6. Bijlage 1.0. RES 1.0 (1907184)
Tekst van het document
Regionale Energiestrategie (RES) Holland Rijnland April 2021
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Inhoudsopgave De RES op hoofdlijnen (samenvatting) Inleiding Holland Rijnland Status en impact Totstandkoming en besluitvormingsproces Ambities en kansen Het energiesysteem CO2-uitstoot en energiegebruik Het Energietransitiemodel Inzichten op systeemniveau Energiebesparing, mobiliteit, warmte en elektriciteit Energiebesparing Ambitie Regionale basisstrategie Doelstellingen waarmaken Benodigde aanvullende instrumenten Duurzame mobiliteit Opgave verduurzaming mobiliteit Verduurzaming mobiliteit Regionale Structuur Warmte Opgave laadinfrastructuur Randvoorwaarden Warmte Aanbod Vraag naar warmte Aanbod Regionale Structuur Warmte Kansen, onzekerheden en knelpunten Randvoorwaarden
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Elektriciteit Ambitie Zon op daken Zon en wind op land Lokaal eigendom Randvoorwaarden RES en ruimteclaims PlanMER Bestuurders en volksvertegenwoordigers Regionale omgevingsagenda Participatie Programmaraad Regionale participatie Lokale participatie Opbrengst participatie Regionale samenwerking RES 2.0 Governance en samenwerking Suggesties voor RES 2.0 Bijlagen Bronnen Lijst van afkortingen en begrippen Colofon
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
De RES op hoofdlijnen Algemeen In 2019 presenteerde het kabinet het Klimaatakkoord. Nederland gaf hiermee invulling aan de internationale klimaatafspraken van Parijs. Daarin maakten 195 landen afspraken om de CO 2uitstoot te verminderen en zo de wereldwijde temperatuurstijging tot 2 graden Celsius te beperken. In het Klimaatakkoord, mede ondertekend door IPO, VNG en Unie van Waterschappen, staat ook dat dertig regio’s in Nederland onderzoeken waar en hoe ze duurzame energie grootschalig kunnen opwekken. Iedere regio legt dit vast in een eigen Regionale Energie Strategie (RES). Holland Rijnland is één van die dertig regio’s. Met dertien gemeenten, twee waterschappen, de provincie, de netbeheerder en andere partijen geven we vorm aan onze RES. We maken plannen om in 2050 energieneutraal te zijn.
Stand van zaken In Holland Rijnland komt de uitstoot van broeikasgassen vooral door energiegebruik, zo'n 88 procent. Het grootste energiegebruik vindt plaats in de gebouwde omgeving. Dit zijn woningen en diensten, zoals kantoren, scholen, gemeentehuizen en ziekenhuizen. Daarnaast is ook het energiegebruik door mobiliteit groot, circa 30 procent. Land- en tuinbouw en industrie hebben in sommige gemeenten een groot energiegebruik, maar op regionale schaal zijn deze sectoren niet zo groot.
Energiebesparing Als eerste moeten we besparen. Want wat niet wordt gebruikt, hoeft niet te worden opgewekt. De ambitie voor besparing is 1,1 TWh in 2030 oftewel minimaal 11 procent ten opzichte van 2014. Dat doen we door 11 procent te besparen op mobiliteit en 15 procent op de gebouwde omgeving. In woningen kunnen we vooral besparen op warmte. Bij diensten ook op elektriciteit. Besparing is een gemeentelijke verantwoordelijkheid en taak. Focus van besparing ligt op de gebouwde omgeving (warmte in woningen, elektriciteit en warmte in utiliteitsgebouwen). In regioverband wordt er ook voor mobiliteit actief ingezet op besparing. Besparing gericht op land- en tuinbouw en industrie kan onderwerp van kennis- en informatie-uitwisseling zijn in de regio en mogelijke nadere samenwerking in subregionaal verband.
Duurzame mobiliteit Wij zetten in op schonere, slimmere en andere mobiliteit. Onderzocht is hoe we deze ambitie concreter kunnen maken. Het resultaat is vertaald naar twee concrete doelen: • Reductie van de CO2-uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland met 22 procent in 2030 ten opzichte van 1990. • Reductie van het energieverbruik door mobiliteit in Holland Rijnland met minimaal 11 procent in 2030 ten opzichte van 2014. Er is in kaart gebracht welke maatregelen bijdragen aan het behalen van bovenstaande doelen. Verdere uitwerking hiervan vindt plaats na vaststelling van de RES 1.0 en de Regionale Strategie Mobiliteit.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Warmte Er komen waarschijnlijk voldoende duurzame bronnen (restwarmte, geothermie, aquathermie, groen gas) beschikbaar om in 2050 de gebouwde omgeving te verwarmen, mits: • Er 15 procent wordt bespaard op warmte, vooral door isolatie. • Gemeenten goed samenwerken voor een zo goed mogelijke verdeling van schaarse warmtebronnen. • Er restwarmte komt uit Rotterdam (via WarmtelinQ) Tot 2050 zijn hybride warmtepompen een nuttige tussenstap op weg naar andere duurzame oplossingen. Door elektrificatie van warmte is in 2050 ongeveer 1,18 TWh extra elektriciteitsopwek nodig. Het lokale beleid wordt in 2021 uitgewerkt in Transitievisies Warmte. Met de nu bekende gemeentelijke plannen zijn in 2030 ongeveer 23.000 woningen van het gas afgehaald. Er is voor nu nog slechts naar technische haalbaarheid gekeken, en nog niet naar de financiële haalbaarheid. Dat moet in het vervolg gebeuren bij businesscases voor concrete projecten. Zonder extra financiële middelen en extra bestuurlijke instrumenten van het Rijk voor de gemeenten komt de warmtetransitie naar alle waarschijnlijkheid niet op gang.
Elektriciteit De regionale ambitie is om in 2030 1,05 TWh aanvullende opwek van hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd te hebben. Dit is, gezien de ambities uit het Regionale Energieakkoord en de nationale opgave van 35 TWh, een passende inzet voor de regio. Deze inzet wordt opgewekt door een combinatie van zonnepanelen op grote daken (ca 0,25 TWh), zonnevelden en windturbines. Voor de laatste bijdrage zoeken we naar passende locaties vanuit het elektriciteitsnetwerk, de ruimtelijke kwaliteit en het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. De zoekgebieden hiervoor zijn ruimtelijk geduid en bevinden zich voor een groot deel langs (rijks)infrastructuur. De meest kansrijke zoekgebieden van dit moment dekken theoretisch de genoemde ambitie. Het lijkt raadzaam om in aanvulling hierop nog meer zoekgebieden toe te voegen als onderdeel van de ontwikkeling van de RES 2.0. De RES 1.0 is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de regionale netbeheerder Liander. De plannen voor de regio Holland Rijnland leren dat Liander de elektriciteitsnetten komende jaren fors moet uitbreiden. Daarmee worden direct 'stopcontacten' gecreëerd, waarop latere lokale wind- of zonprojecten kunnen worden aangesloten. Dat zijn no-regret investeringen die hoe dan ook nodig zijn om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen. De verhouding tussen opwek via zon en via wind is opgenomen in de analyses.
Door deze samenwerking hebben we alle plannen integraal kunnen beoordelen. Zo wordt voorkomen dat extra elektriciteitsstations moeten worden gebouwd met verdere oplopende kosten. Daarnaast benutten we de mogelijkheden voor innovatieve oplossingen zoals opslag of lokale netwerken als die aantoonbaar bijdragen aan de oplossing van knelpunten.
Energietransitie en omgeving RES-regio Holland Rijnland is een van de pilotregio’s die een PlanMER uitvoert voor de RES en daardoor meer inzicht krijgt in mogelijke milieueffecten. Aangezien de PlanMER bij de vrijgave van de RES nog niet af is, zijn in deze fase de resultaten in beperkte mate verwerkt. Vooral de harde, beperkingen voor veiligheid en milieu zijn meegenomen. De inzichten uit de PlanMER nemen we, zoals gepland, mee in het vervolgproces. Dat gebeurt bij de verankering van de RES in het provinciale en lokale omgevingsinstrumentarium. Integrale afweging van de ruimtelijke effecten ten
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
opzichte van andere toekomstige ruimteclaims vindt plaats in de Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland. Deze wordt gelijktijdig met de RES vastgesteld, niet door de afzonderlijke partners zoals bij de RES maar door het Dagelijks Bestuur (met advies vanuit het portefeuillehoudersoverleg (PHO) Ruimte) en het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland.
