CConstaterende datKrimpen aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing (+ oplegnotitie aanpassingen)

Gemeenteraad 25 juni 2026, gemeente Krimpen aan den IJsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Definitieve specifieke verklaring van geen bedenkingen op het perceel C.G. Roosweg 20 – McDonalds met McDrive31.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In het convenant is vastgelegd dat McDonald’s zorg draagt voor het dagelijks zwerfafvalvrij houden of maken van de openbare ruimte binnen het aangewezen gebied, het melden van andersoortig afval, zoals grofvuil, en het, voor zover gelegen binnen het gemeentelijk grondgebied, onder verantwoordelijkheid van de gemeente legen van gemeentelijke afvalbakken wanneer deze vol zijn of dreigen te overstromen. Aangezien het aangewezen gebied deels buiten het grondgebied van de gemeente Krimpen aan den IJssel valt, zijn hierover afspraken gemaakt en is overleg gepleegd met de overige betrokken partijen, te weten: de gemeente Krimpenerwaard, Staatsbosbeheer, Groenalliantie en de provincie Zuid-Holland. Tussen alle betrokken partijen zal gedurende de looptijd van het convenant afstemming en overleg

25

plaatsvinden over zowel het convenant als de uitvoering daarvan, waarbij partijen – indien gewenst en/of noodzakelijk – worden betrokken bij de periodieke evaluatie. Tevens draagt McDonald’s zorg voor de afvoer en verwerking van het verzamelde zwerfafval. De gemeente blijft daarbij eindverantwoordelijk voor de inzameling van afval binnen het eigen grondgebied en faciliteert de uitvoering door onder meer extra inzamelvoorzieningen te plaatsen, sleutels beschikbaar te stellen en vuilniszakken te leveren. Deze rolverdeling maakt duidelijk dat sprake is van een gezamenlijke inzet, zonder dat het beheer van de openbare ruimte feitelijk op de exploitant wordt afgewenteld. Van belang is verder dat partijen het convenant niet statisch hebben vormgegeven. Afgesproken is dat het convenant na drie maanden en vervolgens halfjaarlijks wordt geëvalueerd, waarbij onder meer wordt gekeken naar de omvang van het gebied en de benodigde inzamelfrequentie. Ook wordt bezien of – waar het gronden buiten het gemeentelijk grondgebied betreft – andere partijen bij de uitvoering betrokken dienen te worden. Daarmee is sprake van een adaptieve regeling, waarmee kan worden ingespeeld op de feitelijke praktijk na ingebruikname van het restaurant. Dit vergroot de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de afspraken.

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet alleen aansluit bij de gemeentelijke ambitie om afvalstromen beter te scheiden en de openbare ruimte schoon te houden, maar dat met het zwerfafvalconvenant tevens, in samenwerking met de betrokken grondeigenaren en bevoegde overheden, het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het recreatiegebied wordt geborgd. Voor extra borging van de afspraken uit het convenant verbindt de gemeente de afspraken uit het convenant aan de exploitatievergunning.

3.3.3 Duurzaamheidsagenda 2021-2024 In de duurzaamheidsagenda 2021-2024 voorziet de gemeente Krimpen aan den IJssel de grote klimaatdoelen- en ambities van een lokaal handelingsperspectief. De hoofdambitie is dat de gemeente in 2050 klimaatneutraal en gezond is. De duurzaamheidsagenda bestaat uit 4 thema’s:

•

Energie: het tegengaan van klimaatverandering door de uitstoot van CO2 te verlagen. Dit doen we door de vraag naar energie te verminderen en de opwekking van energie te verduurzamen.

•

Circulair: het omvormen van het economisch systeem waarin we grondstoffen niet uitputten en reststoffen opnieuw gebruiken in het productieproces. We werken aan vermindering van afvalstromen, het opnieuw gebruiken van reststoffen en het gebruiken van hernieuwbare grondstoffen. Klimaatadaptatie: het klimaat verandert. We zorgen ervoor dat we voorbereid zijn op klimaatverandering

•

en beperken schade en overlast zoveel mogelijk. Hiervoor richten we onze leefomgeving klimaatbestendig in. Dit doen we voor zowel hitte, water, droogte als biodiversiteit.

