CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Bijlage 1.0. RES 1.0 (1907184)

Raad 24 juni 2021, gemeente KatwijkBij agendapunt: Regionale Energiestrategie Holland Rijnland 1.025.895 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In Bijlage 4.1 'Uitkomsten onderzoek verduurzaming mobiliteit in de RES 1.0' staan de volledige onderzoeksresultaten.

4.2.1 Nulmeting Eerst is in kaart gebracht hoe groot het energieverbruik en de CO2-emissie van mobiliteit in Holland Rijnland nu is en hoe dit is verdeeld over de verschillende modaliteiten. Voor de uitstoot van C0₂ is het referentiejaar 1990. In het Klimaatakkoord is namelijk afgesproken om in 2030 49 procent minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Voor het energieverbruik door mobiliteit is 2014 het referentiejaar. In de Concept RES is namelijk afgesproken dat in 2030 het energieverbruik 11 procent lager ligt dan in 2014 in Holland Rijnland . De nulmeting levert voor Holland Rijnland het volgende op: 1. Mobiliteit is de enige sector die sinds 2010 qua energiegebruik is gegroeid. Sinds 2014 is er een stijging van 4 procent. Ter vergelijking: ondanks de bouw van 25.000 woningen nam het energieverbruik door de sector gebouwde omgeving wél af. 2. De CO2-uitstoot van mobiliteit is toegenomen met 8,5 procent in 2018 ten opzichte van 1990. Dit betekent dat de uitstoot van 709 kTon in 1990 naar 769 kTon in 2018 steeg. 3. Bijna 90 procent van de CO2-uitstoot van mobiliteit komt door het wegverkeer (vooral auto’s en vrachtwagens). Tweederde van de uitstoot door wegverkeer vindt plaats buiten de snelwegen. 4. Elektrisch personenvervoer en laadpalen ontwikkelen zich snel.

Toch is van het totaal aantal personenauto’s nog maar 0,8 procent elektrisch en 0,8 procent hybride begin 2019.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Figuur 4.2: Aandeel in kton per modaliteit op de totale uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland in 2018. Bron: Emissieregistratie (bewerkt).

4.2.2 Effect bestaand beleid Er is in kaart gebracht hoeveel CO2-reductie we binnen Holland Rijnland kunnen verwachten door bestaand Europees beleid, landelijk beleid en al geldende maatregelen die uit onder meer het Klimaatakkoord tot 2030 volgen. Dit is gedaan op basis van de Klimaat- en Energie Verkenning (KEV 2020). Niet alles uit het Klimaatakkoord is concreet genoeg voor de doorrekening [link naar https://www.pbl.nl/publicaties/overzicht-van-uitgangspunten-scenario-aannames-en-beleid-in-de-kev2020]. Hiervoor is naar beleid gekeken dat al concreet genoeg is voor een doorberekening. Voor deze vermindering hoeft een regio of gemeente zelf niets extras te doen dan wat het Rijk vraagt. Los van of we als regio wel of niet aanvullende maatregelen nemen, vindt er dus al een CO 2-vermindering plaats van 8 procent ten opzichte van 1990 en een energiebesparing van 2 procent ten opzichte van 2014. Het effect van al bestaand beleid kan overigens nog toenemen als voorgenomen ambities of beleid in maatregelen concreter worden.

4.2.3 Mogelijke bouwblokken Met de opgedane inzichten uit de nulmeting zetten we de volgende stap. Zo is in kaart gebracht welke ‘bouwblokken’ kunnen leiden tot vermindering van CO 2-uitstoot en energieverbruik kunnen zorgen. Een bouwblok is een verandering in het mobiliteitssysteem die direct effect heeft op CO 2- en energiebesparing. Allerlei bouwblokken kunnen de reductie van CO₂-uitstoot en het energieverbruik verminderen. Voorbeelden zijn: meer en verder fietsen, minder passagierskilometers per inwoner, of verschuiving

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

van vrachtvervoer via de weg naar water. In figuur 7.3 staan mogelijke bouwblokken en het verwachte effect van deze bouwblokken. Een bouwblok met veel invloed is de elektrificatie van personenvervoer. Zelfs met de huidige stroommix (grotendeels grijs, deels groen) levert volledige elektrificatie van auto’s 22 procent CO 2besparing op. Als we volledig groene stroom gebruiken, levert dit zelfs een besparing op van 57 procent. Volledige elektrificatie van auto’s draagt daarnaast bij aan een energiebesparing van ongeveer 1 TWh. Elektrisch aangedreven auto’s gebruiken namelijk efficiënter energie dan op fossiele brandstof aangedreven auto’s. Als alle auto’s elektrisch gaan rijden, stijgt de elektriciteitsvraag met ruim 20 procent. Netto is er wel een sterke energiebesparing.

Figuur 4.3: Overzicht mogelijke bouwblokken die kunnen bijdragen aan het verminderen van CO₂uitstoot en energieverbruik door mobiliteit. Bron: Energietransitiemodel.

4.2.4 Mogelijke maatregelen Maatregelen zijn overheidsingrepen die het effect van een bouwblok kunnen beïnvloeden. Dit zijn maatregelen waarop gemeenten en Holland Rijnland (in)direct invloed kunnen uitoefenen. Gemeenten voeren al verschillende maatregelen uit, zoals het mogelijk maken van stadslogistiek, parkeerregulering of het beschikbaar stellen van vaste parkeerplekken voor (elektrische) deelauto’s. Deze maatregelen hebben effect op de verschillende bouwblokken. Zo draagt stimuleren van laadvoorzieningen door gemeenten bij aan het bouwblok elektrificatie van personenvervoer. Onderzoek wijst uit dat de aanwezigheid van laadinfrastructuur de drempel verlaagt om elektrisch te

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

gaan rijden. Er zijn nog veel meer maatregelen mogelijk. Een volgende stap richting de RES 2.0 en regionale en lokale plannen is het verder uitwerken van mogelijke maatregelen per bouwblok.

4.2.5 Van ambitie naar concrete doelstellingen De bouwstenen en mogelijke maatregelen uit het voor de RES verrichte onderzoek laten zien dat de RES-partners ook zeker kunnen bijdragen aan het verminderen van de CO₂-uitstoot en het energieverbruik. Holland Rijnland zit voor mobiliteit 8,5 procent boven het uitstootniveau van 1990. Afgerond zou Holland Rijnland in 2030 30 procent CO₂ moeten besparen ten opzichte van de huidige situatie om op de – min 22 procent uit het Klimaatakkoord te komen. Met het al voorgenomen Europees en nationaal beleid en de uitgewerkte maatregelen uit bijvoorbeeld het Klimaatakkoord kunnen we een CO2-vermindering van ongeveer 8 procent realiseren. Er blijft dan voor Holland Rijnland nog een bijkomende 22 procent vermindering in 2030 (ten opzichte van 2018) over. Een deel van dit percentage komt door nadere concretisering van het Europese en landelijke beleid tot stand. Mobiliteit is verantwoordelijk voor zo’n 30 procent van het energieverbruik in Holland Rijnland. Het is dan ook belangrijk dat de sector mobiliteit bijdraagt aan de vermindering van het beoogde energieverbruik in 2030. Wij zetten in op een besparing van minimaal 11 procent ten opzichte van mobiliteit in 2014. Dit komt neer op een vermindering van het energieverbruik van mobiliteit met 0,31 TWh ten opzichte van 2014, met een overblijvend energiegebruik van 2,5 TWh.

4.3 Regionale Strategie Mobiliteit Verduurzaming van mobiliteit is belangrijk, maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld verkeersveiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid. Verkeersbewegingen stoppen niet bij een gemeentegrens. Mobiliteitsvraagstukken vragen om een regionale samenwerking en integrale benadering. Binnen Holland Rijnland is gelijktijdig met de RES 1.0 gewerkt aan de Regionale Strategie Mobiliteit (RSM) . Binnen deze strategie is verduurzaming van mobiliteit een belangrijke pijler. Dit hoofdstuk uit de RES is daarom ook input voor de RSM. Verduurzaming van mobiliteit draagt namelijk bij aan de leefbaarheid en de bereikbaarheid van onze regio. Ook de RSM zet in op schonere, slimmere en andere mobiliteit.

