CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Vraag met beantwoording fractie Burgerbelangen

Commissie Grondgebied en Economische Zaken 8 oktober 2025, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit TAM-IMRO Erpostraat-Holzstraat35.328 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

26

bezoekers de economie van Kerkrade, met het centrumgebied en toerisme en recreatie als belangrijke speerpunten. Doorwerking projectgebied Met het planvoornemen zullen 25 woningen worden toegevoegd waarvan de helft zal bestaan uit sociale huurwoningen en de andere helft uit middeldure huurwoningen. De beoogde ontwikkeling is geschikt voor diverse doelgroepen, waaronder starters, senioren, gezinnen, evenals lage en middeninkomens. Hierdoor sluit het planvoornemen aan op diverse woonwensen die aantrekkelijk zijn voor diverse bewonersgroepen en voldoet het aan de woonbehoeften van de gemeente Kerkrade. Het planvoornemen voldoet derhalve aan de Structuurvisie Kerkrade 2010-2020. 5.6.2

Regionale en lokale Woonvisie 2023-2028 gemeente Kerkrade

De regionale en lokale woonvisie 2023-2028 van de gemeente Kerkrade beschrijft de ambities voor wonen vanuit regionaal perspectief. De gemeente Kerkrade focust zich op de ambitie: ‘kansrijk wonen voor iedereen’. Het vertrekpunt is dat iedereen die in Parkstad wil wonen, een kans moet hebben op de woningmarkt om een passende woning te vinden. Denk aan jongeren die willen starten op de woningmarkt of bijvoorbeeld ouderen die graag een vervolgstap willen maken naar een woning met zorg. Als gevolg van de vergrijzing verdunnen huishoudens eerst alvorens het aantal afneemt. Omdat in de afgelopen jaren veel mensen naar Parkstad verhuisden, lijkt het aantal huishoudens de komende jaren niet af te nemen. De effecten van de vergrijzing in de regio worden daarmee opgevangen. Dat wordt nu en de komende jaren gemerkt door een grotere vraag naar woningen. Onder de huidige bewoners van Parkstad neemt het aantal 65-plus-sers de komende tien jaar sterk toe. Overige doelgroepen, zoals jonge gezinnen en starters, nemen af. Met deze trends moet rekening gehouden worden bij de bouw en aanpassingen van woningen zodat er zowel geschikte woningen zijn voor wie al in de regio woont als voor mensen die hier komen wonen. Uitgangspunt is dat alle nieuwbouwwoningen levensloopbestendig (te maken) zijn.

Dat houdt in dat alle appartementen voorzien dienen te worden van een lift om te voldoen aan de behoefte aan nultredenwoningen. Alle grondgebonden woningen moeten ruimte hebben op de begane grond voor een slaapkamer en badkamer te realiseren naast de woonkamer en keuken. Er is veel aandacht voor nieuwbouw. Landelijk is de opgave om tot 2030 bijna een miljoen woningen te bouwen, waarvan minimaal 26.550 in Limburg. Daarnaast heeft de provincie Limburg op verzoek van de regio een extra ambitie aangegeven om nog 20.000 woningen extra te bouwen. De landelijke richtlijn daarbij is dat twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar moet zijn. De gemeenten in de regio Parkstad hebben de gezamenlijke ambitie om de komende 10 jaar minimaal 7.500 nieuwe woningen te bouwen. In de periode 2022 – 2030 gaat het over 6.775 nieuwe woningen. Woningen die in de eerste plaats kwalitatief aansluiten bij de wensen van bestaande bewoners in de regio – starters en doorstromers – en die daarnaast mensen van buiten kunnen aantrekken. Gemeente Kerkrade wil dat de toevoegingen aan de woningvoorraad betaalbaar en toekomstbestendig zijn, in een niet te hoge dichtheid staan en op plekken die goed zijn voor de ontwikkeling van de buurt, wijk en stad. Het streven is tevens dat de woningbouw bijdraagt aan een kwalitatieve en klimaatbestendige woonomgeving.