•

Gezondheid en voedsel: het maken van duurzame keuzes die bijdragen aan de gezondheid en de verandering van het voedselsysteem.

Op navolgende afbeelding zijn de ambities van de gemeente in een beeld gevat.

26

Duurzaamheidsambities gemeente Krimpen aan den IJssel

Planspecifiek De initiatiefnemer heeft ambities die in lijn zijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Krimpenerwaard. Navolgend zijn per thema de ambities beschreven: Energie Voor de H(eating) V(entilation) A(ir)C(onditioning) gaat gebruik gemaakt worden van warmtepompen op basis van lucht, die energie uit de lucht halen en deze verwarmen of koelen en dan afgeven aan de gebruikers van het gebouw. Om de energie (warmte en koude) in het gebouw niet weg te gooien wordt warmteterugwinning (kruisstroomwisselaar) ingezet. Hiermee kan warme/gekoelde binnenlucht ingezet worden om aangezogen buitenlucht voor te verwarmen. Hiermee door het rendement van de wisselaar 70% energieverbruik bespaard. Het paviljoen zal volledig elektrisch zijn, met 100% groene stroom van Nederlandse windparken. Voor de verlichting wordt duurzame LED-verlichting gebruikt. Daarnaast wordt het pand voorzien van energiemonitoringssystemen om het elektraverbruik te monitoren en hierop te acteren om zo energiezuinig mogelijk te zijn. In de keuken gebruikt McDonald's LOV-fryers (low volume), energiebesparende friteuses en vaatwassing met warmteterugwinning. Op het buitenterrein van het restaurant komen snellaadpunten voor elektrische auto’s. Verder worden geen nieuwe vormen van energiewinning, -opslag en - transport, waaraan veiligheidsrisico's verbonden zijn, toegepast.

Circulair De door McDonald’s gebruikte afbouwmaterialen moeten vanaf 2025 voor 50% bestaan uit gerecyclede of circulaire materialen. Zo wordt ook gekeken of het toepassen van cradle-to-cradle betonstraatsteen voor het buitenterrein mogelijk is. Bij de verdere uitwerking van het plan zal een verdiepingsslag worden gemaakt naar de mogelijkheden op het gebied van circulair bouwen. Voor de gevels is gekozen voor duurzaam hout. Het gebruik van bio-based isolatiemateriaal heeft de voorkeur. In 2025 wil McDonald’s dat 100% van de productverpakkingen van hernieuwbare, gerecyclede of gecertificeerde materialen is gemaakt. Momenteel wordt 91% van de productverpakkingen van gerecyclede of gecertificeerde materialen gemaakt. McDonald's wil alleen materialen gebruiken die na inzamelen en nascheiden gerecycled kunnen worden en ook weer opnieuw gebruikt kunnen worden. Daarom wordt waar mogelijk gekozen voor materiaalsoorten die goed recyclebaar zijn: zo’n 80% van de consumenten verpakkingen bestaat uit papier of karton. Verder wordt door toepassing van watervrije urinoirs per unit 125.000 liter per jaar op het waterverbruik bespaard. Klimaatadaptatie Rondom het terrein van het horecapaviljoen is een hoge mate aan groen-blauwe kwaliteit aanwezig. Dit heeft een verkoelend effect in het plangebied. Om het hitte-eiland effect verder te reduceren worden er

27

verscheidene plantenbakken op het terrein geplaatst. Hemelwater wordt afgevoerd op de omliggende watergangen. Gezondheid en voedsel McDonald’s neemt de verantwoordelijkheid om een bewustere leefstijl, met meer variatie in voeding na te streven, waarbij de richtlijn Gezonde Eetomgeving van het Voedingscentrum een duidelijk startpunt vormt. Zo zet McDonald’s al geruime tijd steeds stappen om meer verantwoorde keuzes aan hun gasten te bieden. Dit wordt gedaan door de voedingswaarden van producten te verbeteren, meer variatie aan het menu toe te voegen en door het stimuleren van een meer verantwoorde keuze – nudging met communicatie in en rondom de restaurants. Ook wordt het menu verbreed met meatless alternatieven en salades. Daarmee worden ook stappen gezet binnen de eiwittransitie; in 2024 wil McDonald's dat 55% van de menukaart uit vis, kip of vegetarisch bestaat. Middels communicatie probeert McDonald's hun gasten te stimuleren in het maken van een verantwoordelijke keuze. Zo is bijvoorbeeld water de standaard drank binnen de Happy Meal, waardoor er vijf keer vaker voor water wordt gekozen in plaats van frisdrank.