4.4 Opgave Laadinfrastructuur Uit het RES-onderzoek blijkt dat elektrificatie van vervoer een belangrijke bouwsteen is om mobiliteit in deze regio te verduurzamen. Het nationaal Klimaatakkoord heeft de ambitie om in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos te laten rijden. Nodig daarvoor zijn een sterke uitbreiding van het laadnetwerk in Nederland en levering van duurzame stroom. Om dit voor elkaar te krijgen, is de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) als bijlage bij het Klimaatakkoord toegevoegd. De NAL is een meerjarige beleidsagenda met ambities en acties voor realisatie van laadinfrastructuur in Nederland. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij de realisatie van laadinfrastructuur, omdat een deel van de laadvraag moet worden opgevangen in de publieke ruimte. Wij zetten in op de realisatie van laadinfrastructuur.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Regionale Energie Strategie

Borging NAL in hoofdstuk Duurzame Mobiliteit

Uitvoering NAL

Figuur 4.4: Relatie Regionale Energie Strategie en laadinfrastructuur.

4.4.1 Regio Zuidwest Om gemeenten bij het realiseren van voldoende laadinfrastructuur te ondersteunen, is in de NAL afgesproken om samenwerking op landsdeelniveau te organiseren. Zuid-Holland en Zeeland maken onderdeel uit van de samenwerkingsregio Zuidwest. De gemeenten binnen Holland Rijnland vallen hieronder. In samenwerking met de provincies Zeeland, Zuid-Holland, gemeenten en netbeheerders binnen landsdeel Zuidwest is de Regionale Aanpak Laadinfrastructuur (RAL) Zuidwest opgesteld. In de RAL ZW staat hoe het landsdeel Zuidwest de laadinfrastructuur wil realiseren. De RAL Zuidwest omvat een pakket aan ondersteunende activiteiten die gemeenten kunnen gebruiken. Activiteiten die hieronder vallen, zijn bijvoorbeeld het opstellen van prognoses voor laadinfrastructuur en het openbaar laden van plankaarten. Ook een integrale visie, die ingaat op verschillende laadvormen (van publiek tot privaat) en op de laadtechniek (snel/ langzaam, palen/ pleinen), valt hieronder. Net zoals hulp bij het opstellen van plaatsingsbeleid en het mogelijk maken van pilots. Een vertegenwoordiger van ons programmateam schuift namens de gemeenten aan bij de samenwerkingsregio Zuidwest.

4.4.2 Activiteiten Holland Rijnland Binnen Holland Rijnland wordt al een aantal jaren samengewerkt op het thema Laadinfrastructuur. Alle gemeenten in Holland Rijnland hebben een vorm van plaatsingsbeleid. Voor elke gemeente in Holland Rijnland zijn in 2018 prognose- en plankaarten opgesteld. In 2021 komt er een actualisatie van deze prognose- en plankaarten in RAL Zuidwest-verband. Er komen voortdurend openbare laadpalen bij. Ook werken we aan beleidsaanpassingen om bij de laatste ontwikkelingen aan te sluiten. In 2020 is een plan van aanpak opgesteld waarin staat hoe wij regionaal omgaan met de realisatie van laadinfrastructuur. Daarnaast is de opzet ‘Integrale visie voor laadinfrastructuur’ vastgesteld. Elke gemeente binnen Holland Rijnland kan deze opzet gebruiken als basis voor de, vanuit de NAL verplichte, integrale visie op laadinfrastructuur. Naast de inzet voor realisatie van laadinfrastructuur volgen wij ook de ontwikkelingen rondom (blauwe en groene) waterstof als mogelijke toepassing voor schonere mobiliteit.

4.5 Randvoorwaarden Een aantal randvoorwaarden is belangrijk om onze inzet voor verduurzaming van mobiliteit te laten slagen. Dit zijn:

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

•

• •

•

De RES-partners willen graag bijdragen aan het verduurzamen van mobiliteit. Wij kunnen dat als RES-regio niet alleen. Landelijke (stimulerings-)maatregelen zijn nodig en technologische ontwikkelingen zijn belangrijk. Uiterst belangrijk is de samenwerking met stakeholders, zoals netbeheerders, de provincie ZuidHolland, bedrijven en onze inwoners. De transitie naar duurzame mobiliteit moet haalbaar en betaalbaar zijn voor bedrijven, inwoners en gemeenten. Om begrip te kweken voor de komende veranderingen, is duidelijke communicatie nodig. Verwachtingen worden alleen waargemaakt als er mensen en middelen zijn. Gemeenten dragen nu al extra bij, bijvoorbeeld voor het realiseren van openbare laadinfrastructuur. Deze capaciteit heeft echter grenzen. Daarom vragen wij het Rijk nadrukkelijk om meer middelen voor de opgaven rondom mobiliteit. Duurzame mobiliteit is belangrijk, maar verkeersveiligheid en een (duurzame) bereikbaarheid zijn dat ook. Zo is een verandering naar (meer) duurzame mobiliteit alleen succesvol als er voldoende alternatieven zijn. Denk aan goede fietsvoorzieningen, laagdrempelig collectief vervoer of deelconcepten.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

5. Warmte ++++++ [kader]

Warmte in het kort •

Er zijn en komen waarschijnlijk voldoende duurzame bronnen beschikbaar om in 2050 de gebouwde omgeving te verwarmen, mits: o Gemeenten goed samenwerken voor een zo goed mogelijke verdeling van schaarse warmtebronnen. Dat wordt het komende half jaar uitgewerkt. o Er 15 procent wordt bespaard op warmte, vooral door isolatie. o Er restwarmte komt uit Rotterdam (via WarmtelinQ).

•

Op weg naar 2050 zijn hybride warmtepompen een nuttige tussenstap op weg naar andere duurzame oplossingen. Door elektrificatie van warmte is in 2050 ongeveer 1,18 TWh extra elektriciteitsopwek nodig. Zonder extra financiële middelen en extra bestuurlijke instrumenten van het Rijk voor de gemeenten komt de warmtetransitie niet op gang. Er is alleen naar technische haalbaarheid gekeken en, behalve via de PBL-analyses, niet naar de financiële haalbaarheid. Dat moet gebeuren bij businesscases voor concrete projecten. Met de nu bekende gemeentelijke plannen zijn in 2030 ongeveer 23.000 woningen van het gas afgehaald.

• • • •

[\kader] ++++++

[intro]

In dit hoofdstuk geven we de actuele inzichten over warmte. Er zijn voldoende duurzame warmtebronnen beschikbaar in Holland Rijnland voor een aardgasvrije samenleving in 2050. Een belangrijke vraag daarbij is hoe we warmtevraag en warmtebron op elkaar afstemmen. De oplossing daarvoor ligt vooral bij particuliere partijen en huiseigenaren.

5.1 Ambitie Wij gaan ervan uit dat we in 2050 30 procent energie besparen in de gebouwde omgeving ten opzichte van het huidige energiegebruik. Woningen en utiliteitsgebouwen halen deze 30 procent in 2050 als ze minimaal label B hebben. We verwachten dat we deze besparing in alle sectoren kunnen halen, dus in woningen en utiliteitsbouw, maar ook in de land- en tuinbouw en de glastuinbouwsector. En misschien zit er zelfs nog meer in, want de glastuinbouw wil zelfs al voor 2040 een besparing van 35 procent realiseren. Ondanks dat we stevig inzetten op besparing, weten we dat we als regio niet helemaal zelfvoorzienend kunnen zijn. Toch willen we zoveel mogelijk van onze benodigde energie uit eigen regio halen. Wat we tekortkomen, importeren we uit andere Nederlandse regio’s. We verwachten nu dat we 24 procent externe warmte nodig hebben, voornamelijk in de vorm van restwarmte uit Rotterdam en groen gas. We hebben namelijk minder restwarmte van bedrijven in onze eigen regio beschikbaar, dan we aanvankelijk dachten.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

5.2 Vraag naar warmte Het is belangrijk dat we weten hoeveel vraag er naar warmte is in 2050 en van welke temperatuur. Dit bepaalt namelijk welke bronnen we kunnen inzetten om in die vraag te voorzien. We verwachten dat in 2050 de jaarlijkse warmtevraag er als volgt uitziet: Bron Collectief Lage-temperatuur (LT, 40-20 0C) Collectief Midden-temperatuur (MT, 70-40 0C) Collectief Hoge-temperatuur (HT, 100-70 0C) All-electric/warmtepompen Groengas Totaal gebouwde omgeving Industrie Land-/tuinbouw Totaal

Vraag RES 1.0 (TWh) 0,43 0,49 0,50 0,78 0,44 2,64 0,52 0,49 3,64

Tabel 5.1: de verwachte warmtevraag in Holland Rijnland in 2050. Bron: [RES Holland Rijnland]. In Bijlage 5.1 worden de cijfers uit tabel 5.1 nader onderbouwd.