Participatie Vanaf het najaar 2020 tot en met begin 2021 vond er in Holland Rijnland een participatieproces plaats over de energietransitie en de RES, gericht op de inwoners van Holland Rijnland. Er is met meer dan 10.000 inwoners gesproken via webinars, enquêtes, straatgesprekken en op andere wijzen. De nadruk lag daarbij op lokale activiteiten. Het lijkt erop dat veel inwoners zich bewust zijn van de noodzaak van verduurzaming en dat daarvoor veel moet gebeuren. Deze activiteiten en opbrengsten zijn de eerste stappen in een langdurig participatieproces over de energietransitie. Daarnaast versterkt participatie het streven uit het Klimaatakkoord naar 50 procent lokaal eigendom bij duurzame energieprojecten.
Regionale samenwerking voor RES 2.0 De RES geeft richting aan de ambities, de verschillende onderwerpen en instrumenten. Tegelijkertijd is de sector nog volop in beweging. Het gaat daarbij om beter inzicht in vraag en aanbod, ontwikkelingen in de markt, wijzigingen in de wet- en regelgeving en technologische innovaties. En het gaat zeker ook om gedragsveranderingen. De RES 1.0 kwam tot stand in een samenspel van veel partijen. Formele RES-partners zijn de Provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland, het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (voor een klein deel) en de dertien gemeenten in onze regio. Daarnaast heeft netbeheerder Liander een belangrijke rol in de energietransitie en dus in de RES. Om de ambities uit te werken en uit te voeren, is verdere samenwerking nodig. Bijvoorbeeld op het vlak van bovenlokale afstemming van de concretisering van de plannen, kennisuitwisseling, maar ook als het gaat om de doorontwikkeling naar de RES 2.0.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
1. Inleiding [intro]
In 2019 presenteerde het kabinet het Klimaatakkoord. Nederland gaf hiermee invulling aan de internationale klimaatafspraken van Parijs. Daarin maakten 195 landen afspraken om de CO2uitstoot te verminderen en zo de wereldwijde temperatuurstijging tot 2 graden Celsius te beperken. In het Klimaatakkoord, mede ondertekend door IPO, VNG en Unie van Waterschappen, staat ook dat dertig regio’s in Nederland onderzoeken waar en hoe ze duurzame energie grootschalig kunnen opwekken. Ze leggen dit vast in een eigen Regionale Energie Strategie (RES). Holland Rijnland is één van die dertig regio’s. Met dertien gemeenten, twee waterschappen, de provincie, de netbeheerder en andere partijen, geven we vorm aan onze RES. We maken plannen om in 2050 energieneutraal te zijn.
1.1 Holland Rijnland Holland Rijnland ligt in het hart van de Randstad, geflankeerd door de metropoolregio’s Amsterdam en Rotterdam/Den Haag. Onze regio kenmerkt zich door een gevarieerd landschap, waar weilanden, natuur, plassen en rivieren worden afgewisseld door aantrekkelijke dorpen en steden. We hebben ook een bloeiende economie en herbergen verschillende topsectoren in de wetenschap, land- en tuinbouw, ruimtevaart en gezondheidszorg. Dat alles maakt Holland Rijnland een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren. Verdeeld over dertien gemeenten telt Holland Rijnland zo’n 570.000 inwoners. Zo’n 225.000 daarvan wonen in Leiden en Alphen aan den Rijn. Al die mensen wonen in meer dan 250.000 woningen en dat is lang niet genoeg. De komende jaren moeten daar nog zo’n 30.000 woningen bij komen om in een groeiende woningbehoefte te voorzien. Naast woningen hebben we kantoren met een gezamenlijk vloeroppervlak van een kleine anderhalf miljoen vierkante meter. Al die woningen, kantoren en bedrijven moeten worden verwarmd en voorzien van elektriciteit.
1.2 Status en impact De RES 1.0 is geen doel op zich, maar een middel om onderdelen van het Nationale Klimaatakkoord te realiseren. Voor elektriciteit is de RES 1.0 een tussenstap, die zich richt op het realiseren van zonne- en windenergie in 2030. Daarvoor moeten de vergunningen per 2025 verleend zijn. Voor warmte richt de RES zich op keuzes over de regionale warmtestructuur in 2023 (RES 2.0), waaronder de koppeling van vraag en bovenlokale bronnen. Dit om in lijn met de ambities uit het Klimaatakkoord in 2030 voldoende woningen op een andere manier dan met aardgas te verwarmen. De RES is een politiek-bestuurlijk document dat keuzes markeert en richting geeft, oftewel een strategische verkenning. De RES kent geen binding richting derden. Het is in die zin geen ‘plan’, beleidsdocument, programmaplan, of iets dergelijks. De RES Holland Rijnland is een product dat voortkomt uit de samenwerking tussen verschillende bestuurslagen. Dat zijn: de afzonderlijke gemeenten in de regio Holland Rijnland, de provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap van Rijnland.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Met de RES wordt een volgende stap gezet in de energietransitie. Het is een betekenisvolle volgende stap. Tegelijkertijd is de RES 1.0 ‘slechts’ een volgende stap. Met de RES is een proces in gang gezet. We hebben een start gemaakt met participatie met inwoners en belanghebbenden. Dat gesprek zal steeds intensiever gevoerd worden als de ambities uit de RES in concrete projecten worden uitgevoerd. De vertaling in het omgevingsbeleid, het monitoren van de voortgang van de uitvoering en alles wat verder nodig is, zal de agenda van bestuurders en volksvertegenwoordigers de komende jaren blijven bepalen De keuzes in de RES vragen om concretisering en verankering om tot uiteindelijke realisatie te komen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in structuur- of omgevingsvisies en/of in ander beleid (omgevings-, ruimtelijk, duurzaamheids-, energiebeleid of andersoortig). Deze opvolging vindt niet alleen plaats op lokale schaal, maar ook in regionaal verband. Juist in de bovenlokale afstemming zit meerwaarde.
1.3 Totstandkoming en besluitvormingsproces Op 27 september 2017 ondertekenden achttien partijen het Energieakkoord Holland Rijnland. Dit waren de - destijds nog veertien - gemeenten van de regio Holland Rijnland, de provincie ZuidHolland, de Omgevingsdienst West-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland en het samenwerkingsverband Holland Rijnland. Deze partijen werken sinds die tijd samen aan de regionale ambitie om in 2050 een energieneutrale regio te zijn. Het Energieakkoord stelt concrete tussendoelen voor 2025. Hoe we deze tussendoelen bereiken, staat in een uitvoeringsprogramma dat we jaarlijks evalueren. Bij de ontwikkeling en totstandkoming van het nationale Klimaatakkoord bleek een RES een belangrijk instrument te zijn in de energietransitie. In 2018 werd duidelijk dat de dertig RES-regio’s in Nederland een RES moesten opleveren. Daarin geeft elke regio aan wat haar ambities voor de energietransitie zijn. Ook staat in een RES hoe tussentijdse ambities voor 2030 worden gehaald met een doorkijk naar 2050. Wij vertaalden de doelen uit het regionale Energieakkoord naar een RES-aanbod voor 2030. In de RES zijn gebouwde omgeving (warmte) en elektriciteit verplichte onderdelen. Wij werken echter ook de thema’s energiebesparing en duurzame mobiliteit verder uit. Hierdoor sluit de RES aan op de bestaande uitvoeringslijnen uit ons Regionale Energieakkoord.
