CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bestemmingsplan Toelichting Dr Pool

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente KerkradeBij agendapunt: Ontwerpbesluit bestemmingsplan d'r Pool23.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Voor de uitvoering van die aanpak is door het Rijk subsidie beschikbaar gesteld, waardoor ook de uitvoerbaarheid van die oplossing is verzekerd. De aanleg van de parkeerplaatsen binnen het plangebied is geborgd in de planregels. Door middel van een (dynamische) verwijzing naar de parkeernormen als opgenomen in de gemeentelijke beleidsregels voor parkeren, worden deze beleidsregels onderdeel van het toetsingskader voor de aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Bij het aanvragen van de betreffende omgevingsvergunning zal dan moeten worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende

bestemmingsplan D'r Pool

49

parkeergelegenheid. 4.10.3 Verkeersgeneratie Ook op de verkeersgeneratie als gevolg van het plan is eerder in deze toelichting al ingegaan (zie paragraaf paragraaf 2.3). De verkeersgeneratie van de woningen is bepaald op basis van de landelijke kengetallen van het CROW (ASVV2021) bedraagt maximaal 439 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Rekening houdend met een omrekenfactor van 1,11 voor het bepalen van het maatgevend werkdagetmaal gaat het om circa 488 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. De verkeersbelasting op een piekuur betreft doorgaans 10% van de verkeersgeneratie gedurende een werkdagetmaal, waardoor de verkeersgeneratie tijdens dat uur circa 49 verkeersbewegingen bedraagt. Daarbij geldt wel dat een verschuiving plaatsvindt van bewegingen, aangezien de hoofdontsluiting van de parkeergarage in de huidige situatie aan de Putgang is gesitueerd en een secundaire ontsluiting aan de Engerweg, terwijl in de nieuwe situatie slechts één ontsluiting is voorzien en wel aan de Engerweg. Voornoemde aantallen per etmaal, maar ook tijdens piekuren, kunnen echter goed worden afgehandeld via de Engerweg en verdere wegen. Bovendien is van belang dat een zwembad en de overige in het bestaande complex ondergebrachte functies aanzienlijk meer verkeer hebben gegenereerd:

Gezien het voorgaande gaat het - uitgaande van kencijfers van de CROW (ASVV) - dan om circa 1018 tot 1.293 bewegingen per etmaal weekdaggemiddeld. Werkdaggemiddeld gaat het dan om 1.130 tot 1.436 bewegingen per etmaal. Daarmee neemt het aantal verkeersbewegingen rondom het plangebied per saldo dus aanzienlijk af ten opzichte van de (planologisch) bestaande situatie.

4.11

M.e.r.-(beoordelings)plicht?

4.11.1 Wettelijk kader Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst C en is het bestemmingsplan

50

bestemmingsplan D'r Pool

voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-plicht. Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst B en is het bestemmingsplan voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. De toetsing in het kader van de vormvrije - m.e.r. beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG - richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieen; plaats van het project: 1. bestaand grondgebruik; 2. relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3.

het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; kenmerken van het potentiële effect: bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); 1. grensoverschrijdend karakter van het effect; 2. waarschijnlijkheid van het effect; 3. duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. 4.11.2 Toetsing Gezien de aard van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt (woningbouw) en de activiteiten die worden genoemd in de C-lijst in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is geen sprake van een merplicht. Wel is in de D-lijst de volgende categorie (D11.2) opgenomen:

In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r., aangezien het bestemmingsplan ruimte biedt voor het realiseren van maximaal 61 nieuwe woningen. Hoewel de drempelwaarden als genoemd in kolom 2 niet worden overschreden, wordt het bestemmingsplan wel genoemd in kolom 4, waardoor een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Aangezien in dit geval de gemeente Kerkrade zelf initiatiefnemer is tot het opstellen van dit bestemmingsplan, is er geen aanmeldnotitie van een initiatiefnemer beschikbaar als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. De gemeenteraad of het

bestemmingsplan D'r Pool

51

college van burgemeester en wethouders dient in dit geval op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer ambtshalve te besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Burgemeester en wethouders hebben op basis van de daarvoor opgestelde notitie, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan besloten geen milieu-effectrapport op te (laten) stellen.

