CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Handreiking gemeente Katwijk 2026 van de organisatie, ontvangen 23 maart 2026, ten behoeve van coalitievorming en komende periode (3976583)

Raad 25 juni 2026, gemeente KatwijkBij agendapunt: Debat over het coalitieakkoord29.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

54

Woonruimteverdeling sociale huurwoningen Stand van zaken In 2024 stonden 158.400 woningzoekenden ingeschreven bij Huren in Holland Rijnland, waarvan 38.700 actief zoekend. In 2024 werden 3.899 woningen verhuurd. De gemiddelde inschrijfduur was 7,5 jaar, de gemiddelde actieve zoektijd lag op bijna 3,5 jaar. Het aandeel starters dat een woning kreeg toegewezen was in 2024 van 54 naar 42%. Er is een groot tekort aan sociale huurwoningen. Vanwege die schaarste zetten de regiogemeenten in op een rechtvaardige verdeling van woningen, vastgelegd in: •

•

Huisvestingsverordening Holland Rijnland. Het belangrijkste verdelingsprincipe daarbij is inschrijfduur. Woningzoekenden die lang ingeschreven staan hebben de hoogste slagingskansen. Woningzoekenden die acuut een woonruimte nodig hebben, hebben de laagste slagingskansen. Beleidsregel Lokaal Maatwerk gemeente Katwijk. 30% van de sociale huurwoningen mag lokaal worden toegewezen om zo te sturen op zaken die regionaal onvoldoende worden opgelost. Hiermee wordt ingezet op doorstroming ouderen, starters en herhuisvesting Hoornes.

Er spelen 2 ontwikkelingen die van belang zijn voor de verdeling. •

•

In de Wet versterking regie volkshuisvesting legt de wetgever gemeenten (en bij ons de regio) verplicht op om meerdere categorieën woningzoekenden in aanmerking te laten komen voor urgentie, waarmee deze voorrang krijgen op regulier woningzoekenden. De regio gaat dit in 2026 implementeren. In 2024 is een zogeheten Ethos-telling uitgevoerd naar het aantal dak- en thuislozen in de regio. De forse aantallen mensen bij wie het ontbreekt aan stabiele huisvesting (1.175), waarvan 251 minderjarige kinderen (kinderen waarbij tenminste één ouder geen stabiele huisvesting heeft) zijn aanleiding voor een bestuursopdracht in de regio om te komen tot een gedragen visie op de aanpak van Wonen Eerst, die wordt verankerd in een herzien woonruimteverdeelsysteem en prestatieafspraken met corporaties.

De herziening van het woonruimteverdeelsysteem staat daarmee hoog op de bestuurlijke agenda in 2026 en 2027. Belangrijkste vraag daarbij is in hoeverre we meer tegemoet willen en kunnen komen aan acuut woningzoekenden (dak- en thuislozen, urgenten, contingenten). Rode draden: politiek & bestuurlijk Maatschappelijke opgave voor Katwijk De toenemende schaarste aan sociale huurwoningen zorgt voor meer en grotere maatschappelijke problematiek. Een echte oplossing ligt in de realisatie van meer sociale huurwoningen. Maar bij het achterblijven van woningbouwproductie en het verliezen van perspectief op duurzame huisvesting uitblijven van huisvontstaat extra problematiek. Wanneer

55

mensen geen stabiele woonplek hebben is de kans groter dat zij verder afglijden met extra kosten vanuit de Wmo aan begeleiding als gevolg. Strategische keuzes die al door raad of college zijn vastgelegd Er zijn nog geen strategische keuzes vastgelegd. Op 25 februari 2026 stelt de commissie Wonen de bestuursopdracht vast voor Wonen Eerst. In 2026 en 2027 zullen strategische keuzes volgen voor de implementatie van de wettelijk vastgestelde urgentiecategorieën en de mogelijke aanpassing van het woonruimteverdeelsysteem. Randvoorwaarden Met de toewijzing van sociale huurwoningen zijn geen middelen gemoeid. Met de effecten die het gevolg zijn va het uitblijven van duurzame huisvesting wel, in de vorm van apart te realiseren opvang en het verstrekken van begeleiding. Met de wet regie volkshuisvesting komt de aandacht te liggen op betaalbaarheid (zie sheet Woonbeleid) en aandachtsgroepen. De gemeente moet zich gaan committeren aan een bepaalde mate waarin het voorziet in betaalbare woningen en huisvesting voor aandachtsgroepen. Kansen & dilemma’s Aanpak van dakloosheid Het Nationaal Actieplan Dakloosheid zet in op een paradigmashift in de manier waarop we kijken naar en omgaan met dakloosheid. Het plan stelt de ambitie om dakloosheid in Nederland fors en structureel terug te dringen, waarmee aangesloten wordt bij de Verklaring van Lissabon om dakloosheid in 2030 te beëindigen.

Dit is o.a. vertaald in het regionaal beleidskader maatschappelijke zorg 2026-2032 door in te zetten op Wonen Eerst, deze ligt binnenkort voor in de gemeenteraad (Zie de sheet over Maatschappelijke Zorg & Wonen – de aanpak van dakloosheid) Verhouding acuut en regulier woningzoekenden De besluitvorming over Wonen Eerst zal als uitgangspunt dienen bij de mogelijke herziening van het woonruimteverdeelsysteem. Dilemma daarbij is dat er heel veel woningzoekenden zijn die aanspraak maken op een sociale huurwoning. Elke vorm van voorrang voor de ene doelgroep gaat ten koste van de andere doelgroep. In de regio wordt een verhouding aangehouden van 70% regulier woningzoekenden en 30% acuut woningzoekenden (urgenten, stadsvernieuwingsurgenten, contingenten, statushouders). De vraag is of het aanhouden van die verhouding maatschappelijk nog houdbaar is. Balans doorstromers en starters Het stimuleren van doorstroming gaat ervan uit dat met meer beweging op de woningmarkt meer mensen een passende woning vinden. Daarom worden doorstromers bevoordeeld bij de woonruimteverdeling. De gedachte daarbij is ook dat aan het eind van elke verhuisketen een starter de woningmarkt betreedt. Maar dat werkt alleen als het aanbod er voor starters is, anders leggen zij het altijd af tegen doorstromers.

Hoe zorgen we voor een gezonde balans in de slagingskansen voor starters zonder de noodzakelijke doorstroming in de woningmarkt te belemmeren?

56

Toepassing lokaal maatwerk In de Huisvestingsverordening Holland Rijnland is nog niets geregeld voor geclusterde woonvormen met zorg, voor woonconcepten als Knarrenhof en de wijze van toedeling gaat ten koste van de slagingskansen voor jongeren, starters en spoedzoekers. Met lokaal maatwerk proberen we in deze knelpunten te voorzien, maar de mogelijkheden zijn beperkt tot 30% van het aantal verhuringen. Dat vraagt enerzijds om inzet om het georganiseerd te krijgen op regionaal niveau en anders op het maken van keuzes op lokaal niveau.

57

Actieplan Wonen, Zorg en Welzijn Stand van zaken •

•

•

• • •

De huisvestingsopgave en de opgave om op lange termijn zorg en ondersteuning beschikbaar te houden zijn flinke uitdagingen. Uit de Woonzorganalyse die in 2022 is uitgevoerd is een prognose van de woonzorgopgaven, ook wel huisvestingsopgaven tot 2040 gemaakt. Deze huisvestingsopgaven zijn een resultaat van het rijksbeleid om wonen en zorg te scheiden, gecombineerd met een grote vergrijzingsgolf. Kwetsbare inwoners, die voorheen wellicht in een instelling konden verblijven, dienen langer zelfstandig te wonen en de realisatie van alternatieve woonzorgvoorzieningen is aan de markt overgelaten. De grootste huisvestingsopgave bestaat uit het realiseren van geclusterde woonvormen, met name voor ouderen. In totaal moeten er 1.750 woningen worden gerealiseerd in geclusterde woonvormen. Daarnaast zijn er 360 plaatsen of woonvormen nodig waar 24-uur zorg beschikbaar is voor ouderen. Voor mensen met een verstandelijke beperking zijn ongeveer 35 woningen nodig in een geclusterde woonvorm en 70 zelfstandige woningen in de buurt van een steunpunt. Voor mensen met een psychosociale kwetsbaarheid, die (tijdelijk of structureel) niet zelfstandig kunnen wonen, zijn ook woningen en beschutte woonvormen nodig. Vervolgens zijn er voor de uitstroom uit deze woonvormen jaarlijks ongeveer 40 zelfstandige woningen in het betaalbare segment nodig.

