Bp Rolduckerveld_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Ter plekke van het onderzoeksgebied is het voorkomen van andere wettelijk beschermde soorten uit de soortgroepen vaatplanten, mossen, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen, libellen, dagvlinders en overige ongewervelden geheel uit te sluiten. Algemene amfibieënsoorten zoals Bruine kikker zijn aanwezig in de buffers aan de oostkant van het projectgebied. Voor deze soorten geldt vanuit de provincie voor ruimtelijke inrichting en -ontwikkeling een jaarrond vrijstelling van het verbod op het vernielen en beschadigen van het leefgebied. Voor de hiervoor benoemde soorten geldt dat in de openbare ruimte slechts de algemene zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming van toepassing is. Dit houdt in de praktijk in, dat het advies is de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (half maart t/m half augustus). Ook voor alle overige soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
4.7.3.3 Overige onderzoeken Naast het hiervoor bedoelde verkennende natuuronderzoek zijn aanvullende onderzoeken verricht naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten in de bebouwing die wordt gesloopt in het kader van het planvoornemen. Deze onderzoeken zijn gericht op de bebouwing die wordt gesloopt binnen de deelgebieden waar sloop is voorzien in de periode 2022 t/m 2025. Die gebieden worden hierna per deelgebied besproken.
52
bestemmingsplan Rolduckerveld
Deelgebieden Rolduckerveld
Dit betreft de deelgebieden Noord (Blijde Boodschapkerk en aangrenzende gebouwen), West I (hoogbouw Hertogenlaan) en Oost (hoogbouw Monseigneur van Gilsstraat). Gezien de aard en het doel van het onderzoek (actueel inzicht aanwezige beschermde soorten) en het feit dat de woningen in deelgebied Zuid naar de huidige stand van zaken pas in de periode 2027-2028 worden gesloopt, zijn die woningen vooralsnog niet nader onderzocht. Daarmee is niet gezegd dat de eventuele aanwezigheid van beschermde soorten niet van belang is in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Op dit punt wordt hierna nog nader ingegaan in paragraaf 4.7.3.4.
Blijde Boodschapkerken aangrenzende gebouwen (deelgebied Noord) Binnen het deelgebied Noord zullen ten behoeve van het planvoornemen de Blijde Boodschapkerk en de omliggende woningen aan de Directeur van der Mühlenlaan 50, 52 en de woningen aan de Directeur Geurtsstraat 11 en 11a worden gesloopt. Gezien de aard van het complex is de bebouwing slechts een mogelijke verblijfsfunctie voor vleermuizen in het geding. Op dit punt is door Bureau Verbeek eerst een vleermuisinspectie uitgevoerd (d.d. 2 november 2020, nr NL KE-806.005). Van deze inspectie is een notitie gemaakt die als bij deze toelichting is gevoegd. Uit de inspectie is gebleken dat de bebouwing binnen het onderzoeksgebied voorziet in interne ruimten die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het betreft spouwmuren en mogelijk ruimtes in de dakconstructie. Deze interne ruimten zijn voor vleermuizen toegankelijk via onder andere beschadigingen aan de buitenmuren van het kerkgebouw, een open dilatatievoeg tussen het kerkgebouw en de klokkentoren en spleten/kieren langs de dakafwerking en van het kerkgebouw en de aangelegen woningen.
Op grond van de kenmerken van deze interne ruimten (nauw/spleetvormig), in combinatie met de verdere bouwtechnische kenmerken van de bebouwing (grotendeels platte dakconstructie), en tevens het stedelijk karakter van de omgeving, biedt het onderzoeksgebied vooral potentie voor de Gewone dwergvleermuis en de Ruige
bestemmingsplan Rolduckerveld
53
dwergvleermuis. De ruimten in de spouwmuur en in de dakconstructie bieden een voldoende temperatuurbuffer om te kunnen fungeren als kraam- en winterverblijf. Daarnaast zijn deze ruimten geschikt als zomer- en paarverblijf. Daarnaast zijn deze ruimten geschikt als zomer- en paarverblijf. Vanwege de forse omvang en hoogte van het kerkgebouw en de klokkentoren kon ook de aanwezigheid van massa-winterverblijven van de Gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten. De opgaande vegetatie rond de kerk vertoont geen holten of scheuren die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten kan daarom worden uitgesloten. Gelet op de bovenstaande bevindingen kan op basis van de uitgevoerde inspectie niet worden uitgesloten dat het onderzoeksgebied een functie vervult voor vleermuizen. Aanvullend vleermuizenonderzoek voor deelgebied Noord is daarom noodzakelijk gebleken.
Deelgebied West I en Oost Door Bureau Verbeek is ook een aanvullend natuurwaardenonderzoek verricht voor de twee te slopen hoogbouwflats aan de Hertogenlaan (deelgebied West I), de te slopen hoogbouw in aan de Monseigneur Van Gilsstraat in deelgebied Oost en een aantal bij deze woongebouwen behorende garageboxen. De resultaten daarvan zijn beschreven in hoofdstuk 3 van het opgestelde activiteitenplan (d.d. 14 december 2020, nr NL-KE-806.002), waarover later meer. Gebleken is dat in alle drie de gebouwen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van de Gewone dwergvleermuis. In totaal betreft het 4 plekken voor telkens één individu. Ook zijn in de periode augustus/september rondom de betreffende flatgebouwen meerdere baltsplekken vastgesteld. Het betreft hier vliegende Gewone dwergvleermuizen die op verschillende plekken onder de bosschages baltsen. Deze plekken zijn dan ook niet gebonden aan de verschillende aangetroffen verblijfplaatsen. Op grond van het waarnemen van de dieren gedurende het hele vleermuisseizoen (vanaf de eerste ronde tot en met de laatste ronde) kan worden uitgegaan van een jaarrond gebruik van de flatgebouwen door de aanwezige dieren. Jagende dieren zijn vooral waargenomen ter plekke van het aanwezige volwassen groengebied en de waterhoudende elementen (geldt vooral voor de locatie aan de zuidoostkant Mgr. Van Gilsstraat).
