Vraag met beantwoording fractie Burgerbelangen
Tekst van het document
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden en soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen:
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
47
Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bal);
Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bal);
Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bal).
Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bal, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bal. 7.10.2
Onderzoek
Flora en fauna Voor de projectlocatie is er een quickscan flora en fauna13 uitgevoerd. De uitvoering van de quickscan is een eerste stap om te vermijden dat soorten verstoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Met een bureauonderzoek en veldwerkonderzoeken wordt vastgesteld of er bij de plannen sprake kan zijn op overtreding van de Wet natuurbescherming, of dat deze met eenvoudige maatregelen zijn te voorkomen. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten uit het onderzoek weergegeven, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Vleermuizen Vaste rust- en verblijfplaatsen Er zijn tijdens het onderzoek vier vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Drie van deze vaste rust- en verblijfplaatsen dienen als zomerverblijfplaatsen, één verblijfplaats dient als jaarrond verblijfplaats (Holzstraat 21b). Deze bevinden zich onder de grijze dakplaten boven het balkon. Met de benodigde maatregelen kunnen deze verblijfplaatsen verwijderd worden. Het tijdig treffen van deze maatregelen is noodzakelijk. Tevens zijn er mitigerende maatregelen getroffen door het ophangen van vleermuiskasten in de omgeving.
Foerageergebied en vliegroutes De dieren die op de binnenplaats een vaste rust- en verblijfplaats hebben, jagen kortstondig op de binnenplaats, om na circa 30 minuten richting noorden te vliegen om daar (vermoedelijk bij het kerkhof) te jagen. De dieren van de Holzstraat vliegen direct richting het westen en jagen niet rond hun verblijfplaats (vanwege het ontbreken van vegetatie). Er is dan ook geen sprake van essentieel foerageergebied wat door meerdere soorten en hoge aantallen gejaagd wordt. Door het ontbreken van een goed ontwikkelde bomenstructuur is het aanwezig zijn van een primaire vliegroute eveneens uitgesloten. Overige soorten/soortgroepen Er zijn tijdens de onderzoeksrondes geen waarnemingen verricht van andere beschermde soorten planten en dieren (bijvoorbeeld Steenmarter, Egel en dergelijke). Stikstof Met behulp van de vigerende Aerius Calculator 2024, is de stikstofdepositie14 bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden, door de sloop en nieuwbouw van de woningen aan de Erpostraat/Holzstraat te Kerkrade.
13 14
Bureau Verbeek/Ecolybrium, Activiteitenplan Wet natuurbescherming, rapportnummer NL KE-807.002, d.d. 7 februari 2023 BRO, AERIUS-berekening Erpostraat/Holzstraat te Kerkrade, rapportnummer P07467, d.d. 3 maart 2025
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
48
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn het Duitse ‘Wurmtal südlich Herzogenrath’ op circa 1,2 km en het Duitse ‘Wurmtal nördlich Herzogenrath op circa 2,2 km. Het meest nabijgelegen Nederlandse Natura-2000 gebied is het ‘Geleenbeekdal’ op 5,7 km. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling sloop en nieuwbouw van woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Onderhavig document en bijgevoegde Aerius-bijlagen geven hier invulling aan. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2025. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. 7.10.3
Conclusie
Gelet op bovenstaande onderzoeksresultaten, kan worden gesteld dat de aspecten Natuur en landschap geen belemmering vormen voor het planvoornemen.
7.11
Luchtkwaliteit
7.11.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
49
onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Een rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden.
Als besluiten binnen een aandachtsgebied leiden tot een verhoging van de concentraties van luchtverontreinigende stoffen, of als gemeenten activiteiten toestaan die betrekking hebben op wegen, vaarwegen of spoorwegen en waarvoor luchtkwaliteitsregels gelden volgens het Bal, moet dit in overweging worden genomen. In sommige gevallen kan de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen zo hoog zijn dat de invoering van een nieuw project toch leidt tot overschrijding van de landelijke omgevingswaarden. Dit kan ook van toepassing zijn op activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, die de concentraties binnen dat gebied verhogen. Hierdoor moet een gemeente soms een planinitiatief toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied, zelfs als het initiatief buiten dat specifieke gebied valt. Deze beoordeling is met name nodig bij activiteiten die aanzienlijke luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben, zoals extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener beoordeelt de activiteit aan de hand van de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van NO2 of PM10. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze gaan over:
beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
ammoniakemissies van veehouderijen;
geologische opslag van CO2.