4.12

Archeologische waarden

4.12.1 Wettelijk kader Op 16 januari 1992 is te Valletta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed tot stand gekomen (Verdrag van Malta). Dat verdrag is gericht op het behoud van archeologische resten in de bodem (in situ), het vroegtijdig rekening houden met het aspect archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en het principe de 'verstoorder betaalt'. Archeologie vormt op basis van dat verdrag en de vertaling daarvan in de Erfgoedwet en het Besluit ruimtelijke ordening een onlosmakelijk onderdeel van het ruimtelijk beleid. 4.12.2 Archeologische verwachtings- en beleidskaart Voor de regio Parkstad Limburg is een archeologische verwachtingskaart opgesteld, welke door de raad van de gemeente Kerkrade is vastgesteld op 26 juni 2013.

Uit deze kaart kan worden opgemaakt dat aan het plangebied deels is aangewezen als terrein van zeer hoge waarde en dat aan de rest van het plangebied deels een middelhoge en deels een lage verwachtingswaarde is toegekend. Uit het aan de kaart gekoppelde beleid volgt dat een archeologisch onderzoek nodig is wanneer de voor een ruimtelijk plan benodigde bodemingrepen dieper reiken dan 40 centimeter beneden maaiveld en de volgende oppervlaktes overschrijden: terrein van zeer hoge waarde

100 m2

middelhoge verwachtingswaarde

2.500 m2

52

bestemmingsplan D'r Pool

lage verwachtingswaarde

10.000 m2

Omdat de ondergrenzen onderzoeksplicht worden overschreden bij de sloop en herontwikkeling van het Recreatiecentrum D'r Pool, is conform het archeologiebeleid van de gemeente advies ingewonnen bij de regioarcheoloog van Parkstad Limburg. Uit dat advies blijkt dat bij de bouw van het Recreatiecentrum D'r Pool in 1972 de bodem tot op een diepte van circa 4 meter onder maaiveld (t.p.v. Putgang) is ontgraven ten behoeve van de aanleg van de fundering en parkeerkelder van dit gebouw. Eventueel aanwezige archeologische waarden zijn daarom destijds al verstoord. Op deze locatie worden dan redelijkerwijs ook geen archeologische waarden meer verwacht. Enkel dieper ingegraven sporen zoals bijvoorbeeld waterputten e.d. kunnen nog aanwezig zijn. Op basis van het voorgaande kan de archeologische verwachting voor deze locatie bijgesteld worden naar laag en is archeologisch onderzoek bij de nieuwbouw niet noodzakelijk. Opgemerkt moet worden, dat de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig kan worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Indien bij bodemverstorende activiteiten archeologische waarden (sporen en/of vondsten) worden aangetroffen, dient men hiervan melding te maken bij de gemeente Kerkrade of de Minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.

Voor dergelijke 'toevalsvondsten' is in de diverse bestemmingen ook een regeling opgenomen. 4.12.2.1 Conclusie Gelet op het voorgaande geldt voor het gebied een bijgestelde, lage verwachtingswaarde en is gezien de eerdere verstoring van de bodem geen archeologisch onderzoek nodig. Het aspect archeologie vorm daarmee geen belemmering voor het planvoornemen en er is geen aanleiding meer te voorzien in een archeologische dubbelbestemming.