Daarnaast vinden wij het logisch om te besparen: wat je niet nodig hebt, hoef je immers ook niet op te wekken. Hiermee lopen we vooruit op de landelijke trend: de motie Dik-Faber en Van der Lee (Kamerstuk 32 813, nr. 814) verzoekt de regering te bevorderen dat de RES’en ook aandacht besteden aan de energiebesparingsopgave in de gebouwde omgeving, en die ook inzichtelijk te maken. Omdat mobiliteit een grote invloed heeft op het totale energiesysteem, nemen we ook dit thema mee. De Concept RES was gebaseerd op het in 2017 ondertekende Energieakkoord Holland Rijnland en de startnotitie ‘Van Regionaal Energieakkoord Holland Rijnland naar Regionale Energiestrategie (RES) Holland Rijnland’ (2019). Stuurgroep en PHO+ hebben de uitgangspunten van de startnotitie bestuurlijk bekrachtigd. Vervolgens is het document voorgelegd aan de dagelijkse besturen van de overheidspartners (gemeenten, provincie en het hoogheemraadschap). Zij konden zelf kiezen of zij het document ter besluitvorming wilden voorleggen aan de volksvertegenwoordigers en zo ja, in welke vorm. Het document is uiteindelijk behandeld in alle raden, Provinciale Staten en de Verenigde Vergadering. Alle partners hebben hun wensen en bedenkingen ingediend op de Concept RES. Het idee achter de wensen- en bedenkingenprocedure is dat de volksvertegenwoordigers in deze fase
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
konden aangeven hoe zij aankeken tegen de Concept RES en in die zin sturing konden geven aan het proces. Daarnaast diende ook de Programmaraad wensen en bedenkingen in. Deze raad is een adviserend orgaan waarin bedrijfsleven en maatschappelijke partners zijn vertegenwoordigd. Vervolgens bood de voorzitter van de Stuurgroep eind september 2020 de Concept RES en de lijst met alle wensen en bedenkingen aan het NPRES (Nationaal Programma RES) aan. De gehele lijst met wensen en bedenkingen is opgenomen in bijlage 1.2 bij deze RES en in bijlage 1.1. treft u een samenvattende reactie, met verwijzingen naar de paragraafnummers in deze RES. In de periode daarna is volop ingezet op participatie met inwoners en verdere uitwerking van de inhoudelijke thema’s. Participatie met inwoners vond eind 2020 (doorlopend naar begin 2021) op vele manieren op regionaal en lokaal niveau plaats. Daarbij zoekend naar de juiste wijze en rekening houdend met de beperkingen door corona (zie hoofdstuk 8). De inhoudelijke uitwerking vond plaats in diverse (ambtelijke) werkgroepen en bijeenkomsten, ondersteund door externe adviseurs. Daarna volgden terugkoppelingen en overleg op bestuurlijk niveau. De opbrengst van het participatieproces is in januari 2021 uitgekristalliseerd. In februari en maart zijn de diverse opbrengsten bij elkaar gebracht, resulterend in de voorliggende RES.
Ook waren er diverse bijeenkomsten met volksvertegenwoordigers. De periode van april tot en met juni 2021 staat in het teken van besluitvorming. De RES Holland Rijnland wordt volgens planning voor 1 juli 2021 vastgesteld door alle volksvertegenwoordigers van de betrokken overheden en als een van de dertig RES regio’s aangeboden aan het NPRES. Als er moties of amendementen worden ingediend, zullen deze net als eerder bij de wensen en bedenkingen, worden verwerkt in de volgende versie van de RES. Vanzelfsprekend zullen eventuele moties of amendementen worden meegezonden richting het nationaal programma.
1.4 Ambities en kansen De RES gaat vooral in op de ambities voor 2030, met een doorkijk naar 2050. Vervolgens schetst de RES mogelijke ontwikkelpaden. De energiesector is volop in beweging en er zijn dan ook veel technologische ontwikkelingen voor de opwek van duurzame elektriciteit en energie. In de RES 1.0 kijken we vooral naar de huidige technologieën op de markt die breed inzetbaar zijn. In de discussie over de energietransitie en de RES worden vaak de kansen voor kernenergie en waterstof benoemd. In de RES 1.0 zien we die kansen, maar we kunnen hierop nog geen beleid voeren richting 2030. Hieronder leggen we uit waarom.
Kernenergie Kernenergie is niet uitgesloten in het Klimaatakkoord. In de eerste maanden van 2021 vindt er een landelijke marktconsultatie plaats onder welke voorwaarden marktpartijen bereid zijn te investeren in kerncentrales in Nederland. Maar ook welke publieke ondersteuning daarvoor nodig is en welke regio’s belangstelling hebben voor een kerncentrale. Nieuwe vormen van kernenergie en de bouw van kernenergiecentrales zijn er niet zo snel. Daarom kunnen we kernenergie niet inzetten om ons doel voor 2030 (49 procent minder CO2-uitstoot) te halen. Voor de periode tot 2050 kan kernenergie mogelijk wel een rol spelen. Het besluit om al dan niet over te gaan op de inzet van meer kernenergie, is uiteindelijk een besluit op landelijk niveau en niet op regionaal of lokaal niveau.
Waterstof Waterstof is een schone brandstof, want bij verbranding komt alleen water(damp) vrij. Bovendien kan waterstof uit water en (duurzame) elektriciteit worden gemaakt. Waterstof kan als energiedrager
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
geschikt zijn om bijvoorbeeld aardgas voor verwarming of benzine in auto’s te vervangen. Met een relatief kleine aanpassing kunnen de huidige gasleidingen ook geschikt worden gemaakt voor het transport van waterstof. Het is bovendien een duurzame grondstof, bijvoorbeeld voor plastics. Daarom kan waterstof in de toekomst een belangrijke rol spelen. Maar waterstof is een energiedrager en geen alternatief voor duurzame opwekking. Sterker nog, waterstof is alleen duurzaam als we het uit water en duurzaam opgewekte elektriciteit maken. Daarvan hebben we nog lang niet genoeg. We moeten dus eerst zorgen dat we voldoende duurzame energie kunnen opwekken om zelf te gebruiken, om daarna ook waterstof te maken. Gezien de huidige energieverliezen bij het omzetten van elektriciteit naar waterstof, is het - gezien de beperkte productie van duurzame elektriciteit- niet voor de hand liggend om op korte termijn waterstof op grote schaal in te zetten in de gebouwde omgeving en voor mobiliteit. Er loopt nu een aantal grotere en kleinere onderzoeks- en proefprojecten in Nederland om groene (duurzame) waterstof te maken. Die zijn nodig om groene waterstof over een tijdje op grote schaal te kunnen gebruiken. De eerste toepassingen van groene waterstof op grote schaal vinden naar verwachting in de industrie plaats. Daarop zetten het kabinet en verschillende partijen actief in.
In onze regio zal waterstof waarschijnlijk nog geen grote rol voor 2030 spelen. Daarom gaan we in dit document slechts beperkt daarop in. Wanneer zich kansen voordoen in proposities vanuit nationaal en provinciaal niveau (zoals de Groeiagenda van de provincie), spelen wij hier zeker op in.
++++++ [kader]
Leeswijzer In dit document leest u hoe de RES 1.0 tot stand is gekomen en wat we daarin voorstellen. In de inleiding vertellen we hoe de RES tot stand kwam en in hoofdstuk 2 tot en met 6 gaan we in op het energiesysteem, energiebesparing, duurzame mobiliteit, warmte en elektriciteit. In hoofdstuk 7 gaan we in op de regionale ruimte en in hoofdstuk 8 staat het participatieproces met burgers en organisaties centraal. Daarna geven we een doorkijk naar de volgende stap: de RES 2.0. Aan het eind vindt u de bijlagen, begrippenlijst, gebruikte bronnen en het colofon. Wanneer we het in de RES hebben over Holland Rijnland hebben we het over dit gebied, waarin dertien gemeenten samenwerken (samenwerkingsverband Holland Rijnland). En waar ‘we’ staat, bedoelen we RES Holland Rijnland. Dat wil zeggen: de samenwerkende partners provincie, hoogheemraadschappen en de dertien gemeenten. [/kader]
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
2. Het energiesysteem [begin kader]
Het energiesysteem in het kort Het energiesysteem bekijken we in zijn geheel, want alles is met elkaar verbonden. All-electric woningen en elektrische auto’s verhogen bijvoorbeeld het gebruik van elektriciteit, maar verminderen het energiegebruik omdat het efficiëntere technologieën zijn. In dit ene voorbeeld zijn alle uitvoeringslijnen van de RES (Energiebesparing, Warmte, Mobiliteit en Elektriciteit) met elkaar verbonden. Het behouden van een integrale blik op het energiesysteem is dus voor dit ene voorbeeld en voor nog talloze andere noodzakelijk. [\kader] ++++++
[intro]
Het energiesysteem is complex. Energie heeft vele vormen en talloze afhankelijkheden. Denk aan de samenhang tussen mobiliteit, elektriciteit, warmte en energiebesparing. Of aan de samenhang tussen energievraag, -aanbod, -opslag en -infrastructuur. Dit gaat veel verder dan de juiste verhouding tussen productie uit zon en wind. In de toekomst neemt die complexiteit alleen maar toe. In Holland Rijnland kijken we in samenhang naar onze opgave. We zetten eerst ons energieverbruik op een rij. Daarna nemen we u mee in de inzichten op systeemniveau en beschrijven we per uitvoeringslijn de feiten en cijfers.