Toename vraag naar ondersteuning en zorg: de vraag naar ondersteuning en zorg neemt toe (mede als gevolg van de vergrijzing) en het beschikbare aanbod neemt af (mede als gevolg van de afname van beschikbaar personeel). Deze opgave vraagt om een integrale aanpak tussen de partijen en tussen de verschillende zorgwetten om het schaarse aanbod aan menskracht en financiën goed te verdelen. Dit kan alleen opgelost worden door intensief samen te werken, de krachten te bundelen en meer regie bij de inwoners zelf te leggen. De partijen moeten onderling samenwerken maar zeker ook samen met inwoners, mantelzorgers en de vele informele organisaties en burgerinitiatieven die Katwijk heeft. Het actieplan Wonen, Zorg en Welzijn (WZW) is daarom geschreven in samenwerking met onze partners op het gebied van wonen, zorg en welzijn om domeinoverstijgende acties in te zetten om de uitdagingen op het gebied van wonen en zorg aan te pakken. In het actieplan is ook een afwegingskader woonzorginitiatieven opgenomen zodat bij nieuwe initiatieven de behoefte vanuit de kwetsbare doelgroepen wordt meegenomen. Eind 2024 zijn de gemeentelijke beleidsuitgangspunten uit het actieplan vastgesteld door de raad.

In 2025 is de programmastructuur ingericht (procesregisseur, stuurgroep, projectgroep en diverse werkgroepen) en zijn diverse acties opgepakt zoals het realiseren van het concept Wonen met een Plus en het definiëren van woonzorgzones. Er zijn gesprekken gevoerd om ervaringen en werkwijzen van verschillende partijen te vergelijken en te verkennen hoe dit binnen woonzorgzones vorm kan krijgen. Daarnaast is er een communicatiestrategie en campagne gerealiseerd, een advies m.b.t. het combineren van de doelgroep jong en oud, diverse voorbereidingen voor het Odensehuis (een inloopvoorziening voor mensen met beginnende dementie en geheugenproblematiek) en een project met de seniorentablet. Alle partijen hebben de Alliantie Positieve Gezondheid ondertekend in het kader van toekomstbestendige zorg en ondersteuning en vitale en veerkrachtige inwoners (zie

58

•

raadsbrief Voortganguitvoering actieplan WZW 13 januari 2026 kenmerk Z3870642D3870675) Communicatiecampagnes worden ingezet om inwoners te activeren na te denken over hun huidige woonsituatie in relatie tot ouder worden.

Rode draden: politiek & bestuurlijk • •

• •

• • •

•

Inwoners van Katwijk blijven zo lang mogelijk zelfstandig wonen en hebben regie over hun eigen leven. Katwijk is een inclusieve gemeente: ook kwetsbare mensen moeten in Katwijk kunnen (blijven) wonen, deel kunnen nemen aan de Katwijkse samenleving en niet in een isolement komen. We zetten in op vitaliteit, eigen kracht en positieve gezondheid. Inwoners wonen passend. Dit betekend dat woningen worden toegewezen aan huishoudens die een inkomen hebben dat past bij de huurprijs De regels voor passend toewijzen zijn geregeld in de Woningwet en zijn bedoeld om ervoor t e zorgen dat er voldoende huishoudens met recht op huurtoeslag in goedkope huurwoningen kunnen wonen. Woningtekort ook voor kwetsbare doelgroepen Druk op de zorg neemt toe (krappe arbeidsmarkt, grotere groep ouderen met een zorgvraag). Het eerlijke verhaal vertellen dat de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning in toekomst minder vanzelfsprekend zal zijn. Het is belangrijk dat er een omslag komt in denken over de inzet van voorzieningen en de eigen verantwoordelijkheid. Inwoners, maar ook de zorgpartijen moeten anders gaan denken en handelen ten aanzien van de beschikbaarheid van en het recht op zorg. De Maatschappelijke Agenda (MAG) en GALA/AZWA vormen een kader voor de sociale basis. Er wordt ingezet op een meer wijkgerichte aanpak, waardoor er samenkracht en cohesie in de wijken wordt gerealiseerd.

Randvoorwaarden Financiële kaders (bijv. max. investeringsruimte, begrotingsdiscipline). Er is door de raad budget voor 2025 en 2026 gereserveerd voor doorstroom en procesregie. In 2025 is een SPUKDomein Overstijgend Samenwerken (DOS) door het Rijk uitgekeerd die ingezet is voor de uitvoering van het actieplan. Voor 2026 is opnieuw een aanvraag gedaan voor een SPUKDOS. De gemeente heeft een Woonfonds ingesteld met € 10 mln, waarvan uit de gemeente financieel kan bijdragen aan woningbouwplannen met een onrendabele top. Lopende verplichtingen (bijv. wettelijke opgaven, regionale afspraken). • • •

Regionale Woonagenda Woondeal Holland Rijnland Wet versterking regie volkshuisvesting

Planning (bijv. deadlines voor uitvoering) Het actieplan loopt tot 2026; dit vraag dit jaar een herijking van het actieplan voor de komende jaren. Het gemeentelijk kader met beleidsuitgangspunten blijft gelijk. Maar op het concrete

59

niveau van maatregelen is voor 2027 en 2028 een actualisatie van het actieplan nodig en financiering voor het continueren van een aantal acties die zullen landen in de begroting. •

Risico’s bij afwijking van bestaande afspraken.

Kansen & dilemma’s • •

Mogelijke speelruimte bij formatie. Bestuurlijke dilemma’s die de komende tijd op de agenda komen.

Blijft het mogelijk om in de integrale afweging van belangen bij de ruimtelijke beoordeling van woningbouwplannen de ambities over huisvesting voor kwetsbare doelgroepen overeind te houden? Ook als dit extra nadelig is voor de financiële haalbaarheid van het plan? Zijn we bereid als gemeente zelf gronden aan te kopen om in de verschillende huisvestingsopgaven voor kwetsbare doelgroepen te voorzien?

60

Beaumix – secundaire bouwstoffen Stand van zaken Bij de vernieuwing van de N206 / aanleg gedeelte Rijnlandroute is Beaumix toegepast als voorbelastings-, ophoog- en funderingsmateriaal. Beaumix betreft een niet vormgegeven bouwstof welke voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. De toegepaste partijen Beaumix zijn gekeurd en voldoen aan de wettelijke normen. Het gebruik van dit materiaal leidde tot onrust omdat omwonenden restanten van batterijen en plastic in het Beaumix aantroffen. Door het college van B&W van de gemeente Katwijk is de toezegging gedaan dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater langjarig wordt gemonitord. In eerste instantie is door Gemeente Katwijk opdrachtgegeven aan bureau IDDS voor een monitoring van 10 jaar. Rode draden: politiek & bestuurlijk Landelijk, maar dus ook lokaal, bestaat de nodige aandacht voor het toepassen van Beaumix in het bijzonder, en secundaire bouwstoffen (waaronder staalslakken) meer algemeen. Maatschappelijk zijn er zorgen over het mogelijk uitlogen van verontreinigingen uit deze bouwstoffen naar het grond- en drinkwater, en ook over het mogelijk in aanraking komen met deze materialen. In onze gemeente zijn, voor zover bekend, geen locaties aanwezig waar Beaumix of staalslakken aan de oppervlakte (onverhard) zijn toegepast.

Door de gemeenteraad is eerder besloten om jaarlijks de grondwaterkwaliteit rondom de N206 te monitoren, om vast te stellen of eventueel uitloging van verontreinigingen vanuit Beaumix heeft plaatsgevonden. Tot op heden zijn daar geen schokkende zaken uit naar voren gekomen. Indien dat in de toekomst wel het geval is, moet worden bezien of en welke acties hiervoor moeten worden genomen. Randvoorwaarden Voor de monitoring t/m 2032 is budget beschikbaar (vanuit VTH). Indien aanvullende maatregelen nodig zijn, moet hiervoor krediet worden vrijgemaakt. Met bewonersorganisatie KSV is afgesproken dat de monitoring van het grondwater in ieder geval tot 2032 wordt doorgezet. Daarnaast vindt vanuit de Provincie Zuid-Holland monitoring van de kwaliteit van het lozingswater plaats. Dit op eigen initiatief van de Provincie Zuid-Holland. Indien bij toekomstige monitoringsronden verontreinigingen in het grondwater worden aangetroffen, moet worden bezien of en welke acties hiervoor moeten worden genomen. Hiervoor is momenteel geen financiële dekking voorhanden. Kansen & dilemma’s Afgewogen kan worden om enerzijds het gebruik/ hergebruik van secundaire bouwstoffen binnen de gemeente te verbieden, of in ieder geval een meldplicht voor toepassing in te stellen (die is er op dit moment niet). Momenteel kan een verbod op toepassing alleen voor werken in opdracht van de gemeente zelf.