4.13

Cultuurhistorie

4.13.1 Wettelijk kader een bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving te bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 4.13.2 Cultuurhistorische Waardenkaart Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg zijn ten aanzien van de historische geografie de cultuurhistorische elementen en het cultuurlandschap weergegeven. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar sprake is van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen Rijksen/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook worden er geen historische patronen of elementen verstoord door het planvoornemen. Met het planvoornemen komen derhalve geen cultuurhistorische waarden in het gedrang. 4.13.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan D'r Pool

53

4.14

Bezonning

4.14.1 Theoretisch kader Als we bij ruimtelijke plannen over bezonning spreken, gaat het om de vraag of sprake is van voldoende zon op de gevel van bijvoorbeeld woningen en om schaduwwerking van nieuwe bebouwing. Een gebouw c.q. bouwmassa kan schaduw veroorzaken op buitenruimtes van nabijgelegen woningen, zoals tuinen, balkons en dakterassen. Deze buitenruimtes hebben juist een goede bezonning nodig. Beperking van de nodige zonuren kan een nadelig effect hebben op het woongenot van omwonenden. Het is dus van belang dat voorkomen wordt dat de schaduw als gevolg nieuwbouw in onaanvaardbare mate toeneemt voor nabij gelegen woningen. Voor wat betreft het aspect bezonning kent de Nederlandse wet- en regelgeving echter geen concrete bepalingen, maar het is wel relevant in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten beschikken over de ruimte om eigen beleid op te stellen ten aanzien van het aspect bezonning. De gemeente Kerkrade beschikt niet over dergelijk beleid, waardoor aansluiting wordt gezocht bij de TNO-norm, die een 'lichte' en een 'strenge' norm kent: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.

De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. 4.14.2 Toetsing Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een tweetal appartementencomplexen, bestaande uit een complex van deels 4 en deels 6 bouwlagen hoog langs de Engerweg en een complex van 3 en deels 4 bouwlagen langs de Kapellaan, nabij de hoek met de Putgang. Daarnaast ziet de ontwikkeling op een aantal grondgebonden woningen van maximaal 3 bouwlagen hoog, langs de erfgrens met de tuinen van de woningen aan de Stationsstraat. Op basis van het planvoornemen is een bezonningsstudie uitgevoerd (Martens Willems & Humblé architecten), waarbij voor vier data binnen de door TNO gehanteerde periode (21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december) de situatie in beeld is gebracht voor 5 verschillende tijdstippen op de dag, tussen 9:00 en 21:00 uur. Deze studie is als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Uit die bezonningsstudie blijkt dat de nieuwe bebouwing geen zodanige schaduwwerking met zich brengt voor omliggende woningen en gebouwen dat niet kan worden voldaan aan de TNO-normen dan wel tot een onacceptabele schaduwwerking.

Daarbij is overigens ook van belang dat een aanzienlijk groter bouwvolume (complex D'r Pool) wordt gesloopt, wat - hoewel niet in beeld gebracht in de genoemde bezonningsstudie - ook tot voordelige gevolgen voor de bezonning van omliggende gebouwen zal leiden. 4.14.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bezonning voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen oplevert en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

54

bestemmingsplan D'r Pool

4.15

Windhinder

4.15.1 Theoretisch kader Het is algemeen bekend dat wind de nodige hinder kan opleveren en zelfs gevaarlijk kan zijn. Dit kan het geval zijn bij bepaalde (buiten)activiteiten zoals fietsen en wandelen, maar ook bij verblijf c.q. bewoning in hoge gebouwen. Des te meer als dergelijke gebouwen voorzien zijn van een balkon, dakterras of andere buitenruimte zonder beschutting of overkapping. Bij hoogbouw kan wind dus het verblijf in (de directe omgeving van) deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. Ten aanzien van windhinder en -gevaar voor hoogbouw kent de Nederlandse wet- en regelgeving geen concrete bepalingen. Dit betekent niet dat in een bestemmingsplan hiermee geen rekening hoeft te worden gehouden. De juridische grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder is gebaseerd op 'een goede ruimtelijke ordening' als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan het dus van belang zijn om te onderzoeken of het aspect windhinder voor de beoogde ontwikkeling geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat oplevert. Sinds 2006 bestaat de beoordelingsmethode NEN 8100, waarmee de mate van windhinder (en -gevaar) beoordeeld kan worden. Hierbij wordt gelet op de uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar.