2.1 CO2-uitstoot en energiegebruik Holland Rijnland stoot jaarlijks 3 MTon aan CO2 uit. Bijna 88 procent van deze CO 2-uitstoot komt door energiegebruik. De overige 12% van de uitstoot van broeikasgassen komt niet uit het energiesysteem, maar voornamelijk uit de landbouw. Dit gaat dan vooral om lachgas en methaan die vrij komt bij het houden van veeDit energiegebruik is afgerond 10 TWh (= 10 miljard kWh) aan energie. Dit gaat over al het energiegebruik binnen de grenzen van de regio. Figuur 2.1 laat zien hoe deze 10 TWh aan energiegebruik over de verschillende sectoren is verdeeld.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 2.1: Vergelijking CO2-uitstoot en energiegebruik. Bron: Energietransitiemodel o.b.v. de Klimaatmonitor, CBS en Emissieregistratie. De gebouwde omgeving (woningen en diensten) en mobiliteit zijn de grootste sectoren en samen goed voor zo’n 80 procent van het energiegebruik. Onder diensten verstaan we onder meer kantoren, scholen, kerken, ziekenhuizen en winkels. Industrie is met een energiegebruik van 1 TWh (10 procent) een relatief kleine sector in Holland Rijnland. Zeker in vergelijking met het landelijke energiesysteem, waar de industriesector goed is voor meer dan 50 procent van het totale energiegebruik. Land- en tuinbouw beslaat vooral in Nieuwkoop, Kaag en Braassem, Katwijk en Noordwijk een groot deel van het energiegebruik. Op regionale schaal is het energiegebruik van deze sector echter relatief klein.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 2.2: Overzicht energiegebruik Holland Rijnland. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland).
Naast de verdeling naar sectoren is ook in kaart gebracht hoeveel energie wordt gebruikt voor warmte, elektriciteit of als brandstof. De warmtevraag omvat alle energie die nodig is voor het verwarmen van ruimtes, douchewater en warmte voor (industriële) processen. De elektriciteitsvraag omvat alle stroom die de sectoren verbruiken. Denk aan stroomgebruik voor apparaten en verlichting. Brandstoffen gaan vooral over het gebruik van diesel en benzine voor mobiliteit.
Figuur 2.3: Huidig energiegebruik naar warmte, elektriciteit en mobiliteitsbrandstoffen. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland).
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
2.2 Onderlinge samenhang Ruim 80 procent van de CO2-uitstoot van de regio komt uit het energiesysteem (Link: https://pro.energytransitionmodel.com/regions/RES11_holland_rijnland). Het terugdringen van deze uitstoot is complex. Het energiesysteem is namelijk volledig verknoopt met onze samenleving, economie en technologie. Deze verknoping neemt alleen maar toe door de energietransitie. Consumenten worden producenten en gaan aan elkaar leveren. Ook bedrijven krijgen een dubbele rol. De industrie gaat bijvoorbeeld warmte leveren aan huishoudens en kassen. Huishoudens hebben daarnaast in de zomer overschotten, die ze aan het net kunnen terugleveren. Voor een deel slaan we deze overschotten op in batterijen van elektrische auto's. Ook in de toekomst moet energie op de juiste plek, op het juiste moment én in de juiste vorm aanwezig zijn. Met alleen zonnepanelen kun je ’s avonds bijvoorbeeld geen lamp aanzetten of een Netflix-serie kijken. Bij het ontwerpen van een nieuwe energiesysteem moeten we al rekening houden met de samenhang. Denk bijvoorbeeld aan: • Het ruimtelijk aspect: o Zorg dat het elektriciteitsaanbod in de buurt staat van het gebruik. Denk bijvoorbeeld aan zon op dak. Of aan windturbines in de buurt van het elektriciteitsgebruik van stedelijke kernen.
o Verken locaties voor nieuwbouwwoningen (met veel extra elektrische auto’s) in de buurt van zonneparken om elektriciteitsoverschotten in batterijen te kunnen opslaan. Batterijen in elektrische auto’s kunnen een deel van het verschil in dag- en nachtritme overbruggen dat door zonnepanelen ontstaat. • Het tijdsaspect: o Zorg voor een juiste balans tussen zon en wind. Windstroom biedt uitkomst op het moment dat de zon niet schijnt, zoals ‘s nachts, op sterk bewolkte momenten en in de winter. Zonnestroom komt juist weer overdag op windstille dagen van pas. o Waterstof, warmtebuffers en andere technologische ontwikkelingen kunnen op termijn ook bijdragen om elektriciteit grootschalig en op de lange termijn (over de seizoenen heen) op te slaan. Ook dragen ze bij om de piekvraag naar warmte op te vangen.
2.3 Inzichten op systeemniveau Als we naar het systeem kijken, krijgen we inzichten die we niet zien als we alleen naar individuele sectoren kijken. Hierdoor kunnen we vragen beantwoorden als: waar hebben we de meeste impact? Is er wel altijd genoeg elektriciteit? Hoe passen onze acties op de korte termijn bij de langere termijn? De belangrijkste inzichten zijn: • De gebouwde omgeving verbruikt het meest in de regio. • Besparing door elektrificatie. • Combinatie van zon en wind is goed voor stabiliteit. • Overschotten en tekorten zijn vaak gelijktijdig in omliggende regio’s. • Mogelijk kleine rol voor waterstof tot 2030. • Koude gaat een steeds grotere rol spelen bij Elektriciteit en Warmte.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
2.3.1 Gebouwde omgeving verbruikt het meest in de regio Hoe groter een sector is, hoe groter een verandering in die sector het energiesysteem beïnvloedt. Daarom is het belangrijk om het energiegebruik van de sectoren te weten. In Holland Rijnland is de gebouwde omgeving veruit de grootste gebruikssector. Huishoudens en diensten zorgen samen voor ongeveer de helft van het energiegebruik. Ook mobiliteit zorgt voor veel energiegebruik, bijna 30 procent. Landbouw en industrie zijn er wel in Holland Rijnland, maar deze sectoren zijn minder groot.
Figuur 2.4: Energiegebruik per sector in Holland Rijnland. 2030 op basis van het RESsysteemintegratiescenario. Bron: Energietransitiemodel, RES-systeemintegratiescenario.
2.3.2 Besparing door elektrificatie Besparing is een belangrijk onderdeel van onze aanpak. Besparing kan op twee manieren: • Door minder te gebruiken, bijvoorbeeld door minder kilometers af te leggen of door te isoleren. • Door een efficiëntere technologie te gebruiken. Een elektrische auto is in gebruik bijvoorbeeld wel drie keer efficiënter dan een auto die op benzine rijdt. Elektrische technologieën zijn vaak efficiënter dan technologieën die brandstof gebruiken. Daardoor zien we dat in 2030 de totale energievraag lager is dan nu, maar de elektriciteitsvraag hoger. Zo kan het dat het elektriciteitsgebruik van Holland Rijnland in het 2030-scenario met 10 procent stijgt, terwijl het totale energiegebruik daalt.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 2.5: Energiegebruik per drager. Bron: Energietransitiemodel, RES-systeemintegratiescenario.
