CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

25. Brief van het college van 22 december 2021 inzake transitieplan gemeente Katwijk 2022-2029 (2760785)

Raad 20 januari 2022, gemeente KatwijkBij agendapunt: A. Voor kennisgeving aan te nemen:28.373 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

c. binnen de gebiedstypering zal worden ingezet op regels voor activiteiten die gemeentebreed worden opgesteld. Indien nodig zal daarbij een verbijzondering worden gemaakt naar extra gebiedsgerichte of in sommige gevallen zelfs locatiespecifieke regels, waarmee maatwerk mogelijk wordt gemaakt; d. het omgevingsplan zal zoveel als mogelijk globaal worden opgesteld, met inachtneming van de gebiedstypering; e. per te reguleren thema/activiteit zal worden bepaald of een open dan wel gesloten norm daarvoor het meest geschikte instrument is; f. er zal zoveel als mogelijk worden gewerkt met doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften, waarbij per activiteit gekeken zal worden welk type regel het meest passend is; g. de bruidsschatregels worden zoveel als mogelijk geschrapt en aangepast aan de lokale smaak; h. omgevingswaarden zullen enkel worden opgenomen als zij verplicht zijn, dan wel waar de omgevingskwaliteit dit expliciet noodzakelijk maakt; i. het kostenverhaal zal worden opgenomen in het omgevingsplan; j. vragenbomen zullen worden opgesteld waar dit de dienstverlening ten goede komt; k. voor de participatie van het omgevingsplan zal worden aangesloten bij het vastgestelde participatiebeleid voor de Omgevingswet; 3.

de definitieve keuzes voor de inrichting van het 0mgevingsplan vast te leggen bij de vaststelling van het transitieplan voor het gehele wetgevingstraject dat in het najaar van 2021 zal volgen.

5.1.1 Uitvoering Het uitvoeringsproces van het opstellen van het omgevingsplan bestaat voornamelijk uit het toewerken naar juridische regels die aan functies zijn gekoppeld. De diverse functies (denk bijvoorbeeld aan wonen, werken, recreëren etc.) worden in het omgevingsplan evenwichtig aan locaties toegedeeld. Bestaand beleid (nota’s, verordeningen, visies, ambities, bestemmingsplannen, vervallen rijksregels etc.) en nieuw op te stellen beleid worden omgezet naar juridische regels, nadat ze zijn getoetst aan zogenaamde instructieregels van het Rijk zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zie ook hoofdstuk 4 Instructieregels. Dit is een intensief proces.

Vaak zal van beleidsdocumenten en ambitiedocumenten eerst moeten worden toegewerkt naar een concretere tussenvorm, zoals een nota van uitgangspunten, welke vervolgens kan worden uitgewerkt naar juridische regels. Voor deze vertaalslag worden werksessies georganiseerd met alle betrokken teams en afdelingen. Hier kan een extern planologisch bureau in ondersteunen, daar zij veel ervaring hebben met hetzelfde proces binnen andere organisaties. Het opstellen van de regels is besteed aan juristen in de organisatie of juristen vanuit een ondersteunend planologisch bureau. Tijdens het 21

opstellen van het eerste deel van het omgevingsplan, te weten de pilot omgevingsplan de Hoornes, wordt een basisbibliotheek van regels en functies aangelegd die helpt bij de verdere uitwerking van het omgevingsplan. Belangrijk is ook dat het oefenen met het omgevingsplan de Hoornes een gerichte plek krijgt in de organisatie. De gemeentelijke modelarchitectuur (GEMMA /VNG) geeft schematisch het proces van opstellen en wijzigen/herzien weer:

Daarnaast werken verschillende afdelingen en vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie aan hun beleidsdocumenten. Dit kunnen ambitiedocumenten, beleidsnota’s en verordeningen zijn. Hierbij kan het gaan om een periodieke herziening van beleid, maar ook om nieuw of aangepast beleid dat vereist is ten gevolge van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ook voor de afdelingen en vakdisciplines is het tijdig afronden van nieuw of herzien beleid, voordat de wet in werking treedt, een uitdaging waar slimme (bijvoorbeeld efficiëntere) oplossingen voor gevonden worden. De pilot omgevingsplan van de Hoornes biedt ook voor alle afdelingen en vakdisciplines een kans om te oefenen met het nieuwe beleid in het kader van de Omgevingswet. Vanuit het projectteam pilot omgevingsplan de Hoornes worden alle betrokken afdelingen en vakdisciplines uitgenodigd om hun nieuwe of vernieuwde ambitie- en beleidsdocumenten zo mogelijk gebiedsgericht op te stellen, gericht op het geografische gebied van de wijk de Hoornes. Op deze manier kunnen de beleidsdocumenten sneller worden opgesteld en vastgesteld dan wanneer deze het gehele gemeentelijk grondgebied moeten beslaan. Natuurlijk zal deze werkvorm niet voor al het beleid een voordeel kunnen bieden.

Deze beleidsdocumenten zullen ook in het belang van de afdelingen zo snel mogelijk na (idealiter vòòr) inwerkingtreding van de wet gereed moeten komen. Het is een taak voor het projectteam pilot omgevingsplan de Hoornes dat sectoraal beleid hierbij onderling op elkaar wordt afgestemd. Het gebiedsgerichte beleid kan bij afronding, eventueel gecombineerd met gerelateerde beleidsstukken, bestuurlijk worden vastgesteld. Afdelingen en vakdisciplines dienen hier zelf voor zorg te dragen. Het vastgestelde gebiedsgerichte beleid kan vervolgens worden opgenomen in het omgevingsplan de Hoornes. Als het omgevingsplan ‘gevuld’ is met al het benodigde en gewenste beleid zal de procedure voor het vaststellen van het omgevingsplan zelf in werking worden gezet, waarbij het participatieproces een grotere rol speelt. Het stroomschema op de volgende pagina geeft de relatie weer tussen het vaststellen van sectoraal beleid en omgevingsplan.

22

Om volgens de bedoeling van de Omgevingswet te kunnen werken, is het van belang niet alleen te werken vanuit het juridisch kader maar ook via de band van sociale kwaliteit na te gaan wat wenselijk is in een specifiek gebied. Hiervoor kan de methode sociale kwaliteit worden ingezet. Naast het omgevingsplan zelf is het team Digitaal Stelsel Omgevingswet bezig met de digitalisering van het omgevingsplan. Dit houdt in dat de functies worden toegewezen aan coördinaten op de digitale kaart, met al haar betreffende regels. Via een digitale vragenboom, welke opgesteld moet worden, kan een initiatiefnemer inzicht krijgen in alle voor hem/haar relevante regels op een bepaalde locatie, zie ook paragraaf 10.3 Toepasbare regels. Om het omgevingsplan in het DSO-lv te kunnen uploaden, moet het omgevingsplan aan de digitaliseringsstandaarden (STOP/TPOD) voldoen. De digitaliseringsstandaarden verplichten het werken met regels en werkingsgebieden. Ondersteunend daaraan kunnen waarden worden gebruikt bij geografisch differentiërende waarden, zoals bijvoorbeeld bouwhoogten.

23

5.1.2 Beheer Het bijhouden van planwijzigingen is een doorlopend proces van RO. Het handhaven is een doorlopend proces van VTH. Ook het functioneren van het digitale stelsel en de toepasbare regels is een continu doorlopende aangelegenheid van ICT en RO.

