gelegen zandof kleirug in het veengebied liggen. Ook oever- en crevasseafzettingen langs actieve rivieren kunnen een gunstige bewoningsplek bieden, wederom door de hogere ligging in het landschap. Volgens de stroomgordelkaart (figuur 4) bevinden zich ten noorden (naast de huidige loop van de Hollandse IJssel) en ten zuidoosten van het plangebied in het Vroeg Neolithicum twee stroomgordels. Deze stroomgordels betreffen respectievelijk de Ouderkerk- en Berkenwoude-stroomgordel. In de loop van het Neolithicum ontstaat er een veengebied, ongunstig voor bewoning. Dit gebied is in de Bronstijd en IJzertijd alleen in gebruik voor jacht en visvangst. In de Late IJzertijd zijn de Hollandse IJssel en voorloper de Rotte (vanaf 120 v. Chr.) ten noordwesten van het plangebied en de Nieuwe Maas (vanaf 150 v. Chr.) ten zuiden van het plangebied actief. 13 Bewoning en landbouw in de Late IJzertijd – Middeleeuwen kan plaatvinden op de oeverwallen van deze rivieren.14 Er zijn echter geen aanwijzingen dat binnen het plangebied oeverwal-afzettingen kunnen worden verwacht. Krimpen aan den IJssel ligt in de Krimpenerwaard, waar de IJssel in de Lek uitmondt. Rond 900 n. Chr. bestaat de Krimpenerwaard uit een bol veenkussen dat afloopt naar de rivieren de Lek en de Hollandse IJssel.

Deze rivieren hebben door hun jonge bestaan nog nauwelijks een oeverwal gevormd, waardoor het gebied vaak overstroomd. Tijdens deze overstromingen wordt klei en zavel afgezet in een smalle strook langs de rivieren. De Krimpenerwaard wordt vermoedelijk in de 10e eeuw systematisch ontgonnen. Er bestaat een schenkingsoorkonde uit 944, waarin de Utrechtse Bisschop een deel van de waard tussen de Lek en de Hollandsche IJssel (“Leka et Isla”) schenkt aan de Utrechtse kerken St. Maarten en St. Marie. De ontginning duurt tot de 13e eeuw of mogelijk tot het begin van de 14e eeuw. Deze ontginning wordt in drie fases uitgevoerd. De eerste fase betreft de randgebieden die worden ontgonnen in de 10e en 11e eeuw, de tweede fase betreft de ontginning van de binnengebieden in de 12e en

12

Van de Ende e.a., 2011

13

Cohen e.a., 2012

14

Berendsen & Stouthamer, 2001

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 7 van 18

13e eeuw en de derde fase betreft de restgebieden die worden ontgonnen in de 13e en 14e eeuw. 15 Rond 1150 worden de rivieren de Lek en de Hollandse IJssel bedijkt en ontstaat langs de IJssel het dorp Krimpen aan den IJssel als dijkdorp. In 1130 wordt de streeknaam “Crempene” voor het eerst vermeld. In deze streek ontstaan twee dorpen, Krimpen aan de Lek en Krimpen aan de IJssel. Deze dorpen worden voor het eerst vermeld in 1270. De term “krimpen” verwijst waarschijnlijk naar een rivierbocht. In het gebied ontstaan de polders Langeland en Korteland door ontginning in twee delen vanuit de IJsseldijk. De Korteland polder wordt ontgonnen vanuit het westen door aanleg van korte percelen en de Langeland polder vanuit het oosten door de aanleg van lange percelen. Aan de oostzijde wordt de Langeland polder begrenst door de Breekade die in de 14e eeuw als doorvoerroute wordt gebruikt van en naar het veer bij Krimpen aan de Lek. Vervoer door de Krimpenerwaard tussen Moordrecht en Gouda wordt op deze manier mogelijk.16 Langs de Loet, ten westen van het plangebied, vindt in deze periode vermoedelijk intensieve bewoning plaats en wordt het veengebied ontgonnen. Echter wordt door wateroverlast de ontginningsas weer verlaten. 17 Op de kaart van Blaeu uit 1645 staan het Kort Landt en ’t Lange Landt afgebeeld met beide een molen voor bemaling van de polders.