5.2.1 Gebouwde omgeving De categorie gebouwde omgeving bestaat uit woningen en utiliteitsgebouwen. Als we naar de warmtevraag hiervan kijken, bedroeg deze in 2018 ongeveer 3,8 TWh. Daarvan werd 70 procent gebruikt door woningen en 30 procent door utiliteitsbouw. Het grootste deel van deze warmte bestaat uit ruimteverwarming. Als we ervanuit gaan dat we 30 procent kunnen besparen, dan blijft er een warmtevraag over van ongeveer 2,6 TWh. Een deel van deze warmtevraag lossen we op met elektrische installaties, zoals warmtepompen. Dat leidt tot een extra elektriciteitsvraag van 0,24 TWh.

5.2.2 Industrie en landbouw In 2018 bedroeg de warmtevraag van de landbouw 0,69 TWh. Daarvan komt de belangrijkste bijdrage uit de glastuinbouw. In de regio zijn de meeste daarvan verenigd in drie Greenports: Duinen Bollenstreek, Boskoop en Aalsmeer. Iedere Greenport heeft zijn eigen specialisatie. De Duin- en Bollenstreek richt zich op bollen en bolbloemen; Boskoop op bomen en vaste planten en Aalsmeer op bloemen en planten. In het Klimaatakkoord en het Tuinbouwakkoord gaven alle Greenports aan dat zij in 2040 klimaatneutraal willen zijn. Ook gaven zij aan dat zij in 2040 35 procent minder energie willen gebruiken dan in 2015. Op basis daarvan hebben we de warmtevraag van de landbouw in 2050 30 procent lager ingeschat. Dat komt neer op 0,49 TWh. Er is in deze regio niet veel industrie, wat terug te zien is in de warmtevraag. In 2018 bedroeg deze 0,52 TWh.

5.2.3 Piek- en back-up-voorzieningen In de toekomst kunnen we verschillende warmtebronnen gebruiken om warmte aan een warmtenet te leveren. Door de gevarieerde warmtevraag kan er per dag, tussen dagen of tussen seizoenen een

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

onbalans ontstaan tussen vraag en aanbod. Restwarmte kan een basis aan hoge temperatuur warmte leveren, bij voorkeur in de mix met geothermie. Geothermiebronnen (zie de begrippenlijst) schakelen niet makkelijk op en af, maar produceren een constante hoeveelheid warmte. Bij een grote inzet van geothermie is de productie in de zomer hoger dan de vraag, en vice versa in de winter. Voor zon- en aquathermie geldt ook dat de warmteproductie vooral groot is in de zomer, terwijl de vraag naar warmte hoog is in de winter. Door gebruik te maken van seizoensopslag, kan overproductie in de zomer worden opgeslagen om in de winter te gebruiken. In de RES kiezen we niet voor warmteopslag. Die keuze ligt straks bij de warmteleverancier. Warmteopslag kan in ondergrondse bodemlagen (WKO’s voor lage temperaturen en in diepere lagen voor hoge temperaturen), in opslagvaten of in vaste stoffen (bijvoorbeeld basalt). Hoge temperatuuropslag in de ondergrond of in vaste stoffen zijn nog geen bewezen technieken. Op koude winterdagen kan de warmtevraag groter zijn dan een warmtebron kan leveren. Voor die situaties zijn aanvullende piekbronnen en -voorzieningen nodig, die in korte tijd extra vermogen leveren. De voeding voor deze voorzieningen komt via de eerdergenoemde opslagmedia of speciale piekcentrales op basis van bijvoorbeeld (groen) gas of elektriciteit.

We hebben via modelberekeningen een inschatting gemaakt van de nodige omvang van piek- en back-upvoorzieningen. Hieruit blijkt dat er bij minimaal beschikbare warmtebronnen en zonder toepassing van warmteopslag (back-up), 566 MW/0,44 TWh aan piekvoorzieningen nodig zijn. Bij maximale beschikbaarheid van bronnen en door brede toepassing van warmtopslag kunnen we deze vraag tot bijna 175 MW terugbrengen. (Zie ook Bijlage 5.2, notitie Piek- en back-upvoorziening van 26 januari 2021.)

5.3 Aanbod Om te beoordelen of we genoeg duurzame warmte hebben om aan de warmtevraag te kunnen voldoen, moeten we weten welke duurzame bronnen en hoeveel daarvan aanwezig zijn in de regio en hoeveel ze aan warmte kunnen leveren. In deze paragraaf leest u welke duurzame warmtebronnen er in onze regio zijn. Ook geven we aan hoe we zo goed mogelijk gebruik kunnen maken van onze warmtebronnen, zodat we er minder nodig hebben. Dit doen we door zoveel mogelijk hergebruik (cascadering) en het realiseren van opslagmogelijkheden als er een overschot aan warmte is. Tot slot geven we kort aan hoe we omgaan met een situatie waarbij er voor korte tijd een hogere warmtevraag is, dan er beschikbaar is.

5.3.1 Bronnen We verwachten in 2050 in de regio op jaarbasis over de volgende warmtebronnen te beschikken:

Bron

Temperatuurniveau

Minimaal beschikbaar (TWh)

Maximaal beschikbaar (TWh)

Restwarmte Rotterdam

Hoog

0,23

0,65

Restwarmte lokaal

Midden/Laag

0,01

0,10

Diepe geothermie

Midden

0,79

1,18

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Ondiepe Geothermie

Laag

0,10

0,20

Aquathermie

Laag

0,41

1,58

Zonthermie

Midden/Laag

0,17

0,69

0,10

0,22

0,76

0,76

2,59

5,40

Biogas Via warmtepompen

n.v.t.

Totaal Tabel 5.2: Verwacht bronnenaanbod Holland Rijnland 2050. Bron: [RES Holland Rijnland]

We werken met bandbreedtes, omdat er nog veel onzekerheid bestaat over de precieze potentie. In Bijlage 5.1 zijn de cijfers uit tabel 5.2 onderbouwd. Waterstof staat niet in dit bronnenoverzicht. We lichten dat toe in paragraaf 1.4 en Bijlage 5.3 ‘Waterstof in de gebouwde omgeving’.

5.3.2 Meervoudig gebruik warmtebronnen Een warmtenet is vergelijkbaar met een cv-systeem: centraal wordt warmte toegevoegd aan water. Het water gaat via een leiding naar de warmte-afgiftepunten (in huizen: radiatoren en warmteafgiftestelsels, in wijken: warmteoverdrachtstations). Het afgekoelde water gaat via een andere leiding terug naar de warmtebron. De temperatuur in de retourleiding is nog voldoende hoog voor een lagere warmtevraag. Zo zorgen we voor meervoudig gebruik van warmte (een cascade).

Figuur: 5.1: warmtecascade.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Als het temperatuurverschil voor alle netten gelijk is (tussen de 15-20 oC), dan is het mogelijk om met dezelfde hoeveelheid water en vanuit dezelfde warmtebron de HT-wijken (100-70 0C), MT-wijken (70-40 oC) en LT-wijken (40-20 oC) van warmte te voorzien. Meervoudig gebruik van warmte heeft de volgende kenmerken: • Er wordt meer warmte uit een bron en meer vermogen uit een warmtenet gehaald. • Het is kosteneffectief, omdat hetzelfde systeem beter wordt gebruikt (bron en groot deel netwerk). Er hoeven daardoor minder (grote) warmtenetten te worden aangelegd. • Er hoeft minder warmte met andere bronnen te worden geproduceerd. • Door de lagere temperatuur van het retourwater is het mogelijk extra lage- en middentemperatuurbronnen achter de laatste lage-temperatuurcascade aan te sluiten om restwarmte te leveren die anders niet inzetbaar zou zijn. Vanaf de laagste temperatuur kan de retourleiding ook weer stapsgewijs worden opgewarmd (omgekeerd cascaderen). • Ook biedt een lagere retourtemperatuur extra koelingsmogelijkheden wanneer het water bij de oorspronkelijke bron terugkomt. Dit vereist mogelijk extra maatregelen aan de bronzijde. • De complexiteit en gevoeligheid van de systemen neemt toe en vraagt extra management- en control-taken. • Bij restwarmte als bron moet in het transportsysteem rekening worden gehouden met andere geïnteresseerden bij cascaderen.