Aan het begin van de avond komen vanuit meerdere richtingen foeragerende Gewone dwergvleermuizen aangevlogen. Andere soorten zijn overigens niet aangetroffen tijden de onderzoeksmomenten. Gelet op de situatie ter plekke is het verrassend dat andere soorten, zoals Laatvlieger, in het geheel niet zijn waargenomen. Het gebied maakt voor de aangetroffen Gewone dwergvleermuizen wel deel uit van het primair jachtgebied. Een zorgvuldige omgang met de bestaande groenstructuren is daarom gewenst. Tijdens het onderzoek zijn meerdere vliegroutes geconstateerd. Het betreft hier vliegroutes die verschillen qua richting, locatie en aantal vleermuizen dat er gebruik van maakt. Deze vliegroutes hebben geen primaire functie, omdat ze verspreid door het gebied liggen. Overigens zijn tijdens de onderzoeksrondes geen bijzonderheden waargenomen ten aanzien van andere soortgroepen.
Tussenconclusieonderzoeken Uit voorgaande onderzoeksresultaten blijkt dat dat in de Blijde Boodschapkerk en aangrenzende woningen (deelgebied Noord) kraam-, zomer-, paar- en (massa-)winterverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis (nog) niet kunnen worden uitgesloten. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig binnen de daarvoor aangewezen onderzoeksperiode(n). In de te slopen hoogbouw aan de Hertogenlaan (deelgebied West I) en Monseigneur van Gilsstraat (deelgebied Oost) is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfsplaatsen van de Gewone dwergvleermuis reeds bevestigd. Het slopen van voornoemde bebouwing in
54
bestemmingsplan Rolduckerveld
deelgebieden Noord, West I en Oost leidt daarom (mogelijk) tot strijdigheid met de verboden en/of zorgplicht in de Wet natuurbescherming. 4.7.3.4 Verdere uitwerking Bij de verdere uitwerking van de consequenties en maatregelen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de te slopen bebouwing in deelgebieden West I, Oost en Zuid van HEEMwonen en dat van de gemeente en overige partijen, in deelgebied Noord.
Deelgebieden West I en Oost: generieke ontheffing HEEMwonen heeft op 2 oktober 2020 van Gedeputeerde Staten van Limburg een zogenoemde generieke ontheffing voor 10 jaar verkregen van de verbodsbepalingen in artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming (zaaknummer 2020-100022) voor onderhoud, renovatie, sloop en nieuwbouw van haar hele woningbezit in de gemeente Kerkrade en Landgraaf. Deze ontheffing heeft onder meer betrekking op het verstoren van de Gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die soort. Uit de voorschriften die aan deze ontheffing zijn verbonden blijkt dat bij werkzaamheden het soortenmanagementplan (SMP) en de daarin beschreven maatregelen in acht moet worden genomen. Dit SMP maakt onderdeel uit van de ontheffing(saanvraag). In het SMP is uitgewerkt op welke wijze tijdelijke dan wel permanente mitigerende maatregelen worden getroffen. Concreet voor onderhavig plan is van belang dat 4 vaste rust- en verblijfplaatsen voor de Gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen. In het eerder genoemde activiteitenplan, dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is gevoegd, zijn de te nemen maatregelen beschreven.
Bij de bouw van nieuwe woningen wordt uitgegaan van natuurinclusief bouwen, wat concreet ten aanzien van vleermuizen inhoudt dat in de nieuwe bebouwing permanente voorzieningen worden opgenomen voor vleermuizen. Het SMP geldt daarvoor als basis, verdere uitwerking heeft plaatsgevonden in het activiteitenplan. Gezien de planning voor de herstructurering van het Rolduckerveld en het feit dat in deelgebieden West 1 en Oost geen nieuwbouw mogelijk is zonder eerst te slopen, is het noodzakelijk tijdelijke mitigerende maatregelen te treffen. Rekeninghoudend met de in het SMP benoemde aanvullende mitigatietaakstelling gaat het om mitigerende maatregelen in de vorm van in ieder geval 16 nieuwe potentiële verblijfplaatsen. Deze worden in de vorm van tijdelijke voorzieningen in de directe omgeving gerealiseerd, tegen de kopgevels van hoogbouw aan de Zonstraat of de maisonnettewoningen aan de Ailbertuslaan). Deze tijdelijke voorzieningen worden 3 maanden voorafgaande aan de sloop opgehangen (winterslaapperiode niet meegerekend). Ontmanteling van de huidige verblijfplaatsen geschiedt daarbij in de voor de Gewone dwergvleermuis minst gevoelige periode (15 april t/m 15 mei en 1 september t/m 15 oktober).