2.3.3 Combinatie van zon en wind goed voor stabiliteit Het is mogelijk zowel met zon als met wind elektriciteit te produceren. Zon en wind vullen elkaar goed aan. Windstroom biedt uitkomst gedurende de nacht en in de winter wanneer de zon niet schijnt. Zonnestroom komt overdag op windstille dagen van pas. Op dit moment is de verhouding van de productie uit zon en wind op vermogen meer dan 4:1. Een vuistregel is dat ongeveer evenveel vermogen aan zonnepanelen als windturbines op een elektriciteitskabel en onderstation kan worden aangesloten. Een windturbine levert met hetzelfde vermogen wel bijna drie keer zoveel op als zonnepanelen.
Figuur 2.6: Verhouding productie uit zon en wind. Bron: Liander, Kansenkaart E-net grootschalige opwek (2020).
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
2.3.4 Overschotten en tekorten vaak gelijktijdig in omliggende regio’s In het 2030-scenario staan er aardig wat zonnepanelen en windturbines, ook in Holland Rijnland. Die produceren dan samen bijna de helft van de elektriciteit die Holland Rijnland gebruikt. Doordat de elektriciteitsproductie uit zon en wind meestal lager is dan de elektriciteitsvraag, kan Holland Rijnland in 2030 bijna alle in de eigen regio opgewekte elektriciteit ook zelf gebruiken. Als de productie van elektriciteit uit zon en wind nog meer stijgt, zijn er momenten dat Holland Rijnland meer produceert dan inwoners en bedrijfsleven nodig hebben. Het is dan mogelijk om elektriciteit naar omliggende regio’s te exporteren. Omdat omliggende regio’s dan waarschijnlijk ook overschotten hebben, is het de vraag of Holland Rijnland de overschotten kwijt kan. Regio’s kunnen nu al nadenken over bijvoorbeeld opslag in batterijen, waterstof of warmte (zie ook paragraaf 5.2.3).
2.3.5 Mogelijk kleine rol voor waterstof tot 2030 Waterstof gaat waarschijnlijk als opslagtechnologie richting 2050 ‘een sleutelrol spelen in het Nederlandse energiesysteem’ (RLI 2021) link maken naar: https://www.rli.nl/publicaties/2021/advies/waterstof-de-ontbrekende-schakel?adview=inleiding. Het is nog onduidelijk hoe groot die rol gaat zijn en hoe die precies wordt ingevuld. Als energiedrager kan waterstof een brug vormen tussen vraag en aanbod, bijvoorbeeld door elektriciteit op te slaan wanneer er overschotten zijn. De RES gaat vanuit de opdracht van het Klimaatakkoord over grootschalige opwek (uit zon en wind) richting 2030 en over het in kaart brengen van de toekomstige warmtevraag, -aanbod en -infrastructuur richting 2050. Daarnaast kiest deze regio ook voor het toevoegen van energiebesparing en mobiliteit. Vanuit het perspectief van de opwek van elektriciteit, warmte en mobiliteit geven we hieronder een korte reflectie op waterstof. 1.
Vanuit opwek van elektriciteit is Holland Rijnland op korte termijn (tot 2030) niet de meest logische plek voor grootschalige inzet van waterstof. Er zijn in 2030 nauwelijks overschotten aan elektriciteit te verwachten. Zelfs niet met het realiseren van het RES-bod van ruim 1 TWh aan groene stroom. De overschotten zijn in 2030 kleiner dan 1 procent van het totale energiegebruik. Overschotten worden daarom eerder geëxporteerd of lokaal in elektrische auto’s opgeslagen, dan dat ze in waterstof worden omgezet. Richting 2050 kan waterstof uit eigen overschotten interessanter worden. Dat vraagt dan wel om een groeiend overschot g aan elektriciteit uit windturbines en zonnepanelen. Aan de andere kant varieert de capaciteit van het elektriciteitsnet in onze regio sterk en kost capaciteitsuitbreiding veel tijd, waarbij de nadruk ligt op het stedelijk gebied. Vooral in landelijk gebied, bij agrarische bedrijven, is de productie van waterstof daarom een reële optie, eventueel als tussenoplossing voordat netuitbreiding kan worden gerealiseerd.
2.
De inzet van waterstof voor warmte is een complex vraagstuk. Het is zeer onzeker in welke sectoren, wanneer en hoeveel waterstof een rol gaat spelen. De prijs en beschikbaarheid van waterstof spelen een belangrijke rol. Groene waterstof kost nu nog 3,5 tot 7 keer meer dan dezelfde hoeveelheid energie in aardgas (bron: advies van de Raad voor de Leefomgeving, Waterstof de ontbrekende schakel, pagina 27). Bovendien is verwarming via waterstof veel minder efficiënt dan via andere bronnen. Voor de komende tijd (tot circa 2030) verwachten we dat waterstof eerst gaat naar grote industriële clusters, elektriciteitscentrales en mogelijk zwaar oflange-afstandsvervoer . Waterstof voor warmte in Holland Rijnland staat daardoor achteraan in de rij. Het transitiepad 'duurzaam gas route' (paragraaf 5.4.6) in het
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
hoofdstuk Warmte beschrijft hoe Holland Rijnland de komende tijd denkt om te gaan met waterstof voor warmte. Voorlopig is dat ‘op een laag pitje’. Ook na 2030 is de toepasbaarheid van waterstof voor warmte onzeker. Waterstof komt pas in aanmerking wanneer we onvoldoende andere bronnen vinden en waterstof veel goedkoper en efficiënter wordt. In Bijlage 5.3 (Waterstof in de gebouwde omgeving) staat meer informatie over waterstof. 3.
Vanuit mobiliteit kan waterstof op de lange termijn ook een belangrijke rol spelen, vooral na 2030. Het is vooral interessant voor zwaarder en lange-afstandvervoer. Voor mobiliteit is een CO2- en een energiebesparingsdoel opgenomen. Waterstof kan bijdragen deze doelen te realiseren, maar direct elektrisch rijden is altijd efficiënter. Een belangrijke bouwsteen om de doelen te halen, is inzet op zero emissie-wegverkeer. Dit kan bijvoorbeeld met CO2-vrije waterstof. Grootschalige regionale productie van waterstof ligt niet voor de hand. Daarom zijn we afhankelijk van productie elders. Dit kan botsen met de regionale doelstelling om minimaal 80 procent van de benodigde energie in eigen regio op te wekken.
2.3.6 Koude Steeds warmere zomers leiden ertoe dat de vraag naar koelte of koude sterk toeneemt. In de meeste gevallen wordt die koude-vraag nu opgelost door airco’s te gebruiken. Deze airco’s hebben nu een elektriciteitsvraag van ongeveer 0,20 TWh. Verschillende studies tonen aan dat de koude-vraag in 2050 met een factor 2 tot 4 kan toenemen. Wanneer er op de huidige manier wordt gekoeld, betekent dat 0,4-0,8 TWh aan elektriciteitsvraag. De nieuwe koude-vraag kan ook worden opgelost met efficiëntere technologieën, zoals WKO-installaties die hun kou uit de bodem of uit oppervlaktewater halen of met (hybride) warmtepompen. De koude-vraag wordt hierdoor een steeds belangrijker element bij de afweging met welke techniek we in de toekomst wijken willen verwarmen .
2.4 Energiebesparing, mobiliteit, warmte en elektriciteit Voor de RES hebben we gekozen voor vier uitvoeringslijnen, omdat we daarmee de meeste impact kunnen bereiken. Deze vier zijn: energiebesparing, mobiliteit, warmte en elektriciteit. We zetten per uitvoeringslijn de feiten en cijfers op een rij.
2.4.1 Energiebesparing Het doel van Holland Rijnland is om in 2030 ruim 1 TWh energie en in 2050 ruim 3 TWh te hebben bespaard. Deze doelen vergelijken we met het jaar 2014. Sinds 2010 is het totale energiegebruik van Holland Rijnland gedaald van 11 naar 10 TWh. Dit kwam voor een groot deel door een warmtebesparing van 1 TWh. Na 2014 heeft de energiebesparing zich echter niet doorgezet.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 2.7: Historische ontwikkeling en doelstelling energiebesparing in Holland Rijnland. Donkerblauw is gemeten energiegebruik, lichtblauw is de projectie op basis van de doelstelling. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland) en de Concept RES voor de doelstelling. Het energiegebruik van de gebouwde omgeving is sinds 2014 gedaald, ondanks de bouw van 10.000 nieuwe woningen. De mobiliteitssector groeide in die periode wel, waardoor het totale energiegebruik van de regio constant bleef.
