CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bestemmingsplan Toelichting Dr Pool

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit bestemmingsplan d'r Pool23.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Op 19 mei 2022 heeft de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van Parkstad Limburg besloten om in te stemmen met de toevoeging van de met dit bestemmingsplan beoogde maximaal 50 woningen. Daarmee is het plan toegevoegd aan en voldoet het daarmee ook aan de Regionale Woningmarktprogrammering. Naderhand is het aantal woningen opgehoogd naar maximaal 61 woningen, gelet op de grote vraag.

28

bestemmingsplan D'r Pool

3.4.4 Regionale klimaatadaptatiestrategie Parkstad Limburg Het klimaat verandert en dat is ook merkbaar in Kerkrade. Zo leidt klimaatverandering leidt tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag en drogere zomers. Dat heeft gevolgen voor onder andere onze gezondheid en onze leefomgeving. Daarom is het zaak ook bij ruimtelijke plannen klimaatadaptief bouwen c.q. ontwikkelen als ontwerpprincipe mee te nemen en maatregelen waar nodig dan wel mogelijk te borgen. Dit komt terug in de NOVI en in de provinciale Omgevingsvisie Limburg. Door het Rijk is de opgave om Nederland vóór 2050 klimaatproof te maken vastgelegd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Door de parkstadgemeenten is samen met het Waterschap Limburg, het Waterschapsbedrijf Limburg en de WaterleidingsMaatschappij Limburg een Regionale Klimaatadaptatiestrategie met uitvoeringsprogramma opgesteld, die is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade op 12 april 2022. Aan de doelstelling om te komen tot een klimaatbestendig Parkstad vraagt om de inzet van fysieke maatregelen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, zoals de herinrichting van het stedelijk (water)systeem en daarbij water en groen zo goed mogelijk te benutten om wateroverlast, verdroging en hittestress te voorkomen en de leefbaarheid en biodiversiteit te vergroten. De opgave staat niet op zichzelf.

Met voornoemde invulling wordt ook een bijdrage geleverd aan bredere duurzaamheidsdoelstellingen en er zijn belangrijke verbindingen met andere belangrijke sociaal-maatschappelijke en economische vraagstukken. Zo hebben 'groene en blauwe ontwikkelingen' een positieve invloed op de leefbaarheid, maar ook de waarde van vastgoed in kwetsbare wijken. Om aan het voorgaande invulling te kunnen geven is samenwerking en het creëren van bewustwording nodig. Daarbij geven we als gemeente het goede voorbeeld. We benutten daarbij zelf meekoppelkansen en stimuleren anderen dergelijke kansen ook te benutten. De aanpak is ook gebiedsgericht, waarbij per gebied naar functies en kwetsbaarheden wordt gekeken. Onderhavig plangebied is hooggelegen op het plateau en met de hoofdfunctie wonen, bestaat de strategie uit het vasthouden van hemelwater en het beperken van hittestress. De omgang met water zal hierna nog nader worden uitgewerkt in de waterparagraaf (zie paragraaf 4.9). Voor wat betreft het voorkomen c.q. beperken van hittestress zal bij de verdere uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte en het ontwerp van de woningen worden onderzocht op welke wijze daarop invulling kan worden gegeven.

Aandachtspunten daarbij zijn het verkennen van de mogelijkheden om: te voorzien in vegetatiedaken of gevelbeplanting (al dan niet in combinatie met zonnepanelen); naast het behoud van de bestaande bomen waar mogelijk te voorzien in nieuwe bomen; door extra isolatie aan te brengen, een goede kleur- en materiaalkeuze (met name voor gevels van de nieuwbouw op het zuid(oosten) opwarming zoveel mogelijk te voorkomen; op andere manieren schaduw(plekken) te creëren. De concrete invulling zal dus nog worden onderzocht bij de verdere uitwerking van de bouwplannen en de inrichting van de openbare ruimte. Gelet op het stedenbouwkundig ontwerp en het voor dit plan opgestelde beeldkwaliteitkader wordt daar waar mogelijk al op voorgesorteerd en zal in ieder geval per saldo worden voorzien in een verbetering ten opzichte van de huidige situatie waarin het plangebied nagenoeg geheel is bebouwd en verhard.

Conclusie Gelet op het voorgaande is en wordt klimaatadaptatie als ontwerpprincipe meegenomen in de planontwikkeling.

bestemmingsplan D'r Pool

29

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Kerkrade 2010 - 2020 en Stadsdeelvisie Oost I Op 30 maart 2011 is de structuurvisie 'Kerkrade 2010 - 2020' vastgesteld door de gemeenteraad en dit betreft een gemeentelijk strategisch beleidsdocument, waarin op hoofdlijnen de afwegingen en keuzes voor de periode 2010 - 2020 zijn beschreven voor de thema's: landschap en groen, toerisme, recreatie en cultuur, verkeer, voorzieningen, werken en wonen. Het is een richtinggevend document waarin duidelijk wordt welk sociaal, economisch en ruimtelijk beleid de gemeente nastreeft. De visie schetst een beeld van Kerkrade, van haar ontstaan en van de wijze waarop de gemeente samen met inwoners en andere partijen de komende jaren aan de slag wil gaan. De ambitie van Kerkrade is om een Europese en gastvrije stad te zijn die weliswaar kleiner is 'gegroeid' voor wat betreft het aantal inwoners, maar waarbij dat niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van leven, wonen en werken. Ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder een transformatieopgave zoals dit planvoornemen, zijn uitgewerkt in stadsdeelvisies voor de wijken West, Oost (I en II) en Noord, die daarna juridisch worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stadsdeelvisie Kerkrade Oost I. Voor onderhavig plangebied is geen bijzondere planontwikkeling voorzien.