Gezien de onderzoeksresultaten, de verleende generieke ontheffing en de borging van de te treffen maatregelen in de combinatie van de verleende ontheffing, het bijbehorende soortenmanagementplan en de uitwerking voor onderhavig plangebied kan worden gesteld dat het bestemmingsplan ondanks de aangetoonde beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen in deelgebieden West I en Oost uitvoerbaar is en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Deelgebied Zuid Zoals reeds is aangegeven in paragraaf 4.7.3.3 is de op termijn te slopen bebouwing in deelgebied Zuid nog niet nader onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen of andere gebouwbewonende beschermende soorten, aangezien sloop pas is voorzien in de periode 2027-2028. De sloop van deze bebouwing valt ook binnen de door GS verstrekte generieke ontheffing. In het bijbehorende SMP wordt er van uitgegaan dat er - in potentie - in ieder gebouw een verblijfplaats is voor huismussen, zwaluwen en/of vleermuizen. Voordat sloop
bestemmingsplan Rolduckerveld
55
plaatsvindt, zal nader onderzoek plaatsvinden en zullen op basis daarvan conform de generieke ontheffing en het SMP de benodigde tijdelijke en permanente (mitigerende) maatregelen worden uitgevoerd, op basis van een op te stellen activiteitenplan, zoals hiervóór ook is beschreven voor deelgebieden West I en Oost. Daarmee is de uitvoerbaarheid ook voor dit deelgebied in voldoende mate onderzocht en geborgd.
Deelgebied Noord Voor deelgebied Noord gold ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan dat de te slopen Blijde Boodschapkerk en de aangrenzende gebouwen nog niet volledig waren onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen, maar dat er gezien de op dat moment beschikbare onderzoeksresultaten rekening moest worden gehouden met de potentiële aanwezigheid van kraam-, zomer-, paar- en (massa-)winterverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis. Op basis daarvan is vast een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Limburg. Ten behoeve van die aanvraag is een activiteitenplan opgesteld, waarin een ecologisch werkplan is opgenomen, met de compesnerende c.q. mitigerende maatregelen die tijdelijk dan wel permanent worden getroffen vanwege het verloren gaan van de vermoedelijk aanwezige verblijfplaats van vleermuizen (zie Bijlage 12). Ondertussen is in de relevante onderzoeksperiode ook het nader onderzoek uitgevoerd conform de daarvoor geldende protocollen. De resultaten daarvan zijn beschreven in een addendum op voornoemd activiteitenplan (Bijlage 13). Uit het aanvullend onderzoek volgt dat in de kerktoren een zomerverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis aanwezig is, voor minimaal 12 exemplaren, welke verblijfplaats als gevolg van het planvoornemen verloren gaat.
Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat als gevolg van het planvoornemen geen essentiële vliegverbindingen of foerageergebied verloren gaat. Daarmee is voldoende onderzocht en in beeld gebracht wat de gevolgen van het planvoornemen voor de aanwezigheid van beschermde soorten en hun verblijfplaatsen betekent. De benodigde ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming is inmiddels aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Limburg. Vooruitlopend op de uitvoering van het nader onderzoek - waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 13 en als beschreven in het activiteitenplan dat als Bijlage 12 bij deze toelichting, zijn al enkele maatregelen getroffen, namelijk het in mei-juni plaatsen van tijdelijke vleermuiskasten (3x formaat kraamkast en 3x formaat zomerverblijfplaats) tegen de zuidelijke blinde gevel van het appartementencomplex Deken Deutzlaan 2-32. In de definitieve (compenserende) maatregelen zal worden voorzien door in de twee appartementencomplexen tussen de Directeur van de Mühlen, Roderlandbaan, Directeur Geurtsstraat en Directeur Cortenstraat op de bovenste verdieping voorzieningen te treffen die als kraamverblijf voor de Gewone dwergvleermuis kunnen dienen. Zoals eerder vermeld is de benodigde ontheffing reeds aangevraagd. Het verkrijgen van die ontheffing niet noodzakelijk alvorens tot vaststelling van het bestemmingsplan over te kunnen gaan.
Op basis van de beschikbare rapportages en bij uitvoering van de genoemde maatregelen hoeft redelijkerwijs niet te worden getwijfeld aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Volledigheidshalve: valken en uilen Ondanks het feit dat tijdens eerdere onderzoeken geen indicaties heeft opgeleverd dat de kerktoren wordt gebruikt door uilen en/of valken, is dit op basis van signalen in die richting vanuit omwonenden, nogmaals onderzocht. Dit heeft geen indicaties opgeleverd dat de kerktoren wordt gebruikt door soorten als de Kerkuil, Torenvalk of Slechtvalk. Van beschermde vaste verblijfplaatsen is daarom niets gebleken. Mogelijk vindt dat wel incidenteel plaats, zoals ook tijdens een enkel bezoek overnachtende Gierzwaluwen zijn aangetroffen. Dit vorm echter geen belemmering voor het planvoornemen. Openbare ruimte Verder geldt dat bij eventuele toekomstige ingrepen in de openbare ruimte de zorgplichten en verboden in de
56
bestemmingsplan Rolduckerveld
Wet natuurbescherming in acht dienen te worden genomen. Dit is onder meer van belang bij het eventueel verwijderen van (onderdelen) van een groenstructuur. De inrichting van de openbare ruimte is nog onderwerp van studie en dat zal nog verder vorm krijgen. Mochten daar ingrepen in de openbare ruimte uit voortvloeien, dan dienen die werkzaamheden te worden getoetst en te voldoen aan de Wet natuurbescherming en dient zo nodig ontheffing te worden gevraagd bij Gedeputeerde Staten. Vooralsnog worden die ingrepen echter niet voorzien. 4.7.4 Conclusie Gezien het voorgaande is op basis van de uitgevoerde onderzoeken voldoende informatie beschikbaar om te stellen dat het bestemmingsplan ten aanzien van eventuele gevolgen voor beschermde soorten uitvoerbaar is.
4.8
Waterparagraaf
4.8.1 Watertoets Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen. 4.8.2 Beleid waterschap De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 80 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.