Figuur 2.8: Verschil in energiegebruik tussen de sectoren in Holland Rijnland. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland). 2.4.2 Warmte De helft van de energie in Holland Rijnland wordt gebruikt voor warmte, voornamelijk opgewekt met aardgas. Sectoraal zit de grootste warmtevraag in Holland Rijnland bij woningen (55 procent), gevolgd door diensten (20 procent) en industrie en land- en tuinbouw (samen goed voor 25 procent).
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
In nagenoeg elke gemeente zien we dat de behoefte aan warmte voor het grootste energiegebruik zorgt (zie figuur 2.9).
Figuur 2.9: Huidig energiegebruik (warmte, elektriciteit en brandstoffen) per gemeente. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland). 2.4.3 Mobiliteit Mobiliteit gebruikt na de gebouwde omgeving de meeste energie. Dit beslaat vooral uit de verbranding van diesel en benzine. Auto’s gebruiken de meeste energie (55 procent), gevolgd door vrachtwagens, bestelbusjes en mobiele werktuigen (40 procent). Bussen, treinen, brommers, en recreatievaart zijn goed voor de resterende 5 procent. Het energiegebruik vindt voor tweederde plaats buiten de snelwegen. Regionaal bestemmingsverkeer gebruikt dus een groot deel van deze energie.
Figuur 2.10: Huidig energiegebruik van mobiliteit. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland).
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
2.4 .4 Elektriciteit Elektriciteit beslaat ruim 20 procent van het energiegebruik in Holland Rijnland. De diensten hebben het grootste elektriciteitsgebruik, namelijk 40 procent. Woningen zijn goed voor 30 procent van het elektriciteitsgebruik. De overige 30 procent wordt gebruikt in de mobiliteit (4 procent), industrie (18 procent) en de land- en tuinbouw (8 procent). De regionale elektriciteitsproductie steeg de afgelopen jaren enorm. Vooral elektriciteit uit zon is enorm gegroeid. Op dit moment is er twee keer meer productie van elektriciteit uit zon dan uit wind. In de regio staat vijf keer zoveel vermogen aan zonnepanelen opgesteld dan aan windmolens. De productie van zonnepanelen op grote daken groeit exponentieel, terwijl deze op kleine daken (vooral woningen) sinds 2018 juist wat minder hard stijgt. Met een groot dak bedoelen we een dak waar plaats is voor meer dan 50 panelen.
Figuur 2.11: ontwikkeling zon op grote en kleine daken. Op een groot dak passen minimaal 50 panelen (>15 kWp). Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland). Op het totale elektriciteitsgebruik is de bijdrage van zonne-energie en windenergie goed zichtbaar. Deze hernieuwbare energieproductie is nu goed voor ruim 7 procent van het elektriciteitsgebruik. In figuur 2.12 is met een zwarte stippellijn het RES-bod voor grootschalige productie van zon en wind voor 2030 toegevoegd. De productie van zonnepanelen op kleine daken telt niet mee voor het behalen van deze doelstelling. Voor zon op kleine daken is de autonome groei (van landelijk 7 TWh, waarvan 0,24 TWh voor Holland Rijnland) al ingecalculeerd in het Klimaatakkoord. De opbrengst van zon op kleine daken telt alleen mee voor het RES-bod als er meer geproduceerd wordt dan 0,24 TWh. Dat is op dit moment niet de verwachting.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 2.12: Ontwikkeling elektriciteitsproductie van zon en wind in verhouding met het gebruik. Bron: De Klimaatmonitor (bewerking RES Holland Rijnland).
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
3. Energiebesparing ++++++ [begin kader]
Energiebesparing in het kort We besparen in de regio minimaal 11 procent op ons energiegebruik in 2030 (ten opzichte van 2014).Dat doen we door 11 procent te besparen op mobiliteit en 15 procent op de gebouwde omgeving. In woningen kunnen we vooral besparen op warmte. Bij diensten ook op elektriciteit. • Als eerste moeten we besparen. Wat niet wordt gebruikt, hoeft niet te worden opgewekt. • De ambitie voor besparing is 1,1 TWh in 2030 oftewel 11 procent (t.o.v. 2014). • Besparing is een gemeentelijke verantwoordelijkheid en taak. Focus van besparing ligt op de gebouwde omgeving (warmte in woningen, elektriciteit en warmte in utiliteitsgebouwen). • In regioverband (Holland Rijnland) wordt er ook voor mobiliteit actief ingezet op besparing. • Besparing gericht op land- en tuinbouw en industrie kan onderwerp zijn van kennis- en informatie-uitwisseling in de regio en mogelijke nadere samenwerking in subregionaal verband. De afspraken in de RES 1.0 richten zich (nog) niet hierop. De aanname is dat hier netto geen besparing plaatsvindt in 2030. [\kader] ++++++
[intro]
In dit hoofdstuk lichten we de ambitie voor energiebesparing toe. Gemeenten werken in hun lokale beleid uit op welke manier ze deze ambitie gaan behalen. Hiervoor is een gezamenlijke basisstrategie bepaald. In dit hoofdstuk staat ook welke manieren er nu zijn en wat er nodig is om energiebesparing in huishoudens en bij diensten te stimuleren.
3.1 Ambitie We zetten in op energiebesparing, ook al is dit geen verplicht onderdeel van de RES. Dat doen we om drie redenen: • Energie die je niet nodig hebt, hoef je ook niet op te wekken en dat scheelt ruimte. • Energiebesparing zorgt voor minder CO2-uitstoot, zodat we klimaatverandering kunnen afremmen. Bijna 88 procent van de CO2-uitstoot in de regio komt van het energiegebruik. • Energiebesparing is een onderdeel van het Energieakkoord Holland Rijnland (2017). Dat akkoord is de basis voor deze RES. Met energiebesparing bedoelen we een ‘netto’ besparing. Netto energiebesparing is de optelsom van het toegenomen energieverbruik en de (bruto) energiebesparing. Toename van het energieverbruik komt bijvoorbeeld door economische en demografische groei. Bruto energiebesparing komt bijvoorbeeld door isoleren, anders bouwen, nieuwe technieken en ander gedrag. Je kunt energie besparen door de vraag naar warmte, elektriciteit en mobiliteitsbrandstoffen te verkleinen.
3.1.1. 11 procent besparing in 2030 We richten ons op de periode tot 2030. Voor deze periode is de ambitie, net als in het Energieakkoord Holland Rijnland, de volgende:
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
• •
1,1 TWh energie besparen ten opzichte van 2014. Het energiegebruik van de regio in 2030 is dus maximaal 8.9 TWh. In 2030 ligt het energieverbruik dus minimaal 11 procent lager dan in 2014.
Voor de periode hierna geldt de volgende ambitie: • Het energiegebruik van de regio is in 2050 maximaal 7 TWh. • In 2050 ligt het energiegebruik dus 30 procent lager dan in 2014.
3.1.2. Uitsplitsing naar sectoren In Bijlage 3.1 'Energiebesparing, ontwikkeling, potentie en instrumentarium in beeld’ is uitgezocht hoe het energiegebruik zich ontwikkeld en hoeveel we nog kunnen besparen. De sector gebouwde omgeving heeft regionaal het grootste energiegebruik. Alle gemeenten besparen hier 15 procent ten opzichte van 2014. Dat betekent dat elke gemeente via het eigen beleid zorgt voor 15 procent besparing op het geheel aan huishoudens of woningen en diensten of utiliteit. Sinds 2014 is het energieverbruik in sommige gemeenten gedaald, in andere gelijk gebleven en in sommige gestegen. De besparing ten opzichte van 2014 is dus niet hetzelfde als ten opzichte van het huidige verbruik. Mobiliteit heeft regionaal, na de gebouwde omgeving, het grootste energiegebruik. 30 procent van het energiegebruik in de regio gaat voornamelijk op aan diesel en benzine. Sinds 2014 was dit de grootst groeiende sector. Op de sector mobiliteit bespaart de regio als geheel minimaal 11 procent in 2030 ten opzichte van 2014 [zie ook hoofdstuk 4 over mobiliteit]. Voor de sector land- en tuinbouw stellen we geen besparingsambitie in de RES. De sector heeft een ambitie van 35 procent besparing in 2040 ten opzichte van 2015. We schatten in dat deze besparing gelijk is aan de groei van de sector, zodat het totale energieverbruik nauwelijks toe- of afneemt (0 procent besparing).