Ten tijde van de het vaststellen van de stadsdeelvisie in 2012 was het recreatiecentrum nog volop in bedrijf en was er nog geen aanleiding om in te zetten op transformatie. Als gevolg van de ontwikkeling 'Vie' op het voormalig Atrium-terrein is die situatie veranderd en is een transformatie wenselijk, mede gelet op de specifieke aard van een zwembad, wat het vinden van een alternatieve invulling van het gebouw niet goed mogelijk maakt. Ten aanzien van het thema ´Wonen´ in stadsdeel Oost I is het uitgangspunt dat er een ruim aanbod aan betaalbare koop- en huurwoningen voor diverse doelgroepen moet blijven. Op dat punt is van belang dat het aspect wonen en dan met name de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten sinds de vaststelling van de structuurvisie en stadsdeelvisie beleidsmatig aan herijking zijn onderworpen, in onder meer de regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (zie paragraaf 3.4.2) en de hierna beschreven Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021, die tevens de gemeentelijke woonvisie omvat. Uit die paragrafen en de daaraan verbonden onderbouwing aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat het plan zowel kwalitatief als kwantitatief voorziet in de actuele behoefte.

Daarbij is relevant dat wordt voorzien in een transformatie van een bestaande bebouwde locatie in stedelijk gebied waar ruimte is voor verdichting en waarmee ook wordt voorzien in een versterking van het centrum door de levendigheid te verhogen (ook buiten de openingstijden van de winkels) en door verloedering van het huidige complex te voorkomen.

30

bestemmingsplan D'r Pool

Conclusie Het planvoornemen sluit aan bij de uitgangspunten voor woningbouwontwikkelingen binnen dit stadsdeel (Oost I). 3.5.2 Regionale en lokale Woonvisie 2023 - 2028, gemeente Kerkrade Op 31 mei 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie vastgesteld. Net als de vorige woonvisie betreft het een visie die een regionaal deel bevat (niveau Parkstad Limburg), maar ook voorziet in een lokale invulling op gemeentelijk niveau. De Woonvisie heeft als oogmerk (motto): “Kansrijk wonen voor iedereen, nu en in de toekomst”. Dit is verwerkt in 3 strategieën, die ieder zijn uitgewerkt op regionaal en lokaal niveau. Kwaliteit en vernieuwing staan daarbij centraal en er is - meer dan voorheen - de samenhang met andere beleidsvelden zoals leefbaarheid, zorg en duurzaamheid belicht. De Woonvisie gaat uit van 3 strategieën, die zijn uitgewerkt in een regionale visie en de lokale uitwerking: 1. 2. 3.

Kansrijk wonen Kansrijke woonomgeving Nu en in de toekomst

Anders dan voorheen gaat de behoefte aan herstructurering niet meer uit van een de krimpgedachte, maar van de behoefte aan vernieuwing en kwaliteit. Daarmee is echter niet gezegd dat de (onbenutte) plancapaciteit onbeperkt kan toenemen. Regie over de plancapaciteit aan nieuwbouw van woningen blijft van groot belang om zowel kwantitatief en kwalitatief sturing te kunnen (blijven) geven aan de woningmarkt. Zoals volgt uit deze toelichting en dan met name paragrafen 3.2.3 en 3.4.2, voorziet dit plan zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht in de behoefte, rekeninghoudend met de prognoses voor de toekomst en de huidige (plan)voorraad.

bestemmingsplan D'r Pool

31

Conclusie Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten uit de Regionale en lokale woonvisie. 3.5.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (2018) Als vigerend lokaal beleid ten aanzien van verkeer geldt het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), in januari 2018 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit GVVP is gericht op een integrale afstemming tussen alle facetten op het gebied van verkeer en vervoer, waardoor een optimale harmonie tussen mens, voertuig en weg ontstaat. Dit houdt onder andere het volgende in: een duidelijk, herkenbaar en uniform ingericht wegennet met een logische (hoofd)wegenstructuur (thema bereikbaarheid). een functioneel en herkenbaar ingericht wegennet waar functie, vormgeving en gebruik op elkaar zijn afgestemd, zodat weggebruikers overal weten welk verkeersgedrag van hen wordt verwacht, inclusief educatie en voorlichting (thema verkeersveiligheid). een gastvrij en vriendelijk ingericht en eenduidig parkeersysteem, waarbij de grotere parkeerterreinen goed vindbaar zijn en bij voorkeur gratis geparkeerd kan worden (thema parkeren). het stimuleren van langzaam verkeer, door enerzijds het optimaliseren van fiets- en voetgangersvoorzieningen en anderzijds inzetten op de gedragscomponent door te stimuleren (thema langzaam verkeer).

het stimuleren van openbaar vervoer, hetgeen een positieve bijdrage levert aan het ruimtelijk economisch belang (bereikbaarheid en leefbaarheid) en aan het maatschappelijk belang (thema openbaar verkeer). de leefbaarheid in Kerkrade verbeteren, door de verkeersoverlast waar mogelijk (verder) te beperken (thema leefbaarheid). met de voorgaande zes onderdelen wordt eveneens een duurzamer Kerkrade bewerkstelligd. Dit GVVP is onder andere gebaseerd op het regionale verkeersbeleid, opgenomen in het in 2011 geactualiseerde Regionaal Verkeer en Vervoersplan (RVVP). Eén van de onderdelen in dit RVVP is een actieplan met een jaarlijks programma verkeerseducatie. Binnen de projecten die in dit actieplan zijn opgenomen, wordt samengewerkt met onder andere het Regionaal Overleg Verkeersveiligheid Limburg (ROVL), Veilig Verkeer Nederland (VVN), de politie en de scholen. In het GVVP en binnen het aspect parkeren, is opgenomen dat de gemeente Kerkrade zelf de regie houdt over zowel het parkeren op straat als in de parkeergarages. Daarbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag, de zogenaamde parkeerbehoefte. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de parkeerbehoefte op eigen terrein c.q. binnen de grenzen van het plangebied opgevangen te worden.

Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is daarbij afhankelijk van de soort en de omvang van de functie(s) die binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het gebied waarin de ontwikkeling is gelegen en de eventuele mogelijkheden om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken. Daarbij sluit de gemeente aan bij de normen en richtlijnen van het CROW.

Conclusie In paragraaf 2.3 is reeds ingegaan op de parkeernormen uit het GVVP. Daaruit volgt dat weliswaar gemotiveerd wordt afgeweken van de relatief hoge parkeernormen uit het GVVP, maar dat toch wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en onevenredige parkeerhinder wordt voorkomen. In de planregels is geborgd dat in de vergunningfase ook wordt getoetst aan de voor dit plan vastgestelde parkeernormen en dat de betreffende voorzieningen ook worden gerealiseerd.

32

bestemmingsplan D'r Pool

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels.

4.2

Bodem

4.2.1 Wettelijk kader In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels. 4.2.2 Bodemkwaliteitskaart Doel van een bodemkwaliteitskaart is het in kaart brengen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Hiertoe is de gemeente opgedeeld in een aantal deelgebieden met een milieuhygiënisch vergelijkbare bodemkwaliteit. De deelgebieden zijn opgesteld door te kijken naar de ontwikkeling van wijken, het ontstaan van gebieden, het voormalig en huidig gebruik van het gebied en de resultaten van de bodemonderzoeken. Uit de kaart blijkt dat gemiddeld in de Kerkraadse bodem, ten opzichte van een natuurlijke door de mens onbelaste bodem, licht verhoogde gehalten kunnen voorkomen. Onderhavig plangebied valt geheel binnen 'Zone 1: Bovengrond Wonen'. De bovengrond (0-0,5 m-maaiveld) van deze 'Zone 1' is gemiddeld licht verontreinigd en heeft indicatief de kwaliteit 'Wonen '. De ondergrond (0,5-2,5 m-maaiveld) valt binnen 'Zone 3: Ondergrond', is gemiddeld niet verontreinigd en heeft indicatief de kwaliteit 'AW2000' (schoon).

4.2.3 Nota Bodembeheer Op 30 maart 2016 heeft de raad van Kerkrade de Nota Bodembeheer Gemeente Kerkrade vastgesteld. Welke gevolgen bovenstaande bodemkwaliteit voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied heeft, volgt uit de gemeentelijke Nota Bodembeheer. In deze nota worden de visie en doelstellingen van de gemeente Kerkrade verwoord om te komen tot een optimaal gebruik van de bodem. Het gemeentelijk bodembeheer is gericht op het behouden of realiseren van een veilige (geen risico's) en geschikte (duurzame) bodemkwaliteit. Voor het plangebied is de gemiddelde bodemkwaliteit, 'Wonen' in overeenstemming met het gebruik voor woningen. De bodemkwaliteitskaart geeft binnen de 'Zone 1' echter een onvoldoende betrouwbaar beeld om als bewijsmiddel voor een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen te dienen. Er dient daarom voor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen van woningen een milieutechnisch bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

bestemmingsplan D'r Pool

33

4.2.4 Aandachtspunten Binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Geonius (kenmerk MA210857.R01.V01, d.d. 24 januari 2022) , dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Hierbij zijn over het algemeen geen tot slechts lichte bodemverontreinigingen (enkele zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB) aangetroffen. Bij de indicatieve analyse van monsters bestaande uit volledig gravel/kolengruis, sintels, repac (puingranulaat) en mijnsteen, blijkt dat van de geanalyseerde parameters licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Bij één boring in het trottoir aan de Kapellaan is van 18 tot 30 cm-maaiveld sterke verontreiniging met PCB aangetroffen. Vervolgens is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Geonius (kenmerk MB210857.R01.V1.0, d.d. 15 april 2022) waarin geen sterke verontreinigingen met PCB zijn aangetoond, enkel maximaal licht verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Op de locatie is daarom geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. 4.2.5 Voormalige steenkolenmijnbouw en andere aandachtspunten Binnen het plangebied liggen geen mijnterreinen, mijnsteengebieden bodemsaneringslocaties met nazorg (zie ook paragraaf 4.3).

of

grootschalige

4.2.6 Conclusie Op basis van de resultaten van beide milieutechnische bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat geen bodemhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen van woningen wordt, aan de hand van representativiteit van de nu uitgevoerde bodemonderzoeken, beoordeeld of aanvullend milieutechnisch bodemonderzoek moet worden ingediend. Aanvulling van de locatie dient te worden gedaan met grond die aan de Toepassingskaarten voor Zones 1 en 3 uit de Nota Bodembeheer Gemeente Kerkrade voldoet.

4.3

Voormalige steenkolenmijnbouw

4.3.1 Inleiding Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). Onderstaande beschrijvingen zijn gebaseerd op de Nederlandse samenvatting, het 'Uittreksel uit het samenvattende rapport met een overzicht van de voorgestelde maatregelen' van 14 december 2016. Voor een volledige beschrijving wordt kortheidshalve naar dit document en de overige deelrapporten van het ministerie verwezen. 4.3.2 Bodemstijging Binnen het plangebied is volgens de rapportage van het ministerie geen ongelijkmatige bodemstijging te verwachten. 4.3.3 Schachten Binnen het plangebied liggen geen historische of industriële mijnschachten.

34

bestemmingsplan D'r Pool

4.3.4 Ondiepe winningen In een deel van het plangebied bevinden zich ondiepe industriële winningen. Het betreft de categorie EK 3 (blauw gebied) en dit betekent een relatief lage kans op verzakkingen. In het trottoir van de Kapellaan is een deel van een ondiep gelegen mijngang (blauwe lijn) aanwezig. De mijngang loopt verder onder het plangebied, maar staat niet meer als 'ondiep' te boek. De ondiepe winning en mijngang geven geen aanleiding tot onderzoek of maatregelen.

