CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp Rolduckerveld_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2022, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit herziening bestemmingsplan Rolduckerveld25.648 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan Rolduckerveld

29

in te stemmen met de toevoeging van 455 woningen binnen het Rolduckerveld, het onttrekken van 655 woningen aan het gebied en het reserveren van 50 bouwtitels ten behoeve van HEEMwonen voor een periode van maximaal 4 jaar. Bij voorgaande aantallen moet worden bedacht dat deze aantallen ook de businesscase omvatten die voorziet in de sloop van de twee flats aan de Zonstraat (vanaf 2035). Deze ontwikkeling valt buiten het plangebied. Ook zijn in het aantal te onttrekken woningen niet de eerder binnen het plangebied reeds gesloopte 260 woningen meegeteld, hoewel die plancapaciteit pas nu wordt wegbestemd. Zie op dit punt ook paragraaf 2.3.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Kerkrade 2010 - 2020 en Stadsdeelvisie Oost I Op 30 maart 2011 is de structuurvisie 'Kerkrade 2010 - 2020' vastgesteld door de gemeenteraad en dit betreft een gemeentelijk strategisch beleidsdocument, waarin op hoofdlijnen de afwegingen en keuzes voor de periode 2010 - 2020 zijn beschreven voor de thema's: landschap en groen, toerisme, recreatie en cultuur, verkeer, voorzieningen, werken en wonen. Het is een richtinggevend document waarin duidelijk wordt welk sociaal, economisch en ruimtelijk beleid de gemeente nastreeft. De visie schetst een beeld van Kerkrade, van haar ontstaan en van de wijze waarop de gemeente samen met inwoners en andere partijen de komende jaren aan de slag wil gaan. De ambitie van Kerkrade is om een Europese en gastvrije stad te zijn die weliswaar kleiner is 'gegroeid' voor wat betreft het aantal inwoners, maar waarbij dat niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van leven, wonen en werken. Ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder een transformatieopgave zoals dit planvoornemen, zijn uitgewerkt in stadsdeelvisies voor de wijken West, Oost (I en II) en Noord, die daarna juridisch worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stadsdeelvisie Kerkrade Oost I.

Ten aanzien van het thema ´Wonen´ in stadsdeel Oost I is het uitgangspunt dat er een ruim aanbod aan betaalbare koopen huurwoningen voor diverse doelgroepen moet blijven. De mogelijkheid om met veel vrijheid bestaande woningen aan te passen en nieuwe woningen te bouwen speelt hierin een belangrijke rol, maar hiernaast zullen de woningcorporaties projecten ontwikkelen die voornamelijk gericht zijn op de lagere prijsklassen. Voor dit planvoornemen zijn de volgende beleidskaders van toepassing: Verdunningsgebied: In deze gebieden kan een kwaliteitsslag worden gemaakt door verdunning van het wonen, het verminderen van de druk op het openbaar groen, vergroening en verbetering van de leefbaarheid in het algemeen. Bijzondere planontwikkeling voorzien: In deze gebieden is sprake van een bijzondere situatie rondom de herstructurering van de woningvoorraad die getypeerd kan worden als exemplarisch (trendsettend) en van belang voor meerdere locaties met gelijkluidende vraagstukken in en buiten de regio. Rolduckerveld is een van de eerste gebieden in de regio waar grootschalige sloop heeft plaatsgevonden als antwoord op de eerste symptomen van de bevolkingskrimp. Kerkrade ontwikkelt op deze locatie het idee voor een groene invulling in de vorm van een speelbos annex ‘bomenfabriek’.

Deze ontwikkeling geeft concreet vorm aan het vergroenen van de stad en is ook inhoudelijk trendsettend in Limburg en in de regio. De stadsdeelvisie Kerkrade Oost I vormt een integratiekader voor de fysieke, sociale en economische structuurversterking van Kerkrade Oost en bevat een uitvoeringsprogramma om te komen tot een duurzame wijk. Onderhavig planvoornemen draagt daaraan bij. Het planvoornemen voorziet in een verdere uitwerking van een in de structuurvisie / stadsdeelvisie als verdunningsgebied bestempeld gebied. Conclusie Het planvoornemen betreft een verdere uitwerking van de structuurvisie / stadsdeelvisie en past daarmee vanzelfsprekend binnen de uitgangspunten van de visie.

30

bestemmingsplan Rolduckerveld

3.5.2 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg, Lokale woonvisie gemeente Kerkrade 2017-2021 Deze Woonvisie is op 19 april 2017 door de gemeenteraad van Kerkrade vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting geven aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt: het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft de Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties, ingegeven door de herziene Woningwet. Uit de visie volgt dat de gemeente Kerkrade een grote opgave kent om de woningmarkt gezond te maken. Er is veel sprake van leegstaande woningen en het aantal huishoudens neemt de komende jaren af. Daardoor is er in de toekomt minder behoefte aan woningen. De bestaande woningvoorraad moet worden aangepast op deze ontwikkelingen, zodat vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Er is echter wel sprake van een kleine toevoeging aan de vraag naar sociale huurwoningen op korte termijn. Op de lange termijn zal de vraag naar sociale huur echter afnemen. De vraag naar levensloopgeschikte sociale huurwoningen zal wel toenemen. Dit heeft te maken met de kwalitatieve verschuiving van de vraag. Het aantal senioren (met zorgvraag) neemt toe, terwijl het aantal jonge huurders afneemt.

In alle gemeenten binnen de regio Parkstad zullen sociale huurwoningen beschikbaar moeten zijn, zodat mensen met een laag inkomen overal in de regio terecht kunnen. Voor de komende vijf jaar wordt ingezet op een samenwerking met de woningcorporaties om in te spelen op de extra woningvraag in de sociale huursector, waarbij rekening zal worden willen gehouden met de afnemende behoefte in de jaren daarna. Voor Kerkrade geldt dat in de periode 2016 - 2021 sprake is van een beperkte groei in de vraag naar sociale huurwoningen. Na 2021 neemt deze vraag sterk af. Woningcorporaties worden daarom gevraagd in hun voorraadbeleid rekening te houden met zowel de groei als afname op termijn. De transformatieopgave laat zien dat er de komende jaren nog een bescheiden groei valt te verwachten in de vraag naar (met name levensloopgeschikte) huurwoningen. Uitbreiding van de sociale huurvoorraad dient bij voorkeur via herbestemming van leegstaand vastgoed te geschieden binnen de regelgeving van de Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg. Het planvoornemen speelt in op zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte op de Kerkraadse woningmarkt door de sloop van 455 verouderde woningen en het daarvoor in de plaats realiseren van 367 nieuwe woningen. De plancapaciteit binnen het plangebied neemt daarmee eveneens af, met in totaal 348 woningen.

