CConstaterende datKerkrade
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Algemene Zaken en Middelen 12 juni 2025, gemeente Kerkrade31.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van de provincie, de Minister, de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. 6. Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

Artikel 33 - Reservevorming 1. Een batig saldo dat afkomstig is van de in artikel 27, eerste lid bedoelde bijdragen kan worden bestemd voor vorming van of toevoeging aan de reserve, of kan worden uitbetaald. De hoogte van deze reserve wordt bepaald door het algemeen bestuur, gehoord de Minister, de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de reserve wordt het saldo naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de Minister, de gemeenten en het waterschap. 2. De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de Minister, de gemeenten en het waterschap van dat jaar.

HOOFDSTUK XI. HET ARCHIEF

Artikel 34 - Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg. 2. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg wordt aangewezen de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast een door het algemeen bestuur aan te wijzen archivaris. 6. De archivaris, bedoeld in het vijfde lid, brengt tweejaarlijks verslag uit aan het dagelijks bestuur over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7.

Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg.

HOOFDSTUK XII. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 35 - Toetreding 1. Toetreding tot de regeling vindt plaats bij schriftelijk verzoek van het bestuursorgaan dat wenst toe te treden, onverminderd het bepaalde in artikel 95 van de wet. 2. Toetreding kan slechts plaatsvinden wanneer twee derde van de deelnemers daartoe besluiten, onverminderd het bepaalde in artikel 95 van de wet. 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.

Artikel 36 - Uittreding 1. Uittreding uit de regeling geschiedt door toezending van het daartoe strekkende besluit van de Minister, het college van de uittredende gemeente of het dagelijks bestuur van het waterschap. De colleges overleggen daarbij ook het besluit tot toestemming van de raad van de gemeente. Het dagelijks bestuur van het waterschap overlegt daarbij ook het besluit tot toestemming van het algemeen bestuur van het waterschap. 2. De Minister, het college of het dagelijks bestuur van het waterschap zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van één jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding en de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, en legt deze vast in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. Het uittredingsplan bevat een omschrijving van de juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding.

5. Het algemeen bestuur onderzoekt met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Dit hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. 7. Het derde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op de uittreding uit de regeling door de Minister.

Artikel 37 - Uittreedsom 1. De uittreedsom wordt als volgt bepaald: de uittredende deelnemer betaalt in het eerste kalenderjaar na de uittreding 100%, in het tweede jaar 80%, in het derde jaar 60%, in het vierde jaar 40% en in het vijfde jaar 20% van de bijdrage die de uittredende deelnemer in het laatste jaar van zijn deelname heeft betaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uittreding uit de regeling door de Minister.

Artikel 38 - Wijziging

1. Deze regeling kan worden gewijzigd bij besluit van ten minste twee derde van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 95 van de wet. 2. Een voorstel tot wijziging kan worden gedaan door het bestuur of door een deelnemer.

Artikel 39 - Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één. 2. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de Minister, de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze naar voren te brengen. 3. Bij opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan vast dat voorziet in de financiële en andere gevolgen van de opheffing. Hierbij kan zo nodig van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan voorziet zoveel mogelijk in de herplaatsing van het personeel en de financiële gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. 5. Voordat het algemeen bestuur het liquidatieplan vaststelt, worden de deelnemers daarover gehoord. 6. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan. De bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg blijven zo nodig ook na de opheffing in functie tot de liquidatie is voltooid.

HOOFDSTUK XIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 40 – Evaluatie en inwerkingtreding

1. De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2029. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen. 2. Het college van de gemeente Maastricht maakt de regeling tijdig bekend in het door Maastricht uitgegeven Gemeenteblad. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging en opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 95 jo. 62 jo. 26, tweede lid, van de wet. 5. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op toetredingen, uittredingen en wijzigingen van de regeling.

Artikel 41 Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Eppo Bruins

Burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen De burgemeester,

De secretaris,

R. Wever

V. Gosselink

Burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht De burgemeester,

De secretaris,

W. Hillenaar

G.J. Kusters

Toelichting Algemeen Met ingang van 1 januari 2026 zijn het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Kerkrade, Landgraaf, Meerssen, Simpelveld, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg toegetreden tot de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg. Ten behoeve van deze toetreding, is de onderhavige regeling gewijzigd. Waar nodig is in de artikelen naar de (organen van de) toetreders verwezen. Ook zijn de verwijzingen naar de juiste artikelen van de Wet gemeenschappelijke regelingen waar nodig aangepast. Enkele overige wijzigingen worden hierna per artikel nader toegelicht.

Artikelsgewijs Artikel 1 De definitiebepalingen zijn uitgebreid met de (organen van) de toetreders. Artikel 4 Artikel 2b is vernummerd tot artikel 4. Dit artikel ziet op de werkzaamheden, taken en bevoegdheden die de deelnemers aan het bestuur van de archiefdienst overdragen. De verwijzingen naar de artikelen uit de Archiefwet, die zien op de archiefbescheiden van waterschappen, zijn aan dit artikel toegevoegd. Artikel 6 en 7 Deze artikelen zijn aan de regeling toegevoegd. Artikel 6 ziet op het maken van werkafspraken tussen het Historisch Centrum Limburg en elk van de deelnemers. Artikel 7 heeft betrekking op de mogelijkheid van dienstverlening aan anderen dan de deelnemers. Uiteraard binnen de begrenzing van het aanbestedingsrecht. Artikelen 9 tot en met 13 Voorheen waren dit de artikelen 4 tot en met 9. Deze artikelen zien op het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De bepalingen over het aantal leden van en de stemverhoudingen binnen het algemene bestuur zijn aangepast vanwege de voormelde toetreding. Ook is een artikel toegevoegd waarin de werkwerkwijze van het algemeen bestuur wordt beschreven, waaruit onder meer voortvloeit wanneer de vergaderingen openbaar zijn. Ook is een artikel toegevoegd op grond waarvan het algemeen bestuur commissies kan instellen.