In sommige gevallen heeft de gemeente mogelijk al in een eerdere fase, bijvoorbeeld bij het toelaten van bedrijven in het omgevingsplan, beoordeeld of het plan voldoet aan de regels met betrekking tot luchtkwaliteit. Deze beoordeling, ook wel aangeduid als een ‘voortoets’, is verplicht als het projectgebied zich bevindt in
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
50
een aandachtsgebied. Wanneer een daadwerkelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend, moet het bevoegd gezag opnieuw beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de specifieke eisen met betrekking tot luchtkwaliteit. Met andere woorden, de gemeente kan in een vroegere fase een initiële beoordeling uitvoeren, maar de uiteindelijke goedkeuring of afwijzing van de vergunningaanvraag gebeurt pas bij de daadwerkelijke aanvraag op basis van de geldende luchtkwaliteitseisen. 7.11.2
Onderzoek
Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. CIMLK In het kader van goede ruimtelijke ordening is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in Tabel 7.1 weergegeven. Tabel 7.1: Achtergrondwaarden ter plaatse van het projectgebied Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
8988
11,95
13,79
6
7,56
2025
7389
11,84
13,77
6
7,55
2025
7374
9,52
13,27
6
7,43
2025
8966
9,52
13,27
6
7,43
2025
Norm
40
40
35
25
De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in hoofdstuk 7.12 ‘Verkeer en parkeren’. Bij de berekening is uitgegaan van de maximum verkeersgeneratie, namelijk 106 mvt/etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in de navolgende tabel.
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
51
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2025
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
106
Aandeel vrachtverkeer
2,0%
NO2 in μg/m
3
0,07
PM10 in μg/m
3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en PM10 is niet hoger dan 1,2 ug/m³. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 niet nodig. Tevens behoort het projectgebied niet tot een van de aandachtsgebieden, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De bouw van een appartementencomplex is geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. 7.11.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.12
Geluid
7.12.1
Toetsingskader
Het planvoornemen betreft een functiewijziging van ‘Dienstverlening’ naar ‘Wonen’, waarbij 25 woningen worden gerealiseerd. Er is daarmee sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
52
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
het bevorderen van bronmaatregelen;
het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:
het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door:
de ordening van locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf;
het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen.
Geluid door activiteiten In Bijlage XXII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
7.12.2
Onderzoek
Binnen het plan worden 25 woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Bkl. Het projectgebied ligt binnen de bebouwde kom aan verharde gemeentewegen. Er is door Econsultancy een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai15 uitgevoerd. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
15
Econsultancy, onderzoek wegverkeerslawaai Holzstraat 19, rapportnummer 25690.004, d.d. 4 juli 2024
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
53
Bij de projectie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Wegen met een etmaalintensiteit van ten hoogste 1.000 motorvoertuigen kennen geen geluidaandachtsgebied. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ter bepaling en toetsing van de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige gebouwen ook relevante wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal beschouwd. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige gebouwen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woonblokken zijn toetspunten ten behoeve van maximaal vier bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van de rekenregels volgens de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2023.3. Het geluid op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 65 Lden als gevolg van de gemeentewegen. Alleen op woonblok A treedt een overschrijding op van de standaardwaarde als gevolg van de gemeentewegen. De grenswaarde van 70 Lden wordt nergens overschreden. Er worden geluid beperkende maatregelen overwogen om aan de standaardwaarde te kunnen voldoen.
Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de woningen in woonblok A dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. 7.12.3
Conclusie
Voor de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Dit onderzoek zal bij de bouwaanvraag aanwezig dienen te zijn. Om dit te borgen is er in de regels een specifieke functieregel opgenomen.
7.13
Verkeer en parkeren
7.13.1
Toetsingskader
Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau.
Daarin worden vaak mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst.
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
54
7.13.2
Onderzoek
In het kader van onderhavig planvoornemen is er door Antea Group een Parkeer- en verkeersonderzoek16 uitgevoerd. Onderhavig worden de belangrijkste resultaten samenvattend weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Parkeerbalans Op basis van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt de totale verwachte parkeerbehoefte 35 parkeerplaatsen, waarvan 4 voor bezoekers. Op basis van het aanwezigheidspercentage bedraagt de parkeerbehoefte op piekmomenten 31 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundige plan worden 27 parkeerplekken gerealiseerd. Dit is onvoldoende om in de parkeerbehoefte voorzien. Dit betekent dat er, op basis van de parkeernormen die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen, op de piekmomenten sprake is van een tekort van 4 parkeerplaatsen. Om dit te compenseren, dienen er in totaal 4 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te worden gezocht. Parkeeronderzoek De bezettingsgraad stijgt in de secties 7, 8, 11 en 12 naar 94,5% en ligt hiermee boven de grenswaarde die gehanteerd wordt. De parkeerdruk mag, op basis van het Nota Parkeernormen 2024 Kerkrade, worden opgevangen binnen 200 meter van de locatie. Voor deze secties geldt dat de bezettingsgraad 85% bedraagt en hiermee onder de grenswaarde van 90% blijft bij het toevoegen van 4 voertuigen. Op deze momenten blijft voldoende restcapaciteit aanwezig.
Op basis van het parkeeronderzoek zijn geen knelpunten te verwachten wanneer de ontwikkelaar de parkeerbehoefte van vier parkeerplaatsen oplost in de openbare ruimte. Verkeersgeneratie Op basis van CROW-publicatie 744 “Parkeerkencijfers 2024” bedraagt de minimale verkeergeneratie 76 voertuigbewegingen per weekdag en de maximale verkeersgeneratie 96 voertuigbewegingen per weekdag. Om de verkeersgeneratie per werkdag te berekenen, moet de verkeersgeneratie) met een factor 1,11 worden vermenigvuldigd (conform CROW). De totale verkeersgeneratie per werkdag bedraagt daarmee 106 motorvoertuigbewegingen. Ontsluiting De ontwikkeling HEEMwonen genereert maximaal 106 voertuigbewegingen per werkdag, dit betreft het worstcasescenario op basis van de maximale kencijfers. De capaciteit van de omliggende wegen en een beperkte spitsintensiteit (11 voertuigbewegingen in één uur) leiden ertoe dat er geen knelpunten te verwachten zijn op het gebied van verkeersdoorstroming. Langzaam verkeer kan via dezelfde ontsluiting als gemotoriseerd verkeer worden afgewikkeld. De ontsluiting op de Holzstraat en de Erpostraat leiden niet tot knelpunten in de verkeersdoorstroming. 7.13.3
Conclusie
Gelet op de bovenstaande berekeningen, kan er worden geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen.