5.1.3 Participatie Wil de gemeente zelf zoveel mogelijk regie houden en de omgeving beperkt laten participeren, of juist veel ruimte bieden voor vroegtijdige en vergaande participatie door belanghebbenden (regie bij de omgeving)? De Raad heeft hierover de volgende ambitie uitgesproken: Inzet is het vroegtijdig betrekken van de omgeving bij de ontwikkelingen, maar per situatie wordt bepaald of dit relevant is. Participatie wordt ingezet voor meer inbreng door burgers en andere partijen uit de omgeving in het ruimtelijk beleid, maar de regie daarvoor wordt niet volledig bij de omgeving neergelegd. De ambitie op het gebied van participatie is recent vastgelegd in het kader van het traject Participatie & Bestuursstijl. En dat is ook het uitgangspunt voor de implementatie van de Omgevingswet. Dit betekent ook dat de onderste twee treden van de participatieladder niet zullen worden toegepast. De methode sociale kwaliteit is zeer geschikt om de participatieve ontwikkeling van omgevingsplannen mogelijk te maken. Eerder gaven we aan dat bij het maken van een omgevingsplan eerst moet worden gewerkt aan een tussenvorm zoals een Nota van uitgangspunten voor een gebied. Het is raadzaam juist in deze fase al te starten met participatie onder relevante doelgroepen (informeren, consulteren).

Bij het opstellen en vaststellen van het omgevingsplan in een latere fase is dan vooral wettelijk verplichte participatie zoals de inzage- en beroepstermijnen aan de orde. Vaak wordt participatie door initiatiefnemers gezien als iets dat moet, terwijl participatie juist kansen biedt en leuk en inspirerend zou kunnen zijn. Het biedt aanknopingspunten om over een initiatief te communiceren in de media en de omgeving te betrekken. Het geeft ook waardevolle input die vanachter een bureau niet of moeilijker verkregen zou zijn. En natuurlijk helpt het weerstand op langere termijn te voorkomen. Op grond van artikel 16.29 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag kennis geven van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen of te wijzigen. In artikel 8.1 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat in de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij de voorbereiding van het omgevingsplan zullen worden betrokken. Daarnaast is opgenomen in het tweede lid van hetzelfde artikel, dat wie betrokken moet worden bij de vroegtijdige participatie afhankelijk is van de aard, de omvang en de invloed van het besluit op de fysieke leefomgeving. Voor het omgevingsplan geldt dus dat er kaders worden gesteld, maar geen regels over de invulling van het participatietraject.

Wel is er een motiveringsplicht opgenomen. Bij deze motiveringsplicht moet worden aangegeven wat de resultaten van het participatietraject zijn en wat er met deze resultaten gedaan is. In Katwijk zijn de volgende 4 punten door de raad gedelegeerd aan het college (kenmerk: 1788033):

24

• • • •

Het aanpassen van het omgevingsplan naar aanleiding van verleende vergunningen. De Omgevingswet bepaalt dat vergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen 5 jaar moeten worden verwerkt in het omgevingsplan. Het vertalen van beleidsregels van raad en college voor de fysieke leefomgeving naar regels in het omgevingsplan. Het aanpassen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het omgevingsplan aan te passen. Het nemen van een voorbereidingsbesluit. Het voorbereidingsbesluit is een besluit dat tijdelijk ontwikkelingen inperkt. Dit kan nodig zijn als die ontwikkelingen op grond van de geldende regels in een omgevingsplan wel mogelijk zijn maar niet wenselijk.

De raad zal wel betrokken worden bij het vaststellen van (delen) van het omgevingsplan.

5.1.4 Communicatie Voor ieder ruimtelijk initiatief van de gemeente waarvoor een omgevingsplan moet worden gemaakt, is ook een communicatieplan nodig. Hierin staan ieder geval de stakeholders en hun invloed en belangen, plus de communicatiekansen en de -risico’s van het project. In dit plan staat welke communicatiekanalen relevant zijn voor de betreffende doelgroepen en dus gemaakt en onderhouden moeten worden. Nieuwe digitale wegen bieden uitkomsten om op buurtniveau te communiceren over (mogelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Zo’n platform is één van de manieren waarop participatie en community building kan worden georganiseerd. Dit moet de drempel minder groot maken om als burger/instelling tot de juiste informatie te komen en hierop feedback te kunnen geven. Niet alleen vanuit de afdeling BFL, maar ook vanuit Communicatie zal aan nieuwe platforms gewerkt worden.

5.1.5 Monitoring en evaluatie Afhankelijk van het aantal initiatieven en of er gekozen wordt om bij initiatieven buitenplans af te wijken van het omgevingsplan, of om direct het omgevingsplan aan te passen ten behoeve van het initiatief, wordt bepaald hoe vaak het omgevingsplan wordt herzien. Zie ook gedelegeerde bevoegdheden onder 5.1.3. Dit zal in de eerste jaren gemonitord moeten worden.

5.1.6 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Belangrijk is om te durven experimenten met open normen en ontwikkelingen te faciliteren (uitnodigingsplanologie). Dit gebeurt bijvoorbeeld door te oefenen met de pilot van het omgevingsplan de Hoornes. De participatieve manier van werken van methode sociale kwaliteit helpt hierbij.

5.1.7 De vertaling naar de organisatie Zoals vaak benoemd is vanwege de brede reikwijdte van het omgevingsplan en het denken en doen ‘in de geest van de omgevingswet’ het opstellen van een omgevingsplan geen pure ROaangelegenheid meer zoals bij bestemmingsplannen in het Wro-tijdperk. Bewustwording in de organisatie van het feit dat iedereen (gemeentebreed) zijn invloed kan of moet uitoefenen op de fysieke leefomgeving is een speerpunt.

5.1.8 Noodzakelijke inzet Voor het opstellen van het omgevingsplan is een aanzienlijke opgave voor de organisatie. Het is geen kwestie van ‘even een workshop organiseren en dan weten we het wel’. Het gaat om het daadwerkelijk inleven en doorgronden van de doelen die je in een gebied wilt bereiken en de mate waarin regels daarin doelmatig kunnen ondersteunen. Vervolgens moeten deze regels vertaald 25

worden naar een leesbaar omgevingsplan dat digitaal ontsloten wordt en met behulp van toepasbare regels door mensen bevraagd kan worden op vergunning- en meldingsplichten voor activiteiten in het fysieke domein. Dit is een hele nieuwe werkwijze. Zoals aangegeven pakken we het omgevingsplan in fase en per gebiedstypering op. Uitgangspunt hierbij is dat voor het schrijfwerk c.q. het opstellen van het omgevingsplan / digitalisering wordt uitbesteed aan een extern (planologisch) bureau. Naast de beschikbare capaciteit (in de oorspronkelijk situatie ingezet voor het opstellen en herzien van de bestemmingsplannen) is hiervoor extra inzet begroot en aangetrokken. De procesverantwoordelijkheid voor het opstellen van het omgevingsplan berust bij een procesmanager planologie, die zich met name bezig houdt met het proces. In de vorm van een duo-functie is deze gekoppeld aan de medewerker planologie die zich bezighoudt met de inhoud van het plan. Dit is nodig om enerzijds de kwetsbaarheid in te perken en anderzijds zodat er een goede aanvulling ontstaat. Bij het oppakken van een volgend gebied kunnen de rollen worden omgedraaid. Op dat moment is het mogelijk elk jaar een ander gebied op te pakken zodat in 2029 er voor heel Katwijk een omgevingsplan van kracht is.

In het omgevingsplan kan ruimte worden geboden om voor meerdere activiteiten toestemming te geven zonder vergunning-, melding- of informatieplicht. Uiteindelijk kan dit leiden tot evenwicht in de benodigde capaciteit voor ruimtelijke planprocessen. Zie voor een nadere specificatie bijlage 1.