De bepalingen die zagen op het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van verantwoording door (een lid van) het algemeen bestuur, zijn verplaatst naar Hoofdstuk VIII, dat in zijn algemeenheid ziet op het verstrekken van informatie en de verantwoordingsplicht. Artikelen 14 tot en met 16 Voorheen waren dit de artikelen 10 tot en met 13. Deze artikelen zien op het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De wijze waarop de leden van het dagelijks bestuur door en vanuit het algemeen bestuur worden aangewezen, is aangepast. De bepalingen die zien op de werkwijze van het dagelijks bestuur zijn samengevoegd in één artikel. Artikel 19 en 20 Deze artikelen zijn toegevoegd en zien op de inlichtingen- en verantwoordingsplicht. Deze artikelen zijn zowel voor het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur van het Historisch Centrum Limburg relevant. Artikelen 26 tot en met 33

Voorheen waren dit de artikelen 16 tot en met 25. Deze artikelen bevatten de financiële bepalingen. Waar nodig zijn de artikelen aangepast vanwege het toegenomen aantal deelnemers. De wijze waarop de deelnemers de verschuldigde jaarlijkse bijdrage voldoen, is aangepast. Ook is toegevoegd dat het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting en de meerjarenraming tenminste twaalf weken voor aanbieding aan het algemeen bestuur, toezendt aan de raden van de gemeenten en aan het algemeen bestuur van het waterschap. Artikelen 35 tot en met 39 Voorheen waren dit de artikelen 33 tot en met 37. Deze artikelen zien op de toetreding, uittreding, wijziging en opheffing. De regeling hieromtrent is inhoudelijk gewijzigd, met inachtneming van (de toename van) het aantal (nieuwe) deelnemers. Zo is onder meer de regeling omtrent het wijzigen van de regeling aangepast en is het artikel dat ziet op het opheffen van de regeling nader uitgewerkt. Voor de uittreding van de minister is een uitzondering op de bepalingen over de (financiële) gevolgen van de uittreding gemaakt. Reden hiervoor is dat de minister heeft aangekondigd ook na uittreding de financiering aan het Historisch Centrum Limburg in stand te houden op het niveau van het laatste jaar van deelname aan deze gemeenschappelijke regeling.

De afspraken over de samenwerking en ondersteuning van het Historisch Centrum Limburg zijn opgenomen in het “Bestuursconvenant duurzame samenwerking ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de regionale historische centra” d.d. 1 februari 2024.1 Het derde tot en met zesde lid van artikel 36 en het eerste lid van artikel 37 zijn om deze reden niet van toepassing op de uittreding door de minister. Wel zal de minister bij zijn uittreding met het Historisch Centrum Limburg in gesprek gaan over kosten die mogelijk alsnog met de uittreding samenhangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Eppo Bruins

Burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen De burgemeester, De secretaris,

R. Wever

1

Stcrt 2024, 6919.

V. Gosselink

Burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht De burgemeester, De secretaris,

W. Hillenaar

G.J. Kusters

Doorlopende tekst ontwerpwijzigingsregeling met uittreding Rijk en wijziging Archiefwet

Gemeenschappelijke Regeling Historisch Centrum Limburg Het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Brunssum, EijsdenMargraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, Gelet op hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen, Overwegende dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap per 1 januari 2027 is uitgetreden uit de gemeenschappelijke regeling, Overwegende dat de Archiefwet 20xx per 1 januari 2027 in werking is getreden; Overwegende dat er als gevolg van de voormelde uittreding en inwerkingtreding van de Archiefwet 20xx een wijziging van de gemeenschappelijke regeling van het Historisch Centrum Limburg vereist is, Besluiten: vast te stellen de wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Historisch Centrum Limburg met ingang van 1 januari 2027, waardoor deze als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 - Definities In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. Archiefwet: Archiefwet 20xx; b. college(s): het/de college(s) van burgemeester en wethouders van (één van) de gemeente(n); c. decentrale archiefdienst: de decentrale archiefdienst als bedoeld in artikel 6.2 van de Archiefwet; d. deelnemers: de colleges en het dagelijks bestuur van het waterschap; e. document: document als bedoeld in artikel 1.1 van de Archiefwet; f. gemeenten: de gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal; g. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; h. provincie: de provincie Limburg; i. regeling: de gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg; j. waterschap: het Waterschap Limburg; k. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen

HOOFDSTUK II. HET RECHTSPERSOONLIJKHEID BEZITTEND LICHAAM

Artikel 2 – Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam genaamd Historisch Centrum Limburg, dat gevestigd is in Maastricht. 2. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.

Artikel 3 – Bestuursorganen Het bestuur van het Historisch Centrum Limburg bestaat uit: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter.

HOOFDSTUK III. BELANG, DOEL EN TAKEN

Artikel 4 - Belang 1. De regeling is getroffen in het belang van: -

een adequate uitvoering van de taken, bevoegdheden en verplichtingen uit de Archiefwet;

-

het duurzaam toegankelijk maken en houden van documenten en cultureel erfgoed, en;

-

het blijvend onder de aandacht brengen van documenten en cultureel erfgoed onder een breed publiek.