16
Antea Group, Parkeer- en verkeersonderzoek Epostraat 1, rapportnummer 0484170.100 V2, d.d. 27 februari 2025
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
55
7.14
Geur
7.14.1
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden;
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht:
zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw,
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
56
dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. 7.14.2
Onderzoek
Voor onderhavig project wordt een woonfunctie gerealiseerd, en is er op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl sprake van een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van onderhavig planvoornemen zijn geen geurgevoelige objecten gelegen. Derhalve is er geen sprake van een belemmering voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving. 7.14.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.15
Trilling
7.15.1
Toetsingskader
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen:
continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer);
herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).
Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan17. 7.15.2
Onderzoek
Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk woningen met een woonfunctie. Het is van belang dat de bewoners geen hinder ervaren van trilling door de omgeving. Uit een gedegen analyse is gebleken dat er geen bedrijven zijn gelegen in de nabije omgeving met continue of herhaald voorkomende trillingen door een activiteit, waar het gebouw hinder van kan ervaren. Tevens zijn
17
https://iplo.nl/thema/trillingen/trillingen-instrumenten/omgevingsplan/nieuwbouw-langs-spoor/
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
57
er al diverse maatgevende woonbestemmingen rondom het projectgebied gelegen. Er is geen spoorlijn in de omgeving van de nieuwe bebouwing gelegen18. Gezien het projectgebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en 250 meter valt, kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre worden geborgd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan, en de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 7.15.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
18
https://spoorkaart.mwnn.nl/
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
58
8
Financiële en maatschappelijke verantwoording
8.1
Financieel-economische haalbaarheid
De ontwikkeling is voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Er is sprake van een bouwplan. Tussen gemeente en initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt gewaarborgd en het kostenverhaal voor de gemeente verzekerd is.
8.2
Maatschappelijke verantwoording
8.2.1
Advies en instemming
De wijziging van het omgevingsplan zal door de gemeente aan de vaste overlegpartners worden voorgelegd. Eventuele reacties worden beantwoord en waar nodig in het plan verwerkt. 8.2.2
Resultaten proces met derden
Op 2 november 2022 heeft er op locatie Erpostraat een participatiemiddag plaatsgevonden. Tijdens dit participatiemoment hebben omwonenden en andere belanghebbenden hun reactie gegeven op drie modellen uit de modellenstudie waarvoor vanuit HEEMwonen, gemeente Kerkrade en CB5 ruimtelijk gezien de voorkeur was uitgesproken. Voor de modellen wordt verwezen naar de rapportage in de bijlagen 19. Vanuit de participatiemiddag is het roze model als voorkeursmodel naar voren gekomen. Dit model vormt dan ook de basis voor de nadere uitwerking het synthesemodel. Daarnaast worden vanuit de input van de omwonenden en andere belanghebbenden de volgende uitgangspunten meegenomen:
De voorkeur gaat uit naar grondgebonden woningen in bouwvlak B;.
Voor de bebouwing in bouwvlak A en bouwvlak C dient te worden uitgegaan van appartementen/gestapelde woningbouw.
De bebouwing in bouwblok B is maximaal 2 lagen (met kap).
De bebouwing ter zijde van de patiowoningen is maximaal 2 lagen.
Een maximale bouwhoogte van 4 lagen is toegestaan voor het gebouwdeel aan de Holzstraat.
Een afbouw van het bouwblok aan de Holzstraat van 4 lagen naar 3 lagen en vervolgens naar 2 lagen is wenselijk.
De buitenruimtes van het gebouwdeel ter zijde van de patiowoningen worden aan de zuidzijde opgelost; dit i.v.m. privacy.
Er dient met zorg gekeken te worden naar de afzoming van het Ursulinenpark: het park als individueel groen hof.
De opening naar het park dient smaller gemaakt te worden.
De gemetselde wand richting het Ursulinenpark wordt gesloopt.
De oriëntatie van bouwblok B mag gedraaid worden ten gunste van de afzoming van het Ursulinenpark.
De architectonische verschijningsvorm van de ontwikkeling dient aan te sluiten op de architectuur van de patiowoningen rondom het Ursulinenpark. Hierbij is metselwerk het uitgangspunt.
Parkeren dient uit het zicht, aan de achterzijde te worden opgelost.
Er dient met zorg gekeken te worden of de aanrijdroute naar het parkeerterrein ook via de Erpostraat kan plaatsvinden (dit ook op advies van gemeente Kerkrade).
Het parkeerterrein aan de achterzijde dient afsluitbaar te zijn.