Het plangebied is onbebouwd en ligt in het de zuidoostelijke hoek van ’t Lange Landt, ten zuiden van de IJssel en ten noorden van de Nieuwe Maas (figuur 9A). In 1805 vindt een samenvoeging van de Langeland en Korteland polders plaats en in 1855 wordt de Stormpolder bij Krimpen gevoegd. In 1953 wordt Krimpen aan den IJssel getroffen door de Watersnoodramp waarbij delen van de gemeente overstroomd raken. De Stormpolder en het gebied ten westen van de Lekdijk wordt naar aanleiding van de ramp opgehoogd. De Algerabrug wordt in 1958 aangelegd over de stormvloedkering die al eerder is aangelegd bij Krimpen aan de IJssel. Deze brug verbindt het dorp met Capelle aan den IJssel. Volgens de kadastrale minuut uit de periode 1811 – 1832 (figuur 9B) beslaat het plangebied percelen 594, 595, 596 en gedeeltelijk 597. Percelen 594 en 595 zijn eigendom van landbouwer Cornelis Jongebreur en zijn in gebruik bos voor hakhout. Percelen 596 en 597 zijn in het bezit van vrederechter Cornelis Weggenman Guldemont en zijn ook in gebruik als bos voor hakhout. Op de topografische kaart van 1880 is te zien dat de situatie in het plangebied nagenoeg onveranderd is in vergelijking met de kadastrale minuut.

Het plangebied is ingedeeld in vier langwerpige percelen en aan de zuidgrens van het plangebied grenst de Land scheiding tussen Het Langeland (Krimpen aan den IJssel) en het Polder Land (Krimpen aan de Lek; figuur 9C). De oostzijde van het plangebied grenst aan de Lekkerkerksche Boezem en de Breekade. Ten westen van het Langeland bevindt zich het Korteland en ten oosten de Zijnde polder. Tussen 1893 en 1899 komt er in het midden van het plangebied bebouwing te staan (figuur 9D). Rondom het plangebied vindt er geen verandering plaats. Tussen 1935 en 1937 verdwijnt de bebouwing in het midden van het plangebied, maar komt er in de zuidoostelijke hoek bebouwing bij (figuur 9E). Rond 1962 wordt aan de zuidzijde van het plangebied een weg aangelegd, die door Krimpen aan den IJssel naar Capelle aan den IJssel loopt met een afslag naar Krimpen aan de Lek (figuur 9F).

15

Visscher, 1990; Kroon en De Klunder, 1981 en 1983

16

Van de Ende e.a., 2011

17

Wink & Sprangers, 2016

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 8 van 18

Tussen 1965 en 1970 lijkt een deel van de bebouwing verdwenen uit het plangebied, maar blijven er twee gebouwen staan. Ten westen van het plangebied is een hoogspanningsstation aangelegd, Trafostation. Ten zuiden van het plangebied komt naast de bestaande weg, nog een weg te liggen, parallel aan de eerdere weg (figuur 9G). Rond 1984 wordt er ten noordwesten van het plangebied de wijk Langeland aangelegd en is het hoogspanningsstation uitgebreid. Ten noordoosten van het plangebied is langs de Breekade een weg aangelegd en ten zuiden van het plangebied is er bebouwing bijgekomen. In het plangebied zelf is de bebouwing uitgebreid tot een groot gebouw, de Breeka en aan de noordzijde nog een gebouw (figuur 9H). Tussen 1988 en 1990 veranderd het gebied rondom het plangebied in een natuurgebied. De weg ten zuiden van het plangebied is de C.G. Roosweg, N210. Ten noorden van het plangebied wordt een deel verhard (figuur 9I). Rond 1995 krijgt het plangebied de naam, De Viersprong en rond 1999 Coquerele. Rond 2006 wordt het plangebied wederom vermeld als Breeka. Rond 2010 heeft het plangebied een parkeer bestemming gekregen en komt er ten noorden van het plangebied bebouwing bij (figuur 9J). Tot op heden blijft de situatie in het plangebied ongewijzigd. Bouwhistorische waarden Het eetcafé Plus Breeka in het plangebied dateert volgens BAG-viewer uit 1965.