4.3.5 Grondwaterkwaliteit en vernatting Voor het plangebied wordt in de te verwachten eindsituatie van de grondwater-'mijnwater'-stand, 80 m+NAP, geen beïnvloeding van de grondwaterkwaliteit of vernatting aan het maaiveld verwacht. Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich op ca. 153 m+NAP en ligt dus rond 73 m boven de verwachte eindstand van het 'mijnwater'. 4.3.6 Mijngas In het zuiden van het plangebied, en in een heel klein deel in het noorden, liggen winningen die op dit moment nog niet door stijgend grondwater-'mijnwater' gevuld zijn. In deze winningen blijft dus 'mijngas' (minder zuurstof, meer koolstofdioxide, mogelijk methaan) aanwezig en dit kan mogelijk via verbindingen met het maaiveld (nieuwe boringen voor paalfundering, geologische breuken, opwaartse boringen) vrijkomen. In de definitieve eindsituatie van de grondwaterstijging blijft een deel van de winningen onder dit plangebied niet geheel met water gevuld. Bij het boren van funderingspalen, de wijze van ventileren van gebouwen en bij aanleg van hoofdriolering, kan hiermee rekening worden gehouden.

bestemmingsplan D'r Pool

35

4.3.7 Aardbevingen Binnen het plangebied, en ook in het gehele onderzoeksgebied, zijn geen aardbevingen als gevolg van stijgend 'mijnwater' te verwachten. 4.3.8 Kleinere gevolgen Binnen het plangebied zijn, voor zover uit het onderzoek van het ministerie bekend, geen neerwaartse boringen vanaf maaiveld, oude 'drempels' of oude verzakkingen aanwezig. Wel bevinden zich in het plangebied enkele opwaartse boringen vanuit mijngangen naar de bovenkant van het Carboon-gesteente. Deze kleinere gevolgen veroorzaken geen significante effecten, maar het zijn geotechnisch zwakke zones die bij het realiseren van nieuwe gebouwen en bij het optreden van schade in het achterhoofd dienen te worden gehouden. 4.3.9 Bodemopbouw Volgens Broloket.nl heeft het plangebied de volgende oorspronkelijke bodemopbouw. De bovenste bodemlaag bestaat uit een zand-pakket uit de Formatie van Boxtel met een dikte van ca. 4 meter. Hieronder bevinden zich de Formaties van Rupel (ca. 36 m dik) en Tongeren (ca. 11 m dik), die uit fijn kleiig zand en klei bestaan. Op ca. 51 m-mv bevindt zich kleisteen uit het Carboon.

36

bestemmingsplan D'r Pool

4.3.10 Conclusie In het zuiden van het plangebied zijn winningen en gangen, op dit moment of in de eindsituatie, niet door stijgend grondwater 'mijnwater' gevuld. Nieuwbouw en infrastructuur in dit deel kent dus aanvullende adviezen ten aanzien van bv. diepe boringen voor paalfunderingen, kelders/kruipruimten van nieuwe gebouwen en nieuwe hoofdriolering. Het vormt in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4

Geluid

4.4.1 Wettelijk kader Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voornoemde geluidsbronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.4.2 Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt.

Ook in geval van de aanleg van een nieuwe weg of een reconstructie van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Putgang en Stationsstraat. De overige wegen rond het plangebied betreffen 30 km/uur-wegen, waarvoor geen dusdanige etmaalintensiteiten aan motorvoertuigbewegingen worden verwacht dat ze tot relevante geluidsbelasting op de gevels leiden.

Voorkeursgrenswaarden en hogere grenswaarden Gelet op het voorgaande is door Aelmans een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (d.d. 15 maart 2024, nr M222372.004.002.R1/GGO) dat als Bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd. Daaruit blijkt dat op een aantal toetspunten op de gevels van de grondgebonden stadswoningen en de urban villa's nabij de Putgang de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. maar dat de berekende geluidsbelasting voor de toetspunten beneden de maximale ontheffingswaarde van 63 dB blijft. Gezien voorgaande resultaten kan voor die toetspunten c.q. die woningen worden voorzien in een hogere grenswaarde, gezien de resultaten tussen de 50 en 60 dB. Het voorzien in overdrachtsmaatregelen (geluidscherm of -wal) of bronmaatregelen (bv toepassen stiller wegdek) stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Daarom zal worden voorzien in het vaststellen van de berekende hogere grenswaarden, parallel aan de procedure voor dit bestemmingsplan.

Cumulatie

bestemmingsplan D'r Pool

37

Gelet op een goede ruimtelijke ordening is ook de gecumuleerde geluidsbelasting in beeld gebracht en getoetst aan de 'Methode 'Miedema'. In dit geval wordt de maximale gecumuleerde waarde volledig bepaald door de Putgang. Die bedraagt op de meest nabij de Putgang gelegen stadswoning 64 dB, wat wordt aangemerkt als 'tamelijk slecht'. Voor het complex met urban villa's bedraagt de gecumuleerde belasting maximaal 60 dB, wat is aan te merken als 'matig'. Aangezien eerder als is geconcludeerd dat maatregelen aan de bron of in de overdracht geen optie zijn, zal de oplossing worden gezocht in geluidwerende maatregelen aan de gevel en het dak. Daarmee kan dan het vereiste binnenniveau van 33 dB worden bereikt en geborgd. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.3 Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorlijn. 4.4.4 Industrielawaai De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan.

Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in vestigingsmogelijkheden voor inrichtingen die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen een zone van een gezoneerd industrieterrein. Overigens vormen ook de in de omgeving aanwezige niet-zoneringsplichte bedrijven geen belemmering voor het planvoornemen en vormt onderhavig planvoornemen ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven (zie paragraaf 4.7). 4.4.5 Goede ruimtelijke ordening: warmtepompen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Sinds april 2021 zijn het het Bouwbesluit 2021 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen en sinds 1 januari 2024 is dit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Bij appartementen wordt getoetst op te openen ramen en deuren van niet-gemeenschappelijke verblijfsgebieden. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Gezien het voorgaande is aan Aelmans gevraagd om op basis van het ontwerpbestemmingsplan inzicht te bieden in deze materie, op basis waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het resultaat is een memo die als Bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 18 juli 2022, nr M222372.004.003/GGO). Conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is bij geluidbelastingen met een etmaalwaarde van 45 tot 50 dB(A) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de memo blijkt dat de berekende geluidsbelasting de 50 dB op een enkel scenario na niet overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat in de meeste in onderhavig onderzoek gepresenteerde situaties wordt voldaan aan een aanvaardbaar woonen leefklimaat.

Alleen indien de warmtepomp gerealiseerd wordt op de begane grond tegen de eigen gevel is te

38

bestemmingsplan D'r Pool

overwegen of hier verdere maatregelen getroffen kunnen worden, zodat de bewoners zelf minder last hebben van hun eigen warmtepomp. Het is wenselijker deze warmtepompen elders te plaatsen (hoger gelegen of achter in de tuin) of een vorm van afscherming te realiseren. Voor de omliggende bestaande woningen buiten het plangebied geldt dat deze dusdanig ver weg zijn gelegen dat hier geen overschrijdingen te verwachten zijn conform het Bouwbesluit 2012 en ook dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat conform de VNG-publicatie. Ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan is – zoals hier ook het geval is – kan nog niet goed kan worden bepaald óf er warmtepompen met een buitenunit worden toegepast, welke type warmtepompen dat betreft en waar ze zullen worden opgesteld. Zo'n onderzoek is daarom altijd indicatief van aard. In plaats van het actualiseren van het onderzoek zoals dat is opgesteld ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan vanwege de toename van het aantal woningen, is daarom gekozen voor het vastleggen van de maximale cumulatieve geluidsbelasting in de planregels en op die manier te borgen dat bij de toepassing van warmtepompen bij omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Er wordt daarom een planregel toegevoegd die bepaalt dat de cumulatieve geluidsbelasting van de binnen het plangebied toe te passen warmtepompen op de gevels van omliggende bestaande woningen niet meer mag bedragen dan 45 dB. Daarmee wordt het uitvoeren van het onderzoek doorgeschoven naar het moment van vergunningverlening, het moment waarop wél bekend is welke pomp wordt toegepast, op welke plek de buitenunit wordt geplaatst, etc. Door in de planregels te voorzien in een maximale cumulatieve belasting op de gevels van omliggende bestaande woningen wordt de in dat onderzoek te hanteren norm vastgelegd én wordt geborgd dat maatregelen moeten worden getroffen door bijvoorbeeld het plaatsen van een omkasting, wanneer die norm niet wordt gehaald. Wanneer uit het onderzoek – als onderdeel van de vergunning – blijkt dat niet aan die norm kan worden voldaan, is de aanvraag immers in strijd met het bestemmingsplan. 4.4.6 Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof.

Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan

bestemmingsplan D'r Pool

39

indien de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. 4.5.2 Niet in betekenende mate De NIBM - grens voor woningbouwlocaties is als volgt bepaald: 3% criterium 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkwaardige verkeersverdeling. Dit houdt in het planvoornemen, bestaande uit de realisatie van maximaal 61 woningen ver beneden de grens van 1.500 woningen blijft. Het is dan ook niet noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van het planvoornemen ten aanzien van de luchtkwaliteit. 4.5.3 Luchtkwaliteit De monitoringstool voor het NSL laat in de directe nabijheid geen rekenpunten zien. Uit de NSL-Monitoringstool is wel af te leiden dat ter plaatse van de rekenpunten die wel binnen de gemeente aanwezig zijn (bv langs de Domaniale Mijnstraat), de concentraties de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 nergens worden overschreden. Ook bedraagt het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 blijkens de monitoringstool minder dan 35. 4.5.4 Gevoelige bestemmingen Het bestemmingsplan voorziet niet in mogelijkheden voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg.

Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.5.5 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.

40

bestemmingsplan D'r Pool

Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor hetplaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken binnen het invloedsgebied van één of meer risicobronnen een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). 4.6.2 Risicobronnen Aangezien onderhavig bestemmingsplan betrekking heeft op het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten (woningen) zijn de relevante risicobronnen rond het plangebied geïnventariseerd. Met behulp van de kaartlaag 'veilige leefomgeving' in de Atlas Leefomgeving kan - op basis van het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) - inzicht worden verkregen in de relevante risicobronnen. Onderstaande uitsnede laat in de nabijheid van het plangebied (blauw omcirkeld) een tweetal hogedruk gasleidingen zien op circa 450 meter afstand ten westen van het plangebied. Ook zijn rond het tankstation aan de Domaniale Mijnstraat 25 op circa 480 meter ten zuiden van het plangebied enkele plaatsgebonden risicocontouren zichtbaar vanwege de aanwezige vulpunten en afleverzuilen voor lpg.