In een tabel is daarbij voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Tevens geeft de NEN 8100 een beslismodel waarmee kan worden nagegaan of een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: Gebouw hoger dan 30 meter = windonderzoek nodig. Beschut gelegen gebouw, hoogte 15 tot 30 meter = nader te bepalen of windonderzoek nodig is.* Onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter = nader te bepalen of windonderzoek nodig is.* * Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals aanwezigheid van omliggende bebouwing, locatie van het betreffende gebouw, bouwhoogte en bouwmassa. 4.15.2 Indicatief onderzoek De binnen het bouwplan voorziene bouwmassa's worden met maximaal 6 bouwlagen niet hoger dan 30 meter. De grondgebonden worden met 3 bouwlagen komen niet aan de 15 meter hoogte en het complex op de hoek van de Kapellaan en de Putgang en een groot deel van het complex langs de Engerweg zal om en nabij de 15 meter hoog worden. Volledigheidshalve is toch een indicatief windhinderonderzoek conform NEN 8100 verricht door Peutz dat als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd.

Die bijlage bestaat uit het oorspronkelijk onderzoek dat is verricht ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan en een aanvullende notitie waarin wordt ingegaan op de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht in dit plan. In de rapporten wordt - afhankelijk van de activiteitenklasse - de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met ‘goed’, ‘matig’ of ‘slecht’. Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Opgemerkt wordt dat de natuurlijke gebruiksmomenten van terrassen en buitenruimten doorgaans niet vaak samenvallen met ongunstige windomstandigheden. Zo zal een relatief groot deel van voorkomende windhinder optreden in de winter. In de norm wordt daar geen rekening mee gehouden.

Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor 'slenteren' in plaats van langdurig zitten, met een streefwaarde van minder dan 5%.

bestemmingsplan D'r Pool

55

Rondom de nieuwe bebouwing Uit het onderzoek blijkt dat het te verwachten windklimaat voor de activiteit 'doorlopen' als 'slenteren' in zowel de huidige situatie (rond recreatiecomplex D'r Pool) als de nieuwe situatie (na realisatie nieuwe bebouwing) nagenoeg overal goed is. Enkel ter hoogte van de mogelijke, relatief smalle doorgang tussen het appartementencomplex langs de Engerweg en de meest noordelijk gelegen grondgebonden woning wordt het klimaat voor de activiteit 'slenteren' als matig beoordeeld direct nabij de nieuwe bebouwing, mocht die doorgang worden gerealiseerd.

Omgeving plangebied Op basis van de activiteit slenteren wordt het windklimaat voor nagenoeg het hele gebied rondom de planlocatie beoordeeld als 'goed'. De enige uitzondering gaat op voor het gebied westelijk gelegen van D'r Pool/het plan (tussen D'r Pool/het plan en Hambos, groene kleur), waar het lokaal te verwachten windklimaat voor deze activiteit wordt beoordeeld als 'matig'. Deze activiteit, slenteren, is alleen van toepassing bij windgevoelige functies. Een matig windklimaat voor de activiteit doorlopen ('slecht' voor de activiteit slenteren) wordt gevonden in het gebied ten noorden van het Hambos op circa 40 meter afstand van het plan. Deze situatie treedt op in de huidige situatie en zal niet wijzigen als gevolg van realisatie van het bouwplan. De hogere kans op de overschrijding van de drempelwaarde voor windhinder in de gebieden noordelijk en zuid-oostelijk van het Hambos is een gevolg van de dominante zuid-westelijke wind, welke de zuidelijke en westelijke gevel van het gebouw in grote maten ongestoord kan aanstromen. In het noordelijk gelegen gebied boven het Hambos is tevens sprake van trechtervorming tussen de twee gebouwen, dit effect draagt bij aan de grotere overschrijdingskans van de drempelwaarde voor windhinder.