28

4 Onderzoek 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Sinds 1 januari 2021 geldt voor gevallen onder de drempelwaarden (kolom 2) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (informele mer-beoordeling) dat niet al bij de aanvraag om het merbeoordelingsplichtige besluit een mer-beoordelingsbesluit hoeft te worden gevoegd. De mer-beoordeling kan worden uitgevoerd, nadat de aanvraag is gedaan. De aanvraag moet worden afgewezen als uit de mer-beoordeling blijkt dat een m.e.r. nodig is. De beslissing over de mer-beoordeling kan worden gemotiveerd bij het mer-beoordelingsplichtige besluit. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van horecapaviljoen, waarbij ca. 150 m² bvo buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd. In eerste

29

instantie kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r. plaatsvinden.

Om dit inzichtelijk te maken is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Buro SRO, d.d. 5 mei 2026, zie bijlagen bijlage 1). Het bevoegd gezag kan op basis van deze aanmeldnotitie besluiten of er een m.e.r-(beoordeling) nodig is.

4.2 Waterhuishouding 4.2.1 Beleidskader Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:

• • • •

het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.

Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:

•

een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;

• •

een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.

Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan:

•

onttrekken en lozen van grondwater;

30

•

het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Waterplan Krimpen aan den IJssel Het Stedelijk waterplan Krimpen aan den IJssel is in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard in 2017 opgesteld. Het doel van het Waterplan Krimpen aan den IJssel is het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het stedelijk water van de gemeente. In de strategische visie staan hoofdlijnen voor het schoon en gezond houden van het watersysteem van Krimpen aan den IJssel, zoals het voorkomen van wateroverlast. Deze gezamenlijke visie bestaat uit de volgende vier waterthema’s: waterkwantiteit, waterkwaliteit, grondwater en riolering. In hoofdlijnen bestaat de visie voor de lange termijn uit 4 sporen:

• • • •

versterken waterbewustzijn; goed functionerend watersysteem; goede waterkwaliteit; afstemmen van het watersysteem op de gebruiksfuncties.

4.2.2 Plan De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van een naar aard en omvang beperkte herstructurering in het landelijk gebied. Watercompensatie en -afvoer Omdat de planlocatie zich bevindt in het buitengebied hoeft er slechts gecompenseerd te worden wanneer er meer dan 1.500 m² aan verharding aangelegd wordt. Op navolgende afbeelding zijn de oppervlaktes aan verhard oppervlak in de voormalige en toekomstige situatie weergegeven. In de voormalige situatie was het inmiddels gesloopte gebouw nog aanwezig.

31

Verhard oppervlak: links voormalige situatie, rechts toekomstige situatie

In de beoogde situatie wordt het bestaande asfalt verwijderd en wordt nieuwe elementenverharding aangebracht. Zoals te zien is op de afbeeldingen leidt het plan tot een verhardingstoename van (4.109,12 - 3.822,75=) 286,37 m². Daarmee wordt de vrijstellingsgrens (1.500 m²) niet overschreden en is watercompensatie niet vereist. Om de hemelwaterafvoer ten opzichte van de huidige situatie te verbeteren wordt het terrein opgehoogd en wordt een HWA-stelsel onder de nieuwe verharding aangelegd. Het hemelwater wordt afgevoerd op de omliggende watergangen. Daarbij worden geen uitlogende materialen toegepast. Het gescheiden afvoeren van hemelwater zorgt voor een minder grote belasting van de riolering en draagt bij aan een duurzaam waterbeheer. Het nieuwe gebouw wordt aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Oppervlakte- en grondwater Rondom zijn enkele watergangen gelegen. Er worden geen ingrepen aan deze watergangen gedaan. Wel worden in het kader van de bodemsanering aan de noord- en westzijde van de locatie damwanden aangelegd ter voorkoming van verdere (horizontale) spoeling van vervuilde grond(water). Beoogd wordt deze damwanden van de waterkant af te houden. Deze werkzaamheden worden in samenspraak met het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (hierna: HHSK) uitgevoerd. Uit een vergunningscheck en afstemming met HHSK (d.d.