Conclusie Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten uit de Regionale woonvisie (tevens lokale visie). 3.5.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (2018) Als vigerend lokaal beleid ten aanzien van verkeer geldt het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), in januari 2018 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit GVVP is gericht op een integrale afstemming tussen alle facetten op het gebied van verkeer en vervoer, waardoor een optimale harmonie tussen mens, voertuig en weg ontstaat. Dit houdt onder andere het volgende in: een duidelijk, herkenbaar en uniform ingericht wegennet met een logische (hoofd)wegenstructuur (thema bereikbaarheid). een functioneel en herkenbaar ingericht wegennet waar functie, vormgeving en gebruik op elkaar zijn afgestemd, zodat weggebruikers overal weten welk verkeersgedrag van hen wordt verwacht, inclusief educatie en voorlichting (thema verkeersveiligheid). een gastvrij en vriendelijk ingericht en eenduidig parkeersysteem, waarbij de grotere parkeerterreinen goed vindbaar zijn en bij voorkeur gratis geparkeerd kan worden (thema parkeren). het stimuleren van langzaam verkeer, door enerzijds het optimaliseren van fiets- en

bestemmingsplan Rolduckerveld

31

voetgangersvoorzieningen en anderzijds inzetten op de gedragscomponent door te stimuleren (thema langzaam verkeer). het stimuleren van openbaar vervoer, hetgeen een positieve bijdrage levert aan het ruimtelijk economisch belang (bereikbaarheid en leefbaarheid) en aan het maatschappelijk belang (thema openbaar verkeer). de leefbaarheid in Kerkrade verbeteren, door de verkeersoverlast waar mogelijk (verder) te beperken (thema leefbaarheid). met de voorgaande zes onderdelen wordt eveneens een duurzamer Kerkrade bewerkstelligd. Dit GVVP is onder andere gebaseerd op het regionale verkeersbeleid, opgenomen in het in 2011 geactualiseerde Regionaal Verkeer en Vervoersplan (RVVP). Eén van de onderdelen in dit RVVP is een actieplan met een jaarlijks programma verkeerseducatie. Binnen de projecten die in dit actieplan zijn opgenomen, wordt samengewerkt met onder andere het Regionaal Overleg Verkeersveiligheid Limburg (ROVL), Veilig Verkeer Nederland (VVN), de politie en de scholen. In het GVVP en binnen het aspect parkeren, is opgenomen dat de gemeente Kerkrade zelf de regie houdt over zowel het parkeren op straat als in de parkeergarages. Daarbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag, de zogenaamde parkeerbehoefte. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de parkeerbehoefte op eigen terrein c.q. binnen de grenzen van het plangebied opgevangen te worden.

Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is daarbij afhankelijk van de soort en de omvang van de functie(s) die binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het gebied waarin de ontwikkeling is gelegen en de eventuele mogelijkheden om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken. Daarbij sluit de gemeente aan bij de normen en richtlijnen van het CROW. Conclusie In paragraaf 2.6 is reeds getoetst aan de parkeernormen uit het GVVP. Daaruit blijkt dat in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. In de planregels is geborgd dat in de vergunningfase wordt getoetst aan de geldende parkeernormen.

32

bestemmingsplan Rolduckerveld

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels.

4.2

Bodem

4.2.1 Wettelijk kader In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels. 4.2.2 Bodemkwaliteitskaart Doel van een bodemkwaliteitskaart is het in kaart brengen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Hiertoe is de gemeente opgedeeld in een aantal deelgebieden met een milieuhygiënisch vergelijkbare bodemkwaliteit. De deelgebieden zijn opgesteld door te kijken naar de ontwikkeling van wijken, het ontstaan van gebieden, het voormalig en huidig gebruik van het gebied en de resultaten van de bodemonderzoeken. Uit de kaart blijkt dat gemiddeld in de Kerkraadse bodem, ten opzichte van een natuurlijke door de mens onbelaste bodem, licht verhoogde gehalten kunnen voorkomen. Het plangebied BP 'Rolduckerveld' valt geheel binnen 'Zone 1: Bovengrond Wonen'. De bovengrond (0-0,5 m-maaiveld) van deze 'Zone 1' is gemiddeld licht verontreinigd en heeft indicatief de kwaliteit 'Wonen '. De ondergrond (0,5-2,5 m-maaiveld) valt binnen 'Zone 3: Ondergrond', is gemiddeld niet verontreinigd en heeft indicatief de kwaliteit 'AW2000' (schoon).

4.2.3 Nota Bodembeheer Op 30 maart 2016 heeft de raad van Kerkrade de Nota Bodembeheer Gemeente Kerkrade vastgesteld. Welke gevolgen bovenstaande bodemkwaliteit voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied heeft, volgt uit de gemeentelijke Nota Bodembeheer. In deze nota worden de visie en doelstellingen van de gemeente Kerkrade verwoord om te komen tot een optimaal gebruik van de bodem. Het gemeentelijk bodembeheer is gericht op het behouden of realiseren van een veilige (geen risico's) en geschikte (duurzame) bodemkwaliteit. Voor het plangebied is de gemiddelde bodemkwaliteit, 'Wonen' in overeenstemming met het gebruik voor woningen. De bodemkwaliteitskaart geeft binnen de 'Zone 1' echter een onvoldoende betrouwbaar beeld om als bewijsmiddel voor een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen te dienen. Er dient daarom voor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen van woningen een milieutechnisch bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.2.4 Aandachtspunten Ten behoeve van het planvoornemen is een historisch bodemonderzoek verricht (gemeente Kerkrade, d.d. 19 juni 2019) dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Vervolgens heeft ten behoeve van de herstructurering van het plangebied in 2019/2020 in het gebied en in de openbare wegen rond de Dir. Cortenstraat bodemonderzoek plaatsgevonden (Geonius, d.d.