2. De deelnemers wijzen het Historisch Centrum Limburg in verband met de behartiging van de voormelde belangen tevens aan als decentrale archiefdienst die is belast met de bewaring en beschikbaarstelling van de blijvend te bewaren documenten van de deelnemers als bedoeld in artikel 6.2 van de Archiefwet. 3. Het Historisch Centrum Limburg voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, de archiefverordeningen, het archiefbeleid en het cultuurhistorisch beleid van de gemeenten en het waterschap mede uit.

Artikel 5 – Doel en taken 1. Het Historisch Centrum Limburg heeft tot doel om het archiefbeheer en de archieftaken uit te voeren die de deelnemers aan het algemeen bestuur hebben overgedragen, te weten: a.

de taken en bevoegdheden die voortvloeien uit de artikelen 2.2, tweede en derde lid. Concreet wordt in dat verband gewezen naar de taken en bevoegdheden zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4, 5 en 7 en de artikelen 9.3, 9.4, 10.4 en 10.5, 10.6 van de Archiefwet;

b.

de aanwijzing van een archivaris als bedoeld in de artikelen 6.2, tweede lid en 6.3, tweede lid van de Archiefwet;

c.

Het verrichten van door de deelnemers opgedragen andere taken die verband houden met de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 4.

2. Ten behoeve van de uitvoering van de voormelde taken en bevoegdheden, treft het Historisch Centrum Limburg de in artikel 3.5 Archiefwet bedoelde voorzieningen omtrent de documenten van de deelnemers. 3. Voorts rusten op het Historisch Centrum Limburg de uitoefening van de taken en bevoegdheden die voortvloeien uit artikel 2.3 van de Archiefwet.

Artikel 6 – Werkafspraken met deelnemers 1. Ter uitvoering van de in artikel 5 opgenomen taken worden er per deelnemer werkafspraken gemaakt. 2. Het model van de werkafspraken wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en bevat ten minste de uitgangspunten en voorwaarden voor de werkzaamheden van het Historisch Centrum Limburg en de financiering daarvan.

Artikel 7 – Dienstverlening aan derden 1. Het Historisch Centrum Limburg is bevoegd om diensten voor derden, niet zijnde de deelnemers of de Minister, uit te voeren. 2. Het algemeen bestuur besluit daartoe op voorstel van het dagelijks bestuur. 3. Het dagelijks bestuur draagt ervoor zorg dat het Historisch Centrum Limburg het merendeel van zijn taken blijft uitvoeren voor de deelnemers en de Minister.

HOOFDSTUK IV. HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 8 – Omvang, samenstelling en beëindiging lidmaatschap 1. Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als dat er deelnemers zijn. 2. Iedere deelnemer wijst uit zijn midden één lid aan als lid van het algemeen bestuur. 3. Iedere deelnemer kan uit zijn midden voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt. 4. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het college dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap is benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering of uiterlijk binnen zes weken na de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode van het college of het dagelijks bestuur van het waterschap. 5. Het lidmaatschap eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid van het college of het dagelijks bestuur van het waterschap te zijn. 6. Indien tussentijds een vacature ontstaat wijst het betreffende college dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap ten spoedigste een nieuw lid aan.

7. Een lid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de voorzitter en aan het bestuursorgaan dat hem heeft aangewezen. Het lidmaatschap duurt voort tot het moment waarop in de opvolging is voorzien.

Artikel 9 – Werkwijze 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo vaak als de voorzitter of het dagelijks bestuur dat nodig oordeelt of wanneer tenminste twee leden dit onder opgave van redenen schriftelijk verzoeken. 2. De vergaderingen zijn openbaar. 3. De deuren worden gesloten wanneer de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt. 4. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 5. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

Artikel 10 - Stemverhouding 1. Er wordt voorzien in meervoudig stemrecht. 2. In de vergadering heeft ieder lid van het algemeen bestuur één stem, alsmede één stem voor elke volle € 500.000,- aan taken, producten en diensten die de deelnemer die het betreffende lid vertegenwoordigt van het Historisch Centrum Limburg afneemt. 3. Voor de vaststelling van de in het vorige lid bedoelde bijdrage en daarmee het aantal stemmen geldt de vastgestelde begroting van het Historisch Centrum Limburg als uitgangspunt. De in het vorige lid bedoelde stemverhouding geldt dan ook voor de begroting van dat jaar.

Artikel 11 – Besluitvorming 1. Besluiten worden op basis van een gewone meerderheid van stemmen genomen. 2. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 3. Het tweede lid is niet van toepassing: a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een aanwijzing, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; b. voor zover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. 4. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet.

Artikel 12 – Taken en bevoegdheden 1. Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling behoren tot de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur:

a.

het uitvoeren van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 5 van deze regeling;

b.

het vaststellen van de meerjaren- en jaarlijkse beleidsplannen en de daarbij behorende meerjarenraming;

c.

het vaststellen van de begroting, alsmede de wijziging daarvan;

d.

het vaststellen van de jaarrekening;

e.

het vaststellen van de winstbestemming/verliesdekking;

f.

het vaststellen van verordeningen;

g.

het oprichten van, het mede oprichten van en het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang;

h. het besluiten tot het verlenen van ontslag aan een lid van het dagelijks bestuur. 2. Een besluit over het in het vorige lid, aanhef en onder g genoemde onderwerp wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap een ontwerpbesluit is toegezonden en zij in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

Artikel 13 – Commissies 1. Het algemeen bestuur kan, naast commissies van advies, commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. 2. De instelling van commissies, de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling alsmede de vaststelling van andere nadere regelingen met betrekking tot het functioneren van commissies, geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 en 25 van de wet.