Om een totaalverbod in te stellen moet dit worden vastgelegd in het Omgevingsplan. Een dergelijk verbod zorgt wel voor meerkosten, en gaat wellicht in tegen

61

het circulair gedachtegoed. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om secundaire bouwstoffen als beaumix en staalslakken, wanneer deze bij werkzaamheden worden aangetroffen, te laten verwijderen. Ook dit brengt de nodige meerkosten met zich mee. Mogelijk wordt een landelijk verbod op bepaalde secundaire bouwstoffen op termijn ingevoerd. Het onduidelijk of dat dan om nieuwe toepassingen gaat, of dat bestaande werken waarin deze zijn toegepast ook moeten worden opgeruimd.

62

Circulaire Hubs (Materiaal-grondstoffen) Stand van zaken Circulaire hubs (CH) zijn fysieke locaties waar materialen en producten worden ingezameld, opgeslagen, gesorteerd, gerepareerd, voorbereid op hergebruik of doorgeleverd. Voor materiaal- en grondstoffenhubs gaat het bijvoorbeeld om circulaire bouwhubs voor “urban mining”: het oogsten en hergebruiken van bouwmaterialen. CH vormen een belangrijke schakel in de circulaire infrastructuur, met nadruk op bouw en materialen. Ze zijn direct verbonden met ruimtelijke ordening, omgevingsbeleid, regionale economie en de uitvoering van gemeentelijke kerntaken. De provincie Zuid-Holland heeft in 2023 de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland vastgesteld en laat via BRINK strategische locaties voor (grotere) circulaire activiteiten identificeren. Dit vormt het vertrekpunt voor de regionale uitwerking. In Katwijk loopt parallel de ontwikkeling van een Circulair Ambachtscentrum (kleinere hubfunctie) in ’t Heen (voormalige Karwei, initiatief dat aansluit op de regionale hubstrategie. In de Regionale Investeringsagenda Holland Rijnland (RIA) is project 12B Circulaire Hubs opgenomen. Voor de eerste fase (onderzoek P3) is € 100.000 gereserveerd. De gemeente Katwijk is actief vertegenwoordigd in de stuurgroep (wethouder Knape) en het kernteam van dit project.

De onderzoeksfase loopt van eind 2025 tot medio 2026 en richt zich op potentiële locaties en het bijbehorende systeem voor hubs, waar gebruikte bouwmaterialen kunnen worden verzameld, opgeslagen en voorbereid op hergebruik, in samenwerking met gemeenten, provincie en andere partners. Na afronding van de onderzoeksfase start binnen het project een keuzefase. Rode draden: politiek & bestuurlijk Hubs zijn randvoorwaardelijk om circulair te bouwen, te onderhouden en te slopen (urban mining, opslag/bewerking bouwmaterialen), zeker gegeven de omvang van de bouwketen in onze regio en grootschalige ontwikkelingen in Valkenhorst en Zijlhoek de Woerd. Randvoorwaarden • • •

•

In de Regionale Investeringsagenda Holland Rijnland (RIA) is project 12B Circulaire Hubs uitgewerkt. Voor de eerste fase (onderzoek P3) is €100.000 gereserveerd. Provinciale lijn (Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid‑Holland) en BRINK‑analyse vormen het referentiekader voor locatiekeuzes (grootschalige hubs). Ruimtedruk en “schuifruimte”: om lineaire naar circulaire activiteiten om te bouwen is tijdelijk extra ruimte nodig; uitstel/afwijking kan doelrealisatie en positionering in het regionale netwerk schaden. Mismatch schaal: zonder reservering/planologische borging voor (grotere) hubs blijft hergebruik achter; kleinere hubs zijn noodzakelijk maar niet voldoende.

Kansen & dilemma’s

63

•

• •

Kans: Positioneer ‘t Heen / Klei‑Oost nadrukkelijk als kansrijke locatie in de regionale mix (logistiek, milieuruimte, bestaande bedrijvigheid). Het provinciale/BRINK‑kader biedt onderbouwing; in regionale notities is ‘t Heen reeds als zilveren locatie genoemd. Kans: Koppel circulaire hubs aan energiehubs (SEH): gedeelde logistiek/ruimte, netcapaciteit en bedrijfscofinanciering (50%) kunnen businesscases versterken. Kans: Veranker planologische ruimte in Omgevingsvisie/‑plan en stel een beleidskader circulair slopen/opdrachtgeverschap (materialenpaspoorten, gunningscriteria op hoogwaardig hergebruik) om aanvoer/afzet zeker te stellen.

Bestuurlijke dilemma’s die op de agenda komen: •

•

•

Dilemma: Schaal & locatiekeuze: balans tussen regionale strategische hubs (3–50 ha) en lokale (kleinere) hubs; ruimtetekort en omgevingsbelasting (milieucategorie) vragen expliciete keuzes. Dilemma: Regelruimte & belemmeringen: aanpassing van beleid/procedures is nodig (bestemmingsplannen/omgevingsplan, werklocatiebeleid, inkoop/aanbesteding); dit is door externe bureaus als knelpunt gesignaleerd. Dilemma: Marktontwikkeling & zekerheden: stabiele afzet voor vrijkomende materialen, kwaliteit/monitoring, en rol van publieke vraag (eigen projecten) als vliegwiel.

64

Natuurherstelplan Het Natuurherstelplan is het nationale instrument waarmee Nederland uitvoering geeft aan de Europese Natuurherstelverordening, met doelen en maatregelen voor herstel richting 2030, 2040 en 2050. Voor Katwijk is dit vooral relevant door de nabijheid van de Natura 2000-gebieden Coepelduynen en Meijendel & Berkheide, inclusief de bijbehorende stikstof- en herstelopgaven. De lokale focus ligt op duin- en kustnatuur, betere verbindingen tussen stad, binnenduinrand en kust, en meer biodiversiteit in de bebouwde omgeving; ook de opgaven rond waterkwaliteit en ecologie (Hoogheemraadschap van Rijnland) sluiten hierbij aan. De verordening geldt sinds augustus 2024 rechtstreeks; Nederland moet uiterlijk september 2026 een Nationaal Herstelplan vaststellen. Dit plan bepaalt in hoge mate het kader voor provincies en gemeenten. De verwachting is dat de vertaling naar provinciale programma’s en lokale uitvoering in 2026–2027 versnelt. Gemeenten die dan al concrete maatregelen, pilots en monitoring hebben voorbereid, kunnen gemakkelijker aansluiten op nationale middelen, regionale programma’s en uitvoeringsafspraken. Katwijk draagt nu al op meerdere fronten bij via groenblauwe structuren, klimaatadaptatie, biodiversiteit in het stedelijk gebied, natuurinclusieve maatregelen en koppelingen met water en leefkwaliteit, mede in regionale samenwerking.

Tegelijk ontbreekt dit nog deels als één samenhangende uitvoeringsagenda met duidelijke prioriteiten, indicatoren, fasering en financiering. Versterking is met name nodig in het expliciet koppelen van maatregelen aan natuurhersteldoelen en indicatoren, het opzetten van een monitoringssystematiek, het uitwerken van een financiële strategie met cofinanciering en het vastleggen van een uitvoeringsagenda met prioriteiten, eigenaarschap en planning. Rode draden: politiek & bestuurlijk Kust- en duinnatuur zijn een belangrijk “kernkapitaal” voor Katwijk, maar staan onder druk door recreatie, bereikbaarheid en klimaatopgaven. Bescherming en versterking van deze natuurwaarden sluiten aan bij de lijn uit de Omgevingsvisie Katwijk en het bijbehorende MER (Omgevingsvisie “Zelfverzekerd in de regio”, vastgesteld 2021). Daarnaast werkt Katwijk regionaal mee aan een groenblauw raamwerk binnen de Westflank (Groene Ringen, Vingers, Randen) om biodiversiteit en klimaatadaptatie te versterken. Hoewel de gemeente niet verantwoordelijk is voor het landelijke natuurherstelbeleid, heeft zij wel een sleutelrol in de uitvoering via het omgevingsplan, vergunningverlening, beheer, gebiedsontwikkeling en samenwerking met provincie, waterschap, terreinbeheerders en initiatiefnemers.