Balkons omgeving Tevens is er in de rapportage aandacht besteed aan de entrees en balkons van de appartementencomplexen die zich bevinden aan de Kapellaan. In een gesprek met de Gemeente Kerkrade hebben bewoners aangegeven op deze locaties enige vorm van windhinder te ervaren. Uit de resultaten van het onderzoek valt op te maken dat er nabij de entrees sprake is van een lage windhinderkans en dat het windklimaat, op basis van de NEN 8100, voor alle activiteiten wordt beoordeeld als goed. Het te verwachten windklimaat op de balkons van het 6-laagse appartementengebouw aan de Kapellaan-Engerweg is onderzocht voor zowel de huidige als de geplande nieuwe bebouwingssituatie. Hieruit valt op te maken dat het te verwachte windklimaat op de balkons in de huidige situatie kan worden beoordeeld als goed (activiteit slenteren), alleen op het bovenste balkon wordt het windklimaat behalve grotendeels 'goed' ook zeer lokaal als 'matig' beoordeeld. In de situatie met de geplande bebouwing neemt de hinderkans enigszins af waarbij er geen sprake meer is van de beoordeling 'matig'. NB als eerder opgemerkt vallen de natuurlijke gebruiksmomenten van terrassen en buitenruimten doorgaans niet vaak samen met ongunstige windomstandigheden. Zo zal een relatief groot deel van voorkomende windhinder optreden in de winter. In de norm wordt daar geen rekening mee gehouden.

Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor 'slenteren' in plaats van 'langdurig zitten', met een streefwaarde van minder dan 5%. Om die reden is ook voor de balkons getoetst voor de activiteit 'slenteren'.

Balkons nieuwbouw Het te verwachte windklimaat op de balkons van het nieuwbouwplan wordt over het algemeen beoordeeld als 'goed'. Zeer lokaal, op de meest zuidelijk balkons welke uitkijken op de Putgang, wordt het windklimaat

56

bestemmingsplan D'r Pool

beoordeeld als 'matig'.

Gevaarcriterium Op basis van de berekeningen is er in het gebied rond de geplande nieuwbouw geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten. 4.15.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het te verwachten windklimaat als gevolg van onderhavig planvoornemen geen belemmeringen oplevert en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

bestemmingsplan D'r Pool

57

58

bestemmingsplan D'r Pool

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische opzet

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.

5.2

Planonderdelen

Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.

5.3

Inhoud algemeen

Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.

5.4

Regels

De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. 2. 3. 4.

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels;

bestemmingsplan D'r Pool

59

5. 6. 7. 8.

Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.

Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

5.5

Artikelsgewijze toelichting

Hierna volgt per bestemming een beschrijving van de opgenomen regels: 5.5.1 Groen

Bestemmingen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen in de vorm van parken, plantsoenen, groenstroken met eventueel water- of vijverpartijen. Daarnaast zijn onder meer openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen, afvoeren en/of zuiveren van hemelwater toegestaan. Ten aanzien van gebouwen geldt dat deze alleen zijn toegestaan ten behoeve van openbaar nut. De omvang daarvan is met een maximum bouwhoogte van 3 meter en een maximum oppervlakte 15 m2 beperkt. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een gedifferentieerde regeling opgenomen voor wat betreft de toelaatbare bouwhoogte. Daarbij is ook ruimte geboden voor eventueel te treffen maatregelen voor vleermuizen of andere faunasoorten. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of bouwhoogte.

Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen (bestaande uit maximaal 2 rijstroken), voeten fietspaden, verblijfsdoeleinden, parkeer- en stallingsvoorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen, afvoeren en/of zuiveren van hemelwater. Ten aanzien van gebouwen geldt dat deze alleen zijn toegestaan ten behoeve van openbaar nut. De omvang daarvan is met een maximum bouwhoogte van 3 meter en een maximum oppervlakte 25 m2 beperkt. Voor

60

bestemmingsplan D'r Pool

bouwwerken, geen gebouwen zijnde toelaatbare bouwhoogte.

is een gedifferentieerde regeling opgenomen voor wat betreft de

Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of bouwhoogte

Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals onder andere tuinen, erven, terreinen en verhardingen ten behoeve van (perceels)ontsluiting en parkeervoorzieningen. Voor het bouwen van woningen geldt dat woningen uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van het op de verbeelding aangeduide bouwvlak, waarbij de voorgevel dient te zijn georiënteerd richting openbaar toegankelijk gebied. Het maximum aantal bouwlagen waarin mag worden gebouwd is op de verbeelding aangeven. Woningsplitsing, kamerbewoning en woningomzetting is expliciet aangemerkt als strijdig gebruik. Ten aanzien van bijgebouwen geldt dat deze mogen worden opgericht, vrijstaand van, dan wel aangebouwd aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat de bijgebouwen op minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn dienen te worden gebouwd. Het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen mag niet meer dan 70 m2 per bouwperceel bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer dan 50% mag bedragen.

Voor bouwwerken ten dienste van het openbaar nut geldt dat de bouwhoogte en oppervlakte maximaal 3 meter, respectievelijk 25 m2 mag bedragen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en voor verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met uitzondering van antennes en vlaggenmasten en terreinafscheidingen. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van de situering van de voorgevel, bouwwerken ten dienste van openbaar nut en terreinafscheidingen.

bestemmingsplan D'r Pool

61

62

bestemmingsplan D'r Pool

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Economische haalbaarheid

6.1.1 Kostenverhaal en grondexploitatie Bij de onderbouwing van de financieel-economische uitvoerbaarheid zijn twee aspecten van belang. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of en zo ja, welke kosten aan het planvoornemen zijn verbonden voor de gemeente en tevens dient te worden aangetoond dat het planvoornemen zodanig realistisch is dat het daadwerkelijk kan worden gerealiseerd binnen de planperiode van het bestemmingsplan. De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. 2. 3.

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is.

Het planvoornemen is aan te merken als een bouwplan als bedoeld in 6.2.1 Bro, waardoor kostenverhaal aan de orde is. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Kerkrade. Een fasering zoals in punt 2 en de regels als bedoeld onder 3 worden niet noodzakelijk geacht. Het kostenverhaal wordt voorts anderszins verzekerd door (de verhaalbare) exploitatiekosten zoveel mogelijk te verdisconteren in de verkoopprijs van de gronden. Er wordt weliswaar een exploitatietekort voorzien, daarvoor geldt dat dat wordt gedekt door financiële middelen van de gemeente zelf, waarmee de gemeenteraad op 17 november 2022 heeft ingestemd. Gezien het voorgaande kan dus worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Ten aanzien van eventuele planschade kan worden opgemerkt dat gelet op de huidige planologische mogelijkheden en rekeninghoudend met een normaal maatschappelijk risico, er redelijkerwijs geen dusdanige planschade wordt verwacht dat dit de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.2

De maatschappelijke haalbaarheid

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 61 woningen die voor wat betreft aantal en maatvoering passen in hun omgeving. Er wordt voorzien in de transformatie van een bestaande bebouwde locatie nabij het centrum van Kerkrade. Daarmee wordt voorkomen dat verloedering ontstaat wanneer het complex na de ingebruikname van 'Vie' zijn functie verliest. Daarbij neemt de bebouwing in oppervlakte en massaliteit aanzienlijk af. Als onderdeel van het proces van 'idee tot plan' zijn diverse bijeenkomsten met belanghebbenden als woningen belegd, waarin de beoogde plannen zijn gepresenteerd en waarbij gelegenheid is geboden eventuele zorgen uit te spreken. De door omwonenden geuite suggesties c.q. opmerkingen met betrekking tot bouwhoogtes en inkijk zijn zoveel als mogelijk verwerkt in het stedenbouwkundig plan. Enkele omwonenden zijn bevreesd voor inkijk in hun woning dan wel achtertuin vanuit met name de appartementengebouwen. Gelet op de bestaande en beoogde bouwhoogten is aan de zijde van de Putgang nagenoeg geen wijziging plaatsvindt van inkijk, onder meer vanwege vanwege de al aanwezige tuinmuur met hoge hagen rondom. Voor de zijde van de Stationsstraat geldt dat daaraan gedeeltelijk tegemoet is gekomen door een grotere afstand te creëren tussen de appartementengebouwen en de achtertuinen van de woningen