HOOFDSTUK V. HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 14 – Omvang, samenstelling en werkwijze 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, te weten de voorzitter en twee andere leden, die op de hiernavolgende wijze door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen: -

één lid op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van Maastricht en Heerlen; twee leden op voordracht van de overige leden van het algemeen bestuur.

3. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. 4. Indien tussentijds een vacature ontstaat wijst het algemeen bestuur ten spoedigste een nieuw lid aan. 5. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. 6. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen, voor zover niet anders is bepaald in de regeling.

Artikel 15 - Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als één of meer leden van het dagelijks bestuur dit nodig oordelen. 2. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 3. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, een nieuwe vergadering. 4. Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

Artikel 16 – Taken en bevoegdheden Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met: a. het voeren van het dagelijks bestuur van het Historisch Centrum Limburg; b. het uitoefenen van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 5 van deze regeling; c. beslissingen van het algemeen bestuur voorbereiden en uitvoeren; d. regels vaststellen over het personeel van het Historisch Centrum Limburg; e. besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het Historisch Centrum Limburg, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 12 lid 1 sub h van deze regeling; f. besluiten namens het Historisch Centrum Limburg, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; g. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring van recht of bezit; h. het beheer van de activa en passiva van het Historisch Centrum Limburg, en; i. de zorg, voor zover deze van het dagelijks bestuur afhangt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het Historisch Centrum Limburg.

HOOFDSTUK VI. DE VOORZITTER

Artikel 17 – Aanwijzing voorzitter Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter respectievelijk vice-voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aan. Het dagelijks bestuur zal hiervoor in de eerste vergadering in de nieuwe samenstelling een voorstel doen aan het algemeen bestuur.

Artikel 18 – Taken en bevoegdheden 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 2. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan.

3. De voorzitter vertegenwoordigt het Historisch Centrum Limburg in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.

HOOFDSTUK VII. INFORMATIE EN VERANTWOORDINGSPLICHT

Artikel 19 – Inlichtingenplicht 1. Het bestuur geeft de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap schriftelijk alle inlichtingen die de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 2. Het bestuur geeft de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap op hun verzoek, dan wel op verzoek van één of meer leden, zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 45 dagen, schriftelijk de door hen gevraagde inlichtingen. 3. Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap dat hem heeft aangewezen schriftelijk alle inlichtingen die door het college, het dagelijks bestuur van het waterschap of een of meer leden daarvan worden verlangd.

Artikel 20 - Verantwoordingsplicht De colleges, de raden van de gemeenten en het dagelijks en algemeen bestuur van het waterschap kunnen een lid van het algemeen bestuur, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

HOOFDSTUK VIII. INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Artikel 21 - Inspraak 1. Ingezetenen van de provincie Limburg en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers onderscheidenlijk het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur van het waterschap betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenten, het algemeen bestuur van het waterschap inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de provincie Limburg en belanghebbenden zal worden vormgegeven.

Artikel 22 - Zienswijzen 1. Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap

gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. 2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, het algemeen bestuur van het waterschap inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap twaalf weken de tijd om hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is, stelt het dagelijks bestuur de raden van de gemeenten, het algemeen bestuur van het waterschap inbegrepen, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

HOOFDSTUK IX. DE DIRECTEUR

Artikel 23 - Directeur 1. Het dagelijks bestuur beslist omtrent het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur van het Historisch Centrum Limburg. 2. Het dagelijks bestuur draagt er zorg voor dat er periodiek een functionerings- en beoordelingsgesprek met de directeur plaatsvindt.

Artikel 24 - Instructie 1. Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast. 2. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Artikel 25 - Taken 1. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een adviserende stem. 2. Alle stukken, die van het algemeen of het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de directeur mede ondertekend.

HOOFDSTUK X. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 26 – Organisatie financieel beheer 1. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van de vermogenswaarden van het Historisch Centrum Limburg, alsmede regels met betrekking tot het toezicht daarop.

2. Bij het vaststellen van de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld wie met het doen van ontvangsten en betalingen van het Historisch Centrum Limburg en met de zorg voor de boekhouding zijn belast. 3. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de artikelen 212 tot en met 215 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27 – Bijdrage deelnemers 1. De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen middelen worden verschaft door de gemeenten en het waterschap door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting. De jaarlijkse bijdrage per deelnemer wordt berekend op basis van de verdeelsleutel die in ieder geval is opgenomen in de in artikel 6 bedoelde werkafspraken. 2. De deelnemers dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om zijn verplichtingen te voldoen. 3. De deelnemers voldoen de verschuldigde jaarlijkse bijdrage in gelijke delen bij wijze van voorschot in vier termijnen (1 januari – 1 april – 1 juli en 1 oktober), tenzij in de werkafspraken anders is bepaald. 4. Bij het vaststellen van de jaarrekening stelt het algemeen bestuur de definitieve bijdragen van de deelnemers vast en worden de betaalde voorschotten verrekend, met dien verstande dat de definitieve bijdrage nooit hoger mag zijn dan de bijdragen zoals die volgen uit de vastgestelde of gewijzigd vastgestelde begroting.