De wens is om de doodlopende ontsluitingsweg naar de bestaande patiowoningen te behouden.
Doelgroep: een mix van sociale en midden huur.
19
CB5, Haalbaarheidsonderzoek Erpostraat 1 – Holzstraat 19A Kerkrade, d.d. 22 juli 2024
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
59
Aan de Holzstraat (westzijde) dient het bouwblok te worden afgezoomd middels een gemetselde wand/gebouwdeel (wens gemeente Kerkrade).
Tevens is er op 21 augustus nog een omgevingsdialoog20 gehouden, hier is het aangepaste stedenbouwkundige plan op basis van de input van de omwonenden toegelicht. Tijdens de bijeenkomst is gepolst hoe de aanwezigen in de toekomst op de hoogte gehouden willen worden. De aanwezigen waren kritisch op parkeren en het verwijderen van een oude kloostermuur. In het aangepaste plan is dit aangepast om meer tegenmoet te komen aan de wensen van omwonenden. Het park wordt geopend, de muur wordt behouden en parkeren is aangepast. Aanwezigen hebben aangegeven het wenselijk te vinden om zowel schriftelijk (bijv. een nieuwsbrief) als via informatieavonden op de hoogte gehouden te worden. Concrete afspraak is gemaakt om voorafgaand aan de ter inzage legging nogmaals een informatie avond te organiseren. De vervolginformatieavond21 is gehouden op 18 december 2024. Tijdens de avond was de sfeer in het begin hier en daar wat gespannen i.v.m. oude frustraties. Vervolgens kwam de discussie over het plan op gang en bedaarde de sfeer. De gestelde vragen en de gevoerde discussies gingen met name over de problemen en zorgen in de omgeving en minder over het planvoornemen zelf. Uiteindelijk ontstond er tevredenheid over de plannen en de aanpak. 8.2.3
Zienswijzen
De wijziging van het omgevingsplan wordt door de gemeente op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Tegen de wijziging van het omgevingsplan kunnen gedurende zes weken zienswijzen worden ingediend. Eventuele zienswijzen worden beantwoord en waar nodig wordt het omgevingsplan aangepast. Vervolgens gaat de gemeenteraad over tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. Door belanghebbenden kan tegen dit besluit gedurende zes weken beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld.
20 21
Input omwonendenavond 21 augustus 2024 Bevindingen bewonersavond 18 december 2024
TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A
60
Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl
TAM-omgevingsplan woningbouw Erpostraat 1 - Holzstraat 19A
Inhoudsopgave
Bijlagen bij M otivering
3
Bijlage 1
Woonladder
4
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
20
Bijlage 3
Quickscan Flora en Fauna
92
Bijlage 4
Stikstofberekening
112
Bijlage 5
Watertoets
136
Bijlage 6
Parkeer- en Verkeersonderzoek
160
Bijlage 7
Onderzoek wegverkeerslawaai
172
Bijlage 8
Haalbaarheidsstudie en omgevingsdialoog
309
Bijlage 9
Verkennend bodemonderzoek
354
Bijlage 10
Mijnonderzoek 1
418
Bijlage 11
Mijnonderzoek 2
449
Bijlage 12
Samenvatting informatie avond
459
Bijlage 13
M.e.r.aanmeldnotitie
463
2
Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan woningbouw Erpostraat 1 - Holzstraat 19A" (ontwerp)
Bijlagen bij M otivering
Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan woningbouw Erpostraat 1 - Holzstraat 19A" (ontwerp)
3
Bijlage 1 Woonladder
4
Bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan woningbouw Erpostraat 1 - Holzstraat 19A" (ontwerp)
notitie
projectnaam Ladderonderbouwing Erpostraat 1 / Holzstraat 19A te Kerkrade datum 17 februari 2025 projectnummer P07467 opdrachtgever Heem Wonen
BRO projectleider JvdA
projectteam LvdH, IBo
Inleiding
1.3
Planinitiatief
De beoogde herontwikkeling bestaat uit het slopen van de bestaande
1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer Heem Wonen is voornemens om aan de Erpostraat 1 / Holzstraat 19A te Kerkrade 22 appartementen en 3 grondgebonden woningen te realiseren. In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna Ladder, zie verderop) moet worden onderzocht of het plan voorziet in een behoefte en of sprake is van duurzaam ruimtege-
opstallen en op de locatie 22 appartementen en 3 grondgebonden woningen te realiseren. De grondgebonden woningen zullen vallen in het middeldure huursegement en worden levensloopbestendige eensgezinswoningen. De 22 appartementen zullen deels vallen binnen het sociale huursector en deels in de middeldure huur sector (zie tabel 1). Naast het realiseren van de woningen zal er ook vergroening plaatsvinden op het terrein. De toekomstige buitenruimte van het initiatief biedt ruimte
bruik.
om buurtbewoners te ontmoeten en met elkaar activiteiten te onderne-
1.2
Toepassing Ladder voor Duurzame Verstedelijking
Het plan betreft een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en moet daarom
men. Jong en oud worden gestimuleerd om naar buiten te gaan door de groene omgeving.
worden getoetst aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: ‘Ladder’ zie ook blauw kader).