bestemmingsplan D'r Pool

63

aan de Stationsstraat. Ook daarvoor geldt echter dat er in de huidige situatie al sprake is van inkijk vanuit D'r Pool. Hoewel enige vorm van inkijk niet kan worden uitgesloten heeft onderhavig planvoornemen geen zodanige impact op de privacy dat sprake is van onevenredige nadelige gevolgen voor omwonenden. Zie ook paragraaf 2.5 op dit punt. Voorts is een aantal bewoners aan de Stationsstraat bevreesd voor mogelijke geluidoverlast van te plaatsen warmtepompen en airconditioningsinstallaties op de daken van de nieuwe woningen en appartementen. Voor de geluidproductie van deze apparatuur zijn echter wettelijke normen van toepassing die zullen worden gerespecteerd. Bij de plaatsing van apparatuur zal hier rekening mee gehouden moeten worden. In aanvulling daarop is in paragraaf 4.4.5 de cumulatieve geluidsbelasting van deze voorzieningen beschouwd. Daaruit volgt dat geen sprake zal zijn van een dusdanige geluidsbelasting dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bovendien is in de planregels vastgelegd dat de cumulatieve geluidsbelasting op omliggende woningen de 45 dB niet mag overschrijden. Gelet op het voorgaande en de belangenafweging die uit deze toelichting volgt, wordt met dit planvoornemen voorzien in een goede ruimtelijke ordening en een uitvoerbaar plan.

64

bestemmingsplan D'r Pool

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

De te volgen procedure

Een bestemmingsplan doorloopt in beginsel de volgende procedure: a. Voorbereiding: Vooroverleg met instanties Watertoets b. Ontwerp: 1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan) c. Vaststelling: Vaststelling door de Raad 2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan) Mogelijkheid reactieve aanwijzing d. Beroep: Beroep bij Raad van State (Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan

7.2

Het vooroverleg met instanties

Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is aangeboden aan de betrokken instanties, in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening. De provincie Limburg heeft in haar reactie gevraagd om de toelichting te actualiseren op basis van recente en korte termijn voorziene aanpassingen van haar verordening, hetgeen ook is verwerkt in dit ontwerpbestemmingsplan (paragraaf 3.3.2). Het Waterschap Limburg laat weten geen inhoudelijke opmerkingen te hebben ten aanzien van het plan, nu de geadviseerde norm voor de opvang van hemelwater (80 mm per m2 ) is gehanteerd en geborgd. Wel blijven ze graag betrokken bij de verdere uitwerking van het hemelwatersysteem, waarin ook zal worden voorzien.

7.3

Ontwerp-bestemmingsplan

Een ontwerp van dit bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen met ingang van 16 februari 2023. Van de terinzagelegging is vooraf kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad (2023, nr 62894) en in het Stadsjournaal. Gedurende die periode zijn drie zienswijzen ingediend die zijn samengevat en van commentaar zijn voorzien in de als bijlage bij het raadsbesluit gevoegde Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. In die nota wordt ook ingegaan op de wijzigingen in het plan ten opzichte van het ontwerp, anders dan naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen.

bestemmingsplan D'r Pool

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=1c8c01f9-b796-4276-aebe-46e2060bedbd