Bestuurlijk komt dit neer op een dubbele opgave: (1) zichtbaar maken welke bestaande investeringen al bijdragen aan natuurherstel en (2) bepalen welke aanvullende maatregelen, middelen en samenwerkingen nodig zijn om aan de komende verplichtingen te kunnen voldoen.

65

Randvoorwaarden De Europese Natuurherstelverordening legt bindende doelen en een planplicht op. Het tempo, de financieringslijnen en de handelingsruimte voor gemeenten worden in belangrijke mate bepaald door de nationale uitwerking en afspraken in BO Natuur. Voor Katwijk is daarnaast het beheerplan Meijendel & Berkheide (2026–2032) een relevant kader: de instandhoudingsdoelen en maatregelen binnen dit Natura 2000-gebied werken door in gemeentelijk beleid, beheer en vergunningverlening. De gemeentelijke inzet op natuurherstel moet passen binnen bestaande bestuurlijke en financiële kaders en concurreert met andere opgaven zoals woningbouw, mobiliteit, openbare ruimte en klimaatadaptatie. Bestuurlijk draait het daarom om keuzes in prioritering, fasering en samenwerking om natuurherstel structureel mee te nemen. Financiering en uitvoering vragen vaak om gezamenlijke aanpak met o.a. provincie ZuidHolland, Hoogheemraadschap van Rijnland, terreinbeheerders, regionale verbanden en waar passend private partijen/ontwikkelaars. Niet alle maatregelen vereisen nieuw geld: een deel kan worden gekoppeld aan bestaande of geplande investeringen in openbare ruimte en groenbeheer, water en klimaatadaptatie, infrastructuur en gebiedsontwikkeling.

Cruciaal is om tijdig te bepalen welke projecten zich lenen om natuurherstel expliciet mee te programmeren en waar cofinanciering kan worden georganiseerd, zodat Katwijk optimaal kan aansluiten op provinciale en nationale middelen. Kansen en dilemma’s Kansen •

•

•

•

Meeliften op nationale mijlpalen (2026/2027): De nationale formatie en het Nationaal Herstelplan bieden een momentum. Katwijk kan hierop voorsorteren met goed afgebakende pilots (bijv. ecologische verbindingszones, natuurinclusief stedelijk beheer, versterkte biodiversiteitsmonitoring), zodat de gemeente direct kan aansluiten zodra middelen en verplichtingen concreter worden. Regionale groenblauwe doorbraken: Via “Groen Blauw Verbindt!” kan versnelling ontstaan in ecologische corridors in en rond Katwijk, met cofinanciering van partners. Positionering als actieve medetrekker met haalbaarheidsstudies versterkt het regionale raamwerk en koppelt natuur- en klimaatdoelen beter. Benutten van bestaande beleidsankers: Omgevingsvisie en MER bieden al handvatten voor bescherming, verbinding en versterking van duinen, kustzone en binnenduinrand. Door natuurherstel expliciet te koppelen kan een samenhangend pakket ontstaan voor natuur, waterretentie, hitte-reductie en robuust groen. Versneller voor gebiedsontwikkeling (woningbouw/mobiliteit): Investeren in groenblauwe structuren en natuurinclusieve inrichting kan de omgevingskwaliteit verbeteren én helpen bij de inpassing en (meer)waarde van woningbouw- en mobiliteitsprojecten. Dit ondersteunt integrale businesscases waarin groen, klimaatadaptatie en bereikbaarheid samen worden meegenomen, in plaats van losse plusmaatregelen achteraf.

66

Dilemma’s •

•

•

Ruimtelijke druk vs. natuurdoelen: Kustveiligheid, bereikbaarheid en gebruiksdruk kunnen botsen met herstel in duin en kustzone. De Omgevingsvisie kiest nadrukkelijk voor bescherming van binnenduinrand en kustzone; dat vraagt om duidelijke afwegingskaders bij projectbesluiten en, waar nodig, compensatie. Politiek gaat het om de balans tussen kortetermijn gebruiksruimte en lange-termijn bescherming van kernnatuur. Doorwerking beheerplan Meijendel & Berkheide: Maatregelen (o.a. hydrologie, verstuiving, bescherming stikstofgevoelige natuur) werken door in gemeentelijk beheer en vergunningen. De bestuurlijke vraag is in welke mate Katwijk een coördinerende rol neemt richting gebiedspartners en inwoners, bijvoorbeeld via gezamenlijke communicatie en afgestemde uitvoeringsagenda’s. Monitoring en bewijsvoering: Eerdere analyses wijzen op behoefte aan meer samenhang tussen maatregelen. Daarom is focus op goed volgbare maatregelen belangrijk (verbindingszones, gericht beheer van stedelijk groen als leefgebied, koppeling aan indicatoren voor biodiversiteit en klimaatadaptatie). Een betere monitoringssystematiek ondersteunt Europese/nationale rapportage én geeft het bestuur een steviger basis om keuzes te onderbouwen.

67

PFAS Stand van zaken Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. Je kan op verschillende manieren in contact komen met PFAS. Bijvoorbeeld via voedsel, drinkwater, consumentenproducten en contact met de bodem. PFAS kunnen in het milieu terechtkomen via de lucht of via het afvalwater van fabrieken die deze stoffen gebruiken. Ze kunnen ook in het milieu terecht komen door het gebruik van bijvoorbeeld brandblusmiddelen die PFAS bevatten. Eenmaal in het milieu blijven ze daar aanwezig. Rode draden: politiek & bestuurlijk PFAS is een wereldwijd probleem waar wij ook in de gemeente Katwijk mee te maken hebben. Om een beeld te krijgen van de algemene PFAS belasting in de bovengrond van de gemeente Katwijk laten wij in 2026 een onderzoek uitvoeren door de firma Witteveen+Bos. Hier worden ook de eerder uitgevoerde onderzoeken en gewijzigde wet- en regelgeving in meegenomen. In samenwerking met de Provincie Zuid-Holland en de Omgevingsdienst West-Holland kijken wij kritisch naar potentiële bronlocaties voor PFAS in de gemeente. Te denken valt dan bijv. aan voormalige stortplaatsen en brandweerkazernes. Op het voormalig Vliegkamp Valkenburg liggen een aantal PFAS verontreinigingen.

Het vliegkamp is in eigendom van de RVB, zij zijn dan ook verantwoordelijk voor eventueel sanerende maatregelen. De Omgevingsdienst West-Holland houdt vanuit haar taak toezicht op bodemherstel. Als gemeente zijn wij aangehaakt bij de overleggen. Daarnaast moeten wij toetsen of de kwaliteit van de bodem en grondwater voldoet wanneer er gebouwd gaat worden. Randvoorwaarden De (financiële) gevolgen van eventuele PFAS-verontreinigingen zijn moeilijk in te schatten. Enerzijds is er nog veel onbekend over de daadwerkelijke negatieve invloed die PFAS heeft op het leefmilieu en de gezondheid. Anderzijds ontbreekt het nog aan wettelijke toetsingskaders, en is er nog altijd geen verbod op PFAS. Aan deze zaken wordt momenteel echter wel zowel in landelijk als Europees verband gewerkt. Wij toetsen bij vergunningsplichtige bouwactiviteiten of de kwaliteit van de bodem en grondwater voldoet voor het beoogde gebruik (bijv. gebruik moestuin, wonen met tuin). Dit is voor ons het moment om op verdachte en niet-verdachte locatie te beoordelen of sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.