12 april 2024) blijkt dat het plaatsen van een beschoeiing langer dan 20 m per perceel vergunningsplichtig is. Hiervoor zal dan ook vergunning worden aangevraagd. Verder maakt het plangebied geen deel uit van een waterwin- of grondwaterbeschermingszone. Wel ligt het in een boringsvrije zone, wat aan bod is gekomen paragraaf 3.2.2. Dit vormt geen belemmering voor het initiatief. Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden tijdens de aanleg- en gebruiksfase duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er wordt dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de uitvoering van het plan.

32

4.3 Cultureel erfgoed 4.3.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Door de gemeente Krimpen aan den IJssel is een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Navolgend is een uitsnede van de waardenkaart ter hoogte van het plangebied weergegeven.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, plangebied rood omkaderd (bron: gemeente Krimpen aan den IJssel)

Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat in het plangebied geen rijksmonumenten of beeldbepalende objecten aanwezig zijn. Wel ligt het in een beeldbepalende zone langs de C.G. Roosweg. Om hieraan te gemoed te komen wordt het nieuwe horecapaviljoen op dezelfde positie geplaatst als het voorgaande horecapaviljoen en wordt het zorgvuldig ingepast met natuurlijke kleuren en materialen. Er kan geconcludeerd worden dat er met het plan geen cultuurhistorische waarden worden aangetast.

4.3.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1

33

van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het geldende bestemmingsplan heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. Aangezien deze normen overschreden worden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 15408.001, d.d. 12 juli 2021, zie bijlagen bijlage 2). Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat vervolgonderzoek niet benodigd is. Het plangebied is vrijgegeven voor ontwikkeling.

4.4 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Uit uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de bodem ter plaatse verontreinigd is. In bijlagen bijlage 3 (Saneringsplan inclusief bodemonderzoeken) is het saneringsplan met de uitgevoerde bodemonderzoeken opgenomen. Het plan van aanpak hiervoor is afgestemd met de DCMR. Op 11 juli 2022 heeft het bevoegd gezag (i.c. Gedeputeerde Staten) ingestemd met het saneringsplan. Sinds die tijd zijn de inzichten voor de nieuwbouw en herinrichting gewijzigd. Daarom zijn in een notitie de wijzigingen op het beschikte saneringsplan weergegeven (Arnicon, 23-0732-S1-WG03, zie bijlagen bijlage 4).

Op 22 januari 2024 heeft de DCMR de voorgestelde wijzigingen akkoord bevonden. Ook is later door DCMR schriftelijk bevestigd dat de beperkte verschuiving van het gebouw geen invloed heeft op het principe van het saneringsplan en het wijzigingsverzoek, mits de monitoringspeilbuizen intact blijven. Geconcludeerd is dat de voorgestelde wijzigingen op het saneringsplan voldoen aan het bodemsaneringsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Daarmee is isolatie van de verontreiniging voldoende geborgd. Voorwaarde daarbij is wel dat bij het verplaatsen van het gebouw de monitoringspeilbuizen in stand moeten blijven. Daarnaast dient na de uitgevoerde sanering aan de hand van een evaluatieverslag te worden beoordeeld en vastgesteld of de locatie daadwerkelijk geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik. Aan de hand van deze evaluatie kan DCMR vaststellen of de locatie daadwerkelijk geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik. In deze fase wordt ook ingestemd met het vervolg of het nazorgplan.

4.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

34

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Een horecapaviljoen is geen geluidgevoelig object in het kader van de Wgh, waardoor toetsing van geluidbronnen uit de Wgh achterwege kan blijven. Tevens is het paviljoen en bijbehorend terrein niet aan te merken als geluidbron in de zin van de Wgh. Wel is geluid van het terrein ten opzichte van omliggende geluidgevoelige objecten mogelijk van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in paragraaf 4.8. Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen uit de Wet geluidhinder geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

35

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. WHO-advieswaarden 2021 In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagd naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Planspecifiek In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate.