Artikel 28 – Kaders en begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. 2. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks uiterlijk 30 april aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van het Historisch Centrum Limburg en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en de meerjarenraming zo spoedig mogelijk maar tenminste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten en aan het algemeen bestuur van het waterschap. 3. In de toelichting op de ontwerpbegroting worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke belangen en resultaten het Historisch Centrum Limburg met de activiteiten nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroepen zij zijn bestemd. 4. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling geschiedt openbare kennisgeving. 5. De raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 6. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in

kennis van zijn oordeel over de zienswijzen, bedoeld in het vijfde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 29 – Vaststelling begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. De begroting wordt bij unanimiteit vastgesteld. 2. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de gemeenten en aan het algemeen bestuur van het waterschap die ter zake bij gedeputeerde staten van de provincie hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval uiterlijk 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 30 – Wijziging begroting 1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 2. De artikelen 28, tweede, vijfde en zesde lid en 30, eerste en tweede lid, zijn, met uitzondering van de in artikel 29, tweede lid genoemde termijn, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. De vorige zin geldt niet voor die wijzigingen, waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen, bedoeld in artikel 27. 3. Het dagelijks bestuur zendt de begrotingswijziging binnen vier weken na de vaststelling aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 31 – Jaarrekening 1. Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening en het jaarverslag aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. De voorlopige jaarrekening gaat vergezeld van een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet en artikel 109 van de Waterschapswet. 2. Het dagelijks bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt verleend aan door of namens de accountant(s) van de gemeenten of het waterschap in te stellen onderzoeken naar de door de accountant, bedoeld in het eerste lid, verrichte (controle)werkzaamheden. 3. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van de provincie, de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. 5. Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

Artikel 32 - Reservevorming 1. Een batig saldo dat afkomstig is van de in artikel 27 lid 1 bedoelde bijdragen kan worden bestemd voor vorming van of toevoeging aan de reserve, of kan worden uitbetaald. De hoogte

van deze reserve wordt bepaald door het algemeen bestuur, gehoord de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de reserve wordt het saldo naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de gemeenten en het waterschap. 2. De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de gemeenten en het waterschap van dat jaar.

HOOFDSTUK XI. HET ARCHIEF

Artikel 33 - Archief 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg. 2. De directeur is belast met het beheer van de documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg die niet zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg wordt als verantwoordelijk overheidsorgaan aangewezen het college van de gemeente Maastricht. 5. Met het toezicht op het beheer van de documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht, is belast een door het dagelijks bestuur aan te wijzen archivaris. 6. De archivaris, bedoeld in het vijfde lid, brengt tweejaarlijks verslag uit aan het dagelijks bestuur over het toezicht op het beheer van de documenten van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, die nog niet zijn overgebracht. 7. Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de documenten en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg.

HOOFDSTUK XII. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 34 – Toetreding 1. Toetreding tot de regeling vindt plaats bij schriftelijk verzoek van het bestuursorgaan dat wenst toe te treden, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet. 2. Toetreding kan slechts plaatsvinden wanneer twee derde van de deelnemers daartoe besluiten, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet. 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.

Artikel 35 - Uittreding

1. Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet. 2. Een deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de in de regeling blijvende deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 5. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.

Artikel 36 – Procedure en inhoud van het uittredingsplan 1. Het in artikel 35, vierde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 4. De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 35 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.

Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 5. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 37 – Wijziging 1. Deze regeling kan worden gewijzigd bij besluit van ten minste twee derde van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet.

2. Een voorstel tot wijziging kan worden gedaan door het bestuur of door een deelnemer.

Artikel 38 – Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één. 2. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap naar voren te brengen. 3. Bij opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan vast dat voorziet in de financiële en andere gevolgen van de opheffing. Hierbij kan zo nodig van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan voorziet zoveel mogelijk in de herplaatsing van het personeel en de financiële gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. 5. Voordat het algemeen bestuur het liquidatieplan vaststelt, worden de deelnemers daarover gehoord. 6. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan. De bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg blijven zo nodig ook na de opheffing in functie tot de liquidatie is voltooid.

HOOFDSTUK XIV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39 – Evaluatie en inwerkingtreding 1. De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2029. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen. 2. Het college van de gemeente Maastricht maakt de regeling tijdig bekend in het door Maastricht uitgegeven Gemeenteblad. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging en opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 62 jo. 26, tweede lid, van de wet.

Artikel 40 Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg.

Toelichting

Algemeen Met ingang van 1 januari 20xx is de Archiefwet 2021 in werking getreden. Als gevolg hiervan is de minister van OCW als deelnemer uit de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg getreden. Vanwege de gewijzigde Archiefwet en de uittreding van de minister dient de onderhavige regeling gewijzigd te worden. De verwijzingen naar de minister zijn komen te vervallen. Ook zijn de verwijzingen naar de juiste artikelen van de Archiefwet waar nodig aangepast. Enkele overige wijzigingen worden hierna per artikel nader toegelicht. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 De begripsbepalingen zijn aangepast aan de gewijzigde begripsbepalingen van de Archiefwet 20XX. Artikel 4 en 5 De omschrijving van het belang, het doel en de taken die door de deelnemers aan het bestuur van de het Historisch Centrum Limburg zijn overgedragen, is aangepast aan de gewijzigde bepalingen van de Archiefwet 20XX. Artikel 8 en 10 De minister, vertegenwoordigd door een Rijksbestuurder, is niet langer lid van het algemeen bestuur. Deze artikelen zijn daarom aangepast. Dit heeft gevolgen voor het aantal leden en de stemverhoudingen binnen het algemeen bestuur. Artikel 14 De minister, vertegenwoordigd door een Rijksbestuurder, is niet langer lid van het dagelijks bestuur. Dit heeft gevolgen voor de aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur. Artikel 14 is daarop aangepast.