68

Stikstof Stand van zaken Stikstof blijft een bepalende factor in ruimtelijke ontwikkeling en uitvoering van projecten in en rond Katwijk, mede door de nabijheid van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (met name Coepelduynen en Meijendel & Berkheide). Voor plannen en projecten moet tijdig worden beoordeeld of natuurgevolgen kunnen optreden, inclusief de cumulatie met andere vergunde maar nog niet volledig uitgevoerde plannen en projecten. De juridische lat voor stikstof is de afgelopen jaren aanzienlijk aangescherpt als gevolg van jurisprudentie van onder andere de Raad van State en de rechtbank Den Haag. Deze aanscherping, in combinatie met het landelijk achterblijven van robuust natuurherstel wat met het beleid van het kabinet-Schoof is verder is verslechterd, maakt dat vergunningverlening door de Provincie Zuid-Holland slechts beperkt mogelijk is. De initiatiefnemer is primair verantwoordelijk voor het in kaart brengen van de effecten op de natuur en het aanvragen van de benodigde vergunningen. Voor Katwijk geldt dit met name voor projecten van Planbeheer, waarbij de gemeente als grondeigenaar of beheerder betrokken is. Vanuit Katwijk wordt gewerkt vanuit de filosofie dat stikstof niet per definitie een blokkade hoeft te zijn, mits er vroegtijdig wordt gestuurd op de uitvoeringswijze en, waar mogelijk, op mobiliteit in de gebruiksfase.

Denk daarbij aan het inzetten van elektrisch materieel of het aanpassen van logistieke processen. Met de presentatie van het coalitieakkoord (D66, VVD, CDA) keert veel terug dat door het vorige kabinet nog werd afgezwakt, vertraagd of geschrapt. Hieronder valt ook het reserveren van middelen voor vrijwillige beëindigingsregelingen en incidentele compensaties. De plannen zijn veelbelovend, maar hebben – net als veel andere voornemens in het coalitieakkoord – nog een meerderheid in de Tweede Kamer nodig. Rode draden: politiek & bestuurlijk •

• •

• •

De maatschappelijke opgave is om woningbouw, onderhoud, verduurzaming en gebiedsontwikkeling voortgang te laten houden binnen natuur- en juridische randvoorwaarden. Strategisch is van belang dat stikstof niet pas in de vergunningfase wordt benaderd, maar al in de initiatief- en ontwerpfase wordt meegenomen. Voor de gemeente ligt de opgave in heldere procesregie, realistische planning en het expliciet maken van verantwoordelijkheden tussen initiatiefnemer, gemeente, provincie en uitvoerende/toetsende diensten. Politiek-bestuurlijk speelt de afweging tussen tempo van ontwikkeling, extra voorbereidingskosten en juridische robuustheid. Deelnemen aan de Sectortafel Stikstof: een overlegtafel waarin de belangrijkste betrokken sectoren en overheden samenkomen om kennis, belangen en voorstellen rond de stikstofaanpak te delen en te bespreken.

69

Randvoorwaarden Er is geen generiek centraal stikstofbudget; kosten zijn projectafhankelijk en kunnen bestaan uit onderzoek, berekeningen, vergunningonderbouwing, aanvullende maatregelen, afstemming en juridische inzet. Kostenverdeling (uitgangspunt): projectspecifieke kosten voor stikstofonderzoek en vergunningonderbouwing liggen primair bij de initiatiefnemer/opdrachtgever. Bij gemeentelijke projecten komen deze kosten ten laste van het betreffende projectbudget. Rolverdeling: • • • •

Initiatiefnemer: verantwoordelijk voor natuur-/stikstofonderzoek, berekeningen en aanvraag/onderbouwing; Gemeente: verantwoordelijk voor procesregie, ruimtelijke procedure, projectkeuzes en opdrachtgeverschap bij gemeentelijke projecten; Provincie: bevoegd gezag voor natuurvergunningverlening (waar van toepassing); Omgevingsdiensten (op basis van mandaat/taakverdeling): toetsing, advisering en/of uitvoering van vergunningtaken, toezicht en handhaving.

Kansen & dilemma’s •

•

Hoeveel extra voorbereiding, kosten en sturing wil de gemeente accepteren om projecten juridisch robuuster en uitvoerbaarder te maken? En in hoeverre is de coalitie bereid te erkennen dat niet elke ambitie zonder meer in hetzelfde tempo gerealiseerd kan worden? Kans: Emissiearm bouwen & uitvoering: versneld inzetten op elektrificatie bouwplaats, bundeling bouwlogistiek, bouwmaterialen (houtbouw) fasering van piekactiviteiten.

70

Aanpak doorfietsroutes Stand van zaken In regionaal verband is de afgelopen bestuursperiode gewerkt aan een netwerk van regionale doorfietsroutes, waarover onze inwoners snel, comfortabel en veilig naar hun bestemming kunnen fietsen. Dit regionale netwerk sluit naadloos aan op ons lokale hoofdnetwerk en verbindt zo de woongebieden met belangrijke bestemmingen. De aanpak van de doorfietsroutes is één van de prioritaire projecten in de Regionale Investeringsagenda (RIA) van Holland Rijnland. Door te investeren in regionale fietsinfrastructuur houden we de bereikbaarheid op peil en maken we woningbouw en economische ontwikkeling mogelijk. Door onze gemeente lopen meerdere van deze doorfietsroutes. Sommige routes zijn al in uitvoering, zoals langs de Tjalmaweg en de Duinvallei of al deels gereed, zoals tussen Valkenburg en Oegstgeest (Joop van der Reijdenbrug). Deze route moet in de toekomst een vervolg krijgen langs Valkenhorst richting Wassenaar. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt de route Leiden – Rijnsburg – Katwijk Noord (langs ’t Heen en het Uitwateringskanaal) grote potentie te hebben om meer mensen op de fiets te krijgen. Er is dan ook regionaal afgesproken deze route in 2026 verder uit te werken als zogenaamd P2-project in de regionale investeringsagenda.

Andere routes in onze gemeente zijn Wassenaar – Noordwijk via N441 en N206, Leiden – Noordwijk via Rijnsburgerweg-Noordwijkerweg en Rijnsburg – Oegstgeest langs Oegstgeesterkanaal. Voor alle routes zijn investeringen noodzakelijk en wordt daarnaast gewerkt volgens het werk-met-werk principe waarin bij onderhouds- of herinrichtingsprojecten een onderdeel van de route naar het vereiste kwaliteitsniveau wordt gebracht. Rode draden: politiek & bestuurlijk Het mobiliteitsbeleid is gericht op duurzame, inclusieve en veilige mobiliteit voor alle inwoners en bezoekers in de gemeente Katwijk. Deze koers is randvoorwaardelijk voor leefbare en goed verbonden kernen, waar we ruimte creëren voor innovatie, woningbouw en economische ontwikkeling. Het stimuleren van fietsen sluit aan bij alle doelen van het mobiliteitsbeleid. Fietsen is gezond, schoon en betaalbaar en levert een significante bijdrage aan de bereikbaarheid van en de leefbaarheid in onze kernen. Investeringen in fietsinfrastructuur zijn dan ook de meest rendabele mobiliteitsinvesteringen, mede door de gezondheidswinst.

71

Het regionale doorfietsroutenetwerk sluit aan bij de verplaatsingen die onze inwoners dagelijks maken voor school, werk, winkelen en recreatie. Een regionaal gecoördineerde aanpak en investeringsstrategie zijn essentieel om dit belangrijke onderdeel van het mobiliteitsbeleid te realiseren. Om hierin goed beslagen ten ijs te komen zijn gegarandeerde bedragen voor het fietsnetwerk in de investeringsagenda onmisbaar. Randvoorwaarden Voortzetting regionale aanpak doorfietsroutes De regionale (bestuurlijke) samenwerking op het onderwerp doorfietsroutes loopt goed. Bestuurlijk is hierin vanuit Katwijk ook veel energie gestoken. Het realiseren van dit soort regionale netwerken zal meerdere bestuursperioden vergen. Het is van belang de bestuurlijke en ambtelijke inbreng voort te zetten. Scherp blijven op doelstellingen De regionale doorfietsroutes zijn lange lijnen die dwars door onze kernen gaan. Het is praktisch onmogelijk zo’n lijn in één keer aan te leggen. Het is dan ook van belang dat er in de organisatie langjarig aandacht is voor de doelstellingen van dit netwerk. Door steeds werk-met-werk te maken worden de routes stukje voor stukje gerealiseerd. Kansen & dilemma’s Nog geen investeringsbedragen in RIA De regionale investeringsagenda bevatte de afgelopen bestuursperiode enkel onderzoeksgeld.

Hoewel dit een goede keuze was om van start te kunnen gaan, is het van belang nu de volgende stap te kunnen zetten. Er is regionaal breed bestuurlijk draagvlak voor de aanpak van de doorfietsroutes. Dit onderwerp leent zich er dan ook voor om op korte termijn over te gaan tot realisatie. Regionaal investeringsgeld is randvoorwaardelijk om voortgang te boeken en draagvlak en cofinanciering bij hogere overheden te kunnen organiseren.