In de aanloop naar de RES 2.0 kunnen we dit percentage beter bepalen en eventueel ook voor deze sector regionaal ambities formuleren. Voorwaarde is dat de data over het energieverbruik dan beschikbaar zijn, volledig en actueel. De industrie is relatief klein in Holland Rijnland. Het gebruikt circa 10 procent van de totale energie. Industrie is geen verplicht onderdeel van de RES. Landelijk (KEV 2020) wordt hier weinig energiebesparing verwacht. Wij gaan in de RES uit van een gelijkblijvend energiegebruik van deze sector. Met de besparingsdoelen in de gebouwde omgeving en mobiliteit halen we de 11 procent energiebesparing op het totaal. Dit is onder voorwaarde dat het energiegebruik in de industrie en land- en tuinbouw niet toeneemt.
3.2 Regionale basisstrategie Het bod voor de sector mobiliteit staat in hoofdstuk 4. Voor gebouwde omgeving is de insteek als volgt: • uitvoering via een vertaling naar het gemeentelijk beleid;
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
• •
formulering van een gezamenlijke basisstrategie; focus op verkleinen van de warmtevraag.
Gemeenten nemen de RES-ambitie over in hun gemeentelijk beleid en kiezen zelf acties en maatregelen om deze ambities te bereiken. We reiken een basisstrategie aan, waarmee gemeenten de RES-ambitie kunnen halen. Basisstrategie huishoudens/woningen: • Alle woningen minimaal label D in 2030. Dit zorgt voor ruim 20 procent besparing op warmte (Startanalyse PBL, 2020). • Besparing via technologiekeuze in Transitievisies Warmte. • Inzet op gedragsverandering. Basisstrategie diensten/utiliteit: • Verdere warmtebesparing, minimaal label B in 2030. • Verdere besparing op elektriciteit (onder meer LED-verlichting, efficiëntere apparaten, betere inregeling systemen). Gemeenten blijven daarnaast ook wettelijke taken uitvoeren, zoals het handhaven van energieverplichtingen bij bedrijven (energiebesparings- en informatieplicht, EPBDIII). Advisering en handhaving verloopt via de Omgevingsdienst.
3.3 Doelstellingen waarmaken Energiebesparing in gebouwde omgeving vindt plaats in huishoudens (woningen) en diensten (denk aan kantoren, kerken, scholen, overheidsinstellingen, et cetera). Gemeenten kunnen deze partijen bewegen om energie te besparen via een economisch, juridisch en communicatief instrumentarium.
3.2.1 Beschikbare Instrumenten Er is een breed scala aan instrumenten beschikbaar op landelijk en op lokaal niveau. In een inventarisatie onder gemeenten is uitgezocht welke instrumenten zij lokaal inzetten, welke instrumenten beter gebruikt kunnen worden en welke instrumenten ze nog missen. In Bijlage 3.1 'Energiebesparing, ontwikkeling, potentie en instrumentarium in beeld’ staan de resultaten.
Type instrument
Instrument
Communicatie-instrumenten
Besparing gemeentelijk vastgoed.
Communicatie-instrumenten
Promotie in de krant, lokale media gericht op besparing. Regelmatige feedback op energiegebruik of besparing. Workshops, bewonersavonden, bezoeken aan de wijk. Energieambassadeurs, coaches, loket.
Communicatie-instrumenten Communicatie-instrumenten Communicatie-instrumenten
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Financieel instrument Financieel instrument Financieel instrument Financieel instrument
Duurzaamheidsfonds, initiatievenpot, duurzaamheidslening. Gratis of korting energiescans particulier en MKBscans. Pilots gasloos en wijkgerichte aanpak.
Juridisch/samenwerkingsinstrumenten
RRE(W): Tegoedbonnen advies en energiebespaarboxen. Subsidie alternatieve warmtebronnen en duurzame energie. Wijkaanpakken energiebesparing, inkoopacties gemeentebreed. Minimaal energielabel C in 2023 (kantoren).
Juridisch/samenwerkingsinstrumenten
Prestatieafspraken met woningbouwcorporaties.
Juridisch/wettelijk instrument
Activiteitenbesluit milieubeheer.
Communicatie-instrumenten
Routekaart maatschappelijk vastgoed.
Juridisch/samenwerkingsinstrumenten
Labelverbetering convenant huursector.
Juridisch/samenwerkingsinstrumenten
Stroomversnelling voor sociale huurwoningen.
Financieel instrument
Renovatieversneller tweede tranche voor 2021.
Financieel instrument Financieel instrument
Tabel 3.1: Instrumenten waarmee gemeenten energiebesparing kunnen stimuleren. Bron: Bijlage 3.1 'Energiebesparing, ontwikkeling, potentie en instrumentarium in beeld’.
Kennis delen Uit de inventarisatie blijkt dat gemeenten niet alle beschikbare instrumenten kennen. We kunnen dus winst boeken door hiermee bekend te raken en het instrumentarium toe te passen. Kennisuitwisseling tussen gemeenten binnen de RES-regio blijft belangrijk, net als kennisondersteuning vanuit het Rijk of NPRES.
Slimme inzet van mensen en middelen Diverse instrumenten leveren meer energiebesparing op als er meer budget of uitvoeringscapaciteit voor beschikbaar is. Inzet van budget en capaciteit met een maximaal (energiebesparings)effect vraagt om een prioritering. Uit de inventarisatie blijkt welke prioritering het meeste effect oplevert. In Bijlage 3.1 'Energiebesparing, ontwikkeling, potentie en instrumentarium in beeld’ staat wat de energiebesparingspotentie is van elke bouwsteen. Het is logisch om de meeste capaciteit en budget in te zetten op instrumentarium dat zich richt op de bouwsteen met de meeste potentie. Deze prioritering levert het volgende inzicht op: 1. Huishoudens: besparing op warmte De besparingspotentie van deze bouwsteen is veruit het grootst (potentie: 0,46 TWh met bandbreedte 0,23-0,69 TWh, oftewel bijna de helft van de besparingsambitie). In aansluiting op de hierboven genoemde basisstrategie kiezen we voor instrumenten die het behalen van minimaal energielabel D voor alle woningen, technologiekeuzes in de Transitievisies Warmte ondersteunen, gericht op besparing en gedragsverandering. Gemeenten gebruiken nu vrij goed de juridische (prestatieafspraken met woningcorporaties) en economische instrumenten (RRE(W)-regeling). Er is ruimte om het communicatief instrumentarium beter te
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
gebruiken. Denk aan regelmatige feedback op energiegebruik of besparing, workshops, bewonersavonden en bezoeken aan de wijk. Ook is er ruimte om meer gebruik te maken van de landelijke instrumenten ‘Routekaart maatschappelijk vastgoed’ en ‘Huurconvenant label verbetering’. 2. Diensten, besparing op warmte De hiervoor beschikbare instrumenten kunnen beter worden gebruikt. Vanuit communicatieoogpunt kunnen we regelmatig feedback geven op energiegebruik of -besparing en het verduurzamen van gemeentelijk vastgoed (voorbeeldfunctie). Gemeenten reserveren op dit moment te weinig capaciteit voor de beschikbare juridische instrumenten (energiebesparingsplicht, EPBDIII en label C-kantoren) om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren. 3. Diensten, besparing op elektriciteit: LED-verlichting en apparaten Hiervoor geldt hetzelfde als bij 2. Veel gemeenten reserveren momenteel voor de beschikbare juridische instrumenten (energiebesparingsplicht, EPBDIII en label C-kantoren) te weinig capaciteit om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren. Qua communicatie kunnen we meer inzetten op verduurzamen van gemeentelijk vastgoed. Dit pleit ervoor om de prestatieafspraken met woningcorporaties te blijven gebruiken en ervoor te zorgen dat deze (mede) gericht zijn op het behalen van energielabel B en warmtebesparing. Ook is het aan te bevelen de RRE(W)-regeling te blijven toepassen.