15 mei 2020, projectnummer MA190555.R01.V1.2), welk onderzoek als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd. Hierbij is

bestemmingsplan Rolduckerveld

33

over het algemeen geen tot lichte bodemverontreiniging aangetroffen. Op een deel van de locatie (deelocatie 8) is in de bovengrond echter sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hier zal een bodemsanering (BUS) moeten worden uitgevoerd om de deellocatie geschikt te maken voor woningbouw en openbaar groen. Het onderzoek laat zien dat in openbare wegen over het algemeen lichte verontreiniging wordt aangetroffen. Incidenteel is een matig verhoogd gehalte nikkel aangetroffen. Ten behoeve van de volgende fases wordt door Geonius aanvullend historisch onderzoek uitgevoerd, met aandacht voor o.a. asbest bij de bestaande bebouwing. Binnen het plangebied liggen bodemsaneringslocaties met nazorg.

geen

mijnterreinen,

mijnsteengebieden

of

grootschalige

Uitsnede kaart deellocaties, met aanduiding deellocatie 8 4.2.5 Conclusie In het nog te onderzoeken overig plangebied wordt geen grootschalige sterke bodemverontreiniging verwacht, hot-spots kunnen echter niet worden uitgesloten. De HBO-tank aan Mgr. van Gilsstraat 126 - 232 is gezocht maar niet gevonden. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen van woningen moet een rapport inzake milieutechnisch bodemonderzoek worden ingediend. 4.2.6 Voormalige steenkolenmijnbouw Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). Onderstaande beschrijvingen zijn gebaseerd op de Nederlandse samenvatting, het 'Uittreksel uit het samenvattende rapport met een overzicht van de voorgestelde maatregelen' van 14 december 2016. Voor een volledige beschrijving wordt kortheidshalve naar dit document en de overige deelrapporten van het

34

bestemmingsplan Rolduckerveld

ministerie verwezen. 4.2.7 Bodemstijging Binnen het plangebied is volgens de rapportage van het ministerie geen ongelijkmatige bodemstijging te verwachten. 4.2.8 Schachten Binnen het plangebied liggen geen historische of industriële mijnschachten. 4.2.9 Ondiepe winningen In een deel van het plangebied bevinden zich ondiepe industriële winningen. Het betreft voornamelijk de categorie EK 3 (blauw gebied) en dit betekent een relatief lage kans op verzakkingen. Dit geeft geen aanleiding tot onderzoek of maatregelen. Aan de Mgr. van Gilsstraat is volgens de rapportage mogelijk een ondiepe winning uit de categorie EK 1 en 2 (rood en geel gebied met relatief hoge en gemiddelde kans op verzakking) aanwezig. Uit aanvullend mijnbouwkundig archiefonderzoek kan mogelijk nog volgen dat ondiep gelegen mijngangen aanwezig zijn. Mochten dergelijke mijngangen binnen het plangebied aanwezig zijn, dan kan nader onderzoek naar deze ondiepe winning of mijngangen en eventuele maatregelen rond de wijze van fundering van nieuwbouw en/of (gedeeltelijke) sanering van de ondiepe winning of mijngangen nodig zijn. 4.2.10 Grondwaterkwaliteit en vernatting Voor het plangebied wordt in de te verwachten eindsituatie van de grondwater-'mijnwater'-stand, 80 m+NAP, geen beïnvloeding van de grondwaterkwaliteit of vernatting aan het maaiveld verwacht. Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich op ca.

155 m+NAP en ligt dus rond 75 m boven de verwachte eindstand van het 'mijnwater'. 4.2.11 Mijngas In het zuiden en noorden van het plangebied liggen gebieden waaronder op dit moment mijngangen nog niet door stijgend grondwater-'mijnwater' gevuld zijn. In deze mijngangen blijft dus 'mijngas' (minder zuurstof, meer koolstofdioxide, mogelijk methaan) aanwezig en dit kan mogelijk via verbindingen met het maaiveld (nieuwe boringen voor paalfundering, geologische breuken) vrijkomen. In dit gebied is bestaande bebouwing aanwezig en zijn nieuwe woonvlekken aangegeven. In de eindsituatie van de grondwaterstijging zijn nagenoeg alle mijngangen onder dit plangebied met water gevuld. Slechts nabij de Mgr. van Gilsstraat / Ailbertuslaan en in een klein gebied bij de Dir. Cortenstraat worden mijnwerken niet geheel met water gevuld. 4.2.12 Aardbevingen Binnen het plangebied, alsmede in het gehele onderzoeksgebied, zijn geen aardbevingen als gevolg van stijgend 'mijnwater' te verwachten. Als dit toch zou gebeuren dan zijn deze naar verwachting niet krachtiger dan de natuurlijke aardbevingen in Zuid-Limburg. 4.2.13 Kleinere gevolgen Binnen het plangebied zijn, voor zover uit het onderzoek van het ministerie bekend, geen neerwaartse boringen vanaf maaiveld, oude 'drempels' of oude verzakkingen aanwezig.

Wel bevinden zich in het plangebied 2 opwaartse boringen vanuit mijngangen naar de bovenkant van het Carboon-gesteente. Deze kleinere gevolgen veroorzaken geen significante effecten, maar het zijn geotechnisch zwakke zones die bij het realiseren van nieuwe gebouwen en bij het optreden van schade in het achterhoofd dienen te worden gehouden.

bestemmingsplan Rolduckerveld

35

4.2.14 Tussenconclusie Uit bureauonderzoek blijkt dat aan de Mgr. van Gilsstraat is mogelijk een ondiepe winning uit de categorie EK 1 en 2 aanwezig is. Voordat binnen dit gebied nieuwbouw kan plaatsvinden is onderzoek naar de ondiepe winning en kan aanpassing van de wijze van fundering van gebouwen en/of (gedeeltelijke) sanering van de winning nodig zijn. Een dergelijk onderzoek is ook noodzakelijk indien ondiep gelegen mijngangen binnen het plangebied aanwezig blijken te zijn.

Figuur relevante na-ijlende effecten van mijnbouw (bron; Ministerie van EZK); winningen, boringen, drempels

36

bestemmingsplan Rolduckerveld

Figuur relevante na-ijlende effecten van mijnbouw (bron; Ministerie van EZK); mijngas 4.2.15 Aanvullend onderzoek Voor onderhavig bestemmingsplan is nader onderzoek verricht door Ingenieurbüro Heitfeld - Schetelig GmbH (d.d. 25 augustus 2021). Door middel van bureauonderzoek en enkele boringen is de ligging van een tweetal mijngangen concreter in beeld gebracht. Eén daarvan ligt in het noordelijk deel van het plangebied, is beperkt van omvang en valt binnen het openbaar gebied. De andere mijngang ligt in het zuidelijk deel van het plangebied en die ligging valt deels samen met te realiseren woningen in deelgebied zuid. Deze overlap staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg, maar er zijn wel aanvullende aandachtspunten bij de bouw van woningen op deze locaties, die vragen om aandacht bij de wijze van funderen van de woningen dan wel het saneren van de mijngang. In beide gevallen vormt dit als gezegd geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan Rolduckerveld

37

4.3

Geluid

4.3.1 Wettelijk kader Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voornoemde geluidsbronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.3.2 Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt.