72

Duurzaam Bouwen Stand van zaken Duurzaam bouwen is een integrale manier van ontwerpen, ontwikkelen en beheren met als doel de milieubelasting van gebouwen en gebieden te minimaliseren en de leefkwaliteit over de hele levenscyclus te verhogen. In Katwijk sluit dit aan op de Omgevingsvisie met de ambitie om in 2050 energieneutraal, klimaatbestendig en een versterkt, verduurzaamd stedelijk gebied te hebben. Deze koers is uitgewerkt in het gemeentelijke Duurzaam Bouwen-beleid (DuBo), in 2025 geactualiseerd en vastgesteld door de Raad. Dit beleid geeft richting aan projecten en vergunningverlening, zodat initiatiefnemers, ontwerpers en de organisatie vroegtijdig en eenduidig afspraken kunnen maken over energieprestaties, klimaatadaptatie, circulariteit, gezondheid en ruimtelijke kwaliteit. Katwijk gebruikt GPR Gebouw om prestatiegericht duurzaam te bouwen. In gesprekken met initiatiefnemers (ontwikkelaars, commerciële partijen en particulieren) wordt het ontwerp getoetst aan het ambitieniveau van Katwijk en bekeken waar verbeteringen mogelijk zijn, zodat gericht kan worden gestuurd op de gewenste prestaties. De monitoring via “Foto van de leefomgeving” laat zien dat Katwijk opschaalt van planvorming naar uitvoering en structurele monitoring. Bij klimaatadaptatie en ruimtelijke kwaliteit zijn eerste resultaten zichtbaar; borging en meetbaarheid vragen nog versterking.

In 2026 wordt bekeken hoe verplichtingen uit DuBo en andere beleidsvelden in het omgevingsplan kunnen worden vastgelegd onder de noemer duurzaam bouwen, bijvoorbeeld het installeren van vleermuisnestkasten bij nieuwbouw op basis van het Soortenmanagementplan (SMP). Rode draden: politiek & bestuurlijk Maatschappelijke opgave voor Katwijk Katwijk staat voor de opgave om te verdichten en te vernieuwen in een ruimte-schaarse kustgemeente met hoge kwaliteitseisen: • • •

Gezonde, veilige, groene en aantrekkelijke woon- en werkmilieus; Behoud van erfgoed en landschap; Verhoging van biodiversiteit en klimaatbestendigheid in álle projecten.

Strategische keuzes die al door raad of college zijn vastgelegd In gebieds- en bouwprojecten staat de kwaliteit van de leefomgeving voorop: groen-blauw netwerk, gezonde verstedelijking, natuurinclusief en klimaatadaptief als ontwerpuitgangspunt. Eenduidige toepassing van DuBo-uitgangspunten in dialoog, planvorming en toets/vergunning, zoals verwoord in de DuBo-notitie.

73

Randvoorwaarden In algemene zin loopt het onderwerp duurzaamheid via programma- en projectbudgetten, er zijn voor duurzaam bouwen geen specifieke budgetten gereserveerd. Er wordt geadviseerd op DuBo bij nieuwe plannen en herstructurering. Parallel wordt de monitoringssystematiek en de set indicatoren voor DuBo-kwaliteit versterkt. Risico’s bij afwijking van bestaande afspraken worden expliciet in beeld gebracht. Kansen & dilemma’s Tekenen Convenanten • Kans: Naast het convenant Toekomstbestendig Bouwen, waar het college in 2025 positief op heeft besloten, biedt het tekenen van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) mogelijkheden voor subsidies bij projecten die vanwege stikstofemissies emissieloos moeten worden uitgevoerd. Verankering in het omgevingsplan en toetskaders • Kans: Door DuBo-eisen (zoals natuurinclusief, klimaatadaptief en circulariteit/MPG) te concretiseren in heldere beoordelings- en indieningsvereisten ontstaat voorspelbaarheid. Dit versnelt planvorming en besluitvorming. • Dilemma: Hogere ambitie kan soms schuren met uitvoerbaarheid en betaalbaarheid, vooral bij binnenstedelijke verdichting en sociale woningbouw. Bij toepassing in planfase van projecten hoeft betaalbaarheid geen belemmering te zijn.

Circulariteit als sturingsprincipe • Kans: Minimale milieu‑impact via hoger ambitieniveau voor MPG, hergebruik, demontabel ontwerpen en biobased/houtbouw; opnemen van circulaire KPI’s in uitvragen, grondbeleid en anterieure overeenkomsten. • Dilemma: Markt- en ketenrijpheid, beschikbaarheid van materialen en bewijsvoering (prestatieverklaringen/brandveiligheid), plus mogelijke meerkosten in vroege fasen. Natuurinclusief en klimaatadaptief als standaard • Kans: Groen‑blauwe netwerken, gevel‑ en dakgroen, bodem- en waterrobuust bouwen, en biodiversiteitsmaatregelen opnemen als vaste ontwerp‑ en vergunningsconditie; koppeling met meetbare gebiedsdoelen. Kans (SMP): Doordat de gemeente een SMP heeft laten opstellen en naar verwachting begin 2027 een vergunning ontvangt van de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH), ontstaat een praktisch kader voor natuurinclusief (ver)bouwen. Woning-eigenaren, de woningcorporatie en projectontwikkelaars die gebruikmaken van het SMP hoeven dan bij isolatie, renovatie of nieuwbouw geen afzonderlijk ecologisch onderzoek meer uit te voeren. Dit vergroot de voorspelbaarheid, voorkomt “ecologische eisen achteraf” en versnelt daarmee de isolatie- en verduurzamingsopgave aanzienlijk. Het levert bovendien kostenvoordelen op voor inwoners, corporatie en ontwikkelaars, omdat onderzoekslasten en vertragingsrisico’s afnemen.

• Dilemma (SMP/vergunningvoorwaarden): Aan de (nog te verkrijgen) ODH-vergunning hangen voorwaarden en verplichtingen. Denk aan het realiseren van nestvoorzieningen voor beschermde soorten, zoals het inmetselen van nestkasten in gevels bij renovatie én in

74

nieuwbouwprojecten. Dit vraagt om heldere handhaafbare eisen, voldoende uitvoeringscapaciteit en bestuurlijke toewijding van het college om de standaard consequent door te voeren. • Dilemma (ruimte en beheer): Concurrerende claims op maaiveld en ondergrond maken keuzes noodzakelijk. Ook is een gebiedsdekkend beheer- en onderhoudsregime randvoorwaardelijk. Financiering en prikkels voor hogere ambitie • Kans: Inzetten van groene financiering (bijv. groenverklaring via RVO) en relevante regelingen voor circulair/natuurinclusief bouwen om meerkosten te dempen; benutten in uitvragen en deals. • Dilemma: Toepasbaarheid per project (criteria, administratieve lasten) en borging dat financiële prikkels leiden tot aantoonbare kwaliteit. Monitoring & bijsturing • Kans: Uitbouw van de bestaande monitoringslijn (indicatoren voor circulariteit, groen‑blauw, gezondheid/comfort) levert bestuur en projecten tijdig stuurinformatie. • Dilemma: Datakwaliteit, projectoverstijgende aggregatie en het vertalen van data naar harde bijsturingskeuzes.

75

Duurzame mobiliteit Stand van zaken In het Klimaatakkoord is afgesproken om maximaal 25 Megaton broeikasgassen (grotendeels CO2) uit te stoten in de sector mobiliteit in heel Nederland in 2030. In de RES 1.0 is deze doelstelling vertaald voor Holland Rijnland. Dit staat gelijk aan ongeveer 22% CO2 reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Op vergelijkbare wijze is de regionale doelstelling voor energiebesparing op mobiliteit vastgelegd op 11% reductie in 2030 ten opzichte van 2014. Het jaar 2014 is gekozen, omdat toen energiebesparingsafspraken zijn gemaakt in het Holland Rijnland Energieakkoord (Holland Rijnland, 2017). De meest in het oog springende transitie is de elektrificatie van het wegverkeer. Als gemeente dragen we hieraan bij door de uitrol van laadinfrastructuur. De mobiliteitstransitie gaat echter ook over slimmer, duurzamer en anders reizen. We zetten in op deelmobiliteit en fietsverkeer om het autogebruik te verminderen. Samen met werkgevers kijken we naar de verduurzamingsopties in het woon-werk- en zakelijke verkeer. Wegverkeer is in Holland Rijnland goed voor 88% van de energievraag van mobiliteit. De overige 12% is grotendeels afkomstig van mobiele werktuigen. Denk hierbij aan hijskranen, graafmachines, en tractoren. Ook op dit thema wordt gewerkt aan het behalen van de ambities.