Uitbreiding van een horecapaviljoen valt niet onder een van de in de regeling NIBM genoemde activiteiten. Daarom dient inzichtelijk gemaakt te worden of het een project betreft dat 'niet in betekenende mate' van invloed is op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de NIBMtool. Bij de invoer van gegevens in de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project van belang. In de mobiliteitsstudie is de verkeersgeneratie voor de toekomstige situatie berekend, zoals beschreven in de oplegnotitie verkeersonderzoeken (zie bijlagen bijlage 8). In dit onderzoek is een verkeersgeneratie van 4.983 motorvoertuigen per weekdagetmaal berekend. De verkeersintensiteit die in de NIBM-tool moet worden ingevoerd is de toename van het totale aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal door het plan (bron: IPLO). Zoals beschreven in de stikstofberekening (zie bijlagen bijlage 6) gaat 50% van het verkeer speciaal de weg op om het McDonald's restaurant te bezoeken. Daarmee dient 50% van het verkeer gezien te worden als 'extra verkeer'; het overige deel van het verkeer bevindt zich al op de weg. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van (4.983*50%=) 2.491,5 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.

Ten opzichte van de vergunde situatie (OV.2022039), waarvoor een verkeersgeneratie van 330 verkeersbewegingen per etmaal was berekend, leidt dit tot een toename van 2.161,5 verkeersbewegingen per etmaal. De extra verkeersbewegingen zijn ingevuld in de NIBM-tool, waarvan navolgend een uitsnede is opgenomen.

36

Uit de NIBM-tool blijkt dat het extra verkeer 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de ontwikkeling volledig gerealiseerd is in 2025. Daarnaast is het aandeel vrachtverkeer op 1% van het extra verkeer geschat (worstcase). Er komen immers dagelijks hoogstens 2 vrachtwagens voor bevoorrading; het terrein is ontoegankelijk voor vrachtwagens van derden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast, met behulp van het CIMLK (van het RIVM), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit het CIMLK (receptor 27375169_15999027) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse (monitoringsjaar 2022) voldoet aan de wettelijk gestelde grenswaarden van 25 μg/m³ voor PM2,5 en 40 μg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide NO2. De specifieke waarden zijn 9 μg/m³ voor PM2,5, 16,9 μg/m³ voor PM10 en 18,9 μg/m³ voor NO2. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland allemaal worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030.

In het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn ook de verwachte waarden voor 2030 opgenomen. De totale concentraties (receptor 27375169_15999027) over 2030 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied bedragen respectievelijk 14,2 µg/m³, 7,3 μg/m³ en 15,6 μg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke normen, maar wordt alleen de advieswaarde van de WHO voor PM 10 gehaald. Echter zijn de overschrijdingen van de advieswaarden voor PM2,5 en NO2 niet zodanig dat dit afbreuk doet aan een goed verblijfsklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Voor iedereen in Nederland geldt altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet

37

natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Planspecifiek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd (Ecoresult, ER20240290QS, d.d. 4 maart 2025, zie bijlagen bijlage 5). Navolgend worden de resultaten van dit onderzoek beschreven. Soortenbescherming Uit de quickscan blijkt dat de locatie potentie heeft voor enkele beschermde soorten. De ruig begroeide oevers langs de oost- en noordzijde van de planlocatie zijn geschikt als habitat voor de waterspitsmuis. Indien de oevervegetatie tot minimaal 1 m vanuit de waterkant behouden kan blijven, is er geen sprake van een negatief effect.

Conform dit advies blijft de oevervegetatie in stand, waardoor er geen schade aan habitat voor de waterspitsmuis ontstaat. Daarnaast zijn de sloten rondom het plangebied geschikt als habitat voor de grote modderkruiper. Ook hieraan vinden geen ingrepen plaats, waardoor een negatief effect uit te sluiten is. Het plangebied is verder potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten geldt een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat schadelijke effecten op soorten zoals de (spits)muis en egel zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Verder wordt, zoals weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan (d.d. 1 december 2025, zie bijlagen bijlage 13), uitgegaan van natuurvriendelijke verlichting, om zo lichthinder voor fauna te voorkomen. De verlichting wordt later uitgewerkt in een verlichtingsplan. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Wel ligt het plangebied op korte afstand van het Natuurnetwerk Nederland (50 m). Op een dergelijk afstand zijn ecologische effecten ten gevolge van een bouwproject denkbaar.