De glastuinbouwsector in Westland en Oostland zijn ook in beeld om (lage temperatuur) warmte af te nemen. Door cascadering elders, kan het zijn dat er niet voldoende (lage temperatuur) warmte over is om in de behoefte van de glastuinbouw te voorzien. Een eerste onderzoek laat zien dat er kansen liggen voor verschillende wijken die een middentemperatuur warmtevraag hebben in de Leidse regio en in Alphen aan den Rijn. Ook zijn er kansen voor koppeling aan een midden-temperatuurnet in de Duin- en Bollenstreek. Hoeveel woningen en gebouwen we op deze manier in hun warmtevraag kunnen voorzien, hangt onder meer af van de standaard temperatuur van de hoofdleiding. Meer informatie over het onderzoek staat in Bijlage 5.4 ‘Cascadering’.

5.4 Regionale Structuur Warmte Op basis van verschillende onderzoeken lijken collectieve warmtesystemen, oftewel warmtenetten, voor een groot deel van de regio de meest geschikte optie. Om beter zicht te krijgen op de bronnen die het warmtenet gaan voeden, zijn er verschillende nieuwe onderzoeken gedaan naar bijvoorbeeld restwarmte, geo- en aquathermie. De voorkeursvolgorde van warmtebronnen wordt weergegeven in de zogenoemde warmteladder: 1: Restwarmte 2: Geothermie 3: Aquathermie (i.c.m. Warmte- en Koudeopslag WKO) 4: Open WKO's 5: Warmtepompen en all-electric oplossingen 6: Groen Gas 7: Biomassa

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Deze ladder is onder meer gebaseerd op het principe dat we elektrificatie van de warmtevraag zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Dit is een uitgangspunt op regionaal niveau, waar op lokaal niveau gemotiveerd van afgeweken kan worden. We proberen zoveel mogelijk elektrificatie van de warmtevraag voor de gebouwde omgeving te beperken om het elektriciteitsnet te ontlasten en minder grootschalige opwek in het landschap te realiseren. Soms is elektrificatie echter onvermijdelijk. Op basis van de warmteplannen in deze RES voorzien we een extra elektriciteitsvraag als gevolg van de warmtetransitie van tussen de 1,16 en 2,10 TWh in 2050. De berekeningen van de Regionale Structuur Warmte (RSW) gaan ervanuit dat we uiteindelijk voldoende duurzame elektriciteit kunnen opwekken om aan de geëlektrificeerde warmtevraag te voldoen. Wanneer we weten hoeveel vraag er naar warmte is en over hoeveel bronnen we beschikken, kunnen we kijken of dit met elkaar in evenwicht is. Zo niet, dan moeten we die onbalans oplossen. Hiervoor zien we twee mogelijke scenario’s. In het ene scenario is er restwarmte vanuit Rotterdam beschikbaar en in het andere scenario niet. Op dit moment is het namelijk nog niet gegarandeerd of en wanneer er restwarmte uit Rotterdam voor onze regio beschikbaar komt. Beide scenario’s laten zien dat er verschillende bovenlokale bronnen zijn die niet oneindig beschikbaar zijn.

Het is dus belangrijk om hierover afspraken te maken. Hiervoor maken we een eerste aanzet. Verder werpen we een blik op het toekomstige netwerk en welke ruimtelijke gevolgen dit heeft. Tot slot schetsen we een kort perspectief van de stappen die we de komende drie decennia gaan zetten.

5.4.1 Regionaal scenario inclusief restwarmte uit Rotterdam Bij het warmteaanbod werken we met twee scenario’s: een minimaal en een maximaal scenario. Als het maximale scenario in de toekomst waarheid wordt, hebben we in de regio ruim voldoende warmtebronnen om de warmtevraag van alle sectoren op te vangen. Daarmee zijn we er echter nog niet. De temperatuur van de beschikbare warmte moet ook passen bij de warmtevraag. Er is nog steeds geen evenwicht als er een warmtevraag is naar een hoge temperatuur, terwijl er vooral aanbod is van warmte met een lage temperatuur. We hebben Rotterdamse restwarmte in elk scenario hard nodig, omdat die een hoge temperatuur heeft. Geen andere beschikbare bron kan hier in voorzien. Daarnaast biedt deze bron technisch de grootste betrouwbaarheid. Begin april ligt een raadsvoorstel in de colleges van de gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude. Hierin wordt voorgesteld te kiezen voor het benutten van de Rotterdamse restwarmte. Ook wordt een mandaat gevraagd voor het sluiten van een overeenkomst met Gasunie om samen te werken aan het benutten van restwarmte door de Leidse regio. Maar zelfs als restwarmte beschikbaar komt, hebben we ook groen gas en warmtepompen nodig om de totale vraag naar warmte te kunnen opvangen. Ditzelfde geldt natuurlijk nog meer voor het minimale bronnenscenario.

In dat scenario is er veel minder restwarmte beschikbaar en zijn we dus nog afhankelijker van groen gas, warmtepompen en de elektrische opwekking van warmte.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Figuur 5.2: Match vraag en aanbod Warmte. Bron: [Quintel].

5.4.2 Drie subregio’s Onze regio is onder te verdelen in drie subregio’s, namelijk: de Leidse regio (Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en Voorschoten), de Rijn- en Veenstreek (Alphen aan den Rijn, Kaag en Braasem, Nieuwkoop) en de Duin- en Bollenstreek (Noordwijk, Katwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen).

Leidse regio Op dit moment is één stadswarmtenet in de regio operationeel. Dit net wordt vrijwel geheel gevoed met warmte uit de gasgestookte Uniper-centrale in Leiden. In Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest is een aantal woonwijken, bedrijven en instellingen op dit net aangesloten. We verwachten dat in Leiden en de Leidse regio (inclusief Katwijk) de warmtevraag in de toekomst voor een deel wordt opgevangen met Rotterdamse restwarmte via de nog aan te leggen WarmtelinQ+-verbinding vanaf Rijswijk. En met geothermie via een nog aan te leggen regionaal transportnetwerk.

Rijn- en Veenstreek Het is onduidelijk in hoeverre er in de Rijn- en Veenstreek gebruik kan worden gemaakt van grootschalige bronnen, zoals geothermie of restwarmte. Weliswaar ligt een aansluiting op WarmtelinQ+ moeilijk, maar er kunnen mogelijkheden ontstaan als het SCAN onderzoek uitwijst dat er potentie is voor geothermie in de Rijn -en Veenstreek (zie ook paragraaf 9.2.2). De subregio moet haar warmtevraag vooralsnog opvangen met de beschikbare lokale bronnen, zoals aquathermie, eventueel aangevuld met zonthermie (warmte uit zonnepanelen of collectoren op daken of in veldopstellingen) of lokale restwarmte van kassen. Restwarmte uit Rotterdam kan ooit een rol spelen, bijvoorbeeld als het mogelijk is om warmte uit de Leidse regio naar Alphen aan den Rijn te cascaderen (zie paragraaf 5.3.3). Of als het mogelijk is via andere verbindingen een koppeling te maken met het net rond Rotterdam.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Duin- en Bollenstreek Onderzoeken tonen aan dat de potentie van geothermie in de Duin- en Bollenstreek groot is. In 2020 vroegen vijf bedrijven opsporingsvergunningen aan voor geothermie in deze subregio. Als (enkele van) deze bedrijven in staat zijn om de geschatte hoeveelheid geothermie te winnen, dan kan dit voor een groot deel de warmtevraag in de Duin- en Bollenstreek en zelfs in de rest van de regio voldoen. De gemeenten in deze subregio verkennen komend half jaar de mogelijkheden van een bovengemeentelijk warmtetransportnet, met aansluitmogelijkheden. Zo kan restwarmte in de toekomst ook een rol spelen, als het mogelijk is om warmte uit de Leidse regio te cascaderen naar het hiervoor genoemde bovengemeentelijke net (zie paragraaf 4.3.3). In de zuidelijke gemeenten van de Duin- en Bollenstreek is ook aquatermie mogelijk. Voor alle delen van de regio geldt dat zonthermie op daken vanaf 2030 bij voldoende beschikbare ruimte een relevant deel van de warmtevraag kan dekken, mits die ruimte dan al niet is ingevuld met zon-PV.