De aanwijzing van één lid op voordracht van de Minister is komen te vervallen. Artikelen 34 tot en met 38 (toetreding, uittreding, wijziging en opheffing) Nu de minister met de inwerkingtreding van de gewijzigde Archiefwet uit de regeling is getreden, zijn de bepalingen over toekomstige uittreding van de minister niet langer noodzakelijk. De artikelen zijn hierop aangepast. De regeling ten aanzien van het uittredingsplan en de uittreedsom is gewijzigd naar het "Limburgse model" en nader uitgewerkt.

B E H A N D E L B R I E F

Registratienummer: 25it00755 Het Presidium van de gemeente Kerkrade, handelend met mandaat van de gemeenteraad – ex artikel 3a lid 1 van het Reglement van orde voor de vergaderingen van de raadcommissies ter voorbereiding van de vergaderingen van de raad der gemeente Kerkrade – stelt de hieronder gekozen commissie(s) voor om in de openbaarheid te doen behandelen, het onderwerp: Onderwerp Zienswijze dossier “Huisvesting” Veiligheidsregio Zuid-Limburg

Algemene informatie Dit onderwerp is toegekend aan de commissie:

Te behandelen d.d.:

Algemene Zaken en Middelen

12 juni 2025

Aanleiding / toelichting De raad van de gemeente Kerkrade wordt in de gelegenheid gesteld haar zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van het voorgenomen besluit van de Veiligheidsregio ZuidLimburg (VRZL) inzake het dossier “Huisvesting”. De raad is op 20 januari 2025 over dit proces geïnformeerd via een RIB van de VRZL. De VRZL heeft ook op 12 en 17 februari informatieavonden voor gemeenteraadsleden over dit onderwerp gegeven. Ook de leden van de raad van Kerkrade waren daar voor uitgenodigd. Kader / afbakening Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Zuid-Limburg, Wet Veiligheidsregio’s en Wet gemeenschappelijke regelingen Wijze van behandelen Doel: Ter besluitvorming door de Raad

Gemeente Kerkrade, afdeling Griffie Telefoonnummer: 045-5676767 Gemeentehuis@kerkrade.nl

Bezoekadres: Markt 1 6461 EB Kerkrade Postadres: Postbus 600 6460 AP Kerkrade

1

B E H A N D E L B R I E F

Aard van het onderwerp: Eigen/ nieuw beleid

Vorm: Schriftelijke stukken:

Reeds toegezonden

Mondelinge toelichting: Ja Presentatie: Nee Anders, namelijk:

Tijdsduur Tijdsduur Tijdsduur

3 minuten minuten minuten

Bestuurlijke verantwoordelijke(n) Burgemeester Dassen-Housen

Ambtenaren en externen Aanwezig zullen zijn: Externen:

Ambtenaren:

- vertegenwoordiging van de VRZL (naam volgt.)

- mr. K. Heijens, senior Beleidsmedewerker OOV

Bijlage(n) 1. Aanbiedingsbrief Veiligheidsregio Zuid-Limburg; 2. Eindrapportage “Toekomstbestendige huisvesting brandweerkazernes Veiligheidsregio Zuid-Limburg”; 3. Bijlagenboek behorende bij Eindrapportage; 4. Aanvullende memo VRZL Huisvestingsdossier; 5. Aanbiedingsbrief raad; 6. Ontwerpbesluit zienswijze dossier “Huisvesting” Veiligheidsregio Zuid-Limburg; 7. Nota van Toelichting raad; 8. Concept-zienswijzenbrief voor Veiligheidsregio Zuid-Limburg.

Gemeente Kerkrade, afdeling Griffie Telefoonnummer: 045-5676767 Gemeentehuis@kerkrade.nl

Bezoekadres: Markt 1 6461 EB Kerkrade Postadres: Postbus 600 6460 AP Kerkrade

2

Agendapunt nr.:

Registratienummer: 25it00622 Sector: Bestuur

Kerkrade, 13 mei 2025

Aanbiedingsbrief aan de raad. Nr.: 25it00622 Hierbij bieden wij u ter overweging en beslissing een ontwerpbesluit, nr. 25Rb041, inzake zienswijze dossier “Huisvesting” Veiligheidsregio Zuid-Limburg aan. In de nota van toelichting, nr. 25Tl038, die het ontwerpbesluit vergezelt, zijn de overwegingen en nadere gronden aangegeven waarop het ontwerpbesluit berust.

Het college,

De secretaris,

dr. T.P. Dassen-Housen

R.M.J.S. Stijns

Ontwerpbesluit Nr.: 25Rb041

De raad van de gemeente Kerkrade; overwegende, • dat de gemeente Kerkrade deelneemt aan de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Zuid-Limburg de bepalingen van de GR Veiligheidsregio Zuid-Limburg;

kennis genomen hebbende van, • de nota van toelichting, nr. 25Tl038, behorende bij dit besluit; • de beraadslagingen in de Algemene Zaken en Middelen d.d. 12 juni 2025; • de door de VRZL aangeboden stukken;

gelet op, • programma: Veiligheid en Handhaving • gemeentelijk/regionaal beleidskader: GR Veiligheidsregio Zuid-Limburg • wetsartikel: Wet Veiligheidsregio’s; Wet gemeenschappelijke regelingen

besluit: I. Een neutrale zienswijze af te geven op de voorgenomen besluitvorming omtrent het “Huisvestingsdossier”, zoals verwoord in het conceptschrijven aan het Dagelijks Bestuur van de VRZL.

Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering d.d. 2 juli 2025.

De voorzitter van de raad,

dr. T.P. Dassen-Housen.

Documentnummer: 25Rb041

De griffier,

mr. drs. D.G.M.G. Franssen.

Nota van toelichting Nummer.: 25Tl038 25Tl038

Kerkrade, 13 mei 2025

Behorend bij ontwerpbesluit nummer: volgt

Onderwerp Zienswijze dossier “Huisvesting” Veiligheidsregio Zuid-Limburg Beslispunten I. Een neutrale zienswijze af te geven op de voorgenomen besluitvorming omtrent het “Huisvestingsdossier”, zoals verwoord in het conceptschrijven aan het Dagelijks Bestuur van de VRZL. Inleiding De gemeente Kerkrade participeert in de Veiligheidsregio Zuid-Limburg (hierna: VRZL). De VRZL is een gemeenschappelijke regeling van de 16 gemeenten in Zuid-Limburg en één van de 25 veiligheidsregio’s in Nederland. De VRZL is een hulpverleningsorganisatie en een netwerkorganisatie in één, die werkzaamheden uitvoert op het gebied van crisisbeheersing/rampenbestrijding en brandweerzorg. De brandweerzorg werd in onze regio in het verleden op een kleinere schaal georganiseerd dan thans het geval is. Omstreeks 2007-2008 heeft een regionalisering van de brandweerzorg plaats gevonden. Het onderdeel “huisvesting” is in het proces van regionalisering destijds niet volledig ontvlochten uit de gemeentelijke organisaties. In 2018 heeft het bestuur van de VRZL geconstateerd dat de kosten voor huisvesting nog sterk lokaal georiënteerd waren en geen recht deden aan het groeiende regionale karakter. Daarom is besloten dat de huisvestingskosten onderdeel zouden worden van de nieuwe kostenverdeelsleutel. In 2019 is tevens nieuw huisvestingsbeleid vastgesteld.

Daarin is bepaald dat nieuwe kazernes in eigendom van de veiligheidsregio komen en door de veiligheidsregio worden gefinancierd. Het doel van het regionaliseren van de huisvesting is om de kwaliteit en doelmatigheid van de brandweer te bevorderen. De VRZL heeft 26 brandweerkazernes waarvan er 9 in eigendom zijn en 17 worden gehuurd. Kazernes voldoen niet altijd aan de wettelijke eisen en er wordt niet gereserveerd voor ver- en nieuwbouw. Daarnaast zijn de huurafspraken per gemeente verschillend. Daarmee is het buitengewoon lastig om te voldoen aan het criterium van begrotingsrust. Dat criterium is belangrijk omdat gemeenten niet gebaat zijn bij een situatie waarbij in een hogere frequentie extra begrotingsclaims worden voorgelegd. Uit de in 2021 en 2022 gevoerde bestuurlijke dialoog ‘Verantwoorde brandweerzorg 2024-2030’ is een opdracht voortgekomen voor de uitwerking van toekomstige huisvestingsscenario’s. Uitgangspunten daarvoor zijn het regionale perspectief en de onderlinge regionale solidariteit. Met het traject in kwestie streeft de VRZL de volgende concrete doelen na: - Creëren van een stabiele begroting en een gelijkwaardigere verdeling van huisvestingskosten over gemeenten; 1

-

Toekomstige huisvestingsontwikkelingen uniform en regionaalkunnen uitvoeren; Het makkelijker en efficiënter kunnen realiseren van eenduidige huisvesting, conform de opgestelde bouwstenen; Door schaalgrootte efficiënter invulling kunnen geven aan verbouw, nieuwbouw en beheer; Het eenvoudiger door kunnen voeren van verduurzaming

Het resultaat van deze opdracht is in de vorm van een tweetal uitgewerkte scenario’s (“Basis op orde” en “Eigendom volledig bij VRZL”) aan het bestuur van de VRZL voorgelegd in april 2024. Uit die eerste bestuurlijke sondering kwam het beeld naar voren dat de overname van de volledige vastgoedportefeuille van de gemeenten naar de VRZL op enig moment in de nabije toekomst niet kon rekenen op voldoende steun. Door het Algemeen Bestuur van de VRZL werd aan de VRZL wel de volgende vervolgopdracht werd verstrekt: - Werk een scenario “Ingroeipad” uit, gekoppeld aan nieuwbouw of grootschalig onderhoud; en - Maak een voorstel voor de “Harmonisatie van de huurafspraken”, dat afdwingbaar en marktconform is, met een eenduidige demarcatie en een wettelijk en eenduidig niveau voor onderhoud en verduurzaming. Deze vervolgopdracht is in de periode april t/m oktober 2024 uitgewerkt door een (ambtelijke) werkgroep. Naast externe deskundigen en de VRZL, hebben alle deelnemende gemeenten hierin met financieel-, vastgoed- en OOV-deskundigen actief geparticipeerd. Het resultaat met alle bevindingen en adviezen is neergelegd in het Eindrapport Toekomstbestendige huisvesting brandweerkazernes Veiligheidsregio ZuidLimburg (Bijlage 2) met bijbehorend Bijlagenboek (Bijlage 3) en is gedeeld in het Algemeen Bestuur van de VRZL van begin december jongstleden.