Voor het diversifiëren van het woningaanbod voor huidige bewoners en het aantrekken van nieuwe bewoners is het gewenst om naast woningen in het lagere en middensegment óók woningen toe te

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

27

voegen in een hoger segment. Voor het behouden én aantrekken van bewoners wordt ook de relatie met het economisch domein gezocht, om zo gezamenlijk een aantrekkelijk woon- en werkklimaat te creëren. Het aantal ouderen met mobiliteitsbeperkingen of een zorgvraag neemt de komende jaren fors toe. Door deze toename en de relatieve afname van intramurale zorg is het cruciaal om aandacht te hebben voor deze bewoners in het woonbeleid. Naast de duidelijke behoefte aan levensloopgeschikte woningen in nieuwbouw en transformatie is er behoefte aan betaalbare kleinschalige geclusterde woonconcepten voor ouderen. Het gaat hierbij om zelfstandig wonen met aandacht voor ontmoeting, mogelijkheden voor zorg, nabij voorzieningen en binnen de eigen buurt of kern. Doorwerking projectgebied Met het planvoornemen worden 25 woningen toegevoegd, waarvan de helft sociale huurwoningen en de andere helft middeldure huurwoningen betreft. Deze ontwikkeling is geschikt voor verschillende doelgroepen, zoals starters, senioren, gezinnen en mensen met lage en middeninkomens. Hierdoor sluit het planvoornemen aan op diverse woonwensen en voldoet het aan de woonbehoeften van de gemeente Kerkrade. Het planvoornemen voldoet tevens aan de Regionale en lokale Woonvisie van de gemeente Kerkrade. 5.6.3

Conclusie

De activiteit past binnen de gemeentelijke doelstellingen en het gemeentelijke beleid, deze aspecten vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

28

6

Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden

6.1

Cultuurhistorie

6.1.1

Toetsingskader

Onder de Omgevingswet wordt een samenhangende benadering van diverse belangen beoogd. Een van die belangen is cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door een inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen. Op basis daarvan wordt een passend beschermingsregime opgenomen in het omgevingsplan. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om cultureel erfgoed te beschermen via hun omgevingsplannen. De belangrijkste vraag hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke elementen men wil (of moet) beschermen.

Hierbij worden de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht genomen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen bevatten gezamenlijk de wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Op basis hiervan is het verplicht om de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de afweging van belangen. 6.1.2

Onderzoek

Op de Erfgoedmonitor van het Rijk6, de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Kerkrade blijkt dat binnen het projectgebied geen objecten van cultuurhistorische waarde aanwezig zijn. Er worden derhalve geen cultuurhistorische waarden geschaad met het plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 6.1.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het initiatief.

6.2

Archeologie

6.2.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta

6

https://rce.webgispublisher.nl/?map=RCE%5FErfgoedmonitor

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

29

worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 6.2.2

Onderzoek

Het projectgebied kent twee archeologische dubbelbestemmingen te weten de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. 

Ter plaatse van ‘Waarde – Archeologie 2’ dient er een archeologisch rapport aangeleverd te worden wanneer de werkzaamheden een oppervlakte hebben van meer dan 100 m² en dieper van 40 centimeter beneden maaiveld plaatsvinden.

Ter plaatse van ‘Waarde – Archeologie 4’ dient er een archeologisch rapport aangeleverd te worden wanneer de werkzaamheden een oppervlakte hebben van meer dan 2.500 m² en dieper van 40 centimeter beneden maaiveld plaatsvinden.

Onderhavig planvoornemen voorziet in het dieper graven dan 0,4 meter. Derhalve dient het aspect archeologie getoetst en goedgekeurd worden bevonden om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken. Daarom is een archeologisch bureauonderzoek 7 uitgevoerd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat er in de buurt van het plangebied open water is geweest is de archeologische verwachting voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum laag. De lössgronden, die ook in het plangebied voorkomen, zijn vruchtbare gronden en daarom uitermate geschikt voor landbouwsamenlevingen. Daarnaast zijn rondom het plangebied resten aangetroffen uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. De archeologische verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen is daarom hoog.