5.4.3 Regionaal scenario zonder restwarmte uit Rotterdam Als er geen restwarmte vanuit Rotterdam beschikbaar is, is het een uitdaging om de gehele regio van duurzame warmte te voorzien. Het meest voor de hand liggende alternatief is om meer geothermie te winnen in het noordwestelijke deel van onze regio. Dit heeft echter het nadeel dat de dan voor wijken en gebieden die een hoge temperatuur-warmtebron nodig hebben warmte uit geothermie moeten verhogen met elektriciteit. Deze elektrificatie zorgt voor extra elektriciteitsverbruik en daarmee een ongeveer 10 procent grote duurzame opwekopgave tot 2030. Als alternatieve oplossingen kunnen we ook denken aan een zogenoemde labelsprong in hoge temperatuurwijken om ze geschikt te maken voor midden-temperatuurnetten en aan een hoger gebruik van groen gas.

5.4.4 Warmte-infrastructuur Er bestaan in de regio twee plannen voor bovenlokale warmte-netwerken. De ene is de doortrekking van de WarmtelinQ-leiding tussen Rotterdam en Den Haag voor het transport van restwarmte naar de Leidse regio (WarmtelinQ+). De andere betreft een transportnet voor (voornamelijk) aardwarmte die gewonnen wordt rond Katwijk en Noordwijk naar andere gemeenten aan de westzijde van de regio. Voor beide plannen is de aanleg kansrijk, maar nog niet zeker. Ook is er nog niet veel duidelijk over de mogelijke tracés. Als ze doorgaan, geldt voor allebei dat ze waarschijnlijk vanaf de tweede helft van dit decennium operationeel zijn. De provincie en de Gasunie voeren op dit moment een studie uit naar een integraal ontwerp voor een warmtetransportsysteem in Zuid-Holland. Hieruit blijkt dat het in de toekomst ook denkbaar is dat warmtelevering aan de tuinbouw in het Westland en het bestaande tracé in ‘Oostland’ via Zoetermeer naar onze regio wordt doorgetrokken.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Figuur 5.3: Mogelijke toekomstige warmtenet tracés. Bron: [RES Holland Rijnland].

Ruimtelijke impact De ingetekende warmteleidingen zien we bovengronds niet terug. Bij de meeste warmtebronnen staat er slechts een kleine winningsinstallatie. Alleen zonthermie en warmteopwek met elektriciteit vormen hierop een uitzondering. De overgang van aardgas naar duurzame warmte, is dus boven de grond weinig zichtbaar. Dit geldt echter zeker niet voor de ondergrond. Alle warmtenetten, open of gesloten WKO-systemen en systemen voor warme-opslag moeten een plek in onze ondergrond krijgen. Ook in gebouwen moeten allerlei zaken worden aangepast, zoals het installeren van nieuwe installaties of warmte-afgiftesystemen. Al met al gaat er veel veranderen, ook al is dat niet altijd even zichtbaar.

5.4.5 Verdelingsafspraken regionale warmtebronnen In onze regio zijn verschillende bovenlokale bronnen schaars, zoals geothermie, aquathermie, restwarmte uit Rotterdam en biogas. De lokale Transitievisies Warmte doen een beroep op deze bronnen. Tegelijkertijd nemen private partijen initiatieven om deze bronnen te ontwikkelen. Daarom is het uit maatschappelijk oogpunt nodig het gebruik van die bronnen met elkaar af te stemmen. Dat doen we gemeenten door onderling hun TVW's met elkaar afstemmen.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

De partners in de RES regio Holland RIjnland starten in het tweede kwartaal van 2021 een proces om tot afspraken te komen over de verdeling van bovenlokale duurzame warmtebronnen over de regio . Het doel hiervan is: • Bereiken van een zo goed mogelijke verdeling van deze bronnen. • Voorkomen dat (voortijdige) lokale keuzen een optimale bronnenverdeling in de weg staan. • Zorgen dat initiatieven van marktpartijen passen bij een regionaal wensbeeld over de inzet van deze bronnen en de ontwikkeling van een open regionale energie-infrastructuur. In dat proces worden de voor zover nu bekende of verwachte wettelijke kaders geïnventariseerd en wordt de (sub)regionale beschikbaarheid van bronnen meegenomen. Als uitkomst van dat proces zal bekend zijn: • Welke uitgangspunten, principes en criteria bij keuzen worden gebruikt. Te denken valt aan minimale systeemkosten, zo snel mogelijk CO2 reduceren, et cetera. • Welke beleidsmatige en privaatrechtelijke middelen kunnen worden gebruikt om de doelen te bereiken. Te denken valt aan kavelplannen, leidingverordeningen, et cetera. • Hoe deze middelen gebruikt gaan worden. • Welke van deze middelen binnen de regio onderling worden afgestemd. • Hoe de besluitvorming bij bronverdelingen is georganiseerd. Welke gremia en rol spelen en hoe daar wordt besloten. Dit proces moet in 2021 tot de beoogde resultaten leiden.

Er worden hierover bestuurlijke keuzes

gemaakt, waarbij alle portefeuillehouders in de RES-regio zijn betrokken.

5.4.6 Transitiepaden tot 2050 We verwachten in 2050 over voldoende duurzame bronnen te beschikken om alle woningen en utiliteiten fossielvrij te verwarmen. De meeste bronnen en bijbehorende netten zijn echter nog niet bruikbaar of beschikbaar. Ze komen de komende drie decennia stapsgewijs beschikbaar. De overgang naar een definitieve duurzame verwarmingsmethode gaat dus in stappen. Dit betekent dat het gemiddelde huishouden voor 2050 nog een of twee keer de verwarmingsinstallatie moet vervangen. Daarbij is het belangrijk dat op elk moment een no-regretkeuze kan worden gemaakt, die past bij het beoogde einddoel. De precieze keuze hangt dan af van de situatie van het te verwarmen gebouw en de eindoplossing die in 2050 wordt verwacht. Belangrijke uitgangspunten bij het maken van een keuze zijn: • De focus ligt altijd op rendabele en op zichzelf staande isolatiestappen van bestaande woningen. • Iedereen kan een passende warmteoplossing kiezen die betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar is, waarbij: a. Een overgang naar een (collectieve) alternatieve oplossing alleen plaatsvindt wanneer voldoende zeker is dat dit de meest aantrekkelijke oplossing is. b. Er ruimte is voor individueel en lokaal initiatief. • Er vrijheid is bij het bepalen (en mogelijk faseren) van het individuele overstapmoment naar een duurzame warmtevoorziening.

Wij zetten op de volgende transitiepaden in.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Transitiepaden

2021-2030

2030-2040

2040-2050

Energiebesparing (Isoleren, gedrag, zonthermie)

• Maximaal inzetten op energiebesparing, ook bij komst grootschalig warmtenet. • Minimaal Label D woningen, label B Utiliteitsbouw.

• Blijven besparen.

• Blijven besparen.

• Minimaal label C woningen, label A Utiliteitsbouw. • Op gang komen zonthermie op daken.

• Minimaal label B-woningen, Utiliteitsbouw energieneutraal. • Zonthermie op 30% van de daken.

Keuze Gemeentelijk/ lokaal

Warmtenetroute Keuze collectief/ regionaal

• Verkennen collectieve opties in TVW en bouwen waar mogelijk (geothermie, aquathermie). • Maximaal, maar haalbaar en betaalbare koppeling van restwarmtenet Rotterdam. • Stimuleren lokale (kleine) warmtenetten, onder voorwaarde dat ze verknoopt kunnen worden. Mogelijk op tijdelijke bronnen. • In afwachting van warmtenet tijdelijke hybride warmtepompen. • Ontwikkeling Warmteopslagsystemen.

Elektrificatieroute

• Nieuwbouw en alle kansrijke wijken uit de TVW van gemeenten.

Keuze Individueel

• Geen actieve elektrificatiestrategie.

Duurzaam gasroute

• Geen inzet van duurzaam gas. Aanbod is te laag.

Keuze: voorlopig landelijk

• Afhankelijk van ontwikkelingen Rotterdam en geothermie opschalen van warmtenetten. • Mogelijke verknoping warmtenetten, zowel vraag als aanbod. • Mogelijke temperatuurverlaging warmtenetten. • In afwachting van warmtenet tijdelijke hybride warmtepompen. • Toepassing Ondergrondse Hoge-temperatuuropslag. • Piekcentrales op duurzame bronnen.

• Afhankelijk van ontwikkelingen Rotterdam en geothermie opschalen van warmtenetten. • Overal waar mogelijk gekoppelde warmtenetten, ook aan andere regio's.