Ook in geval van de aanleg van een nieuwe weg of een reconstructie van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het plangebied is gelegen binnen de zones van de Zonstraat, Ailbertuslaan en Roderlandbaan. Om die reden is door Aelmans een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (d.d. 8 maart 2021, nr M204460.003.R1/GGO) dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd. Voorkeursgrenswaarde en hogere grenswaarden Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het verkeer over de Ailbertuslaan en de Roderlandbaan op een deel van de beoogde woningbouwlocaties (beperkt) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter nergens overschreden. In de rapportage is ook ingegaan op mogelijk te treffen maatregelen in de vorm van van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Uit de rapportage blijkt dat die maatregelen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige dan wel financiële aard stuiten en/of niet doelmatig zijn. Omdat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden, kunnen zogenoemde hogere grenswaarden. De daarvoor noodzakelijke procedure loopt parallel aan de procedure van dit bestemmingsplan.

Wijziging plan tussen ontwerp en vaststelling: aanvullend onderzoek Als gevolg van de ingekomen zienswijzen en de aanpassing van de plannen die als gevolg daarvan hebben plaatsgevonden, heeft een verschuiving van de (bouwvlakken ten behoeve van) de woningbouwlocaties plaatsgevonden. In het noordelijk deel van het plangebied betreft het de twee meest noordelijk appartementencomplexen tussen de Directeur Cortenstraat, Directeur van der Mühlenlaan en de Roderlandbaan, de grondgebonden woningen tussen de Directeur van de Mühlenlaan en de Directeur Geurtsstraat. De appartementencomplexen zijn in zuidelijke richting verschoven en de grondgebonden woningen zijn in oostelijke richting verschoven. In het zuidelijk deel is het blok met grondgebonden woningen tussen de Ailbertuslaan, Mgr van Gilsstraat en de Directeur Evertsstraat iets verschoven in noordelijke richting. Gezien deze verschuivingen is bezien of deze aanpassingen gevolgen hebben voor de gevelbelasting van de

38

bestemmingsplan Rolduckerveld

woningen als gevolg van wegverkeerslawaai en als gevolg daarvan eventuele benodigde (andere) hogere grenswaarden. De resultaten daarvan zijn door Aelmans beschreven in een aanvullende notitie (d.d. 14 december 2021, nr M204460.004.R1/GGO) die als Bijlage 4 is opgenomen bij deze toelichting. Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat nog steeds in een groot deel van het plangebied wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden. Dat geldt ook voor de hiervoor beschreven en verschoven grondgebonden woningen in het noordelijk deel van het plangebied. Voor de twee genoemde appartementencomplexen was al een hogere grenswaarde aan de orde als gevolg van wegverkeerlawaai afkomstig van de Roderlandbaan en dat blijft zo, maar de resultaten verschillen op bepaalde toetspunten c.q. voor verschillende hoogtes. Die verschillen zijn echter beperkt tot 1 à 2 dB. De hoogste gevelbelasting bedraagt hier 52 dB. De hiervoor beschreven verschuiving die heeft plaatsgevonden in het zuidelijk deel van het plangebied heeft ook gevolgen voor de benodigde hogere grenswaarden. Ook hier is sprake van verschillen van 1 à 2 dB. De hoogste gevelbelasting hier bedraagt 50 dB. Cumulatie Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige wegen met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde.

In het onderhavige geval is dit echter niet aan de orde omdat daar waar de voorkeursgrenswaarde binnen het plan wordt overschreden, geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor meerdere wegen op één gevel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel de cumulatie bepaald op basis van alle gemodelleerde geluidbronnen in zowel het oorspronkelijk akoestisch onderzoek als de aanvullende notitie. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Roderlandbaan en Ailbertuslaan, bedraagt binnen een deel van het plangebied respectievelijk 57 dB en 56 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig'. Dit betreft echter een beperkt aantal toetspunten. Op andere toetspunten bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting 55 dB of minder (redelijk tot goed). Gezien voorgaande resultaten met betrekking tot de gecumuleerde geluidsbelasting is bezien of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en in de overdrachtssfeer op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.

Gezien voorgaande resultaten kan daar bij nieuwbouw goed aan worden voldaan en is het plan in dat kader uitvoerbaar en daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.3.3 Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een spoorweg. Het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.3.4 Industrielawaai De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in vestigingsmogelijkheden voor inrichtingen die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen een zone van een gezoneerd industrieterrein. Overigens vormen ook de in de omgeving aanwezige niet-zoneringingsplichte bedrijven geen

bestemmingsplan Rolduckerveld

39

belemmering voor het planvoornemen en vormt onderhavig planvoornemen ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven (zie paragraaf 4.6). 4.3.5 Goede ruimtelijke ordening: warmtepompen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Sinds april 2021 zijn het het Bouwbesluit 2021 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels.

Gezien het voorgaande is aan Target Advies gevraagd om inzicht te bieden in deze materie, op basis waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat de woningen die binnen het plan worden gerealiseerd, gefaseerd zullen worden gebouwd, verspreid over een aantal jaren. Om die reden is in dit stadium ook nog niet bekend welke type warmtepomp wordt toegepast en bovendien zal de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren ook verder ontwikkelen. Gezien het voorgaande is in de als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 10 december 2021, kenmerk 20210065.01) uitgegaan van een maximale invulling van de Bouwbesluit-norm van 40 dB op de erfgrens tussen twee woningen/tuinen en bezien wat dat betekent voor het cumulatief geluid bij clustering van meerdere pompen. Kortgezegd zijn de bevindingen als volgt: Als gevolg van het logaritmisch verband tussen twee gelijke geluidsniveaus van twee verschillende geluidsbronnen leidt het optellen van die twee niveaus tot een toename van 3 dB. Dat betekent dat bij de toepassing van een warmtepomp op twee aangrenzende percelen die pompen samen - met inachtname van de norm van 40 dB in het Bouwbesluit 2012 - de geluidsbelasting op die perceelsgrens niet meer mag bedragen dan 43 dB.