Samengevat zijn de belangrijkste constateringen van de werkgroep: - De huidige situatie is niet toekomstbestendig. Het is hoe dan ook noodzakelijk een inhaalslag te maken om de basis op orde te krijgen. Dit staat los van de eigendomsvraag. De kosten zullen in de komende periode(n) onvermijdelijk stijgen. De grootste post hierin is de kapitaallasten, omdat er voor nieuwbouw niet wordt gereserveerd. Niet alle kazernes voldoen aan de wettelijke eisen inzake onderhoud en duurzaamheid en de huurafspraken zijn niet geüniformeerd; -

VRZL werkt geleidelijk toe naar volledig eigenaarschap van de huisvesting: de kosten worden regionaal verdeeld en nieuwe en ingrijpend verbouwde kazernes komen in eigendom van de veiligheidsregio;

-

Doel van de regionalisering van de brandweerkazernes is om enerzijds efficiënt en effectief in te kunnen spelen op de behoefte van de VRZL en de daaraan gestelde wettelijke eisen en anderzijds om vanuit een stabiele begroting de kosten gelijkwaardig over gemeenten te verdelen;

Op basis van de constateringen en de uitgevoerde analyses adviseert de werkgroep het volgende: - Kies voor het gebruik van het ROZ-model ‘huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte’, met de daarbij behorende algemene voorwaarden; -

Bekrachtig de opgestelde demarcatielijsten en de daarin gemaakte keuzes voor enkelvoudige en ‘gedeeld gebruik’ kazernes en het in beheer nemen van enkele cruciale onderdelen door VRZL;

-

Kies voor een berekening van kostprijsdekkende huur (variant 3), waarbij de huurprijs gebaseerd wordt op daadwerkelijk door de gemeente gemaakte kosten, inclusief een bijdrage voor beheer.

-

Harmoniseer de huurafspraken en huurprijs voor alle kazernes gelijktijdig per 1 januari 2026.

-

Bekrachtig de ambtelijk gekozen operationele uitgangspunten op het gebied van de beheerorganisatie, de technische staat gebouwen, het meerjaren onderhoudsplan (MJOP), het kwaliteitsniveau bij ver- en /of nieuwbouw en het moment van ver- en/of nieuwbouw; 2

-

Bekrachtig de ambtelijk gekozen financiële uitgangspunten op het gebied van gelijkwaardige inbreng, de grondpositie, de omgang met de begroting, de afschrijvingstermijnen, de financieringswijze, de vrijval van kapitaallasten en de rekenrente;

-

Implementeer alleen de wettelijk verplichte maatregelen op het gebied van duurzaamheid;

-

Draag het eigendom van de huisvesting aan VRZL over bij nieuwbouw, bij ingrijpende verbouwingen of eerder op verzoek van een gemeente;

-

Kies voor de financiering voor lineaire ingroei in 10 jaar vanaf 2027 naar het meerjarig benodigde niveau.

Het Algemeen Bestuur van de VRZL heeft het belang benadrukt om de colleges van B&W en de gemeenteraden over al het voorgaande te informeren, hen goed mee te nemen en zorg te dragen voor een nauwkeurige procesgang. In dat kader is op 12 februari jongstleden de nota met nummer 25n00022 al in het college van B&W besproken. De raad is op 20 januari jongstleden geïnformeerd door middel van een informatieve brief van de VRZL en op 12 en 17 februari jongstleden hebben door de VRZL georganiseerde informatiebijeenkomsten voor raadsleden plaats gevonden. Inmiddels heeft het Dagelijks Bestuur van de VRZL tijdens de vergadering van 28 maart jongstleden besloten om de constateringen en adviezen uit de eindrapportage “Toekomstbestendige huisvesting brandweerkazernes Veiligheids-regio Zuid-Limburg” integraal over te nemen en ter zienswijze voor te leggen aan de aan de VRZL deelnemende gemeenten. Daarmee nadert het dossier “Huisvesting” het einde van het bestuurlijke besluitvormingstraject. Op 4 juli aanstaande zal het Algemeen Bestuur van de VRZL een besluit omtrent dit dossier nemen. De gemeente Kerkrade heeft het verzoek van de VRZL om een zienswijze in te dienen ontvangen op 31 maart jongstleden. Voorliggende nota voorziet erin om hier uitvoering aan te geven.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat, parallel aan dit zienswijzeproces, de VRZL een zienswijze van de raden van de deelnemende gemeenten vraagt op haar ontwerpbegroting 2026 en op gedane bezuinigingsvoorstellen. Dit proces ligt echter buiten de scope van deze nota. Voor deze onderwerpen wordt verwezen naar de nota over dat onderwerp. Om u van een volledig financieel beeld te voorzien, wordt in het onderdeel “Financiën” van deze nota van toelichting de totale omvang van de financiële consequenties van alle onderwerpen die voor zienswijze worden aangeboden inzichtelijk gemaakt. Tenslotte wordt nog opgemerkt dat het voorliggende dossier “Huisvesting” en de daarmee gepaard gaande (financiële) consequenties los staat van de plannen rond de realisatie van de nieuwe brandweerkazerne in Kerkrade.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Kerkrade&id=a377fc6d-3eb4-4c94-98f0-eebb4e162e45