De twee gasleidingen hebben een ontwerpdruk van 40 bar en een diameter van respectievelijk 6 en 12 inch. Met een invloedsgebied van respectievelijk 70 en 140 meter ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze leidingen. Ook de aangeven plaatsgebonden risicoontouren van het tankstation reiken niet tot aan het plangebied. Het tankstation ligt bovendien op circa 480 meter afstand van het plangebied, waardoor ook het invloedsgebied van het tankstation niet tot aan het plangebied reikt. De Buitenring Parkstad Limburg (N300) staat overigens niet aangegeven als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voor wat gevaarlijke stoffen die (mogelijk) over die weg worden vervoerd gaat het voornamelijk om bevoorrading van tankstations en transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. De bijbehorende invloedsgebieden bedragen respectievelijk 45 meter voor LF1 en LF2 en 355 meter voor GF3. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de Buitenring (ca 1 km) vormt het (eventuele) transport van gevaarlijke stoffen over de Buitenring daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

bestemmingsplan D'r Pool

41

4.6.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.7

Milieuzonering en bedrijven

4.7.1 Inleiding Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten, zoals woningen. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Een algemeen geaccepteerde uitgave om te kunnen beoordelen of een bepaalde functie inpasbaar is op de beoogde locatie is de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (VNG, 2009). 4.7.2 Bestaande bedrijven Ten westen en ten zuidwesten van het plangebied ligt aan de overzijde van de Kapellaan respectievelijk zorgen revalidatiecentrum Hambos en zorgcentrum Kapelhof. Verpleeghuizen als Kapelhof worden op basis van de eerder genoemde VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven waaronder Hambos kan worden geschaard, worden ingedeeld in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt.

Aan beide richtafstanden wordt voldaan ten opzichte van de meest nabijgelegen nieuw te realiseren woningen, te weten de urban villa's. Verder liggen er ten noorden van het plangebied, tussen de Engerweg en de Markt/Einderstraat diverse horecazaken, winkels en een tweetal banken. Al deze functies worden in de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. Ook aan deze richtasfstanden wordt

42

bestemmingsplan D'r Pool

voldaan ten opzichte van de meest nabijgelegen nieuw te realiseren woningen (de appartementen).

Conclusie Gezien voorgaande tabel wordt ruim aan alle richtafstanden voldaan. Daaruit kan worden opgemaakt dat de aanwezige bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en dat ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor dit aspect.

4.8

Ecologie

4.8.1 Wettelijk kader In de Wet natuurbescherming is de soortenbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De invloed van het planvoornemen op eventuele beschermde soorten en beschermde gebieden is in verschillen rapporten onderzocht, die hierna worden beschreven. 4.8.2 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten.

Kortgezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing is het college van Gedeputeerde Staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan. 4.8.2.1 Verkennend onderzoek De gevolgen van het planvoornemen, bestaande uit de sloop van het complex D'r Pool en vervolgens de bouw van de beoogde woning en de inrichting van de omliggende buitenruimte zijn in de als Bijlage 3 bijgevoegde quickscan door Bureau Meervelt in beeld gebracht (kenmerk 2022-040, d.d. 7 juni 2022). Daaruit blijkt kort samengevat: Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van enkele algemene soorten zoogdieren zoals de Egel. Vaste verblijfplaatsen zijn niet aanwezig. Voor eventueel aanwezige soorten tijdens de werkzaamheden geldt de in de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplicht. Het te slopen pand is potentieel geschikt als voortplantingsplaats of rustplaats voor vleermuizen door de aanwezige toegankelijke spouwmuren.

Er is daarom een nader onderzoek naar mogelijke aanwezigheid van verblijfsplaatsen van vleermuizen noodzakelijk, dat wordt uitgevoerd op basis van het vleermuisprotocol van het Netwerk Groene bureaus. Als tijdens dit onderzoek geen verblijfplaatsen worden vastgesteld kunnen de sloopwerkzaamheden zonder ontheffing Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. Indien blijkt dat het gebouw als verblijfsplaats fungeert, dient een mitigatie- en compensatieplan te worden opgesteld en uitgevoerd en een ontheffing Wet natuurbescherming te worden

bestemmingsplan D'r Pool

43

aangevraagd. In het plangebied zijn zeer beperkte mogelijkheden aanwezig voor broedvogels. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig. Overige in gebruik zijnde nesten zijn beschermd zolang de jongen afhankelijk zijn van het nest. Buiten deze periode kunnen bomen en struiken met nesten verwijderd worden Overige beschermde soorten planten of dieren zijn niet aangetroffen in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffing voor deze overige beschermde soorten (met uitzondering van het vleermuisonderzoek) is niet nodig. In het algemeen geldt: als dieren worden aangetroffen in het plangebied geldt te allen tijde de zorgplicht. Bij het onverhoopt toch aantreffen van beschermde planten- of diersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt, dient alsnog contact opgenomen te worden met een ecoloog om benodigde vervolgstappen te bespreken. Op basis van het voorgaande kunnen belemmeringen grotendeels worden uitgesloten, maar er is wel een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek is ook uitgevoerd en wordt in navolgende paragraaf beschreven. 4.8.2.2 Nader onderzoek verblijfplaatsen vleermuizen Gelet op het voorgaande is door Bureau Meervelt een nader onderzoek verricht naar verblijfplaatsen van vleermuizen (kenmerk 21-120, d.d. 26 september 2022), dat als Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd.

Dit onderzoek is uitgevoerd in de periode mei tot en met september 2022, binnen welke periode diverse veldbezoeken zijn uitgevoerd tijdens zachte tot warme avond- en nachtperioden met weinig wind. Hoewel tijdens de veldbezoeken specifiek aandacht is besteed aan het voorkomen van vaste rust- en verblijfsplaatsen van (alle soorten) vleermuizen is ook gelet op indicaties van andere beschermde planten- en/of diersoorten zoals Huiszwaluw, Gierzwaluw, Huismus en Steenmarter.

Gewone dwergvleermuis Uit het rapport blijkt dat tijdens alle veldbezoeken wel Gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen, maar in zeer lage aantallen. Het ging steeds om waarnemingen van een afzonderlijk individu (foeragerend, kort aanwezig). Alleen tijdens het laatste bezoek werden maximaal drie individuen in één keer gezien. Tijdens het laatste bezoek werd aan de oostzijde van het gebouw een mogelijke paarverblijfplaats van Gewone dwergvleermuis vastgesteld. Hier werden dieren gehoord met constante werfroep en werden rondvliegende exemplaren waargenomen.