Per 1 januari 2024 luidt het tweede lid van art. 5.129g van bkl als volgt: “Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stede-
Tabel 1: Woningbouwprogramma
lijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig
Woningtype
Segment
Aantal
ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevings-
Grondgebonden eenge-
Middeldure huur
3
plan rekening gehouden met:
zinswoning (90 m²)
(max. € 1.184,82)
Appartement (85 m²)
Sociale huur
a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk
(max. € 900,07)
gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat ste-
Appartement (95 m²)
5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl
bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.”
Middeldure huur
11
(max. € 1.184,82)
delijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de
Industriestraat 94
11
Totaal
25
Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
1/15
1.4
Opzet onderzoek
Voor het initiatief is onderzocht of en op welke manier de toevoeging van 24 woningen te verantwoorden is vanuit de methodiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De hoofdvraag luidt: Voorziet het initiatief in een (kwantitatieve en kwalitatieve) behoefte en is er sprake van duurzaam ruimtegebruik binnen het verzorgingsgebied? Om een antwoord te geven op de hoofdvraag onderzoeken we zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling binnen het verzorgingsgebied. Ook is er een locatieafweging gemaakt: ligt de locatie binnen het stedelijk gebied, binnen het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing of buiten het bestaand stedelijk gebied? Bovendien zijn de verwachte (leegstands)effecten van de ontwikkeling in beeld gebracht. Voor het onderzoek is onder meer gekeken naar:
Provincie Limburg, Limburgse agenda wonen 2020 – 2023.
Provincie Limburg, Woondeal Limburg 2023.
Provincie Limburg, Dataportaal provincie Limburg.
Regio Zuid-Limburg, Structuurvisie wonen Zuid-Limburg (2016).
Regio Parkstad, woningbehoefteonderzoek regio Parkstad Limburg (2024).
Structuurvisie Gemeente Kerkrade 2010-2020 (2011).
Regio Parkstad, Regionale woonvisie Parkstad Limburg, lokale woonvisie gemeente Kerkrade 2023 – 2026 (2023).
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
2/15
2 Conclusie 2.1
Passend binnen beleidskaders
Het planinitiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, veiligheidsregio en gemeente:
Het landelijk, regionaal en gemeentelijk beleid streeft naar een woningaanbod/planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel kwalitatief als kwantitatief. Dit betekent voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Het initiatief is gericht op betaalbare woningen.
Het provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid geeft aan dat er behoefte is aan extra woningen, waarbij de kwalitatieve kenmerken van woningen moeten aansluiten op de vraag. In regio Parkstad moeten minimaal 2.700 middenhuur en betaalbare koopwoningen
van middeninkomers. Middenhuur en betaalbare koop sluit aan binnen de kaders van het initiatief.
2.2 Toets Ladder voor Duurzame Verstedelijking Eindconclusie: De ontwikkeling voldoet aan de Ladder:
Het initiatief voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.
De locatie valt binnen de functie ‘Dienstverlening’ en is daarmee onderdeel van het stedelijk gebied.
Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het initiatief onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden vanwege de grote tekorten aan woningen.
In de paragraven hierna lichten we deze conclusie toe
Nieuwe stedelijke ontwikkeling, bestaand stedelijk gebied De aard en omvang van een woningbouwontwikkeling bepalen of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vanaf 12 woningen geldt een initiatief als een stedelijke ontwikkeling die ‘ladderplichtig’ is. De Ladder is verplicht als een stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Daarvan is sprake als wonen niet is toegestaan binnen het omgevingsplan of als het initiatief niet voldoet aan randvoorwaarden binnen het omgevingsplan (woningaantallen, bouwvlak etc.) Bij de locatieafweging (binnen bestaand stedelijk gebied, stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of buiten bestaand stedelijk gebied) wordt gekeken of de locatie een stedelijke of stedelijk groene functie heeft. Bestaand stedelijk gebied is
worden gerealiseerd. Dit initiatief realiseert onder andere huurwo-
het ‘stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen,
ningen in het middeldure segment en past daardoor bij het beleid.
dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij
De woningmarktontwikkeling zal met name gericht moeten worden
behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infra-
op het aanpassen (levensloopbestendig maken) en verduurzamen
structuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die
(verbeteren energieprestatie) van bestaande woningen. Dit initiatief
bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterke-
realiseert meerdere levensloopbestendige woningen en sluit dus
ringen’.
aan op het beleid.
Er is grote behoefte aan zelfstandige woningen en nieuwe sociale woonconcepten voor ouderen om de doorstroming op de woningmarkt te stimuleren. Regionaal dient het aantal voor ouderen ge-
Conclusie: Het initiatief geldt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat er 12 of meer woningen worden toegevoegd.
schikte woningen tot 2040 met ca. 2.300 worden uitgebreid: 1.430 geclusterde woningen (vooral huurwoningen onder de aftoppingsgrens) en 980 aangepaste woningen (vooral in de koopsector). Het initiatief focust zich op de ouderen en starters en sluit daarmee aan op het beleid.