Afhankelijk van ontwikkelingen all-electric (comfort, kosten, technologie) en ontwikkeling waterstof en warmte.

Afhankelijk van ontwikkelingen all-electric (comfort, kosten, technologie) en ontwikkeling waterstof en warmte.

Inzet in piekcentrales. Verder afhankelijk van ontwikkeling waterstof en ontwikkelingen all-electric en restwarmte.

Inzet in piekcentrales. Verder afhankelijk van ontwikkeling waterstof en ontwikkelingen all-electric en restwarmte.

Tabel 5.3 Transitiepaden. Hoe donkerder, hoe meer gemeentelijke inzet nodig is.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Bron: [RES Holland Rijnland]. Vanuit de RES is het logisch om vooral in te zetten op het transitiepad Energiebesparing en de Collectieve warmtenetroute. Na 2030 wordt duidelijker of regionaal ook een grotere inzet nodig is op elektrificatie en de duurzame gasroute. Dit hangt af van het tempo van energiebesparing en de ontwikkeling van de warmtenetroute.

5.5 Kansen, onzekerheden en knelpunten Zoals we in het begin van dit hoofdstuk al aangaven, komen we op de weg naar een aardgasvrije regio verschillende uitdagingen tegen. Een aantal knelpunten zijn we al tegengekomen. We zien echter ook kansen. Hieronder vindt u een overzicht van zowel de huidige als de toekomstige knelpunten en kansen.

5.5.1 Kansen We zien de volgende kansen voor de warmtetransitie in onze regio: • Bij de aanleg van warmtenetten kunnen we inwoners (financieel) laten deelnemen. • Als we grootschalig warmte kunnen opslaan, kunnen we meer warmte halen uit warmtebronnen zoals aqua-, geo- en zonthermie. • De technologische ontwikkelingen gaan snel. Denk aan PVT-panelen, een eventuele uitbreiding van of koppeling aan het warmtenet van Amsterdam, of de warmte vanuit IJmuiden/Haarlem naar het noordelijke deel van onze regio (Duin- en Bollenstreek). • Warmtetechnieken, warmteopslag en geothermie worden steeds meer haalbaar en betaalbaar. • We zien kansen om verschillende opgaven aan elkaar te koppelen. Het uitvoeren van de warmtetransitie kan leiden tot andere klimaatinitiatieven in buurten.

5.5.2 Knelpunten en onzekerheden In onze regio zien wij de volgende knelpunten bij de warmtetransitie: • Financiën: o De regelgeving rond energiesubsidies in de glastuinbouw maakt het op dit moment voor glastuinders financieel aantrekkelijk naar een WKK op aardgas op te schakelen. Hierdoor stijgt de CO2-uitstoot. o Vanwege de vele en grote onzekerheden is de financierbaarheid van warmteinitiatieven vaak onhaalbaar. o Momenteel is ieder duurzaam alternatief duurder dan aardgas. Hierdoor willen nog weinig inwoners en bedrijven van aardgas af. o De warmtetransitie vraagt om grote gemeentelijke inspanningen. Daarvoor hebben gemeenten nu vaak niet voldoende middelen. • Bevoegdheden o Gemeenten krijgen, zoals het er nu uitziet, in de nieuwe warmtewet bijzonder weinig bevoegdheden of andere middelen om hun inwoners te bewegen aan de warmtetransitie deel te nemen. o Bij het verdelen van schaarse warmtebronnen hebben gemeenten nauwelijks middelen om te sturen op een optimaal gebruik van dergelijke bronnen.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

•

Bronnen: o o

o

o

o

•

We zijn sterk afhankelijk van technologische ontwikkelingen en marktinitiatieven, vooral voor de ontwikkeling van geothermie en die van zonthermie. Aqua- en zonthermie zijn belangrijke schakels in de regionale warmtemix. Ze leveren echter warmte in het seizoen dat er minder vraag is. Daardoor valt het moment van het grootste warmteaanbod niet samen met het moment van de grootste warmtevraag. We zien zowel in het veld als op het dak een concurrentie van zonnepanelen die elektriciteit opwekken en warmtecollectoren. Voorlopig gaan we uit van het gebruik van 1 procent van het beschikbare oppervlak voor warmteopwekking. Dit moet echter per gemeente en per locatie nog verder worden uitgewerkt. In de regio Holland Rijnland vinden diverse biomassastromen al hun weg naar vergisters. Daar worden ze onder meer omgezet in biogas en groen gas en worden ze al gedeeltelijk in het gasnet ingevoerd. Door de huidige capaciteit van de in de regio aanwezige vergisters lijkt het op korte termijn niet haalbaar om dat aandeel aanzienlijk te verhogen. Groene waterstof (waterstof gemaakt van duurzame opgewekte elektriciteit) is voorlopig zeer beperkt aanwezig. Daarom is er voor de daarop aangewezen wijken nog geen geschikte duurzame oplossing.

Ruimte: o Bij intensief gebruik van de ondergrond kunnen knelpunten ontstaan, vooral in sterk verstedelijkte gebieden. Denk daarbij aan geothermie, ondergrondse opslag, warmtenetten en WKO-systemen.

5.6 Randvoorwaarden Om zo snel en goed mogelijk over te schakelen op duurzame warmtebronnen, zijn er tot slot een aantal zaken die op landelijk niveau moeten worden geregeld. Welke zaken dit zijn, leggen we hieronder kort uit. •

•

•

Beleidsinstrumenten en budget De warmtetransitie is een grote en ingrijpende verandering voor huishoudens en bedrijven. Zo’n verandering kan niet slagen zonder regie en ondersteuning met middelen vanuit het Rijk. Zonder beleidsinstrumenten en financiën zijn uitvoerende partijen en gemeenten niet in staat de rol te spelen die hen is toebedacht. De komst van de Wet Collectieve warmtevoorziening (Warmtewet 2.0) Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is bezig met een nieuwe warmtewet, waarin leveringszekerheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van het toekomstige warmtesysteem worden gewaarborgd. De consultatieversie van de nieuwe warmtewet leverde bijzonder veel reacties op. Het ministerie gaf in een brief van 14 december 2020 een beeld van de wijzigingen die worden doorgevoerd. Doordat het kabinet demissionar werd, wordt de inhoud van een nieuwe warmtewet pas later in 2021 duidelijk. Het uitblijven van duidelijkheid vertraagt ook de warmtetransitie en de plannen van gemeenten om wijken van het aardgas af te koppelen. Stimulerende prijs- en belastingontwikkelingen van aardgas en aardgasvervangers

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

•

De meeste nieuwe warmtebronnen kosten burgers meer dan aardgas nu. Zolang dat zo blijft, is de bereidheid om over te stappen gering. Dus is een financiële prikkel – bijvoorbeeld via SDE++subsidie of andere overheidsregelgeving - nodig om nieuwe bronnen een kans te geven. Doorontwikkeling samenwerking Tussen de regio, de provincie en het Rijk is meer samenwerking nodig om de energietransitie te laten slagen., Daarvoor is ook intensieve samenwerking nodig met lokale partners zoals woningcorporaties en netbeheerders.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

6. Elektriciteit ++++++ [kader]

Elektriciteit in het kort De regionale ambitie is om in 2030 1,05 TWh aanvullende opwek van hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd te hebben. Dit is gezien de ambities uit het Regionale Energieakkoord en de nationale opgave van 35 TWh een passende inzet voor de regio. Deze inzet wordt opgewekt door een combinatie van zonnepanelen op grote daken (ca 0,25 TWh), zonnevelden en windturbines. Voor de laatste bijdrage zoeken we naar passende locaties vanuit het elektriciteitsnetwerk, de ruimtelijke kwaliteit en het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. De zoekgebieden hiervoor zijn ruimtelijk geduid. De meest kansrijke zoekgebieden van dit moment dekken theoretisch de genoemde ambitie. Maar het lijkt raadzaam om in aanvulling hierop nog meer zoekgebieden toe te voegen als onderdeel van de ontwikkeling van de RES 2.0. We denken dan onder andere aan gebieden langs infrastructuur die als reserve zoekgebied op onze kaart met zoekgebieden zijn aangegeven. [\kader] ++++++

[intro]

Dit hoofdstuk beschrijft de inzet van de RES-regio Holland Rijnland op het gebied van hernieuwbare elektriciteit in 2030. Daarbij onderbouwen we deze inzet voor wat betreft de hoeveelheid en techniek. Ook geven we aan hoe en waar in de regio gebieden worden gezocht om invulling aan deze ambitie te geven.