5.2 Toepasbare regels 5.2.1 Uitvoering De juridische regels van het Omgevingsplan worden vertaald en herschreven naar zogenaamde toepasbare regels, die in taak en toepasbaarheid aansluiten op de begrijpbaarheid door iedere initiatiefnemer voor een activiteit. Naast het inzien van een omgevingsplan, is het mogelijk om in het nieuwe Omgevingsloket een vergunningcheck te doen, een vergunning aan te vragen of een melding te doen, vergelijkbaar met het huidige OLO. Met de vergunningcheck kunnen burgers en bedrijven controleren of ze hun plannen in de leefomgeving mogen uitvoeren of dat ze daarvoor toestemming (een vergunning) nodig hebben. Dit gebeurt via vragenbomen die gebaseerd zijn op de juridische regels uit het omgevingsplan en die bestaan uit eenvoudige en toegankelijke vragen en antwoorden. Om deze vragenbomen werkend te krijgen in het Omgevingsloket moeten zogenaamde ‘toepasbare regels’ worden opgesteld. Het Rijk levert voor de rijksregels toepasbare regels en ook voor alle regels uit de bruidsschat. De toepasbare regels uit de bruidsschat worden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangepast aan de lokale regelgeving. De overige toepasbare regels vanuit het Omgevingsplan en verordeningen moeten gemeenten zelf opstellen. Het is niet mogelijk om meteen voor alle juridische regels ook toepasbare regels te hebben bij het in werking treden van de Omgevingswet.

Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet worden tenminste voor de tien topactiviteiten toepasbare regels opgesteld. Hiermee wordt het huidige dienstverleningsniveau zo veel mogelijk in stand gehouden. Het gaat om activiteiten die veel worden aangevraagd, te weten: 1. reclame plaatsen, 2. uitrit aanleggen of veranderen, 3. kappen, 4. slopen en/of asbest verwijderen, 26

5. overig bouwwerk bouwen, 6. bijbehorend bouwwerk bouwen, 7. dakkapel plaatsen, 8. woning bouwen, 9. overige veranderingen aan bestaande bouwwerken en 10. werk of werkzaamheden uitvoeren. Tijdens het opstellen van de toepasbare regels kan het zo zijn dat ontdekt wordt dat bepaalde juridische regels beter moeten worden geformuleerd of wellicht zelfs geschrapt moeten worden. Dit wordt opgepakt in de transitieperiode. Ook het opstellen van de toepasbare regels voor de overige activiteiten vindt plaats in deze periode (07-2022 tot 12-2029). Om het omgevingsplan op een simpele manier te kunnen gebruiken is het onder andere van belang dat mensen regels kunnen lezen en kunnen zien op welk gebied de regel van toepassing is. Daarnaast kunnen regels makkelijker doorzoekbaar worden gemaakt als er zoektermen worden gebruikt. Om dit mogelijk te maken, zullen de regels uit het omgevingsplan moeten worden geannoteerd. Annoteren is het toevoegen van informatie aan een gedeelte van de tekst van het omgevingsplan. Een markering (label, tag, etc.) heet een annotatie. Het feitelijk ‘markeren’ of van een (ken)merk voorzien van tekst, kan handmatig of geautomatiseerd gedaan worden. Met het annoteren kan men regels filteren: men kan een selectie van regels oproepen op basis van de aan de teksten toegekende annotatie. Om uniformiteit te bevorderen kan men de annotaties niet vrij kiezen.

Er is landelijk een aantal standaard annotaties geformuleerd. Denk daarbij aan de annotatie ‘onderwerp’ waarbij je uit een aantal waarden kan kiezen zoals ‘bodem’ of ‘natuur’. Annoteren is niet nieuw. Ook in het huidige stelsel van ruimtelijke plannen wordt reeds geannoteerd. Door op ruimtelijkeplannen.nl te klikken op de verbeelding worden de relevante planregels getoond. Dat is mogelijk doordat onderdelen van de bestemmingsplannen zijn voorzien van annotaties. Het annoteren van de regels in het omgevingsplan wordt opgepakt in de transitieperiode (07-2022 tot 12-2029).

5.2.2 Beheer De benodigde software om een omgevingsplan en toepasbare regels te kunnen maken is in Katwijk reeds geïmplementeerd, daarnaast zijn ook de benodigde koppelingen met het landelijke stelsel gelegd. Op dit moment worden de toepasbare regels opgesteld door medewerkers die dit doen naast hun ‘reguliere’ werkzaamheden. Het opstellen en beheer hiervan is echter een intensieve taak. Derhalve staat er een vacature open voor de functie Analist Regelbeheer. Dit betreft een nieuwe functie. Deze persoon regisseert de totstandkoming van de vragenbomen. Hij/zij digitaliseert de regelgeving en dienstverlening voor de Omgevingswet. Ook is hij/zij verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de software en de inrichting van het digitale Omgevingsloket.

5.2.3 Participatie Het streven is om inwoners en ondernemers te betrekken bij het begrijpelijk maken van de juridische regels. Bijvoorbeeld door in het systeem een vraag in te bouwen met betrekking tot de duidelijkheid/ begrijpbaarheid.

5.2.4 Communicatie Initiatiefnemers worden geïnformeerd over de toepasbare regels bij het indienen van hun initiatief. Mogelijk kan de gemeente op een later moment in gesprek over de toepasbare regels treden. Afhankelijk van hoe de gemeente burgers wil gaan laten participeren is er mogelijk communicatie benodigd, maar dat is nu nog niet duidelijk. 27

5.2.5 Monitoring en evaluatie De regelanalist zal de werking van de toepasbare regels periodiek monitoren en beoordelen of er aanpassingen moeten worden doorgevoerd.

5.2.6 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag De grootste te ontwikkelen vaardigheid zit in het dusdanig opstellen van de juridische regels (omgevingsplan) zodat ze vertaalbaar zijn naar toepasbare regels. Dit vergt een samenspel tussen jurist, beleidsmedewerker en regelanalist.

5.2.7 De vertaling naar de organisatie De regelanalist wordt de spin in het web als het gaat om de vertaling van juridische regels naar toepasbare regels. Het is van belang dat afdelingen zoals het KCC en VTH op de hoogte zijn van de geformuleerde toepasbare regels, ook hier zal de regelanalist zorg voor dragen.

5.2.8 Noodzakelijke inzet Het beheren van toepasbare regels, waardoor binnen het DSO de gemeentespecifieke vraagbomen voor vergunningcheck en aanvraag zijn opgenomen. Dit is een activiteit die intensiever is dan momenteel binnen het omgevingsloket online (OLO). Daarvoor zijn in de begroting middelen opgenomen. Hiervoor wordt een zogenaamde ‘regelanalist’ geworven. De regelanalist regisseert de benodigde input van juristen, beleidsmedewerkers en vergunningverleners en zorgt ervoor dat deze in de vorm van annotatie en toepasbare regels worden verwerkt. Zie voor een nadere specificatie bijlage 1.

5.3 Bruidsschat 5.3.1 Uitvoering Onder de Omgevingswet verhuizen veel regels van het Rijk naar gemeenten. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het huidige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De regels zijn aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. Ze voldoen ook nog niet aan álle eisen van de Omgevingswet, waaronder instructieregels van Rijk en provincie. Ook is vanzelfsprekend het lokale maatwerk nog niet vormgegeven. De gemeenten moeten dus met de bruidsschat aan de slag. Tijdens de overgangsfase van 2022 tot 2029 mogen gemeenten de algemene regels uit de bruidsschat intrekken en wijzigen wanneer ze willen, zolang de regels maar voldoen aan de instructieregels van Rijk en provincie. De bruidsschat wordt op dit moment kritisch bekeken door een werkgroep die wekelijks een deel van de analyse oppakt.

Er zal een keuze moeten worden gemaakt, namelijk of regels moeten worden geschrapt (indien deze bijvoorbeeld niet van toepassing zijn binnen Katwijk), aangepast aan de smaak van Katwijk (denk hierbij aan bepaalde bedrijfsterreinen binnen de gemeente waarvoor niet de regels van de bruidsschat, maar andere regels moeten gelden) of één op één kunnen worden overgenomen. Deze analyse zal deels voor inwerkingtreding gereed zijn. Na inwerkingtreding zal geëvalueerd worden of de gemaakte keuzes werkbaar zijn en zal de analyse worden voortgezet.