Volgens het historisch kaartmateriaal is het plangebied in de Nieuwe tijd gelegen langs doorgaande wegen. Verder is er voor de Tweede Wereldoorlog bebouwing gerealiseerd in het plangebied. De archeologische verwachting voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd is daarom hoog. De vraag is echter of de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied bijgesteld moet worden naar laag vanwege allerlei werkzaamheden die in het plangebied zijn uitgevoerd sinds de Tweede Wereldoorlog. Uit de bouwdossiers blijkt dat de gebouwen (al dan niet deels) zijn onderkelderd. Daarnaast zijn er funderingen aangebracht die over het algemeen tussen de 60 en 85 cm beneden peil reiken. Ook is er sprake van de aanleg van kruipruimtes, waaronder een zanddek is aangebracht. Hieruit kan worden afgeleid dat er grondverbetering is toegepast binnen het plangebied. De diepte van de grondverbetering en de exacte locaties zijn echter niet duidelijk. Uit de bouwdossiers mag worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van vele (recente) bodemverstoringen binnen het plangebied waardoor eventuele archeologische waarden zullen zijn verstoord. Bij de Holzstraat 23 is er strikt genomen sprake van historische bebouwing uit de Nieuwe tijd, het eerste pand dateert uit 1911 en in de jaren die volgden hebben er op het adres nog een aantal veranderingen plaatsgevonden.

De restanten van deze bebouwing kunnen, gezien de datering, als archeologische resten worden beschouwd. De bouwdossiers zijn echter dusdanig gedetailleerd dat een specifiek onderzoek naar deze resten naar verwachting geen kenniswinst zal opleveren.

7

Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek Holzstraat Kerkrade, rapportnummer 25690.003 D2, d.d. 27 november 2024.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

30

Advies Op basis van de aanwezigheid van bebouwing op een groot deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van deze conclusie is geadviseerd om het plangebied vrij te geven en wordt verder onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het bevoegd gezag neemt hiertoe een selectiebesluit. Tot die tijd worden in het TAM-omgevingsplan regels omtrent archeologie gesteld. 6.2.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.

6.3

Welstand

6.3.1

Toetsingskader

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, maat, kleur of gebruikte materialen. Welstandsnota en -criteria Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de welstandsnota kan de gemeente ook bepaalde gebieden aangeven die welstandsvrij zijn. De welstandsnota volgt uit artikel 12a, lid 1 van de Woningwet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn de artikelen over welstand in de Woningwet vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht (artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). De welstandsnota is een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kunnen gemeenteraden ervoor kiezen om wel of geen regels te stellen over het uiterlijk van bouwwerken (artikel 4.19 Ow). Het stellen van welstandscriteria is daarmee geen verplichting meer. Als een gemeenteraad ervoor kiest om wel welstandscriteria op te stellen, dan moet dat in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarnaast gaan de welstandscriteria onder de Omgevingswet, anders dan onder de oude wetgeving, alleen over het uiterlijk van een bouwwerk en dus niet meer over de plaatsing. Welstandstoets Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstands-toets of het bouwwerk past in de omgeving.

Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bij de beoordeling of het uiterlijk van het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand gebruikt de gemeente de welstandsnota waar de beleidsregels in staan. Voor een gebied die is aangegeven als welstandsvrij in de gemeentelijke welstandsnota, hoeft er geen welstandstoets plaats te vinden. In het geval dat de gemeente geen welstandsnota en beleidsregels heeft voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken, gelden er geen regels. De regels voor een welstandtoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 22.7 Repressief welstand In artikel 22.7 Bruidsschat staat dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota:

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

31

Een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

een te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

In het tweede lid van het artikel staat dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Dit wordt ook wel een welstandsvrij gebied genoemd. Artikel 22.7 wordt ook wel de excessenregeling genoemd. Deze regeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift. De excessenregeling is met name van toepassing op bestaande situaties. Artikel 22.29 BS Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. In artikel 2.29 van het Bbl staan de gevallen waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is.

Dit zijn allemaal omgevingsplanactiviteiten die bestaan uit bouwen. Voorwaarde is dat de activiteit niet in ernstige mate in strijd is met de regels over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk wanneer deze in het omgevingsplan zijn opgenomen. 6.3.2

Conclusie

Aangezien met onderhavig planvoornemen een nieuw bouwwerk wordt gerealiseerd, dient het planvoornemen getoetst te worden door de welstandscommissie van de gemeente Kerkrade. Tijdens de bouwaanvraag zal bekend worden gemaakt of onderhavig planvoornemen passend is op basis van welstand.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

32

7

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de toekomstige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

7.1

Mer-beoordeling

7.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de mer-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag.

Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 7.1.2

Conclusie

Onderhavig planvoornemen is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gezien er 25 woningen worden toegevoegd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een mer-beoordeling8 opgesteld. Wij bevelen u aan om na nadere kennisname van deze mer-aanmeldnotitie een gemeentelijk besluit voor te bereiden, waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van onderhavige wijziging van het omgevingsplan geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

8

BRO, mer-aanmeldnotitie Erpostraat te Kerkrade, d.d. 22 juli 2024

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

33

7.2

Gezondheid

7.2.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. Omgevingsvisie In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met milieubeginselen.

Artikel 191 van het 'Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie' kent 4 milieubeginselen: 

het voorzorgsbeginsel;

het beginsel van preventief handelen;

het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestreden moeten worden;

het beginsel dat de vervuiler betaalt.

In de omgevingsvisie staat dat expliciet rekening moet worden gehouden met deze vier beginselen. Samen met de algemene rechtsbeginselen dragen de milieubeginselen bij aan de kwaliteit van beleid en regelgeving, en aan het vinden van een goede balans tussen bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving (artikel 23.6 en artikel 3.3 van de Omgevingswet). Omgevingsplan Volgens artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag, mensen aanspoort tot meer bewegen, gezonder eten en sociale interactie. Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

34

Gezien de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet, vereist dit aspect een brede motivering. Milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit zijn nauw verweven met gezondheid. Daarom wordt in deze paragraaf ook verwezen naar andere milieuaspecten in deze motivering. 7.2.2

Onderzoek

Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. Met onderhavig planvoornemen worden er 25 nieuwe woningen toegevoegd en worden kantoor- en opslagactiviteiten beëindigd. Met onderhavig planvoornemen wordt een versteend gebied vergroend en wordt een verbinding met het naastgelegen park gerealiseerd. Deze ingrepen hebben een positieve impact heeft op de gezondheid. Een groene omgeving draagt namelijk bij aan de fysieke en mentale gezondheid. Tevens heeft het een positieve impact op het sociale welzijn en heeft een groene omgeving meerdere milieuvoordelen, wat weer een doorwerking heeft op de gezondheid van de mens. Ook is van belang dat met het planvoornemen geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die leiden tot gezondheidsrisico’s voor de omgeving. Ook zijn er in de omgeving geen functies aanwezig met een aanzienlijke negatieve impact op de gezondheid voor personen binnen het plangebied. De beoogde functie wordt dan ook op een verantwoorde locatie mogelijk gemaakt. 7.2.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3

Duurzaamheid

7.3.1

Toetsingskader

Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid, dit zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen invulling kan hebben over wat het precies betekent. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. Duurzaamheid is een aspect wat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: 

Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie of windenergie;

Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen;

Gezondheid en comfort: het Creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren;

Levensduur en Hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

35

De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG normen en de MPG waarden. BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen. Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. Dit zijn de volgende: 

BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte;

BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie);

BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.

Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TOJuli). De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen. MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk. In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Voor kantoorgebouwen is de maximale milieuprestatie 1,0. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op duurzaamheid. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen er voor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten zowel bij een woongebouw, als bij andere functies. 7.3.2

Conclusie

Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van nieuwbouwwoningen. Deze woningen zullen derhalve conform de BENG Normen duurzaam opgeleverd worden. De gemeente Kerkrade stelt geen aanvullende eisen waar aan voldaan dient te worden op het gebied van duurzaamheid. Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4

Klimaatadaptatie

7.4.1

Toetsingskader

Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden. Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

36

In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee programma’s: 1. de Nationale klimaatadaptatiestrategie; en, 2. het Deltaprogramma Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn, enkele voorbeelden zijn: 

meer hittestress bij mensen door extreem weer;

vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie, telecom en IT-voorzieningen;

oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector;

verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang;

mogelijk meer infecties en allergieën, zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten;

cumulatieve effecten - Uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties.

Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid, Zoetwater, en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. Alle drie de programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan. 7.4.2

Conclusie

Door het Rijk is de opgave gesteld om Nederland voor 2050 ‘klimaatproof’ te maken. Het Samenwerkingsverband Waterwerkregio Parkstad Limburg waarin de zeven Parkstad-gemeenten, Waterschap Limburg, Waterschapsbedrijf Limburg en Waterleiding Maatschappij Limburg deelnemen, heeft daarom het initiatief genomen om klimaatstresstesten op te stellen en risicodialogen te voeren. Dit is de basis van de regionale Klimaatadaptatiestrategie Parkstad Limburg. Het plan bevindt zich reeds binnen de stedelijke contouren waardoor het niet significant zal bijdragen aan droogte in het gebied. Het plan omvat appartementen en grondgebonden woningen met tuinen en openbare groenvoorzieningen en is ruim opgezet om hittestress te voorkomen. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd waardoor omringende woningen, en de woning zelf, geen toename aan wateroverlast zullen ervaren. Tevens

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

37

zijn in de nabije omgeving geen waterwegen gelegen waarbij rekening moet worden gehouden met een risico op overstroming. Het plan is dan ook als klimaatadaptief te beschouwen. Op dit moment is de planlocatie sterk versteend en vrijwel geheel verhard. Alle bestaande opstallen en de parkeerplaats ter zijde van de Erpostraat zijn opgetrokken uit verharde materialen. Met de planontwikkeling wordt ingezet op vergroening. Ter zijde van de entree van het nieuwe appartementencomplex zal een groen, collectief plein gerealiseerd worden. Op dit plein is ruimte voor een wadi; dit ten gunste van de waterbergingsopgave. Daarnaast heeft de toepassing van groen en water in de planlocatie ook een natuurlijk effect op de gevoelstemperatuur in de directe omgeving. Verder wordt er in het plangebied een aantal bomen aangeplant. Deze bomen worden op slimme plekken geplaatst, zodat er vooral op de verharde/half-verharde delen schaduw komt te vallen. De schaduwwerking heeft hierbij een positief effect op de vermindering van hittestress in het plangebied. Zodoende draagt het plan op bescheiden schaal bij aan een klimaatrobuuste leefomgeving.

7.5

Omgevingsveiligheid

7.5.1

Toetsingskader

Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. 7.5.2

Onderzoek

Er is een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa. Volgens bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een gebouw met een woonfunctie ingedeeld in de categorie ‘kwetsbaar’. Aangezien het gaat om de ontwikkeling van 25 woningen, wordt dit beschouwd als een kwetsbaar object. In de bestaande situatie is er eveneens sprake van een kwetsbaar object in het projectgebied. Niettemin is het noodzakelijk om de externe veiligheidsrisico's te onderzoeken en na te gaan of het projectgebied in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied ligt. Met het planvoornemen is geen sprake van de realisatie van een risicovolle activiteit. Vanwege de realisatie van een kwetsbaar object, is onderzocht of zich in de buurt van het projectgebied risicobronnen in de vorm van risicovolle bedrijvigheid, leidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Kwetsbare gebouwen mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit vallen. Het projectgebied ligt buiten de PR-10-6-contouren van enige activiteit. Ook ligt het projectgebied buiten de aandachtsgebieden, zoals bedoeld in artikel 5.2 Bkl. Dit is in figuur 7.1 weergegeven. Omdat de projectlocatie geheel buiten de

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

38

aandachtsgebieden van risicovolle activiteiten ligt, is een nadere beschouwing van het aspect omgevingsveiligheid niet noodzakelijk.

Figuur 7.1 aandachtsgebieden gifwolk, explosie en brand ten opzichte van het projectgebied (bron: Atlas Leefomgeving)

7.5.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.6

Voormalige steenkolenmijnbouw

7.6.1

Toetsingskader

Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over ‘Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg’ openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën van EK1 (relatief hogere kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lagere kans). Onderstaande beschrijvingen zijn gebaseerd op de Nederlandse samenvatting, het ‘Uittreksel uit het samenvattende rapport met een overzicht van de voorgestelde maatregelen’ van 14 december 2016. Voor een volledige beschrijving wordt kortheidshalve naar dit document en de overige deelrapporten van het ministerie verwezen.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