Echter heeft het NNN in de provincie Zuid-Holland geen externe werking (effecten van handelingen buiten de als NNN begrensde gebieden), waardoor negatieve effecten op het NNN uit te sluiten zijn. Daarnaast ligt het in gebied dat is aangewezen met beschermingscategorie 3, zoals bepaald in de Omgevingsverordening ZuidHolland. Zoals reeds aan bod gekomen in paragraaf 3.2.2 doet het plan geen afbreuk aan de openheid en het groene karakter van het landschap. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op circa 14 kilometer. Desalniettemin kunnen negatieve effecten ten gevolge van de stikstofdepositie van het project niet uitgesloten worden zonder een berekening met de AERIUS Calculator. Daarom is deze berekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 26 november 2025, zie bijlagen bijlage 6). Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van het project geen significante effecten op Natura 2000-gebieden heeft. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het project.

38

4.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Een horecagelegenheid is geen gevoelige functie in het kader van de milieuwetgeving, maar een inrichting. Dat betekent dat in het planologisch traject gekeken moet worden naar mogelijke effecten op het woon- en leefklimaat van woningen in de omgeving. Een restaurant valt conform de VNGrichtafstandenlijst onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m (geur en geluid). In de huidige situatie is er reeds horeca toegestaan op de locatie. Desalniettemin is gekeken naar gevoelige functies in de omgeving. Ten westen van het onderhavige bestemmingsplan 'Horeca' is conform het geldende bestemmingsplan een bedrijfswoning toegestaan. Omdat de afstand tussen de bestemmingsgrens en de aanduiding 'bedrijfswoning' meer dan 20 m bedraagt wordt voldaan aan de richtafstand en is een goed woon- en leefklimaat bij de woning geborgd. Aan de overkant van de C.G. Roosweg, op ongeveer 130 en 250 m (gemeten vanaf bestemming 'Horeca' naar bouwvlak bestemming 'Wonen'), liggen enkele woningen. Deze afstand is dusdanig ruim dat negatieve gevolgen uitgesloten kunnen worden. Daarnaast ligt er direct ten westen van het plangebied een recreatieterrein waar mensen voor langere tijd verblijven. De afstand tussen de bestemmingsgrens van het horecapaviljoen en de dichtstbijzijnde recreatiewoning bedraagt ca. 25 m. Ook deze afstand is ruim genoeg om hinder uit te sluiten.

Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen

39

een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico (PR) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Bij het groepsrisico (GR) is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect.

Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.

Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden.

40

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat beschreven in Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Btev). In het Btev staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens het Btev mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Ten opzichte van de voorheen geldende 'Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' is een verantwoording van het groepsrisico niet meer verplicht als het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat restaurants beperkt kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of de planlocatie in de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen ligt is de risicokaart geraadpleegd. Met de risicokaart kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.

De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (zwarte omcirkeling)

Risicovolle inrichtingen Op ca. 200 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation. Tevens bevinden zich op respectievelijk ca. 190 m, ca. 260 m en ca. 310 m ten zuidoosten van het plangebied een drietal propaantanks (zie uitsnede risicokaart). Met deze afstanden ligt het plangebied buiten de risicoafstanden van de genoemde inrichtingen, waardoor dit geen belemmeringen voor het plan oplevert. Risicovolle transportroutes Mogelijk vindt bevoorrading van het LPG-tankstation in Lekkerkerk en enkele verspreid liggen propaantanks plaats via de N210. Het gaat dan om een beperkte vervoersstroom die niet zal leiden tot een PR 10-6 contour. Op basis daarvan, in combinatie met de weinige bebouwing in de omgeving van de N210, kan worden gesteld dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Conform art. 8 van het Bevt kan de verdere verantwoording van het groepsrisico daarom achterwege blijven. Wel dient conform art. 7 van het Bevt het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Hierbij dient in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Dit wordt verderop in deze paragraaf beschouwd.