6.1 Ambitie De regionale ambitie voor opwek van duurzame elektriciteit, ook wel het regionale bod genoemd, komt voort uit het eerdere Energieakkoord van de regio. Omdat de RES 2030 als tijdshorizon kent, is de ambitie uit het Energieakkoord in lijn gebracht met 2030. Daarmee is de ambitie om 1,14 TWh meer duurzame elektriciteit op te wekken in 2030, ten opzichte van 2014. Op dit moment is ten opzichte van 2014 0,09 TWh gerealiseerd. De projecten die al in de pijplijn zitten (totaal 0,11 TWh) zijn te onzeker om als gerealiseerd mee te tellen en nemen we daarom mee in de totale opgave. Dit betekent dat op dit moment de huidige opgave nog 1,05 TWh bedraagt. Daarbij is de planning relevant: gezien de ervaring met doorlooptijden is het nodig om voor in 2030 gerealiseerde projecten per 2025 vergunningen aan te vragen. Vanuit de nationale opgave is dus sprake van urgentie om tot concretisering van de zoekgebieden te komen. Deze ambitie kent bijdragen vanuit Zon op Dak (zie paragraaf 6.2), Zon en Wind op Land (zie paragraaf 6.3). Onderstaande tabel geeft op hoofdlijnen weer wat de denkrichting is voor de verdeling daarvan.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Figuur: Opwek van elektriciteit tot 2030. Bron: RES Holland Rijnland Deze tabel moet als volgt worden gelezen: • Er ligt momenteel voor 0,07 TWh aan zonnepanelen op kleine daken (voornamelijk woningen, maar ook kleine bedrijven of kantoren). De verwachting/het doel is dat dit in 2030 meer dan verdrievoudigd is naar 0,24 TWh. • Er is momenteel in onze regio 0,09 TWh grootschalige opwek gerealiseerd: daarbij gaat het om zonnepanelen op grote daken (0,04 TWh) en de bestaande windturbines langs de A4 en N11 (0,05 TWh). In onze regio hebben we nog nauwelijks grootschalige zonnevelden. • Op basis van de projecten die zijn gepland of zoals gezegd ‘in de pijplijn’ zitten, is aannemelijk dat er 0,11 TWh aan grootschalige opwek plaats zal vinden: 0,07 TWH aan zon op grote daken en zonnevelden en 0,04 TWh wind • De ambitie voor 2030 is 1,14 TWh aan grootschalige opwek. Daarvan is 0,09 TWh al gerealiseerd, dus blijft er een ambitie van 1,05 TWh over. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de projecten in de pijplijn ook snel gerealiseerd gaan worden, blijft er een resterende ambitie van 0,94 TWh over. Om de totaal te realiseren ambitie scherp in beeld te blijven, houden we echter 1,05 TWh aan. We volgen daarbij vanzelfsprekend alle interessante aanvullende ontwikkelingen en innovaties die hieraan kunnen bijdragen.

Denk hierbij aan bijvoorbeeld waterstof en eventueel kernenergie of innovaties die we nu nog niet kennen (zie ook hoofdstuk 1). Zeker gezien de nationale doelstellingen voor 2050. Tegelijkertijd is in het Klimaatakkoord afgesproken dat alle regionale bijdragen aan de nationale opgave voor 2030 uit de genoemde bewezen en bestaande technieken van zonne- en windenergie moeten bestaan. Daarbij is gerekend met de huidige stand van de techniek. De paragrafen hierna gaan nader in op de regionale inzet, per onderdeel van de hierboven genoemde bijdrage. Vertrekpunt voor onze regionale samenwerking is dat de opgave voor duurzame opwek in onze regio evenwichtig landt in de regio, rekening houdend met de mogelijkheden van elke RES-partner. Voor een dichtbevolkte regio als Holland Rijnland betekent dat, dat alle betrokken partijen op een of andere manier concessies moeten doen om een en ander mogelijk te maken. In de bestuurlijke samenwerking wordt het belang van collectiviteit en samenwerking benadrukt. Ook uit de Wensen en Bedenkingen van gemeenteraden op de Concept RES blijkt dat ‘een eerlijke verdeling van de lasten over de regio’ als uiterst belangrijk voor het draagvlak wordt gezien.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

6.2 Zon op daken Om het buitengebied zoveel mogelijk te ontzien, zetten we sterk in op zon op daken. In de afgelopen periode nam het aantal zonnepanelen op daken snel toe. Hoewel nog een flinke groei mogelijk is, is onzeker hoe deze ontwikkeling verder gaat. Ook omdat dit afhankelijk is van vele, niet altijd door onszelf te beïnvloeden, factoren. De verwachting is dat verdere groei richting 2030 voor een deel vanzelf optreedt. Versnelling is mogelijk als de overheid ondersteuning biedt. De bijlage ‘Routekaart Zon op daken’ toont de mogelijkheid voor het opwekken van energie uit zon op kleine en grote daken. Ook toont de bijlage de kansen en belemmeringen en het beschikbaar en gewenst instrumentarium voor het bevorderen van zon op dak [zie Bijlage 6.3].

6.2.1 Ambitie en doelstelling We hebben als regio de ambitie dat alle daarvoor geschikte daken in 2050 een tweede functie hebben. Daarbij gaat vanuit de RES de voorkeur uit naar het produceren van elektriciteit en warmte uit zon (zonnepanelen, zonnecollectoren). Ook is er vanuit de opgave van klimaatadaptatie behoefte aan het vasthouden van water en bevorderen van biodiversiteit via groene daken. Meer specifiek voor zon op dak zijn hieronder de ambities samengevat. Onderscheid is gemaakt tussen ´kleine´ en ´grote´ daken, aangevuld met zon-thermische opwek.

Zon-PV < 15kWp (kleine daken1)

Zon-PV > 15 kWp (grote daken2)

Ambitie 2030 De al ingecalculeerde groei naar 0,24 TWh waarmaken (dit telt niet mee voor het RES-bod). 0,25 TWh (22 procent van de ambitie voor opwekking van elektriciteit).

Zon-thermisch

0,03 TWh (3 procent van de woningen in Holland Rijnland krijgt 50 procent van de eigen warmtevraag via zonthermie) 1 particulieren, met een vermogen van minder dan 15 kiloWatt piek = minder dan 50 panelen 2 bedrijven, scholen, zorginstellingen etc., >15kWp = meer dan 50 panelen Bovenstaande ambitie is mede ingegeven vanuit optimale benutting van het elektriciteitsnet, rekening houdend met een goede balans tussen zonne- en windenergie (zie ook bijlage 6.1 over systeem efficiëntie). Daarbinnen zoeken we naar een zo groot mogelijk zonaandeel op dak (vergeleken met zonnevelden en windenergie). Zon op kleine daken De regio sluit aan op de landelijke lijn in het Klimaatakkoord en onderschrijft deze als ambitie. Het aantal zonnepanelen op kleine daken is gegroeid in de periode waarin gebruik van zonnepanelen werd gestimuleerd. We gaan hiermee door om deze groei te kunnen voortzetten. De verwachte en geambieerde toename levert hernieuwbare elektriciteit. Deze komt beschikbaar voor de regio, maar telt niet mee in de bijdrage van de regio in de nationale opgave. Voor zon op kleine daken is de autonome groei (van landelijk 7 TWh, waarvan 0,24 TWh voor Holland Rijnland) al ingecalculeerd in

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

het Klimaatakkoord. De opbrengst van zon op kleine daken telt alleen mee voor het RES-bod als er meer geproduceerd wordt dan 0,24 TWh. Dat is op dit moment niet de verwachting. Zon op grote daken Opwek van zonne-energie op grote daken (meer dan 50 panelen) ontwikkelt zich steeds sneller. De verwachting is dat deze toename ergens tussen nu en 2030 afvlakt, omdat er minder (bruikbaar) dakoppervlak overblijft. De regionale inzet van 0,25 TWh is op basis van groeiprognoses realistisch. Niet alle daken zijn daadwerkelijk geschikt voor opwek, bijvoorbeeld omdat het dak niet stevig genoeg is. Daarbij zijn ook de geschikte daken niet allemaal (tijdig) inzetbaar voor opwek. Zo moeten eigenaren willen meedoen, en moeten we rekening houden met beperkingen van en benodigde aanpassingen aan de netinfrastructuur. Zon-thermisch De theoretische potentie voor Zuid-Holland wordt ingeschat op 10 tot 30 procent van de warmtevraag. De match tussen productie en gebruik van warmte ligt tussen de 0-20 procent (CE Delft 2020, Verkennend onderzoek zonthermie Zuid-Holland). Een ambitie van 1,5 procent van de warmtevraag zien we als realistische inschatting (3 procent van huishoudens krijgt dan 50 procent van hun warmtevraag via zonthermie). Zonthermie is nog niet zo bekend als zon-PV en financieel momenteel minder aantrekkelijk. Een combinatie van zon-PV en zonthermisch is mogelijk in PVTpanelen.