Daarnaast is extra inzet nodig om de wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren, zodat minimaal de wettelijke besparing op warmte en elektriciteit bij diensten kan worden gestimuleerd en gehandhaafd . Daarbij ontstaat ook een contactmoment dat we kunnen gebruiken voor advisering om een hoger energiebesparingsniveau te bereiken. Of om duurzame energieopwekking onder de aandacht te brengen.) Voorrang geven aan het verduurzamen van gemeentelijk vastgoed heeft effect op energiegebruik en is tegelijkertijd een communicatie-instrument (‘wij besparen, doe je mee?’). Verder is het belangrijk dat er in de Transitievisies Warmte aandacht is voor warmtebesparing.
3.4 Benodigde aanvullende instrumenten Er ontbreekt momenteel nog instrumentarium voor de volgende onderdelen: 1. Voor de grootste bouwsteen (warmtebesparing in huishoudens) zijn weinig juridische instrumenten beschikbaar om energiebesparing af te dwingen. Om te zorgen dat elke woning in 2030 minimaal energielabel D heeft, zijn er nu instrumenten beschikbaar waarmee we woningcorporaties en particuliere woningeigenaren bereiken. Het beschikbare instrumentarium is minder gericht op particuliere woningverhuurders, voor particuliere verhuurders zijn geen verplichtingen (juridisch). Voor hen is er nauwelijks een incentive om te investeren in verduurzaming (economisch). Ook richt de communicatie zich nauwelijks op deze doelgroep vanwege het ontbreken van juridische en economische instrumenten. Als ook deze doelgroep in beweging komt, kunnen we meer huishoudens verduurzamen. 2.
Investeren in budget en capaciteit
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Voor elk instrument is budget en/of uitvoeringscapaciteit nodig. Het is nodig dat hier vanuit het Rijk middelen voor beschikbaar blijven, zodat gemeenten voldoende slagkracht behouden om de doelstellingen voor energiebesparing te bereiken. In de tweede helft van 2021 verkennen we met de RES-partners of en hoe een gezamenlijke lobby naar het Rijk op deze punten vorm krijgt, bijvoorbeeld door deze punten onder de aandacht te brengen bij het NPRES of de VNG.
3.2.3 Ondersteuning gemeenten De gemeenten geven de energiebesparingsambitie vorm via lokaal beleid. Gemeenten zelf en partijen in de samenleving worden daarmee ondersteund om energie te besparen. De RES zet in op versnellen, opschalen en kennisdeling. Bijvoorbeeld door samen met RES-partners producten en instrumenten te ontwikkelen, die elke gemeente bij het uitvoeren van het eigen beleid kan gebruiken. Hierdoor hoeft niet elke gemeente zelf ‘het wiel uit te vinden’.
3.2.4. Duurzaam Bouwloket Het Duurzaam Bouwloket (www.duurzaambouwloket.nl) is een belangrijke pijler onder het energiebesparingsbeleid. Hier vinden particulieren informatie over bijvoorbeeld subsidies en leveranciers. Gemeenten blijven gezamenlijk het Duurzaam Bouwloket aanbieden aan hun inwoners. De komende periode inventariseert de Omgevingsdienst of gemeenten interesse hebben om het loket uit te breiden met ondersteuning voor ondernemers.
3.2.5 Monitoring Voor monitoring gebruiken we de Klimaatmonitor, direct of via het Energietransitiemodel (ETM) dat hierop is gebaseerd. In de Klimaatmonitor staan gegevens per gemeente en per sector. We brengen in beeld wat de ontwikkeling van het energieverbruik is en of we de gestelde ambitie halen. Resultaten daarvan zijn input voor de volgende RES.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
4. Duurzame mobiliteit ++++++ [kader]
Duurzame mobiliteit in het kort •
•
Wij zetten in op schonere, slimmere en andere mobiliteit. Onderzocht is hoe we deze ambitie concreter kunnen maken. Het resultaat is vertaald naar twee concrete doelen: o Reductie van de CO2-uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland met 22 procent in 2030 ten opzichte van 1990. o Reductie van het energieverbruik door mobiliteit in Holland Rijnland met minimaal 11 procent in 2030 ten opzichte van 2014. Er is in kaart gebracht welke ‘bouwblokken’ kunnen bijdragen aan het behalen van bovenstaande doelen. Verdere uitwerking van deze bouwblokken en maatregelen vindt plaats na vaststelling van de RES 1.0 en de Regionale Strategie Mobiliteit.
[\kader] ++++++
[intro]
Wij concretiseren in deze RES onze ambities voor schonere, slimmere en andere mobiliteit. Wij hebben onderzocht waar we op het gebied van verduurzaming van mobiliteit staan. Ook hebben we gekeken wat wij kunnen doen om de mobiliteit in onze regio te verduurzamen. Dit leidt tot twee doelen om de CO₂-uitstoot en het energieverbruik door mobiliteit verminderen.
4.1 Opgave verduurzaming mobiliteit Wij kiezen ervoor om mobiliteit nu al onderdeel van de RES te maken. Mobiliteit zorgt voor de uitstoot van broeikasgassen en wij willen die uitstoot verminderen. In het Klimaatakkoord is voor mobiliteit specifiek een CO2-reductie van 22 procent opgenomen in 2030 t.o.v. 1990. Tegelijk is mobiliteit verantwoordelijk voor zo’n 30 procent van het energieverbruik in onze regio. Het is belangrijk dat de sector mobiliteit het beoogde energieverbruik in 2030 vermindert. Mobiliteit en de verduurzaming ervan is een onlosmakelijk onderdeel van de energietransitie. In de Concept RES Holland Rijnland staat dat wij het energieverbruik in 2030 met 1,1 TWh willen verminderen ten opzichte van 2014 voor alle gezamenlijke sectoren in Holland Rijnland.
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
Figuur 4.1: Weergave van het percentage energieverbruik en CO₂-uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland ten opzichte van het totaal in 2018. Bron: Het Energietransitiemodel.
4.1.1 Ambitie en doelstellingen Met schonere mobiliteit willen wij zorgen voor minder CO2-uitstoot en het verbeteren van de luchtkwaliteit . Dit kan door de inzet van zero emissie-vervoer. Met slimmere mobiliteit willen wij zorgen voor slimmere, en waar mogelijk, minder verplaatsingen. Bijvoorbeeld door zuinig te rijden, meer thuis te werken of autodelen te stimuleren. Met andere mobiliteit willen wij het autogebruik verminderen door bijvoorbeeld meer in te zetten op de (elektrische) fiets, vrachtvervoer via water of het openbaar vervoer. We onderzochten hoe wij onze ambitie van schonere, slimmere en andere mobiliteit kunnen concretiseren om zo effectieve keuzes te maken. Het resultaat is vertaald naar twee concrete doelen: 1. Reductie van de CO2-uitstoot door mobiliteit in Holland Rijnland met 22 procent in 2030 ten opzichte van 1990 in Holland Rijnland. Dit komt neer op een uitstootvermindering van 709 Kton in 1990 naar 553 Kton in 2030. 2. Reductie van het energieverbruik door mobiliteit in Holland Rijnland met minimaal 11 procent in 2030 ten opzichte van 2014. Holland Rijnland wil in totaal 11 procent energie besparen ten opzichte van 2014. Mobiliteit neemt deze doelstelling over en bespaart als sector ook 11 procent ten opzichte van 2014. Dit betekent voor mobiliteit een besparing van 0,31 TWh ten opzichte van 2014, met een resterend energiegebruik van 2.5 TWh in 2030.
4.2 Verduurzaming mobiliteit Het onderzoek richtte zich op de onderdelen CO₂-uitstoot en energieverbruik en bevatte vier onderdelen:
RES versie 11 d.d. 7-4-2021
1. 2. 3. 4.
een nulmeting (paragraaf 4.2.1); effecten van bestaand beleid (4.2.2); mogelijke bouwblokken en maatregelen (paragraaf 4.2.3); van ambitie naar doelstellingen (paragraaf 4.2.4).