In de jaren 1930 is de toenmalige woning in het bezit van de heer Ouweneel. De naam ‘Breeka’ wordt door de volgende eigenaar, de heer Wim Kreuk, ook nog gebruikt nadat de heer Ouweneel overlijd. De heer Wim Kreuk wordt opgevolgd door de familie Rietveld. Zij hebben het huidige gebouw laten bouwen. Nadat zij vertrekken wordt het pand in gebruik genomen door de familie Bik die hun café de naam ‘de Viersprong’ geven. De nieuwe eigenaren geven het café later wederom een nieuwe uiterlijk en starten restaurant ‘Coquerelle’. In 2001 kopen de huidige eigenaren, mevrouw en meneer Van Zoest, het café ‘Coquerelle’ en starten het eetcafé Plus Breeka. Het pand wordt verbouwd en krijgt het huidige uiterlijk.18 Het gebouwtje in het westen van het plangebied dateert uit 1960. Bij de gemeente Krimpen aan den IJssel is een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Op 5 mei 2021 zijn de tekeningen van het restaurant Gasterij Coquerele en eetcafé Plus Breeka ontvangen. De tekeningen van Gasterij Coquerele dateren uit 2000 en betreffen een uitbreiding van de bestaande bouw (figuur 10). Een nieuwe opslagplaats en gemetselde kolom worden gefundeerd met beton gevulde stalen buispalen (groutinjectiepalen) met een diameter van 114mm, de paalpunt heeft een diameter van 160 mm. De palen hebben een inheiniveau van de bestaande palen en een lengte van 19 m.

De bestaande fundering ligt op 1020 mm – peil. De totale oppervlakte van het gebouw bedraagt 299,48 m2. Andere verandering aan de bouw hebben geen invloed op de funderingen (figuur 10). In 2001 zijn de tekeningen voor de verbouwing van het gebouw goedgekeurd. Het gebouw wordt omgebouwd tot eetcafé Plus Breeka. De verbouwing heeft geen invloed op de fundering (figuur 10).

18

Breeka.nl

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 9 van 18

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.19 Volgens de indicatieve kaart militair erfgoed bevindt zich ten noordwesten van het plangebied tijdens de Tweede Wereldoorlog de Vordere Wasserstellung, een Duitse verdedigingslinie. Deze linie lag ten oosten van de Neue Landfront en moest een invasie vanuit de kuststreek vertragen. De verdedigingslinie was een ongeveer lineair stelsel van doorgaande, aaneengeschakelde of samenhangende verdedigingswerken. Deze linies waren vaak voorzien van hindernissen zoals inundaties, prikkeldraadversperringen, mijnenvelden en tankhindernissen. De verdedigingslinies kwamen voor in heel Nederland en waren vaak aangelegd op of om natuurlijke barrières zoals rivieren en kanalen of lager gelegen drassige of te inunderen terreindelen. De positie van de linies werd bepaald door de ligging van het gebied dat verdedigd moest worden, de positie en (verwachte) aanvalsroute van de vijand en de mogelijkheden van het landschap.

De archeologische verwachting voor dit soort gebieden betreffen gebouwd erfgoed zoals bunkers en tankversperringen, maar ook archeologische resten in de vorm van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken etc.. Het raadplegen van de bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Stichting Archeologie Krimpenerwaard (SAK) Op 25 mei 2021 zijn er meerdere documenten ontvangen met aanvullende historische informatie over de omgeving van het plangebied. Deze documenten zijn van de heer in het Veld van de Stichting Archeologie Krimpenerwaard ontvangen. De informatie, wanneer deze relevant is voor het plangebied, is in het rapport verwerkt. 2.7

Archeologische waarden

In de omgeving van het plangebied is een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd en is ook een aantal vondsten gedaan (figuur 11). Er ligt één archeologische monumenten in de omgeving van het onderzoeksgebied. AMK-terreinen Circa 900 m ten oosten van het plangebied aan de C.G. Roosweg in de Polder Schuwagt, Lekkerkerk ligt een AMK-terrein van hoge archeologische waarden. Dit terrein betreft een huisterp uit de Late Middeleeuwen (AMK-nummer 6436). De terp is zichtbaar in het landschap als een lichte verhoging met een opvallend greppelpatroon. De duidelijk begrensde vondstconcentratie is beperkt tot de verhoging van circa 20 bij 10 meter. Het monument maakt onderdeel uit van een Laat Middeleeuws bewoningslint. Uitgevoerde onderzoeken In 1988 is er een archeologische veldkartering uitgevoerd in de Krimpenerwaard door RAAP. Dit onderzoek heeft in de Krimpenerwaard 22 huisplaatsen (huisterpen) opgeleverd. In Krimpen aan den IJssel is één huisterp aangetroffen, circa 450 m ten zuidwesten van het plangebied. De aanwezigheid van deze vindplaatsen heeft RAAP gebaseerd op de oppervlaktevondsten die verband houden met middeleeuwse huisplaatsen (terpen) die in de Middeleeuwen werden opgericht langs De Loet. Op de AHN zijn deze ook waar te nemen. De Loet vormde destijds een ontginningsas. 19

ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 10 van 18

De aangetroffen vondsten betreffen aardewerk uit de Late Middeleeuwen (zaakid. 2041915100). Hoewel de huisplaats in kaart is gebracht heeft hier geen verder archeologisch onderzoek plaatsgevonden vanwege de aanwezigheid van bebossing. Waarnemingsnummer 100263 wordt door RAAP niet bij de gedefinieerde huisplaats gerekend. Mogelijk behoort deze bijvondst bij een andere huisplaats.20 Circa 250 m ten zuidoosten van het plangebied is in 2017 door RAAP een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4036881100). Vanuit het bureauonderzoek is er een hoge verwachting voor de periode Mesolithicum – Neolithicum, waarvan sporen op eventueel aanwezige donken in de ondergrond worden verwacht. De verwachting voor resten uit de Bronstijd – Romeinse tijd is laag en voor de top van het Hollandveen geldt een zeer hoge verwachting voor resten uit de (laat-) Middeleeuwen op veenterpen. De verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd is laag. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in dit onderzoeksgebied zodanig is verstoord tijdens de aanleg en verplaatsing van de provinciale weg dat archeologische resten niet (meer) aanwezig zijn. Vervolg onderzoek is niet noodzakelijk. Ten noordwesten van het plangebied (circa 550 m) is in 2018 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door Antea Group (zaakid. 4587552100).

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er een verwachting geldt voor archeologische resten uit diverse perioden en de aanwezigheid van een middeleeuwse opgehoogde woonplaats. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat er ter plaatse van de onderzochte locaties geen sprake is van archeologische indicatoren zoals ophogingslagen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Andere onderzoeken in de omgeving geven dezelfde uitkomst, vanuit de bureauonderzoeken geldt een verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum in de top van rivierduinen, in de top van stroomgordelafzettingen voor de periode Neolithicum – Bronstijd, IJzertijd – Vroeg Middeleeuwen in de top van het Hollandveen en voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd aan het maaiveld in komafzettingen. Tijdens alle booronderzoeken zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en wordt geen vervolg onderzoek geadviseerd. Vondstmeldingen Er is een aantal vondsten gedaan in de omgeving van het plangebied, circa 450 m ten zuidwesten en 350 ten noordwesten van het van het plangebied. De vondsten betreffen respectievelijk betreft houtskool uit het Mesolithicum (zaakid. 3056887100) en een kogelpot uit de Late Middeleeuwen (zaakid. 2835724100). Gemeentelijke verwachtingskaarten De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft verschillende kaarten voor het plangebied.

Volgens de geologische kaart ligt het plangebied op een terrasvlakte (Jonge Dryas) met een diepte ligging van -16 tot -17 m NAP. Deze vlakte heeft een lage archeologische verwachting voor het Laat Paleolithicum – Mesolithicum (figuur 12). De kaart komt overeen met de kaart van Cohen e.a. (figuur 4). Volgens de cultuurhistorische kaart ligt het plangebied ter plaatse van een gebied met Middeleeuwse bewoning met een hoge archeologische verwachting (figuur 13). Door het plangebied loopt een poldergrens en ten noorden ligt een woonterp. Volgens de archeologische kaart ligt het plangebied in een regio met bekende archeologische waarden in de vorm van vindplaatsen met archeologische waarnemingen (figuur 14). Dit betreffen de vondsten besproken bij de uitgevoerde onderzoeken en vondstmeldingen.

20

Van den Ende e.a., 2011

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 11 van 18

Op basis van de bovenstaande kaarten zijn de archeologische verwachtingskaart en beleidskaart vormgegeven. Volgens de archeologische verwachtingskaart (figuur 15) heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Volgens de beleidsadvieskaart valt het plangebied onder categorie 1, wat een archeologische verwachting voor vindplaatsen betreft (figuur 16). 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie tabel 2). Tabel 2.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Verwachting en complextype

Te verwachten resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

Paleolithicum – Mesolithicum

Laag

-

Top van het Jonge Dryas-terras

Neolithicum

Laag

-

In de komafzettingen van de Formatie van Echteld

Bronstijd – Vroege Middeleeuwen

Laag

-

Hollandveen

Late Middeleeuwen

Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik

Akkerlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; natuursteen, bouw- en gebruikskeramiek, houtskool, (on)verbrand bot, metaal.