Tot slot onderzoeken we de mogelijkheden om de elektrificatie van de (plezier)scheepvaart te versnellen. Voor 2050 gaan we uit van energieneutraliteit. Voor wat betreft de personenauto's, lichte bedrijfsvoertuigen en openbaar vervoer lijkt het haalbaar dat alle voertuigen uitstootvrij rijden. Er blijft naar verwachting een klein aandeel zwaarder vrachtverkeer dat nog op benzine of diesel rijdt. Deze brandstoffen kunnen niet worden opgewekt in de gemeente Katwijk, en zullen voor het bereiken van energieneutraliteit gecompenseerd moeten worden met een groter aandeel opwek van hernieuwbare elektriciteit. Rode draden: politiek & bestuurlijk Verduurzaming van de mobiliteit is niet alleen nodig vanuit de energie- en klimaatambities; de transitie naar een slimmere, schonere en andere manier van reizen is onmisbaar om onze kernen leefbaar te houden en de ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, mogelijk te maken. De diverse beleidsinspanningen op het gebied van mobiliteit en energietransitie versterken elkaar in veel gevallen. Zo richten we onze woonwijken zodanig in, dat lopen en fietsen de aantrekkelijkste vervoerwijzen zijn, en realiseren we snelle en veilige doorfietsroutes en hoogwaardig openbaar vervoer die duurzaam verplaatsen mogelijk maken. Kansen & dilemma’s Laadinfrastructuur In 2021 heeft de raad de visie op laadinfrastructuur voor de periode tot 2025 vastgesteld.

Hierin is vastgelegd dat we in Katwijk ruimte bieden aan meerdere exploitanten om optimaal te

76

profiteren van de ontwikkelingen in de markt. Ook is sinds 2021 gestart met strategisch plaatsen van laadpalen om de verwachte groei van het aantal elektrische auto’s te kunnen bijbenen. In 2025 is de aanpak op onderdelen aangepast, waarbij nog steeds strategisch wordt geplaatst maar het tempo van plaatsing volgt uit een datagestuurde aanpak. Er wordt alleen bijgeplaatst als uit verbruikscijfers blijkt dat dit nodig is. De brede aanwezigheid van openbare laadpalen in de gemeente biedt kansen om met netbewust laden (buiten piekmomenten) in samenwerking met exploitanten de impact op het elektriciteitsnet te verkleinen. Deelauto Een aanbod aan deelauto's geeft inwoners meer reismogelijkheden, waardoor men minder afhankelijk wordt van de eigen auto. Het autobezit en autogebruik neemt hierdoor af. Qua autobezit heeft dit in bestaande gebieden vooral invloed op de tweede en derde auto in een huishouden; dat zijn ook de auto's die relatief vaak voor korte ritten worden gebruikt. Dit heeft dus lokaal een aanzienlijk effect op de uitstoot en het ruimtebeslag door geparkeerde auto's. Wanneer de omstandigheden op orde zijn (denk aan beperkte parkeervoorzieningen, goede fietsvoorzieningen en hoogwaardig openbaar vervoer), zullen huishoudens er zelfs voor kiezen geen enkele auto meer te bezitten.

Gezien de potentie van de inzet van deelauto's stimuleert de gemeente Katwijk deelautoaanbieders met herkenbare plekken en een gratis parkeervergunning. Momenteel zijn er twee aanbieders actief in de gemeente: Greenwheels en Wijkar. Er liggen kansen om deelauto’s breder in te zetten. Deelmobiliteit Uit de recent uitgevoerde impactanalyse blijkt dat een transitie naar een duurzamer mobiliteitssysteem voor Katwijk cruciaal is om de leefbaarheid te waarborgen en ruimtelijke ontwikkelingen ook in de toekomst mogelijk te maken. Deze mobiliteitstransitie moet het aantrekkelijker maken om te kiezen voor lopen, fietsen of openbaar vervoer en de auto dus wat vaker te laten staan. Een van de activiteiten die we ondernemen om deze transitie op gang te brengen, is het inzetten van deelmobiliteit, waarmee de hoeveelheid reismogelijkheden wordt vergroot, zowel voor inwoners van Katwijk als voor bezoekers aan onze gemeente. Deelmobiliteit voor inwoners: buurthubs We willen het voor inwoners van onze gemeente eenvoudiger maken te kiezen voor andere vormen van mobiliteit dan de eigen auto. In buurthubs worden geclusterd per buurt elektrische deelauto's, elektrische deelbakfietsen en indien gewenst elektrische fietsen aangeboden.

In Katwijk liggen kansen om bij nieuwbouwprojecten samen met de ontwikkelaars deelmobiliteit in te zetten, zodat de nieuwe bewoners direct na de verhuizing gebruik kunnen maken van deze mobiliteitsdiensten. Deelmobiliteit in de last mile

77

Ook voor bezoekers aan Katwijk en medewerkers van bedrijven in Katwijk kan deelmobiliteit uitkomst bieden om de overstap te maken naar een duurzamere manier van verplaatsen. Door het aanbieden van deelfietsen bij OV-haltes kunnen OV-reizigers het laatste stuk van de reis afleggen per fiets. Juist door het overbruggen van deze last mile ontstaat een aantrekkelijke ketenreis die concurrerend is ten opzichte van de reis met een privéauto. Elektrificatie mobiele werkplaatsen Kraanwagens en graafmachines, overslagmachines en betontrucks draaien nu nog vaak op diesel maar zullen de komende jaren steeds vaker elektrisch worden aangedreven. Elektrificatie van mobiel bouwmaterieel biedt grote voordelen zoals minder stikstofuitstoot. Voor succesvolle elektrificatie is wel een goede planning nodig die ervoor zorgt dat tijdig voldoende stroom beschikbaar is op bouwlocaties. Hierin kan de gemeente een belangrijke rol spelen. Mobiele werktuigen worden in verschillende sectoren ingezet. Voornamelijk de bouw en landbouw zijn grootverbruikers. De bouwsector is met ongeveer 6 TWh op jaarbasis verantwoordelijk voor ruim 50% van de totale energievraag door mobiele werktuigen. Graafmachines (28.000 stuks met 2,8 TWh) en laadschoppen (16.000 stuks met 2,4 TWh) zijn de grootverbruikers. Er worden op dit moment landelijk rond de 55.000 machines in de bouwsector gebruikt.

Deze mobiele werktuigen zijn qua motorvermogen te verdelen in klein (tot 56 kW; circa 40% van het totaal aantal), middel (56-130 kW; 13%) en groot (> 130 kW; 47%). In Katwijk zijn diverse ruimtelijke ontwikkelingen gepland, waarbij veel mobiele werktuigen nodig zijn. Uiteraard is Valkenhorst de grootste locatie, maar dit speelt ook bij kleinere inbreidingslocaties. Dit biedt kansen om werkplaatsen te verduurzamen. De rol van de gemeente hierin kan faciliterend zijn of kaderstellend teneinde deze ontwikkeling te versnellen. Elektrisch vervoer over water Onze regio is waterrijk. Met een groot aantal havens voor plezierjachten ligt ook daar een opgave voor verduurzaming. Elektrificatie voor pleziervaart heeft een hoop voordelen, waaronder sterk verminderde onderhoudsbehoefte van materiaal, lagere gebruikskosten, en minder milieu- en geluidsoverlast. Echter, de kosten van batterijen zijn vaak nog een beperkende factor in de overstap voor een vervoersmiddel wat toch vaak ongebruikt in de haven ligt. Met dalende batterijprijzen, stijgende brandstofkosten, en bovenal een enorme klimaatopgave ligt er ook voor pleziervaart een weg naar zero-emissie in het verschiet. Daardoor ligt er een extra stimulans voor zero-emissie om zo de stikstofuitstoot te verminderen. Net als bij het wegverkeer is het zonder laadinfrastructuur lastig overstappen naar een ZE-vaartuig.