Mocht in een bepaalde situatie sprake zijn van tuinen die ook aan de achterzijde aan elkaar grenzen (zoals in deelgebied zuid), dan zou de cumulatie van het geluid van vier pompen aan de orde kunnen zijn. Wanneer ook in die situatie de norm van 40 dB uit het Bouwbesluit wordt gerespecteerd, dan zou dat kunnen leiden tot een gecumuleerde geluidsbelasting van maximaal 46 dB. Voor warmtepompen die op de percelen verderop worden gerealiseerd geldt dat ze als gevolg van geometrische afstandsverzwakking akoestisch niet meer relevant zijn. Daarom zijn - afhankelijk van de verkaveling en plaatsing van de buitenunits (in de tuin of aan de gevel) - twee, dan wel maximaal vier units bepalend voor de geluidsbelasting tussen die units in. Bij appartementen zijn dat er maximaal vier. Verder is van belang dat steeds vaker pompen met een nachtmodus worden toegepast, die in de nacht minder geluid maken dan overdag. In de rekenmethode aan de hand waarvan moet worden getoetst of wordt voldaan aan de norm uit het Bouwbesluit 2012, wordt geen rekening gehouden met een bedrijfsduurcorrectie, terwijl een warmtepomp niet continue in bedrijf is. Volgens Target is een redelijke aanname dat een pomp maar circa 25 tot 50% van de tijd in werking is, wat bij toepassing van een bedrijfsduurcorrectie zou leiden tot een reductie van 3 tot 6 dB.

Hoewel dit voor de toetsing aan het Bouwbesluit 2012 niet relevant is, is het in het kader van het al dan niet accepteren van de gecumuleerde geluidsbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening wél van belang. De geometrische afstandsverzwakking is ongeveer 10 dB op 1 meter. Dat houdt in dat een warmtepomp met een bronvermogen van bijvoorbeeld 60 dB(A) op een afstand van 1 meter nog maar tot een

40

bestemmingsplan Rolduckerveld

geluidsniveau van 50 dB(A) leidt. Dat betekent dat afhankelijk van de situering van de unit in delen van de tuin cumulatie géén rol van betekenis speelt. De unit van de buren mag immers in de perceelsgrens maar maximaal 40 dB(A) bedragen. In die delen van de tuin waar de belasting van de eigen pomp hoger is dan 40 dB is het geluidsniveau van de unit van de buren dan niet of nauwelijks van belang. Het voorgaande resulteert - uitgaande van pompen met een nachtmodus en op basis van een ten behoeve van het rapport toegepast rekenmodel - tot een belasting van 48 tot 51 op gevels en op tuinen in de dagperiode en 43 tot 46 dB in de nachtperiode. Indien rekening wordt gehouden met een bedrijfsduurcorrectie komt dat uit op een reductie van 3 dB in de dag- en avondperiode en 6 dB in de nachtperiode. Dat resulteert dan in belastingen van 45/40/37 dB tot 48/43/40 dB in de dag-/avond-/nachtperiode. Aansluitend bij de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering (2009), waarin wordt gesteld dat bij een geluidbelasting van 45 to 50 dB(A) etmaalwaarde sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, kan worden gesteld dat bij toepassing van warmtepompen met volledige opvulling van de ruimte die het Bouwbesluit daarvoor biedt voor wat betreft geluid, de gecumuleerde geluidsbelasting de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat en sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.3.6 Conclusie Het aspect geluid vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof.

Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan indien de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

bestemmingsplan Rolduckerveld

41

4.4.2 Niet in betekenende mate De NIBM - grens voor woningbouwlocaties is als volgt bepaald: 3% criterium 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkwaardige verkeersverdeling. Dit houdt in het planvoornemen, bestaande uit de realisatie van 367 woningen ver beneden de grens van 1.500 woningen blijft. Het is dan ook niet noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van het planvoornemen ten aanzien van de luchtkwaliteit. 4.4.3 Luchtkwaliteit De monitoringstool voor het NSL laat in de directe nabijheid geen rekenpunten zien. Uit de NSL-Monitoringstool is wel af te leiden dat ter plaatse van de rekenpunten die wel binnen de gemeente aanwzig zijn, de concentraties de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 nergens worden overschreden. 4.4.4 Gevoelige bestemmingen Het bestemmingsplan voorziet niet in mogelijkheden voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.4.5 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Voor wat betreft de rekenpunten in andere delen binnen de eigen gemeente laat de monitoringstool geen overschrijdingen zien voor het jaar 2020 of 2030, voor stikstofdioxiden of fijnstof. Er is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de luchtkwaliteit binnen het gebied onvoldoende is voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Algemeen Het bevoegd gezag dient bij ruimtelijke planvorming rekening te houden met het aspect externe veiligheid. Hierbij dient te worden onderzocht in hoeverre er sprake is van aanvaardbare dan wel onaanvaardbare risico's voor de diverse bestemmingen binnen het plangebied. De aandacht gaat hierbij uit naar het plaatsgebonden risico waarvoor een harde norm geldt, als ook naar het groepsrisico waarvoor een zogenaamde oriëntatiewaarde geldt. Indien binnen of in de nabijheid van een plangebied risicodragende activiteiten plaatsvinden is een nader onderzoek noodzakelijk. Een nader onderzoek heeft betrekking op zowel stationaire objecten (bedrijven) als ook op dynamische objecten (transport gevaarlijke stoffen). Voor onderhavig plangebied is voor beide aspecten nader onderzocht in hoeverre er een onacceptabele overschrijding van risiconormen aan de orde is. 4.5.2 Omschrijving onderzoek Ten behoeve van de beoordeling van het aspect externe veiligheid voor dit bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar de risicobronnen.

Dit onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: inventarisatie van de risicobronnen in en nabij het plangebied; analyse van de invloed van risicobronnen op de veiligheid; toetsing van de veiligheidssituatie aan de geldende veiligheidsnormen; beoordeling van de noodzaak voor een verantwoording van het groepsrisico; verantwoording van het groepsrisico en acceptatie van een restrisico.