In de veraarde top van het Hollandveen.

Nieuwe tijd

Laag; sporen van landgebruik

Sloten, akkerlagen

In de veraarde top van het Hollandveen.

In het plangebied worden Jonge Dryas rivierterras-afzettingen uit het Pleistoceen verwacht (Formatie van Kreftenheye). Bewoning vindt in het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum plaats op rivierduinen. Op deze rivierterrassen wordt in het Laat-Mesolithicum komafzettingen (Formatie van Echteld) afgezet. Op deze komafzettingen wordt in het Laat-Neolithicum – Middeleeuwen een veenpakket gevormd (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). In de Late Middeleeuwen is door ontginning de veengroei tot stilstand gekomen. In de Romeinse tijd – Middeleeuwen wordt tijdens overstromingen komafzettingen van de Formatie van Echteld op het veenpakket afgezet. Rond 1150 wordt de Hollandse IJssel bedijkt en ontstaat langs de IJssel Krimpen aan den IJssel als dijkdorp. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling kan worden gesteld dat het plangebied tot de ontginning van het veengebied niet geschikt was voor bewoning. De verwachting voor archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen is dan ook laag. Het veengebied wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen. Het plangebied ligt in een zone langs de laatmiddeleeuwse ontginningsas langs de Loet, die later is verlaten. De top van het veen heeft een hoge verwachting voor bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen, maar alleen als er sprake is van een veraarde veentop.

De verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd is op grond van historisch kaartmateriaal laag. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen, in de top van het Hollandveen worden verwacht in de vorm van ophooglagen (huisterpen) en akkerlagen, grondsporen als paalkuilen, waterputten, afvalkuilen en sloten/greppels en indicatoren als houtskool, bouw- en gebruikskeramiek, (on)verbrand bot, natuursteen en metaal.

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 12 van 18

Bodemverstoring Het plangebied is bij de ontwikkeling van het gebied in de 20e eeuw waarschijnlijk opgehoogd met een puinpakket. Door het gewicht van dit puinpakket op het slappe veen in de ondergrond kunnen eventuele vindplaatsen in de top van het veen zijn gedeformeerd. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit de Late Middeleeuwen kunnen worden verwacht. Deze resten worden in de top van het veen, onder een moderne puinlaag verwacht, als de top van het veen is veraard. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld of de top van het Hollandveen nog intact is (aanwezigheid van een veraarde top).

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 13 van 18

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Het veldonderzoek beperkt zich tot het oostelijke deel van het plangebied, dat op dit moment al wordt ontwikkeld. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400321, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Krimpen aan den IJssel. Het veldonderzoek is op 11 mei 2021 uitgevoerd door . Voorafgaand aan het veldwerk is door Plan van Aanpak (PvA) opgesteld.

en en

een

In totaal zijn er vijf boringen tot maximaal 4 m –mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet, waarbij rekening is gehouden met bebouwing en kabels en leidingen. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien figuur 17. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.22 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 5. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem Door een sterk puinhoudende ondergrond zijn boring 1, 2 en 3 op 70 cm -mv gestuit. In boring 1, 2, 3, en 4 bestaat het bovenste pakket uit uiterst puinhoudend, matig zandige klei dan wel niet zwak humeus (boring 1 en 2), baksteenhoudend (boring 1, 2 en 3), grindhoudend (boring 1), uiterst siltig (boring 1) en met roestvlekken (boring 1). Dit pakket betreft een opgebracht pakket. In boring 4 gaat dit pakket door tot 1,40 m -mv en komt onder dit pakket een laag veen voor. De top van het veen ligt op 1,40 m -mv, maar de diepte is bij benadering omdat de boor leegliep. Het betreft waarschijnlijk een pluk rauwveen, de aard is niet vast te stellen. Boring 4 is gestuit op 1,50 m -mv. Boring 5 bestaat uit zes lagen. De bovenste laag bestaat uit kleiig, zwak humeus, zwak puinhoudend zand. Deze laag is 80 cm dik en gaat over in een zwak siltige, zwak humeuze, zwak grindige zandlaag waarin klei en zand elkaar afwisselen. Deze laag is 140 cm dik en opgebracht. Het betreft een gedempte sloot. Onder de gedempte sloot komt een 40 cm dikke sterk kleiige veenlaag voor met veel houtresten. Het veen gaat over in een 30 cm dikke matig siltig, matig humeus, matig houthoudende kleilaag. Deze laag gaat over in een sterk humeus, matig siltig, zwak houthoudende kleilaag van 10 cm dik. 21