6.2.2 Uitvoering en instrumentarium De realisatie van de gestelde ambitie is belegd bij gemeenten. Elke gemeente werkt in het eigen lokale beleid uit op welke manier ze zon op daken wil stimuleren. Op regionale schaal vraagt dit om reguliere monitoring van het doelbereik, zodat in onderlinge samenspraak zo nodig kan worden bijgestuurd. Tevens kan op regionale schaal ondersteuning plaatsvinden in bijvoorbeeld de vorm van kennisdeling. Om de ambitie invulling te geven, zetten gemeenten onder meer in op het verleiden en faciliteren van dakeigenaren. Het gaat dan om het benadrukken van kansen, het focussen op meerwaarde en het wegnemen van belemmeringen. In de Routekaart Zon op daken (zie Bijlage 6.3) staat welke specifieke doelgroepen er zijn en welke specifieke belemmeringen zij ervaren. Dit helpt bij het uitwerken van een uitvoeringsplan. Door in de communicatie kansen te benadrukken, dragen we bij aan een positieve houding en bereidheid ten opzichte van zon-PV of zonthermie. Denk hierbij aan kansen als: bespaart geld, beter voor het milieu, status, onafhankelijkheid. Er is een aantal instrumenten beschikbaar om op realisatie van de ambitie te kunnen sturen, namelijk diverse subsidies, leningen en ondersteuning zoals dakscans. Per doelgroep zijn er mogelijkheden om de belangrijkste belemmeringen weg te nemen.

In de Routekaart Zon op dak (Bijlage 6.3) staat welk instrument beschikbaar is per doelgroep. In aanvulling op de al beschikbare instrumenten is aanvullend instrumentarium nodig. Een lobby richting het Rijk is voor de volgende instrumenten met bijbehorende doelgroepen zinvol om bij te dragen aan het versnellen van de realisatie van zon op daken: • Continueren salderingsregeling. • Woningwet (sociale huurders & woningcorporaties). • Postcoderoosregeling (energiecoöperaties).

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

• • • •

Gemeentelijk beheer eigen vastgoed. Sociale huurders en woningcorporaties. SDE++ (eigenaren van bedrijven op bedrijventerrein). Bestuurlijke afspraak maken met alle overheidslagen om in 2030 80 procent van alle overheidsgebouwen te benutten voor zon op dak (PV of thermisch), klimaatadaptatie of biodiversiteit. • Bij nieuwbouw de eis stellen om ‘solar ready’ te bouwen (dak geschikt voor plaatsen zonnepanelen). In de Routekaart (Bijlage 6.3) staat welke belemmeringen hierbij optreden en welke wijziging van het instrumentarium we voorstellen.

6.3 Zon en wind op land Aanvullend op zon op dak, vraagt de regionale ambitie om realisatie van de bestaande manier voor duurzame opwek, te weten zon en wind op land. Wind op zee maakt geen onderdeel uit van de afweging in de RESsen, aangezien deze vooral ingezet gaan worden voor de grootverbruikers van elektriciteit in het land zoals de industrie. De afweging om te komen tot tot een keuze voor de zoekgebieden is hieronder beschreven in paragraaf 6.3.1. Op basis van interactie met belanghebbenden (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties, volksvertegenwoordigers en bestuurders) en intensieve ambtelijke samenwerking is op basis van het Energieakkoord aan deze afweging vorm gegeven r. In Bijlage 6.4 staat op welke manier dit proces is verlopen en hoe participatie en interactie met alle betrokkenen hebben plaatsgevonden. 6.3.1 Afgewogen inzet De regionale inzet is nadrukkelijk het resultaat van afweging van verschillende aspecten. Gegeven de landschappelijke kwaliteiten van onze regio en de verschillende opgaven die op termijn ruimte vragen, zetten we als regio nadrukkelijk in op zon op dak. Zo ontzien we zo veel als mogelijk open ruimte binnen onze regio. Daarbij zijn we ambitieus en tegelijkertijd realistisch. We zetten in op een haalbare, realiseerbare inzet vanuit praktische uitvoerbaarheid, ook vanuit de ervaringen van de afgelopen jaren.

De inzet van grootschalige zon en wind op land is het resultaat van een brede afweging van verschillende aspecten. Onderstaand figuur geeft dit schematisch weer. Hieronder lichten we deze aspecten nader toe.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

Figuur: Afweging bij duurzame opwek in de RES Bron: NPRES Systeemefficiëntie Opwek van hernieuwbare elektriciteit vraagt om aansluitingen op het bestaande elektriciteitsnet. Het huidige netwerk is voor een groot deel ontworpen op eenrichtingsverkeer: levering en distributie richting gebieden die veel stroom gebruiken. Het netwerk kent op dit moment relatief weinig mogelijkheden om grootschalige opwek op te vangen. Hiermee hebben keuzes over de opwek nadrukkelijk gevolgen (zogenoemde ‘netimpact’). De locatie, het soort techniek en het tijdstip kunnen invloed hebben op de kosten en haalbaarheid. Als uitbreidingen of aanpassingen van het elektriciteitsnet nodig zijn, vraagt dat om tijd, ruimte en geld. Om het bestaande systeem zo efficiënt mogelijk te benutten en eventueel uit te breiden, en maatschappelijke kosten en investeringen te beperken, is het nodig om goed rekening te houden met de impact op het elektriciteitsnet. Daarbij gaat het in elk geval zo veel mogelijk om: • Bij voorkeur gebruik maken van bestaande ruimte in een al voorziene uitbreiding (de investeringsagenda van netbeheerder Liander) van het elektriciteitsnet. Hiervoor zijn niet direct aanvullende investeringen nodig en snel realiseerbaar. • Vraag een aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar plaatsen. Dit kan de hoeveelheid benodigde infrastructuur beperken. • Zo mogelijk enkele clusters van duurzame opwek nastreven.

Grotere projecten zijn eenvoudiger en kostenefficiënter op het net aan te sluiten en hiermee is ook een relatie te leggen naar ruimtelijke kwaliteit.

RES versie 11 d.d. 7-4-2021

•

Een evenwichtige verdeling van opwek door zon en wind, bij voorkeur in de verhouding van 1 op 1 per onderstation. Aangezien zon en wind niet vaak tegelijkertijd pieken en ook verschillen in impact, kan dit de benodigde uitbreidingen beperken. Het beperken van maatschappelijke kosten vraagt om voldoende inzet op windenergie.

Een uitgebreide toelichting op systeemefficiëntie en netimpact is opgenomen als Bijlage 6.1. Kwantiteit De hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit volgt op de ambitie uit het Energieakkoord Holland Rijnland uit 2017. Daarin staan al afspraken over de ambitie in de regio: 1,05 TWh. Ruimtelijke kwaliteit Opwek van hernieuwbare elektriciteit vraagt om ruimte. Die is schaars binnen onze regio. We willen de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten koesteren. Bovendien komen de komende periode vanuit verschillende opgaven claims op diezelfde ruimte. Daarom combineren we waar mogelijk functies en sluiten we aan op andere bestaande ruimtelijke functies. Meer concreet is op basis van het doorlopen proces van de afgelopen jaren een aantal richtinggevende principes naar voren gekomen: • Opwek langs grootschalige infrastructuur biedt mogelijkheden. Deze gebieden worden vaak gezien als hinderzones voor andere ontwikkelingen. Bovendien geeft duurzame opwek langs grootschalige infrastructuur wegen een extra accent. Er kunnen zogenoemde energiewegen door het (stedelijk) landschap ontstaan. • Het betrekken van meer A- en N-wegen voor zon en wind, vergroot de keuzemogelijkheden en daarmee de totale potentie. • Zonneparken en/of windturbines bij infrastructurele knooppunten zorgen voor extra markering van deze knooppunten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10238438/1