39

7.6.2

Toetsing

De planlocatie ligt binnen een EK2-zone gerelateerd aan een mogelijke ondiepe steenkoolwinning en binnen de invloedcirkel van twee historische schachten DOM20 en DOM21. EK2-zone - ondiepe steenkoolwinning De EK2-zone is gedefinieerd vanuit een mogelijke ontginning van ondiepe steenkoollagen binnen of aan de rand van het plangebied. Voor de afbakening van de zone zijn veiligheidsmarges aangehouden. In 2023-2024 is een onderzoek9 verricht om de exacte ligging van de steenkoollagen in de nabijheid van de planlocatie vast te stellen. Uit het onderzoek blijkt dat de kolenlagen meer richting het noorden liggen en in de nabijheid van de planlocatie niet zijn ontgonnen. De EK2-zone kan op basis van het onderzoek worden aangepast en ligt niet meer binnen de planlocatie. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 7.2 Indicatie mijnschachten

9

(rapportage: Ingenieurbüro Heitfeld-Schetelig GmbH, “Bericht über die durchgeführten Bohrarbeiten zur Erkunding von tagesnahem Flözabbau im Bereich der Erpostraat in Kerkrade/Niederlande”, datum 25 maart 2024)

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

40

Historische schachten – DOM20 en DOM21 Er is onderzoek verricht naar de exacte locatie van de twee historische schachten. De schachten zijn vooralsnog niet aangetoond binnen het zoekgebied. Mogelijk dat de schachten gelegen zijn onder aanwezige bestaande bebouwing. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn de veiligheidscirkels aangepast. Dit is uitgewerkt in de rapportage van Ingenieurbüro Heitfeld-Schetelig GmbH10. Een gedeelte van het bouwplan ligt binnen de aangepaste veiligheidszone. Voor dit deel zijn in voornoemde rapportage technische oplossingen aangedragen die nader uitgewerkt moeten worden door een constructeur. Mijngas In het noorden van het plangebied liggen ondiepe steenkoolwinningen die op dit moment nog niet door stijgend grondwater/‘mijnwater’ gevuld zijn. In deze winningen blijft dus ‘mijngas’ (minder zuurstof, meer koolstofdioxide, mogelijk methaan) aanwezig en dit kan mogelijk via verbindingen met het maaiveld (nieuwe boringen voor paalfundering, geologische breuken, drempels, opwaartse boringen) vrijkomen. Bij het boren van diepe funderingspalen, wijze van ventileren van gebouwen en bij aanleg van hoofdriolering moet hiermee rekening worden gehouden. Ook in de eindsituatie van de grondwaterstijging zijn de winningen onder dit plangebied niet geheel met water gevuld. Er blijft een restrisico aanwezig op vrijkomen mijngas.

Kleinere gevolgen Binnen het plangebied zijn, voor zover uit het onderzoek van het ministerie bekend, geen neerwaartse boringen vanaf maaiveld, opwaartse boringen vanuit de mijnwerken, oude ‘drempels’ of oude verzakkingen bekend. In het algemeen veroorzaken kleinere gevolgen geen significante effecten, maar het zijn mogelijk geotechnisch zwakke zones die bij het realiseren van nieuwe gebouwen en bij het optreden van schade in het achterhoofd dienen te worden gehouden. Aardbevingen Binnen het plangebied, en ook in het gehele onderzoeksgebied, zijn geen aardbevingen als gevolg van stijgend ‘mijnwater’ te verwachten. Mocht dit onvoorzien toch gebeuren dan zijn deze naar verwachting niet krachtiger dan de natuurlijke aardbevingen in Zuid-Limburg. Ongelijkmatige bodemstijging Binnen het plangebied is volgens de rapportage van het ministerie geen ongelijkmatige bodemstijging te verwachten. Grondwaterkwaliteit en vernatting Voor het plangebied wordt in de te verwachten eindsituatie (=nieuwe natuurlijke grondwaterstand) bij een grondwater/‘mijnwater’-stand van 80 m+NAP geen beïnvloeding van de grondwaterkwaliteit of vernatting aan het maaiveld verwacht. Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich op ca. 161 m+NAP en ligt dus rond 81 m boven de verwachte eindstand van het ‘mijnwater’.