4.8.3 Huidige waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewateren of andere waterstaatswerken aanwezig die in het beheer zijn van het Waterschap Limburg. Ook is het plangebied niet gelegen in een beschermingszone, zoals bijvoorbeeld een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Wel liggen er binnen het plangebied (oostzijde) enkele waterpartijen / waterbuffers.
bestemmingsplan Rolduckerveld
57
Uitsnede kaart Legger Waterschap Limburg 4.8.4 Invloed van het planvoornemen Binnen het plangebied worden in totaal 367 woningen gerealiseerd. Voorheen waren hier (exclusief de bestaande en te behouden 79 woningen) 715 woningen aanwezig. Er wordt een sociaal veilige, duurzame, hoogwaardige en groene inrichting van de openbare ruimte nagestreefd. Daarbij hoort het minimaliseren van de hoeveelheid verharding, zodat voldoende ruimte wordt gecreëerd voor voornoemde infiltratie van hemelwater, maar ook het voorkomen van hittestress. Deze aspecten c.q. maatregelen zijn in de gebiedsvisie (zie paragraaf 2.2) ook benoemd als basisambitie. Een plusambitie die mogelijk nog wordt onderzocht is het toepassen van groene gevels en daken. Concreet ten aanzien van de omgang met water geldt dat hemelwater afkomstig van de daken van de nieuw te realiseren woningen en andere binnen het plangebied aan te leggen verhardingen binnen het gebied worden vastgehouden, gebufferd, geïnfiltreerd en (indien noodzakelijk) vertraagd worden afgevoerd. De groene scheggen binnen het gebied bieden voldoende ruimte voor de aanleg van wadi's. worden in de omliggende groenvoorzieningen geïnfiltreerd. Die voorzieningen worden gedimensioneerd volgens de richtlijnen van het waterschap: 80 millimeter per twee uur, waarbij de voorziening binnen 24 uur weer geheel beschikbaar dient te zijn.
Binnen het plangebied is ruim voldoende oppervlakte aan openbaar gebied c.q. openbaar groen aanwezig om voorzieningen te realiseren die voorzien aan deze dimensies. De uitvoering van deze voorzieningen is in het bestemmingsplan geborgd door middel van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting (zie artikel 11.2) 4.8.5 Wateradvies Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Daarop heeft het waterschap laten weten dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen en daarmee akkoord is.
58
bestemmingsplan Rolduckerveld
4.9
Verkeer
4.9.1 Inleiding In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook te worden bezien wat de gevolgen van het planvoornemen zijn voor de verkeersafwikkeling en de parkeerdruk in het gebied. 4.9.2 Parkeren In paragraaf 2.6 van deze toelichting is al kort ingegaan op het aspect parkeren. Het parkeren voor de woningen vindt plaats in de openbare ruimte, in principe zo dicht mogelijk bij de woningen. Daarin wordt voorzien door het aanleggen van parkeerkoffers nabij de appartementencomplexen en op diverse plaatsen in de vorm van haaks parkeren of langsparkeren. Uitgaande van de huidige beleidsregels (Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan, deel I: Beleidskader, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2018) geldt voor de grondgebonden woningen als uitgangspunt een norm van 1,7 parkeerplaatsen per huurwoning (huurhuis, sociaal huur), 2,0 parkeerplaatsen per koopwoning (koop, tussen/hoek) en voor de appartementen geldt als uitgangspunt een norm van 1,5 parkeerplaatsen per woning (huur, etage (middel/goedkoop). De aanleg van de parkeerplaatsen binnen het plangebied is geborgd in de planregels. Door middel van een (dynamische) verwijzing naar de parkeernormen als opgenomen in de gemeentelijke beleidsregels voor parkeren, worden deze beleidsregels onderdeel van het toetsingskader voor de aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen.
Bij het aanvragen van de betreffende omgevingsvergunning zal dan moeten worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Bij de verdere uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte zal conform het het GVVP worden voorzien in het vereiste aantal parkeerplaatsen. Bij de appartementengebouwen zijn daar al concreet locaties voor aangewezen (aanduiding parkeerterrein op de verbeelding), voor het overige wordt voorzien in de benodigde parkeerruimte door langsparkeren of haaksparkeren langs de wegen binnen het plangebied. De parkeervoorzieningen zijn toegestaan binnen de bestemming Verkeer, maar ook binnen de bestemming Groen, direct grenzend aan de bestemming Verkeer. Daarmee zijn er ook voldoende planologische mogelijkheden om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Verdere uitwerking vindt plaats in het inrichtingsplan voor de openbare ruimte. 4.9.3 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de woningen is bepaald op basis van de landelijke kengetallen van het CROW, als opgenomen in de uitgave Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Noordelijk deel
Uit voorgaande berekening volgt dat de nieuwe invulling van het noordelijk deel van de planontwikkeling resulteert in een verkeersgeneratie van minimaal 346 tot maximaal 421 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Rekening houdend met een omrekenfactor van 1,11 voor het bepalen van het maatgevend
bestemmingsplan Rolduckerveld
59
werkdagetmaal gaat het om circa 385 tot 467 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Het noordelijk deel van de ontwikkeling Rolduckerveld wordt ontsloten via de Directeur Cortenstraat richting Directeur van der Mühlenlaan (en Deken Deutzlaan). Op deze straten neemt de intensiteit toe met maximaal 467 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Uit het Verkeersmodel Parkstad Limburg 2030 blijkt dat op de Deken Deutzlaan in 2030 een intensiteit van circa 230 motorvoertuigen per etmaal rijden. Met de extra verkeerbelasting als gevolg van de ontwikkeling van Rolduckerveld bedraagt de intensiteit hier maximaal circa 700 motorvoertuigen. Een erftoegangsweg 30 km/u kan een etmaalintensiteit tot circa 4.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken, dus als de ontwikkeling van het noordelijk deel van Rolduckerveld resulteert hier in een acceptabele verkeersbelasting. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat hierbij nog geen rekening gehouden met het feit dat binnen dit deel van het plangebied de kerk en een aantal woningen worden gesloopt en dat er in het verleden al een fors aantal woningen zijn gesloopt die (in het verleden) ook het nodige verkeer hebben gegenereerd.