28

5.3.2 Participatie Participatie is vooral een intern proces in samenwerking met onder meer de omgevingsdienst. Verscheidene collega’s werken mee aan de evaluatie met als doel de analyse te verbeteren.

5.3.3 Communicatie Extern zal er gecommuniceerd worden aan de ketenpartners welke keuzes Katwijk heeft gemaakt. Hierbij wordt gewerkt met vaste aanspreekpunten en externe expertise (juristen en omgevingsdienst). Als aanpassing van regels gevolgen heeft voor inwoners of bedrijven, zal moeten worden beoordeeld wat de impact is en op welke manier hierover gecommuniceerd moet worden met relevante doelgroepen.

5.3.4 Monitoring en evaluatie Na inwerkingtreding wordt geëvalueerd of de gemaakte keuzes werkzaam zijn. Dit gebeurt gemeentebreed en wanneer nodig geacht worden ook de ketenpartners hierbij betrokken.

5.3.5 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet moet de nodige aandacht geschonken worden niet zozeer aan gedrag en vaardigheden maar wel aan kennis/expertise op het gebied van de onderwerpen in de bruidsschat, bijvoorbeeld milieu.

5.3.6 Noodzakelijke inzet Met de Omgevingswet wordt de gemeente verantwoordelijk voor het beheer van een groot aantal regels die momenteel nog Rijksbevoegd zijn. Het betreft voor een groot deel milieugerichte activiteiten. Hiervoor verwachten we meer vragen van initiatiefnemers, meer bezwaar en beroep op regels uit de bruidsschat en het beheren van de regels in het omgevingsplan. In dit kader wordt ook onderzocht in hoeverre hierin verdergaande samenwerking met de omgevingsdienst noodzakelijk en wenselijk is. In het eerste jaar na inwerkingtreding is een regelmatige evaluatie nodig, waarbij een groep van circa 6 medewerkers (milieu, RO en VTH) betrokken moet zijn. Er zal worden gewerkt met een maandelijkse actielijst. Zie voor een nadere specificatie bijlage 1.

5.4 Omgevingswaarden Het omgevingsplan is, net als de omgevingsvisie, één van de 6 kerninstrumenten van de Omgevingswet. Naast de kerninstrumenten bestaan er ook ondersteunende instrumenten om beleidsdoelen te halen. De omgevingswaarde is één van de ondersteunende instrumenten in de omgevingswet waarmee een gemeente het beleid van de omgevingsvisie kan uitvoeren en een gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan aangeven. Een voorbeeld is het vastleggen van een meetbare waarde voor een maximaal toelaatbare concentratie van een bepaalde stof in het oppervlaktewater in de gemeente. Naast een uitdrukking in getallen kan een omgevingswaarde ook worden uitgedrukt in een (zeer) duidelijke woordelijke beschrijving van een gewenste kwaliteit. Omgevingswaarden zijn tevens bedoeld om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken en in stand te houden.

5.4.1 Uitvoering In de beleidscyclus van de Omgevingswet valt de omgevingswaarde in het kwadrant van de beleidsdoorwerking. Een bepaalde visie uit het eerste kwadrant beleidsontwikkeling kan met een 29

omgevingswaarde concreet gemaakt worden. Met een programma kan vervolgens vastgelegd worden op welke manier de omgevingswaarde behaald gaat worden. Tijdens de uitvoering worden initiatieven beoordeeld aan de hand van de omgevingswaarden en programma’s en worden activiteiten en projecten toegestaan of geweigerd, bijvoorbeeld via een omgevingsvergunning. Heeft de overheid een omgevingswaarde vastgesteld? En voldoet ze er niet aan, of dreigt ze er niet aan te voldoen? Dan geldt er een programmaplicht. De overheid moet dan een programma opstellen met maatregelen waardoor ze wel kan voldoen aan de omgevingswaarde. Dat staat in artikel 3.10 van de Omgevingswet. De gemeente kan zelf vrijwillige omgevingswaarden in het omgevingsplan vaststellen, maar het kan ook zijn dat de provincie in haar omgevingsverordening omgevingswaarden heeft vastgesteld die doorwerken naar het gemeentelijke omgevingsplan of naar de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning. Ook het Rijk kan omgevingswaarden vaststellen die doorwerken naar het beleid van de gemeente. Een voorbeeld hiervan is de “omgevingswaarde luchtkwaliteit”. Deze is beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van het Rijk. Dit is een verplichte omgevingswaarde. Alle verplichte omgevingswaarden staan in hoofdstuk 2 van het Bkl. Voor de gemeente Katwijk geldt dat enkel de omgevingswaarde geluid verplicht is.

De gemeente Katwijk zal de in de AMvB’s opgenomen verplichte omgevingswaarden (op dit moment alleen geluid) vastleggen in het omgevingsplan en verder alleen die onderwerpen die echt van groot belang zijn. Denk daarbij aan mate van groen, schoon, duurzaam (bv energieneutraal bouwen), lokale milieueisen (stank) en stedenbouwkundige kwaliteit. Wat deze omgevingswaarden precies zullen zijn is nog te bepalen per gebied, onder meer uit te werken vanuit de omgevingsvisie. Dit ligt in lijn met de ambities van de raad.

5.4.2 Beheer Omgevingswaarden worden vastgesteld bij het omgevingsplan en worden waar nodig in stand gehouden, aangepast of komen te vervallen bij het herzien van het omgevingsplan.

5.4.3 Participatie Omgevingswaarden zijn zelfbindend voor de gemeente en niet direct bindend voor burgers en bedrijven. Een omgevingswaarde kan vertaald worden naar specifieke regels in het omgevingsplan. Bij het opstellen en herzien van het omgevingsplan vindt participatie plaats met onder andere burgers, bedrijven en ketenpartners. Bij het vaststellen van de omgevingswaarden is het goed om ook interne participatie te laten plaatsvinden. Het gaat om veel verschillende omgevingswaarden, van sociaal tot technisch. In eerste instantie zou er bij het vaststellen van omgevingswaarden via interne participatie moeten worden achterhaald over welk type omgevingswaarden externe participatie nodig en mogelijk is (en welke externe doelgroep in staat is daarover mee te praten en dat ook zou willen). Het gemeentelijk participatiebeleid geeft deze overwegingen ook aan. Kortom: je kunt en hoeft niet overal participatie voor te organiseren; hier is de gemeente kritisch in. De inzet van de participatieve methode sociale kwaliteit kan de interne en externe participatie ondersteunen.

5.4.4 Communicatie Bij het vaststellen van omgevingswaarden is interne communicatie gewenst onder die medewerkers, raadsleden en bestuurders die met de betreffende type omgevingswaarden te maken hebben. Hoe gerichter de communicatie op de juiste doelgroepen, hoe beter. Externe communicatie vindt plaats 30

bij het opstellen en herzien van het omgevingsplan.

5.4.5 Monitoring en evaluatie Het vaststellen van omgevingswaarden kan de gemeente dus helpen om bepaalde doelen en ambities te behalen, zoals bijvoorbeeld die uit de omgevingsvisie. Tegelijkertijd brengt het een monitoringsplicht met zich mee. De methode van uitvoering van de monitoring moet worden bepaald in het omgevingsplan. Daarnaast zal het college van B&W een programma moeten vaststellen als een omgevingswaarde niet behaald wordt, zie ook hoofdstuk 5 Programma’s/programmatische aanpak van dit transitieplan. De gemeenteraad heeft voor het uitgangspunt gekozen om vooralsnog terughoudend om te gaan met omgevingswaarden (zie voorstel met kenmerk Z13465D13473, mei 2021).