10

“Stellungnahme zum Umgang mit den verbleibenden Schachtschutzzonen der Schächte DOM20 und DOM21 im Zusammenhang mit einem Bauvorhaben der HEEMwonen in der Erpostraat 1 in Kerkrade/Niederlande”, datum 24 mei 2024

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

41

7.6.3

Conclusie

De planlocatie ligt binnen de veiligheidscirkels van twee historische mijnschachten: het ligt geheel binnen Schacht DOM 20 en deels binnen Schacht DOM 21. De definitieve schachtlocaties zijn nog niet gevonden en zullen in de toekomst door gemeente Kerkrade nader onderzocht worden. Afhankelijk hiervan worden de veiligheidscirkels en potentiële risico’s bepaald. De verwachting is dat de mijnschachten verder ten oosten van het plangebied zijn gelegen. Dit zorgt ervoor dat er geen directe impact op de mijnschachten plaatsvindt door onderhavig planvoornemen. Minister Kamp heeft uitgesproken dat “wenselijke ruimtelijke ontwikkelingen” niet geblokkeerd mogen worden door mogelijke na-ijlende effecten. Een overblijvend restrisico kan weliswaar niet uitgesloten worden, maar kan in voorkomende gevallen door gemeente en de ontwikkelende partij geaccepteerd worden. Het restrisico wordt in dit geval acceptabel geacht. Hiernij speelt ook de overweging mee dat er reeds gebouwen op de locatie van het plangebied en in de omgeving aanwezig zijn. Derhalve kan er van uit worden gegaan dat de bodem reeds geroerd is en dat het niet aannemelijk is dat de mijnschachten een belemmering vormen of dat er onaaanvaardbare nieuwe risico’s optreden. Met betrekking tot mijnschachten, is er een restrisico welke geaccepteerd dient te worden.

7.7

Bodem

7.7.1

Toetsingskader

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. 7.7.2

Onderzoek

In verband met de realisatie van de woningen, een gevoelige functie, is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd11. De rapportage van dit onderzoek is in de bijlagen opgenomen. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zwak grindig, matig fijn tot zeer grof zand en zwak grindig, zwak tot sterk zandig leem. In de boven- en ondergrond van de gehele onderzoekslocatie zijn in verschillende gradaties puin, baksteen en kolengruis aangetroffen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de sterk puinhoudende bovengrond zijn de parameters cadmium, lood, zink, PCB en PAK in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van deze laag in de kwaliteitsklasse industrie.

11

Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek, rapportnummer 25690.001, d.d. 22 juli 2024

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

42

In de zwak tot sterk baksteenhoudende, zwak tot matig kolengruishoudende boven- en ondergrond zijn de parameters kobalt, kwik, lood, nikkel, zink, PCB en/of PAK eveneens in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van deze laag eveneens in de kwaliteitsklasse industrie. In de overige bovengrond en zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De milieu-hygiënische bodemkwaliteit valt voor deze grond betreft de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Gezien het feit dat het grondwater zich dieper dan 5,0 m -mv bevindt, heeft er conform de NEN 5740 geen grondwateronderzoek plaatsgevonden. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de sterk puinhoudende monsters ASB-M1 en ASB-M2 eveneens geen asbest aangetoond. Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5897+C2:2017 "Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat" zijn uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de (sterk) puinhoudende lagen echter als niet verdacht voor verontreiniging met asbest beschouwd.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. 7.7.3

Conclusie

Een deel van de locatie is niet onderzocht, omdat dit wegens de reeds aanwezige bebouwing niet mogelijk is geweest. Bij 2 boringen (1 en 3) is een matig verhoogd gehalte PAK aangetroffen. Na sloop van de bebouwing moet een aanvullend bodemonderzoek worden uitgevoerd.

7.8

Activiteiten en milieuzonering

7.8.1

Toetsingskader

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. 2.

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

43

richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. 7.8.2

Toetsing

Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Onderhavig project gebied kan, gelet op de diverse functies in de omgeving, worden aangemerkt als gemengd gebied. Het meest dichtbijgelegen bedrijf, betreft het bedrijf welke gelegen is grenzend aan het projectgebied en waar de bestemming ‘dienstverlening’ vigerend is. Dit betreft het advocatenkantoor aan de Holzstraat 19. Op basis van de bestemming dienstverlening bedraagt de grootste richtafstand in gemengd gebied 0 meter. Het plangebied valt buiten deze richtafstand, derhalve wordt er voldaan aan de milieuzonering ten opzichte van dit bedrijf.