Zuidelijk deel
Het zuidelijk deel genereert gezien voorgaande resultaten minimaal 1000 tot 1217 verkeersbewegingen per weekdagetmaal en circa 1110 tot 1350 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Dit zuidelijk deel van de ontwikkeling Rolduckerveld wordt ontsloten via de Hertogenlaan en Monseigneur van Gilsstraat (erftoegangswegen 30 km/u) richting Ailbertuslaan (gebiedsontsluitingsweg 50 km/u). Op deze straten neemt de intensiteit toe met maximaal 1.350 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. In de toekomst zal de verkeersgeneratie van het zuidelijk deel zich verdelen over de Hertogenlaan en Monseigneur van Gilsstraat, waarbij de verwachting is dat het merendeel van de verkeersgeneratie gebruik zal maken van de Hertogenlaan. In een absoluut worst case scenario zal al het verkeer van en naar het zuidelijk deel van Rolduckerveld gebruik maken van de Hertogenlaan of Monseigneur van Gilsstraat. Uit het Verkeersmodel Parkstad Limburg 2030 blijkt dat op de Monseigneur van Gilsstraat circa 930 motorvoertuigen per etmaal rijden. In een worst case scenario neemt de verkeersintensiteit hier toe tot maximaal 2.280 motorvoertuigen per werkdagetmaal. Een erftoegangsweg 30 km/u kan een etmaalintensiteit tot circa 4.000 motorvoertuigen per etmaal verwerken, dus ook hier resulteert de ontwikkeling van Rolduckerveld niet in een onacceptabele verkeersbelasting.
Ook hierbij dient te worden opgemerkt dat deze worst case benadering uitgaat van een toevoeging van de te realiseren woningen op het bestaande aanbod, terwijl er uiteraard (gefaseerd) ook de nodige woningen worden gesloopt en het aantal woningen binnen het plangebied per saldo juist afneemt. Het totaal aantal toe te voegen woningen in dit deel bedraagt 271 woningen, terwijl er in totaal 452 woningen zijn c.q. worden gesloopt.
60
bestemmingsplan Rolduckerveld
4.10
M.e.r.-(beoordelings)plicht?
4.10.1 Wettelijk kader Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst C en is het bestemmingsplan voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-plicht. Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst B en is het bestemmingsplan voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De toetsing in het kader van de vormvrije - m.e.r. beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG - richtlijn milieueffectbeoordeling.
Deze omstandigheden betreffen: kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieen; plaats van het project: 1. bestaand grondgebruik; 2. relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3. het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; kenmerken van het potentiele effect: o bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); 1. grensoverschrijdend karakter van het effect; 2. waarschijnlijkheid van het effect; 3. duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. 4.10.2 Toetsing Gezien de aard van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt (woningbouw) en de activiteiten die worden genoemd in de C-lijst in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is geen sprake van een merplicht.
Wel is in de D-lijst de volgende categorie (D11.2) opgenomen:
bestemmingsplan Rolduckerveld
61
In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r., aangezien het bestemmingsplan ruimte biedt voor het realiseren van ruim 379 nieuwe woningen, met dien verstande dat binnen het plangebied nog 455 wonignen worden gesloopt. Hoewel de drempelwaarden als genoemd in kolom 2 niet worden overschreden, wordt het bestemmingsplan wel genoemd in kolom 4, waardoor een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Aangezien in dit geval de gemeente Kerkrade zelf (mede) initiatiefnemer is tot het opstellen van dit bestemmingsplan, is er geen aanmeldnotitie van een initiatiefnemer beschikbaar als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dient in dit geval op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer ambtshalve te besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Burgemeester en wethouders hebben op basis van de daarvoor opgestelde notitie, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 9 maart 2021 besloten geen milieu-effectrapport op te (laten) stellen.
4.11
Archeologische waarden
4.11.1 Wettelijk kader Op 16 januari 1992 is te Valletta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed tot stand gekomen (Verdrag van Malta). Op nationaal niveau is dit verdrag vervolgens vertaald, met name door de Monumentenwet 1988 te herzien. De wijzigingswet die daarin heeft voorzien, de zogenaamde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), is op 1 september 2007 in werking getreden. De Wamz is gestoeld op dezelfde uitgangspunten als het Verdrag van Malta (primair een behoud van archeologische resten in de bodem (in situ), vroegtijdig rekening houden met het aspect archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en het principe de 'verstoorder betaalt'). Als gevolg van de herziene Monumentenwet 1988 hebben gemeenten een kerntaak bij de uitvoering van de archeologische monumentenzorg. Archeologie is een verplicht onderdeel geworden van ieder bestemmingsplan. Hiermee is archeologie voortaan een onlosmakelijk onderdeel van het ruimtelijk beleid. Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie.
4.11.2 Archeologische verwachtings- en beleidskaart Voor de regio Parkstad Limburg is een archeologische verwachtingskaart opgesteld, welke door de raad van de gemeente Kerkrade is vastgesteld op 26 juni 2013.