5.4.6 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Als bij het omgevingsplan omgevingswaarden worden vastgesteld, is in het Bkl bepaald dat deze berusten op onderzoek dat is verricht door een onafhankelijke deskundige (art. 2.0 Bkl). Binnen de gemeente Katwijk vraagt dit niet om het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden of gedrag.

5.4.7 Sociale kwaliteit De methodiek sociale kwaliteit is oorspronkelijk ontwikkeld voor het bepalen van omgevingswaarden. Aangezien het uitgangspunt is om terughoudend met omgevingswaarden om te gaan, is de koppeling met sociale kwaliteit beperkt. Mocht er voor voluntaire omgevingswaarden gekozen worden, dan kan de methode benut worden om deze te bepalen. Te denken valt aan omgevingswaarden voor de nieuwe thema’s in de wet, gezondheid en veiligheid in een bredere interpretatie, voor zover deze niet binnen de instructieregels vallen.

5.4.8 De vertaling naar de organisatie Vanuit verschillende thema’s en beleidsonderwerpen kunnen omgevingswaarden worden bepaald. Het vaststellen ervan, de monitoring en evaluatie zal vanuit uiteenlopende vakdisciplines (gemeentebreed) plaatsvinden.

5.4.9 Noodzakelijke inzet Per beleidsonderwerp en ambitie zal bekeken moeten worden wat de benodigde capaciteit is voor onderzoek, vaststelling, monitoring, evaluatie en herziening. Aan het vaststellen van omgevingswaarden sec is de inzet aan capaciteit en middelen beperkt en valt dit binnen de reguliere begroting.

31

6. Programma’s / programmatische aanpak Er is onderscheid te maken tussen verplichte en onverplichte programma’s. Van een verplicht programma is sprake bij thema’s die worden meegegeven vanuit EU-regelgeving zoals de Richtlijn omgevingslawaai. Artikel 3.6 van de Omgevingswet verplicht gemeenten om voor deze domeinen programma's vast te stellen. Andere verplichte programma’s worden opgesteld bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarden (waarden die bijvoorbeeld gaan over luchtkwaliteit of geluidsnormen). Heeft de overheid een omgevingswaarde vastgesteld? En voldoet ze er niet aan, of dreigt ze er niet aan te voldoen? Dan geldt er een programmaplicht. De overheid moet dan een programma opstellen met maatregelen waardoor ze wel kan voldoen aan de omgevingswaarde. Dat staat in artikel 3.10 van de Omgevingswet.

6.1 Uitvoering De gemeente Katwijk mag kiezen hoe ze programma’s wil inzetten. De omgevingsvisie kan globaal worden gehouden, waarbij het beleid verder uitgewerkt kan worden in programma’s. Of de gemeente kan ervoor kiezen om de omgevingsvisie veel specifieker te maken, zich te richten op gebiedsgericht werken en zo minder met programma’s te werken. In Katwijk zijn er nog geen omgevingswaarden vastgesteld. Daarom richt de gemeente zich eerst op de verplichte programma’s onder de Omgevingswet.

6.1.1 Het aanvullingsspoor geluid Het aanvullingsspoor geluid vult het nieuwe stelsel van omgevingsrecht aan. Het aanvullingsspoor geluid bestaat uit de Aanvullingswet geluid, een aanvullingsbesluit en een aanvullingsregeling. Deze wetgevingsproducten zijn nog in ontwikkeling6. Doel van dit aanvullingsspoor is het: • voorkomen van de onbeheerste groei van geluidbelastingen op geluidgevoelige gebouwen; • verlagen van bestaande hoge geluidbelastingen op geluidgevoelige gebouwen (sanering); • bevorderen van bronbeleid; • eenvoudiger maken van het normenkader en het • stroomlijnen en makkelijker maken van de instructieregels. Voor het halen van de doelen staan er in de Aanvullingswet geluid regels over: • verplichte omgevingswaarde gemeente voor geluidproductie industrieterrein; • verplichte omgevingswaarde provincie voor geluidproductie wegen en aangewezen lokale spoorwegen en industrieterreinen; • verplichte omgevingswaarden Rijk voor geluidproductie wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen en • beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, voor het beschermen van de gezondheid. De belangrijkste wijzigingen rond geluid bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de volgende: • De bescherming van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid geldt nu voor activiteiten in plaats van inrichtingen.

Ook woonboten en woonwagens zijn geluidgevoelige gebouwen.

6 https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/omgevingswet-in-ontwikkeling/hoofdlijnen-

aanvullingsspoor-geluid/

32

•

• •

• • • •

De bescherming van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid van bedrijven staat niet meer opgenomen in de algemene rijksregels (zoals nu in het Activiteitenbesluit). Dit staat in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan daarvoor instructieregels. Dit biedt meer ruimte voor lokale gebiedsgerichte bescherming. Een geluidgevoelig gebouw dat het omgevingsplan toelaat, maar nog niet aanwezig is, wordt beschermd. Dat was bij toepassing van het Activiteitenbesluit niet het geval. Het begrip 'goede ruimtelijke ordening' voor bestemmingsplannen is vervangen door 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' voor het omgevingsplan. Dit begrip is breder. In de Omgevingswet spelen twee maatschappelijke doelen een rol. Deze maatschappelijke doelen zijn: - het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften Beheersing van de gecumuleerde geluidbelasting van activiteiten op het industrieterrein met geluidproductieplafonds (op referentiepunten). Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit een zone op gevels van geluidsgevoelige gebouwen.

Beheersing van geluid van provinciale wegen en door de provincie aangewezen lokale spoorwegen met geluidproductieplafonds (op referentiepunten), zoals nu al bij rijkswegen en hoofdspoorwegen. Beheersing van geluid van gemeentelijke en waterschapswegen en andere lokale spoorwegen met een basisgeluidemissie. Het beoordelingskader (normenhuis) voor geluidgevoelige gebouwen is vereenvoudigd. Dit geldt zowel voor geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond als voor activiteiten.

6.1.2 Het programma geluid Voor Katwijk gaat het op dit moment met name om het actieplan geluid, dat onder de Omgevingswet gezien kan worden als een programma. Met het actieplan geluid wordt voldaan aan de Europese richtlijn omgevingslawaai. Het gaat in het actieplan om de Europese grenzen aan het lawaai en de nationale maatregelen om lawaai rond de wegen in beheer bij het Rijk, de hoofdspoorwegen, de luchthaven Schiphol en andere luchthavens van nationale betekenis binnen de normen te houden. Het actieplan geluid (artikel 3.6 Omgevingswet, artikel 10.9, 10.17 Omgevingsbesluit) is verplicht op basis van Europese regelgeving (Europese richtlijn omgevingslawaai). Daar wijzigt met de komst van de Omgevingswet niets aan. Ook de verplichtingen die gelden op grond van de Europese regelgeving blijven gelijk. Volgens artikel 4.98 Invoeringswet Omgevingswet is een actieplan dat is vastgesteld onder de Wet milieubeheer een actieplan geluid onder de Omgevingswet. Het actieplan geluid dat is vastgesteld onder de Wet milieubeheer, behoudt daarmee zijn status. En zijn geen juridische of technische aanpassingen nodig. Het actieplan geluid is op zichzelf geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en is niet gericht op rechtsgevolgen. Overgangsrecht is daarom niet van toepassing. Wel dient de wijze van publiceren aangepast te worden aan de eisen van de Omgevingswet.