Het gemeentelijk beleid geeft aan dat er voornamelijk behoefte is aan middenhuur, zodat meer uitwisseling tussen de sociale huur, middenhuur en betaalbare koop mogelijk wordt t.b.v. doorstroom
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de functie ‘Dienstverlening’. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft. In de directe omgeving zijn bovendien stedelijke functies gelegen. Op de aangrenzende percelen zijn de bestemmingen ‘Wonen’, ‘en ‘Dienstverlening vigerend. Gezien het voorgaande is sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.
3/15
Ruimtelijk verzorgingsgebied
beide verzorgingsgebieden voldoende om in de behoefte op basis
In de gemeente Kerkrade is voornamelijk vraag naar levensloopge-
van inwoner- en huishoudensprognose te voorzien.
schikte appartementen en nul-tredenwoningen, welke zich voorna-
Op basis van de woondeal blijkt dat er echter wel behoefte is aan dit
melijk in de huursector tussen de aftoppingsgrens en € 1.000,- be-
toelichting van het omgevingsplan een beschrijving van de behoef-
initiatief. Het secundair verzorgingsgebied, regio Parkstad, heeft de
vinden. Uit het woningbehoefteonderzoek van regio Parkstad wordt
te aan het woningbouwprogramma bevatten. De behoefte wordt be-
opgave om tot 2030 6.775 woningen te realiseren. De harde planca-
aangegeven dat er behoefte is aan nultredenwoningen in alle prijs-
paald binnen het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied van de wo-
paciteit bedraagt echter slechts 2.438 woningen, waardoor er een
ningbouwontwikkeling. De aard en omvang hiervan zijn leidend
extra behoefte is aan 4.337 woningen tot 2030.
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de
voor het ruimtelijke verzorgingsgebied. Verhuisbewegingen binnen
en tussen gemeenten geven hiervoor een goede indicatie.
Conclusie: Voor de onderbouwing van de behoefte is er gekeken naar de afbakening van de relevante regio. Op basis van de verhuisbewegin-
Gemeente Kerkrade heeft de opgave om tot 2030 1.250 woningen
nieuwbouw en transformatie is er behoefte aan betaalbare klein-
te realiseren, waarvan 512 voor 2024. De gemeente heeft vol-
schalige geclusterde woonconcepten voor ouderen. Het gaat hierbij
doende harde plancapaciteit om te voorzien in de opgave tot 2024.
om zelfstandig wonen met aandacht voor ontmoeting. De toekom-
Kwalitatieve behoefte aangetoond
plaats. De gemeenten die behoren tot regio Parkstad (gemeenten Beek-
De kwalitatieve behoefte gaat over specifieke woningtypen, eigen-
ving. Het initiatief sluit aan op de kwalitatieve woonbehoeften van
domssituaties, segmenten, doelgroepen en woonmilieus. De kwali-
deze doelgroep.
tatieve behoefte volgt onder andere uit de planinformatie, de lokale
daelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Simpelveld en Voe-
vraag-aanbodstructuur, trends en ontwikkelingen en beleidskaders.
rendaal) vormen het secundaire verzorgingsgebied. 30% van de ver-
Kwantitatieve behoefte aangetoond
gebieden is er soms geen kwantitatieve behoefte, maar is vaak wel
Tot slot mag een planontwikkeling niet tot onaanvaardbare (leeg-
sprake van kwalitatieve behoefte aan bepaalde typen woningen.
stands)effecten leiden. Oftewel: dusdanige leegstand dat dit het
Denk aan levensloopbestendige woningen en betaalbare woningen.
goede woon-, leef- en ondernemersklimaat aantast. In de praktijk gebeurt dit zelden, ook vanwege de grote woningnood in Neder-
Bij de kwantitatieve behoefte gaat het om aantallen benodigde wo-
voorzien. In veel provincies en regio's zijn prognosemodellen be-
land. Conclusie: Het initiatief om in totaal 22 appartementen en 3 grondgebonden patiowoningen, te realiseren die geschikt zijn voor starters en ouderen, voorziet in een kwalitatieve behoefte.
Conclusie: Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realise-
Er is behoefte aan huurwoningen. Hierbij gaat het voornamelijk om
ren van maximaal 22 appartementen en 3 grondgebonden woningen on-
goedkope- (sociale) en middeldure huurwoningen, eventueel in
aanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De gemeente Kerk-
combinatie met zorg.
rade had in 2023 een woningleegstand van respectievelijk 3%. Boven-
schikbaar die bruikbaar zijn om de behoefte te bepalen.
Conclusie: Het initiatief voorziet in een kwantitatieve behoefte, zowel op
Door de vergrijzing en ontgroening is er sprake van huishoudens-
gemeentelijk als regionaal niveau.
verdunning, ofwel een toename van kleinschalige huishoudens.
Hierdoor neemt de vraag naar kleine woonruimtes toe.
Het aantal inwoners en het aantal huishoudens daalt in gemeente
Geen onaanvaardbare leegstandseffecten
Kortom: de kwalitatieve ‘meerwaarde’ van het plan. Vooral in krimp-
huisbewegingen naar gemeente Kerkrade komen uit deze regio.
te zetten tegen de bestaande plancapaciteit om in die vraag te
ontmoeten en met elkaar activiteiten te ondernemen. Jong en oud worden gestimuleerd om naar buiten te gaan door de groene omge-
de verhuisbewegingen vinden namelijk binnen de eigen gemeente
paald door de langetermijnprognose van de vraag naar woningen af
Naast de duidelijke behoefte aan levensloopgeschikte woningen in
stige buitenruimte van het initiatief biedt ruimte om buurtbewoners te
gen is de gemeente Kerkrade het primaire verzorgingsgebied. 50% van
ningen. De behoefte aan een woningbouwontwikkeling wordt be-
categorieën. Dit betreft dus sociale huur, vrije sector huur en koop.