62
bestemmingsplan Rolduckerveld
Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidskaart
Uit de archeologische verwachtingskaart blijkt dat het overgrote deel van het plangebied behoort tot waardecategorie 4: gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen met een minimale oppervlakte van 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van 40 cm. Tevens blijkt uit de kaart dat sommige delen van het plangebied onder waardecategorie 5 (gebieden met een lage verwachtingswaarde), waardecategorie 3 (overige monumenten en gebieden met een hoge verwachtingswaarde) en waardecategorie 2 (monumenten: terreinen van zeer hoge waarde) vallen. Gezien de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de als gevolg van de benodigde sloop- en bouwwerkzaamheden te verstoren oppervlakte dieper dan 40 cm beneden maaiveld, is nader onderzoek naar archeologische waarden noodzakelijk. 4.11.2.1 Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Door Geonius is binnen het plangebied een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (d.d. 2 april 2020, rapportnr AA200003.R01.v0.1), dat als Bijlage 14 bij deze toelichting is gevoegd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een oud Maasterras, het Terras van Simpelveld II, dat is ontstaan in het Tiglien (ca.2,4 - 1,8 miljoen jaar geleden). In de bodem heeft zich waarschijnlijk een radebrikgrond ontwikkeld in siltige leem.
Ter hoogte van het droogdal in het oosten ligt mogelijk een dun colluviumpakket. Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) is zichtbaar dat het terrein relatief vlak is. In het oosten is de bodem op kleine schaal afgegraven. Voor zover bekend is het plangebied in ieder geval vanaf 1778 in gebruik geweest als bouwland. De woonwijk Rolduckerveld is in de jaren ’60 van de vorige eeuw gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is de bodem geëgaliseerd, waardoor de bodem sterk kan zijn verstoord. Een deel van de bebouwing is reeds gesloopt. Binnen de grenzen van het plangebied zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. In de directe omgeving zijn twee (mogelijke) Romeinse villa’s bekend, waarvan één grenst aan het oosten van het plangebied. Ten zuidoosten ligt de oude Abdij van Rolduc, waarvan de oudste fase dateert uit de 12e eeuw. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied volgens Geonius een lage archeologische verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum, een lage tot middelhoge op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum, Bronstijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een hoge voor vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Vervolgens is een verkennend booronderzoek uitgevoerd door 91 boringen te plaatsen. Zeventien boringen konden vanwege een harde puinlaag niet tot in de natuurlijke bodem worden uitgevoerd.
In vijftien boringen is onder een verstoorde laag een inspoelingslaag waargenomen, een Bt-horizont die geleidelijk overgaat naar
bestemmingsplan Rolduckerveld
63
een BC-horizont en C-horizont. De Bt-horizont bestaat uit oranjebruin, zwak zandige leem en bevat roest. De BC-horizont bestaat uit leem en is bruin van kleur, de C-horizont is geelbruin en bestaat eveneens uit zwak zandig leem. In enkele gevallen is de C-horizont matig zandig. Vanwege de grote ingrepen die in het verleden hebben plaatsgevonden is de bodemopbouw echter op veel locaties verstoord. De Bt- alsmede de BC-horizont is in het noorden en oosten van het plangebied in meerdere boringen niet waargenomen. Gezien de grootschalige bodemverstorende activiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden kan de archeologische verwachting op het voorkomen van waarden uit de IJzertijd, Romeinse tijd worden bijgesteld naar middelhoog. De verwachting voor de overige perioden blijft gehandhaafd. Geonius raadt archeologisch vervolgonderzoek aan op de locaties waar een Bt-horizont is vastgesteld in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). 4.11.2.2 Selectiebesluit 8 juni 2020 Gezien de resultaten van het in de vorige paragraaf beschreven bureauonderzoek en verkennend booronderzoek heeft de gemeente Kerkrade een zogenoemd selectiebesluit, op basis waarvan het plangebied is vrijgegeven, met uitzondering van die delen van het plangebied waar een Bt-horizont is aangetoond.
Dit onderscheid is verbeeld in navolgend kaartje, dat ook is opgenomen in het selectiebesluit van 8 juni 2020, dat als Bijlage 15 bij deze toelichting is gevoegd.
4.11.2.3 Proefsleuvenonderzoek Gezien de resultaten van het verkennend onderzoek en het selectiebesluit van 8 juni 2020 is voor die delen van het plangebied waarvoor nader onderzoek noodzakelijk is gebleken, een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd door Econsultancy (d.d. 4 januari 2021, nr 13388.001), dat als Bijlage 16 is opgenomen bij deze toelichting. Dit odnerzoek is uitgevoerd op basis van een vooraf opgesteld en door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
64
bestemmingsplan Rolduckerveld
Het onderzoeksgebied is beperkt tot het noordelijk deel van het plangebied. De reden daarvoor is dat het zuidelijk deel van het nog te onderzoeken gebied nog grotendeel is bebouwd met woningen, die conform planning pas in 2027-2028 worden gesloopt. Hier is het uitvoeren van een onderzoek door middel van proefsleuven in dit stadium daarom niet mogelijk c.q. niet wenselijk gezien de ingrijpende gevolgen daarvan. Ook voor het zuidelijk deel zal dus nog onderzoek moeten worden verricht. Uitvoering daarvan is in het bestemmingsplan verzekerd door het hier handhaven van een archeologische dubbelbestemming. Zo is geborgd dat dat onderzoek alsnog wordt verricht wanneer men voornemen is bodemingrepen uit te voeren in deze gebieden ten behoeve van bijvoorbeeld slopen of bouwen. Het noordelijk deel is dus wel reeds onderzocht. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is in hoofdlijnen een bodemopbouw waargenomen van een bouwvoor, op deels geroerde, (sub)recent opgebrachte leemlagen, op colluvium. In het colluvium was van boven naar onderen een Bw-horizont (zwak ontwikkelde klei-inspoelingshorizont), deels op een BC-horizont, op een C-horizont zichtbaar. In de proefsleuven zijn geen (behoudenswaardige) archeologische resten aangetroffen. Wel zijn (sub)recente verstoringen waargenomen, bestaande uit uitbraaksporen en leidingsleuven.