Zoals hierboven aangegeven is een programma verplicht bij een (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarden, zoals de GPP-punten rondom een industrieterrein. Voor het omzetten van de huidige geluidzones rond geluidgezoneerde industrieterreinen naar de nieuwe systematiek met GPPpunten, geldt een overgangstermijn. Deze loopt door tot na 2024. In de periode tot 2024 wordt geadviseerd om, vooruitlopend op het verstrijken van de overgangsperiode, het omzetten naar de

33

GPP-systematiek in gang te zetten. Voor industrieterrein ’t Heen wordt deze omzetting naar de GPPsystematiek al door de Omgevingsdienst voorbereid. Na inwerkingtreding zal onderzocht worden of Katwijk nog meer programma’s wil vaststellen. Dit onderzoek zal gezamenlijk worden uitgevoerd door collega’s van de afdelingen PPO, BFL en VTH. Een voorbeeld van zo’n “extra” programma zou het volgende kunnen zijn: In 2009 is de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (ISG) vastgesteld. Deze is geactualiseerd in 2016. Het is voor de uitvoering van het beleid van groot belang dat deze gemeentelijke ambities geborgd blijven, ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de afzonderlijke omgevingsvisies van Greenportgemeenten zijn de gezamenlijke doelstellingen opgenomen, die in de omgevingsplannen worden vertaald naar planregels. Daarnaast zal een Intergemeentelijk programma herstructurering Greenport Duin- en Bollenstreek worden vastgesteld waarin de doelstellingen, het beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en de uitvoering worden uitgewerkt. Ook zouden programma’s gericht kunnen worden op het verhogen van de sociale kwaliteit of de nieuwe thema’s in de wet, gezondheid en veiligheid. Vastgestelde programma’s dienen in het DSO zichtbaar te zijn. Ook hieraan zal in de transitieperiode invulling gegeven worden.

6.2 Participatie Vanuit de wet geldt een kennisgevings- en een motiveringsplicht bij de omgevingsvisie, het omgevingsplan en het programma: de gemeente geeft bij de kennisgeving van een besluit aan hoe de participatie wordt vormgegeven en de gemeente geeft bij de vaststelling van het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn (motivering). Voorafgaand aan het maken van een participatieplan voor een programma is een strategisch communicatieplan noodzakelijk met een stakeholderoverzicht en -analyse. De belangen, behoeften, het kennisniveau en de betrokkenheid van een type stakeholder bepalen of en hoe je participatie organiseert. De inzet van de participatieve methode sociale kwaliteit kan de interne en externe participatie vorm geven.

6.3 Communicatie Een programma is een plan op strategisch niveau. Bij een programma hoort daarom ook een strategisch communicatieplan dat al dan niet in samenwerking met andere partijen (denk aan gemeenten in de regio) wordt geschreven en mogelijk zelfs gezamenlijk wordt uitgevoerd. In een strategisch communicatieplan voor een programma moeten in ieder geval de stakeholders en hun invloed en belangen inzichtelijk worden gemaakt, plus de communicatiekansen en de -risico’s van het programma, zodat de communicatieopgave duidelijk wordt en een strategie kan worden bepaald. In het strategisch communicatieplan van ieder programma hoort ook te staan welke communicatiekanalen relevant zijn voor de betreffende doelgroepen en dus gemaakt en onderhouden moeten worden. Het vaststellen van een programma is een aanleiding om hierover intern en extern te communiceren. Voor alle communicatie geldt: hoe concreter hoe beter. Communiceer daarom waar mogelijk over de concrete resultaten en voortgang en verwijs daarbij naar het achterliggende programma. 34

6.4 Monitoring en evaluatie Vastgestelde programma’s dienen zorgvuldig en frequent geëvalueerd te worden. Een programma moet vergezeld gaan met structurele monitoring die ook in het programma zelf wordt vastgesteld. Voor welk aantal programma’s dit zal gelden en met welke frequentie dit zal moeten gebeuren is nog niet bekend, omdat eerst onderzocht zal worden welke programma’s Katwijk wil vaststellen.

6.5 Noodzakelijke inzet en middelen Behouden het programma geluid, is er op dit moment nog geen zicht of en zo ja welke programma’s worden ingericht. Dit kan na inwerkingtreding duidelijk worden. De daaraan verbonden inzet en middelen zullen per programma worden ingeschat en in de begroting worden opgenomen.

7. Omgevingsvergunning De gemeente kan via de omgevingsvergunning ook invloed uitoefenen op de leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving te mogen uitvoeren door het aanvragen van een omgevingsvergunning.

7.1 Vergunningverlening 7.1.1 Uitvoering Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat door het overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan, het omgevingsplan van rechtswege. Alle regels moeten op 31 december 2029 zijn opgenomen in het definitieve omgevingsplan. In de overgangsfase moet de gemeente dus alle regels vanuit het tijdelijk omgevingsplan ‘overbrengen’ naar het definitieve plan, zie ook hoofdstuk 6. Daarbij zal ook worden nagedacht over: welke nieuwe omgevingsplanactiviteiten worden geïntroduceerd, welke vervallen, of waar een meldingsplicht voor komt. Op die manier kan het aantal vergunningen, meldingen verminderen of juist toenemen. Voormelde keuzes in het omgevingsplan, dus vergunningsvrij, vergunningsplichtig of meldingsplichtige activiteiten, kunnen van invloed zijn op de vereiste kennis, vaardigheden en (grootte van) het takenpakket van de vergunningverlener. Door de invoering van de Omgevingswet zal een groot aantal gemeentelijke bedrijfsprocessen aangepast moeten worden. Ter ondersteuning is een interbestuurlijk afgestemd processenmodel beschikbaar waarin deze processen en hun onderlinge samenhang worden weergegeven. Onderstaande figuur toont het procesdiagram.

35

Het processendiagram toont de causale samenhang tussen de bedrijfsprocessen van de Omgevingswet. Het model is overgenomen van het interbestuurlijke processenraamwerk omgevingswet. De lichtgrijs gekleurde vormen representeren clusters van samenhangende processen; blauw gekleurde processen worden uitgevoerd door de gemeente; wit gekleurde processen worden uitgevoerd door initiatiefnemers en/of belanghebbenden; grijs gekleurde processen worden uitgevoerd door andere bestuursorganen dan de gemeente. De VNG heeft onder de noemer werkende processen voor enkele bedrijfsprocessen een 'placemat' gepubliceerd met een overzicht van processtappen, rollen, input/output en klantverwachtingen. De werkende processen bieden een overzichtelijk en laagdrempelig overzicht voor meerdere doelgroepen, ten behoeve van het meedenken en meewerken van die doelgroepen bij het inrichten en aanpassen van de bedrijfsprocessen. Het processenmodel wordt door de gemeente Katwijk ingericht via de methodiek van de werkende processen. De scope betreft in eerste instantie de 13 processen binnen de Omgevingswet. Deze processen worden vooruitlopend op de livegang van de Omgevingswet klaar gemaakt. Als onderdeel hiervan wordt aan de stappen ‘huidig proces’ en ‘nieuw proces’ invulling gegeven. We beginnen met - en verbeteren wat er nu al is.

Er zijn processtappen die wezenlijk niet veranderen en processtappen die wel veranderen omdat we er anders mee gaan werken, zoals bij het DSO. Op 1 juli 2021 zijn de werkprocessen en systemen gereed en beproefd voor de behandeling van aanvragen om omgevingsvergunningen en ruimtelijke initiatieven. Na inwerkingtreding zullen deze processen gemonitord worden, zie ook 8.1.3 Monitoring en evaluatie.

7.1.2 Communicatie In maart 2022 start de externe communicatie over het aanvragen van een vergunning onder de Omgevingswet. Hierbij wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: • Wat wordt er van mij verwacht? (als inwoner/ondernemer) 1. Waar kan ik informatie vinden? 2. Waar kan ik de vergunningcheck doen/mijn aanvraag indienen? 3. Wat moet ik doen voor ik een aanvraag indien? (intake- en omgevingstafel/ participatie) 36

4. 5. • 1. 2.

Waar kan ik terecht met vragen? Hoe kan ik bezwaar en beroep indienen? Wat kunt u verwachten als u een vergunning aanvraagt? Wat is de besluitvormingstermijn? Via welke weg krijg ik te horen of mijn aanvraag is beoordeeld?