SIKB, 2018

22

Bosch, 2005

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 14 van 18

Aan de basis van boring 5 komt een sterk kleiige veenlaag voor met veel hout en van 1 m dikte. Het veen betreft broekveen (Hollandveen laagpakket, Formatie van Nieuwkoop) met inschakelingen van komafzettingen (Formatie van Echteld). Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit de Late Middeleeuwen kunnen worden verwacht. Deze resten worden in de top van het veen, onder een moderne puinlaag verwacht, als de top van het veen is veraard. In het onderzocht oostelijke deel van het plangebied is gebleken dat in het plangebied een moderne puinlaag aanwezig is, met een minimale dikte van 70 cm. Drie boringen zijn in deze puinlaag gestaakt. Een vierde boring is wel door de puinlaag heen gekomen en de top van het onderliggende veen is hier bemonsterd. Omdat de guts door de puinlaag grotendeels werd leeg getrokken, kon de aard van het veen niet goed worden beoordeeld. Het veen dat is waargenomen betrof rauwveen. Een vijfde boring is geplaatst in gedempte sloot. Onder de slootvulling is een afwisseling van broekveen en komklei aangetroffen. De top van het veenpakket is hier bij de aanleg van de sloot afgegraven.

Met andere woorden: het booronderzoek had tot doel om te bepalen of er onder een modern ophoog pakket nog archeologische waarden zijn te verwachten in de top van het veen, maar door de aanwezigheid van dit ophoogpakket is het veen niet bereikt of kon de aard van de top van het veen niet worden vastgesteld. De vraag of er archeologische waarden zijn te verwachten in de top van het veen is met het booronderzoek dus niet beantwoord.

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 15 van 18

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Op basis van het bureauonderzoek worden in het plangebied, in de top van het veen, direct onder een modern ophoogpakket, archeologische resten uit de Late Middeleeuwen verwacht. Het booronderzoek in het oostelijke deel van het plangebied heeft aangetoond dat het ophoogpakket grotendeels uit puin bestaat en ten minste 70 tot 140 cm dik is. Over de aard van de veentop kan op basis van het uitgevoerde veldonderzoek geen uitspraak worden gedaan en de hoge archeologische verwachting blijft op basis van dit veldonderzoek bestaan. Dat wil zeggen: zolang niet is aangetoond dat er geen veraarde veentop aanwezig is, blijft de kans op archeologische resten aanwezig. De vraag of een eventuele vindplaats behoudenswaardig is, is een andere. Vast staat dat in het plangebied flink is opgehoogd met puin. Door de slappe ondergrond is een eventuele vindplaats in de top van het veen waarschijnlijk gedeformeerd onder het gewicht van het puinpakket en daarmee niet behoudenswaardig. Formeel is een karterend onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van een vindplaats en als dat het geval is een waarderend onderzoek om te bepalen of deze vindplaats behoudenswaardig is. Gezien de gerede kans dat een eventuele vindplaats niet behoudenswaardig is, adviseert Econsultancy echter om het oostelijke deel van het plangebied vrij te geven.

Wel adviseren wij om de Stichting Archeologie Krimpenerwaard in de gelegenheid te stellen de bouwput te inspecteren, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden wel gedocumenteerd kunnen worden. Bij toekomstige ontwikkelingen in het westelijke deel van het plangebied zal eerst een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen moeten worden uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre dit gebied ook is opgehoogd met puin en om te kijken of hier wel een beeld van de veentop kan worden verkregen. Voor het advies zie figuur 18. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Krimpen aan den IJssel), die vervolgens een besluit neemt. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten.

Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed23, de gemeente Krimpen aan den IJssel of de provincie Zuid-Holland).