Deze verstoringen kunnen in verband gebracht worden met de woningen en het schoolgebouw, die tussen 1965 en 1980 zijn gebouwd ter plekke van het onderzoeksgebied en vervolgens rond 2010 zijn afgebroken. Gezien deze resultaten adviseert Econsultancy het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. 4.11.2.4 Selectiebesluit 20 januari 2021 Op 20 januari 2021 heeft de gemeente Kerkrade dit selectieadvies overgenomen in een tweede selectiebesluit voor dit plangebied. Met dat selectiebesluit is het noordelijk deel van het plangebied zoals blauw omlijnd in navolgende afbeelding vrijgegeven, voor zover dat nog niet het geval was op basis van het selectiebesluit van 8 juni 2020.
bestemmingsplan Rolduckerveld
65
4.11.2.5 Conclusie Gezien het voorgaande is het plangebied door middel van een tweetal selectiebesluiten grotendeels vrijgegeven. Voor die locaties waarvoor nader onderzoek is geadviseerd en die niet zijn meegenomen in het proefsleuvenonderzoek is de archeologische dubbelbestemming als ook opgenomen in het bestemmingsplan Kerkrade Oost III gehandhaafd. Gezien het voorgaande betreft de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
66
bestemmingsplan Rolduckerveld
4.12
Cultuurhistorie
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg zijn ten aanzien van de historische geografie de cultuurhistorische elementen en het cultuurlandschap weergegeven. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar sprake is van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen Rijksen/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook worden er geen historische patronen of elementen verstoord door het planvoornemen. Met het planvoornemen komen derhalve geen cultuurhistorische waarden in het gedrang. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
bestemmingsplan Rolduckerveld
67
68
bestemmingsplan Rolduckerveld
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
5.2
Planonderdelen
Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.
5.3
Inhoud algemeen
Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.
5.4
Regels
De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. 2. 3. 4.
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels;
bestemmingsplan Rolduckerveld
69
5. 6. 7. 8.
Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.
Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschre-ven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.
5.5
Artikelsgewijze toelichting
Hierna volgt per bestemming een beschrijving van de opgenomen regels: 5.5.1 Groen
Bestemmingen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen in de vorm van parken, plantsoenen, houtopstanden, groenstroken met eventueel water- of vijverpartijen. Daarnaast zijn onder meer ecologische en/of educatieve voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen, afvoeren en/of zuiveren van hemelwater toegestaan. Voor parkeervoorzieningen geldt dat deze zijn toegestaan direct grenzend aan de bestemming Verkeer (langsparkeren of haaks parkeren) of geclusterd in zogenoemde parkeerkoffers op specifiek aangeduide locaties, met name in de directe omgeving van de te realiseren gestapelde woningen. Ten aanzien van gebouwen geldt dat deze alleen zijn toegestaan ten behoeve van openbaar nut. De omvang daarvan is met een maximum bouwhoogte van 3 meter en een maximum oppervlakte 25 m2 beperkt. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een gedifferentieerde regeling opgenomen voor wat betreft de toelaatbare bouwhoogte. Daarbij is ook ruimte geboden voor eventueel te treffen maatregelen voor vleermuizen of andere faunasoorten. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of bouwhoogte.
Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen (bestaande uit maximaal 2 rijstroken), voeten fietspaden, verblijfsdoeleinden, parkeer- en stallingsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen,
70
bestemmingsplan Rolduckerveld
afvoeren en/of zuiveren van hemelwater. Ten aanzien van gebouwen geldt dat deze alleen zijn toegestaan ten behoeve van openbaar nut. De omvang daarvan is met een maximum bouwhoogte van 3 meter en een maximum oppervlakte 25 m2 beperkt. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een gedifferentieerde regeling opgenomen voor wat betreft de toelaatbare bouwhoogte. Daarbij is ook ruimte geboden voor eventueel te treffen maatregelen voor vleermuizen of andere faunasoorten. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of bouwhoogte
Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals onder andere tuinen, erven, terreinen en verhardingen ten behoeve van (perceels)ontsluiting en parkeervoorzieningen. Voor het bouwen van woningen geldt dat woningen uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van het op de verbeelding aangeduide bouwvlak, waarbij de voorgevel dient te zijn georiënteerd richting openbaar toegankelijk gebied. Het maximum aantal bouwlagen waarin mag worden gebouwd bedraagt 2, tenzij een ander aantal is aangegeven op de verbeelding. Ten aanzien van bijgebouwen geldt dat deze mogen worden opgericht, vrijstaand van, dan wel aangebouwd aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat de bijgebouwen op minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn dienen te worden gebouwd, de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen. Het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen mag niet meer dan 70 m2 per bouwperceel bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer dan 50% mag bedragen.
Voor bouwwerken ten dienste van het openbaar nut geldt dat de bouwhoogte en oppervlakte maximaal 3 meter, respectievelijk 25 m2 mag bedragen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en voor verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met uitzondering van antennes en vlaggenmasten en terreinafscheidingen. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van de voorgevel, maatvoering, diepte, een groter bijgebouw, bouwwerken ten dienste van openbaar nut en terreinafscheidingen. Daarnaast kan middels een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken van de gebruiksregels ten aanzien ambachtelijke c.q. consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten en bed- and breakfastvoorziening. Woningsplitsing, kamerbewoning en woningomzetting is expliciet aangemerkt als strijdig gebruik. 5.5.2 Dubbelbestemmingen Leiding - Gas De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming, aanleg, instandhouding en onderhoud van de hogedruk aardgastransportleiding. Op deze gronden mag niet worden gebouwd.
Middels een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van voornoemd bouwverbod om toch bebouwing toe te staan ingevolge de ter plaatse geldende enkelbestemming, indien door de bouw en situering van de betreffende
bestemmingsplan Rolduckerveld
71
bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de betreffende leiding.