De manier van communiceren en de communicatieboodschappen zijn afhankelijk van het type aanvrager van de vergunning. Veelgebruikers zal je actief moeten opzoeken en informeren (zelfs betrekken) over alle veranderingen, terwijl je een burger die slechts een keer in de twintig jaar een kapvergunning wil aanvragen, op dat moment alleen maar actuele en begrijpelijke procesinformatie moet geven. Het is daarom raadzaam om klantreizen van type aanvragers te analyseren en per klantreis een communicatieproces op te stellen. Middels een korte lokale communicatiecampagne zal het waarom en wanneer van de nieuwe aanvraagprocedure onder de aandacht worden gebracht. Daarbij wordt verwezen naar meer informatie en demo’s op de website. Op de website van de gemeente zullen (klik)demo’s worden ingezet. Intern is training nodig van iedereen met klantcontact en iedereen op de afdeling waar vergunningsaanvragen worden behandeld. Ook overige medewerkers moeten via de interne communicatiekanalen en bijvoorbeeld met presentaties in reguliere overleggen worden geïnformeerd over de hoofdlijnen van de nieuwe werkwijzen.

7.1.3 Monitoring en evaluatie De werkprocessen voor de behandeling van omgevingsvergunning onder de Omgevingswet worden na inwerkingtreding geëvalueerd en indien nodig aangepast. In dit verband wordt opgemerkt dat vergunningverleners ook betrokken zijn bij onder meer (het oefenen met) de intake- en omgevingstafel, het DSO en toepasbare regels. Er wordt in ieder geval gemonitord op instroom/uitstroom en doorlooptijd. Dit wordt gedaan door elke initiatiefnemer na een verleende vergunning te vragen hoe het is verlopen. Aanpassingen worden doorgevoerd wanneer de praktijk daartoe aanleiding geeft. Afhankelijk van het werkproces zal hier naast een vergunningverlener ook een collega (van een ander cluster) bij worden betrokken.

7.1.4 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Voor de vergunningverlening zelf zijn in principe geen nieuwe vaardigheden nodig vergeleken met het huidige proces. Er ligt een verbinding met de acties die rond de dienstverlening van de gemeente in bredere zin al lopen. Voor de toepassing van nieuwe instrumenten is dat mogelijk wel aan de orde. De opleidingen of trainingen die hiervoor wenselijk zijn worden bij de afzonderlijke instrumenten vermeld.

7.1.5 Noodzakelijke inzet De noodzakelijke inzet van vergunningverlening wordt mede bepaald door de keuzes die gemaakt worden in het kader van het omgevingsplan: vergunningsvrij, meldingsplicht, vergunningsplicht, open of gesloten normen, algemene regels). Dit is uiteindelijk ook bepalend voor de structurele effecten. Hoewel de exacte impact nog niet te bepalen is, zijn er op basis van de ambities wel modelbenaderingen uitgevoerd. Voor de transformatieperiode moet naast de inzet van de reguliere capaciteit rekening nog worden gehouden met beperkte extra inzet van capaciteit en middelen. Voor een nadere specificatie zie bijlage 1.

37

7.2 Adviescommissie omgevingskwaliteit 7.2.1 Uitvoering Het bevoegd gezag moet in staat zijn om bij de invoering van de Omgevingswet aanvragen om omgevingsvergunning te beoordelen volgens de eisen van de Omgevingswet. Hieronder vallen ook de welstandseisen. Om hieraan te voldoen dient heeft de raad in juli 2021 de verordening en het reglement voor de adviescommissie omgevingskwaliteit vastgesteld (kenmerk: Z13201D13205). De adviescommissie omgevingskwaliteit is actief vanaf de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet. De commissie adviseert minimaal over de aanvragen voor een ‘omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een rijksmonument’ (met uitzondering van archeologische monumenten). De gemeenteraad kan daarnaast in het omgevingsplan bepalen bij welke categorieën bouwwerken of in welke gebieden het vragen van advies aan de commissie verplicht is. Dit volgt bij het opstellen van het omgevingsplan.

7.2.2 Monitoring en evaluatie Voor de adviescommissie omgevingskwaliteit worden de volgende acties op het gebied van monitoring en evaluatie gesignaleerd: 1. Verordening: De verordening voor de adviescommissie omgevingskwaliteit dient elke 4 jaar geëvalueerd te worden, te starten 2 jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2. Reglement: Het reglement voor de adviescommissie omgevingskwaliteit dient elk jaar geëvalueerd te worden op werkbaarheid en mogelijke verbeterpunten. 3. Jaarverslag: De adviescommissie dient jaarlijks een jaarverslag op te stellen en richting raad te brengen. 4. Leden: De leden van de adviescommissie dienen elke 4 jaar (her)benoemd te worden.

7.2.3 Noodzakelijke inzet Voor het in stand houden van de adviescommissie omgevingskwaliteit is jaarlijks inzet benodigd van twee leden met expertise op het gebied van monumentenzorg, overige deskundigheden en de stadsbouwmeester en ambtelijke ondersteuning. Voor monitoring en evaluatie van de verordening en het reglement van de adviescommissie omgevingskwaliteit is ook inzet benodigd. Aanvullend is er inzet benodigd voor het opstellen van het jaarverslag en het (her)benoemen van de leden van de commissie. Ten opzichte van de huidige praktijk met een Erfgoedcommissie en standbouwmeester betekent dit een verhoging van de noodzakelijke middelen. Zie voor een nadere specificatie van de benodigde inzet en middelen bijlage 1.

7.3 Intake- en Omgevingstafel 7.3.1 Uitvoering Vanaf 1 juli 2021 als de Omgevingswet (naar verwachting) in gaat, wordt het verlenen van vergunning bij (complexe) initiatieven anders: • De procedure van 8 weken wordt de standaardprocedure; de afhandeling van de aanvraag moet dus veel sneller. • Bij een aanvraag voor meerdere overheden wordt de gemeente aanspreekpunt en verantwoordelijk voor de afhandeling in de keten. 38

•

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag wordt integraal naar alle aspecten van de fysieke leefomgeving gekeken. • Bij het aanvragen van een vergunning moet de initiatiefnemer aangeven of en hoe er is geparticipeerd. • De houding naar de initiatiefnemer verandert van 'nee, tenzij' naar 'ja, mits'. Dat betekent dat de overheid meer gaat adviseren en denken in mogelijkheden. Om hieraan invulling te geven wordt gewerkt met een intaketafel en een omgevingstafel. Sinds 2021 wordt in Katwijk gewerkt met een intaketafel. Aan de intaketafel wordt bepaald of een initiatief binnen de ambities van het beleid past, zoals deze onder meer voortkomen uit de Omgevingsvisie. Daarna kan een initiatief verder worden uitgewerkt en komt het op de omgevingstafel besproken wordt. Afhankelijk van de impact van een initiatief kan besloten worden om de methode sociale kwaliteit in te zetten. De intaketafel wordt op dit moment geëvalueerd, een directievoorstel is in de maak. Er wordt naar gestreefd om dit voorstel dit jaar nog vast te stellen De omgevingstafel is (vervolgens) de plek waar de gesprekken over de vergunningverlening plaatsvinden. Aan deze tafel komen de initiatiefnemer, de gemeente, betrokken ketenpartners en belanghebbenden bij elkaar. Het initiatief wordt besproken vanuit het uitgangspunt "ja, mits ...": waaraan moet het initiatief voldoen om uitgevoerd te kunnen worden.