Laatvlieger De vijf uitgevoerde inventarisatiebezoeken leverden slechts twee waarnemingen op van solitaire, langsvliegende Laatvliegers, tijdens het laatste bezoek. Vaste rust- en/of verblijfsplaatsen van deze soort werden niet vastgesteld.

Overige beschermde soorten Overige soorten met een mogelijke verblijfplaats in het complex, zoals Huismus of Gierzwaluw zijn niet waargenomen.

Effectbeoordeling en maatregelen Op basis van alle uitgevoerde veldbezoeken is onzeker of op de locatie van het te slopen complex van D’r Pool

44

bestemmingsplan D'r Pool

te Kerkrade een paarverblijfplaats van Gewone dwergvleermuis aanwezig is. De invliegopening c.q. verblijfplaats is ondanks extra inspanning niet gelokaliseerd. Overige verblijfplaatsen werden niet vastgesteld. De ontwikkeling is in oppervlak bouwvlak te groot om de gedragscode Stadswerk formeel toe te passen. Ecologisch gezien bestaat er volgens Bureau Meervelt echter geen bezwaar tegen, gezien het zeer gering aantal vleermuizen dat per bezoek is aangetroffen en de onzekerheid over de aanwezige paarverblijfplaats. De wijk waarin de D’r Pool staat, heeft daarbij veel alternatieve beschikbare verblijfplaatsen omdat het hier het oude stadscentrum van Kerkrade betreft met veel opstallen met potentiële verblijfplaatsen. Op basis van de Gedragscode wordt geadviseerd desondanks in vier nieuwe voorzieningen te voorzien binnen een straal van 200 meter in de vorm van vleermuiskasten (model A1). De vleermuiskast kan daarbij op minimaal 3 meter hoogte aan zowel een boom als aan een gevel geplaatst worden, alhoewel een gevel de voorkeur heeft. Bij voorkeur ook op een zonnige plek, maar niet onder of in kunstlicht. Directe regeninslag moet worden vermeden. Er is dan ruimschoots gecompenseerd voor het verlies van een mogelijke paarverblijfplaats. Een ontheffing Wet natuurbescherming voor het vernietigen van deze (onzekere) paarverblijfplaats wordt niet nodig geacht.

De vier kasten zijn inmiddels geplaatst aan de gevel van de Lambertuskerk. 4.8.2.3 Conclusie soortenbescherming Gelet op het voorgaande zijn geen beschermde verblijfplaatsen of andere (mogelijke) overtredingen van de Wet natuurbescherming voorzien die een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van een paarverblijfplaats voor de Gewone dwergvleermuis zullen wel de geadviseerde vier vleermuizenkasten worden opgehangen conform het advies van Bureau Meervelt. 4.8.3 Gebiedsbescherming Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De gevolgen van een project worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelen. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn Wurmtal Südlich Herzogenrath en Wurmtal Nordlich Herzogenrath in Duitsland, op een afstand van respectievelijk circa 2 en 3,5 kilometer. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied in Nederland is het Geleenbeekdal op een afstand van 4,8 kilometer.

bestemmingsplan D'r Pool

45

Uit de eerder genoemde Quicskcan Wet natuurbescherming D'r Pool die is uitgevoerd door Bureau Meervelt (kenmerk 22-040, d.d. 7 juni 2022, zie Bijlage 3) volgt dat gelet op voornoemde afstanden verstoringsfactoren zoals verlichting, geluid en optische verstoring als gevolg van het planvoornemen niet reiken tot in de Natura 2000-gebieden en dat eventuele (significante) negatieve gevolgen kunnen worden uitgesloten. De enige uitzondering hierop zou stikstof kunnen zijn, eventuele (te hoge) stikstofdeposities kunnen niet zonder onderzoek worden uitgesloten. Daarom is door Pouderoyen Tonnaer een Notitie beoordeling stikstof opgesteld (kenmerk J222372.002, d.d. 11 maart 2024) met toepassing van de Aerius Calculator die als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Uit deze notitie blijkt dat het plan zowel in de gebruiksfase (na realisatie), maar ook in de realisatiefase (sloop bestaande complex en bouw nieuwe woningen + stallingsgarage) niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar, voor zover die gebieden zijn gelegen in Nederland. Volledigheidshalve zijn in een eerder stadium ook berekeningen uitgevoerd voor de nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebieden door de invoer van eigen rekenpunten.

Uit die berekening bleek dat er geen rekenresultaten zijn die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op die gebieden. Nu het planvoornemen noch in de gebruiksfase, noch in de realisatiefase leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden vormt het aspect stikstof geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan en voor het plan is daarom ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. 4.8.4 Natuurnetwerk Nederland: Goudgroene natuurzone Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in verschillende natuur- en landschapszones (goudgroen, zilvergroen en bronsgroen). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij - principe'. Onderhavig plangebied is echter niet gelegen binnen een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN, waardoor de betreffende regels niet van invloed zijn op onderhavig planvoornemen.

46

bestemmingsplan D'r Pool

4.8.5 Conclusie gebiedsbescherming Gezien het voorgaande vormt het aspect gebiedsbescherming in het kader van ecologie c.q. de Wet natuurbescherming geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Ook is het planvoornemen niet in strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014 op dit punt. 4.8.6 Eindconclusie ecologie Gelet op het voorgaande zijn er ten aanzien van ecologie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit planvoornemen.

4.9

Waterparagraaf

4.9.1 Watertoets Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen. 4.9.2 Beleid waterschap De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 80 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.