42

bestemmingsplan Rolduckerveld

4.5.3 Risico-inventarisatie Raadpleging van de Risicokaart leert dat er binnen het plangebied of in de directe nabijheid daarvan geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen of transport van gevaarlijke stoffen via een transportas plaatsvindt. De meest nabij gelegen risivolle inrichtingen betreffen een tweetal gasdrukmeet- en regelstations van de Gasunie op respectievelijk 800 meter ten oosten van het plangebied (aan de Grensstraat) en ruim 1 kilometer ten oosten van het plangebied (nabij de Kerkradersteenweg). Daarmee ligt het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontouren en buiten het het invloedsgebied van deze inrichtingen. Daarnaast blijkt uit de Risicokaart dat het plangebied wordt doorkruist door een hogedruk aardgasleiding van een Gasunie (Z-503-19-deel 1, diameter ca 219 mm, 40 bar). Dit is van invloed op het noordelijk deel van het plangebied.

Uitsnede Risicokaart

bestemmingsplan Rolduckerveld

43

Uitsnede stedenbouwkundig ontwerp met project ligging gasleiding 4.5.4 Nader onderzoek Op verzoek van de gemeente Kerkrade is door de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (RUD) een nader onderzoek verricht naar de invloed van deze gasleiding op het planvoornemen (d.d. 3 februari 2020, zaaknummer 2020-100144). De RUD heeft door middel van het voorgeschreven rekenpakket CAROLA het invloedsgebied van de leiding inzichtelijk gemaakt, als weergegeven in navolgende afbeelding.

44

bestemmingsplan Rolduckerveld

Uit de berekening volgt dat de leiding binnen het plangebied géén plaatsgebonden risicocontour (10-6) kent, maar dat het noordelijk deel van het plangebied wel gedeeltelijk is gelegen binnen respectievelijk de 100%- en 1%-letaliteitscontour. Vanwege dit laatste punt is door de RUD ook het groepsrisico inzichtelijk gemaakt voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Daaruit blijkt dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde in beide situaties niet overschrijdt en dat als gevolg van het planvoornemen het groepsrisico niet toeneemt. Het onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting 4.5.5 Beperkte verantwoordingplicht In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is in artikel 12, lid 1 voorgeschreven dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in geval van o.a. de nieuwbouw van woningen (kwetsbare objecten) het groepsrisico moet worden verantwoord Uit artikel 12, lid 3 volgt echter dat in bepaalde situaties slecht een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden.

Een dergelijke situatie doet zich voor indien: het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van de plannen niet hoger is dan de oriëntatiewaarde; de letaliteit van personen binnen het invloedsgebied minder dan 100% of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is; Bij een beperkte verantwoording dient bevoegd gezag uitsluitend de onderdelen 12.1 a, b, f en g in de verantwoording nader uit te werken. Het betreft een verantwoording van: de aanwezige dichtheid van personen en de te verwachten dichtheid van personen in de nieuwe situatie; het berekende groepsrisico in de oude en de nieuwe situatie de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding die het groepsrisico veroorzaakt, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Bij een beperkte verantwoordingsplicht hoeft het bevoegd gezag in de verantwoording niet in te gaan op de onderdelen c, d en e van artikel 12 Bevb. Er hoeft in het kader van die verantwoording ten behoeve van dit bestemmingsplan daarom dus géén nadere onderbouwing ten aanzien van mogelijke (toekomstige) maatregelen ter beperking van het groepsrisico uit te werken.

Ook is er geen noodzaak of voorschrift voor het onderzoeken van andere mogelijkheden voor de ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de (berperkte) verantwoording van het groepsrisico dient advies te worden ingewonnen bij de regionale brandweer c.q. veiligheidsregio. 4.5.6 Advies regionale brandweer Gezien het voorgaande is advies ingewonnen bij de regionale brandweer. Dat advies is uitgebracht in een brief van 30 juli 2020, met kenmerk 2020.1081.010 en als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. In het advies vindt een beoordeling van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening plaats. De bereikbaarheid van het gebied voldoet aan de uitgangspunten die de Brandweer hanteert, namelijk tweezijdige bereikbaarheid. Er is geen noodzaak voor aanvullende bluswatervoorziening bovenop het primaire waterleidingnetwerk. Daarnaast adviseert de brandweer rekening te houden met navolgende maatregelen voor het noordelijk deel van het plangebied: Bouw binnen een afstand van 50 meter tot de buisleiding bij voorkeur helemaal niet; Indien deze ruimte toch wordt benut voor bebouwing, realiseer dan blinde gevels aan de zijde van de

bestemmingsplan Rolduckerveld

45

buisleiding; Realiseer bij woningen binnen een afstand van 100 meter tot de buisleiding een vluchtmogelijkheid van de risicobron af. Voorwaarde is dat aanwezigen moeten kunnen vluchten in de schaduwzijde van de bebouwing; Ter overweging wordt gegeven de buisleiding af te dekken met een aarden wal of platen. Dit ter voorkoming van beschadiging van de leiding bij graafwerkzaamheden. 4.5.7 Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico´s voor de betreffende ruimtelijke ontwikkeling worden geaccepteerd en welke maatregelen er getroffen zijn en nog getroffen worden. Dit om het (rest)risico zo veel mogelijk te beperken en de ontwikkeling als bevoegd gezag te accepteren. Het invullen van de verantwoordingsplicht is aan het bevoegd gezag. Bij de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan is dat de gemeenteraad. De verantwoordingsplicht is verankerd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen in artikel 12. Op basis van beoordeling van de risico's en de kans dat een ongeval of ramp kan optreden is geconcludeerd dat deze als laag kunnen worden ingeschaald.

In onderhavige situatie kan volstaan worden met een beperkte verantwoording en worden de volgende aspecten beschouwd: de mogelijkheid tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheid van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen. Op basis van voorgaande aspecten en uitgangspunten heeft navolgende beoordeling plaatsgevonden.

Bestrijdbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De veiligheidsregio moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende en adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen (bereikbaarheid) en bluswatervoorzieningen. Uit het advies van de Brandweer Zuid Limburg volgt dat de bereikbaarheid van het gehele gebied voldoet aan de uitgangspunten die de Brandweer hanteert, namelijk tweezijdige bereikbaarheid. Er is geen noodzaak voor aanvullende bluswatervoorziening bovenop het primaire waterleidingennetwerk.