De omgevingstafel is een instrument om sneller tot een uitspraak te komen op een vergunningaanvraag. Ook wordt de beoordeling door de methode meer integraal gemaakt. Deze verbeteringen van het beoordelingsproces zijn in lijn met de Omgevingswet. De voordelen van het kiezen voor de omgevingstafel zijn: • Met de Omgevingstafel werken we in de geest van de Omgevingswet. We denken in mogelijkheden en gebruiken de “Ja, mits” houding. We zijn in staat om complexe initiatieven in de reguliere procedure van 8 weken af te handelen. • In dialoog met de initiatiefnemer kunnen randvoorwaarden om initiatieven mogelijk te maken duidelijk worden • Het proces verloopt sneller • De communicatie is duidelijker • Door vroeg contact te hebben met de initiatiefnemer kunnen we meer kwaliteit toevoegen aan initiatieven en kunnen we meer bestuurlijke opgaven realiseren zoals duurzaamheid, de woningopgave of de Energietransitie. • Samen met een initiatiefnemer en belanghebbenden aan de Omgevingstafel praten, levert betere oplossingen. Dit in tegenstelling tot de huidige veelal schriftelijke communicatie. • De Omgevingstafel bevordert de regionale samenwerking. Een initiatief wordt namelijk in overleg met de ketenpartners afgehandeld. De methode om de omgevingstafel te ontwikkelen is “learning-by-doing”.

We zijn inmiddels gestart met het oefenen met eenvoudige aanvragen om vervolgens steeds complexere aanvragen te beoordelen met meerdere partijen aan tafel. Ook externe partijen en initiatiefnemers hebben inmiddels als aan een omgevingstafel deelgenomen. Ervaringen worden vastgelegd in een logboek waardoor de tafel steeds beter verloopt. Op de volgende pagina wordt het geldende stroomdiagram voor initiatieven weergegeven. Dit stroomdiagram is inmiddels geactualiseerd, maar in geactualiseerde vorm nog niet vastgesteld.

39

40

7.3.2 Participatie De intake- en omgevingstafel zijn in feite participatie-instrumenten.

7.3.3 Communicatie Er zal intern gecommuniceerd worden. Het proces van de intake- en omgevingstafel zal organisatiebreed geïntroduceerd worden. Hiernaast wordt er blijvend gecommuniceerd met initiatiefnemers (korte lijnen). Hierbij wordt gewerkt met vaste aanspreekpunten. Deze informatie maakt onderdeel uit van de totale procescommunicatie richting vergunningaanvragers. Er wordt nu geruime tijd geoefend met de intake- en omgevingstafel. De leerpunten daaruit bieden kansen voor interne communicatie en mogelijk zelfs voor externe communicatie. Neem collega’s mee in de successen, do’s en dont’s. In de maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het delen van verhalen over de omgevingstafel en de intaketafel een goede manier om specifieke doelgroepen van aanvragers te betrekken.

7.3.4 Monitoring en evaluatie Na inwerkingtreding zal het proces van de intake- en omgevingstafel jaarlijks geëvalueerd worden. Dit zal gebeuren aan de hand van input van de betrokken collega’s, initiatiefnemers die hebben deelgenomen en zo nodig van ketenpartners.

7.3.5 Te ontwikkelen vaardigheden en gedrag Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de nodige aandacht geschonken moeten worden aan de volgende vaardigheden: • Proactieve houding • Heldere communicatie, zowel intern als extern • Verantwoordelijkheidsgevoel • Integraliteit • Gespreksvaardigheden Deze vaardigheden komen structureel aan bod bij de eventuele inzet van de methode sociale kwaliteit.

7.3.6 Noodzakelijke inzet De intaketafel en omgevingstafel vragen inzet van capaciteit. Bij de intaketafel zijn in ieder geval betrokken een voorzitter, secretaris, omgevingsregisseurs en relevant senior-beleidsmedewerkers van fysiek en sociaal domein. Aan de omgevingstafel nemen plaats een voorzitter, secretaris, de dossierhouder (VTH) en de casemanager (PPO). Daarnaast sluiten inhoudelijk adviseurs aan bij de omgevingstafel. Bij de jaarlijkse evaluatie van de intake- en omgevingstafel worden de directe procesverantwoordelijke (beleidsmedewerkers ruimte en een stedenbouwkundig medewerker) betrokken. In belangrijke mate is de inzet voor de tafel vergelijkbaar met inzet die ook in de bestaande situatie rond initiatieven en vergunningaanvragen wordt gepleegd. Wel is er ook hier een directe afhankelijkheid van de mate waarin mogelijke ontwikkelingen en ambities al in het omgevingsplan zijn geregeld. Daarom zijn de exacte consequenties op dit moment nog niet aan te geven. Zie voor een nadere specificatie bijlage 1.

41

8. Toezicht en handhaving (incl. Wkb) 8.1 Toezicht en handhaving onder de Wkb De Wkb wordt gefaseerd ingevoerd. Gestart wordt met bouwwerken die vallen in gevolgklasse 1 (grondgebonden woningen, kleine bedrijfshallen en fiets- en voetgangersbruggen). Voor deze bouwwerken wordt de private markt verantwoordelijk voor het aantonen dat deze bouwwerken voldoen aan de technische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voorheen bouwbesluit). De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw en omgevingsveiligheid en blijft het bevoegd gezag. De initiatiefnemer legt inhoudelijk verantwoording af aan het bevoegd gezag. Dit doet hij door het indienen van een melding bouwactiviteit, waarbij een borgingsplan (de risicobeoordeling) onderdeel uitmaakt van deze melding. Tijdens de bouwwerkzaamheden wordt er door een private partij (kwaliteitsborger) getoetst of aantoonbaar gebouwd wordt, waarbij er een gerechtvaardigd vertrouwen is dat voldaan wordt aan de technische eisen vanuit het Bbl. Bij gereed melding ontvangt het bevoegd gezag een opleverdossier bevoegd gezag met een verklaring van de kwaliteitsborger. Het borgingsplan kan door het bevoegd gezag worden gebruikt om zijn handhavende taak van waarnemen, beoordelen en interveniëren vooraf inhoud en richting te geven.

Voor zijn handhavende taak kan het bevoegd gezag, als hij daarvoor in specifieke gevallen aanleiding ziet op basis van het borgingsplan, tijdens de bouw informatiemomenten en stopmomenten aan de melder opleggen. Na evaluatie van deze eerste fase (drie jaar na inwerkingtreding) zal naar verwachting fase 2 in werking treden. Afhankelijk van de ervaringen wordt er dan besloten hoe er met de gevolgklasse 2 en 3 wordt omgegaan.

8.1.1 Uitvoering De Wkb betekent niet alleen dat er taken verdwijnen. De gemeente moet blijven toetsen of het gekozen instrument past bij het te (ver)bouwen bouwwerk en de daarbij behorende gevolgklasse. Daarnaast controleert de gemeente of de aangewezen kwaliteitsborger mag werken met het gekozen instrument en of er een borgingsplan is gemaakt. Na oplevering ontvangt en verwerkt de gemeente het dossier bevoegd gezag. Taak

Invulling

Initiële melding (check naam kwaliteitsborger, certificatie kwaliteitsborger en te gebruiken instrument)

Controle op volledigheid en Steekproefsgewijs inhoudelijk checken Controle op volledigheid en risico’s meegeven steekproefsgewijs globaal controleren of de risico’s terugkomen in het borgingsplan

Risicobeoordeling en borgingsplan Melding non-conformiteit

Optreden aan de hand van bredere prioritering Controle op volledigheid verzoek om aanvulling indien noodzakelijk Controle op volledigheid en verzoeken om aanvulling indien noodzakelijk 2 uur VV 1 uur TH

Startmelding bouw Dossier bevoegd gezag en verklaring kwaliteitsborger Tijdsbesteding

Nieuwe taken onder de Wkb

De tijd die de gemeente daadwerkelijk wil besteden aan de resterende werkzaamheden is een beleidsmatige keuze. Hierbij geldt dat er voor deze nog uit te voeren taken geen leges in rekening gebracht kunnen worden. Ook gelden deze taken niet voor zogenaamde Bouwbesluittoetsvrije bouwwerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10973074/1