41

Risicovolle buisleidingen Langs de noord- en westzijde van het perceel bevindt zich een hoofdaardgastransportleiding (A-518). Binnen de beschermingszone van de gasleiding en op de gasleiding zelf mag niet gebouwd worden. Deze leiding heeft een grootte van 30 inch en een werkdruk van 66,20 bar. Het invloedsgebied van de buisleiding bedraagt 380 m, waarmee het beoogde horecapaviljoen binnen het invloedsgebied ligt. Daarnaast ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied van de zuidelijk gelegen buisleiding. Omdat het BVO aan horecagelegenheid toeneemt en daarmee ook het aantal aanwezige personen, is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd (AVIV, 235382, d.d. 25 februari 2025, zie bijlagen bijlage 7). Hieruit blijkt dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het groepsrisico van aardgasleiding A-518 is in zowel de huidige als toekomstige situatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de aardgasleidingen A-518-06 en W-513-03 is geen sprake van een groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: VRR) heeft op 28 november 2024 advies gegeven op de beoogde ontwikkeling. Hierin is positief geadviseerd op het bouwplan.

In eerder advies (16 december 2021) adviseerde VRR om rondom het te realiseren gebouw zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Door de Veiligheidsregio werd tevens geadviseerd om ervoor te zorgen dat de aanwezigen bij een incident goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Omdat dit advies gebaseerd was op een ouder plan is ook het nieuwe plan voorgelegd aan de veiligheidsregio. Hierop heeft de VRR aangegeven dat het ruimtelijke veiligheidsadvies (kenmerk: 21UIT27938) grotendeels van kracht blijft met uitzondering van enkele nuanceringen. Dit is in de navolgende beperkte verantwoording verwerkt. - Personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding Op basis van de invoergegevens uit de BAG-populatieservice wordt het aantal personen binnen de panden die (gedeeltelijk) binnen het invloedsgebied liggen, bepaald op 66 overdag en 77 's nachts. Het invloedsgebied rond het te beschouwen deel van de leiding heeft een oppervlakte van ca. 264 ha. Dat levert een gemiddelde dichtheid van ca. 0.3 personen/ha overdag en 's nachts. Conform de BAG-populatieservice bevinden zich in de huidige situatie 5 personen overdag en 3 personen ’s nachts binnen de planlocatie. Deze worden vervangen door de verwachte 100 personen overdag en ’s nachts. De dichtheid neemt hierdoor toe tot ca.

0.6 personen/ha overdag en 0.7 personen/ha nachts. - De hoogte van het groepsrisico In de huidige situatie is het groepsrisico kleiner dan 1% van de oriëntatiewaarde. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico toe tot 0.03 keer de oriëntatiewaarde. - Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De Veiligheidsregio adviseert om rondom het te realiseren gebouw zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Daarbij attendeert VRR ook op bereikbaarheid van calamiteitenroutes in het geval van piekbuien. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij piekbuien er plasvorming kan optreden bij de entree van het plangebied.

Omdat het terrein wordt opgehoogd en een HWA-stelsel wordt aangelegd zal de plasvorming hier verminderen en de bereikbaarheid geborgd zijn. De opstelplaats voor het brandweervoertuig bevindt zich bij de entree van het plangebied. Een aansluiting met open water waar aan de randvoorwaarden wordt voldaan is niet mogelijk. Er is daarom overeengekomen om een opstelplaats voor een brandweervoertuig bij het open water aan de Broekkade te realiseren. Bovendien wordt de opstelplaats zo dicht mogelijk bij de oprit wordt gerealiseerd en niet voorbij het restaurant, omdat er in dat geval in verband met verloren tijd mogelijk sprake kan zijn van een meer ontwikkelde brand en de watergang bij de entree als voldoende hoeveelheid bluswater kan worden

42

beschouwd. Op navolgende afbeelding zijn de opstelplaats van de brandweer en het blusvoertuig weergegeven.