Waarde - Archeologie 2, 3 en 4 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om voorwaarden aan omgevingsvergunningen te verbinden en een onderzoeksrapportage te verlangen. Om verstoring door andere werken- of werkzaamheden te voorkomen is een vergunningstelsel opgenomen voor werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden. Daarbij gelden de volgende ondergrenzen:
Bestemming
Ondergrens oppervlakte ingreep
Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4
> 100 m2 > 250 m2 > 2.500 m2
Ondergrens ingreep > 40 cm > 40 cm > 40 cm
verstoringsdiepte
De ondergrenzen ten aanzien van de oppervlakte en de verstoringsdiepte van de ingreep gelden cumulatief. Dat houdt in dat slechts beperkingen gelden indien beide ondergrenzen worden overschreden. Indien slechts één van beide ondergrenzen wordt overschreden gelden geen beperkingen.
72
bestemmingsplan Rolduckerveld
Hoofdstuk 6 6.1
Haalbaarheid
Economische haalbaarheid
6.1.1 Kostenverhaal en grondexploitatie Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan (in dit geval een bestemmingsplan) of besluit waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro. Op 10 oktober 2019 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen Provincie Limburg, Parkstad Limburg, gemeente Kerkrade, Heemwonen en Wonen Zuid, waarin ieders verantwoordelijkheden zijn vastgelegd. Voor zover relevant voor dit plangebied is daarbij van belang dat de gemeente Kerkrade verantwoordelijk is voor de herinrichting van de openbare ruimte (wegen, groen en voorzieningen) en dat HEEMwonen en Wonen Zuid zorgen voor de beoogde transformatie van de woningvoorraad binnen het gebied. Wonen Zuid zorgt daarbij voor de herontwikkeling van deelgebied Noord, HEEMwonen is verantwoordelijk voor de herontwikkeling van de deelgebieden Oost, Noordoost, Zuid en West I. Voor de herontwikkeling van het Rolduckerveld is een grondexploitatie opgesteld.
De gemeenteraad heeft daarmee ingestemd bij besluit van 27 november 2019. Daarmee is de gemeentelijke inleg in de herontwikkeling binnen dit plangebied - en daarmee de financiële uitvoerbaarheid voor dat deel - verzekerd. Veder is van belang dat de gemeenteraad kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente Kerkrade en (mede)initiatiefnemers Wonen Zuid en HEEMwonen hebben een anterieure overeenkomst getekend, waarmee ook het verhaal van de kosten voor dat deel (anderszins) is verzekerd. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar.
6.2
De maatschappelijke haalbaarheid
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 367 woningen. Hiermee wordt binnen het plangebied zowel kwantitatief als kwalitatief goed voorzien in de huidige woningbehoefte. Het plan wordt gerealiseerd in een gebied met overwegend een woonfunctie en uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat het plan ter plaatse goed inpasbaar is. Het bestemmingsplan is conform de gebruikelijke procedure als ontwerp gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kon een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen. Daarvan is ook gebruik gemaakt door omwonenden van het noordelijk deel van het plangebied. Als gevolg daarvan zijn omwonenden uitgenodigd om bezwaren en wensen ten aanzien van het plan toe te lichten en is in een aantal ronden gezocht naar een verdere optimalisatie van het plan, waarmee deels tegemoet is gekomen aan de wensen van omwonenden, zonder afbreuk te doen aan de uitgangspunten die vooraf zijn geformuleerd om tot een goed plan te komen. Een uitgebreid verslag van dit proces en de resultaten daarvan is opgenomen in de Nota van Zienswijzen die als bijlage bij het raadsbesluit is opgenomen.
Los van de formele procedure worden als onderdeel van de beoogde herstructurering inloopbijeenkomsten en informatiemarkten georganiseerd voor bewoners en omwonenden en wordt bewonersparticipatie toegepast door inwoners en andere stakeholders te betrekken in de verdere detaillering van de plannen. Verder wordt een integrale aanpak voorgestaan door de ruimtelijke aspecten van de herontwikkeling te combineren met de uitvoering van het Sociaal Programma Rolduckerveld, om te komen tot een sociaaleconomische structuurversterking.
bestemmingsplan Rolduckerveld
73
74
bestemmingsplan Rolduckerveld
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
De te volgen procedure
Een bestemmingsplan doorloopt in beginsel de volgende procedure: a. Voorbereiding: Vooroverleg met instanties Watertoets b. Ontwerp: 1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan) c. Vaststelling: Vaststelling door de Raad 2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan) Mogelijkheid reactieve aanwijzing d. Beroep: Beroep bij Raad van State (Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan
7.2
Het vooroverleg met instanties
Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is aangeboden aan de betrokken instanties, in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening. Naar aanleiding daarvan hebben de provincie Limburg het Waterschap Limburg laten weten te kunnen instemmen met het plan de wijze waarop daarin wordt omgegaan met respectievelijk de relevante provinciale belangen en de relevante waterbelangen en -aspecten.
7.3
Ontwerp-bestemmingsplan
Een ontwerp van dit bestemmingsplan heeft met ingang van 18 maart 2021 gedurende 6 weken ter inzage te legen. Van deze terinzagelegging is op woensdag 17 maart 2021 kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad (2021/76764) en de Staatscourant (2021/13005). Gedurende die periode zijn aanvankelijk twee zienswijzen ingediend, maar daarvan is er één weer ingetrokken. De resterende zienswijze is samengevat en van commentaar voorzien in een Nota van Zienswijzen die als bijlage bij het raadsbesluit is opgenomen. In die nota zijn ook enkele ambtshalve aanpassingen beschreven.
bestemmingsplan Rolduckerveld
75