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn zich op eigen kracht (zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten) in veiligheid te brengen door te vluchten of te schuilen in een gebouw. Van belang hierbij is onder andere: Mogelijkheden voor ontvluchten van het gebied Mogelijkheden voor ontvluchten gebouwen; Schuilmogelijkheden in gebouwen De mobiliteit van aanwezigen Communicatie en informatie/alarmering Verminderd zelfredzame personen

46

bestemmingsplan Rolduckerveld

Het gehele plangebied - en daarfmee dus ook het deel dat is gelegen binnen het onvloedsgebied van de leiding - laat geen objecten toe die specifiek bestemd zijn voor verminderd zelfredzame personen. Voor het gehele plangebied kan er grotendeels vanuit worden gegaan dat de personen binnen het gebied zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits tijdig gewaarschuwd, zonder hulp van hulpverleningsdiensten.

Mogelijkheden om slachtoffers te voorkomen Bij hittestraling als gevolg van een incident met de buisleiding zijn mensen in het invloedsgebied aangewezen op hun eigen zelfredzaamheid en een goede inrichting van hun omgeving. In dit kader worden navolgende maatregelen getroffen of zijn deze voorhanden: Het realiseren van meerdere vluchtwegen vanuit gebouwen De aanwezigheid van een schuilmogelijkheid binnen een gebouw De mogelijkheid om het gebied te ontvluchten, weg van de risicobron Risicocommunicatie Door bewoners vooraf te informeren over mogelijke risico's met betrekking tot een incident met de buisleiding kunnen de mogelijke maatregelen en acties vooraf kenbaar gemaakt worden. Dit betreft met name de vluchten schuilmogelijkheden. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor gemeente en de woningcorporaties (verhuurder).

Overige maatregelen ter beperking van risico's Naast de aspecten bereikbaarheid en zelfredzaamheid kan worden overwogen om nog extra risico beperkende maatregelen te treffen. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: Markering leidingstrook/tracé en belemmerde strook Meldingsplicht graafwerkzaamheden / toezicht door Gasunie Materiaalgebruik woningen Het grootste risico voor een incident of zwaar ongeval wordt gevormd door graafwerkzaamheden bij de buisleiding. Ter beperking van dit risico worden een aantal maatregelen getroffen, te weten: De leidingstrook van de buisleiding is reeds gemarkeerd met waarschuwingspalen van de Gasunie. Het aantal waarschuwingspalen zal worden uitgebreid zodat het gehele tracé binnen het plangebied duidelijk zichtbaar is. Bij graafwerkzaamheden dient de Gasunie vooraf in kennis te worden gesteld van de voorgenomen werkzaamheden. Gasunie laat uitsluitend werkzaamheden toe onder toezicht van een medewerker van de Gasunie. Voor de buisleiding geldt een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding, gerekend vanuit het hart van de leiding. Deze belemmeringenstrook moet, conform het Bevb worden opgenomen op de plankaart, voor zover gelegen in het plangebied.

In de planregels zal een vergunningplicht worden opgenomen voor het uitvoeren van grond/graaf werkzaamheden Materiaalgebruik aan woningen en gebouwen De nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd door woningcorporaties die bij het ontwerp van de woningen en gebouwen, in ieder geval voor zover gelegen binnen het invloesgebied van de gasleiding, rekening zullen houden met het materiaalgebruik:

bestemmingsplan Rolduckerveld

47

Om het risico op secundaire branden zo klein mogelijk te maken is het van belang om het risico op gevelbranden zo klein mogelijk te maken. Dit kan worden bereikt door toepassing van gemetselde gevels, aangezien hiermee aan een brandklasse A (praktisch onbrandbaar) kan worden voldaan. Dit terwijl gevels met bijvoorbeeld een houten afwerking of gevelbeplating normaliter slechts aan een brandklasse D (goed brandbaar) kunnen voldoen. Voor wat betreft de kozijnen geldt dat bij woningbouw normaliter kunststof of houten kozijnen worden toegepast. In dit kader heeft toepassing van hout de voorkeur aangezien deze normaliter aan brandklasse C of B voldoen, terwijl kunststof slechts aan brandklasse D voldoet. Ten aanzien van de daken heeft de toepassing van dakpannen de grootste voorkeur. Indien platte daken worden toegepast het advies deze uit te voeren in beton en voorzien van een toplaag van minerale wol (onbrandbare isolatie). Middels deze materiaalkeuzes wordt niet alleen de veiligheid van personen in de woningen vergroot, maar wordt ook de brandweer in geval van een incident ontlast, aangezien een beperkter aantal secundaire branden bestreden zal hoeven te worden. Hoewel het realiseren van geheel blinde gevels niet haalbaar is binnen de stedenbouwkundige kaders, wordt het wel mogelijk geacht de hoeveelheid glasoppervlakte aan de risicozijde zoveel mogelijk te beperken.

Uiteraard dient hierbij rekening gehouden te worden met de eisen in het kader van daglicht, immers de dagelijkse gezondheid dient ten alle tijden gewaarborgd te blijven. In dit kader is bovendien het advies om de appartementengebouwen (deze zijn met name dicht op de gasleiding geprojecteerd) zoveel als mogelijk richting het Berenbos te oriënteren. Ook balkons aan de zijde van de gasleiding worden in dit kader afgeraden. Bij het ontwerp van het openbare gebied zal worden voorzien in brandgangen achter de woningen zodat de woningen niet alleen via de voorgevel maar ook via de tuinen ontvlucht kunnen worden (keuze vluchtroute afhankelijk van locatie incident).

Aanvaarding restrisico Vanwege de aanwezigheid van een risicobron in en nabij het plangebied is in de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf externe veiligheid) aandacht besteed aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Zowel voor het plaatsgebonden risico als het groepsrisico wordt voldaan aan de wettelijke eisen. Daarmee is de uitvoerheid van het plan op dat punt aangetoond en is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Omdat risico's nooit voor 100% kunnen worden weggenomen is er sprake van een restrisico. Ook na het nemen van veiligheid verhogende maatregelen zal een restrisico blijven bestaan. Formeel dient de raad, als bevoegd gezag, dit restrisico te aanvaarden voordat het plan wordt vastgesteld. Dit aspect is daarom in de overwegingen van het besluit opgenomen en als beslispunt opgenomen in het raadsbesluit. Het restrisico, zoals bedoeld in het kader van de externe veiligheid, wordt in onderhavige situatie als aanvaardbaar aangemerkt.