Opstelplaats blusvoertuig (bron: Trovis architectuur)

Het plangebied wordt ontsloten via de C.G. Roosweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Krimpen aan den IJssel. Door de Veiligheidsregio wordt geadviseerd om ervoor te zorgen dat de aanwezigen bij een incident goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. De aanwezigen op het terras kunnen het gebouw invluchten middels de aangrenzende in- en uitgang. Ten aanzien van het vluchten vanaf het dakterras wordt aanbevolen om de vluchtdeuren in de vluchtweg mee te laten draaien. Wellicht kunnen schuifdeuren als alternatief worden aangedragen. De uitgangscapaciteit zal daarbij in overeenstemming moeten worden gebracht met het maximale aantal bezoekers dat tot het dakterras zal worden toegelaten. Overige (nood-)uitgangscapaciteit is in overeenstemming met het totaal toe te laten aantal personen in het restaurant. Verder is aan de noordkant een uitgang gesitueerd, waardoor aanwezigen van de N210 en hogedruk aardgasleiding af kunnen vluchten. - Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een nieuw horecapaviljoen gerealiseerd worden. De aanwezigen worden als zelfredzame personen beschouwd. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit.

Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Vluchten vanaf het terras is mogelijk richting de noordzijde van het gebouw. McDonald's heeft vanwege het gebruiksgemak en feit dat gasten en personeel veel met dienbladen lopen een sterke voorkeur voor schuifdeuren. Om bij een ongeval toch het gebouw te kunnen ontvluchten worden de schuifdeuren uitgevoerd met een elektrische noodaccu. Zo blijven de deuren ook functioneren als de netstroom uitgevallen is. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. (Graaf)werkzaamheden in de nabijheid van de omliggende buisleidingen brengt risico op fakkelbrand met zich mee. In eerste instantie zullen de graafwerkzaamheden alleen plaatsvinden als het restaurant nog niet in gebruik is, waardoor er geen risico ontstaat voor personeel en gasten. Als het restaurant gerealiseerd is en er vinden werkzaamheden nabij de buisleidingen plaats wordt dit zoveel mogelijk buiten openingstijden uitgevoerd.

Indien er toch werkzaamheden nabij buisleidingen ten tijde van opening van de het restaurant worden uitgevoerd worden er afspraken tussen de eigenaren van de leidingen en partijen die in de nabijheid van de transportleidingen graafwerkzaamheden uitvoeren. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen

43

nemen. De BHV-organisatie dient met een noodplan te zijn geregeld en men dient op de hoogte te zijn van de mogelijkheid van het optreden van een incident, ook buiten het object, zodat zij weten hoe te handelen bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Vanuit sociale orde en veiligheid dient zorg te worden gedragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dienen huurders/gebruikers op de (externe) veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er wordt informatie verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Hoogspanningsleidingen Ca. 150 m ten oosten van het plangebied bevindt zich een hoogspanningsleiding. De afstand van woningen tot hoogspanningsmasten moet volgens richtlijnen van het RIVM tegenwoordig minimaal vijftig meter zijn. Voor andere objecten dan woningen gelden geen voorgeschreven afstand.

Er wordt in onderhavig geval voldaan aan de voorgeschreven afstand. Bovendien zal men in het horecapaviljoen minder lang verblijven dan in een woning, waardoor het risico op gezondheidsschade minimaal is. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan, mits het voldoet aan de eisen van VRR, in het kader van externe veiligheid uitvoerbaar is. Bij werkzaamheden nabij buisleidingen tijdens openingstijden van het restaurant dienen afspraken met de leidingbeheerders worden gemaakt, bijvoorbeeld over venstertijden. Daarnaast dient aan de toekomstige gebruiker informatie te worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.

4.10 Kabels en leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

• • • •

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Planspecifiek Langs de zuidzijde van het perceel bevindt zicht een gasleiding. Op de verbeelding van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied (voormalig gemeente Nederlek)' is de belemmeringenstrook opgenomen, zoals op navolgende afbeelding weergegeven.

44

Ligging belemmeringenstrook hoofdaardgastransportleiding, rood gearceerd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Bij het uitvoeren van werkzaamheden op deze gronden dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Daarnaast vraagt de initiatiefnemer in het kader van de aan te leggen damwanden een KLICmelding aan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16996420/1