Verduurzaming werkgebonden personenmobiliteit Sinds kort is nieuwe wetgeving van kracht, waardoor werkgevers met meer dan 100 werknemers jaarlijks gegevens over werkgebonden personenmobiliteit van hun werknemers moeten verzamelen. Het gaat om gegevens over het aantal gereisde kilometers, de gebruikte vervoermiddelen en brandstof. Werkgevers verstrekken die gegevens via een digitaal platform dat RVO momenteel ontwikkelt. Op basis van die gegevens berekent het platform de CO2-

78

emissie automatisch. Via een rapportage krijgen werkgevers inzicht in hun emissies en worden ze gestimuleerd om reducerende maatregelen te nemen. De regeling wordt op termijn uitgebreid naar kleinere werkgevers. Het ministerie van IenW monitort of de afgesproken CO2-reductie wordt gehaald. Als dat niet het geval is, zal er vanaf 2026 een norm (emissiegrenswaarde) voor individuele werkgevers in de wetgeving worden opgenomen. Deze norm maximeert de CO2-emissie door werkgebonden personenmobiliteit van een werkgever. Daarnaast is de norm ook een stok achter de deur om de reductiedoelstelling in 2030 te halen. Gemeenten zijn bevoegd gezag op het gebied van toezicht en handhaving van de regeling. Zij verlenen opdracht aan de omgevingsdiensten, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van toezicht- en handhavingstaken. Dit biedt kansen om werkgevers te bewegen in te zetten op verduurzaming van het woonwerkverkeer van de medewerkers.

79

Duurzame Opwek van Energie Stand van zaken Zoals te lezen in CE Delft ‘Energietransitie Katwijk’, zal de energievraag altijd groter zijn dan de opwekpotentie in Katwijk. Voor de bebouwde omgeving en voor nieuwbouw is het dus belangrijk om zelf zoveel mogelijk zonne-energie op te wekken en die op een slimme manier direct zelf zoveel mogelijk te verbruiken en/of op te slaan. Voor nieuwbouw geldt dat we de ‘netbewuste nieuwbouw’-principes kunnen hanteren. In het kader van netcongestie en geopolitieke ontwikkelingen kunnen er strategische keuzes worden gemaakt. Het verlagen van de energievraag, het maximaliseren van lokale hernieuwbare opwek en het slim afstemmen van opwek en verbruik zorgen allemaal voor minder afhankelijkheid van een vol elektriciteitsnet en energieproductie buiten de regio. In 2021 heeft de gemeenteraad de Regionale Energiestrategie Holland Rijnland 1.0 (RES 1.0) vastgesteld. Hierin heeft de raad zich gecommitteerd aan regionale opwekdoelen voor 2030. In 2024 is het Energieprogramma Katwijk door de raad vastgesteld. In het energieprogramma worden lokale ambities en regionale afspraken vertaald naar concrete gemeentelijke acties voor de komende jaren. Hiermee volgt het energieprogramma de hoofdonderwerpen van de RES 1.0. Het vorige college heeft in januari 2026 de Opwekstrategie 2026-2027 vastgesteld.

De huidige koers is maximaal inzetten op no-regret maatregelen zoals zon op grote daken en zonnepanelen boven parkeerplaatsen (solar carports). De komende jaren werken we aan het behalen van de gestelde doelen. Rode draden: politiek & bestuurlijk Maatschappelijke opgave voor Katwijk Lokaal opgewekte duurzame energie kan direct worden ingezet om de vraag van energie op het net te beperken. We stimuleren inwoners en bedrijven om hierop in te zetten. Strategische keuzes die al door raad of college zijn vastgelegd In het energieprogramma Katwijk heeft de raad de komst van windturbines uitgesloten. Daarom is zonne-energie hard nodig. Tegenwoordig moeten we ook slim omgaan met energie. Daarom moet er altijd gekeken worden naar een combinatie met batterijen en energiemanagementsystemen. De (ruimtelijke) opgave voor inpassingen van de energietransitie is groot zowel in de openbare ruimte als in de ondergrond. We moeten zonne-energie zoveel mogelijk voor ons laten werken en ons verbruik daarmee verlagen. Dit is ook nodig voor de stijgende elektriciteitsvraag. Deze vraag kan echter nog sterk worden beïnvloed door keuzes in bijvoorbeeld het Warmteprogramma en bij de energievraagstukken rondom ontwikkelingen als Valkenhorst. Randvoorwaarden We zien kansen om duurzame opwek verder te ontwikkelen. We kunnen inwoners en bedrijven ondersteunen en stimuleren in deze ontwikkeling.

Voor onder andere veel business cases voor solar carports zijn initiatiefnemers afhankelijk van subsidies.

80

• • •

•

•

Beleidsontwikkeling, o.a. personele inzet en bijdrage samenwerkingen worden voor het overgrote deel betaald met rijksmiddelen energietransitie. Inzetten op ontwikkeling van Solar Carports vraagt investeringen van de raad. Katwijk maakt deelt uit van de RES-regio Holland Rijnland, waar we samen met andere gemeenten 1140 GWh willen opwekken in 2030. Voor Katwijk betekent dat dat we in 2030 30-72 GWh per jaar aan elektriciteit opwekken. Daarbij richten we ons op de bovengrens van 72 GWh. In het lokale Energieprogramma 2024-2027, vastgesteld door de raad in 2024, staan gemeentelijke doelen voor duurzame opwek en bijbehorende acties. De opwekdoelen voor 2030 zijn 30-64 GWh zon op groot dak, 21-29 GWh zon op klein dak, 0-8 GWh zon op parkeerterreinen. In januari 2026 is de Opwekstrategie 2026-2027 door het college vastgesteld

In de Opwekstrategie zijn acties vastgesteld die in 2026 en 2027 worden uitgevoerd. Deze moeten bijdragen aan het RES-doel om in 2030 1140 GWh opgewekt te hebben. De verwachting is dat het geplande aanvullende beleid voldoende is om ons gestelde bod hiervoor te behalen. Kansen & dilemma’s Er liggen grote kansen voor het dubbel gebruik van parkeerterreinen. Het kan helpen om parkeerplaatsen aan te wijzen als geschikt voor solar carports. Dit hoeft evenementen niet direct in de weg te zitten. Er is bestuurlijke regie nodig, maar ook middelen om businesscases rond te krijgen. Is de gemeenteraad bereid om te investeren in duurzame opwek, die nodig is voor de stijgende energievraag waaronder het opladen van elektrische auto's? Dit is namelijk 08 van de geplande 72 GWh voor het 2030 doel. In het Energieprogramma 2024-2027 zijn verschillende acties opgenomen over het ondersteunen van lokale, duurzame initiatieven. Maar een grote drempel voor initiatiefnemers om te komen tot het plaatsen van dergelijke maatregelen, blijken onder andere de (hoge) opstartkosten of investeringskosten met een lange terugverdientijd voor het starten van een energieproject te zijn. De opwekstrategie omschrijft het opzetten van een subsidieregeling voor duurzame initiatieven als oplossing hiervoor.

Het is een kans om de regeling niet alleen in te richten voor thema's binnen duurzame opwek, maar ook voor warmte, klimaatadaptatie, ecologie en circulariteit.

81

Energiearmoede, Isoleren en besparen Stand van zaken In 2022 werd duidelijk dat ten gevolge van mondiale instabiliteit onze energieprijzen snel kunnen stijgen met alle gevolgen voor bewoners van dien. Om onze onafhankelijkheid te vergroten, is het daarom belangrijk dat we ons voorbereiden op de warmtetransitie. De oplossing voor beide uitdagingen is om in te zetten op isoleren en energiebesparing. In 2022 en 2023 hebben allerlei acties rondom energiearmoede plaatsgevonden. Het Winterplan bevatte allerlei acties, energiecoaches werden opgeleid en er is ingezet op isoleren. In januari 2024 zijn we gestart met een isolatieaanpak. Als eerste opende het Katwijks Isolatiefonds (KIF), gericht op het ondersteunen en stimuleren van huishoudens met energiearmoede in het isoleren van hun koopwoning. In februari 2024 startte met financiering van het Rijk de Lokale Aanpak Isolatie (LAI) voor dezelfde doelgroep. Bewoners die hulp en ontzorging nodig hadden, konden vanaf november 2024 terecht bij het Energieloket, bemand door twee energieadviseurs die gratis en onafhankelijk energieadvies geven en helpen bij subsidieaanvragen op het loket of tijdens een huisbezoek. VvE's worden sinds februari 2025 ook ondersteund met subsidie en een ontzorgingsaanpak. We zien dat de isolatieaanpak een lange tijd nodig had om op gang te komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17138589/1