48

bestemmingsplan Rolduckerveld

4.6

Milieuzonering en bedrijven

4.6.1 Inleiding Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten, zoals woningen. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Een algemeen geaccepteerde uitgave om te kunnen beoordelen of een bepaalde functie inpasbaar is op de beoogde locatie is de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (VNG, 2009). 4.6.2 Bestaande bedrijven Omschrijving Adres

Betreft / vergelijkbaar met

Milieucategorie met Afstand tot richtafstand geprojecteerde woningen Scholen voor basis- 2 | 30 meter > 35 meter en algemeen voortgezet onderwijs

Basisschool Steltloper

Directeur van Mühlenlaan 30

Café Rolduc

Zonstraat 33

Café

1 | 10 meter

> 80 meter

Café d'r Willy

Zonstraat 43

Café

1 | 10 meter

> 80 meter

Gemengde functies

Blok Hertogenlaan 19 t/m 29

detailhandel, zakelijke dienstverlening (kantoren), café / restaurant / cafetaria, lichte bedrijvigheid

2 | 30 meter

> 50 meter

Tenniscomplex

Berenbosweg 1

3.1 | 50 meter

> 90 meter

Abdijcomplex Rolduc

Heyendallaan 82

Tennisbanen (met verlichting) Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra

1 | 10 meter

> 300 meter

Conclusie Gezien voorgaande tabel wordt ruim aan alle richtafstanden voldaan. Daaruit kan worden opgemaakt dat de aanwezige bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en dat ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor dit aspect.

bestemmingsplan Rolduckerveld

49

4.7

Ecologie

4.7.1 Wettelijk kader In de Wet natuurbescherming is de soortbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). 4.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is op 5,95 kilometer van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal gelegen. Verderop, op respectievelijk 6,1 km en 7,6 km liggen de Natura 2000-gebieden Brussumerheide en Kunderberg. Net over de grens in Duitsland zijn beiden op een afstand van circa 1,4 kilometer de Natura 2000-gebieden Wurmtal nördlich Herzogenrath en Wurmtal südlich Herzogenrath op ca. 1,4 kilometer gelegen.

Ligging plangebied (bij 1) ten opzichte van nabij gelegen Natura 2000-gebieden

50

bestemmingsplan Rolduckerveld

Gezien de aard en omvang van het planvoornemen, de afstand tot voornoemde gebieden en het gebruik van de tussenliggende gronden, kan in beginsel redelijkerwijs worden aangenomen dat de planvorming geen (significant) negatieve effecten zal hebben op dit of enig ander Natura 2000-gebied. Ten aanzien van stikstofdepositie is door Pouderoyen Tonnaer een onderzoek verricht (d.d. 1 maart 2021, kenmerk J190169.001) dat als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. Hieruit blijkt dat significant negatieve effecten van stikstofemissies ten gevolge van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten, mits gebruik wordt gemaakt van interne saldering op basis van het huidige gebruik. Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer bij toepassing van intern salderen geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, significante gevolgen voor Natura2000-gebieden op dit punt kunnen worden uitgesloten. Gezien het bepaalde in de Wet natuurbescherming - zoals die luidt na inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof - is in dergelijke situaties geen sprake van een vergunningplicht op grond van die wet. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in verschillende natuur- en landschapszones (goudgroen, zilvergroen en bronsgroen). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij - principe'. Onderhavig plangebied is echter niet gelegen binnen een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. 4.7.3 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan. 4.7.3.1 Vooraf In het gebied zijn verschillende onderzoeken verricht.

De resultaten van het onderzoek in de openbare ruimte zijn beschreven in paragraaf 4.7.3.2. Daar komen geen aanvullende onderzoeksverplichtingen naar voren. De resultaten en bevindingen met betrekking tot de te slopen bebouwing zijn beschreven in paragraaf 4.7.3.3. Daarbij zijn de resultaten per deelgebied beschreven. Voor de goede orde moet daarover vooraf worden opgemerkt dat twee verschillende regimes gelden in relatie tot de Wet natuurbescherming. Voor het door HEEMwonen te slopen vastgoed is reeds een generieke ontheffing verleend. De onderzoeken en rapporten passen binnen c.q. voldoen aan de voorwaarden die aan die ontheffing zijn verbonden. Voor de in opdracht van de gemeente te slopen kerk en aangrenzende gebouwen geldt dat nog géén ontheffing is verleend. Nader onderzoek zal nog moeten aantonen of die ontheffing noodzakelijk is, zo blijkt uit paragraaf 4.7.3.3. Dit verschil komt ook terug in de wijze van uitwerken, als beschreven in paragraaf 4.7.3.4. In die paragraaf is ook onderbouwd hoe de uitvoerbaarheid ook ten aanzien van de benodigde sloop van de kerk en aangrenzende gebouwen is geborgd.

4.7.3.2 Verkennend natuurwaardenonderzoek openbare ruimte Om in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan te kunnen beoordelen of als gevolg van het planvoornemen overtredingen van de Wet natuurbescherming zijn te voorzien en/of daarvoor een vergunning noodzakelijk is op basis van de Wet natuurbescherming is door Bureau Verbeek een verkennend natuurwaardenonderzoek verricht (d.d. 2 april 2020, projectnummer NL KE-806.003), welk onderzoek als Bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd. De conclusies van Bureau Verbeek zijn als volgt:

bestemmingsplan Rolduckerveld

51

Het gehele terrein is geschikt jachtbiotoop voor vleermuizen. De effecten die optreden in het projectgebied door nieuwbouw en sloop zijn echter minimaal, mede doordat in de omgeving ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is. Daarnaast kunnen de te verwachten vleermuissoorten zich goed aanpassen aan de veranderende omstandigheden binnen het jachtbiotoop. Nader onderzoek naar vleermuizen in de openbare ruimte is daarom niet nodig. In relatie tot de in de komende jaren te slopen bebouwing dient rekening gehouden te worden met vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Daarvoor is nader vleermuisonderzoek noodzakelijk. In verband met de grote kans op het aantreffen van vaste verblijfplaatsen dient in de nieuwbouw al rekening gehouden te worden met nieuwe verblijfplaatsen voor vleermuizen. In het projectgebied komen geen broedvogels voor met jaarrond beschermde nesten. In het onderzoeksgebied kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Door rekening te houden met het broedseizoen (15 maart tot en met 15 augustus) en werkzaamheden daarbuiten op te starten dan wel uit te voeren, kunnen negatieve effecten op de betreffende soorten voorkomen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=5e6764fa-c22a-45b7-820f-fa132a1f2a0c