Kerkrade en in de regio Parkstad. De harde plancapaciteit is voor
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
4/15
dien heeft een gezonde woningmarkt 2% leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving1. De woningleegstand ligt dus hoger dan het landelijk gemiddelde. Echter is gebleken uit de kwalitatieve behoefte en de beleidskaders dat er vraag is naar de type woningen uit het initiatief.
1
https://vastgoedactueel.nl/in-veel-gemeenten-nauwelijks-langdurige-woningleegstand/
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
5/15
Bijlage 1: Onderbouwing woningbouwbehoefte
Tabel 2: Verhuisbewegingen gemeente Kerkrade Verhuisbewegingen
Gemeenten
Relatief
B1.1 Afbakening verzorgingsgebied
Binnen gemeente Kerkrade
Kerkrade
50%
Het verzorgingsgebied is het gebied waarbinnen vraag en aanbod van
Vanuit regio Parkstad Limburg
Beekdaelen, Bruns-
30%
woonruimte plaatsvindt, ook wel de woningmarkt. De woningmarktafba-
sum, Heerlen, Land-
kening verschilt per initiatief en valt niet per definitie samen met een be-
graaf, Simpelveld en
stuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor het functioneren van de
Voerendaal
regionale woningmarkt is het aantal verhuisbewegingen/migratiestromen
Totaal aantal verhuisbewegingen
80%
binnen en naar de betreffende gemeente/woonplaats. Uit tabel 2 blijkt dat 50% van de verhuisbewegingen in de gemeente Kerkrade voortkomt uit bewegingen binnen de eigen gemeente. Daarom is gemeente Kerkrade het primaire verzorgingsgebied. Vanuit andere gemeenten bestaan de sterkste verhuisrelatie met de gemeente Heerlen (14%) en de gemeente Landgraaf (9%). Samen met gemeenten Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Landgraaf, Simpelveld en Voerendaal vormt gemeente Kerkrade de regio Parkstad. Deze regio is het secundaire verzorgingsgebied en hier komt 30% van de verhuisbewegingen naar gemeente Kerkrade vandaan. De gemeenten uit deze regio hebben gezamenlijk ook een woonbehoefteonderzoek opgesteld.
Figuur 3: Verhuisbewegingen naar Kerkrade overzicht
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
6/15
B1.2 Kwantitatieve behoefte
In 2024 zijn er in gemeente Kerkrade 5 woningen opgeleverd en
Als de harde plancapaciteit (rij D) wordt afgetrokken van de beno-
In deze paragraaf is de kwantitatieve behoefte in beeld gebracht. In ta-
148 in aanbouw. In 2024 zijn twee onder een kap woningen het
digde woningvoorraad (rij C) is in gemeente Kerkrade en in regio
bel 2 is de vraagbehoefte aan woningen afgezet tegen het huidige aan-
vaakst opgeleverd en dit is ook het type woning dat het meeste in
Parkstad geen sprake van een aanvullende woningbehoefte (Zie rij
bod en de nog te ontwikkelen woningen (harde plancapaciteit). Door de
aanbouw is4.
F). De cijfers zijn nadrukkelijk een indicatie op basis van de natuur-
De plancapaciteit5 zijn woningen die zijn voorzien in alle woning-
lijke bevolkingsontwikkeling en houdt geen rekening met ambities of
nog kwantitatieve behoefte is aan extra woningen. Uit de kwantitatieve
bouwplannen. Hierin maken we onderscheid in harde en zachte
opgaven, zoals de opgaven in de woondeal (zie blauw tekstkader).
behoefteraming uit tabel 2 blijkt van boven naar beneden het volgende: Zowel het aantal inwoners als het aantal huishoudens neemt af in
plancapaciteit. De handreiking bij de Ladder schrijft voor dat we de
woningbehoefte te verminderen met de harde plancapaciteit blijkt of er
harde plancapaciteit doorrekenen in de behoefteraming. Dit zijn
gemeente Kerkrade en het secundaire verzorgingsgebied2. Het aan-
plannen in een vergevorderd stadium. De zachte plancapaciteit is
tal huishoudens krimpt iets langzamer. Het toekomstig aantal huishoudens heeft invloed op de benodigde
minder relevant. Deze plannen bevinden zich nog in de idee- of ont-
woningvoorraad (zie rij C)3. In de gemeente Kerkrade en de regio
tot uitvoering worden gebracht.
parkstad zijn er op basis van natuurlijke bevolkingsgroei geen extra woningvoorraad benodigd. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met ambities om inwoners van andere regio’s aan te trek-
werpfase. Ervaring leert dat diverse zachte plannen uiteindelijk niet
De totale plancapaciteit in gemeente Kerkrade bevat 1.087 woningen, waarvan 293 woningen behoren tot de harde plancapaciteit.