23

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 16 van 18

LITERATUUR

Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden. Gorinchem: Jacobus Noorduyn, 1839. Berkel, G. van, en K. Samplonius. Nederlandse plaatsnamen, Herkomst en historie. Utrecht, 2006. Bosch, J.H.A. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. TNO-rapport NITG 05043-A, Utrecht: NITG-TNO, 2005. Haartsen, A. Ontgonnen verleden, Regiobeschrijving provincie Zuid-Holland. Ede: Bureau lantschap. Directe Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Harbers, P. Bodemkaart van Nederland, Schaal 1:50000, Toelichting bij kaartblad 38 Oost Gorinchem. Wageningen: Stichting voor Bodemkartering, 1981. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J. W.C. Peek, en R.M. van den Berg van Saparoea. Landschappen van Nederland. Wageningen, 2013. Kroon, H. & J.M.W. de Kunder. „De Krimpenerwaard: een onderzoek naar de historisch-geografische waarden van het cultuurlandschap.” Historisch geografisch tijdschrift 4e jaargang nr. 2, 1983: 33-42. Kroon, H. & J.M.W. de Kunder. De occupatie- en ontginningsgeschiedenis van de Krimpenerwaard; een onderzoek naar de historisch-geografische waarden van het cultuurlandschap. Doctoraalscriptie. Vrije Universiteit Amsterdam, 1981. Leijten, ir. P.C.J., Hamerlinck, drs. L.A. Nader bodemonderzoek terrein restaurant "De Viersprong" Breekade 20a, Krimpen aan den IJssel. Ridderkerk: EMN b.v., 1998. Lexmond, ir.

W.A.C. Verkennend milieukundig bodemonderzoek Breekade 20a, Krimpen aan den IJssel, rapport 97.15262/RDK. Bodegraven: Lexmond milieu-adviezen B.V., 1997. Maas, G.J., P.J. van Delft, en H. Heidema. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen Environmental Research. 2017. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. SIKB. BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie. Versie 4.1, 24 mei 2018. Gouda: SIKB, 2018. van den Ende, drs. H., Hogenboom, MPhil F., Verhoef, MA A.W. en Breimer, drs. J.N.W. Toelichting op de archeologische verwachtingen- en beleidskaart van de gemeente Krimpen aan den IJssel, Hazenberg Archeologie projectnummer: 5760. Leiden: Hazenberg AMZ Publicaties, 2011. Visscher, H. „Nieuwe inzichten in de bewoningsgeschiedenis van de Krimpenerwaard.” Histrorische Encyclopedie Krimpenerwaard, 15e jaargang 1990, nr. 3, 1990: 1-13. Vos, P.C., en S. de Vries. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd. www.archeologieinnederland.nl (geopend 11 30, 2015). Vries, F. de, W.J.M. de Groot, T. Hoogland, en J Denneboom. De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport 811, Wageningen: Alterra, 2003.

Wink, K. en Sprangers, J. Archeologienota gemeente Krimpenerwaard. Naar een realistische en duurzame omgang met het archeologisch erfgoed in de gemeente Krimpenerwaard. Weesp: RAAP-rapport 3168, 2016.

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 17 van 18

BRONNEN AHN; internetsite, juli 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juli 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl

Bodemloket, internetsite, juli 2021. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, juli 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, juli 2021. http://www.dinoloket.nl/

Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juli 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juli 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, maart 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juli 2021. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, maart 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Pagina 18 van 18

Figuur 1. Ligging van het plangebied

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 4. Het plangebied op de stroomgordelkaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 5. Het plangebied op de paleogeografische kaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 6. Het plangebied op de geomorfologische kaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 7. Maaiveldhoogte in het plangebied

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 8. Het plangebied op de bodemkaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 9. Het plangebied op historisch kaartmateriaal

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 10.

Bouwtekeningen bebouwing

Overzichtstekening gebouw voor 1999

Overzichtstekening gebouw 2000

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Overzichtstekening, verbouwing 2000

Funderingstekening, verbouwing 2000

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Tekening luifel en paaldetail, verbouwing 2000

Detailtekening bestaande vloer en fundering, verbouwing 2000

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Detailtekening bestaande vloer en fundering, verbouwing 2000

Overzichtstekening gebouw 2001

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 11.

Archeologische waarden en onderzoeken

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

Figuur 12.

Het plangebied op de geologische kaart

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

RAPPORT 15408.001 versie 2 (definitief)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16996420/1