Ten noorden is er een begraafplaats met een maatschappelijke bestemming gelegen. De grootste richtafstand bedraagt in gemengd gebied 0 meter. Het plangebied valt buiten deze richtafstand, derhalve wordt er voldaan aan de milieuzonering ten opzichte van dit bedrijf. Ten oosten is er een café met een gemengde bestemming gelegen, tevens is er ten westen ook een gemengde bestemming gelegen. De grootste richtafstand voor de functies binnen de bestemming gemengd in gemengd gebied, bedraagt 0 meter. Het plangebied valt buiten deze richtafstand, derhalve wordt er voldaan aan de milieuzonering ten opzichte van dit bedrijf.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

44

Ten oosten is tevens een tankstation zonder LPG punt gelegen, hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van geur en geluid, tevens geldt hier een richtafstand van 10 meter voor geluid. Het tankstation is op ruim 150 meter gelegen waardoor deze geen belemmering vormt. Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de omgeving aanwezig waarvan de hindercontouren tot het plangebied reiken. 7.8.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.9

Weging van het waterbelang

7.9.1

Toetsingskader

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor het omgevingsplan blijft de weging van waterbelangen verplicht en dient het milieuaspect water een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid te vormen. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (voorheen bekend als de watertoets). Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem.

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan door het bevoegd gezag tijdelijk gebruik worden gemaakt van de regels zoals opgenomen in de bruidsschat (onder afdeling 22.3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan). De regels veranderen pas op het moment dat het bevoegd gezag voor een bepaald gebied het omgevingsplan vaststelt. 7.9.2

Onderzoek

Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor deze situatie de rapportage ‘watertoets’12 opgesteld. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en het weging van het waterbelang zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Bodemopbouw De planlocatie kent geen echte grote hoogteverschillen. Het hoogteverloop is van noord naar zuid georiënteerd. Het maaiveld bij de kloostertuin is ten opzichte van de omgeving hoger gelegen en loopt circa 0,5 tot 1

12

Econsultancy, Rapport watertoets Holzstraat 19, rapportnummer 25690.002 D1, d.d. 20 juni 2024

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

45

meter omlaag richting de Holzstraat en Erpostraat. Gemiddeld is het maaiveld op een hoogte van 161 m +NAP gelegen. Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. Verhard oppervlak Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ca. 2.233 m². Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 179 m³ (2.233 m² x 80 mm / 1.000). Het verhard oppervlak neemt ten opzichte van de bestaande situatie overigens enigszins af. Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt.

In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een "groene" bovengrondse voorziening, een wadi, ten zuiden van de rijwoningen. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,8 meter kan met inachtneming van een waking van 0,2 meter (waterhoogte 0,6 m), ca. 19 m³ worden geborgen. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Om het tekort van 160 m³ binnen de planlocatie te bergen is binnen de planlocatie te weinig ruimte beschikbaar om de waterbalans bovengronds op te lossen. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Navolgend zijn twee potentiële oplossingsmogelijkheden nader omschreven, waarbij hemelwater ondergronds wordt geborgen door de aanleg van infiltratiekratten en Rockflowelementen onder de parkeerplaatsen. 7.9.3

Conclusie

Het uiteindelijke hemelwatersysteem en verwerking van de wateropgave en waterbalans wordt in een latere fase van het project nader uitgewerkt. Er zijn geen belemmeringen te verwachten. Negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.

TAM-omgevingsplan woningbouw ontwikkeling Erpostraat 1 – Holzstraat 19A

46

7.10

Natuur en landschap

7.10.1

Toetsingskader

Natuur maakt onder de nieuwe Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving, één van de kernbegrippen van de Omgevingswet (artikel 1.2, lid 2, onder h). De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Onder Artikel 5.1, lid 1 (Ow) is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening of ministeriele regeling. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit).

Natura 2000 Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Natuurnetwerk Nederland De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=b2bdf0ae-f434-4203-9b3e-ea67cf92479a