Tabel 3: Kwantitatieve behoefteraming woningen in verzorgingsgebied
ken.
Gemeente Kerkrade
Regio Parkstad
2024
2034
Ontwikkeling
2024
2034
Ontwikkeling
A. Inwonertal
45.565
42.227
-7,3%
256.628
245.038
-4.5%
B. Huishoudens
22.977
21.621
-5,9%
126.597
122.438
-3,3%
C. Benodigde wo-
22.977
21.621
-1.356
126.597
122.438
-4.159
ningvoorraad D. Harde plancapaci-
293
1.946
794
2.686
teit tot 2032 E. Zachte plancapaciteit tot 2032 F. Aanvullende woFiguur 1: Demografische ontwikkeling gemeente Kerkrade 2 3 4 5
-1.649
-6.105
ningbehoefte = C-D
Provincie Limburg, Dataportaal wonen Provincie Limburg, Dataportaal wonen Geodienst, Nieuwbouwmonitor Provincie Limburg, Dataportaal wonen 2022
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
7/15
Opgave uit de Woondeal Limburg Landelijk bestaat de ambitie om ruim 900.000 woningen te realiseren om het woningtekort te verminderen. Deze ambitie is uitgewerkt in verschillende regionale woondeals. Iedere regio heeft de opgave om een bepaald aantal woningen te realiseren en verdeelt dit onder subregio’s (zoals op gemeenteniveau). Gemeente Kerkrade valt onder woondeal Limburg. Daarin wordt het volgende vermeldt over de woningbouwambitie: Regio Zuid-Limburg heeft de opgave om tot 2030 bruto circa 23.645 woningen te realiseren. De bruto woningbouwopgave is niet gecorrigeerd met sloop. De regio Zuid-Limburg heeft echter slechts 6.311 woningen in de harde plancapaciteit en kent daarom de opgave om de harde plancapaciteit uit te breiden met circa 17.334 woningen. Het secundair verzorgingsgebied regio Parkstad heeft de opgave om tot 2030 bruto 6.775 woningen te realiseren. Deze regio heeft 2.438 woningen in de harde plancapaciteit en heeft daarom de opgave om de harde plancapaciteit uit te breiden met 4.337 woningen. Gemeente Kerkrade heeft de opgave om tot 2030 bruto 1.250 woningen te realiseren, waarvan 512 woningen tot 2024. Gemeente Kerkrade heeft tot 2024 een harde plancapaciteit bestaande uit 517 woningen. Tot 2024 bestaat daarom geen opgave om de harde plancapaciteit uit te breiden.
De harde plancapaciteit tot 2030 van gemeente Kerkrade wordt niet in de woondeal vermeld.
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
8/15
B1.3 Kwalitatieve behoefte In deze paragraaf is de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Dit is gedaan aan de hand van de lokale woonvisie gemeente Kerkrade 2023 – 2028 van de regio Parkstad Limburg en het woonbehoefteonderzoek van regio Parkstad (2024). Daarmee is ook het bestaande kwalitatieve aanbod en vraag betrokken in het onderzoek en is het initiatief op basis van deze resultaten afgewogen, conform de richtlijnen van de ladder. Trends en ontwikkelingen In figuur 5 zijn de belangrijkste trends en ontwikkelingen geschetst ten aanzien van de Nederlandse woningmarkt. Er zijn drie verschillende doelgroepen te onderscheiden in de woningmarkt: starters, gezinnen en ouderen. Deze doelgroepen hebben verschillende wensen en knelpunten die van belang zijn. Voor het initiatief is het van belang om de beoogde doelgroep inzichtelijk te hebben. Op deze manier kan worden gekeken of het initiatief aansluit op de wensen van de doelgroep. Bij het initiatief in Kerkrade worden maximaal 22 huurwoningen in het sociale huursegment en 3 grondgebonden patiowoningen gerealiseerd. De woningen worden levensloopbestending gerealiseerd, waardoor ze geschikt zijn voor ouderen. De woningen zijn ook geschikt voor starters, doordat zij vaak zoeken naar kleinere woningen zoals appartementen. Kwalitatief aanbod De gemeente Kerkrade beschikt over circa 24.167 woningen.
Het grootste deel van de woningen betreft koopwoningen, namelijk 53%. Daarnaast betreft 47% huurwoningen. Hierbij is 32% in bezit van een woningcorporatie en 15% particuliere huur. In de regio Zuid-Limburg bestaat deze verdeling uit 55,4% koopwoningen, 16,3% huurwoning in bezit van een woningcorporatie en 28,2% particuliere huur. Gemeente Kerkrade heeft dus in vergelijking met de regio veel huurwoningen in eigendom van een woningcorporatie6. 6
CBS Kerncijfers wijken en buurten 2023
Figuur 2: Trends Nederlandse woningmarkt
Ladderonderbouwing Erpostraat 1 /Holzstraat 19A teKerkrade
9/15
De huidige woningvoorraad bestaat voor 64% uit eengezinswoningen.
Het primaire uitgangspunt is dat er wordt gebouwd naar behoefte
-
Daarnaast is het waarschijnlijk dat de behoefte aan woningen in
De meest voorkomende woning in de gemeente Kerkrade zijn apparte-