4.9.3 Huidige waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewateren of andere waterstaatswerken aanwezig die in het beheer zijn van het Waterschap Limburg. Ook is het plangebied niet gelegen in een beschermingszone, zoals bijvoorbeeld een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.

bestemmingsplan D'r Pool

47

Ten behoeve van het planvoornemen is door BKK een onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater in de bodem. Dat onderzoek (d.d. 22 juni 2022, nr 220293.BKK) is als bij deze toelichting gevoegd. Daaruit blijkt dat de freatische grondwaterstand zodanig is dat die niet belemmerend is voor infiltratie voor hemelwater in de bodem, nu de grondwaterspiegel zich op circa 31 meter beneden maaiveld bevindt. Om de doorlatendheid van de bodem te bepalen zijn een drietal boringen gezet rond de bestaande bebouwing, waarna de doorlatendheid is bepaald. Twee van de drie metingen laten zien dat de bodem slecht doorlatend is, één meting laat zien dat de bodem daar matig doorlaatbaar is. Ook blijkt dat rekening moet worden gehouden met storende bodemlagen, onder andere een leemlaag. 4.9.4 Invloed van het planvoornemen Binnen het plangebied worden in totaal maximaal 61 woningen met een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd. In de huidige situatie is een recreatiecomplex aanwezig met een bebouwde oppervlakte van circa 5.700 m2 . Uitgaande van de oppervlakte van de bouwvlakken en de aanduiding waarbinnen de ondergrondse garage is voorzien, bedraagt de oppervlakte aan bebouwing circa 4.750 m2 . Per saldo neemt de bebouwde oppervlakte dus met bijna 1.000 m2 af. De rest van de omringende gronden zijn in de huidige situatie grotendeels verhard.

In de beoogde situatie wordt met name aan de zijde van de Putgang voorzien in een groene openbare ruimte, met inbegrip van waterhuishoudkundige voorzieningen. Gelet op de afname aan bebouwde oppervlakte en het feit dat de buitenruimte grotendeels zal worden 'ontsteend', neemt de totale bebouwde en verharde oppervlakte aanzienlijk af. Als uitgangspunt hanteert de gemeente Kerkrade voor waterhuishoudkundige voorzieningen - net als het waterschap - een dimensionering van 80 millimeter per twee uur, waarbij de voorziening binnen 24 uur weer geheel beschikbaar dient te zijn. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de ambities ten aanzien van klimaatadaptief bouwen (zie paragraaf 3.4.4). Het hemelwater afkomstig van de daken en verharding wordt binnen het plangebied op te vangen, waarmee wordt voldaan aan voornoemde bergingseis. Daarbij worden ook de mogelijkheden voor berging op groene (sedum)daken onderzocht. Dat heeft als bijkomend gunstig effect dat dit ook hittestress in stedelijk gebied kan verminderen, net als de realisatie van groen met berging

48

bestemmingsplan D'r Pool

van water boven maaiveld (wadi). Het verrichte infiltratieonderzoek laat zien dat infiltratie in de bovenste lagen van de ondergrond niet of slecht uitvoerbaar is, ook gelet op de beperkte oppervlakte van het plangebied. Volledige infiltratie is daarom niet mogelijk. Wel worden na de sloop van de bestaande bebouwing extra boringen gepland in de diepere lagen waar volgens het Dinoloket wel goede infiltratiemogelijkheden zijn. Mochten deze boringen géén toereikende infiltratiemogelijkheden laten zien dan zal er geknepen op rioolstelsel worden geloosd om de bergings-/ en infiltratievoorziening(en) te laten leeglopen. Daarbij moeten dan wel bijzondere maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de voorziening volloopt met vervuild water vanuit het hoofdriool. De exacte uitvoering van de voorzieningen is gezien het voorgaande nog niet geheel uit te werken zolang de bestaande bebouwing nog niet is gesloopt. Voorop staat in ieder geval dat - ook rekeninghoudend met grote verschillen in maaiveldniveau - wateroverlast richting de omgeving wordt voorkomen. De realisatie en dimensionering van de benodigde voorzieningen is daarom in het bestemmingsplan geborgd door middel van een algemene bouwregel, waardoor de omgang met hemelwater onderdeel wordt van de vergunningverlening voor de bouwwerken en in die zin als beoordelingsregel voor de vergunningaanvraag ook 'afdwingbaar' wordt.

Die regel gaat in beginsel uit van de eerder genoemde norm van 80mm, maar er kan gemotiveerd van worden afgeweken, wanneer dat niet uitvoerbaar blijkt, mits overlast wordt voorkomen. 4.9.5 Wateradvies Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Daarop heeft het waterschap laten weten geen inhoudelijke opmerkingen te hebben ten aanzien van het plan, nu de geadviseerde norm voor de opvang van hemelwater (80 mm per m2 ) is gehanteerd en geborgd.

4.10

Verkeer

4.10.1 Inleiding In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook te worden bezien wat de gevolgen van het planvoornemen zijn voor de verkeersafwikkeling en de parkeerdruk in het gebied. 4.10.2 Parkeren In paragraaf 2.3 van deze toelichting is al ingegaan op het aspect parkeren. Daaruit dat - uitgaande van een bijgestelde parkeernorm - de parkeerbehoefte 82 parkeerplaatsen bedraagt. Daarin wordt voorzien in een ondergrondse stallingsgarage. In de huidige situatie is de primaire toegang van de parkeergarage gesitueerd aan de Putgang, naast de woning Putgang 2. Een tweede toegang bevindt zich aan de Engerweg. In de nieuwe situatie komt de toegang van de garage alleen nog maar aan de zijde van de Engerweg, op dezelfde plek als de huidige toegang (in de bocht). Eventueel additioneel bezoekersparkeren wordt opgevangen in de openbare ruimte. Uit parkeerdrukmetingen blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen knelpunten zijn. Ook is van belang dat de parkeervoorzieningen in het centrum worden aangepakt als onderdeel van de versnellingsaanpak voor woningbouw, waarbij infraprojecten worden aangepakt. In dat kader worden de mogelijkheden voor bezoekersparkeren geoptimaliseerd nabij het station, aan de zijde van de Hambosweg, met een nieuw te realiseren brug om die parkeerplaats beter te verbinden met het centrum.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=1c8c01f9-b796-4276-aebe-46e2060bedbd